Wedstrijduitslag: ‘Het geheime gesprek’

Deze zomer organiseerde ik samen met Schrijven Online de schrijfwedstrijd ‘Het geheime gesprek‘. De top drie is nu verschenen in het nieuwste nummer van Schrijven Magazine, dus nu mag ik de verhalen ook op miijn blog laten schitteren. Ik hoop dat jullie net zoveel van de verhalen hebben genoten als ik heb gedaan, hier staan ze nog eens op een rij, inclusief mijn feedback.

Nogmaals mijn dank aan alle deelnemers en aan Schrijven Online voor het vertrouwen, de inzet en de mooie verhalen!

Eerste plaats – ‘Onder dezelfde zon’, door Charlotte Dekker

De zon scheen over het plein, de lucht trilde zacht boven de tegels. Ze zat met haar rug tegen een gladde, hoge zuil; benen uitgestrekt, sandalen half uitgeschopt.
Een jongen met een Free Palestine-shirt liep langs, zette bekertjes water neer en verdween weer in de kring. De witte letters op rood bleven even in haar blik hangen.
Naast haar zakte een man neer, in een eenvoudig, licht overhemd. Hij hield zijn handen op zijn knieën, alsof hij niet wist waar hij ze anders moest laten. Een donkere waas kleurde de stof onder zijn oksels. Zijn blik ging langs de hoge ramen, bleef even hangen bij de beveiligingspoortjes, en gleed dan terug naar de vloer.
‘Eerste keer?’ vroeg zij.
Hij knikte, kort.
‘Het is druk vandaag,’ zei ze.
‘Ja,’ antwoordde hij, zijn stem laag.
Aan de overkant las iemand namen voor. Eén voor één. “Amal Hassan, achttien.” “Yusuf Al-Khalil, twintig.” “Lina Barakat, zeven…” De stem brak en viel even stil.
‘Ik kom hier sinds juli,’ zei ze.
‘Vandaag voor het eerst.’ Zijn vingers speelden met de sluiting van zijn horlogebandje, los en vast, los en vast.
‘Ben je hier voor iemand in het bijzonder… of voor jezelf?’ vroeg ze.
Hij ademde traag uit. ‘Voor hen,’ zei hij. ‘Voor mensen die honger hebben omdat hulp hen wordt onthouden. Ik dacht dat we ooit hadden geleerd dat je niemand zo behandelt… dat geen enkel volk dat ooit meemaakte, het een ander zou aandoen.’
Alsof hij zelf schrok van zoveel woorden, viel hij stil.
Ze keek hem aan, haar oog volgde een zweetdruppel die zich losmaakte op zijn voorhoofd en traag naar beneden gleed. Zijn blik scande de menigte, alert. ‘Vind je het moeilijk om hier te zitten?’
‘Nee.’
‘Om hier te blijven zitten?’
Hij aarzelde. ‘Je weet niet altijd hoe mensen zullen kijken.’
Hij haalde iets uit zijn zak, achteloos bijna: een kettinkje, zilver, klein. Het symbool ving even het licht en sneed het zonlicht in zes puntige stralen voordat hij het weer in zijn hand sloot. Ze keek ernaar, keek toen naar hem. Iets langer dan eerst.
‘Soms moet je toch gaan zitten,’ zei hij.
‘Ja,’ zei zij. ‘Juist dan.’

‘Onder dezelfde zon’ heeft een continue onderhuidse spanning waarin de thema’s rouw, oorlog en menselijke compassie elkaar perfect aanvullen. Charlotte weet met weinig woorden een wereld te scheppen die zowel rechtstreeks als impliciet weet te raken. Of de personages nu spreken of juist niet, alles spreekt. En alles spreekt voor zich door een perfecte opbouw en sfeeromschrijving..’

Charlotte, gefeliciteerd met het winnen van de schrijfcursus: ‘de perfect afgestemde dialoog’!

Tweede plaats – ‘Stilte’ door Mariek de Jong

Mijn moeder zei:
Waarop mijn vader antwoordde dat …
En ik werd hun zwijgen zo gewoon,
dat ik zelf ook niets te zeggen had, dacht ik.

Kwam mijn grootvader op bezoek, dan sprak hij:
“’kzeg maar zo, ‘kzeg maar niks en da’s alles wa’k zeg.”
En in sprakeloze verbazing keek ik dan naar hem op.
Dat was dus alles dat er te zeggen valt, dacht ik.

Totdat ik mijzelf tegen mijn geliefden hoorde zeggen:
en zij mij daarop antwoordden dat …
En ik was met stomheid geslagen,
over de welsprekendheid van deze dialoog.

Duizend stemmen braken in mij los.
Woorden woelden weergaloos door mijn hart,
in een niet aflatend verlangen,
alsnog gezegd te mogen worden.

Gebeurt het nu dat ik spreek en
samenval met wat ik zeg,
dan vind ik in het uitgesproken zijn
de stilte, als een dierbaar geheim.

Het is een ding om als schrijver met een dialoog de goede sfeer, toon en woorden te kunnen vinden. Het is het volgende om dat zo te kunnen vertalen dat zelfs als er geen expliciete tekst en uitleg wordt gegeven, woorden en een dialoog een heel verhaal vertellen. Dat doet Mariek meer dan uitstekend. In de stilte, in het uitgesprokene, in het impliciete. ‘Stilte’ biedt voldoende uitleg om een algemeen beeld van de gebeurtenissen in het verhaal te geven, maar ook om de exacte invulling aan de lezer over te laten. In ‘Stilte’ is deze delicate balans prachtig behouden.

Derde plaats – ‘Wat wordt het?’ door Marieke Evers

De bel is allang gegaan. Enthousiaste kreten om die middag samen te gaan zwemmen echoën tegen de muren. Maya sjokt in haar eentje naar buiten, haar ogen gericht op de roze en groene lijnen van een slordig getekende hinkelbaan. Ze dumpt haar rugzak bij mijn voeten. Voor ik iets kan zeggen, klimt ze in een lantaarnpaal. Blote knieën knellen om het gladde metaal, gebruinde armen trekken zichzelf soepel omhoog.
‘Pardon,’ kucht iemand achter me, ‘papa van Maya?’
Ik knik. Aan de rand van het schoolplein maakt het niet uit wie ik ben, wat ik doe of dat ik vroeger zelf in de hoogste bomen klom.
‘Maya, ze…’ Juf hapert, kijkt even om zich heen.
‘Ik roep haar wel.’ Maya is inmiddels tot halverwege gekomen. Verder mag niet van Vera.
‘Nee, ik wil u spreken.’
‘Zeg maar je,’ zeg ik zo neutraal mogelijk. Ik dwing mezelf om juf kort aan te kijken, waarom ben ik niet onderweg naar het zwembad?
Juf gaat me voor naar het bankje onder de grote eikenboom. ‘Ik maak me zorgen. Maya, ze zondert zich af.’ Een moment aarzelt ze, ze wrijft over haar buik, dan klopt ze op de plek naast haar.
‘Lange dag geweest in groep zes?’ Ik ontwijk haar niet gestelde vraag. Ik blijf staan, zet Maya’s tas op de houten bank en staar over het stille schoolplein.
‘Ze praat niet met anderen. Niet in de kring, niet als ze moet samenwerken.’
Zwemmen wil ze ook niet meer. Zelfs niet tijdens die hittegolf laatst. Alleen op vakantie waagde ze af en toe een duik.
‘Ik herken haar niet in het beeld dat de meester van groep vijf heeft geschetst.’
Ik volg Maya die met een grote sprong op de stoep landt en naar het verlaten klimrek rent. Haar basketbalshirt wappert om haar heen. Als ze op de camping toch ging zwemmen hield ze dat wijde ding aan.
‘Zit ze ergens mee, dat ze zo in zichzelf is gekeerd?’
‘Maya is gewoon Maya,’ brom ik. Wat Vera zich ook in het hoofd haalt.
‘Vandaag,’ juf zoekt naar de juiste woorden. ‘Vandaag heb ik de klas gevraagd of zij wilden raden of het een jongen of een meisje wordt.’
‘Gaat dit nog over Maya?’ Ik kijk op mijn horloge. Het is wel mijn vrije middag. Als we nu gaan, hebben we nog anderhalf uur.
‘Ik ben zwanger. We weten net dat het een jongen wordt.’
‘Ah, ja. Vera zei zoiets. Gefeliciteerd.’ Ik zie hoe Maya slingerend de andere kant van het rek bereikt.
‘Maya wilde niet meedoen. Met raden,’ verduidelijkt juf. ‘Ook niet met gym, trouwens. Omkleden blijft een dingetje.’
‘Zo is het wel genoeg.’ Ik pak de rugzak. Vrouwen zien dingen die er helemaal niet zijn. ‘Kom, Maya, we gaan!’
Roerloos staart mijn dochter me aan vanaf de glijbaan.
‘Schiet op, anders ga ik alleen,’ dreig ik.
‘Ga lekker zelf. Ik doe echt geen bikini aan.’
Juf staat op, die hand weer op haar buik. ‘Maya weet wel een passende jongensnaam. Myles.’

‘Wat wordt het?’ heeft een alledaags decor, maar is vrijwel van het begin af aan spannend. Iets onschuldigs en eenvoudigs is beladen op een manier die pas op het allerlaatst duidelijk wordt. Tussentijds is het verhaal zo geschreven dat er meerdere interpretaties mogelijk zijn. De dialogen blijven daarbij precies genoeg op de oppervlakte die twijfel te laten bestaan. Tegelijkertijd weet Marieke daarmee ook een onderhuids gevoel van een aankomende onthulling vast te houden. Met haar conclusie weet ze uitstekend weer te geven hoe een actueel onderwerp dat gevoelig kan liggen voor de nodige spanning kan zorgen en tegelijkertijd te impliceren dat dat ingewikkelder wordt gemaakt dan misschien nodig is.

Mariek en Marieke, gefeliciteerd met het boek Dialogen schrijven van Don Duyns.

Foto door Annie Spratt verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een perfecte dialoog: zeven aandachtspunten

Een perfecte dialoog heeft geen eenvoudige formule.  Je plot en je personages hebben er grote invloed op. Maar met deze zeven aandachtspunten kom je een heel eind.

1)  Je personage mag geen publiek hebben

Schrijf nooit iets wat leest alsof je personage de lezer direct informeert over een bepaalde stand van zaken. Weten je held en de gesprekspartner wat er aan de hand is, wat de relaties onderling zijn, maar de lezer niet? Als je dat uitschrijft, is dat een ‘As you know, Bob’. Blijf weg van deze Bob!

2) Laat het begrip ‘realistisch’ los

Bedenk wat een personage in het grote geheel met deze dialoog wil bereiken. In zekere zin kan je stellen dat mensen tijdens praten socialiseren in het achterhoofd hebben. Personages daarentegen moeten vooral iets duidelijk maken. Soms over zichzelf, soms over de plot. Maar gewoon kletsen, dat doen ze zelden tot nooit. Schrap dat ‘lekker weetje hè?’ dus vooral. ‘Realistisch praten’ hoeft een personage niet.

3) Laat weten wie er aan het woord is en waarom

Ieder personage kan praten, maar kan je ook aan het taalgebruik ook zien wie er aan het woord is, ook als dat niet uitgeschreven staat in de scène? Deze manier van gepersonaliseerd taalgebruik geeft iedere dialoog een origineel tintje. Al helemaal als je laat zien wat de reden is dat je personage blijft praten in plaats van ermee stopt.

4) Bedenk wat er nog meer wordt gezegd

Omdat personages niet hetzelfde praten als mensen, bedoelen ze negen van de tien keer meer dan ze eigenlijk zeggen. Neem deze subtekst mee in je dialoog om hem levendig te maken.

5) Als het lichaam spreekt…

Soms zegt lichaamstaal veel meer dan gesproken woorden. Maak daar dan ook gebruik van, ook in een dialoog!

6) Neem de juiste regie

Regieaanwijzingen in een dialoog kunnen zowel een vloek als een zegen zijn. Overweeg goed wanneer en hoe je ze gebruikt, dan weet je zeker dat je dialoog goed in balans blijft.

7) Bepaal de laag

Een dialoog kent drie mogelijke lagen. Die van de buitenkant, de binnenkant en de verborgen laag. Bepaal eerst het doel van je scène om te weten wat het nu is dat jij en je personages letterlijk dan wel figuurlijk gaan zeggen. Kijk vervolgens hoe ze dat gaan doen en hoeveel ze weg willen geven. Aan hun gesprekspartner of de lezer. Dan weet je welke laag passend is voor je dialoog en blijft je lezer op het puntje van de stoel zitten.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jarritos Mexican Soda verkregen via Unsplash.

Drie mogelijke lagen in een dialoog

Met een dialoog kan je personage heel veel dingen zeggen. Soms is wat gezegd wordt recht voor zijn raap, soms houdt je held iets geheim en soms kom je op het punt dat niets zeggen meer zegt dan duizend woorden. Deze lagen van een dialoog kan je gebruiken om je tekst de juiste toon en kleur te geven.  

Buitenkant, binnenkant, verborgen laag

Net als een personage heeft een dialoog drie lagen.
De buitenkant is het spreekwoordelijke open boek: er wordt gezegd wat er wordt bedoeld, zonder dat er iets achter zit of je personage iets probeert te verbergen.
De binnenkant is: “Ik zeg iets, maar iets anders zeg ik ook (niet).” Er zijn meerdere interpretaties of een groter doel in het spel.
De verborgen laag is ‘binnenkant 2.0’. Er wordt iets ook (niet) gezegd, maar de lezer kan hierbij aanvoelen: ‘iets klopt er niet’ of ‘hier zijn we nog vele scènes mee zoet’. Deze dialoog staat niet op zichzelf, maar wordt een puzzelstukje van een plottwist of is de eerste beat van een plotlijn waarin bijvoorbeeld een groot geheim wordt onthuld.

Dit tipartikel heeft ter verduidelijking een casus. De vraag: vindt Maartje Stijn leuk?

De buitenkant: ongecompliceerd

“Maartje, vertel eens: vind je Stijn leuk?”
“Leuk? Ik vind hem een absolute hunk! Heb je zijn wasbordje gezien? En hij is zo attent!”
Of:
“Uhm, eerlijk gezegd wel…”

Lekker duidelijk, hè?  

De buitenkant heeft geen vaststaande sfeer of toon. Van vrolijk tot woedend en alles ertussenin. Misschien denkt je personage er nog iets achteraan. In het tweede voorbeeld bijvoorbeeld: betrapt!
Maar zolang de dialoog er niet van verandert, is de buitenkantlaag in het spel. Of Maartje ‘betrapt!’ denkt of niet, is onbelangrijk. Ze zou zelfs kunnen zeggen: “En wat dan nog?” omdat deze dialoog enkel gaat over het eenduidige antwoord op de vraag van haar gesprekspartner. 

De binnenkant: de extra tekst

In een goede dialoog wordt er veel niet uitgesproken. Daarom gebruik je de binnenkantlaag het meest, omdat het een pageturner-effect teweegbrengt. Wat is er aan de hand en wat gaat er nog meer gebeuren?

“Hé Maartje, Stijn kan goed zoenen hè?”
Deze zin alleen al kan betekenen:

  • Eens kijken of ze hapt.
  • Zou ze dat inderdaad weten?
  • Raad je me aan om hem ook eens te versieren?

De context van het verhaal vertelt wat er precies speelt, maar dit is niet alleen maar een verwachting van een ja of nee. Want is het echt interessant hoe goed iemand zoent? Waarschijnlijk wil de spreker liever weten wat er al dan niet is gebeurd, wat de onderlinge relatie is tussen Maartje en Stijn, of wat diens eigenbelang hierbij is.

Hij zoende me wel héél lang.”

  • Vond Maartje dat fijn?
  • Vond ze Stijn wanhopig overkomen?
  • Had Maartje meer initiatief verwacht in een stap verder gaan?
    Zo kan je een dialoog een eindeloze binnenkantlaag geven. Schrijf af en toe wel een buitenkantlaag om te voorkomen dat een simpele dialoog een complete detective wordt.  

De verborgen laag: een (extra) plot

Een verborgen laag heeft een inleidende scène nodig, of de lezer moet een cruciaal detail weten. Bij deze laag komt de wereld van het personage op zijn kop te staan. Negen van de tien keer krijgt lichaamstaal hier de overhand, omdat woorden tekortschieten of te veel verraden. Daarna volgt vaak een fikse plotwending.  

Maartje zoende gisteren met Stijn, vlak voor hij verongelukte:
“Vertel eens over deze zoenkampioen…”
Zonder het te beseffen, gleed Maartjes vinger over haar lippen. Even later begonnen die te trillen en holde ze de kamer uit.

Maartje doet alsof ze Stijn leuk vindt, als afleidend toneelstukje om de moord op de gesprekspartner te verdoezelen die zij en Stijn aan het beramen zijn:
“Enne… heb je zijn bed al kunnen inspecteren?”
Er trok een zenuwachtig spiertje bij Maartjes kaak. Mooi, onder het mom van de eerste zenuwen van nieuwe vlinders zou dat niet opvallen.

Kijk goed naar het doel van je scène en je dialoog, kies de juiste laag en hij is gegarandeerd interessant.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Harli Marten verkregen via Unsplash.

Zo gebruik je regieaanwijzingen in een dialoog

Met een dialoog kan je personage heel veel dingen zeggen. Regieaanwijzingen helpen je de intensiteit of emotie te benadrukken. Daar kan je tekst zowel overdadig als prettig leesbaar van worden. Zo kan je regieaanwijzingen en dialoog combineren tot een mooi geheel.

Zeggen, schreeuwen of fluisteren

Regieaanwijzingen zijn de ‘losse woorden’ achter een zin. Ze geven verhalend of in een dialoog de intensiteit van een actie aan. Denk aan: zeggen, fluisteren en schreeuwen, maar ook: strompelen, rennen, kruipen… Het zijn de woorden die neutrale werkwoorden als zeggen en lopen wat meer kleur geven. Dat komt omdat het duidelijk is waar je het over hebt. Fluisteren is heel anders dan schreeuwen, omdat het respectievelijk 1 en 10 is op een schaal van 1 op 10 op de schaal van het gewone ‘praten’.

Gebruik geen regieaanwijzingen en je tekst wordt doodsaai. Gebruik ze te vaak en je tekst wordt doodvermoeiend. Maar regieaanwijzingen die weloverwogen in de tekst zijn geschreven, kunnen je dialoog veel kleur, maar ook inhoud geven.

Aanvulling op een dialoog

Als je een regieaanwijzing overweegt, kijk dan eerst goed naar je dialoog. Een regieaanwijzing verhoogt de intensiteit van je tekst, dus kijk eerst eens of dat nodig is. Vraag je daar vooral bij af:

  • Wat is het doel van deze dialoog/ deze scène?
  • Wat wordt er hardop gezegd en wat niet?
  • Wat is het tempo van deze scène?

Doel van een scène of een dialoog

Een scène of dialoog hoort altijd een bepaald doel te hebben. De lezer informatie verschaffen, spanning oproepen, een plotpunt afsluiten of starten, een setting duidelijk maken…
Dat maakt veel verschil voor de manier waarop je de scène schrijft.
De climax vraagt om intensiteit, een setting introduceren vraagt meer om neutrale observatie. Kijk goed naar je dialoog om te bepalen of je regieaanwijzingen echt nodig hebt. Je kan gerust iemand laten roepen in een scène waar de gemoederen hoog oplopen, maar als het doel is dat je lezer ziet dat dit personage een snel geïrriteerd is, is het misschien niet nodig om uitgesproken ‘snauwt hij’ te schrijven. Dan kan de dialoog zelf inhoudelijk duidelijk maken. Wil je laten zien dat dit personage een ongeleid projectiel is dat zonder waarschuwing kan ontploffen, dan is ‘schreeuwt hij’ heel effectief om dat extreme van het onverwachte te benadrukken. Kijk zo goed naar wat je wil bereiken en hoeveel en wáár de intensiteit van iets benadrukt moet worden.

Wat wordt er hardop gezegd?

In een goede dialoog wordt er veel hardop gezegd, maar misschien nog wel meer níet gezegd. Het kan lastig zijn om dat wat niet gezegd wordt, alsnog duidelijk te maken aan de lezer. Een regieaanwijzing kan daarbij uitkomst bieden. Denk hierbij aan iets als een tienerstel dat aan het flirten is.
“Ik verheug me op het weekend, als je ouders niet thuis zijn.”
Tieners zijn tieners, dus dit snapt je lezer best. Maar als je schrijft: “Ik verheug me op het weekend, als je ouders niet thuis zijn,”  fluisterde hij.  Is dat net dat tandje duidelijker en is er wat extra sfeer zonder dat je er complete zinnen aan vuil maakt. Zo kan een regieaanwijzing heel verrijkend zijn voor een dialoog.

Tempo van de scène

Zit je midden in een achtervolging of zit het kind bij opa op schoot een boek te lezen?
Het tempo van een scène of een dialoog kan ook bepalend zijn voor het toevoegen of weglaten van een regieaanwijzing. Of je dat moet doen of niet, zie je meestal wel als je de scène of de dialoog nog eens terugleest. Soms helpt het om een dialoog geen enkele regieaanwijzing te geven:
“Tekst.”
“Antwoord op tekst.”
“Volgend antwoord.”

Enzovoort.

Andere keren kan een welgekozen regieaanwijzing die tekst juist verrijken.

Probeer, wat je regieaanwijzing ook is, voor je te zien hoe iemand beweegt of praat als die schreeuwt, rent, fluistert, kruipt, mompelt…  Dan krijg je een goed beeld van de intensiteit die deze manier van praten of bewegen met zich meebrengt. En dus ook of dit bij het tempo van je tekst past of dat je de gesproken tekst voor zich kan laten spreken.

Dit tipartikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Age Cymru verkregen via Unsplash.

Zo gaan dialoog en lichaamstaal samen

Met een dialoog kan je personage heel veel dingen zeggen. Maar met lichaamstaal minstens net zo veel. Zo kan je die aspecten combineren om het meeste uit je tekst te halen.

Personages hebben nuances nodig

Als mensen beginnen met praten, kunnen ze soms hun hele hart uitstorten. Zonder enige vorm van rem. Personages kunnen dat niet: ga drie pagina’s door over hoe ellendig of leuk die persoon is of praat even lang over het revalidatieproces van de kat van de buren en je bent de lezer kwijt. Daarom zijn dialogen van zichzelf al een stuk kort en bondiger dan ‘echte mensentaal’.
Maar niet alleen hebben de personages een soort rem nodig, ze moeten ook meer zeggen dan ze bedoelen. Dat is nodig voor de nuance van een spanningsboog. Lichaamstaal kan daarbij de gulden middenweg geven die je zoekt.

Met de haren spelen of wegkijken

Waar denk je aan bij het lezen van deze kop? Het kan van alles en nog wat zijn. Verlegenheid, flirten, schaamte… En het kan gaan over een stelletje, een kind dat een standje krijgt, iemand die vernederd wordt in het bijzijn van de baas… Maar wat het ook is, twee dingen zijn zeker:

  • Het is geen blijheid van een tien op een tienpuntenschaal
  • Er is geen uitgesproken woord voor als je het door een personage laat zeggen

In het eerste geval kan lichaamstaal zonder woorden communiceren hoe het personage zich voelt. Dat leest sowieso al wat fijner dan het geforceerde: ‘Ik voel me zo…’ In het tweede geval kan er wel een woord zijn dat het ondersteund, zoals ‘tja’ of ‘uh’, maar de duidelijkste boodschap zit hem in de bewegingen en de lichaamstaal.

Acties spreken ook boekdelen

Mensen die ongeduldig met hun vingers op tafel trommelen, veel rondkijken als ze een ruimte binnenkomen, aarzelend een hand schudden of juist een ferme handdruk geven… Lichaamstaal zit hem ook met enige regelmaat in wat je grotere ‘acties’ zou kunnen noemen. Kijk dus niet alleen maar naar of iemand met een rechte rug of juist onderuitgezakt in een stoel zit als je naar lichaamstaal kijkt om over te kunnen schrijven.
Want zo kan je een dialoog niet alleen laten spreken zonder alles vol te moeten praten. Je kan hem ook letterlijk wat dynamischer maken als iemand tijdens een gesprek niet stilzit. Letterlijk, maar ook figuurlijk, door tussendoor nog iets anders op te merken aan de ander of aan de omgeving. Laat de blik bijvoorbeeld afdwalen naar een mooi schilderij. Wie weet wat dat later in het verhaal nog voor rol kan spelen.

Staat lichaamstaal op zichzelf?

Lichaamstaal, groot of klein in vorm, kan een fijne manier zijn om te laten zien wat het personage vindt of hoe het zich voelt. Maar waak voor de valkuil dat je lichaamstaal ook te veel over een kam kan scheren. ‘O, hij kijkt weg, dus hij is verlegen.’  Nee, dat is een eerste aanname. Maar je kan ook oogcontact verbreken omdat je je schaamt, woedend bent, je gevoelens niet wil verraden met je blik, noem maar op. Lichaamstaal werkt als een show, don’t tell, maar dan wel eentje die context nodig heeft om überhaupt te kunnen werken. Dat is waar de gesproken tekst de inleiding of aanvulling voor kan geven.

Gebruik van lichaamstaal in een dialoog

Probeer niet te veel te wisselen tussen spraak en lichaamstaal. Lichaamstaal zegt doorgaans zodanig veel – mits goed omschreven – dat het inderdaad meer zegt dan een handvol woorden. Als je lichaamstaal gebruikt, gebruik het dan als een soort climax. Als je een bepaald moment in de dialoog een zekere zwaarte wil geven is het een goede manier om je een aantal regels aan tekst te besparen, met een indrukwekkender effect.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cristina Gottardi verkregen via Unsplash.

Zo ga je om met subtekst in een dialoog

Een dialoog is veel meer dan personages die kletsen of praten: het moet je méér vertellen over de personages en hun motieven. Daar komt subtekst om de hoek kijken.

De noodzaak van subtekst in een dialoog

Mensen moeten in gesprekken vroeg of laat direct zijn, om zeker te weten dat ze begrepen worden. In het echte leven weten we niet waar ons ‘verhaal’ naartoe gaat, wat er wel of niet gaat gebeuren, hoe anderen exact gaan reageren (op ons). Het leven is wispelturig en onvoorspelbaar, maar een boek kan dat niet zijn: het moet structuur hebben met een spanningsopbouw, akten… Dat is een van de reden dat een dialoog veel subtekst moet hebben.

“Ik haat jou.”
“Ik jou ook.”
Over wie gaat dit? Waarom haten deze personages elkaar?
“Omdat jij mijn kat hebt pijn gedaan.”
“Jij hebt anders mijn kind verwaarloosd tijdens het oppassen!”

Voor een korte scène of bij een climax kan dit prima werken. Maar stel je eens voor dat iedere dialoog zo direct en zo oppervlakkig is. Dat rammelt aan iedere basis van goed schrijven. Het is tell, geen show, je leert de personages niet kennen, tenzij je een stortvloed aan infodump toevoegt, het wordt cliché, noem maar op.

Daarom moet je kijken naar een manier waarop het personage iets indirect kan duidelijk maken. En het liefst ook nog iets over het verhaal, andere personages of het verhaalthema kan vertellen. Uiteraard zonder dat het opvalt. 

Verstop een ‘ik wil’ in een dialoog

Een tienerstel is elkaar aan het versieren.
“Vind je me mooi?” vraagt Meisje.
“Anders zou ik dit weekend niet met je naar bed willen,” aldus Jongen.  

Gebrek aan romantiek terzijde, dit leest dus veel te direct op de lange duur. Schrijf als referentie op wat je als schrijver of het personage met dit gesprek willen bereiken, maar niet hardop zegt. Meisje wil horen hoe mooi ze is, Jongen wil duidelijk maken hoe hij uitkijkt naar het weekend, wanneer de ouders niet thuis zijn.

Dat levert iets op als:

“Ik denk eraan om mijn haren te krullen.”
“Wat een leuk idee!”
“Met steil haar voel ik me zo gewoontjes.”
“Heb je met Barbara gepraat? Díe is gewoontjes, maar ze heeft jouw lach, wangen en benen niet, ook al zijn haar krullen dan mooi.”
“Vind je mijn wangen echt zo mooi?”
Jongen buigt voorover om Meisjes wang te strelen.
“Wacht maar eens af hoe ik dit weekend jouw wangen en steile haar ga strelen. Je ouders zouden door het lint gaan als ze dat zouden zien…”
“Die zien niets vanuit Frankrijk, hoor…”

Op deze manier kun je eindeloos variëren met informatie vrijgeven of achterhouden, een verhaalthema verder uitdiepen, of andere personages en hun onderlinge relaties of heldenreizen verder uitwerken.

Neem Barbara. Of ze nu een zus, tante, of het coolste meisje van de klas is, zonder het letterlijk te hoeven zeggen, weet je nu dat Meisje gevoelig is voor bepaalde meningen van anderen, onzeker over haar uiterlijk en/of graag gevleid wordt.

Als ze letterlijk zegt:
“Ik wil dat je me versiert, of Barbara voor me zwartmaakt, want ik krijg graag complimentjes/ zit vol hormonen/ ben onzeker/ weet niet wat ik met mezelf aan moet.”
En daarbij ook nog:
“En ik weet dat je verliefd op me bent, dus ik gebruik mijn krullenvraag om zeer waarschijnlijk precies te krijgen wat ik van je verlang.”

werkt dat niet.  Zie je het effect van de subtekst, als je dit vergelijkt met elkaar?

Een dialoog met subtekst laat personages realistisch aanvoelen en je op een vlotte manier andere personages en plotpunten introduceren, zonder complete scènes aan de gedachten van je personage te hoeven besteden.

Kijk dus goed naar wat jij als schrijver of een personage nog méér wil zeggen of duidelijk maken en je dialogen worden vlot en rijk. Zowel qua informatieverschaffing als de leesbeleving.

Dit artikel verscheen eerder opSchrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Photo door Stefan Steinbauer verkregen via Unsplash

Taalgebruik in dialoog: wie praat er eigenlijk?

Praten doen we allemaal, mens en personage. En iedereen heeft zo zijn eigen spreekstijl. Bij mensen kan dat al opvallen. Bij personages kan het gebruik van een slimme eigen stem een verhaal op zichzelf vertellen.

Liefje of schatje, de vent en dames en heren

Het kunnen aanspreekvormen, koosnaampjes of gewone woorden zijn, maar we hebben allemaal een bepaalde voorkeur voor woorden.
Vind je het fijn om ‘schatje’ genoemd te worden, maar is ‘liefje’ je te klef? Iemand anders denkt precies het tegenovergestelde. En zo kan ‘vent’ het perfecte woord zijn om stoere mannelijkheid te benadrukken. De ander ziet het als een belediging, omdat die dat eerder vindt klinken als ‘slijmerige gladjakker’.

Zo zijn er ook nog woorden die als vanzelf al iets aangeven. Noem iemand een dame of een heer en je weet dat het van respect betuigt, of dat het om iemand in welgestelde kringen gaat. Zo iemand noem je nooit een gozer of een griet.

Bedenk eens of en waarom je personage zo voorkeuren voor een bepaald taalgebruik of woorden heeft en waarom. Wisselt het ook met taalgebruik aan de hand van de setting? Of is het zo authentiek of asociaal dat het ook ‘effe’ zegt als de koning voor de neus staat? Roept het een vriend met ‘Gast!’ ‘Maat!’ of de voornaam?

Kijk zo naar woordgebruik en de kans is al kleiner dat al je personages (letterlijk) hetzelfde klinken.

Waarom praat je personage (terug)?

Vroeg of laat gaan je gedachten afdwalen of probeer je het gesprek te eindigen als een gesprek saai is. Dat zou je personage ook moeten doen als de dialoog saai wordt…
 Zorg ervoor dat je personage een reden heeft om te luisteren en/of terug te praten. Dat hoeft niet meteen een stuitende reden te zijn.  Je personage kan ook een ander argument willen geven in een discussie, of het gesprekonderwerp of de gesprekspartner prettig vinden.  
Stel dat de gesprekspartner over een pretparkbezoek vertelt. Redenen voor je personage om te blijven luisteren zijn bijvoorbeeld: willen weten of dat park een bezoek waard is, interesse in het leven van de gesprekspartner of interesse tonen als versiertruc. Maar je personage kan precies datzelfde onderwerp met dezelfde partner vreselijk vinden, omdat de gesprekspartner alleen maar over de eigen belevenissen praat, dat pretparkverhaal al honderd keer is langsgekomen, of omdat je personage een deadline heeft en jolige Pardoes van de Efteling nu geen plaats heeft in de emotionele toestand van stress.

Hoe dan ook heeft die reden in het hier en nu van je held invloed op wat die zegt, hoe die het zegt en waarom het gesprek al dan niet langer doorgaat. Gebruik dat om een dialoog sfeer te geven. Het is het verschil tussen:
“Ik verheug me erop om morgen de blije snoetjes van mijn eigen kleinkinderen in de Efteling te zien. Weer een oma-doel bereikt!” Of: “Morgen naar de Efteling? Whatever.” Allebei is het een ja op de vraag of iemand morgen naar de Efteling gaat, maar met een wereld aan verschil van beleving en manier van uiten.

Kijk altijd wat er nog meer schuilgaat achter de letterlijk gesproken teksten. Zo kunnen dialogen erg waardevolle show don’t tells zijn. Over de geschiedenis van je personage, de setting van een scène, wat er komen gaat, wat geweest is…
Je kan in een dialoog zo enkel de sfeer van het moment weergeven, maar ook een compleet verhaalthema uitdiepen. Als je de dialoog gebruikt voor meer dan alleen ‘praten’, heb je een schat aan mogelijkheden te pakken om je verhaal kleur en vaart te geven.

Deze tip verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Trung Thanh verkregen via Unsplash

Wat is een realistische dialoog?

Een dialoog schrijven waarbij het lijkt alsof de personages van vlees en bloed zijn. Het klinkt als iets wat niet moeilijk is, maar er zit een zekere paradox in het begrip ‘realistisch’ zodra het om dialogen gaat. Wat realistisch is voor mensen en voor personages scheelt meer van elkaar dan je misschien zou denken.

Mensen: tja, dus…Eh, lekker weertje, hè?

Tenzij mensen een toespraak voorbereiden, zijn we niet zulke vlotte praters als we denken, als het om grammatica of het onderwerp gaat. In onze gesprekken hoor je eindeloze ‘uh’tjes, stopwoordjes en de onderwerpen zijn vrij vaak nogal eenvoudig. Of we praten relatief veel van hak op de tak.  Schrijf maar eens een gesprek van tien minuten extreem precies uit, dus inclusief alle ‘zeg maar’ ‘uhm’ en grammaticale fouten. Je zal merken dat zelfs iemand die iets interessants vertelt, echt niet zo vloeiend praat als het lijkt…

En dan heb je nog de ‘hoeishetmetjes’ en de ‘lekkerweertjevandaags.’ Beleefdheidszinnetjes die zelfs in het echte leven geen oprecht antwoord verwachten of die het ijs willen breken, maar verder nietszeggend zijn.  

Denk eens aan het verhaaltempo als je je door zes van zulke bladzijdes heen moet worstelen, gewoon om erachter te komen: die zijn verliefd, of proberen een datum te prikken…
Oftewel: neem ‘een realistisch klinkende dialoog’ vooral niet te letterlijk, daar wordt hij alleen maar onleesbaar en traag van.

Personages zijn slimme gedachtelezers

Is het je al eens opgevallen dat personages in een goede dialoog altijd een weerwoord klaar hebben? Soms in de context van een ruzie, maar soms ook gewoon in een vriendschappelijk gesprek. Dat komt omdat geen papier mag  ‘verspillen’ aan de ‘lekkerweertjes’.
 Personages snappen bovendien in zekere zin bijna altijd wat de ander onuitgesproken zegt of voor boodschap heeft. Bijna alsof ze gedachten kunnen lezen. Dit houdt de vaart in een dialoog.

De filmklassieker ‘Jurassic Park’ heeft een scène die dit heel goed laat zien.
Een rijke investeerder heeft door DNA-onderzoek dinosaurussen opnieuw kunnen creëren en heeft daar een attractiepark bij gemaakt: ‘kom naar de dino’s kijken!’ De wetenschappers die bij hem aan tafel zitten vertellen waarom dat dat evolutionair gezien een slecht idee is. Dát zeggen ze hardop. Niet letterlijk, maar nog wel onsubtiel zeggen ze ook: jij bent ontzettend dom bezig. Tussen de regels door en iets subtieler zeggen ze ook: jij hebt een veel te groot ego.

Dat is ook nog duidelijk, maar het feit dat het niet wordt uitgespeld voor de kijker en die boodschap toch overkomt, laat de kwaliteit van de dialoog zien: tussen de regels door wordt er nog extra informatie duidelijk gemaakt. Er zitten meerdere lagen in.   
De personages hebben dat zelf ook in de gaten: O, dus jij noemt me dom en egoïstisch? Hier is een tegenargument: “Wat als ik een met uitsterven bedreigd diersoort zou redden met deze kennis? Daar zou jij als bioloog niets op tegenhebben.” (Lees: alsof ik alleen maar slecht ben! En ook:  jouw argument valt ook in duigen wanneer…)

Personages: vaart met meerdere lagen maakt een dialoog realistisch

In de scène van Jurassic Park leert de kijker met de dialoog ook dat de wetenschappers de natuur hoger in het vaandel hebben staan dan de vooruitgang van de wetenschap. En dat de investeerder liever wegkijkt in plaats van zijn eigen falen toe moet geven.

Een goede dialoog is dan misschien niet realistisch in de letterlijke zin van het woord, maar het voelt wel zo, omdat die nergens stokt en de vaart erin houdt. Met argumenten over en weer, of omdat je als lezer tussen de regels door meer over de personages te weten komt op een manier die niet geknutseld of dramatisch overkomt.

Wil je een dialoog realistisch houden, kijk dan naar meerdere motieven en de snelheid waarin die elkaar opvolgen en laat wat meer los wat iemand letterlijk zou zeggen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Azzadiva Sawungrana on Unsplash.

‘As you know Bob’: De draak van een dialoog op de uitlegpreekstoel

Een goede dialoog neemt je lezer helemaal mee in het verhaal. Een slechte dialoog haalt je lezer er helemaal uit. Een van de doodsteken van een dialoog is het verschijnsel dat bekend staat als ‘As you know, Bob’.  Daarin wordt omwille van de uitleg aan de lezer iets besproken, wat zo onnatuurlijk klinkt dat je hele verhaal een lachertje kan worden. Hoe ziet dat er precies uit en hoe kan je dit gesprek met ‘Bob’ voorkomen?

Personages zijn zich bewust van hun publiek

‘As you know Bob’ kan je samenvatten als: personages hebben weet van de lezer als een toeschouwer van hun leven die geïnformeerd moet worden. Want waarom zouden ze dit anders zeggen?

Dat ‘dit’ is iets wat nieuwe informatie is voor de lezer. Maar de personages vergeten deze informatie pas als ze een zodanige klap op het hoofd krijgen dat ze hun hele leven vergeten zijn.
Voorbeelden:

  • Levenslange vrienden die elkaar wekelijks spreken: ‘Zoals je weet, is mijn broer al maanden ziek. Dus ik moet nu naar het ziekenhuis om hem bij te staan voor een controle.’
  •  ‘Hey, broertje, lang niet gezien!’
    Een naam is natuurlijker dan het algemene, alles verklappende ‘broertje’.  Sla holle beleefdheidsfrasen als  ‘Lang niet gezien’ over en begin de scène liever aan de tafel bij het kerstdiner waar blijkt dat broertje niet lekker in zijn vel zit. Dan kan je hoofdpersoon uit eigen beweging vragen wat er scheelt.

Vragen om een ‘as you know Bob’ te voorkomen

Een vuistregel is dat een dialoog al heel wat ‘As you know Bob’ af is als je onthoudt dat informatie delen nooit belangrijker is dan een plot op een natuurlijke manier aan de gang te houden. Om dat te controleren kan je jezelf een paar vragen stellen:

Moet de lezer dit nú weten?

Is het belangrijk dat de lezer op exact dit moment weet dat:
* de personages familieleden zijn, als ze elkaar bij binnenkomst begroeten?
Of kan je de erfenis die tijdens het kerstdiner ter sprake komt, dat duidelijk maken? Dan heb je meteen een spanningsboog.
* De vriend naar het ziekenhuis en de zieke broer gaat?
Wat moet de spanning van deze scène maken? De zieke broer, het feit dat de vriend nu niet beschikbaar is voor je protagonist, het feit dat de vriend iets halsoverkop gaat doen, waardoor hij iets vergeet te doen, dat later belangrijk is voor het plot…?
Kortom: wat maakt dat de gesprekspartner van Bob dit zou zo uitleggen? Waarschijnlijk is er iets ernstigers of anders aan de hand dat zich niet leent voor letterlijke uitleg, als je er wat langer over nadenkt. Zelfs als dit personage er ‘gewoon’ wil zijn voor zijn zieke broer, dan kan het alsnog anders:

“Ik wil er nu zijn voor Jeroen, dus ik ben naar het ziekenhuis.” Punt.  Dan is de echte uitleg aan de lezer er al van af. Dat brengt ons bij vraag twee:

Wat als de lezer ‘dit’ niet weet?

Idealiter schrijf je zo dat de lezer geïnteresseerd blijft, ook al weet hij de details van ‘dit’ niet. Een ‘as you know Bob’  vertelt meestal iets dat in het grote geheel geen verschil maakt, als er sprake zou zijn van een net iets ander detail, of wanneer de lezer dat detail niet weet.

Of je personage het broertje of de oom lang niet gezien heeft, maakt geen verschil meer als er later om een erfenis wordt gevochten. En of Jeroen nu lijdt aan kanker of hartfalen, en of hij nu een vriend of een broer is: iedereen snapt dat je als het niet goed met iemand gaat, je een bezoek wil brengen.

Je kan de kans op een ‘As you know Bob’  verminderen door goed te kijken of informatie in het hier en nu en de details daarvan een verschil maken. Vaak is dat niet zo. Dat maakt het schrappen van deze draak van een dialoog al een stuk makkelijker.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Foto door Thriday via Unsplash