Wedstrijduitslag ‘de sfeermaker’

Ik daagde jullie uit om te laten zien hoe belangrijk de sfeer kan zijn in een tekst. Hoe die soms een compleet verhaal kan vertellen. En Michael Vonk bewijst dat sfeer, plot en personageontwikkeling hand in hand gaan, zonder dat de sfeer op de achtergrond raakt. Sterker nog: dat sfeer soms het verhaal kan dragen.

De sfeer en het plot gaan hand in hand, de woorden en details zijn welgekozen en de ontwikkeling van het plot is aanwezig zonder schreeuwerig te zijn. Deze schrijfstijl spreekt boekdelen: Michael weet hoe je emoties en het moment moet vangen. 

Geniet van zijn verhaal ‘De archipel van ritsverzet’. Michael, gefeliciteerd. Het leesrapport voor dit verhaal stuur ik binnenkort naar je op.

De archipel van ritsverzet

De condens op de tegels vormt dikke, trage druppels die verticaal omlaag snijden door de laag aanslag. Het gebroken wit van het keramiek is fel waar de ochtendzon de wand raakt, een kille reflectie die pijn doet aan de ogen. Ik draai de warme kraan verder open. Het gesis van het water vult de vier bij drie meter die we delen. De stoom stijgt op in dikke flarden, slaat neer op de spiegel boven de wastafel en wist mijn gezicht uit.
‘Het water is klaar,’ zeg ik.
Hij zit op de kruk. Zijn schouders hangen naar voren, de ruggengraat een rij knokkels onder een huid die de kleur heeft van nat krantenpapier. Hij antwoordt niet. Hij staart naar het afvoerputje waar een plukje grijs haar omheen gedraaid zit.
Ik doop de washand in het warme water. Het gewicht van de natte stof trekt aan mijn pols. Ik wring hem uit. Het geluid van de druppels op de vloer is ritmisch, hard. Ik stap dichterbij. De geur van vochtige zeep en de zurige ondertoon van een ongewassen lichaam hangt zwaar in de kleine ruimte.
Ik leg mijn linkerhand op zijn schouder. De botten voelen scherp, bijna breekbaar onder de dunne vetlaag. De huid verschuift onder mijn vingers. Met de washand maak ik een lange haal over zijn rug, van zijn nek tot aan de rand van de handdoek om zijn middel.
‘Je moet je arm optillen,’ zeg ik.
Hij beweegt niet. De spieren in zijn nek spannen zich aan, een lichte trilling in de pezen.
‘Pa. Je arm.’
De stoom wordt dikker. Het is lastig om diep in te ademen; de lucht is verzadigd, vloeibaar bijna. Ik zet de washand opnieuw op zijn schouderblad en oefen meer druk uit. Zijn huid kleurt roze onder de wrijving.
‘Nee,’ zegt hij. Het woord is nauwelijks hoorbaar boven het ruisen van de kraan, die ik nog steeds niet heb dichtgedraaid.
‘Ik moet eronder kunnen. Til hem op.’
Ik pak zijn rechterelleboog vast. Het gewricht voelt stroef, als een scharnier dat te lang niet is gebruikt. Ik probeer de arm naar buiten te dwingen, weg van zijn zij. Hij zet zich schrap. Zijn hele lichaam kantelt weg van mijn hand, een trage, logge weerstand. De zweetdruppels op mijn voorhoofd mengen zich met de condens en prikken in mijn ogen.
‘Til hem nou gewoon op.’ Mijn stem is vlakker dan ik wil.
‘Ik zit prima zo.’
‘Je zit niet prima. Ik kan er zo niet bij. De zeep gaat irriteren als ik het niet goed wegspoel.’
Ik trek harder. De wrijving van mijn huid tegen de zijne maakt een zwak, plakkend geluid. De geur van de stoom slaat op mijn longen. Ik voel de warmte in mijn eigen gezicht stijgen. De afstand tussen ons is niet meer dan tien centimeter, maar door de mist in de kamer zie ik alleen nog de contouren van zijn verzet.
‘Laat maar,’ zegt hij. Hij trekt zijn arm met een ruk terug naar zijn borstkas. De beweging is onverwacht krachtig. De natte washand glijdt uit mijn hand en landt met een zachte klets op de tegels.
Ik blijf staan. Mijn vingers staan nog in de stand van de greep die ik zojuist had. De kraan blijft stromen, een eindeloze verspilling van warmte. De spiegel is nu volledig wit. In de reflectie ben ik niets meer dan een grijze schaduw die boven een andere schaduw hangt.
Ik buk me om de washand op te pakken. Het bukken gaat zwaar; mijn eigen rug protesteert. Wanneer ik weer overeind kom, zie ik hoe hij zijn kin op zijn borst laat zakken. Een druppel water valt van zijn neus op zijn knie.
‘Nog een keer,’ zeg ik. Ik pak de zeep. Het blokje is glad en glibbert bijna uit mijn handen. ‘Draai je een kwartslag.’
Hij reageert niet. De stilte in de badkamer is massief, ondanks het geluid van het water. De natuurlijke orde van de kamer is verdwenen. Ik ben de indringer in de privacy van zijn verval, de enige getuige van de kleine, dagelijkse nederlaag die zich hier voltrekt.
Ik zet de kraan uit. De plotselinge stilte suist in mijn oren.
‘We zijn nog niet klaar,’ zegt hij tegen het afvoerputje.
‘Ik wel,’ zeg ik. Ik leg de washand op de rand van de wasbak en kijk naar mijn trillende handen. De hitte is verstikkend. Ik moet naar buiten, naar de gang waar de lucht droog en ijl is, maar mijn voeten lijken vastgeplakt aan de vochtige tegels.

De salontafel is verdwenen onder een laag wit plastic en doordrukstrips. Ik schuif een doosje paracetamol drie millimeter naar links, zodat de hoek precies samenvalt met de nerf van het eikenhout dat onder het plastic zichtbaar is. Naast de paracetamol staan de blauwe capsules voor de nacht, gerangschikt op volgorde van grootte. Het is een klinisch landschap; een archipel van glas en karton in een zee van stofvrij gemaakte kringen.
Hij ligt in de fauteuil, de benen over de voetenbank, zijn ogen gericht op een punt ergens tussen de televisie en de kamerplant die al drie weken geen water heeft gehad.
‘De vrouw van de zorg komt zo,’ zeg ik.
Ik trek aan de rits van mijn vest. Halverwege mijn borstkas loopt de metalen schuiver vast. Ik ruk eraan, een kort, scherp geluid van tanden die weigeren in elkaar te grijpen. De rits haperde gisteren ook al op precies dit punt. Ik laat hem zitten waar hij zit; een gapende, asymmetrische V onder mijn kin.
Hij verzet geen spier. Alleen het ritme van zijn ademhaling verraadt dat hij de trilling van mijn stem heeft opgevangen.
Ik begin aan de volgende rij: de vloeistoffen. De flesjes staan in een halve cirkel. Ik controleer de houdbaarheidsdatum op het etiket van de hoestdrank. Terwijl ik het flesje terugzet, raakt mijn vingertop een randje papier dat onder een tray met kalmeringsmiddelen uitsteekt. Het is dik, vergeeld papier, de textuur van een oude ansichtkaart.
Ik trek het tevoorschijn. Het is een zwart-witfoto van een vrouw bij een hek, haar haar opgestoken in een stijl die al dertig jaar niet meer bestaat. De hoeken zijn rond afgesleten door duimen die er te vaak op hebben gedrukt.
‘Wat doet dit hier?’ vraag ik. Ik houd de foto omhoog, precies in zijn gezichtsveld.
Hij knippert met zijn ogen. Zijn blik verschuift van de plant naar de foto, maar zijn hoofd blijft onbeweeglijk tegen de rugleuning liggen.
‘Pa. Waar komt dit vandaan? Lag dit in de la?’
De stilte in de kamer wordt dikker, vult de ruimtes tussen de meubels als onzichtbaar isolatiemateriaal. Ik hoor het tikken van de klok in de keuken.
‘Het lag bij de pillen,’ zeg ik. ‘Tussen de morfine en de maagtabletten.’
Ik draai de foto om. De achterkant is leeg, op een vage potloodstreep na die halverwege is afgebroken. Ik kijk weer naar hem. Hij staart nu recht naar de foto. Zijn lippen gaan een fractie van een millimeter van elkaar, maar er komt geen geluid. Er vormt zich een plooi in zijn voorhoofd, een tijdelijk reliëf in de droge huid.
‘Ken je haar?’
Geen antwoord. Hij kijkt nu weer naar de plant.
De deurbel gaat. Twee korte, zakelijke stoten. Ik laat de foto op de rand van de tafel liggen, precies tussen de dag- en de nachtmedicatie. Het past niet. Het doorbreekt de logica van de witte doosjes.
De deur van de woonkamer zwaait open. Een vrouw in een blauw uniform stapt naar binnen. Ze ruikt naar koude buitenlucht en ontsmettingsmiddel. Ze kijkt niet naar mij, maar direct naar de fauteuil.‘Zo, hoe gaat het hier vandaag?’ vraagt ze. Haar stem is te luid voor de kamer.
Ze loopt naar de tafel, pakt een lijst op en begint met een zilveren pen hokjes aan te vinken. Ze is een schim van beweging in de stilte die wij hebben opgebouwd. Ze merkt de foto niet op.
‘Heeft hij alles ingenomen?’ vraagt ze, zonder op te kijken van haar klembord.
‘Ja,’ zeg ik. Ik trek weer aan de rits. Hij schiet een stukje omhoog en blokkeert dan definitief. De stof van mijn vest stroopt op onder de spanning. ‘Alles volgens de volgorde op de tafel.’
‘Mooi zo.’ Ze zet een laatste vinkje en loopt naar de vader. Ze legt een hand op zijn pols. ‘Even tellen.’
Ik kijk naar de foto op de tafel. De vrouw bij het hek kijkt terug. De vader staart nu naar de blauwe rug van de zorgverleenster. Zijn gezicht is een masker van afwezigheid.
‘De pols is rustig,’ zegt de vrouw. Ze laat zijn hand vallen; hij landt met een doffe klap op de bekleding van de stoel. Ze draait zich om naar de deur. ‘Tot morgen dan maar weer.’
De gangdeur valt in het slot. De stilte keert terug, zwaarder dan voorheen. Ik pak de foto op en schuif hem weer onder de tray met kalmeringsmiddelen, precies zoals ik hem vond.
‘Ik leg hem terug,’ zeg ik.Hij kijkt me aan. Een seconde lang snijden zijn ogen door de laag mist heen. Ik verwacht een woord, een klank, een aanwijzing. Hij opent zijn mond, sluit hem weer en richt zijn blik op de salontafel. Hij kijkt naar de plek waar de foto lag, en dan naar het flesje paracetamol dat nog steeds drie millimeter te ver naar links staat.

De zon hangt laag en snijdt horizontaal door de lamellen. Lange, oranje banen stof dansen op het dekbed, vlak boven mijn knieën. Het licht heeft de kleur van oude marmelade. Ik lig stil. Elke keer dat ik inadem, voel ik de droogte in mijn keel, een ruw laagje dat smaakt naar ijzer en stof.
In de deuropening staat een schaduw. Hans. Hij houdt een bord vast. De damp stijgt op in de banen licht, een trage, vettige nevel die de kamer binnendringt nog voordat hij een stap heeft gezet.
‘Ik heb wat klaargemaakt,’ zegt hij.
De geur raakt mijn neusvleugels. Gekookte bloemkool. Het is een weeïge, doordringende lucht die zich vastzet achter in mijn gehemelte. Mijn maag trekt zich samen tot een harde knoop. Ik draai mijn hoofd een fractie naar links, weg van de deur, naar de muur waar het behang een patroon van kleine, grijze barstjes vertoont.
‘Je moet wat eten,’ zegt de schaduw. Hij komt dichterbij. Het bord rammelt zachtjes tegen zijn duimnagel.
‘Zet het daar maar neer,’ zeg ik. Mijn stem klinkt als schuurpapier over hout.
Hij zet het bord op het nachtkastje, precies naast de wekker die al drie dagen stilstaat op tien over vier. De geur van de bloemkool wordt nu vergezeld door de lucht van gebakken vet. Het is verstikkend. Mijn zintuigen sluiten zich af voor zijn aanwezigheid; ik zie alleen nog de textuur van de saus die over de rand van het bord begint te stollen.
‘We moeten het eens hebben over volgende maand,’ zegt Hans. Hij gaat op de rand van de stoel zitten. De houten poten kraken onder zijn gewicht.
Ik kijk naar zijn handen. Ze rusten op zijn knieën, de vingers wit bij de knokkels. Ik ken die handen, maar op dit moment zijn ze alleen maar gereedschap. Ze wassen, ze schuiven pillen, ze dragen borden met eten dat ik niet wil.
‘Volgende maand is nog ver weg,’ zeg ik.
‘Niet zo ver als je denkt. De zorgvrouw zei dat we extra hulp kunnen krijgen. Iemand die hier blijft slapen.’
De geur van de bloemkool dringt nu dieper door, tot in mijn slokdarm. Het herinnert me aan schoolkantines, aan ziekenhuisgangen, aan alles wat collectief en smakeloos is. Mijn neus rebelleert; ik begin te kokhalzen, een korte, droge schok in mijn borstkas.
‘Gaat het?’ Hans leunt naar voren. Zijn gezicht komt in het licht. Hij heeft zweetdruppels op zijn bovenlip.
‘Haal dat bord weg,’ zeg ik.
‘Je hebt nog geen hap gehad. Het is goed voor je kracht.’
‘Haal. Het. Weg.’
Hij blijft zitten. De banen licht op het dekbed verschuiven langzaam naar boven, naar mijn buik.
‘Als we die hulp niet regelen, trek ik het niet meer, pa. Begrijp je dat?’
Ik kijk hem aan. Zijn ogen zoeken naar iets – een vonk van herkenning, een vaderlijk advies, een teken van medeleven. Ik zie alleen een man die de rits van zijn vest nog steeds niet tot boven heeft gekregen. Hij is een obstakel tussen mij en de stilte die ik nodig heb om de smaak van metaal uit mijn mond te krijgen.
‘De bloemkool stinkt,’ zeg ik.
‘Het is gewoon eten.’
‘Het ruikt naar ontbinding. Haal het uit mijn kamer.’
Hans zucht. Het geluid van de lucht die uit zijn longen ontsnapt, is luider dan mijn eigen ademhaling. Hij pakt het bord op. De beweging veroorzaakt een nieuwe golf van de warme, zoute geur.
‘Je maakt het onmogelijk,’ zegt hij. Hij staat op. De schaduw op de muur rekt zich uit tot aan het plafond.
‘Ik maak niets. Ik lig hier alleen maar.’
Hij loopt naar de deur, het bord stevig in beide handen. In het tegenlicht van de gang is hij weer een vormloze gestalte, een noodzakelijke aanwezigheid die de geur van de buitenwereld en gekookt vet mijn isolement in draagt.
‘Ik laat het in de keuken staan,’ zegt hij. ‘Voor als je je bedenkt.’
De deur valt in het slot. De geur blijft hangen, een onzichtbaar stratum dat tussen het bed en het plafond zweeft. De zon is nu bijna onder; de banen licht zijn dieprood geworden, de kleur van oud bloed op een laken. Ik adem in. De bloemkool zit in mijn poriën. Ik ben niet langer een mens met een toekomst; ik ben een neus die weigert te accepteren wat de rest van de wereld overleven noemt.

Ik sta bij het aanrecht en staar naar de waterkoker. Het blauwe lampje gloeit. Binnenin begint het water te zingen, een laag geruis dat overgaat in een agressief borrelen. De stoom ontsnapt uit de tuit en slaat neer op de onderkant van de keukenkastjes, waar de verf in kleine schilfers loslaat.
De deur naar de woonkamer staat op een kier. De schaduw van de gang ligt als een donkere streep over de linoleumvloer.
‘Hans,’ klinkt de stem vanuit de andere kamer. Het is geen roep, maar een bevel op laag volume.
Ik reageer niet meteen. Ik pak een mok uit het kastje. Het keramiek voelt koud aan. Ik leg een zakje kamillethee op de bodem; het touwtje bungelt over de rand.
‘Hans. De thee.’
‘Ik ben ermee bezig,’ zeg ik. Ik giet het kokende water in de mok. De geur van gedroogde bloemen stijgt op, warm en weeïg. Ik pak een lepeltje en roer. Het tikken van het metaal tegen de binnenkant van de mok is het enige geluid in de keuken.
‘Hij moet niet te heet zijn,’ roept hij. ‘Gisteren verbrandde ik mijn tong.’
Ik kijk naar de damp. Ik zet de mok op het aanrecht en wacht. Ik tel de seconden op de digitale klok van de oven. De cijfers verspringen met een zwakke, groene gloed.
‘Het is klaar,’ zeg ik. Ik loop met de mok naar de deurpost, maar blijf op de drempel staan.
‘Zet hem neer op de tafel,’ zegt hij. Hij kijkt niet naar mij, maar naar de rimpelingen in het wateroppervlak van de mok.
Ik zet de mok op een onderzetter. Hij steekt een hand uit, maar trekt hem meteen weer terug.
‘Hij dampt nog,’ zegt hij. ‘Je hebt hem te vroeg gebracht.’
‘Drink hem dan over twee minuten.’
‘Dan is hij te koud. Je weet hoe nauw het luistert. Je luistert nooit.’
Ik trek aan mijn vest. De rits zit nog steeds vast op de borst; ik ruk eraan tot de stof pijnlijk in mijn nek snijdt. De statische elektriciteit van de synthetische vloerbedekking prikt in mijn voetzolen.
‘Ik heb de hele middag naar je geluisterd,’ zeg ik. Mijn stem trilt een fractie. ‘Ik luister naar je ademhaling, ik luister naar je geklaag over het eten, ik luister naar de kraan.’
Hij draait zijn hoofd langzaam mijn kant op. Zijn ogen zijn smalle spleten in het grijs van zijn gezicht.
‘Misschien luister je te veel naar jezelf,’ zegt hij. ‘Daarom zit je hier nog steeds. Daarom is er niemand anders die dit doet.’
Ik blijf staan. De lucht in de kamer voelt geladen, als het moment voor een onweersbui. Ik voel de warmte in mijn nek branden.
Wat bedoel je?’
‘Je bent net als die thee, Hans. Je wacht tot het moment voorbij is. Je hebt je hele leven gewacht. En nu ben je hier, bij mij, omdat je nergens anders heen kunt. Niemand wacht op je.’
Ik kijk naar de mok op de tafel. Er stijgt nog steeds een dun sliertje stoom uit op. Mijn rechterhand grijpt naar het glas water dat ik voor mezelf had ingeschonken en dat nog op het hoekje van het aanrecht stond, vlakbij de deur. Mijn vingers klemmen zich om het gladde oppervlak.
Ik laat het los.
Het glas valt niet uit mijn hand; ik open simpelweg mijn vingers. Het valt recht omlaag. Het raakt het linoleum met een doffe, zware klap. Het glas breekt niet. Het stuitert één keer en rolt dan traag naar de drempel, terwijl het water in een kleurloze plas over de vloer uitwaaiert. Het water bereikt de schaduwstreep van de gang en stopt daar.
In de woonkamer blijft het stil.
‘Je hebt gemorst,’ zegt hij na een lange minuut.
Ik kijk naar de plas. Ik kijk naar het glas dat nu stil ligt tegen de plint. Ik voel mijn hartslag in mijn vingertoppen. De irritatie in mijn borstkas is niet verdwenen door de val; het is gestold tot iets hards en onbuigzaams.
‘Ik ruim het straks op,’ zeg ik.‘
De thee wordt koud.’
Ik draai me om en loop de keuken in. Ik sluit de deur niet, maar ik laat de kier precies zo groot dat ik hem niet hoef te zien. Ik ga op de keukenstoel zitten en staar naar de natte plek op de vloer die langzaam onder de deur door de woonkamer in kruipt.

De gang is een koker van zwart op zwart. Ik zit op de bovenste trede van de trap, mijn rug tegen de koude muur. De enige lichtbron is het groene schijnsel van de rookmelder aan het plafond, dat om de dertig seconden een korte, felle flits over de overloop werpt. Elke flits laat de contouren van de twee gesloten deuren zien: de zijne en de mijne.
Ik adem traag. Mijn eigen hartslag dreunt in mijn oren, een ritme dat ik probeer te negeren om te kunnen horen wat er achter de linker deur gebeurt.
In. Uit. In. Uit.
Het geluid van zijn ademhaling komt door het houtwerk en de gipsplaat heen. Het is een zwaar, vochtig schuren, als een zak zand die over een ruwe vloer wordt getrokken. Soms stopt het midden in een beweging. Dan telt de klok in mijn hoofd de seconden.
Eén. Twee. Drie.
Daar komt de inademing weer, een scherpe, fluitende toon die eindigt in een korte klik achter in zijn keel.
Ik wrijf over mijn gezicht. Mijn huid voelt vettig aan, de poriën verstopt door de uitputting van de afgelopen achttien uur. Mijn oogleden wegen zwaar, ze trekken naar beneden als loden gewichten. Telkens wanneer mijn hoofd naar voren zakt, schiet ik weer rechtop. De statische elektriciteit van de vloerbedekking plakt de stof van mijn sokken aan de treden.Ik grijp naar de rits van mijn vest. Hij zit nog steeds vast. Ik voel de metalen tanden met mijn vingertoppen; ze zijn koud, onbuigzaam. Ik probeer de schuiver niet eens meer te bewegen. Ik laat mijn hand weer op mijn knie zakken. Plotseling verandert het geluid.
Het schurende ritme breekt af. Er volgt een reeks korte, onregelmatige snuiven, gevolgd door een diepe, gorgelende uithaal. Het is geen snurken meer. Het is een mechanisch defect.
Ik sta op. Mijn knieën kraken, een geluid dat onnatuurlijk hard door de gang echoot. Ik doe een stap naar zijn deur en leg mijn hand op de klink. Het metaal is ijzig. Ik druk mijn oor tegen het hout.
Stilte.
Het lichtje van de rookmelder flitst. Groen. De gang is weer donker.
‘Pa?’ fluister ik. Mijn stem is niet meer dan een beweging van lucht.
Geen reactie. De stilte achter de deur is massief, een vacuüm dat aan de klink lijkt te trekken. Ik houd mijn adem in tot mijn borstkas begint te branden. Ik wacht op de paniek, op de adrenaline die me de kamer in moet jagen, maar er komt niets. Alleen een doffe, grijze acceptatie. Ik ben de wachter op de drempel. Als het stopt, dan stopt het hier.
Dan hoor ik een beweging. Het kraken van de matrasveren. Een diepe zucht die overgaat in een langgerekt, monotoon snurken. Het ritme is hersteld. De machine draait weer.
Ik laat de klink los. Mijn handafdruk blijft achter op het metaal, een vage wolk van condens die langzaam wegtrekt.
Ik ga weer zitten op de bovenste trede. Ik voel de textuur van het behang tegen mijn achterhoofd. De uitputting is nu zo diep dat het voelt als een fysieke pijn in mijn botten. Ik kijk naar mijn handen in het zwakke licht van de volgende flits. Ze zien er vreemd uit, als objecten die niet bij mij horen.
‘Ik ben er nog,’ zeg ik tegen de duisternis.
Er komt geen antwoord, en ik verwacht er ook geen. Ik ben de enige getuige van dit uur, een abstracte functie van de zorg. Ik ben de buffer tussen hem en de nacht. Ik sluit mijn ogen voor drie seconden, open ze weer bij de volgende groene flits, en begin opnieuw met tellen.
In. Uit. In. Uit.

De lucht in de tuin is ijl en ruikt naar nat gras en bevroren aarde. Ik sta bij de glazen schuifpui, mijn rug tegen de bakstenen muur die nog een restje van de middagwarmte vasthoudt. Het is bijna windstil. In het gras liggen de overblijfselen van de herfst: zwarte, slijmerige bladeren die langzaam in de grond worden gedrukt.
Ik kijk door het glas naar binnen.

In de woonkamer brandt alleen de leeslamp naast de fauteuil. De rest van de kamer valt weg in een diep, olijfgroen schaduwspel. Hij zit daar. Ik zie zijn profiel tegen het licht van de lamp; de neus een scherpe haak, de kin rustend op de borstkas die in een traag, onveranderlijk ritme op en neer gaat. Tussen ons in hangt het glas, een reflectie van de tuin en de grijze lucht die over mijn eigen gezicht schuift.
Ik haal een sinaasappel uit mijn jaszak. De schil is koud en heeft de textuur van leer. Ik zet mijn duimnagel in de bovenkant van de vrucht. De schil biedt weerstand, een korte felle krak, en dan spuit er een fijne nevel van etherische olie omhoog. De geur is agressief fris, een scherpe snede door de koude buitenlucht.
Ik trek de eerste reep schil los. Het witte, viltige laagje aan de binnenkant plakt aan mijn vingers.
Binnen verschuift hij zijn hand op de leuning. Hij kijkt naar het raam. Ik weet niet of hij mij ziet of alleen zijn eigen spiegelbeeld in de ruit. Hij zegt niets. Zijn lippen blijven op elkaar geperst. De afstand tussen ons is drie centimeter glas, maar de geur van de sinaasappel komt niet bij hem binnen. Hij ademt de lucht van de kamer in: paracetamol, stof en de restanten van de middag.
Ik breng een partje naar mijn mond. Het sap is koud en zuur. Ik slik. De vloeistof snijdt door de droogte in mijn keel.
‘Het vriest vannacht,’ zeg ik tegen de ruit.
Mijn stem slaat dood op het glas. Hij reageert niet. Hij staart naar de plek waar ik sta, maar zijn pupillen lijken niet scherp te stellen. Hij kijkt door mij heen, naar de bomen achter in de tuin die hun laatste bladeren verliezen.
Ik kijk naar mijn vest. De rits zit nog steeds halverwege vast. De metalen schuiver is nu dof van de condens. Ik trek er niet meer aan. Ik laat de stof openstaan voor de kou. De rilling die over mijn rug loopt, voelt helder aan, een fysieke bevestiging dat ik hier nog ben.
De sfeer in de kamer binnen is statisch. De meubels, de medicijnen op de salontafel, de haperende ademhaling – het is geen decor waar het verhaal zich tegen afspeelt. Ik kijk naar de schillen op de tuintegels. Dit is het verhaal. De ordening van de pillen, de geur van de bloemkool, de groene flits van de rookmelder en de kou op mijn wangen. Er komt geen ontknoping. Er is geen laatste woord dat alles verklaart. Er is alleen deze voortzetting van de sfeer, een eindeloze herhaling van kleine handelingen in een krimpende ruimte.
Ik eet het laatste partje sinaasappel. De bittere smaak van de pitten blijft achter op mijn tong.
Hij heft zijn hand op en maakt een vage beweging naar zijn gezicht, alsof hij een vlieg wegjaagt die er niet is. Dan laat hij zijn arm weer zakken. Het is de actie die we al weken herhalen. De reactie blijft uit.
Ik blijf staan tot het licht in de kamer binnen nog geler wordt en de tuin volledig zwart. Ik kijk naar de sinaasappelschillen op de grond. Ze lichten op als kleine, oranje bakens in het donker. Ik leg mijn hand tegen het glas. De ruit is kouder dan de muur.
‘Ik kom zo weer binnen,’ zeg ik.
Ik zie hem knikken. Of misschien is het alleen het verzakken van zijn hoofd in de slaap. Ik draai me om naar de tuin, adem de kou nog één keer diep in, en voel de sinaasappelgeur op mijn vingers terwijl ik de schuifpui open. De warmte van binnen slaat tegen me aan, een zware deken van stilte die ik weer om me heen sla.

Foto door Laurenz Heymann verkregen via Unsplash.

De sterke scène: oefenen met perspectieven

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar hoe je het meest uit de scène haalt door met perspectieven te oefenen. 

Het perspectief van personages 

In een boek kan je vanuit meerdere perspectieven schrijven. Daarmee kan je het verhaal laten voortduren en verschillende kanten van het verhaal belichten. Voor een losse scène is wisselen van perspectief in het boek minder geschikt. Maar je kan eenzelfde scène wel twee keer opschrijven, iedere keer vanuit een ander perspectief. Het is een handige manier om je verhaal beter te leren kennen en een scène spannender te maken. Oók als je het verhaal vanuit één perspectief schrijft. 

Wanneer kan je deze oefening gebruiken?

Als je het gevoel hebt dat je plot stokt of als er veel op het spel staat, is het slim om vanuit het gezichtspunt van een personage naar het verhaal te kijken. Jij wil als schrijver dat het verhaal mooi leest, maar daar zijn personages niet mee bezig. Die willen hun droom verwezenlijken of hun grootste angst overwinnen. Dit verschil in prioriteiten zorgt voor andere uitwerkingen van de tekst. 

Meerdere personages aan het roer

Personages kijken met een unieke blik naar de wereld. En omdat ze ook ieder een eigen heldenreis hebben, willen ze bijna nooit hetzelfde bereiken als een ander personage. Zelfs als het een Romeo en Julia betreft. Ze willen wel met elkaar eindigen, maar beide zijn op een andere manier opgevoed, of vinden de ene waarde net iets belangrijker dan ander, waardoor ze andere beslissen maken. 

Geen goede scène zonder ruzie. Een narratieve ruzie, welteverstaan. Er hoeven heus geen vazen te sneuvelen, maar een scène zonder enige wrijving zal je bij het reviseren vaak naar de prullenbak verwijzen. Dat gegeven en het feit dat je als schrijver ook iets anders wil dan personages, kan je gebruiken om een middelmatige scène stukken interessanter te maken. 

Voorbeeld: eten bij de schoonouders

Het is een belangrijke dag voor onze Romeo: hij gaat voor het eerst bij zijn schoonouders eten. Hij heeft ze al kort ontmoet en de eerste kennismaking verliep prima. Hij hoeft dus niet op eieren te lopen, maar een hele avond met de schoonfamilie doorbrengen vindt hij toch nog spannend. Julia daarentegen is letterlijk en figuurlijk thuis bij haar ouders. Ze weet dat Romeo door de eerdere, fijne ontmoeting niet door haar ouders zal worden afgeschoten, dus zij kan gevoelsmatig achteroverleunen. 
Jij als schrijver wil in deze scène vooral spanning scheppen. Dan lijkt het perspectief van Romeo voldoende, maar omdat Julia zo op haar gemak is, komt dat weer in een bepaald evenwicht. Jouw meer algemene perspectief helpt je dus niet veel verder. En daarom schrijf je in je opschrijfboekje de scènes uit van zowel Romeo als Julia. 
De spanning van Romeo spreekt voor zich. Maar Julia heeft ook iets spannends, zo blijkt. Julia heeft met Romeo over haar toekomstige studieplannen gesproken. Haar ouders weten daar nog niets van en dat wil ze zo houden. Maar dat heeft ze Romeo niet verteld. 

(Wil je achter dit soort ‘geheimen’ komen, bestudeer de personagebiografie van je helden dan nog eens. Daar staat tussen de regels door vaak veel bruikbaars in.) 

Met deze perspectieven kan de scène op meerdere manieren worden ingevuld. Bijvoorbeeld: 

  • Romeo wil om zijn zenuwen te verbergen het enthousiast hebben over de studie van Julia. Het wordt ongemakkelijk als Julia Romeo plotseling afkapt. 
  • Julia wil Romeo vóór zijn in de mogelijke blunder en is daardoor continu aan het woord. Dat is niet bepaald handig als Romeo zijn goede indruk wil verankeren…

Speel met perspectieven en je leert meer dan je denkt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door by Paul Skorupskas verkregen via Unsplash.

Wil je hulp bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Zo versterk je de rode draad van een verhaal

Een centraal conflict beschrijf je als datgene waar de held naartoe moet groeien. Bekijk datzelfde principe meer vanuit de algemene verhaallijn en het biedt een manier om het plot en je scènes te verrijken.

Een blik op het centrale conflict

Het centrale conflict bepaalt het groeiproces van de held. Dat kan je vormgeven door naar de drieaktenstructuur te kijken. Waar komen te tegenslagen? Hoeveel is de held al gegroeid? Daar krijg je een verhaal zonder problemen mee ingevuld, in een prettig tempo. Maar daardoor is het soms lastiger om je verhaal te zien als groter geheel. Subplots zijn moeilijk op te merken, of je vergeet de verhaalthema’s uit te werken, omdat je meer bezig ben met de actie-reactieregel en hoe die alles in gang zet. Anders gezegd: je kan te veel met relatieve details bezig zijn.
Een voorbeeld hiervan is in grote lijnen omschrijven hoe de romance tussen Romeo en Julia tot stand komt en afloopt.

De rode draad als duidelijk gegeven

Als iemand je vraagt wat het centrale conflict is en je dat niet tekort wil doen, ben je vaak enkele zinnen aan omschrijving zoet. Er zijn nu eenmaal meerdere akten en conflicten waarbij je ook nog eens in de beleving van je held duikt. Als je uitgaat van de rode draad kan je veel kort en krachtiger zijn. Dat omschrijf je als een hoofdthema van je verhaal en daaraan voeg je in enkele woorden of een aantal zeer korte zinnen aan toe hoe dat zich uit tot een lopend verhaal. Vertel je over de rode draad van het verhaal van Romeo en Julia, dan krijg je iets als: een relatie willen beginnen die wordt tegengewerkt.

De rode draad als centraal conflict voor het verhaal

Je kan de rode draad zien als het hoofdthema van het verhaal. Bovendien is het ook het uitgangspunt waaraan alle subplots hun bestaansrecht ontleden. Sluit het subplot niet aan bij het hoofdthema, dan heeft het geen plaats in het verhaal. Maar een subplot moet wel een eigen thema hebben dat niet hetzelfde is als dat van de rode draad. Dat zit zo: subplots vertellen kleine verhalen op zichzelf. En die moeten ook uniek aanvoelen. Een verhaal wordt doodsaai als het alleen maar over verliefde stelletjes gaat. De moeder die haar kind niet kan zien geeft dan een verfrissende en unieke draai aan het hoofddthema. Verderop in de blogpost volgt een uitwerking van dit voorbeeld.
De afzonderlijke subplots moeten ervoor zorgen dat zij gezamelijk de rode draad versterken. Juist door er op verschillende manieren naar te kijken of door te laten zien hoe de rode draad een conflict vormt. Niet voor de held, maar voor de meer algemene verhaallijn. Zoom als het ware uit. Kijk niet naar de persoonlijke heldengroei, maar meer naar het verhaal en wat dat als uitgangspunt of moraal mee wil geven. Of waar de held in enkele woorden (!) mee worstelt, dus zonder alle pieken en dalen die de heldenreis met zich meebrengt.

De rode draad die alles aan elkaar rijgt

Spreekwoordelijk gezien is de rode draad datgene wat door het hele verhaal terugkomt of te zien is. Dat klopt, maar als je het idee eraan toevoegt dat de rode draad ook zaken aan elkaar kan rijgen die anders los van elkaar (zouden) staan, kan je je verhaal daar heel veel mee verrijken. Zeker als het gaat om subplots. Als je de rode draad in een bepaalde mate of op een bepaalde manier in een subplot laat terugkomen, voelen ze niet zozeer als een plot dat er ook nog bijkomt, maar als een deel van het verhaal dat er logisch op aansluit.

Het plot dat erbij komt is zoiets als: het gaat hier over een verliefd stel, dus de rode draad is liefde. Dus in een subplot worden ook nog andere personages verliefd. Met die insteek werk je eerder het cliché geforceerde koppel in de hand.
Een subplot dat aansluit op de rode draad is zoiets als: Romeo en Julia worstelen met een liefde die onmogelijk wordt gemaakt. Dus in het subplot komt er een moeder voor die door allerlei omstandigheden haar kind zelden tot nooit kan zien. Merk hierbij een paar dingen op:
* Je moet de rode draad dus niet één op een kopiëren in een subplot. Je moet eerder kijken hoe je het thema dat de grondslag is voor de rode draad breder kan interpreteren.
* Als je het thema van de rode draad wat ruimer bekijkt, geeft dat meer mogelijkheden om de rode draad natuurlijker in het verhaal te verwerken. Dan ligt het er niet meer duimenndik bovenop en voorkom je ook clichés, zoals dat extra koppel.

Schrijf je subplots op

Om ervoor te zorgen dat je subplots aansluiten bij het hoofdplot, schrijf je ze eerst op. Probeer deze subplots te labelen met een bepaalde categorie. Denk aan:
– Het romantische subplot, waarin de superheld een oogje krijgt op een mooie vrouw
– Het financiële subplot, waarin de loterijwinnaar bedenkt wat die met de nieuwe rijkdom gaat doen. Of juist hoe je arme hoofdpersoon de eindjes aan elkaar knoopt.
– Het wraakverhaal, waarin je held nog een appeltje te schillen heeft met een oude vijand.

Zo zorg je ervoor dat de subplots hun eigen toon en verhaal behouden en niet dertien in een dozijn worden.

Verbind de subplots aan de rode draad

Kijk vervolgens of de subplots aansluiten bij het verhaalthema van de rode draad. In eerste instantie kan dat moeilijk lijken. Maar als je de juiste rode draad hebt gevonden, zou dat redelijk intuitief moeten gaan. Is dat niet zo, dan heb je meteen een aanwijzing dat je subplot waarschijnlijk niet bij de rode draad en daarbij ook niet bij het verhaal past.

Bovenstaansee subplots zouden allemaal kunnen passen bij ‘je plaats vinden in de wereld’, zodra je dat een beetje uitwerkt. ‘Omgaan met rouw’ werkt dan niet. Daarvoor zou het romantische subplot moeten wijken. Het wraakverhaal zou nog kunnen: je moet rouwen om het feit dat een vriend een vijand is geworden.

Heb je hulp nodig bij het schijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door Immo Wegmann verkregen via Unsplash.

De belangrijkste verschillen tussen een scène en een hoofdstuk

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je over enkele belangrijke verschillen tussen scènes en een hoofdstuk.  

Een hoofdstuk strak samenvatten is lastig

Als er een belangrijk verschil is tussen een scène en een hoofdstuk, is het dat een scène veel strakker is in opbouw dan een hoofdstuk. Een scène is een verhaal in het klein. Je kan een hoofdstuk ook samenvatten als een kort verhaal. Maar waar je bij een scène nog kan zeggen: dit is het ene punt waar het om draait, is dat bij een hoofdstuk lastiger, zonder de diepgaandere nuances van een of meerdere scènes te verliezen. 

Een hoofdstuk dat uit meerdere scènes bestaat, zal je dus eerder samenvatten als ‘en toen, en toen’ of ‘maar in dit hoofdstuk lees je ook dat…’ Een scène kan je veel krachtiger samenvatten, omdat die op zichzelf een krachtige boodschap uit moet dragen

Een hoofdstuk geeft meer creatieve vrijheid

Er zijn hoofdstukken die eindeloos voortduren en soms zijn ze enkele zinnen lang. Ook komen in sommige hoofdstukken meerdere personages aan het woord. Soms moet een hoofdstuk vooral spanning creëren, andere keren moet het een nieuw verhaalelement introduceren. 

Anders gezegd: een hoofdstuk houdt zich niet per definitie aan een schema of een vast doel. Daardoor geeft een hoofdstuk je veel meer creatieve vrijheid dan een scène. Want die moeten aan bepaalde voorwaarden of structuren voldoen, willen ze niet rommelig worden.  

Restricties van een hoofdstuk: de drieactenstructuur

Je kan opmerken dat er meerdere afzonderlijke elementen of scènes in een hoofdstuk zitten die zes hoofdstukken verderop minstens net zo goed in het verhaal passen. Zo kan het een gevecht in hoofdstuk 5 plaatsvinden, maar met enkele aanpassingen misschien ook minstens net zo goed in hoofdstuk 14. Dat is niet erg. Je kan een hoofdstuk dan nog altijd aanpassen, opsplitsen of verschuiven.

Tel daarbij op dat hoofdstukken zo van opzet, lengte en inhoud kunnen verschillen en het lijkt alsof je er eindeloos mee kan spelen. Maar dat is niet zo. Om te controleren of een hoofdstuk wel een of de juiste plaats heeft in je boek, kan je de drie-actenstructuur gebruiken. Daarin lees je de opbouw van een goed vormgegeven boek. Hoe kort, lang, abstract of concreet je hoofdstuk ook is, je moet het zonder al te veel moeite een plek kunnen geven in dit schema en ook kunnen aangeven waarom het juist daar past.

Bijvoorbeeld:

  • Dit hoofdstuk past in de tweede clue, omdat hierin opnieuw een obstakel wordt overwonnen. 
  • Dit hoofdstuk gaat over een obstakel, en de lezer heeft nog maar net kennisgemaakt met de held. Dus dit past in het eerste of het tweede obstakel

Het is niet zo dat een hoofdstuk een-op-een samenvalt met een van deze punten uit het schema, de zogenoemde beats. Een beat kan ook uit meerdere hoofdstukken bestaan. Maar een hoofdstuk omvat zelden meerdere beats. Daarom kan je beats gebruiken om te controleren of je hoofdstuk niet te lang doorgaat. Als het tempo of de toon van het verhaal verandert, geeft dat vaak een nieuwe beat aan. Het is dan meestal ook een mooi moment om een hoofdstuk af te sluiten. 

De enige uitzondering hierop zijn de wrap-up en het einde. Die vormen samen vaak de laatste alinea’s van het boek en zijn een heel mooi setje voor het laatste hoofdstuk. Het vierde obstakel past daar vaak ook nog goed bij. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Ryan Graybill on Unsplash

Schrijfoefening: de ouderwetse proeflezer

Met onze moderne voorzieningen is het mogelijk om continu mensen te bellen en te schrijven. Als je dus met iemand over je boek wil sparren, kan dat in een oogwenk. Maar met deze schrijfoefening gaan we terug in de tijd. Zodat je goed na moet denken wat je opschrijft om je sparringspartner over je boek te informeren. Hopelijk helpt deze oefening een balans te vinden tussen laten rusten en doorschrijven, sparren en op je eigen werk vertrouwen en de kern van je schrijfsels voor jezelf of anderen te vangen.

Schrijven in de jaren dertig

We schrijven in de jaren dertig. Er wordt twee keer per dag post bezorgd. In theorie kan je je sparpartner dus aan het begin van de dag een nieuw hoofdstuk opsturen en later een P.S. meesturen.

Maar je moet wel bedenken:
– Je moest alles schrijven: de luxe van een typmachine had je niet. Samen met het posten kost dat flink wat tijd.
– Postzegels kosten geld en dat kan gaan optellen.
– En gewoon om onze schrijfoefening intessanter te maken, wordt de postbode nieuwsgieriger dan je lief is als je iedere paar dagen een envelop verstuurd die zo zwaar is dat er een figuurlijke roman in kan zitten. Dat dat letterlijk is, hoeft de postbode nog niet te weten. 😉

Kort en bondig sparren

Jij en je sparringspartner, die we Neeltje noemen, ontmoeten elkaar eens per maand om echt over het boek bij te praten. Je hoeft dus niet alles van je nieuw geschreven deel uit te werken of uit te leggen. Van de grote lijnen is Neeltje op de hoogte.

Maar je wil wel eens in de zoveel tijd weten of alles nog loopt en interessant is. En omdat je alles met een pen uit moet schrijven, bedenk je je wel twee keer voordat je een vraag stelt of een hoofdstuk scène uitschrijft. Wat wil je nu écht aan Neeltje vragen of laten lezen en wat kan wel wachten tot de volgende maand? Tegelijkertijd heb je de ‘luxe’ dat je je eens per dag kan bedenken, omdat de post tweemaal daags wordt bezorgd. Je mag dus fouten maken. Maar tegelijkertijd ga je niet op de letterlijke komma’s letten. Dat komt wel als je bij de laatste versie van je boek bent aanbeland.

Het is belangrijk om te onthouden dat een gemiddelde proeflezer schrijftechnieken en regels kent. Een hoofdstuk is daar een mooi voorbeeld van. Een hoofdstuk is (in vergelijking met een scène) lastig samen te vatten en ook best losjes. Scènes hebben veel meer regels en structuur. Maar een poeflezer zal zowel een scène als een hoofdstuk in een enkele zin kunnen samenvatten: hier raakt Tommy verdwaald.
Maar wat het verhaal daarmee wil zeggen, wat betreft de spanningsboog, Tommy’s karakter, daar denken ze niet over na, tenzij je er uitleg over geeft of er heel specifiek naar vraagt.

Met deze zaken in het achterhoofd: hoe haal je het meest uit jouw boek met de hulp van Neeltje? Hier volgen enkele handvaten.

Hoofdstukken en scènes

Voor een leek zijn hoofdstukken en scènes ongeveer hetzelfde: er gebeurt iets wat je moet onthouden, zodat het verhaal verder kan.
– Als ik [deze] zinnen verander of weglaat, gaat het hoofdstuk volgens jou dan nog over hetzelfde?
– Ik wil het woordenaaantal inkorten. Kunnen [deze] zinnen weg, of toch liever [deze]?
– Ik wil dat de lezer aanvoelt dat [deze] zinnen de kern van de scène vormen. Komt dat ook zo over?

Houd omwille van de nieuwsgierige postbode de regel aan dat je samenvatting per vraag niet meer dan vier zinnen bevat.

Personage en personagegroei

– Vind je het passend bij zijn karakter dat Peter hier/ nu al boos naar zijn baas stapt?
– Zoals je weet is Margot de heldin. Zie je haar nog steeds in die rol na dit hoofdstuk?
– Snap je waarom Ibrahim op dit moment van het verhaal om hulp vraagt?

Dialogen

– Snap je waarom de personages ruzie maken of wat ze willen bereiken met wat ze bespreken? Sta je aan een bepaalde kant?
– Duurt het gesprek niet te lang?
– Wat zou dit gesprek mog meer duidelijk moeten maken?

Spanningsboog

– [Deze zinnen] moeten je op het van je stoel laten zitten. Lukt dat?
– Haal je uit [deze zinnen] dat dit een keerpunt/ moment supême is?
– In [deze zinnen] gooit Felix het roer om. Is het duidelijk genoeg dat hij hier een aha-moment heeft?
– [ Deze zinnen] zijn bedoeld als adempauze. Krijg je die ook? Heb je die op dit moment ook nodig?

Plotverloop

– [deze zinnen] vormen een keerpunt in het plot. Zie je dat?
– Heb je nog iets om nieuwsgierig naar te zijn? Dat probeer ik met [deze zinnen] te bereiken

Plottwists

– [deze zinnen] zijn belangrijk. Kan je me vertellen waarom?
– voegen deze onthullingen iets toe aan het verhaal voor je?
– [ deze zinnen] zijn een hint. Kun je raden waarnaar
– Heb je een idee waarom Peter zich in [ deze zinnen] plotseling anders gaat gedragen?

Tenzij Neeltje zelf wat meer belezen is en van schrijftechnieken weet, zijn dit de onderwerpen wahaar kan bevragen. Anders wordt het te technisch. Maar nog afgezien daarvan: probeer met een proeflezer of bij het reviseren ook niet meer van jezelf te vragen dan de vragen die je Neeltje schrijft.
Weet je nog, je moet ze met een pen voor Neeltje opschrijven. Denk dus goed over je vragen na. En dan ga je eens per maand uitgebreid (al dan niet met een proeflezer) wat je tot nu toe hebt geschreven.
Dan waak je er ook voor dat het reviseren te snel gaat: je moet ook zeker weten dat je het boek schrijft dat je voor ogen hebt, en het niet klakkeloos aanpast naar de wil van een enkele proeflezer. Of binnen een maand een boek hebt geschreven: alleen Neeltje mag nieuwsgierig zijn, niet de postbode.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan de rol van Neeltje overndemen, maar dan uitgebreider op professioneel niveau. 🙂 Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Aksel Fristrup verkregen via Unsplash.

Wanneer is een gat in het plot onvergeeflijk?

Gaten in het plot moet je zoveel mogelijk voorkomen. Maar dat kan niet altijd. Eindeloos reviseren of herlezen voorkomen contiuïteitsfoutjes niet volledig. Welke gaten in het plot zijn niet zo erg en welke kunnen je hele verhaal laten wankelen, of ongeloofwaardig of geforceerd laten lijken?

Wie heeft die deur ineens opengedaan?

Het bekendste en makkelijke voorbeeld van een gat in het plot is de gesloten deur. De deur zit pottdicht, de sleutel is weg en twee alinea’s later stapt je held zonder problemen de deur uit. Die fout lijkt makkelijk op te sporen, maar dat valt tegen. Haal er een detail als een gesloten deur er maar eens uit tussen alle ruzies, sprekende sfeeromschrijvingen en mogelijke puzzelstukjes van een plottwist. Ook al is de schrijver het grote brein achter het verhaal, tenzij die volgens Chekhov’s gun schrijft, herinnert die zich zelden iedere zin, detail en samenhang.

Waarmee valt of staat (de geloofwaardigheid van) je boek?

Je moet er dus vrede mee hebben dat je de spreekwoordelijke strijdbijlop een bepaald moment moet begraven in de strijd tegen gaten in het plot. Maar met diezelfde bijl moet je toch nog een laatste keer een flinke klap kunnen uitdelen. Daar waar gaten in het plot opgemerkt kunnen worden, moeten ze weg. Maar je hoeft niet elke zin van je boek onder een microscoop te leggen in de hoop zo’n fout op te merken. Je moet alleen weten wanneer het verhaal compleet anders zou verlopen of het niet langer meer logisch is als er iets zou veranderen.

Daarvoor schrijf je de belangrijkste gebeurtenissen uit je verhaal op. Niet om te controleren of je die allemaal wel hebt meegenomen, want dat is vast en zeker het geval. Zou je echt vergeten dat de boerenknecht zonder wapen eerst een zwaard moet vinden, voordat hij op pad gaat om de draak te verslaan? Vast niet: dat soort zaken zijn vaak complete beats van de drieaktenstructuur. Mist daar iets, dan merk je bij een revisie wel dat er iets rammelt. Maar schrijf die beats en kleinere belangrijke punten in je verhaal wel allemaal op. Die vormen de basis voor het belangrijke speurwerk dat je gaat doen.

Wat vormt de kern van de beat?

Om de grootste potentiële gaten in het plot op te merken, kijk je naar wat de kern van een beat vormt en wat ervoor nodig is om die beat tot zijn recht te laten komen. Neem de boerenknecht die een zwaard moet vinden. Met alleen een wapen oprapen kom je niet ver in een gevecht tegen de draak. Je zal ermee moeten leren omgaan. Dus volgt er een trainingskamp. En daar komt de ridder zichzelf tegen. Hij heeft nog geen goede conditie, is bang aangelegd, of vindt zichzelf een beetje te goed: “nu ik uitverkorene ben om de draak te verslaan, word ik door iedereen aanbeden. Alles komt me aanwaaien, dus ik hoef voor het trainen ook nog maar weinig moeite te doen.”
Om gaten in het plot te herkennen, kijk je dus niet naar het meer brede ‘de training met het zwaard’, maar wat die training nu precies de narratieve waarde geeft. In dit geval is dat een groeiproces. En hoe moet de boerenknecht groeien?
* fittter worden
* angst overwinnen
* nederigheid leren

Die zaken geven de beat waarde. Vergeet je dus iets of ga je sleutelen aan datgene wat aan die onderliggende boodschap bijdraagt, dan krijgt je een gat in je plot dat ook daadwerkelijk storend is, niet alleen onhandig, zoals de plotseling niet langer gesloten deur.

Voorbeeld van een raar gat in het plot

In ‘Harry Potter en de relieken van de dood’ zijn Harry en zijn beste vrienden Ron en Hermelien ondergedoken. Een gevolg daarvan is dat ze vaak honger hebben, omdat ze geen eten kunnen vinden. Maar op een zekere dag komen ze andere personages tegen die net als Harry en co kunnen toveren. Deze reigers vissen met een toverspreuk zonder moeite zalm uit de rivier. Van geroosterde zalm verhonger je niet…

Dit zou een voorbeeld van een ‘gesloten deur’ kunnen zijn. Maar het is dat niet omdat:
* De honger ervoor zorgt dat Ron steeds chargrijniger wordt…
* … waardoor Ron vatbaarder is voor onredelijkheid…
*… die hem uiteindelijk laat weglopen…
*… waardoor later essentiële latere plotpunten kunnen plaatsvinden

Noem het Deus ex machina of een gat in het plot. Feit blijft: in een boek waar mensen kunnen tóveren, wordt een toverspreuk vergeten. Dat zorgt voor langdurige en onnodige ruzies en narratieve conflicten. Veel fans vinden de ruzie waardoor Ron wegloopt erg geforceerd. Daar zijn verschillende oorzaken voor, maar schrijftechnisch gezien is deze daar zeker een van.

Hoe had dit gat in het plot opgespoord kunnen worden volgens het eerder gegeven stappenplan opgemerkt kunnen worden?

De kern van de beat/ het ‘verhaal van de ruzie’ is : ondergedoken zijn moet geen pretje lijken. De ruzie van Harry en Ron mag dit níet zijn. In ons eerdere voorbeeld zou dat hetzelfde zijn als zeggen: de boerenknecht heeft een zwaard nodig.

Ondergedoken zijn is dus het probleem. In het verhaal geeft dat de problemen:
* De missie waarop Harry en co zijn, voelt uitzichtloos
* Ze weten niet wat er in de buitenwereld gebeurt
* Ze snakken naar contact met anderen

Dat is ook waar Ron uiteindelijk op breekt, maar de nadruk wordt daarbij gelegd op het feit dat hij slecht met honger om kan gaan. Er wordt letterlijk geschreven dat Ron op zijn slechtst is als hij nauwelijks heeft gegeten. Níet als hij zijn familie mist. En dat vormt nu precies de kern van deze beat. Het is een probleem dat in tegenstelling tot de honger, niet zomaar op te lossen is. Want duik je niet meer onder, dan vlucht je niet langer. Dan stort dat deel van het verhaal in. Eten of geen eten: onderduiken blijft nodig en sociaal isolerend, dus vervelend. De kern van deze beat blijft dan intact.

Fiks de gaten in de plot die de kern van een beat wankel maken. Eventuele kleine gaten in je plot worden je dan wel vergeven.

Heb je hulp nodig met het schrijven van je boek? Ik help graag. Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Francisco De Legarreta C. verkregen via Unsplash.

De sterke scène: spanningsboog en emotionele beleving combineren

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je het best in kan gaan op de emoties van je hoofdpersoon tijdens een moment dat in beweging moet blijven.  

Schreeuw het niet van de daken

Je kent het clichébeeld vast wel: een mentor sterft in de armen van de held en die werpt zijn nek dramatisch naar achteren: “NEEEEEE!” Bijna iedereen rolt bij dit cliché met de ogen, omdat het zo overdreven is. Maar niet alleen daarom. Het neemt de spanning van het moment of de actie van het voortdurende verhaal weg. En dat is funest voor een goed verloop van je scène. Een heftige emotionele scène mag soms wat gewicht hebben. Maar hij slaagt vrijwel nooit als je de emoties van de daken schreeuwt.

Waarom mag een emotie nooit te groot zijn voor een scèneverloop?

Emoties en een scèneverloop verschillen qua schrijfdoel als dag en nacht van elkaar. Een scène wil het verhaal vertellen en daarmee doorgaan. Als verhaal in het klein wil een scène je iets duidelijk maken, een nieuwe scène zal weer het volgende bekendmaken en zo verder. Een scène wil dus altijd dóór. Wil je aandacht schenken aan een emotie, dan moet je daar letterlijk en figuurlijk bij stilstaan. Daarmee komt het verhaal even op de pauzestand.
Overdreven veel aandacht aan een emotie besteden of die erg uitvergroten zorgt ervoor dat je de aandacht vestigt op iets dat stilstaat. Terwijl een verhaal en een scène altijd een zekere mate van beweging in zich moeten hebben. Geef je te veel aandacht aan een (grote) emotionele beleving, dan gaat dat dus ten koste van de spanningsboog. De actie van het moment kan immers niet verder.

Schrijven met grote emoties in een scène

Natuurlijk hebben heftige emoties zo nu en dan wel degelijk hun plaats in een scène. ‘Heftige emoties´ kan je onderverdelen in exploderend en imploderend.
Denk bij exploderend aan iets als:
“Ik vermoord hem!” riep hij en hij stormde met zijn zwaard op de kille vijand af.
Deze emotionele beleving piekt meteen en gaat ook regelrecht de actie in. Om de heftigheid te bewaren is het belangrijk om dat éne moment intens te omschrijven, in plaats uit meerdere heftige uitingen of acties de kracht te willen halen.

Houd het in dit geval dus bij: “Ik vermoord hem!” en laat dat erop volgende “Die rotzak, die gemene, gluiperige, verraderlijke, verdorven éikel!” achterwege.

Heftige imploderende emoties zorgen ervoor dat je personage door de heftigheid ervan niet in de actie kán komen, al zou die het willen. Het mag daarbij gillen en schreeuwen. Met die intensiteit scheelt dat in dit geval niet per se van de exploderende emotie. Maar de imploderende emotie heeft door dat bevriezende effect wel meer tijd nodig. Voor het personage om te doorvoelen, maar ook voor jouw als schrijver om het in woordenaantal uit te werken.

Bij deze imploderende emotie mag je dus wat langer stilstaan. Je mag in relatief veel detail omschrijven waar en hoe(veel) het pijn doet en welke gedachten er door het hoofd van de held flitsen. Vermijd daarbij wel dat je held niet in een soort flashback van allerlei andere pijnen of herinneringen belandt. Blijf in het moment van de emotie. Probeer ook als vuistregel aan te houden dat je niet meer dan twee verschillende pijnen of algemene gedachten in detail omschrijft. Dan kan je erop rekenen dat de spanningsboog intact blijft en je scène niet aan de nodige vaart verliest. Zo kan het verhaal ook weer tijdig verder gaan.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Alexandra Mirgheș verkregen via Unsplash.

Waarom is het belangrijk dat een lezer nieuwsgierig blijft naar je verhaal?

Bijna iedere schrijver droomt ervan een bestseller te schrijven. Daarvoor zijn er veel factoren belangrijk. Maar op zijn minst moet je lezer continu willen blijven lezen. Of het nu bloedstollend spannend is, of het heerlijk is om te blijven zwijmelen: ongeacht het genre krijg je dat pageturnereffect voor elkaar door de lezer nieuwsgierig te houden. In deze post gaan we verder in op hoe je dat voor elkaar krijgt en waarom dat zo belangrijk is.

Pageturners en cliffhangers

Of het nu om de meer dramatische cliffhangers of de effectieve pageturner gaat, ze hebben gemeen dat een goede uitwerking ervan de lezer nieuwsgierig houdt. De kernwoorden ´Wat´ (is er aan de hand / gaat er nu gebeuren?) en ‘Waarom’ (is dít aan de hand, en niet iets anders? -Waarom heeft de crimineel een bank proberen te beroven, in plaats van een poging gedaan mensen op te lichten?- ) zorgen er altijd voor dat een verhaal gaande blijft. En dat is altijd belangrijk: een verhaal zonder enige vorm van beweging is een anticlimax of een slechte scène.

Het belangrijkste uitgangspunt om de lezer nieuwsgierig te houden is dat spetterende actie daar geen garantie voor is. En dat iets wat op het eerste gezicht saai kan lijken, juist ontzettend spannend kan zijn. De lezer hoeft slechts steeds iets hebben te om naar de blijven raden volgens die wat en waarom regel. En dan kan het al bloedstollend of interessant genoeg zijn om te weten dat er al twee dagen een pan onaangeroerde soep op het aanrecht staat.
* Waarom eet Hanneke niet? Is ze soms ziek?
* Waarom schijnt het niemand uit te maken dat die soep bederft? Is er wel iemand thuis (geweest) in dit anders zo drukke huis? Blijkbaar niet: wat is er aan de hand?

De nieuwsgierigheid van de lezer te houden vasthouden bij voorspelbaarheid

De regel van actie-reactie stelt dat alles wat er gebeurt, een gevolg moet hebben. Niets mag op zichzelf staan. Afhankelijk van hoe goed je lezer je plot of personage kent, zal die op daardoor op een bepaald moment kunnen voorspellen wat er grofweg zal gebeuren. Dat is niet erg. Want dan komt de hoe-vraag om de hoek kijken. Je wéét dat je personage zijn eigen ondergang in gang gaat zetten. Of dat dit stelletje met elkaar eindigt. De vraag is: hoe? En het antwoord daarop zorgt ervoor dat jouw verhaal anders is dan soortgelijke verhalen in hetzelfde genre. Daarom gaat het ene verhaal over bankroof, de het andere over oplichten. In de ‘hoe-vraag’ zit een interessante zoektocht voor jou als schrijver. Hoe zorg jij ervoor dat je verhaal uniek blijft, zodat je de lezer altijd nieuwsgierig blijft? Voor verschillende elementen in het verhaal zijn daar verschillende dingen voor om op te lettten.

Benodigde samenhang in een boek om nieuwsgierigheid te kunnen prikkelen

In de onderstaande alinea’s ga ik verder in op de mogelijkheden die je hebt om per element nieuwsgierigheid bij je lezer op te wekken. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat een bepaalde samenhang onmisbaar is. Niet alleen voor de het leesplezier van de lezer, maar ook om het verhaal sowieso logisch te houden. Het kan dus zomaar zijn dat onderstaande punten niet een op een over te nemen zijn. Want zoals je kan zien in het principe van actie-reactie: een net iets andere actie kan zorgen voor een andere reactie. Dus als een personage zich anders door het plot beweegt, kan dat al veranderingen betekenen. Maar hé: als je daar de juiste balans in kan vinden… blijft je lezer wel nieuwsgierig!

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig plot?

Een plot leent zijn voorspelbaarheid aan het feit dat het verloopt volgens een vaste structuur. Ga daar niet aan sleutelen, daar wordt je verhaal alleen maar rommelig van. Je kan het plot fris en verrassend houden door:

* de lezer een andere blik op een verhaalthema te geven
* nieuwe personages of subplots te introduceren. Wees wel voorzichtig: als je dit te enthousiast wordt, kan je lezer je niet meer bijbenen.
* hint ernaar dat er een plottwist speelt of kan gaan spelen: schrijf met puzzelstukjes die nog niet helemaal op zijn plaats vallen.

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig personage?

Personages zijn altijd interessant, als je ze ook maar een beetje verder evalueren dan een figuur met de persoonlijkheid van een stuk karton. En dat is je wapen: de personagebiografie, de elementen die je personage uniek maken. Kijk eens in de biografie:

* Wat je personage doet in een onverwachte situatie gedwongen wordt om accuut te handelen, terwijl het niet weet wat het moet doen. In een of de crisis moet je personage al diens vindingrijkheid aanspreken om problemen op te lossen. Zorg ervoor dat er in meer of minder mate altijd iets nieuws te vertellen valt over de probleemoplossingsvaardigheden – of het gebrek eraan- van je personage.

* Laat een kant van je personage zien die niet vanzelfsprekend is. In een personagebiografie staan een aantal zaken die altijd wel terugkomen in het verhaal, zoals de grooste angst. Maar kan je ook iets met het feit dat je personage goed is in iets ongewoons of ongezien als het onderhouden van een groententuin? Best handig als er plotseling oorlog uitbreekt en de voedselvoorziening op zijn gat ligt. Wees er wel alert op dat je deze vaardigheden wat ‘voorverwarmt’. Worden die bekend zodra het van pas komt, dan schrijf je een Deus ex machina.

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig conflict?

Een goed geschreven narratief conflict is van zichzelf al een uitstekende hoe-vraag, want de lezer wil weten hoe het afloopt. Maak het extra spannend door:
* meer dan een persoonlijk belang op het spel te zetten.
* de belangen van een ander geliefd personage van de hoofdpersoon ook in het conflict te mengen.
* een beroep te doen op meer dan een vaardigheid van je held.
* de uitkomst van het conflict – tot op zekere hoogte!- te laten afhangen van de genade van de papieren God.

Overdrijf dit echter niet: te veel drama puur omwille van choqueren werkt alleen maar averechts.

Foto door Joakim Honkasalo verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor mijn diensten als schrijfcoach.

De sterke scène: reactie dilemma, beslissing

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar een opbouw van scène volgens het principe van reactie, dilemma en beslissing.  

Hier moet een scène aan voldoen

Een paar vuistregels voor een scèneopbouw komen altijd terug:

  • Een scène is een verhaal in het klein: het moet op zichzelf samen te vatten zijn. Lees: het is niet zomaar een brij aan feiten of gebeurtenissen.
  • Een scène moet een lezer altijd iets nieuws leren.
  • Een scène moet in meer of mindere mate actie bevatten, al is het maar een gevolg van een relatieve kleine handeling. Zo blijft een verhaal in beweging.

Als je uitgaat van reactie, dilemma en beslissing komt daar nog iets bij om op te letten. Wordt er een beslissing gemaakt?

Actie en reactie: hoe ziet de reactie eruit?

Een verhaal, hoofdstuk of scène is altijd in beweging. En het kan in beweging blijven omdat een personage erop reageert en dat blijft doen. Als eerste van drie pijlers voor de opbouw van een scène kan ‘reactie’ die starten en meteen op scherp zetten. Zeker als je de spanningsboog wil verhogen.

Als een personage ergens op reageert, gaat er als vanzelf iets anders gebeuren. Reageer je op de deurbel, dan heb je even later een nieuwe actie: een gesprekje met degene aan de deur, of een pakketje dat je het huis in brengt. Zo blijft het verhaal aan de gang. Maar een wezenlijke reactie leert je ook iets nieuws. Als de held bij het horen van naar, maar relatief onschuldig nieuws ontploft, leert de lezer ook dat die een kort lontje heeft, of slecht tegen onzekerheid kan.

Dat is op zichzelf niet per se spannend, tenzij je personage reageert op een manier waar het vrijwel meteen spijt van heeft of waar het beseft dat er veel op het spel staat. Om wat voor reden dan ook moet er iets worden rechtgezet worden, of een beslissing worden afgewogen.

Het dilemma: en dan?

Dilemma’s zijn in verhalen altijd interessant. Het werkt als een pageturner. Ook krijg de lezer weer een kijkje in het hoofd van de personages.
Verhaaltechnisch is dit het punt waarop je verder kan gaan met het ene verhaal of met het andere. En dat is interessant voor de spanningsboog. De lezer wil niet per se weten hoe een verhaal afloopt, maar eerder naar hoe die afloop zich ontvouwt. Stel dat je personage een miljoen wint en moet beslissen of die een luxe avontuur wil gaan beleven of het verstandig investeert en een verder ‘saai’ leventje gaat leiden, maar wel met een financiële zekerheid die een aantal problemen zal vermijden.

Het gaat hier dan niet om welke oplossing het ‘interessantst’ is. Maar of je lezer de voors en tegens samen met het personage af kan wegen. De twee keuzes staan voor twee compleet verschillende verhalen. Daarom blijft het voor de lezer interessant om te lezen hoe het daarna verder gaat. Het afwegen van die voors- en tegens en het in kaart brengen van de gevolgen van de keuze, maakt de scène sterk en houdt de spanningsboog in stand.

Beslissing gemaakt

Tot slot schrijf je over de beslissing. Dat heeft een direct gevolg, waarmee je de scène kan eindigen. En in zekere zin ook weer een volgende scène mee kan beginnen. Want er ging een dilemma aan vooraf. Wat gebeurt er nu die andere optie níet gekozen is? Dat is iets waar je tussen de regels door nog op terug kan komen. Of je kan je personage later keihard confronteren met de ‘verkeerde keuze.’ Dan is er weer een reden om hetzelfde schema voor scèneopbouw nog eens te gebruiken. Zo blijft je verhaal gaande, leer de lezer steeds iets nieuws en is iedere scène spannend.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Burst verkrgegen via Unsplash

Zo wordt je archetype een cliché

Een archetype kam je een fijne houvast bieden om een personage te kaderen. Zo weet je zeker dat je personage stabiel blijft in het doen en laten van diens belangrijkste karaktertrekken. Maar dit kader heeft een aantal valkuilen. Net zoals ieder kader of formule voor schrijven kan je sneller dan je denkt een cliché schrijven als je de spreekwoordelijke handleiding te veel ter harte neemt. Laten we eens kijken hoe dat zit voor archetypen.

Wat is het voordeel van schrijven op basis van archetypen?

Archetypen zijn voorbeelden van personages met bepaalde karaktertrekken. Bij die karaktertrekken komen als vanzelf ook zaken als bepaalde dromen en kwaliteiten naar voren. Zo heb je het archetype ‘de Wijze‘. Dit personage beschikt over veel levenswijsheid, heeft als karakterkwaliteit empatie en als levensdoel de zoektocht naar spiritualiteit. Daarmee heb je dus een blauwdruk dat je een opzet geeft voor een personagebiografie en wie weet ook wel voor verhaalthema’s of de invulling van een plot.

En daarover gesproken: het bepalen van een archetype kan je ook hier weer helpen om een verhaal zowel vorm te geven als af te kaderen. Want als je schrijft over het buitenbeentje dat zich wil laten gelden en vrijheid nastreeft zal het een rebel worden. Dan ga je dus niet snel meer schrijven over iets wat meer bij Jan met de pet past. Dat zou in het geval van het archetypenschema zijn: ergens thuishoren en zich verbinden met anderen.

Wat vertelt een archetype je? De valkuil van archetypen

Als je een archetype van een personage uitschrijft, heb je dus van een aantal dingen duidelijk wat het naar alle waarschijnlijkheid wel of niet zal doen. Als je in de ontwerpfase van schrijven zit, is de kans heel groot dat je in een schrijversprint belandt: ik schrijf over een dierentuinmedewerker. Die werkt bij de leeuwen. O, en een boek heeft drama nodig, dus komt er een leeuwenaanval, waarbij mijn held gewond raakt en dan… Het is het welbekende exploderende web aan ideeën.
Dat is goed voor de schrijversflow, maar als dat gebeurt met op basis van een archetype, dan is de kans groot dat je je regelrecht vastschrijft in clichés. Kijk maar eens naar het voorbeeld van het archetype: de geliefde.

Romeo staat voor liefde en streeft intimiteit, en zijn levensdoel is dus om zich met anderen te verbinden. Wat romantisch… Zodra hij Julia ontmoet, komt de romantiek bovendrijven en zal Romeo niets anders dan lieve dingen zeggen en zal zijn hele leven in het teken van wijntjes bij de haard met zijn prinses draaien. Hoppakee, daar heb je het al: de cliché Romeo en Julia.

‘Het moet’ en ‘maar dat zou nóóit gebeuren’

Als je op de manier zoals hierboven met een archetype start, dan ga je in zekere zin uit van twee aannames:

* Bij dit archetype móet XYZ gebeuren
* Bij een personage van dit archetype gebeurt XYZ dus nóóit

Dat is riskant omdat je bij voorbaat al een hele hoop zaken uitsluit. En dan juist de zaken die een verhaal, schrijfstijl of personage uniek maken. Want als onze Romeo dus nóóit zonder romance kan, gaat hij voor je het weet nog praten met ontzettend klef bloemig taalgebruik. Want dat moet hij als romanticus doen. En hij zal nooit nee zeggen tegen Julia, want dat doet hij als ultieme romantische held niet. Dat lijkt onschuldig, tot Julia hem mentaal mishandelt en hem gebruikt om zijn portemonee leeg te trekken of er een ander vandoor gaat. Ironisch genoeg is je verhaal over deze archetype geliefde ineens niet meer zo romantisch als het zou moeten zijn.

De valkuil van een doorgeslagen archetype: preventieve test

Er is een redelijk eenvoudige manier om op te merken wanneer je met je personage in deze valkuil dreigt te vallen. Schrijf een scène van ongeveer 600 tot 1000 woorden waarin je personage doet wat die op een alledaagse dag doet, droomt en denkt. Onze Romeo zal dus een gesprek voeren waarin hij niet bang is om te zeggen hoe hij zich echt voelt en misschien een keer inloggen op een datingapp. Zodra deze hele scène schreeuwt: Romeo is de archetype geliefde, dan moet je op gaan passen. De kenmerken van het archetype mogen wel zichtbaar zijn, maar dan wel tussen de regels door.

Het grotere probleem met de archetype valkuil

Clichés lezen nooit fijn, of dat nu gaat over de invulling van een plot of over het archetype van een personage. Bij het blindstarten op een archetype vergeet je het principe van nuance. Een interessant boek draait daarop. Archetypes zijn een fijne houvast voor de grote lijnen, maar het verhaal als geheel moet genuanceerde personages, plotwendingen, verhaalthema’s en achtergronden hebben. Anders leest je verhaal als een grote infodump of tell. Of wordt je boek vergeten omdat het dertien in een dozijn is. Om dat te voorkomen moeten er dingen gebeuren die anders zijn dan anders, een beetje tegendraads zijn ten opzichte van de blauwdruk die een archetype je biedt, of die je personage verrijken op een manier die niet meteen ‘logisch’ is. Personages en mensen verschillen van elkaar, maar een lezer wil altijd dat een personage aanvoelt als een mens. En daarvoor heeft een personage menselijke trekjes nodig. Lees: complexiteit.

Je bent als schrijver een God van een papieren wereld. Maar dat betekent niet dat je personage daardoor een handleiding heeft om alle obstakels meteen te overwinnen of altijd alles volgens die handleiding kan zijn, doen of opvolgen. En dat begint bij een personage af en toe iets te laten zijn of doen wat die op papier niet meteen is. Lees: wat niet bij diens archetype past. Ook een personage mag buiten de lijntjes kleuren. Let hierbij wel op dat je niet meteen het complete tegenovergestelde laat doen. Dan kan je personage onrelatischisch overkomen, of ziet de lezer dat je als schrijver te graag wil dat Romeo echt niet is zoals alle andere romantische mannen.

Nuance is en blijft het toverwoord, zeker als je de blauwdruk van een archetype als voornaamste uitgangspunt gebruikt.

Foto door Daniel McCullough verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan je helpen: kijk eens in mijn webshop.