Schrijfwedstrijd 300 uitslag

De schrijfwedstrijd 300 kreeg meer inzendingen dan ik had verwacht! Met zoveel mooie verhalen was het erg lastig om de knoop door te hakken. Uiteindelijk won het verhaal ´De observaties van Dora Maar´ geschreven door Esther Leenders. Uiteindelijk heeft haar verhaal onder andere gewonnen door haar mooie mix van fictie en non-fictie en haar schrijfstijl. Gefeliciteerd, Esther! Lees het verhaal hier:

De observaties van Dora maar– Esther Leenders

GEESKE & KATE – 16.05 uur

‘Dat vind ik wat vaag’, zegt Geeske. ‘Wat bedoel je precies?’
‘Nou gewoon, dat ik denk…is dit het dan?’ Met een zucht slaat Kate haar blik neer en staart naar de een vlek in de vloerbedekking. Als ze weer opkijkt is daar nog steeds die opgeruimde blik van Geeske. Daar zitten ze dan, met z’n tweeën. Kate begint te vertellen hoe ze iedere ochtend uitgeput wakker wordt – haar wang vol diepe, rode groeven – met het gevoel dat ze in een wereld leeft waarin iets niet klopt.
‘Vind je het oké als ik je een gekke vraag ga stellen?’ Geeske slaat haar benen kordaat over elkaar. De puntige sandaal aan haar voet wipt op en neer. ‘Ik wil je vragen om je voor te stellen dat je gaat slapen. Tijdens de nacht – je hebt het niet door – gebeurt er een wonder. Alles wat je wilt, dat is er opeens!’
‘Een wonder?’
‘Ja, precies. Waaraan ga je merken dat dit wonder heeft plaatsgevonden?’
Kate draait haar hoofd in de richting van het raam. Een streep zonlicht valt op haar gezicht. Ze ziet er moe uit, met donkere kringen onder haar ogen. Vlakbij sjirpen vogels.
Dan antwoordt ze toegeeflijk: ‘Nou gewoon, dat ik me niet meer druk hoef te maken over werk en huishouden. En niet zo in de rol van moeder of vrouw zit.’
‘Wat wil je dan?’
‘Vrij zijn.’
Ze zegt het nauwelijks hoorbaar, bijna fluisterend. ‘Maar mijn werk en de kinderen dan? En Maarten heeft ook een drukke baan…’.
Geeske kijkt opeens fel en slaat haar armen over elkaar heen. ‘Dat zijn een hele hoop belemmerende gedachten. Ik kan je helpen om dit doel te bereiken, maar je moet het wel willen.’
En dan weer vriendelijk: ‘Zullen we een korte plaspauze doen?’

DORA – 16.11 uur

De deur van praktijkruimte 2.1 wordt gesloten en ik ben weer alleen in de kamer. Er zijn grotere ruimtes in dit pand, met meer bedrijvigheid, maar 2.1 is mijn plek. Ik hou van de grote hoge ramen en mijn plaatsje in de linkerhoek. Vanaf hier heb ik goed zicht op de zithoek met de zwarte fauteuils. In praktijkruimte 2.1 kan ik mijn beste vaardigheden oefenen: luisteren en onzichtbaar zijn.
Een uitgesproken type zou ik mezelf niet noemen, ondanks dat mijn uiterlijk anders doet vermoeden. Alhoewel, nu ik erover nadenk komt mijn voorkomen tegenwoordig nauwelijks nog wonderlijk over op de meeste mensen. De vormentaal van mijn schepper brengt lang niet meer zo’n schok teweeg als in het jaar dat mijn origineel geschilderd werd. Mon Dieu, het kon niet op in die tijd! Een select clubje pioniers in de kunst was lyrisch over mij. Zo gedurfd, zo excentriek! Ik voel nog steeds kriebels in mijn buik als ik eraan denk.
Maar sinds massaproductie in de tweede helft van de vorige eeuw zijn intrede deed is de vormentaal van mijn lief gedegradeerd tot decoratie op wanden van dit soort kleurloze praktijkruimtes. Treurig eigenlijk. Maar inmiddels heb ik me bij dit lot neergelegd. Veel van mijn soortgenoten vertoeven in donkere museumdepots. Ik word tenminste nog gezien!
En ik vermaak me prima met de gesprekken die in deze ruimte plaatsvinden. Leed is voor mij een onuitputtelijke bron van inspiratie, perfect materiaal. Niets maakt het menselijk tekort zo schrijnend zichtbaar als het observeren van wanhopige vrouwen. Die zijn er altijd genoeg, in alle generaties na mij.

GEESKE & KATE – 16.38 uur

‘Kate…wanneer kwam deze gedachte voor het eerst bij je op?’
‘Welke gedachte?’
Geeske buigt naar voren. Haar witte tanden steken af tegen haar gebruinde huid.
‘De gedachte dat je spijt hebt van het moederschap.’
Terwijl ze het zegt bijt Kate op de binnenkant van haar wang. De zon is achter een wolk verdwenen.
‘Heb ik dat gezegd?’
‘Ja. Wanneer dacht je dit voor het eerst?’
Kate rommelt in haar tasje. Een druppel snot valt uit haar neus. Met brandende ogen kijkt ze Geeske aan om meteen daarna haar blik weer af te wenden. Onhandig draait ze haar hoofd en probeert haar neus af te vegen aan het pofmouwtje van haar T-shirt.
‘Daar staan tissues,’ zegt Geeske terwijl ze naar de vensterbank wijst.

DORA – 16.40 uur

Zielenpijn zoals die van Kate laat me meestal koud. Het is weinig interessant en niet inspirerend. Ik beschouw het als elitair ongemak van een veeleisende generatie. En niet te vergelijken met gesprekken over écht menselijk lijden zoals een dierbare verliezen of een zware depressie.
Steeds vaker zitten ze hier – twintigers en dertigers die imploderen op het moment dat hun leven niet gaat zoals verwacht. Die hulp zoeken zodra het niet meer leuk is, zonder te beseffen dat het onzekere bestaan dat ze leven het leven zélf is. Normaal zou ik types zoals Kate veroordelen. Je mag blij zijn dat je kinderen hebt!
Het is stil in de kamer. Ik hoor alleen het zoemen van de tl-buizen in het plafond. Kate schuift nerveus heen en weer op haar stoel en slaat haar armen om haar lijf. Ze staart weer naar de grond. Er is iets in haar waar ik een vreemd soort troost uit put. Iets herkenbaars en ondefinieerbaars. Ze raakt me. Wat vreemd is, omdat haar pijn als een stokje in mijn eigen wond loopt te poeren. Of misschien juist daaróm. Het confronteert me met het grote verdriet in mijn leven: het feit dat ik zelf geen kinderen heb.
Met een papieren zakdoekje veegt ze in haar ooghoeken. Dan kijkt ze mij recht aan en weet ik ineens wat ons bindt: het gevoel te falen als moeder.

GEESKE & KATE – 16.44 uur

‘We eindigen dit gesprek met een bodyscan. Ga stevig staan en voel hoe je tenen vastzitten aan je voeten. Probeer hé-le-maal te ontspannen.’
Met monotone stem praat Geeske minutenlang door, een opsomming makend van ieder lichaamsdeel waar naartoe geademd dient te worden. Kate ademt in en lijkt slecht op haar gemak. Een dun streepje mascara loopt naar beneden vanaf haar ooghoek. Ze heeft nog steeds een loopneus.
‘Ontspan tot slot je kaken,’ zegt Geeske. ‘Daar zit vaak spanning.’
Kate knakt met haar kaken en staart afwezig voor zich uit. Dan, opeens, draait haar nek een kwartslag en vinden onze ogen elkaar.
‘Dat schilderij…er rolt een traan uit, zie je dat?’
‘Dat is een replica van Picasso’s Weeping Woman,’ zegt Geeske achteloos en ze pakt haar mobiel. ‘Zullen we een vervolgafspraak maken?’
Kate blijft mij aanstaren. Ze staat op uit haar stoel en loopt naar de wand. ‘Het blijft stromen!’
Geeske kijkt op van haar scherm. ‘Inderdaad, je hebt gelijk…het is vocht.’
‘Het is een wonder,’ zegt Kate en ze pakt een tissue. Luid snuit ze haar neus. ‘Huilen. Dat voel ik nu ook. Dat ik keihard wil huilen.’
‘Dat is het enige dat je kunt doen, Kate. Maar het is vijf uur. Wanneer zien we elkaar weer?’

Weeping Woman 1937 Pablo Picasso 1881-1973 Accepted by HM Government in lieu of tax with additional payment (Grant-in-Aid) made with assistance from the National Heritage Memorial Fund, the Art Fund and the Friends of the Tate Gallery 1987 http://www.tate.org.uk/art/work/T05010

Schrijfoefening: de doodnormale treinreis

Vorig jaar organiseerde ik de schrijfwedstrijd Portland Pen. Ik kreeg spectaculaire reisverhalen terug om te lezen, maar ik wil nu laten zien dat er verborgen informatie verstopt in een scène met een doodnormale treinreis

Uitgangspunt van de schrijfoefening

Deze schrijfoefening gaat in op het idee dat:
* iets voor de een alledaags is, en voor de ander een hele onderneming
* iets niet per definitie spectaculair hoeft te zijn, voordat je iets over je verhaal of personage kan leren
* je soms juist in de details of tussen de regels van het schijnbaar normale door iets te weten komt over je verhaal of personage. Iets wat je niet zou zien als het verhaalthema zelf al tot de verbeelding spreekt.

De alledaagse treinreis

In deze schrijfoefening gaat je personage
* een kaartje kopen voor de trein
* naar het station
* de trein instappen
* een keer overstappen: de dienstregeling is hierbij prima, er is geen vertraging in het spel
* de trein weer uit, op weg naar een vriend of familielid om een alledaags bakje koffie te drinken. (Lees: je personage is niet op weg naar een begrafenis, het vliegveld voor een belangrijke zakendeal, kraamvisite…) De reden voor dit treinritje is relatief saai.
Tijdens deze treinrit mag je personage geen getuige zijn van een vechtpartij, sjans hebben met de toekomstige partner… Bovendien reist je personage gewoon binnen Nederland. Er is geen taalbarrière, ingewikkeld gedoe met wisselen van vervoerders…Dit ritje is op zichzelf in elk opzicht alledaags.

Met andere woorden: op zichzelf is deze treinreis doodnormaal. De vraag is alleen of jouw personage dat ook zo beleeft, en waarom (niet). Ongeacht dat antwoord ga je kijken waaraan je dat ziet en wat er alsnog gebeurt waaraan je iets aan je personage of het plot opmerkt. Of wat deze ogenschijnlijk saaie scène alsnog interessant maakt of kan maken.

De extremen op een rijtje

Gegevendoorgewinterde treinreiziger reiziger die normaalgesproken altijd met de auto gaat
kaartje kopen doet dat niet: de ov-chipkaart wordt automatisch opgeladen bij een bepaald bedrag.moet nog een ov-chipkaart kopen en uitvinden hoe je die oplaadt en hoe de stationspoortjes werken
naar het stationhoeft maar op de klok te kijken om te weten wanneer hij moet vertrekken moet nog een website (weten te) vinden waarop de dienstregelingen vermeld staan
de trein instappenziet een trein aankomen en weet aan de hand van de lengte van de trein en de tijd van de dag waar hij de grootste kans op een zitplaats heeftweet misschien niet dat er ook stiltecoupés zijn en baseert de zitplaatskeuze daar dus ook niet op
overstappengaat in een coupe zitten die dicht bij de trap naar het andere perron stil gaat staanhoud de dienstregeling goed in de gaten of heeft de hele week al in het hoofd dat van spoor zeven de volgende trein gaat, met een overstap van zès minuten
het station verlatenheeft nauwelijks door dat de treinreis erop zit en vervolgt routineus de reiskijkt verwoed waar de bussen staan of belt meteen de vriend op: ‘Alles is goed gegaan, waar staat de P&R waar jij wacht?’

Alles in kleine stapjes…

Als je de tabel ziet, gaat de treinreiziger zowat emotieloos door het leven, waar de autobestuurder ’s werelds grootste stresskip lijkt. Dat is dus uitgesproken niet de bedoeling van deze scène. Idealiter ligt het resultaat ergens in het midden: bijna alles lijkt normaal, zoals bij de treinreiziger, maar ergens valt er iets kleins op of gebeurt er iets relatiefs eenvoudigs, waardoor er nog ergens over te schrijven valt.

Welke van deze elementen zou iets over je personage kunnen zeggen?
Is je personage vaak blut? Misschien werkt die automatische bijschrijving dan niet meer, of is het extra stressen als een kaartje uit de automaat een euro duurder blijkt te zijn dan die online een te kopen.
Of als je personage zich soms verslaapt…

In deze schrijfoefening gaat er niets mis, maar als je wil schrijven over iets alledaags, moet je wel – al is het maar in het achterhoofd- bedenken wat er mis zou kunnen gaan. Anders wordt je verhaal ècht eentonig en emotieloos. Je personage mag dan niet continu interessante dingen denken, het denkt en observeert wel degelijk. Wees niet bang om dat zo nu en dan uit te schrijven:
“Ik moet eens ophouden iedere dag koffie te halen op het station. Dan heb ik zo die ene citytrip bij elkaar gespaard.”
“Joepie, een dubbeldekker. Daar wilde ik als kind al in rijden. Ik hoop dat er boven nog een plaatsje vrij is!”

Kies het element wat voor je personage om wat voor reden dan ook het interessantst is en schrijf daar iets omheen wat het schrijven waard is. Zo kan de doorgewinterde reiziger genieten van de overstap omdat hij iets aan het station nog altijd mooi vindt om te bekijken. De nieuwe treinreiziger kan naar het station gaan het belangrijkst vinden, omdat die daar nog alles moet ontdekken.

Vervolgens laat je iets kleins gebeuren. Er schiet je personage plotseling iets te binnen (al dan niet door iets wat die ziet of wat er gebeurt), er komen gevoelens opzetten (fysiek of emotioneel) waardoor je personage de treinrit op een bepaalde manier beleeft. Laat de conducteur op een goede vriend lijken, de wc wel heel erg stinken…

… En actie!

Wat doet je personage met dit kleine gegeven? Soms zeggen de kleinste acties veel over hoe je personage in elkaar steekt!

Meldt je personage de stankoverlast? Groet die de conducteur? Heeft dat nog gevolgen voor het latere plot? (‘Laat ik die lang verloren gewaande vriend weer eens bellen..’) Is het voorval aan het eind van de rit weer vergeten of is dat de reden om vaker met de trein te gaan of juist een auto aan te schaffen?

Zenmomentje

In deze scène zal er niets gebeuren wat het complete plot op zijn kop zet, Hoogstens vormt het een van de tientallen schakeltjes. Maar je kan van deze oefening wel iets over je personage leren. En het geeft een prettig narratief ‘zenmoment’, waar je sfeeromschrijving goed tot zijn recht kan laten komen.
Een paar honderd of soms tientallen woorden volstaan vaak al voor dit soort scènes, anders verliezen ze hun kracht. Maar ze zijn dan wel kort en krachtig!

Foto door Finn IJspeert op Unsplash.

Drie-aktenstructuur: de derde akte

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie/aktenstructuurschema beter te begrijpen. Alle afzonderlijke elementen zijn al aan bod gekomen. Maar ook de aken zelf kunnen je een beter begrip van je verhaal geven. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten per akte? Deze week de derde akte, waarin het verhaal wordt afgerond.

3 aktenstructuur

Wat moet deze akte vooral doen?

Deze akte moet afronden en naar een einde toewerken. Dat laatste woord is het toverwoord. Afsluiten doe je geleidelijk aan. Dat houdt twee belangrijke dingen in:

  • Na de climax is het verhaal niet plotseling over.
    Onthoud dat je een hele akte hebt om iets af te ronden, niet slechts een enkel verhaalelement. Dat is niet voor niets zo.
  • Je introduceert geen nieuw idee.

Het moment van introduceren ligt inmiddels ver achter je. Dat geldt niet alleen voor nieuwe verhaallijnen op zich. Ook een nieuwe draai aan een verhaal geven is hier niet meer op zijn plaats. Het bekendste en duidelijkste voorbeeld is koppelen: ga niet op het laatste moment nog redenen aanvoeren waarom deze mensen een mooi stel (zouden) zijn.

Wat moet je vooraf weten voor deze akte?

De toon van je einde kan het verloop van je verhaal bepalen. Je kan een ‘lang en gelukkig’ immers niet uit de lucht laten vallen. Vul deze zin voor jezelf in: “Als mijn lezer het boek dichtslaat, wil ik dat die X voelt.” Bedenk hoe je dat warme gevoel, schuld, verdriet, opluchting…  gedurende je hele verhaal naar voren laat komen. Dat kan met thema´s, onderlinge relaties tussen personages, subplots, symboliek… Wat je maar kan bedenken. Je verhaal hoeft niet in zijn geheel in het teken te staan van het einde, maar je moet wel genoeg hebben om naar te kunnen herleiden.

Wat moet voor de lezer duidelijk worden?

Wat jij wil. Je staat zelf voor de keuze of je een open einde schrijft of niet en daarmee ook wat je aan de fantasie van de lezer overlaat. Daarvoor moet je wel het nodige afwegen, ook al in eerdere delen van het verhaal. Uitzondering hierop is het centraal conflict. Je moet wel een duidelijk antwoord geven op de vraag of de heldenreis slaagt of niet. Als je heldenreis geen uitgesproken ja/nee antwoord heeft (“Wordt de draak verslagen?”) geef dan wel aan in welke ‘richting’ het verhaal verder gaat: “Hoe gaat het leven als huisrouw verder?” “Niet zo fantastisch, nu ze vrienden is kwijtgeraakt door haar zelfzuchtige gedrag.” Of deze vrouw dan naar verloop van tijd ook haar huwelijk op de klippen ziet lopen of na een flinke tijd van egoïsme weer vrienden maakt, dat mag de lezer dan bepalen.

Wat mag je openlaten in deze akte?

Alles of niks, het is maar net hoe je het bekijkt en of je een open einde schrijft of niet. Zolang het centrale conflict maar beantwoord wordt, je niets nieuws introduceert en je het verhaal geleidelijk laat aflopen en niet plotseling stopt, kan je niet zo snel te veel open laten aan het einde van je verhaal.

Samenhang met andere akten

De derde akte moet vooral laten zien wat er ten opzichte van de eerste akte is veranderd. Aan het eind van het verhaal heeft je personage een heel ander leven, visie of leefomstandigheden. Daar is het centrale conflict immers voor bedoeld.
Daarnaast is de derde akte niet alleen het einde van het verhaal, maar ook een slot van de tweede akte.
Het is geen glasharde regel, maar het kan je wel wat houvast bieden: de eerste helft van de derde akte kan je gebruiken om terug te blikken op de tweede akte, de laatste helft is bedoeld voor de afronding van je verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Aaron Burden op Unsplash.

De gekleurde bril beter bekeken: milieu

Iedere schrijver ziet dingen door een persoonlijke bril. Je kan jezelf trainen om daar alert op te zijn. Omdat een persoonlijke bril ook sterke invloed kan hebben op je schrijversstem is het belangrijk dat je weet wat een bril kan vormen. Deze blogpost gaat in op aspecten van persoonlijk milieu.

Wat vormt een persoonlijk milieu?

Er zijn veel zaken die een milieu vormen, onder andere cultuur en sociaaleconomische status. Dat zijn ontzettend brede begrippen. Daarom beperk ik me in deze blogpost tot een aantal zaken die in verhalen vaak aan bod komen en ook vaak onderdeel van het centraal conflict vormen.
Als je iets in het lijstje mist, kan je de volgende vraag als uitgangspunt nemen. Wat heb ik wat iemand anders niet (per se) heeft? Als het persoonlijk milieu betreft, zijn onder andere de volgende zaken belangrijk om de vraag bij te stellen hoe dat je persoonlijke blik op iets vormt:

* inkomen
* politieke voorkeur
* ras / seksuele geaardheid (voorrecht)
* opleidingsniveau
* sociale kring(en)

Je zal merken dat dat regelmatig een meer diepzinnig antwoord verlangt.

De bril van inkomen

Geld is vaak een redelijk gevoelig onderwerp. Als je het weinig hebt, kan dat je belemmeren in je dagelijkse leven. Zit je in een middenmoot, dan vraag je je waarschijnlijk af wat je met een (spreekwoordelijk) miljoen zou doen of hoe je kan voorkomen dat je arm wordt. En als je rijk bent, ben je misschien ofwel niet met geld bezig – ik heb het toch genoeg- of juist heel veel, omdat je het goed wil beheren.
Hoe dan ook bepaalt (de afwezigheid van) geld voor een groot deel hoe je leven eruit ziet.
Stel jezelf de volgende vragen en geeft antwoord met nooit, af en toe, soms, vaak of altijd. Er is geen goed of fout: jouw situatie is zoals die is.

* Ik moet soms een maaltijd overslaan, omdat ik het niet kan betalen
* Ik gun mezelf een cadeautje als ik iets goeds gedaan heb
* Ik koop kleren in de uitverkoop of tweedehands
* Ik kan me impulsaankopen veroorloven
* Ik carpool, fiets, of wandel om benzinekosten te besparen
* Ik winkel bij een budgetsupermarkt, omdat alleen dat betaalbaar is voor mij
* Ik draag alleen designerkleren
* Drie keer per maand uit eten is betaalbaar voor mij.

Enzovoorts.

Soms zijn er meer brillen dan je denkt. Eén aspect kan je beleving soms op meerdere manieren veranderen.
Foto door Joakim Honkasalo op Unsplash.

Probeer jezelf voor te stellen wat je al dan niet kan of zou doen als je het andere uiterste van toepassing zou zijn.
Stel dat je nooit de auto hoeft te laten staan vanwege de benzine en dan ineens moet fietsen. Kom je dan nog wel op je werk, zonder twee uur extra reistijd? Dat heeft wel invloed op je gemiddelde dag.
En als je plotseling designerkleren kan dragen in plaats van altijd tweedehandse te moeten kopen? Zou je je dan mooier voelen? Of zou je gewoon zelfgemaakte kleren blijven dragen en ga je van dat extra geld lekker op vakantie?

De politieke bril

Iedereen heeft een politieke voorkeur en die komt ergens vandaan. Zet je belangrijkste politieke standpunten eens op een rij en probeer te bedenken wat de achterliggende reden is dat je daarin gelooft. Dan kom je – als het goed is- ook uit bij de reden waarom in andermans leven andere waarden en dus politieke voorkeuren spelen. In een ander leven spelen andere zaken waarbij andere prioriteiten of voorkeuren horen.

Wat zou jij bespreken als je een microfoon had? En iemand die een andere mening heeft? Wat zegt die? Waarom?
Foto door Joakim Honkasalo op Unsplash

De bril van voorrecht

Zodra je kan spreken over een meerderheden en minderheden, gaat het ook over voorrecht. Denk hierbij aan geaardheid en ras, maar het kan ook beperkingen, sekse, of inkomen betreffen. Stel jezelf hierbij de vraag: wat kan ik doen zonder erbij na te hoeven denken, waar iemand anders daar alert op moet zijn, moeite mee heeft, of om nagekeken wordt? Voorbeelden:
* Als hetero kan ik mijn partner zoenen, zonder dat ik raar wordt nagekeken
* Als niet-moslima staart er nooit iemand raar naar mijn hoofd, omdat ik mijn haar niet bedek
* Ik moet nadenken of ik wel mee kan rijden in een auto, vanwege mijn rolstoel.
* Als miljonair denk ik niet na over de kosten van mijn gasrekening.
* Als man hoef ik me niet zorgen te maken om mijn outfit als ik ’s avonds op straat loop.

Je bent altijd ergens zowel een meerderheid als een minderheid (als is het maar in bepaalde situaties.) Probeer te ontdekken wanneer en welke ‘voorrechtbrillen’ jij op hebt.

De bril van opleiding

Opleiding kan je letterlijk en figuurlijk nemen. Als jij een opleiding astronomie hebt gedaan, kun je eindeloos over sterren-en planetenstanden praten. Maar iemand die net weet dat onze planeet ergens in een zonnestelstel rondzweeft, zal je niet kunnen volgen.
Als het over opleidingsniveau gaat, zijn er ook grote verschillen. Hou daar ook rekening mee. Woorden waarvan jij als schrijver met een jouw waarschijnlijk bovengemiddelde woordenschat denkt: die snapt iedereen, zijn verrassend vaak niet voor iedereen te volgen. Houd daarom Loo van Eck paraat om eventuele woorden op moeilijkheidsgraad te controleren. B1 is voor vrijwel iedereen te volgen, B2 of hoger vraagt al een bovengemiddelde woordenschat.

De bril van sociale kringen

Vaak zijn je sociale kringen gevormd door mensen die meerdere van dezelfde brillen ophebben als jij. Dat kan het lastiger maken om andere brillen te zien of die voor waarheid aan te nemen. Stel jezelf de vraag: wat als ik beste vrienden zou zijn met iemand die meerdere ‘tegenovergestelde’ brillen draagt? Schrijf alles wat je kan bedenken in je opschrijfboekje. Het gaat er hierbij vooral om dat je je voorstelt dat je door een andere bril kijkt dan je gewend bent.

* Ik heb vrienden met wie ik vaak sport, dus beweging is belangrijk voor mij. Als een vriend niet van de bank te krijgen is, hoe kunnen we dan een gezellig avondje hebben? Een filmpje kijken, misschien? Ook leuk. Maar hoe voel je je fit als je niet sport? Oh, mijn vriend kikkert op na een lang, warm bad. Kan ik ook eens proberen…

Probeer zo zelf meerdere situaties te bedenken waarin je persoonlijke bril verandert al naargelang met wie je (niet) omgaat.



Drie-aktenstructuur: de tweede akte

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Alle afzonderlijke elementen zijn al aan bod gekomen. Maar ook de aken zelf kunnen je een beter begrip van je verhaal geven. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten per akte? Deze week de tweede akte, waarin vrijwel alle actie in het verhaal plaatsvindt.

3 aktenstructuur

Wat moet deze akte vooral doen?

Dit is de akte van actie. Van vallen en opstaan, van het centrale conflict, van de subplots van… bijna alles, in zekere zin. Alles wat het verhaal interessant maakt, waar de spanning zit en waar een lezer een boek voor pakt, zit in de tweede akte. Je kan in het schema ook zien dat er veel verschillende zaken aan bod komen. Dat laat zien wat belangrijk is: prikkel je lezer en blijf prikkelen, met verschillende technieken, verhaallijnen en plottwists. Wissel die ook voldoende af, dan kan de lezer ook altijd op het puntje van de stoel blijven zitten.

Wat moet je vooraf weten voor deze akte?

Omdat er zoveel in deze akte gebeurt en er ook zoveel verschillende dingen gebeuren, moet je een globaal beeld hebben van welke dingen elkaar wanneer op gaan volgen. Oftewel: hoe je zaken spreidt. Je ziet het ook terug in het schema. Soms volgen obstakels elkaar op, soms komt er een clue tussendoor. Een soortgelijk idee heb je nodig voor de spreiding van introducties van nieuwe personages, het onthullen van geheimen en wanneer je een subplot uit gaat werken of wanneer het juist tijd is voor de hoofdlijn van het verhaal. Of het nu een mysterie is of een introductie van een nieuw personage, iets helemaal van a tot z uitwerken voor je doorgaat naar het volgende werkt niet.

Wat moet voor de lezer duidelijk worden?

Je lezer moet vooral kunnen zien hoe je held groeit in zijn heldenreis, niet alleen dat die dat doet. Dat geldt ook voor medepersonages. Iemand zien winnen als je niet weet wie het is, is lang niet zo interessant als iemand zien winnen die je kent. Je leert personages kennen door hun groeiproces. Besteed daar dus de nodige aandacht aan met details die je personage en diens omstandigheden uniek maken.

Wat mag je openlaten in deze akte?

Omdat dit de akte van actie is, moet je hier alles laten gebeuren. Je moet dus eerder alles verklappen dan iets openlaten. Waak er wel voor dat je niet alles dichttimmert. Je mag echt wel iets aan de verbeelding overlaten. Ga in een subplot dus geen honderden woorden besteden aan de vraag of een aantal figurantachtige medepersonages elkaar nou wel of niet zien zitten. Je mag een eigen afweging maken van wat je vindt dat de lezer echt moet weten, maar doe dat niet met elk stom feitje of subplotje. Een lezer leest ook omdat daar eigen fantasie bij komt kijken. Neem die alsjeblieft niet af.

Samenhang met andere akten

De tweede akte is het midden dat het begin van de eerste en het einde van de derde akte met elkaar verbindt. Zorg er dus ook voor dat je daar zo nu en dan vooruitblikt naar wat de held wil bereiken of waar die vandaan komt. Doe dat niet te uitgebreid, daar zijn de andere akten zelf voor bedoeld. Maar waak ervoor dat je al die interessante actie van de tweede akte niet volledig op zichzelf laat staan.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Photo door Mason Kimbarovsky op Unsplash.

Medepersonages als spotlightpersonage

Een held staat in het verhaal in de schijnwerpers. Die kunnen op meerdere manieren worden verwezenlijkt. Een schijnwerper is vaak het resultaat van het feit dat de held iets beter kan dan anderen. Daarom moet er iemand zijn die ergens objectief of subjectief ergens slechter in is. Daarvoor kan een medepersonages de spotlights als het ware aan de held geven.

De held en de medepersonages vergeleken

Vergelijk de held van je verhaal eens met een Olympische sporter. Als die voor goud gaat en ook goud krijgt, dan zijn er ook sporters die de zilveren en bronzen plak in de wacht slepen. Die gouden medaille is zo speciaal omdat je topsporter iets knaps gepresteerd heeft, nog meer dan de anderen. En dat is waarschijnlijk waarom je deze persoon schrijft, niet over de sporter die de derde plaats heeft gehaald.

Op een soortgelijke manier zullen bepaalde medepersonages altijd in het verhaal zijn om je held en andere belangrijke personages de spotlight te kunnen geven die ze nodig hebben om het verhaal als held of belangrijke hoofdpersoon te kunnen dragen.

Wie draagt de held en medepersonages?

Het personage dat je held en zijn vrienden hun plaats in het verhaal geeft, is niet zomaar een figurant. Er is wel degelijk een rol door dit personage weggelegd. Denk aan de wederhelft van de beste vriend, een leraar waaraan je held een hekel heeft, of een van de kompanen die mee op avontuur gaat om de fontein der eeuwige jeugd te zoeken.
Dit personage heeft dus zeker een eigen personagebiografie nodig. Als je die niet uitwerkt, is de kans groot dat dit ‘spotlightpersonage’ zeer cartoonesk of eendimensionaal wordt. Je kent dat irritante personage vast wel: het krijgt een one-liner of persoonlijke stunt en komt alleen als een soort onhandige, hyperactieve cheerleader of clown in het verhaal op het moment dat er benadrukt moet worden wat de sfeer van de situatie is.

Volwaardig personage in dienst van het plot

Het personage dat een bepaalde vaardigheid van je held moet benadrukken is dus altijd iemand met een minder grote rol. Maar zoals altijd is dit personage nog altijd de held van zijn eigen verhaal.
Het enige belangrijke verschil is dat dit personage tot op zekere hoogte in het verhaal geschreven is in dienst van het plot. Hoe bepaal je welk personage dat gaat zijn? Er zijn een aantal factoren die je mee moet nemen in deze beslissing.

* Je held moet op zijn minst een vriendschappelijke band hebben met dit personage en om diens welzijn geven.
* Je held en het personage moeten elkaar met enige regelmaat treffen.
* Er moeten andere belangrijkere personages zijn (zoals de beste vriend) die een scène delen met de held en het spotlightpersonage.

Je spotlightpersonage blijft een volwaardige rol spelen in het verhaal. Het is nog steeds een echte vriend, geen middel om het plot vooruit te helpen. Foto door Jed Villejo op Unsplash.

Deze zaken zorgen ervoor dat je spotlightpersonage niet geforceerd in het plot komt, maar er wel altijd is om de heldenreis -evengoed- subtiel te versterken, zonder dat je personage een overschot aan power fantasy nodig heeft.

Voorbeelduitwerking met een spotlightpersonage

Een concreet voorbeeld van een groepje personages en hun verhoudingen. We schrijven over een bevriend groepje tieners op de middelbare school.

Held: Charlie
Beste Vriend: Simon
Spotlightpersonage: Petra

Charlies heldenreis is om ooit topsporter te worden.

Charlie, Simon en Petra zijn goede vrienden, maar Charlie en Simon zijn onafscheidelijk. Beide jongens zijn zeer atletisch en hebben ook topsportambities. Iedere dag gaan ze na school naar de atletiekbaan, of doen ze samen andere trainingsoefeningen. Behalve op vrijdagavond, want dan gaan ze altijd met zijn drieën naar de film. Bovendien heeft Charlie heimelijke gevoelens voor Noortje. Petra weet dat en probeert tussen Noortje en Charlie wat vriendschappelijke bruggen te slaan.

De cijfers bij gym liegen er niet om: de jongens halen daar altijd negens en tienen voor, Petra is tevreden met een zesje. Dat verschil in cijfers laat zien hoe goed de jongens echt zijn. Als het gaat om topsport, is Petra niet belangrijk voor het verhaal. Maar Charlie heeft nog meer dan alleen sport in zijn leven: de filmavondjes en zijn gevoelens voor Noortje.
Petra kan hem daarbij helpen, zonder als geforceerde koppelaarster over te komen: ze is misschien niet Charlies beste vriendin, maar wel een vriendin die belangrijk voor hem is. Anders zou hij niet elke week met haar naar de film gaan.


Power fantasy grens van de held bewaakt

Een spotlightpersonage helpt de held om méér te zijn dan alleen iemand die een enkel doel najaagt. Bovendien kan dit personage ook ervoor zorgen dat de zwaktes van je held bloot komen te liggen. Charlie is niet almachtig: hij heeft Petra nodig om dichter bij Noortje te komen. Dat kan je aan Simon overlaten, maar ook dan loop je het risico te makkelijk te schrijven: een held en een beste vriend kunnen nooit met zijn tweeën het verhaal dragen. Stel dat Charlie en Simon ruzie krijgen, dan leeft Charlie plotseling in een sociaal vacuüm. Dat zet het plot vaak op slot.
Laat hem een discussie krijgen met Petra en dat heeft voordelen:

* Charlie gaat zich rot voelen, maar hij kan nog wel door met zijn heldenreis: deze ruzie zet het plot niet op slot.
* Het laat zien dat Charlie geen perfect personage is: ook hij kan kibbelen ( ja, inderdaad, met iemand om wie hij geeft, niet alleen met de antagonist)
* Simon kan Charlie ter verantwoording roepen: dat geeft hem een kans om te reflecteren en te groeien

Zo krijgt Charlie dus nooit de status van onaantastbaarheid, wat hem een held maakt waarmee de lezer zich kan identificeren.

De spiegel van het spotlightpersonage

Een spotlightpersonage is net als ieder ander belangrijk personage er een met de eigen heldenreis. Zorg er dus wel voor dat je die eigen doelen, dromen en een eigen wil geeft. Daar moet je ook de nodige aandacht aan besteden. De ene keer zal dit alsnog relatief veel op de achtergrond gebeuren, de andere keer is je spotlightpersonage samen met je held veel op de voorgrond. Maar dit personage is er vooral om je held in zekere zin te spiegelen. Dat doet een antagonist ook, maar die is vaak een relatief zwart-witte afspiegeling van de held. Als een personage kan spiegelen dat niet tegenover, maar naast je held staat, dan kan dat de heldenreis van je hoofdpersonage op een prettige, realistische en onbevangen manier verstevigen.

Drie-aktenstructuur: de eerste akte

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drieaktenstructuurschema beter te begrijpen. Alle afzonderlijke elementen zijn al aan bod gekomen. Maar ook de aken zelf kunnen je een beter begrip van je verhaal geven. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten per akte? Deze week de eerste akte, waarin je de start van het verhaal schrijft.

3 aktenstructuur

Wat moet deze akte vooral doen?

Deze akte laat de lezer kennis maken met het verhaal. Het geeft dus een aanloop, maar gaat niet meteen in de actie. Dat komt pas de akte hierna. Bedenk: als je midden in een zwaardgevecht zit, ga je geen handen schudden om jezelf voor te stellen aan je mederidders. In de eerste akte draait het om verkennen: nu is het de tijd om de held en de basis van het verhaal te leren kennen. Hier moet de basis voor het conflict worden gelegd. En omdat elk personage en ieder verhaal anders is, moet je hier duidelijk maken wat conflicten in het verhaal vormen en waarom.

Wat moet je vooraf weten over deze akte?

Bij deze akte is het belangrijk om de rode draad van je verhaal en heldenreis scherp voor ogen te hebben en te houden. De toon die je zet in het begin van het verhaal heeft invloed op hoe je verhaal wordt gelezen. Een droevig verhaal kan vrolijk aflopen of andersom, maar een verhaal over een zenuwachtige held zal altijd een onrustige toon behouden. Ook voor het inhoudelijke verhaal maakt dat verschil. Vergelijk een thriller over verraad met een verhaal over iemand die door waanzin wordt gedreven. Dat leest heel verschillend. Bovendien bepaalt de toon ook of je verhaal wel helemaal wordt gelezen. Niemand geeft een boek van driehonderd bladzijden tot bladzijde tweehonderdtwintig de tijd om te zien of het wel interessant is. En om een verhaal interessant te houden, moet je weten wat een personage drijft. Dat wordt in deze akte duidelijk.

Wat mag je openlaten in deze akte?

Schrijf de exacte aard van de aankomende confrontaties en obstakels liever niet uit. Als je schrijft over de carrière van een topsporter, is het onvermijdelijk dat die een aantal blessures oploopt, wedstrijden verliest of zich ergens niet voor kan kwalificeren. Maar als je beter kijkt, zie je daar vaak iets diepzinnigers onder schuilt. Gaat het echt om die ene wedstrijd, of gaat het over een grotere droom om de beste te worden, waar heftige faalangst de oorzaak van is? Schrijf over de ‘oppervlakkige’ uitdagingen die je held te wachten staan om het enthousiasme voor je verhaal aan te wakkeren, maar laat nog niet doorschemeren wat de held echt kan of gaat nekken. Anders heb je later geen echte obstakels meer om over te schrijven.

Samenhang met andere akten

Je zou het misschien niet denken, maar de eerste akte is vooral van belang voor de derde akte. Daarin ga je afronden en terugblikken. Dat terugblikken betreft niet alleen de climax. Juist niet, zelfs. Het is niet: ‘Hé kijk mijn spierballen eens: die hielpen mij zonet in de climax de draak te verslaan.’ Eerder: ‘Ik begon als boerenknecht en heb nu een draak verslagen. Wat ben ik toch veranderd.’   
Om die terugblik van de derde akte effectief te schrijven, moet je een duidelijke basis van je verhaal hebben. Als je niet duidelijk schrijft hoe je verhaal of je personage is gegroeid, dan is de pay-off niet interessant. Een oninteressante pay-off heeft als gevolg dat het voor de lezer voelt alsof je een anticlimax schrijft, terwijl dat niet zo is. Een stevige basis in het begin zorgt ervoor dat je lezer op het einde het boek tevreden dicht kan slaan.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door Nick Morrison op Unsplash

Dit artikel is ook de driehonderdste schrijftip op mijn blog. Hoera! Alle deelnemers van de schrijfwedstrijd 300, bedankt voor jullie inzendingen. Ik mail jullie zo snel mogelijk de uitslagen.
Deelnemer of niet, winnaar of niet, laat het me weten als je een idee hebt voor een volgende blogpost!

Schrijfoefening de digitale ridder: heb je een goed open einde?

Bij een open einde interpreteert de lezer de afloop van je einde. Daarvoor moet je wel vaste aanknopingspunten kunnen geven. Om te laten zien wat voor effect interpretaties van een lezer kunnen hebben op je verhaal, trekken we een ridder een pixelpak aan en plaatsen we hem in een videogame.

De controle(r) uit handen geven

Bij een videogame heeft de speler een controler in handen. Afhankelijk van diens wil of onkunde bepaalt dat of de ridder de draak kan verslaan of niet. Een videogame heeft ook opties die het plotverloop bepalen. Vaak vraagt een voorbijganger iets waar je bespeelbare personage antwoord op moet geven. Afhankelijk van dat antwoord gaat er een poort open, krijg je een extra wapen, ruzie met iemand…
Zo kan een gamer je het verhaal beïnvloeden. Dat vormt het uitgangspunt van deze schrijfoefening.

Gevolgen van keuzes

Onze ridder komt halverwege zijn missie op een kruispunt. Daar staat iemand die hem de weg verspert. Als hij linksaf gaat, zal hij een drankje vinden waardoor hij minder kwetsbaar is voor het vuur dat de draak spuwt. Gaat hij rechtsaf, dan kan hij een aantal gevangenen bevrijden. Aan de gamer de keuze. Dat maakt voor het karakter van de ridder een redelijk verschil, wat weer weerslag kan hebben op het plotverloop. Is de ridder eerder bezorgd om ieders welzijn (A), of is hij slechts gericht op het doden van de draak vanwege de roem? (B)

Komt hij bij een tweede kruispunt en krijgt hij de keuze tussen de prinses of rijkdom, dan geldt hetzelfde. Maar als je eerst optie A hebt gekozen en nu optie B kiest, dan stuit je op een paradox wat betreft het karakter van de ridder. Dat is dan niet logisch meer. Op den duur heeft dat gevolgen voor het plot. Maar omdat de gamer de touwtjes in handen houdt, blijft die optie wel mogelijk.
Lees: keuzes hebben gevolgen. En die keuzes en gevolgen moet je kennen om je verhaal en het open einde logisch te kunnen houden.

Waar gaat het verhaal hoe dan ook over?

Als je doet alsof je met een gamer in plaats van met een lezer te maken hebt, krijg je een duidelijker referentiepunt wat je in een open einde uit moet sluiten of moet verklaren en wat je open kan laten.

Neem het tweede kruispunt van de ridder. Bij het eerste kruispunt heeft de gamer besloten of hij voor een wapen of voor het bevrijden van gevangenen gaat. Dat zijn verschillende keuzes met andere bijbehorende moralen. Maar uiteindelijk hebben ze wel iets gemeen: beide opties maken van de ridder een held. En dáár draait de kern van je verhaal om; het gaat over een ridder, niet over een laffe bankhanger.

Zonder het gegeven dat je over een held/ ridder schrijft, kan je verhaal geen kant op en heeft het geen basis. Maar mèt die basis van het verhaal over een ridder kan je juist tientallen kanten uit. Je kan eindeloze kruispunten in het verhaal schrijven, zo je wil. Dat doe je met schrijven eigenlijk altijd. En net als de gamer die bij een kruispunt staat, komt dat vaak neer op een ja/nee antwoord:

* Verslaat de ridder de draak? ja/nee
* Wordt mijn personage ernstig ziek? ja/nee
* Breekt mijn held in dit gevecht een been? ja/nee
* Schrijf ik over een verhaal in de jungle? ja/nee
* Schrijf ik over een verhaal in de grote stad? ja/nee
* Schrijf ik over een meisje met rode krullen? ja/nee

Jij bepaalt uiteindelijk hoeveel je de controle(r) uit handen geeft.

Vaak ben je je alleen bewust van de vragen waarop je met ja antwoord geeft. Als je een horrorverhaal schrijft, denk je niet aan de vraag ‘Zal het stelletje lachend van de met bloemen begroeide helling afrollen en elkaar daarna zoenend in de armen nemen?’ Natuurlijk is dat antwoord nee. Maar in theorie kan het (wie weet hoe creatief je bent met plotten invullen ;))

Zoek de absolute ja-vragen

Als je bij de wrap-up van het verhaal aangekomen bent, moet je gaan bepalen wat je duidelijk wil afronden en wat je open laat. Om een goed open einde te waarborgen moet je zoeken naar de ‘absolute ja-vragen’. De vragen die laten zien dat je al die tijd over een ridder hebt geschreven, niet over een bankhanger, ongeacht wat een lezer verder ook met de eigen fantasie mag aanvullen. Vragen die, als ze ‘nee’ als antwoord zouden zijn, een totaal ander verhaal zouden vertellen.

* Wordt de draak verslagen? Ja
* Wordt de prinses gered? Ja
* Wordt de ridder als held onthaald? Ja

Bepaal de ‘vul uw voorkeur in’ vragen

Bij een open einde zijn er talloze vragen die een ja/nee antwoord hebben en houden.
* Trouwen de ridder en de prinses? (Let op: bij subpersonages hoort deze vraag altijd in deze categorie. Lees hier waarom.)
* Raakt de ridder later aan de drank door PTSS?
* Komt er ooit nog een andere draak in de grot wonen?
* Blijken de ridder en de prinses lang verloren gewaande broer en zus te zijn en ligt er incest op de loer?

Ho, dat laatste is wel erg luguber. Hoe kom je daar nou bij? Ik wil niet iemand zo over mijn verhaal gaat denken…
Blijkbaar heb ik als gamer van jouw videospel een kruispunt gehad met een optie die die incest suggereerde. Of in gewone boekentaal: tussen de regels door heb je een plotpunt, dialoog of een karaktertrek van een personage zodanig geschreven dat een lezer daar incest in zou kunnen zien.
Je hebt nu drie opties:
1 Maak van het familievraagstuk een absolute ja-vraag “De ridder keek de bakker nog eens goed aan. Hij bleek precies dezelfde ogen en neus te hebben.” Is de ridder de zoon van de bakker? Ja.
2 Laat je tekst zoals die is en neem er genoegen mee dat je tekst anders wordt geïnterpreteerd dan jij bedoelde. Je kan je afvragen of – duistere onderwerpen als incest of niet- je je verhaal wel een open einde wil geven als je je druk maakt om wat de lezer anders leest dan jij wilde overbrengen.
3 Lees je verhaal in zijn geheel nog door op dit soort ‘onregelmatigheden’. Zo’n dubbelcheck is altijd goed om te doen.

Foto door Nikita Kachanovsky op Unsplash.

Drie-aktenstructuur: het einde

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drieaktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week: het einde.

3 aktenstructuur het einde

Waar staat dit verhaalelement?

Het einde is het echte einde van het verhaal. De aanloop daarvoor is al gegeven in de wrap-up, het vorige element. Daarom is het einde echt heel kort: het zijn de laatste zinnen van het verhaal. Doorgaans de laatste vijf tot echt de allerlaatste. Is je einde langer dan dat, dan ben je waarschijnlijk ongemerkt nog de warp-up aan het schrijven.  

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

De lezer weet alles van het verhaal, want het is in de wrap-up eigenlijk al afgelopen. Het verhaal dat doorgaat na het dichtslaan van het boek, is ook al duidelijk. Het einde heeft dus inhoudelijk weinig meer met het verhaal te maken. Het is niet veel meer dan een laatste slotconclusie die je de lezer nog mee wil geven, niet zozeer iets wat de inhoud van het verhaal nog moet verdiepen.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

In de wrap-up sluit je het verhaal met een bepaalde sfeer af. De eigenlijke laatste zinnen onderstrepen wat de wrap-up duidelijk moet maken. Als de wrap-up moet samenvatten waar het boek over gaat, dan moet het einde samenvatten waar de wrap-up over gaat. Stel dat je een romance schrijft. In de wrap-up schrijf je hoe het stel gelukkig is samen en uitkijkt naar de aankomende bruiloft. Het einde is dan de beschrijving hoe het stel elkaar innig zoent, om die liefde te onderschrijven.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Je moet weten of je je verhaal een open einde wil geven of niet. Het einde is de uitgeschreven plaats om nog bepaalde vragen onbeantwoord te laten, open te laten voor een volgend deel in een langere serie, of toch echt duidelijk te maken.

  • ‘Laten we contact houden.’ Soms meen je dat, soms is het een beleefde manier om  te zeggen dat je genoeg gezien hebt van de ander. Het is dan aan de lezer en diens interpretatie van het boek om te bepalen wat er buiten het boek om nog gaat gebeuren.
  • Ik laat de moordenaar in de laatste regels ontsnappen. Mijn fans weten dat ik een serie schrijf. In het volgende boek gaan we verder en op alle details in.
  • Nee, dit stel eindigt niet met elkaar, daarom laat ik ze als vrienden de handen schudden en voorgoed afscheid nemen.

Wat moet je geheimhouden of niet doen in dit verhaalelement?

Kijk uit voor clichéachtige one-liners, zoals: “Ik ook van jou.” “Hij was nog nooit zo gelukkig geweest.” “En daarmee keerden ze de middelbare school voorgoed de rug toe.”
Bedenk dat het einde dan misschien geen complete alinea’s mag bedragen, je hebt wel een handvol zinnen tot je beschikking. Gebruik die dan ook voor een show, don’t tell voor wat je met een one-liner wil bereiken. Dan leest je einde alsnog als een echt slot, maar komt het al heel wat minder geforceerd over.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Markus Spiske op Unsplash

Wat mag je open laten bij een open einde?

Als je een verhaal schrijft zonder een duidelijk antwoord op belangrijke vragen in het verhaal, heb je een open einde. Een open einde geeft de lezer de mogelijkheid zijn eigen fantasie op een verhaal los te laten, maar kan het verhaal ook spannend maken. Toch mag je niet zomaar alles open laten in je boek. Hoe weeg je af wat je invult en wat je openlaat?

Invullen of openlaten

Het kan een groot verschil maken of je iets openlaat of invult voor de lezer. Ongetwijfeld heb je zelf eerder een boek met een open einde gelezen waarvan je het gevoel kreeg dat er iets belangrijks nog niet was onthuld. Of het omgekeerde: je kwam in de wrap-up een stukje informatie tegen waarvan je dacht ‘Nou en?’ of ‘Dat is precies het tegenovergestelde van hoe ik het verhaal al die tijd had geïnterpreteerd. Ik vind het niet passen.’ Waarschijnlijk kelderde je leesplezier in die paar laatste minuten enorm. Hoewel je dit niet voor iedere individuele lezer kan voorkomen, kan je de kans daarop wel verkleinen.

Wat moet duidelijk zijn aan het einde van je boek?

Er zijn verschillende dingen die je kan doen om een open einde te rechtvaardigen en in goede banen te leiden. De belangrijkste vraag die je jezelf daarvoor moet stellen is: wat is belangrijk voor mijn verhaal? Denk daarbij aan de basis die een verhaal of een personage überhaupt nodig heeft om interessant te zijn. Hoewel er meerdere dingen te benoemen zijn, zijn de volgende zaken belangrijk om te bepalen hoe je einde eruit gaat zien.
* Het verhaalthema
* Het centraal conflict
* Het willen en nodig hebben van je personage
* De grootste angst van je personage
* De grootste leugen van je personage

Deze elementen zijn belangrijk voor het bepalen van je open einde. Niet alleen omdat ze een belangrijke drijfveer van je verhaal an sich vormen, maar ook omdat deze zaken zich op verschillende manieren kunnen manifesteren. Sterker nog: je hebt verschillende opties die geen van allen het enige juiste antwoord zijn. Stel dat je verhaalthema eenzaamheid is en je personage zowel vrienden wil als die nodig heeft. Dan heb je een narratief acceptabel einde als hij eenzaam en alleen in een gevangenis sterft, maar ook als hij een gezin sticht en een bloeiend sociaal leven krijgt. Beide opties hebben met eenzaamheid te maken, het zijn alleen twee (extreem) andere kanten van dezelfde medaille.

Maatwerk leveren voor het open einde

Je zal vast begrijpen dat je over bepaalde zaken uitsluitsel moet geven bij een open einde. Als de lezer geen flauw benul heeft of de eenzame held ooit nog vriendschappen sluit, is dat geen prettig einde. Maar je kan wel openlaten of er nog een vriendschap in het verschiet ligt als je laat doorschemeren dat de held daar nu in ieder geval de sociale vaardigheden voor heeft aangeleerd. Dan geef je de lezer de mogelijkheid om zelf een einde te bedenken, met een basis om op terug te vallen.

Je lezer kan fan zijn van een open einde of niet, maar als je die echt niets geeft om op terug te vallen, dan irriteert dat altijd.

Omdat ieder verhaal uniek is, is daar een inhoudelijk afvinklijstje daar niet of nauwelijks voor te geven. Wat je wel kan doen is de zaken uit de vorige alinea één voor één terugbrengen naar een enkel kernwoord of korte zin. Dan heb je al duidelijker voor ogen waar het om draait. Als vanzelf kan je ook duidelijker krijgen wat je open mag laten, of waar je echt enig uitsluitsel over moet geven om het einde niet als een groot gat te laten voelen voor de lezer.

Voorbeeld: criteria voor een open einde bepalen

De welbekende ridder gaat op pad om de draak te verslaan en de prinses te redden. Gegeven bij ons verhaal is:
* verhaalthema: moed
* centraal conflict: de ridder moet sterk genoeg worden om de draak te verslaan
* willen en nodig hebben van de ridder: de ridder wil bejubeld worden door het hele land. Hij heeft het nodig dat iemand hem ziet staan
* grootste angst van de ridder: als lafaard worden bestempeld
* grootste leugen van de ridder: ik ben niet bang

De clichéafloop met de prinses als sexy lamp kennen we allemaal. Wat als we bepaalde zaken open laten voor de lezer? Je zou kunnen zeggen dat iedere afloop beter is dan het welbekende cliché, maar dat is niet zo. Als je te veel of de verkeerde dingen openhoudt, heb je alsnog een slecht verhaal. Laten we per criterium eens bekijken wat moet en wat mag bij het einde van dit verhaal.

* verhaalthema: het is al moedig dat de ridder de draak wil verslaan. Kan je er nog iets bij bedenken wat voor de ridder persoonlijk moedig is om te doen? Geef daar dan uitsluitsel over of een duidelijk uitgangspunt voor.
* centraal conflict: maak duidelijk of de draak wordt verslaan. Je mag open laten of hij met de prinses gaat trouwen, maar de draak moet al dan niet verslagen worden.
* willen en nodig hebben van de ridder: de prinses en het land mogen hem al dan niet als held bestempelen en je mag openlaten wat zijn (gebrek aan) heldenstatus oplevert. Maak wel duidelijk hoe het zelfbeeld van de ridder aan eind van het verhaal ervoor staat.
* grootste angst van de ridder: komt deze al dan niet uit? Je mag openlaten hoe het letterlijke verhaal verdergaat, je moet duidelijk maken hoe de ridder daarop reageert en hoe dat (grofweg) zijn verdere leven zal beïnvloeden.
* grootste leugen van de ridder: als deze in het plot is uitgekomen, doe je er goed aan om grofweg weer te geven wat voor gevolgen dat heeft of houd. Zo niet, dan kan je hinten dat dat gevolgen heeft en dat open laten, of je kan deze grootste leugen alsnog negeren.

Dit geeft hopelijk wat meer houvast voor het schrijven van een open einde. Volgende week post ik een schrijfoefening om je te helpen de gevolgen van een open einde wat helderder te krijgen.