Schrijfcursus dialogen schrijven: de perfect afgestemde dialoog

Ik heb iets te vertellen, dus ik trek mijn mond open. Zo beginnen gesprekken en dialogen. Maar dan moet het hoge woord er nog uit…

“Dus uhm, ja, hoe zeg ik dat…”
“Gaat alles wel goed?”
“Nu je het vraagt, eigenlijk niet echt. Uhm, mijn vrouw is ziek.”
“Ach jee, is het bij jou ook al raak? Mijn zoontje heeft vorige week…”
“Dus ja…”
“O wacht, mijn telefoon gaat”
“En nu is het afwachten…”
“Sorry, hoor. Hoe is het met je broer, zei je?”

Deze personages zijn niet goed op het gesprek afgestemd. Wil je leren hoe je een dialoog beter op papier krijgt? Dan kan je mijn schrijfcursus volgen: De perfect afgestemde dialoog.

Daarin leer je hoe je een vlotte dialoog schrijft. Niet alleen dat: je leert ook over de menselijke stem, waarom mensen en personages willen praten en hoe dat van elkaar verschilt. En hoe je met behulp van een dialoog je plot kan versterken en je personages onvergetelijk kan maken. Ik combineer daarbij mijn ervaringen als logopediste en schrijfcoach zodat spreken, communiceren en dialogen schrijven geen geheimen meer hebben voor je.
Kortom: je gaat het begrip ‘dialoog’ uitgebreid (her)ontdekken en er alles over leren, zodat je dialogen van de bladzijden af gaan spatten.

Les 1 van de cursus: het verschil tussen gesprek en dialoog

Lekker weertje, hè?”
“Vind je? Ik ga echt dood van de hitte…”
In een gesprek tussen mensen kan dit gesprek nog rustig  een paar minuten doorgaan, maar in een geschreven dialoog gaat het eerder verder als:“O. Nou, ik niet hoor.”
Punt. Einde verhaal. Soms vrij letterlijk. Tenzij je de dialoog uitschrijft alsof het een gesprek is tussen mensen, maar dan legt je lezer het boek alsnog weg. En is er nog steeds geen echt verhaal. Want een gesprek over koetjes heeft geen conflict, geen spanningsboog.

In de eerste les van de cursus ‘De perfect afgestemde dialoog’ leer je waarom gesprekken tussen echte mensen niet hetzelfde is als een dialoog tussen twee personages en hoe een dialoog soms heel anders lijkt te klinken dan hoe hij op papier staat. Ook leer je welke rol de menselijke stem daar in kan spelen. Je gaat dus ook kennismaken met de stem.
En wist je al een dialoog meer moet zijn dan alleen twee personages die gezellig babbelen? In deze eerste les leer je ook wat de functie is van een dialoog en hoe je die voor het plot en de spanningsboog in kan zetten. Met vijf opdrachten om te maken, zet deze les je meteen flink aan het werk.

Les 2: ‘Ik heb iets te vertellen’ waarom praat je personage?

Waarom praat je personage eigenlijk?

Die vraag staat centraal in les 2 van de schrijfcursus: ‘de perfect afgestemde dialoog’. Je personage  heeft iets te zeggen, zoveel is duidelijk. Maar is het boos, of blij en wil het daarom een woordenstroom op papier loslaten? En waarom heeft het juist deze gesprekspartner uitgezocht? Is de geliefde alweer het slachtoffer van geklaag over een lange werkdag, of is er juist iets te halen bij een klasgenoot?
Dit zijn zaken die aan bod komen in een dialoog, maar ze hebben effect op je algehele plot en de spanningsopbouw daarvan. Daar ga je in deze tweede les van de cursus naar kijken.
Ken je een spraakwaterval van wie je wel eens zou willen dat er een timer op de spreektijd zat? Verrassing: een personage heeft die een, want als een personage op ieder moment en eindeloos zou mogen praten, is er niets meer van een plot over. Het moet zijn ‘two minutes of fame’ goed uitkiezen: spreken is voor een personage een voorrecht. Hoe dat zit, leer je ook in deze tweede les.  

Les 3: komt dat uit jouw mond? Uniek taalgebruik van een personage

“Aju paraplu, Harry!”  Je zou er wel even van staan te kijken als dat uit de mond van Perkamentus zou komen. Terwijl het juist perfect past bij je jolige buurman Cor.
Ieder personage heeft dus een eigen figuurlijke stem. Aan het taalgebruik kan je vaak al merken wat voor type het is. Maar je kan daarmee veel meer dan alleen een type neerzetten. Je kan met het taalgebruik zelfs duidelijk maken aan de lezer hoe je personage door anderen gezien wil worden.

En dan is daar de letterlijke stem nog: de reden dat deze cursus aan zijn naam komt.
In les 3 krijg je ook een handjevol logopedische inzichten mee, zodat je op een realistische manier een spreekstem voor je personage kan kiezen.
Kan je daar iets mee, dan? Jazeker! Bij bepaalde stemmen hebben mensen associaties. Zo kun je een symboliek versterken zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Bovendien een unieke stem kan ervoor zorgen dat je personage opvalt tussen alle andere inwoners van de papieren wereld die allemaal hetzelfde praten, omdat de meeste schrijvers weinig tot geen aandacht aan besteden.  Een stem van een personage kan dus helpen je hele verhaal memorabel te maken. In deze les  kan je met vier opdrachten ook weer lekker aan de slag.

Les 4: de drie mogelijke lagen van een dialoog: haal het beste uit je plot en je personages

Zeg jij altijd precies wat je denkt? Dan zou je het als personage in een boek niet zo goed doen…
Personages verschillen in meerdere opzichten van mensen. Een van de belangrijkste verschillen is dat ze altijd een agenda hebben. Nee, ze werken niet allemaal voor de geheime dienst. Maar waar jij en ik gewoon ons leven kunnen leiden, moeten personages er altijd voor zorgen dat het plot draaiende wordt gehouden en spannend blijft. En dat bepaalt hun manier van praten volledig.
Personages praten op drie mogelijke manieren. Een enkele keer recht voor zijn raap, meestal houden ze informatie achter of bedoelen ze meer dan ze zeggen. En soms praten ze op een manier die lijkt alsof ze inderdaad voor de geheime dienst werken.
In deze laatste les van de cursus leer je met behulp van vijf opdrachten wanneer je personage op een bepaalde manier praat en hoe je dat goed uitwerkt in een dialoog. En ook wat voor invloed dat heeft op de rest van je verhaal. Want zoals je op dit punt van de cursus al zal weten: een dialoog staat nooit helemaal los van de rest van je boek. Ben je klaar met deze les? Dan wacht er  nog een eindopdracht waarin je je schrijverskunsten kan bewijzen.

Cursus bestellen

Je kan je hieronder inschrijven voor de cursus.

Lees hier ook de inzendingen van de schrijfwedstrijd ‘Het geheime gesprek’, waarmee de winnares de cursus won.

Goed om te weten over de cursus ‘de perfect afgestemde dialoog’

  • De cursus kost 199 euro, inclusief btw.
  • Je krijgt de eerste les opgestuurd zodra aan de betaling is voldaan. Voor een vlotte afhandeling van de administratie is het fijn als je samen met je aanmelding je naam en (factuur)adres doorstuurt. In overleg is betalen in termijnen mogelijk.
  • Om je niet te overweldigen en de feedback ook ten volle te kunnen benutten, krijg je een volgende les toegestuurd zodra je met de huidige les klaar bent.
  • Feedback op de inleveropdrachten krijg je binnen maximaal 10 dagen opgestuurd.
  • Je kan de cursus op ieder moment starten en helemaal op eigen tempo volgen. Je bent aan geen enkele deadline gebonden.
  • Je krijgt geen (erkend) diploma met deze cursus: in plaats daarvan ontvang je een leesrapport van je eindopdracht.

Mocht je na het volgen van de cursus een boek in de maak hebben en nog behoefte hebben aan een redacteur, dan wil ik je natuurlijk graag helpen. Rond de cursus succesvol af en je krijgt 20% korting op je eerste bestelling uit de webshop. Proost op je schrijverschap!

Dit zeggen cursisten over de cursus: de perfect afgestemde dialoog

Ik vond het ontzettend leuk om te doen. De cursus heeft een mooie opbouw over een brede vorm van communiceren. Hoe we dit in het dagelijks leven doen en hoe je hier een interessante lopende tekst van kan maken. Want daar kan een enorm verschil tussen zitten. Er zit zelfs een stukje logopedische achtergrond van Nadine in de cursus verweven. Na het inleveren kreeg ik snelle en heldere feedback waar ik goed mee verder kon. Ik ben echt blij verrast en trots op een aantal stukken die ik zelf, mede dankzij deze cursus, heb neergezet.
 – Jennifer

Afbeelding van Belinda Fewings, verkregen via Unsplash.

Dit taalgebruikt schaadt ieder fictieboek

De afgelopen jaren heeft bepaald taalgebruik een vlucht genomen in ons taalgebruik, zowel geschreven als gesproken. Omdat er het inmiddels al zo ingeslopen is, valt het niet meer zo veel op. Toch is het verstandig om je voelsprieten eens goed uit te zetten. Als je deze woorden kan vermijden, wordt je verhaal er altijd stukken beter van.

Hippe woorden kunnen link zijn in een boek

Om de zoveel tijd is er een nieuw woord hip. Zeiden we even geleden dat iemand je ‘BFF;’ was, nu zeggen we vaker ‘bestie’. Of misschien dat ook al niet meer: taal ontwikkelt zich snel.
Hippe synoniemen voor bepaalde woorden zijn niet erg om te gebruiken. Al moet je er wel alert op zijn dat ze alweer uit de mode kunnen zijn voordat je boek naar de drukker gaat.
Maar er zijn ook woorden die de laatste jaren populair zijn geworden waarbij om een andere reden voorzichtigheid geboden is. Ze zwakken af wat ze willen versterken, doordat ze te pas en te onpas worden gebruikt op momenten of in contexten waar ze niet thuishoren. In een gesprek waar je de sfeer kan lezen en om verduidelijking kan vragen of het gesprek aan kan vullen is dat niet zo erg. Maar een boek is een eenzijdig medium, dus moet je tekst duidelijk zijn en de sfeer zelf maken. Deze specifieke hippe woorden worden daarmee holle frases of houden de tekst oppervlakkig waar je met je verhaal juist de diepte in zou moeten gaan.

‘Ervaringen’, ‘letterlijk’ en betekenisveranderingen

De duidelijkste voorbeelden van holle, hippe woorden zijn ‘letterlijk’ en hoe ‘ervaring’ wordt gebruikt, vooral in reclame en marketing.
Let er eens op hoe vaak je ‘letterlijk’ gebruikt terwijl je het niet bedoelt als ‘letterlijk of figuurlijk’, maar als hyperbool of om een bepaalde nadruk mee te geven.
‘Ervaring’ wordt gebruikt om alles belangrijker te laten lijken dan het is. Wat het woord hóórt te betekenen is iets groots dat je laat groeien, of wat op de een of andere manier memorabel is. Denk aan: parachutespringen, een verslaving overwinnen of je overeind houden in een periode van misbruik: de traumatische ervaring.
Maar inmiddels zie je voorbeelden als:
* telefoonervaring ( = hoe je je telefoon bedient)
* internetervaring ( = surfen op het internet)
* ‘Hoe heb je het bezoek aan ons museum ervaren?’ ( = Vond je het bezoek leuk?)
overal.

Voor een vlotte betaalervaring gebruik je je pinpas …. -_-‘

Een aantal jaar geleden kwam er meer aandacht voor autisme. Nu weten meer mensen wat dat in kan houden dan grofweg twintig jaar geleden. In die ontdekking van het hoe en wat rond autisme leerden mensen ook dat mensen met autisme relatief sneller overprikkeld raken. Hoewel ik niet weet of dit een correlatie heeft, viel het me wel op dat rond diezelfde periode ‘Ik vind het hier te druk’ in onze spreektaal werd vervangen door ‘ik raak overprikkeld’, ook door mensen die geen autisme hebben.

Hoewel taal altijd verandert, is het belangrijk om er alert op te blijven hoe bepaalde woorden anders worden gebruikt. In het voorbeeld van ‘prikkels’ en ‘overprikkeld raken’ is dat niet zo’n probleem: dat is een voorbeeld van hoe taal met de maatschappij meebeweegt.

Taalgebruik dat aan kleur en kracht verliest

Woorden als ‘letterlijk’ en ‘ervaring’ zijn voor een creatieve schrijver van groter belang op goed op te letten. Want als bepaalde woorden of termen volgens de gebruikelijke betekenis iets groots moeten vertegenwoordigen en vervolgens altijd worden gebruikt, verliezen ze aan kracht.
Vloeken is hiervan een goed voorbeeld: als je hetzelfde woord in iedere context gebruikt, je bepaalde woorden gaat vergeten. Terwijl die juist een unieke kleur aan je tekst kunnen geven.

Als je het woord ‘f*ck*ng’ overal als bijvoegelijk naamwoord voor gebruikt, gevolgd door ‘t*f*s’- X (-vent, -zooi, -school, wat dan ook waar je boos over bent), is het nog wel duidelijk dat je kwaad bent. Maar ‘weet’ je nog wel waarom je zo kwaad bent als je steeds dezelfde vloekwoorden (te pas en te onpas) gebruikt? Wat je nou echt boos maakt?

Als je specifieker bent met je beledigingen is dat prettiger om over te lezen, omdat het geen eenheidsworst meer is. Maar ook omdat het de situatie verduidelijkt of de context meer kleur geeft. Kijk eens of je wat ‘ouderwetse’ woorden kan gebruiken, of het meer algemene ‘stom, idioot of gemeen’ aan kan passen om de inhoud van je belediging extra context te geven.

Zeg geenmaar scheldt met
vuile sletsmerige afgelikte boterham
gemene zakenmanover het paard getilde geldwolf
stomme hippiezweverige digeridooblazer
idiote aandachtstrekkeraandachtsgeile snoever

Als deze ‘mildere’ vloeken je standaard zijn, komt de intensiteit van ‘f*ck*ng nog tot zijn recht als je personage ontploft met een 10 op de schaal van 1 tot 10, in plaats van een meer gebruikelijke 4, 5 of 6. De juiste regieaanwijzigingen of de acties van je personage die volgen, kunnen er alsnog voor zorgen dat ‘snoever’ als een extreme uitbarsting voelt.
Mocht je personage grofgebekt zijn, kijk dan of je alsnog iets orgineler kan zijn met die heftige scheldwoorden.

Waarom oppervlakkig taalgebruik schadelijk is voor je boek

Ik vat deze voorbeelden gemakshalve samen als ´oppervlakkig taalgebruik´. Het heeft twee grote nadelen. Het eerste hebben we al besproken. Als je taalgebruik in je boek oppervlakkig is, gaat het je boek vroeg of laat aan kleur en sfeer ontbreken. Als alle woorden een algemene indruk achterlaten die je voor iedere situatie kan gebruiken of wanneer alles groot en benadrukt wordt, heb je geen ´grote´ woorden meer over als de situatie je beschrijft echt de spuigaten uitloopt.

Het tweede grote nadeel is dat zulk oppervlakkig taalgebruik al invult. Niet alleen voor de lezer, maar ook voor jou als schrijver. Plak ‘ervaring’ ergens achter en tadaa! Iedereen snapt dat die actie of die gebeurtenis iets speciaals was. Zonder dat je nog de moeite doet om op te schrijven of uit te vinden waarom dat zo is. En dat kan weer gevolg hebben voor de meer algemene uitwerking van je boek. Daarover schrijf ik volgende week.

Foto door Blake Wisz verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik help je graag: kijk eens in mijn webshop.

De sterke scène: zo gaat het mis

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Van fouten leer je, dus gaan we kijken wat een scène vooral niet moet doen. In een woord samengevat: beledigen. Deze week kijken we naar hoe je de lezer in het harnas kan jagen.    

Hoe kan je een boek beledigen? 

Een boek of een verhaal is geen levend wezen, dus in de gebruikelijke definitie kan je het niet beledigen. Maar een verhaal is wel met een reden geschreven. Of dat nu is om te informeren, te vermaken, het is er niet zomaar. En ook degene die het verhaal leest, is niet zomaar iemand: je kiest een doelgroep voor je boek uit. Zodra je de lezer niet serieus neemt, zal die zich beledigd voelen en je boek wegleggen.  

Zo beledig je de lezer

Of het doel van de lezer nu is om vermaakt of geĂŻnformeerd te worden, de lezer besteedt kostbare tijd aan het lezen van je boek. Ongeacht of je lezer met het verstand op nul een heerlijk zwijmelverhaal wil lezen of zich juist wil verdiepen in een van de grotere levensvragen met een literair werk, een lezer moet zich tijdens en na het lezen beloond voelen. 

De beloning kan zijn dat het de lezer is gelukt om zichzelf intellectueel uit te dagen, maar ook door ‘tijd voor mezelf’ eindelijk serieus te nemen en inderdĂĄĂĄd een halfuurtje te lezen zonder afleiding of verplichtingen. Je beledigt de lezer op het moment dat je dat gevoel van belonen omzet in een gevoel van straf. En dat straffen kan je op twee manieren doen. 

Een grote tijdverspilling 

Als je de lezer wil beledigen door het boek als een grote tijdsverspilling te laten voelen, schrijf met een vreselijke schrijfstijl, zoals:

  • Eindeloze koetjes en kalfjes die nergens toe leiden
  • Een stuk tekst dat 1000 woorden heeft, en in 100 woorden geschreven had kunnen worden
  • Met een taalgebruik dat ‘elitair’ overkomt. Het soort schrijfstijl met vijf komma’s in ĂŠĂŠn zin met minstens zes woorden waarvoor een gemiddeld persoon een woordenboek erbij moet pakken. 

Dat mag natuurlijk, maar als je dat alleen maar doet om te zeggen: ‘kijk mij eens uiterst geraffineerd, en eloquent schrijven’, is dat alleen maar irritant. ZekĂŠr als taalgebruik ook nog voor zorgt dat je lezer de rode draad van het verhaal niet eens begrijpt. 

Alles precies voorschotelen

Het tegenovergestelde van elitair schrijven jaagt een lezer ook in het harnas. Als je de lezer wil beledigen, behandel je die alsof die maar drie werkende hersencellen heeft. Vertaald naar schrijftechnieken betekent dat:

  • leg de meest logische dingen eindeloos uit: overdrijf met tell, schrijf een ‘weet-je nog’-achtige zin als je ergens op terugblikt. 
  • Vergeet ook niet de volwassen lezer uit te leggen hoe die zich moet voelen. ‘Natuurlijk voelde Leentje zich heel verdrietig toen oma stierf, want het is verdrietig als er iemand doodgaat.’ Dit wordt nog erger als je sturende woorden als ‘natuurlijk’ ‘uiteraard’ gebruikt. Wees gewaarschuwd: dat doe je sneller dan je misschien denkt. Het ligt er vaak niet zo duimendik bovenop als in dit voorbeeld. 
  • Behandel je verhaalthema niet als iets waar je lezer zelf een filosofie uit kan halen, of als een verkenning van verschillende perspectieven. Bepaal wat je lezer er van moet vinden en hang de moraalridder uit. Dus niet: is de schuld van een scheiding nog steeds volledig de schuld van degene die is vreemdgegaan als de ander al jaren emotioneel en romantisch in de steek gelaten is door de ander? Nee, jij stelt gewoon: iedereen die vreemdgaat is een zielig figuur. 

Daarmee respecteer je niet dat de lezer een vrije wil heeft en zelf na kan denken en conclusies kan trekken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Richard Dykes verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk in mijn webshop voor mijn redactiediensten.

Schrijven voor kinderen: onderschat ze niet

Als je voor kinderen schrijft, gaat je verhaal vanzelfsprekend over dingen die hun leefwereld weerspiegelt. Of je schrijft over een onderwerp waar ze over kunnen fantaseren en dromen. Van het leven tussen eenhoorns of dino’s, tot het worden van een astronaut. Maar afgezien daarvan kun je onder de oppervlakte kinderverhalen gerust wat zwaardere of volwassen thema’s meegeven. Sterker nog: daar krijg je de beste verhalen van, en dat heeft meerdere redenen.

Aanleiding van de blogpost

Heb je als kind Annie M.G Schmidt gelezen? Herinner je ze ook vooral als kinderavonturen waarin de hoofdpersoon met dieren kunnen praten? En dan besef je als volwasene dat er heel volwassen en ingewikkelde thema’s in verwerkt zitten. Zo kwam ik dit videoessay tegen waarin ‘Otje’ filofosisch/ thematisch wordt bekeken door een volwassene. En dan blijkt Otje, voor kinderen van een jaar of acht over bureaucratie te gaan.
Als kind had ik dat uiteraard geen idee van. En toch was Otje erg leuk om te lezen. Hoezo niet? Omdat Annie M.G. Schmidt kinderen als lezers serieus neemt. Ik houd een geparafraseerd citaat aan uit ‘de kleine prins’ van Antoine de Saint ExupĂŠry om drie misverstanden onder de aandacht te brengen. Dat moet duidelijk maken: neem kinderen alsjeblieft serieus als je kinderboeken schrijft!

‘Kinderen moeten het de domme volwassenen maar niet kwalijk nemen. Zo zijn ze nu eenmaal. Kinderen moeten veel geduld hebben met grote mensen.’

Kun je je voorstellen – of weet je nog- hoe vervelend het is als je als kind continu wordt verteld dat je als kind iets nog niet snapt, of het fout hebt, allĂŠĂŠn omdat je een kind bent? Draai een aantal van die argument eens en je kan er schrijftips uit halen voor kinderboeken

‘Daar ben je nog te klein voor’

Natuurlijk moet je kinderen van een aantal onderwerpen weghouden. Expliciete seks- of horrorscènes vragen om problemen of nachtmerries. Maar kinderen zijn emtioneel heel intuïtief. Ze kunnen dan misschien hun emoties nog niet benoemen of reguleren zoals volwassenen, maar dat wil niet zeggen dat ze niet emoties niet voelen.
Kinderen zĂ­jn bekend met verdriet, blijdschap woede, jaloezie, verwarring, hebzucht, liefde, trots, nieuwsgierigheid… Het uit zich alleen in minder complexe dingen.
Een volwassene wordt jaloers op de dikke auto van de buurman, een kind op de aandacht die de ouders voor het jongere broertje hebben. Een volwassene maakt zich zorgen om niet betaalde rekeningen, een kind of het morgen wel buiten kan spelen als regent.
Dus je mag, zo niet moet in je verhaal ook die diversiteit aan emoties in je boek aanboren. Misschien niet met een handvol, dat kan te veel zijn om te behappen. Maar denk niet dat de emotionele beleving van een kinderboek beperkt moet blijven tot blijdschap, verdriet of ets als zorgen en jaloezie te ingewikkeld is voor een kind. Zeker niet als het de leeftijd van prentenboeken is ontgroeid en het toe is aan de eerste leesboekjes.
Kinderen die taal begrijpen zijn niet te klein voor emotionele beleving in een verhaal.

‘Dat snap je nog niet’

Terug naar ‘Otje’, dat gaat over bureaucratie. En dat snapt een kind van 7 niet, dus dat kan geen thema van het boek zijn. Maar wat Otje, en dus ook lezers van haar leeftijd wĂŠl snappen:
– Is dat je zonder papieren in de problemen komt
– Dat als je iets doet wat niet mag, je op een vervelende manier met de wet te maken krijgt
– Als je situatie verandert, jouw routine of prioriteiten ook veranderen

En dat kan je vervolgens vertalen naar allerlei dingen die een kind tegenkomt in de eigen beleefwereld. Doe het net iets slimmer en gebruik wat een kind ĂŠcht niet snapt, in je voordeel. Annie M.G. Schmidt doet dat uitstekend.
‘Zonder papieren kun je niet leven.’ Een kind begrijpt niet dat dat zaken als diploma’s, paspoorten of contracten betreft. ‘Papieren’ wordt dan letterlijk: Otjes vogelvriendjes gaan papieren voor haar en Tos zoeken en komen terug met wc-rollen, treinkaartjes, bladmuziek en schoolrapporten.

Anders gezegd: in dit geval wordt het ingewikkelde thema van bureaucratie gesymboliseerd door papieren (lees: officiĂŤle documenten). Maar die nuance van documenten naar papieren is snel om te zetten. En dan krijg je iets wat een kind wel kan bevatten. Dan maar zoeken naar A4’tjes, enveloppen en post-its. Het geeft het boek wel een duidelijk centraal conflict, met een bijbehorende spanningsboog: zijn de papieren die worden gevonden de juiste? Zo niet, hoe komen ze daar dan aan? Verder zoeken, iets geregelen, iemand iets vragen? De ‘hoe-vraag blijft daarmee open: een uitstekende manier om het verhaal

‘Je bent nog maar een kind’

Het uitgangspunt van ‘je bent nog maar een kind’ is erg link. Je moet wel degelijk bedenken of het kind de inhoud van je boek wel aankan. Je kan een kleuter beter vertellen over de ooievaar voor je over seks begint. Maar als je dat uitgangspunt te serieus neemt, dan neem je het kind niet serieus. Om een overdreven voorbeeld te geven: dan zou je een tienjarige nog naar een babypgramma laten kijken.

Als je wil weten of je tekst geschikt is voor de leeftijdsgroep van je kind, kijk dan niet naar je verhaalthema of je inhoudelijke verhaal. We zagen bij ‘Otje’ al dat dat geen goede vuistregel is. Want de uitwerking van dat thema bepaalt of een kind het bij kan houden.
In plaats daarvan kijk je naar de mijlpalen van kinderen in hun psychologische ontwikkeling. Als je die weet, begrijp je ook wat je kan verwachten van een kind als het gaat om empathie en inlevingsvermogen, zoals je ook bij boeken voor volwassenen empathie voor je personage hoort te kweken.
Bijvoorbeeld: kinderen van een jaar of twee herkennen verdriet bij een ander wel, maar kunnen zich nog niet in een ander verplaatsen. Een kind van twee moet je dus uitleggen dat en waarom een personage verdrietig is, terwijl een kleuter dat al begrijpt.
Stem je boek af op de beleefwereld van kinderen en behandel ze als volwaardige lezers en je kan met een kinderverhaal heel veel kanten op.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van een kinderboek? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Foto door Catherine Hammond verkregen via Unsplash.

De sterke scène: de goede scèneovergang

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je vlot van de ene scène naar de andere schrijft.  

Een scène geeft een reset

Een scène heeft een heel duidelijk begin, midden en een eind en een eigen boodschap. Dat betekent dus dat de scène die volgt, ook opnieuw moet beginnen met iets anders. Later lees je daar meer over. Je kan een nieuwe scène dus als een reset beschouwen. Dat zorgt er niet alleen voor dat je huidige scène een goede afronding krijgt, het geeft de volgende ook een fijne start. 

Het conflict bepalen

Iedere scène heeft een conflict nodig om de spanningsboog te behouden. De lengte van de scène en het conflict gaan daarbij hand in hand. Als je een scène hebt van meerdere pagina’s, kun je de plotopbouw redelijk uitgebreid omschrijven. Dat lukt niet met een scène van enkele zinnen; daarbij moet het conflict vrijwel onmiddellijk duidelijk worden. 

Vaak weet je wat het conflict is voor je precies weet wat je in een scène wil verwerken. Doe daar je voordeel mee en zorg ervoor dat het conflict en de lengte van een scène op elkaar zijn afgestemd. Weet hoeveel woorden  je nodig hebt om het conflict goed tot zijn recht te laten komen. 

Humeur, toon en vaart

Je start een nieuwe scène en hebt het conflict bepaald. Kijk nu wat jouw nieuwe scène nodig heeft om zich van de vorige scène te onderscheiden. Daarvoor kijk je naar het humeur van de held, de toon van de scène en het algemene verteltempo. Wat past er bij het conflict dat je zonet hebt bepaald? 
Als de vorige scène langzaam eindigde met een geschokte held, omdat die hoorde dat een familielid was opgelicht, kan het tempo van de tekst in de volgende een stuk omhoog, omdat de held door woede wordt gedreven. 

Als je scènes op deze manier duidelijk van elkaar kan onderscheiden, heeft dat nog een voordeel. Je loopt minder risico dat de spanning uit het algehele plot verdwijnt als je regelmatig kan wisselen van emotionele toon en vaart. Maar overdrijf niet, anders kan je verhaal onstabiel aan gaan voelen. 

De beleving van de held 

Als de scène flink verandert, gaat de held daar iets van opmerken en van vinden. De ene keer is dat subtiel, de andere keer is het overduidelijk. Maar je volgende scène start sterk als je de beleving van de held over de nieuwe situatie in de beschrijving van de nieuwe scène mee kan nemen. 

In het voorbeeld van het familielid dat is opgelicht, voelt dat als een conflict voor de held. Dat is een emotie, in dit geval woede of verontwaardiging. Als je daar nog een actie aan koppelt, kan je dat combineren met een mogelijke uitkomst van het conflict. Of,  anders gezegd: de actie die aanzet tot het verdere conflictverloop. Schrijf dus hoe je held kwaad achter de computer gaat zitten om een wraakplan uit te schrijven. Dan combineer je een actie met een emotie waar de rest van de scène verder op in kan gaan. 

Waar en wanneer voor de stevigste basis

Om deze eerste zin(nen) van een nieuwe scène nog levendiger te maken, schrijf je ook nog waar en wanneer die eerste actie plaatsvindt. Het geeft ongeveer hetzelfde effect als de welbekende ‘Er was eens, lang geleden in een land hier ver vandaan…’ bij sprookjes. Je weet meteen over het wie, wat en waar, zodat het verhaal meteen sterk kan beginnen. Vergeet dus ook in de nieuwe scène de waar en wanneer uit te schrijven voor een nog betere start. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Aleksandr Barsukov verkregen via Unsplash.

De sterke scène: oefenen met perspectieven

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar hoe je het meest uit de scène haalt door met perspectieven te oefenen. 

Het perspectief van personages 

In een boek kan je vanuit meerdere perspectieven schrijven. Daarmee kan je het verhaal laten voortduren en verschillende kanten van het verhaal belichten. Voor een losse scène is wisselen van perspectief in het boek minder geschikt. Maar je kan eenzelfde scène wel twee keer opschrijven, iedere keer vanuit een ander perspectief. Het is een handige manier om je verhaal beter te leren kennen en een scène spannender te maken. OĂłk als je het verhaal vanuit ĂŠĂŠn perspectief schrijft. 

Wanneer kan je deze oefening gebruiken?

Als je het gevoel hebt dat je plot stokt of als er veel op het spel staat, is het slim om vanuit het gezichtspunt van een personage naar het verhaal te kijken. Jij wil als schrijver dat het verhaal mooi leest, maar daar zijn personages niet mee bezig. Die willen hun droom verwezenlijken of hun grootste angst overwinnen. Dit verschil in prioriteiten zorgt voor andere uitwerkingen van de tekst. 

Meerdere personages aan het roer

Personages kijken met een unieke blik naar de wereld. En omdat ze ook ieder een eigen heldenreis hebben, willen ze bijna nooit hetzelfde bereiken als een ander personage. Zelfs als het een Romeo en Julia betreft. Ze willen wel met elkaar eindigen, maar beide zijn op een andere manier opgevoed, of vinden de ene waarde net iets belangrijker dan ander, waardoor ze andere beslissen maken. 

Geen goede scène zonder ruzie. Een narratieve ruzie, welteverstaan. Er hoeven heus geen vazen te sneuvelen, maar een scène zonder enige wrijving zal je bij het reviseren vaak naar de prullenbak verwijzen. Dat gegeven en het feit dat je als schrijver ook iets anders wil dan personages, kan je gebruiken om een middelmatige scène stukken interessanter te maken. 

Voorbeeld: eten bij de schoonouders

Het is een belangrijke dag voor onze Romeo: hij gaat voor het eerst bij zijn schoonouders eten. Hij heeft ze al kort ontmoet en de eerste kennismaking verliep prima. Hij hoeft dus niet op eieren te lopen, maar een hele avond met de schoonfamilie doorbrengen vindt hij toch nog spannend. Julia daarentegen is letterlijk en figuurlijk thuis bij haar ouders. Ze weet dat Romeo door de eerdere, fijne ontmoeting niet door haar ouders zal worden afgeschoten, dus zij kan gevoelsmatig achteroverleunen. 
Jij als schrijver wil in deze scène vooral spanning scheppen. Dan lijkt het perspectief van Romeo voldoende, maar omdat Julia zo op haar gemak is, komt dat weer in een bepaald evenwicht. Jouw meer algemene perspectief helpt je dus niet veel verder. En daarom schrijf je in je opschrijfboekje de scènes uit van zowel Romeo als Julia. 
De spanning van Romeo spreekt voor zich. Maar Julia heeft ook iets spannends, zo blijkt. Julia heeft met Romeo over haar toekomstige studieplannen gesproken. Haar ouders weten daar nog niets van en dat wil ze zo houden. Maar dat heeft ze Romeo niet verteld. 

(Wil je achter dit soort ‘geheimen’ komen, bestudeer de personagebiografie van je helden dan nog eens. Daar staat tussen de regels door vaak veel bruikbaars in.) 

Met deze perspectieven kan de scène op meerdere manieren worden ingevuld. Bijvoorbeeld: 

  • Romeo wil om zijn zenuwen te verbergen het enthousiast hebben over de studie van Julia. Het wordt ongemakkelijk als Julia Romeo plotseling afkapt. 
  • Julia wil Romeo vóór zijn in de mogelijke blunder en is daardoor continu aan het woord. Dat is niet bepaald handig als Romeo zijn goede indruk wil verankeren…

Speel met perspectieven en je leert meer dan je denkt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door by Paul Skorupskas verkregen via Unsplash.

Wil je hulp bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Zo versterk je de rode draad van een verhaal

Een centraal conflict beschrijf je als datgene waar de held naartoe moet groeien. Bekijk datzelfde principe meer vanuit de algemene verhaallijn en het biedt een manier om het plot en je scènes te verrijken.

Een blik op het centrale conflict

Het centrale conflict bepaalt het groeiproces van de held. Dat kan je vormgeven door naar de drieaktenstructuur te kijken. Waar komen te tegenslagen? Hoeveel is de held al gegroeid? Daar krijg je een verhaal zonder problemen mee ingevuld, in een prettig tempo. Maar daardoor is het soms lastiger om je verhaal te zien als groter geheel. Subplots zijn moeilijk op te merken, of je vergeet de verhaalthema’s uit te werken, omdat je meer bezig ben met de actie-reactieregel en hoe die alles in gang zet. Anders gezegd: je kan te veel met relatieve details bezig zijn.
Een voorbeeld hiervan is in grote lijnen omschrijven hoe de romance tussen Romeo en Julia tot stand komt en afloopt.

De rode draad als duidelijk gegeven

Als iemand je vraagt wat het centrale conflict is en je dat niet tekort wil doen, ben je vaak enkele zinnen aan omschrijving zoet. Er zijn nu eenmaal meerdere akten en conflicten waarbij je ook nog eens in de beleving van je held duikt. Als je uitgaat van de rode draad kan je veel kort en krachtiger zijn. Dat omschrijf je als een hoofdthema van je verhaal en daaraan voeg je in enkele woorden of een aantal zeer korte zinnen aan toe hoe dat zich uit tot een lopend verhaal. Vertel je over de rode draad van het verhaal van Romeo en Julia, dan krijg je iets als: een relatie willen beginnen die wordt tegengewerkt.

De rode draad als centraal conflict voor het verhaal

Je kan de rode draad zien als het hoofdthema van het verhaal. Bovendien is het ook het uitgangspunt waaraan alle subplots hun bestaansrecht ontleden. Sluit het subplot niet aan bij het hoofdthema, dan heeft het geen plaats in het verhaal. Maar een subplot moet wel een eigen thema hebben dat niet hetzelfde is als dat van de rode draad. Dat zit zo: subplots vertellen kleine verhalen op zichzelf. En die moeten ook uniek aanvoelen. Een verhaal wordt doodsaai als het alleen maar over verliefde stelletjes gaat. De moeder die haar kind niet kan zien geeft dan een verfrissende en unieke draai aan het hoofddthema. Verderop in de blogpost volgt een uitwerking van dit voorbeeld.
De afzonderlijke subplots moeten ervoor zorgen dat zij gezamelijk de rode draad versterken. Juist door er op verschillende manieren naar te kijken of door te laten zien hoe de rode draad een conflict vormt. Niet voor de held, maar voor de meer algemene verhaallijn. Zoom als het ware uit. Kijk niet naar de persoonlijke heldengroei, maar meer naar het verhaal en wat dat als uitgangspunt of moraal mee wil geven. Of waar de held in enkele woorden (!) mee worstelt, dus zonder alle pieken en dalen die de heldenreis met zich meebrengt.

De rode draad die alles aan elkaar rijgt

Spreekwoordelijk gezien is de rode draad datgene wat door het hele verhaal terugkomt of te zien is. Dat klopt, maar als je het idee eraan toevoegt dat de rode draad ook zaken aan elkaar kan rijgen die anders los van elkaar (zouden) staan, kan je je verhaal daar heel veel mee verrijken. Zeker als het gaat om subplots. Als je de rode draad in een bepaalde mate of op een bepaalde manier in een subplot laat terugkomen, voelen ze niet zozeer als een plot dat er ook nog bijkomt, maar als een deel van het verhaal dat er logisch op aansluit.

Het plot dat erbij komt is zoiets als: het gaat hier over een verliefd stel, dus de rode draad is liefde. Dus in een subplot worden ook nog andere personages verliefd. Met die insteek werk je eerder het clichĂŠ geforceerde koppel in de hand.
Een subplot dat aansluit op de rode draad is zoiets als: Romeo en Julia worstelen met een liefde die onmogelijk wordt gemaakt. Dus in het subplot komt er een moeder voor die door allerlei omstandigheden haar kind zelden tot nooit kan zien. Merk hierbij een paar dingen op:
* Je moet de rode draad dus niet ĂŠĂŠn op een kopiĂŤren in een subplot. Je moet eerder kijken hoe je het thema dat de grondslag is voor de rode draad breder kan interpreteren.
* Als je het thema van de rode draad wat ruimer bekijkt, geeft dat meer mogelijkheden om de rode draad natuurlijker in het verhaal te verwerken. Dan ligt het er niet meer duimenndik bovenop en voorkom je ook clichĂŠs, zoals dat extra koppel.

Schrijf je subplots op

Om ervoor te zorgen dat je subplots aansluiten bij het hoofdplot, schrijf je ze eerst op. Probeer deze subplots te labelen met een bepaalde categorie. Denk aan:
– Het romantische subplot, waarin de superheld een oogje krijgt op een mooie vrouw
– Het financiĂŤle subplot, waarin de loterijwinnaar bedenkt wat die met de nieuwe rijkdom gaat doen. Of juist hoe je arme hoofdpersoon de eindjes aan elkaar knoopt.
– Het wraakverhaal, waarin je held nog een appeltje te schillen heeft met een oude vijand.

Zo zorg je ervoor dat de subplots hun eigen toon en verhaal behouden en niet dertien in een dozijn worden.

Verbind de subplots aan de rode draad

Kijk vervolgens of de subplots aansluiten bij het verhaalthema van de rode draad. In eerste instantie kan dat moeilijk lijken. Maar als je de juiste rode draad hebt gevonden, zou dat redelijk intuitief moeten gaan. Is dat niet zo, dan heb je meteen een aanwijzing dat je subplot waarschijnlijk niet bij de rode draad en daarbij ook niet bij het verhaal past.

Bovenstaansee subplots zouden allemaal kunnen passen bij ‘je plaats vinden in de wereld’, zodra je dat een beetje uitwerkt. ‘Omgaan met rouw’ werkt dan niet. Daarvoor zou het romantische subplot moeten wijken. Het wraakverhaal zou nog kunnen: je moet rouwen om het feit dat een vriend een vijand is geworden.

Heb je hulp nodig bij het schijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door Immo Wegmann verkregen via Unsplash.

De belangrijkste verschillen tussen een scène en een hoofdstuk

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je over enkele belangrijke verschillen tussen scènes en een hoofdstuk.  

Een hoofdstuk strak samenvatten is lastig

Als er een belangrijk verschil is tussen een scène en een hoofdstuk, is het dat een scène veel strakker is in opbouw dan een hoofdstuk. Een scène is een verhaal in het klein. Je kan een hoofdstuk ook samenvatten als een kort verhaal. Maar waar je bij een scène nog kan zeggen: dit is het ene punt waar het om draait, is dat bij een hoofdstuk lastiger, zonder de diepgaandere nuances van een of meerdere scènes te verliezen. 

Een hoofdstuk dat uit meerdere scènes bestaat, zal je dus eerder samenvatten als ‘en toen, en toen’ of ‘maar in dit hoofdstuk lees je ook dat…’ Een scène kan je veel krachtiger samenvatten, omdat die op zichzelf een krachtige boodschap uit moet dragen. 

Een hoofdstuk geeft meer creatieve vrijheid

Er zijn hoofdstukken die eindeloos voortduren en soms zijn ze enkele zinnen lang. Ook komen in sommige hoofdstukken meerdere personages aan het woord. Soms moet een hoofdstuk vooral spanning creÍren, andere keren moet het een nieuw verhaalelement introduceren. 

Anders gezegd: een hoofdstuk houdt zich niet per definitie aan een schema of een vast doel. Daardoor geeft een hoofdstuk je veel meer creatieve vrijheid dan een scène. Want die moeten aan bepaalde voorwaarden of structuren voldoen, willen ze niet rommelig worden.  

Restricties van een hoofdstuk: de drieactenstructuur

Je kan opmerken dat er meerdere afzonderlijke elementen of scènes in een hoofdstuk zitten die zes hoofdstukken verderop minstens net zo goed in het verhaal passen. Zo kan het een gevecht in hoofdstuk 5 plaatsvinden, maar met enkele aanpassingen misschien ook minstens net zo goed in hoofdstuk 14. Dat is niet erg. Je kan een hoofdstuk dan nog altijd aanpassen, opsplitsen of verschuiven.

Tel daarbij op dat hoofdstukken zo van opzet, lengte en inhoud kunnen verschillen en het lijkt alsof je er eindeloos mee kan spelen. Maar dat is niet zo. Om te controleren of een hoofdstuk wel een of de juiste plaats heeft in je boek, kan je de drie-actenstructuur gebruiken. Daarin lees je de opbouw van een goed vormgegeven boek. Hoe kort, lang, abstract of concreet je hoofdstuk ook is, je moet het zonder al te veel moeite een plek kunnen geven in dit schema en ook kunnen aangeven waarom het juist daar past.

Bijvoorbeeld:

  • Dit hoofdstuk past in de tweede clue, omdat hierin opnieuw een obstakel wordt overwonnen. 
  • Dit hoofdstuk gaat over een obstakel, en de lezer heeft nog maar net kennisgemaakt met de held. Dus dit past in het eerste of het tweede obstakel. 

Het is niet zo dat een hoofdstuk een-op-een samenvalt met een van deze punten uit het schema, de zogenoemde beats. Een beat kan ook uit meerdere hoofdstukken bestaan. Maar een hoofdstuk omvat zelden meerdere beats. Daarom kan je beats gebruiken om te controleren of je hoofdstuk niet te lang doorgaat. Als het tempo of de toon van het verhaal verandert, geeft dat vaak een nieuwe beat aan. Het is dan meestal ook een mooi moment om een hoofdstuk af te sluiten. 

De enige uitzondering hierop zijn de wrap-up en het einde. Die vormen samen vaak de laatste alinea’s van het boek en zijn een heel mooi setje voor het laatste hoofdstuk. Het vierde obstakel past daar vaak ook nog goed bij. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Ryan Graybill on Unsplash

Schrijfoefening: de ouderwetse proeflezer

Met onze moderne voorzieningen is het mogelijk om continu mensen te bellen en te schrijven. Als je dus met iemand over je boek wil sparren, kan dat in een oogwenk. Maar met deze schrijfoefening gaan we terug in de tijd. Zodat je goed na moet denken wat je opschrijft om je sparringspartner over je boek te informeren. Hopelijk helpt deze oefening een balans te vinden tussen laten rusten en doorschrijven, sparren en op je eigen werk vertrouwen en de kern van je schrijfsels voor jezelf of anderen te vangen.

Schrijven in de jaren dertig

We schrijven in de jaren dertig. Er wordt twee keer per dag post bezorgd. In theorie kan je je sparpartner dus aan het begin van de dag een nieuw hoofdstuk opsturen en later een P.S. meesturen.

Maar je moet wel bedenken:
– Je moest alles schrijven: de luxe van een typmachine had je niet. Samen met het posten kost dat flink wat tijd.
– Postzegels kosten geld en dat kan gaan optellen.
– En gewoon om onze schrijfoefening intessanter te maken, wordt de postbode nieuwsgieriger dan je lief is als je iedere paar dagen een envelop verstuurd die zo zwaar is dat er een figuurlijke roman in kan zitten. Dat dat letterlijk is, hoeft de postbode nog niet te weten. 😉

Kort en bondig sparren

Jij en je sparringspartner, die we Neeltje noemen, ontmoeten elkaar eens per maand om echt over het boek bij te praten. Je hoeft dus niet alles van je nieuw geschreven deel uit te werken of uit te leggen. Van de grote lijnen is Neeltje op de hoogte.

Maar je wil wel eens in de zoveel tijd weten of alles nog loopt en interessant is. En omdat je alles met een pen uit moet schrijven, bedenk je je wel twee keer voordat je een vraag stelt of een hoofdstuk scène uitschrijft. Wat wil je nu ĂŠcht aan Neeltje vragen of laten lezen en wat kan wel wachten tot de volgende maand? Tegelijkertijd heb je de ‘luxe’ dat je je eens per dag kan bedenken, omdat de post tweemaal daags wordt bezorgd. Je mag dus fouten maken. Maar tegelijkertijd ga je niet op de letterlijke komma’s letten. Dat komt wel als je bij de laatste versie van je boek bent aanbeland.

Het is belangrijk om te onthouden dat een gemiddelde proeflezer schrijftechnieken en regels kent. Een hoofdstuk is daar een mooi voorbeeld van. Een hoofdstuk is (in vergelijking met een scène) lastig samen te vatten en ook best losjes. Scènes hebben veel meer regels en structuur. Maar een poeflezer zal zowel een scène als een hoofdstuk in een enkele zin kunnen samenvatten: hier raakt Tommy verdwaald.
Maar wat het verhaal daarmee wil zeggen, wat betreft de spanningsboog, Tommy’s karakter, daar denken ze niet over na, tenzij je er uitleg over geeft of er heel specifiek naar vraagt.

Met deze zaken in het achterhoofd: hoe haal je het meest uit jouw boek met de hulp van Neeltje? Hier volgen enkele handvaten.

Hoofdstukken en scènes

Voor een leek zijn hoofdstukken en scènes ongeveer hetzelfde: er gebeurt iets wat je moet onthouden, zodat het verhaal verder kan.
– Als ik [deze] zinnen verander of weglaat, gaat het hoofdstuk volgens jou dan nog over hetzelfde?
– Ik wil het woordenaaantal inkorten. Kunnen [deze] zinnen weg, of toch liever [deze]?
– Ik wil dat de lezer aanvoelt dat [deze] zinnen de kern van de scène vormen. Komt dat ook zo over?

Houd omwille van de nieuwsgierige postbode de regel aan dat je samenvatting per vraag niet meer dan vier zinnen bevat.

Personage en personagegroei

– Vind je het passend bij zijn karakter dat Peter hier/ nu al boos naar zijn baas stapt?
– Zoals je weet is Margot de heldin. Zie je haar nog steeds in die rol na dit hoofdstuk?
– Snap je waarom Ibrahim op dit moment van het verhaal om hulp vraagt?

Dialogen

– Snap je waarom de personages ruzie maken of wat ze willen bereiken met wat ze bespreken? Sta je aan een bepaalde kant?
– Duurt het gesprek niet te lang?
– Wat zou dit gesprek mog meer duidelijk moeten maken?

Spanningsboog

– [Deze zinnen] moeten je op het van je stoel laten zitten. Lukt dat?
– Haal je uit [deze zinnen] dat dit een keerpunt/ moment supĂŞme is?
– In [deze zinnen] gooit Felix het roer om. Is het duidelijk genoeg dat hij hier een aha-moment heeft?
– [ Deze zinnen] zijn bedoeld als adempauze. Krijg je die ook? Heb je die op dit moment ook nodig?

Plotverloop

– [deze zinnen] vormen een keerpunt in het plot. Zie je dat?
– Heb je nog iets om nieuwsgierig naar te zijn? Dat probeer ik met [deze zinnen] te bereiken

Plottwists

– [deze zinnen] zijn belangrijk. Kan je me vertellen waarom?
– voegen deze onthullingen iets toe aan het verhaal voor je?
– [ deze zinnen] zijn een hint. Kun je raden waarnaar
– Heb je een idee waarom Peter zich in [ deze zinnen] plotseling anders gaat gedragen?

Tenzij Neeltje zelf wat meer belezen is en van schrijftechnieken weet, zijn dit de onderwerpen wahaar kan bevragen. Anders wordt het te technisch. Maar nog afgezien daarvan: probeer met een proeflezer of bij het reviseren ook niet meer van jezelf te vragen dan de vragen die je Neeltje schrijft.
Weet je nog, je moet ze met een pen voor Neeltje opschrijven. Denk dus goed over je vragen na. En dan ga je eens per maand uitgebreid (al dan niet met een proeflezer) wat je tot nu toe hebt geschreven.
Dan waak je er ook voor dat het reviseren te snel gaat: je moet ook zeker weten dat je het boek schrijft dat je voor ogen hebt, en het niet klakkeloos aanpast naar de wil van een enkele proeflezer. Of binnen een maand een boek hebt geschreven: alleen Neeltje mag nieuwsgierig zijn, niet de postbode.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan de rol van Neeltje overndemen, maar dan uitgebreider op professioneel niveau. 🙂 Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Aksel Fristrup verkregen via Unsplash.

Wanneer is een gat in het plot onvergeeflijk?

Gaten in het plot moet je zoveel mogelijk voorkomen. Maar dat kan niet altijd. Eindeloos reviseren of herlezen voorkomen contiuĂŻteitsfoutjes niet volledig. Welke gaten in het plot zijn niet zo erg en welke kunnen je hele verhaal laten wankelen, of ongeloofwaardig of geforceerd laten lijken?

Wie heeft die deur ineens opengedaan?

Het bekendste en makkelijke voorbeeld van een gat in het plot is de gesloten deur. De deur zit pottdicht, de sleutel is weg en twee alinea’s later stapt je held zonder problemen de deur uit. Die fout lijkt makkelijk op te sporen, maar dat valt tegen. Haal er een detail als een gesloten deur er maar eens uit tussen alle ruzies, sprekende sfeeromschrijvingen en mogelijke puzzelstukjes van een plottwist. Ook al is de schrijver het grote brein achter het verhaal, tenzij die volgens Chekhov’s gun schrijft, herinnert die zich zelden iedere zin, detail en samenhang.

Waarmee valt of staat (de geloofwaardigheid van) je boek?

Je moet er dus vrede mee hebben dat je de spreekwoordelijke strijdbijlop een bepaald moment moet begraven in de strijd tegen gaten in het plot. Maar met diezelfde bijl moet je toch nog een laatste keer een flinke klap kunnen uitdelen. Daar waar gaten in het plot opgemerkt kunnen worden, moeten ze weg. Maar je hoeft niet elke zin van je boek onder een microscoop te leggen in de hoop zo’n fout op te merken. Je moet alleen weten wanneer het verhaal compleet anders zou verlopen of het niet langer meer logisch is als er iets zou veranderen.

Daarvoor schrijf je de belangrijkste gebeurtenissen uit je verhaal op. Niet om te controleren of je die allemaal wel hebt meegenomen, want dat is vast en zeker het geval. Zou je echt vergeten dat de boerenknecht zonder wapen eerst een zwaard moet vinden, voordat hij op pad gaat om de draak te verslaan? Vast niet: dat soort zaken zijn vaak complete beats van de drieaktenstructuur. Mist daar iets, dan merk je bij een revisie wel dat er iets rammelt. Maar schrijf die beats en kleinere belangrijke punten in je verhaal wel allemaal op. Die vormen de basis voor het belangrijke speurwerk dat je gaat doen.

Wat vormt de kern van de beat?

Om de grootste potentiĂŤle gaten in het plot op te merken, kijk je naar wat de kern van een beat vormt en wat ervoor nodig is om die beat tot zijn recht te laten komen. Neem de boerenknecht die een zwaard moet vinden. Met alleen een wapen oprapen kom je niet ver in een gevecht tegen de draak. Je zal ermee moeten leren omgaan. Dus volgt er een trainingskamp. En daar komt de ridder zichzelf tegen. Hij heeft nog geen goede conditie, is bang aangelegd, of vindt zichzelf een beetje te goed: “nu ik uitverkorene ben om de draak te verslaan, word ik door iedereen aanbeden. Alles komt me aanwaaien, dus ik hoef voor het trainen ook nog maar weinig moeite te doen.”
Om gaten in het plot te herkennen, kijk je dus niet naar het meer brede ‘de training met het zwaard’, maar wat die training nu precies de narratieve waarde geeft. In dit geval is dat een groeiproces. En hoe moet de boerenknecht groeien?
* fittter worden
* angst overwinnen
* nederigheid leren

Die zaken geven de beat waarde. Vergeet je dus iets of ga je sleutelen aan datgene wat aan die onderliggende boodschap bijdraagt, dan krijgt je een gat in je plot dat ook daadwerkelijk storend is, niet alleen onhandig, zoals de plotseling niet langer gesloten deur.

Voorbeeld van een raar gat in het plot

In ‘Harry Potter en de relieken van de dood’ zijn Harry en zijn beste vrienden Ron en Hermelien ondergedoken. Een gevolg daarvan is dat ze vaak honger hebben, omdat ze geen eten kunnen vinden. Maar op een zekere dag komen ze andere personages tegen die net als Harry en co kunnen toveren. Deze reigers vissen met een toverspreuk zonder moeite zalm uit de rivier. Van geroosterde zalm verhonger je niet…

Dit zou een voorbeeld van een ‘gesloten deur’ kunnen zijn. Maar het is dat niet omdat:
* De honger ervoor zorgt dat Ron steeds chargrijniger wordt…
* … waardoor Ron vatbaarder is voor onredelijkheid…
*… die hem uiteindelijk laat weglopen…
*… waardoor later essentiĂŤle latere plotpunten kunnen plaatsvinden

Noem het Deus ex machina of een gat in het plot. Feit blijft: in een boek waar mensen kunnen tĂłveren, wordt een toverspreuk vergeten. Dat zorgt voor langdurige en onnodige ruzies en narratieve conflicten. Veel fans vinden de ruzie waardoor Ron wegloopt erg geforceerd. Daar zijn verschillende oorzaken voor, maar schrijftechnisch gezien is deze daar zeker een van.

Hoe had dit gat in het plot opgespoord kunnen worden volgens het eerder gegeven stappenplan opgemerkt kunnen worden?

De kern van de beat/ het ‘verhaal van de ruzie’ is : ondergedoken zijn moet geen pretje lijken. De ruzie van Harry en Ron mag dit nĂ­et zijn. In ons eerdere voorbeeld zou dat hetzelfde zijn als zeggen: de boerenknecht heeft een zwaard nodig.

Ondergedoken zijn is dus het probleem. In het verhaal geeft dat de problemen:
* De missie waarop Harry en co zijn, voelt uitzichtloos
* Ze weten niet wat er in de buitenwereld gebeurt
* Ze snakken naar contact met anderen

Dat is ook waar Ron uiteindelijk op breekt, maar de nadruk wordt daarbij gelegd op het feit dat hij slecht met honger om kan gaan. Er wordt letterlijk geschreven dat Ron op zijn slechtst is als hij nauwelijks heeft gegeten. NĂ­et als hij zijn familie mist. En dat vormt nu precies de kern van deze beat. Het is een probleem dat in tegenstelling tot de honger, niet zomaar op te lossen is. Want duik je niet meer onder, dan vlucht je niet langer. Dan stort dat deel van het verhaal in. Eten of geen eten: onderduiken blijft nodig en sociaal isolerend, dus vervelend. De kern van deze beat blijft dan intact.

Fiks de gaten in de plot die de kern van een beat wankel maken. Eventuele kleine gaten in je plot worden je dan wel vergeven.

Heb je hulp nodig met het schrijven van je boek? Ik help graag. Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Francisco De Legarreta C. verkregen via Unsplash.

De sterke scène: spanningsboog en emotionele beleving combineren

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je het best in kan gaan op de emoties van je hoofdpersoon tijdens een moment dat in beweging moet blijven.  

Schreeuw het niet van de daken

Je kent het clichébeeld vast wel: een mentor sterft in de armen van de held en die werpt zijn nek dramatisch naar achteren: “NEEEEEE!” Bijna iedereen rolt bij dit cliché met de ogen, omdat het zo overdreven is. Maar niet alleen daarom. Het neemt de spanning van het moment of de actie van het voortdurende verhaal weg. En dat is funest voor een goed verloop van je scène. Een heftige emotionele scène mag soms wat gewicht hebben. Maar hij slaagt vrijwel nooit als je de emoties van de daken schreeuwt.

Waarom mag een emotie nooit te groot zijn voor een scèneverloop?

Emoties en een scèneverloop verschillen qua schrijfdoel als dag en nacht van elkaar. Een scène wil het verhaal vertellen en daarmee doorgaan. Als verhaal in het klein wil een scène je iets duidelijk maken, een nieuwe scène zal weer het volgende bekendmaken en zo verder. Een scène wil dus altijd dóór. Wil je aandacht schenken aan een emotie, dan moet je daar letterlijk en figuurlijk bij stilstaan. Daarmee komt het verhaal even op de pauzestand.
Overdreven veel aandacht aan een emotie besteden of die erg uitvergroten zorgt ervoor dat je de aandacht vestigt op iets dat stilstaat. Terwijl een verhaal en een scène altijd een zekere mate van beweging in zich moeten hebben. Geef je te veel aandacht aan een (grote) emotionele beleving, dan gaat dat dus ten koste van de spanningsboog. De actie van het moment kan immers niet verder.

Schrijven met grote emoties in een scène

Natuurlijk hebben heftige emoties zo nu en dan wel degelijk hun plaats in een scène. ‘Heftige emoties´ kan je onderverdelen in exploderend en imploderend.
Denk bij exploderend aan iets als:
“Ik vermoord hem!” riep hij en hij stormde met zijn zwaard op de kille vijand af.
Deze emotionele beleving piekt meteen en gaat ook regelrecht de actie in. Om de heftigheid te bewaren is het belangrijk om dat ĂŠne moment intens te omschrijven, in plaats uit meerdere heftige uitingen of acties de kracht te willen halen.

Houd het in dit geval dus bij: “Ik vermoord hem!” en laat dat erop volgende “Die rotzak, die gemene, gluiperige, verraderlijke, verdorven éikel!” achterwege.

Heftige imploderende emoties zorgen ervoor dat je personage door de heftigheid ervan niet in de actie kĂĄn komen, al zou die het willen. Het mag daarbij gillen en schreeuwen. Met die intensiteit scheelt dat in dit geval niet per se van de exploderende emotie. Maar de imploderende emotie heeft door dat bevriezende effect wel meer tijd nodig. Voor het personage om te doorvoelen, maar ook voor jouw als schrijver om het in woordenaantal uit te werken.

Bij deze imploderende emotie mag je dus wat langer stilstaan. Je mag in relatief veel detail omschrijven waar en hoe(veel) het pijn doet en welke gedachten er door het hoofd van de held flitsen. Vermijd daarbij wel dat je held niet in een soort flashback van allerlei andere pijnen of herinneringen belandt. Blijf in het moment van de emotie. Probeer ook als vuistregel aan te houden dat je niet meer dan twee verschillende pijnen of algemene gedachten in detail omschrijft. Dan kan je erop rekenen dat de spanningsboog intact blijft en je scène niet aan de nodige vaart verliest. Zo kan het verhaal ook weer tijdig verder gaan.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Alexandra Mirgheș verkregen via Unsplash.