Woordgebruik in een boek voor jonge kinderen

Als je voor volwassenen schrijft, voel je meestal wel aan wat grofweg de moeilijke woorden zijn die niet iedereen meer begrijpt. Bij de woordenschat van jonge kinderen ligt dat toch wel anders. Hoe vertel je een verhaal zonder te veel moeilijke woorden? En wanneer is een woord of een tekst te moeilijk om te volgen?

Taalontwikkeling van kinderen

Woorden leer je in een bepaalde volgorde. Veelvoorkomende woorden leren je sneller dan woorden die je minder snel hoort: appel snap je eerder dan klokhuis. Concrete woorden of begrippen die duidelijk zichtbaar of tastbaar zijn komen eerder dan abstracte woorden: school wordt als woord eerder begrepen dan (de associatie van) plezier of verveling.
Daarnaast groeit de woordenschat explosief als woorden in eenzelfde ‘categorie’ of woordgroep voorkomen. Als je weet wat een boom is, leer je ook weer snel wat een blad is, want dat zit aan de boom. Dan leer je ook weet wat een tak is, omdat het blad daaraan groeit. Een tak is weer van hout… enzovoorts.

Zo groeit woordenschat (Afbeelding: jufmilou.nl)

De zinsontwikkeling is ook belangrijk bij taalontwikkeling. Houd de zinnen voor peuters en kleuters kort en bondig. Hoe langer een zin is, hoe moeilijker hij te begrijpen is. De kleuter loopt het risico minder woorden te snappen en moet bovendien ook al die woorden ‘onthouden’ om er een idee van te kunnen vormen. Hoe langer de zin wordt, hoe groter de kans is dat je voegwoorden (omdat, maar, want) moet gebruiken. Die begrijpen kinderen pas echt rond een jaar of zeven, acht. Voegwoorden maken de zinnen niet alleen langer, maar het zijn ook nog eens abstracte woorden die een verband tussen zinnen aangeven. Die verbanden moet je dus ook kunnen leggen: X heeft met Y te maken.
Het is niet zo dat een kleuter: ”Het is koud, want het sneeuwt” als idee niet begrijpt, maar taalkundig gezien vertaalt die het in zijn hoofd als: ”Sneeuw is koud.” Een kleuter weet dat sneeuw koud is, maar niet per se dat sneeuw en kou een soort oorzaak-gevolg met zich meebrengt. Dat verband is – taalkundig gezien- nog te hoog gegrepen.

Lastige woorden in een kinderboek

Je hoeft echt niet van elk woord te weten of een kind het begrijpt voordat je het in een kinderboek gebruikt. Wat uitwerkingen van woorden uit Rikki en Mia de Kip van Guido van Genechten.

”Haar lelletjes strijken zacht over zijn pels.”
Drie van deze zeven woorden zijn te moeilijk voor een kleuter. Maar vlak daarvóór laat Rikki zijn lievelingskip, (de enige witte kip en Rikki is zelf ook wit), zonnebloempitten uit zijn pootje eten. Door een paar korte zinnen weten kleuters dat Rikki en Mia de kip goede vriendjes zijn; ze hebben iets gemeen en ze vinden elkaar lief. Dan storen onbegrijpelijke woorden niet: het idee staat al. Bovendien is zacht een woord wat ze wel snappen. En zacht is (ironisch genoeg) een heel zacht, fijn woord. Die associatie krijgen ze dus wél mee. Bovendien staat een lachende Rikki die Mia eten geeft op de begeleidende tekening.

Verroeren:
Rikki is Mia kwijt en gaat haar zoeken. Uiteindelijk vindt hij haar. Rikki is dolblij en wil verstoppertje spelen, maar Mia is aan het broeden.
”Mia verroert geen veertje.”
Daar snapt een kleuter niks van. Maar: Mia wil niet spelen, terwijl ze lang verloren is geweest en nu haar vriendje weer ziet. Daar is iets geks mee… Meteen daarna wil Rikki Mia oppakken, maar dan pikt zij hem. O jee… Wat is er toch aan de hand? Het idee dat een vriendinnetje jou pikt is voor een kleuter ontzettend spannend. Of Mia dan in de praktijk met dat ”geen veertje verroeren” niet heeft bewogen, heeft zitten slapen, of desnoods heeft zitten eten, maakt dan niets (meer) uit.

Wat uitmaakt is of je een vriendje hebt om mee te spelen, of dat dat even alleen moet.

Antwoorden:
Rikki haalt zijn vader om te vragen wat er aan de hand is. Hij vertelt dat Mia aan het broeden is:
“Ik wil met Mia spelen,” zucht Rikki.
“Dat kan nu even niet,” antwoordt papa.
‘antwoordt’ is hier een regieaanwijzing. Een kleuter heeft daar geen concreet beeld of associatie bij (is antwoorden vriendelijk, neutraal, wordt Rikki getroost?) maar dat maakt in de grote context wederom niets uit.
Rikki zegt iets, vader antwoordt iets. Dat is belangrijk: Rikki krijgt antwoord. Daarna gaat de aandacht weer naar het grote probleem: Rikki mag niet met zijn vriendinnetje spelen. Een paar dagen niet mogen spelen met je vriendinnetje is oprecht erg in de belevingswereld van een kleuter. Dan maakt het echt niet uit of papa dat fluistert, zegt of zucht. In een kinderboek schreeuwt een vader niet. Dat past alleen in duistere boeken met een zwaar verhaalthema. Ergens weet een kind dat ook. Papa gaat hierom niet schreeuwen, dus dat uitsluitsel hoef je niet te geven door je concentreren op de perfecte regieaanwijzing. Laat dat ene moeilijkere woord vooral niet veel gewicht in de schaal leggen. Het is echt maar een detail voor de kleuter en voor jou schrijft het prettiger. Je wordt er horendol van als je steeds staccato ”begrijpelijk” moet gaan schrijven met alleen maar: zegt, zegt, zegt. Dat doet het tempo van je tekst ook geen goed.

Het toverwoord bij kinderboeken: inleven

Als je je aan de basisprincipes van taalontwikkeling houdt, kan er wat betreft woordgebruik niet zo snel iets misgaan. Een kleuter kan ‘literair ontleden’ niet eens uitspreken, laat staan dat hij dat doet ;). Het is bij kinderboeken belangrijk dat je je inleeft in de beleefwereld van het kind. Wat vindt een kleuter interessant of spannend? Bedenk dat kleuters de wereld nog volop aan het ontdekken zijn. Als je bedenkt wat een vijfjarige wereldontdekker bezighoudt, dan zit je al snel goed.
Kijktip: Ponyo. Sosuke en Ponyo zijn de vijfjarige helden. Je ziet dus hoe zij alles beleven, maar toch blijft de film genoeg ”uitgezoomd” om als volwassene het perspectief van een kind te kunnen zien, in plaats van dat de hele film kinderlijk eenvoudig of overdreven ”zacht en pluizig” wordt.

Wat is het verschil tussen clichés en tropes?

Rollende ogen en geïrriteerde zuchten van herkenning bij een lezer zijn een nachtmerrie voor een schrijver. Een cliché is een bekend fenomeen, maar het is minder bekend hoe het ontstaat. Maar om goed te kunnen schrijven, moet je dat wel weten. Daarom leer je in dit artikel het verschil tussen clichés en tropes.

Trope: het onmisbare bouwsteentje

Een trope is een bouwsteentje van een verhaal. Het gegeven van dit bouwsteentje is waar de rest van het verhaal op voortborduurt of waarmee het verder wordt verduidelijkt.  Zie het als een basiskader waardoor het verhaal logisch blijft voor de lezer. Enkele voorbeelden:
•    een wijze oude vrouw;
•    een relatie tussen een rijk meisje en een arme jongen;
•    een dictator grijpt de macht;
•    een groot huis.

Een trope is dus een heel uiteenlopend gegeven. Het kan een voorwerp zijn, een feit, een relatie, karaktertrek, een hele volksgeschiedenis… Waar het bij een trope om gaat is dat je iets schetst waaraan de lezer een min of meer vanzelfsprekend gevolg aan kan koppelen. Een wijze oude vrouw heeft veel levenservaring, een inkomenskloof gaat voor spanningen in de relatie zorgen, een dictatuur zorgt voor ellende en in een groot huis wonen mensen die het goed voor elkaar hebben. 

Je kan geen verhaal schrijven zonder een trope, want dan schrijf je letterlijk een verhaal zonder inhoud.

Cliché: een storend steentje

Een cliché is eigenlijk niets meer of minder dan een storende trope. En wel om de reden dat het de lezer uit het verhaal haalt en de schrijver aan het werk ziet: ‘Dit heb ik al zo vaak gelezen, dit boeit me niet meer….’ ‘O, ik kan echt níet bedenken -ahum- wat er nu weer gaat gebeuren…’ Het is dus niet per se een saai stuk, maar iets wat de lezer al zo vaak heeft gelezen dat hij de afloop kan voorspellen en daardoor eerder het verhaal gaat analyseren dan beleven. Negen van de tien keer verpest dat het leesplezier, wat de bekende rollende ogen oplevert als je een cliché tegenkomt. 

Cliché of niet?

Het lastige van clichés is dat ze persoonlijk zijn. Waar jij misschien heerlijk zit te zwijmelen (en daarmee het verhaal induikt) bij een jongen die met zijn meisje in het openbaar gaat dansen, kan een ander dat irriteren en uit het verhaal halen, waardoor het een cliché wordt. Er zijn echter wel een aantal tropes die zo vaak voorkomen dat ze als algemeen cliché worden beschouwd. Er zullen echt wel mensen zijn die zich er niet aan storen, maar het algemene publiek zal wel denken: “Daar gaan we weer, dertien in een dozijn…” Denk bijvoorbeeld aan de eerdergenoemde kloof tussen arme en rijke tortelduifjes of ‘De butler heeft het gedaan’. 

Clichés voorkomen is tropes begrijpen

Met uitzondering van algemene clichés kan je clichés nooit helemaal voorkomen vanwege de persoonlijke aard ervan. Maar je kan het risico erop wel verkleinen. Daarvoor moet je kijken naar wat het cliché storend maakt. Soms is dat een storend vooroordeel, maar het is hoe dan ook de verwachting dat het bouwsteentje volgens een specifiek patroon verloopt. Als je de invulling van die verwachtingen verandert, is de kans heel klein dat je trope nog als cliché wordt gezien. 

Een voorbeeld: De homoseksuele beste vriend. Een man en vrouw zijn boezemvrienden, maar de man is homoseksueel. Dat is de trope: dat zijn de eigenlijke feiten. Deze trope is clichégevoelig, omdat de man zich daarin vaak zeer vrouwelijk gedraagt of traditioneel vrouwelijke interesses heeft: hij is kapper en dol op mode en make-up. Als deze homoseksuele beste vriend een racefanaat met spierballen is, valt hij nog steeds op mannen, is hij nog steeds bevriend met de vrouw, maar dan zet je de verwachtingen die het cliché vormen buitenspel. De trope blijft intact, het cliché niet. Om een cliché te voorkomen, moet je dus vooral weten hoe een trope (te) vaak wordt geïnterpreteerd en dat specifieke element veranderen of een unieke draai geven, zodat je verhaal origineel blijft. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Show don’t tell tip: het huis van je personage

Met show don’t tell kan je je verhaal levendig maken en zo meer over je personage vertellen. Dat kan door zintuiglijk te schrijven, maar je kan ook naar zijn huis kijken.

Show don’t tell in een notendop

Lees onderstaand citaat eens.

Als je tegen grote mensen zegt: ´Ik heb een prachtig huis gezien van roze baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak… ‘ dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: ‘Ik heb een huis van een half miljoen euro gezien. – Dan roepen ze ‘Wat mooi!’

De kleine prins — Antoine de Saint-Exupéry

Zou het toeval zijn dat De kleine Prins volwassenen als mensen zonder fantasie neerzet en zij juist daarom de voorkeur geven aan een typische tell techniek, in plaats van show waar de verbeelding het werk moet doen en iets levendig en mooi maakt? Vrijwel het hele boek geeft af op volwassenen zonder fantasie en een bepaald observatievermogen en het is het op twee na best verkochte fictieboek in de geschiedenis. Dus tja… 😉 Als je het effect van show don’t tell in een notendop wil onthouden, is dit citaat een mooi voorbeeld.

Wat een huis je kan vertellen

Een huis van een half miljoen (of een ‘duur huis’ of een ‘villa’) zegt helemaal niks over hoe het eruit ziet. Kun je je de controversie rondom het huis van Guus Meeuwis nog herinneren? Nog los van of het jouw smaak is of niet: het feit dat veel mensen het eerder een bunker dan een huis vonden, zegt voldoende: als je wil weten hoe mooi een huis echt is, moet je het omschrijven. En dan ontkom je er niet aan dat je iets over de persoon die erin woont te weten komt, of daar in ieder geval bepaalde aannames over kan maken:
* het huis van Guus Meeuwis had vrij weinig tot geen ramen. Als bekende zanger is dat vanwege privacy misschien belangrijk voor hem;
*het huis van de kleine prins wordt omschreven met dieren en bloemen en een zachte kleur. Dat past bij iemand die van rust en de natuur houdt. Dat kan heel goed kloppen, want het prinsje is verzot op een roos en zegt liever in drieënvijftig minuten rustig naar een bron te lopen om te drinken dan een dorstlessende pil te slikken.

De grootte van een huis

De grootte van een huis kan ook wat vertellen over je personage en zijn omstandigheden. Denk aan:

Een groot huisEen klein huis
Je personage woont met een groot gezin in een huisJe personage woont alleen
Je personage is rijkJe personage is arm
Je personage houdt van luxeJe personage houdt van eenvoud

Dit zijn natuurlijk slechts tropes, maar zoals altijd geldt dat tropes slechts de bouwstenen zijn waar je een begin mee maakt om er vervolgens je eigen draai aan te geven.

De inrichting van het huis

Als het huis is ingericht volgens de laatste woontrends, is je personage iemand die graag meegaat met de mode of iets wil kunnen laten zien. Waarschijnlijk is het banksaldo ook niet onaardig. Steeds opnieuw inrichten kost aardig wat. Oude, versleten meubels kunnen zowel een zekere armoe dan wel een knusse sfeer geven. Een personage dat felle kleuren laat terugkomen, is misschien wat expressief ingesteld. Als er weinig spullen in huis staan, kan dat betekenen dat je personage veel onderweg is: als je huis eerder een hotel is, waarom zou je dan uitgebreide moeite doen voor de inrichting? En als je huis barstensvol hebbedingetjes staat, heeft je personage misschien wel moeite met dingen weggooien (lees: loslaten).

De zuiverheid van het huis

Is je huis een ruimte waar geleefd wordt en het gezellig rommelig is? Of is dat een excuus voor het feit dat je personage te lui is om schoon te maken? Anderzijds: is die spic en spanne ruimte netjes omdat iemand een huis leefbaar wil houden of is dat wellicht een teken van smetvrees of controledwang?

De decoratie in een huis

Kijk eens wat je personage voor decoratie in huis heeft. Meestal weerspiegelt dat waar hij veel (emotionele) waarde aan hecht. Zijn dat vooral foto’s van geliefden? Dan woont er een familiemens. Zie je veel souvenirs? Hallo wereldreiziger! Staat er veel dure kunst? Dan kan je personage van kunst houden of in hoge kringen verkeren. Zie je overal schaalmodellen van sportauto’s? Dan is dit het huis van een racefanaat.

De koelkast

De inhoud van de koelkast is een show don’t tell goudmijntje!
* geen vlees voor mij, als vegetariër doe ik geen dieren kwaad;
* vol met magetronmaaltijden: sorry, maar ik heb gewoon geen tijd om te koken…
* alleen biologische producten: we moeten aan het milieu denken;
* gevuld met suikervrije, zoutarme en vetvrije producten: ik wil gezond leven/ ik ben op dieet;
* gepureerde fruithapjes? Hier woont een baby!
* een karige inhoud wijst erop dat er geen tijd of geen geld is om de koelkast aan te vullen.

Een verstreken houdbaarheidsdatum

Een verstreken houdbaarheidsdatum kan ook veel dingen zeggen over je personage:
* hij is niet zo van het opruimen;
* hij eet wat hij die dag wil eten, niet wat praktisch is qua houdbaarheid (lees: plezier voor efficiëntie);
* hij is zeker niet arm: als je ieder dubbeltje moet omdraaien, ga je niet zo laks met een eerste levensbehoefte als eten om.
Mix en match met dingen in de koelkast voor een kort en veelzeggend beeld van je personage.

Achter deze deur ligt een schat aan informatie 🙂

Het geheime laatje

Bijna ieder personage heeft wel een geheim. Heeft je personage bepaalde geheimen die hij in een laatje kan verbergen? Zo ja, bedenk dan ook waarom die spullen worden weggemoffeld, want dat kan veelzeggend zijn. Een jong stel dat nog niet aan kinderen wil beginnen zal de condooms binnen handbereik van het bed houden. Een streng gereformeerd opgevoede tienerjongen die nieuwsgierig en verliefd is, zal ze toch echt verstoppen…

Je ziet hoeveel een huis over je personage kan zeggen. Laat je gedachten er eens over gaan. Waarschijnlijk kan je deze blogpost daarna met nog heel wat eigen bevindingen aanvullen.

Wat als je personage zijn excuses aan moet bieden?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: Wat als je personage excuses aan moet bieden?

Een personage mag niet perfect zijn. Hij moet fouten maken of iets niet kunnen, zodat de lezer zich met hem kan identificeren. Maar je personage kan het evengoed flink verknallen. Hier kan je op letten als je personage een grote fout recht moet zetten. 

Wat is er misgegaan?

Kijk eerst wat er precies is misgegaan. Dat maakt verschil voor de aard en de mate van de excuses die nodig zijn. Je kan de mogelijkheden opdelen in pech, laksheid en bedrog. 

  • Bij pech laat je personage bijvoorbeeld een glas vallen omdat hij schrikt van plotseling vuurwerk. Niks aan te doen; de omstandigheden werkten tegen, of dingen zijn zoals ze zijn.  
  • Bij laksheid is je personage niet opzettelijk gemeen, maar had hij iets wel kunnen voorkomen als hij iets oplettender was geweest: als je eerder was opgestaan, had je de trein niet gemist. 
  • Bij bedrog doet je personage iets wat niet hoeft en waarvan hij weet of had kunnen weten dat dat verkeerd valt bij de ander. Van iets relatiefs kleins tot schelden in een ruzie tot vreemdgaan of moorden: bedrog is iets gemeens. 

Excuses voor pech hebben meestal de minste voeten in de aarde, gevolgd door laksheid en bedrog.

Vervolg voor het plot 

Excuses die het waard zijn om een scène of langer aan te wijden, hebben een vervolg voor het plotverloop. Spijt kan zelfs een verhaalthema zijn. Het moment dat je personage iets goed te maken heeft, is meestal een zeer belangrijk punt in het verhaal. Spijt en het verlangen het weer goed te maken vormen soms het begin en einde van een verhaal. (Wat was de vervelende daad van je personage en wordt dat uiteindelijk vergeven?) Als de excuses (of die willen aanbieden) niet aan het begin en het einde zitten, kijk dan of ze wel bij een clue in de drie-aktenstructuur zitten. Een clue belooft een keerpunt in een verhaal. Dat past bij belangrijke excuses. 

Excuses aanbieden 

Als het ongeluk of de vervelende actie nare gevolgen heeft voor degene die de dupe is, moet je personage altijd iets goedmaken, óók bij pech. Het vertrouwen in je personage is zeer waarschijnlijk – al dan niet terecht- geschaad en moet weer worden terugverdiend. Alleen sorry zeggen is dan zelden voldoende. Je personage zal ook nog iets moeten doen. Dat kan iets makkelijks zijn, zoals schadevergoeding betalen. Soms zal je personage keer op keer moeten bewijzen dat hij van karakter is veranderd. Of drie keer naar de voetbalwedstrijd moeten komen kijken omdat hij die ene belangrijke wedstrijd van zijn zoontje heeft gemist. 

Bedenk hoe vergevingsgezind de tegenhanger is en of je personage in staat is om zijn beloofde excuses uit te voeren. En hoe groot zijn de gevolgen (voor de ander?). Dat bepaalt of je personage vergeven zal worden of niet. 

Na het excuus 

Een excuus kan worden aanvaard, maar dat hoeft niet. Hoe dan ook zullen je personages anders naar elkaar kijken. Groeien ze dichter naar elkaar toe of juist van elkaar af, nu dit voorval heeft plaatsgevonden? Vergeet niet om te kijken hoe hun relatie verandert na deze gebeurtenissen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Gaten in je plot opmerken

Gaten in je plot zijn link: ze kunnen je lezers in verwarring achterlaten of je boek zelfs weg laten leggen. Er is een aantal manieren om dit te voorkomen. Van een lijstje aflopen tot de superfan worden van je eigen verhaal.

Hoe ontstaat een gat in een plot?

Een gat in je plot ontstaat doordat je iets onvoldoende hebt uitgewerkt. Bepaalde belangrijke details missen of kloppen niet, waardoor er iets gebeurt wat niet logisch is of wat simpelweg niet kan. Een personage wordt opgesloten en doet drie pagina’s later zelf de deur open, zonder dat er een sleutel is genoemd.
Of er is iemand vermoord, maar je vergeet te melden dat de moordenares op die ene dinsdag tegen haar vrouw zei dat ze ziek thuis bleef om de minnares van haar vrouw te vermoorden. Maar als je lezer niet weet dat de moordenares ´ziek thuis´ zat op dinsdag terwijl de moord op een dinsdag werd gepleegd… Ze kan die moord niet hebben gepleegd. Ze werkt toch altijd op dinsdag?
Dan heb je gaten in je plot.

Voorzichtigheid geboden

Hoewel je in theorie altijd kleine continuïteitsfoutjes kan maken, zoals het opgesloten personage dat zichzelf ineens weet te bevrijden, is er wel een aantal zaken die extra gevoelig zijn voor plotgaten en waar extra voorzichtigheid geboden is.

* plottwists;
* schakels in een butterfly effect;
* belangrijke momenten of wezenlijke beslissingen die je personage neemt. Meestal zitten die verstopt in een clue van het save the cat schema.
Het kan helpen om scènes op een rijtje te zetten in een schema te zetten, zodra je ze geschreven hebt. ”Wie A zegt, moet ook B zeggen” (of andersom, als je niet chronologisch schrijft). Heeft ieder belangrijk plotpunt in je verhaal zowel de A als de B die samen dat logische geheel vormen? Ben je niets vergeten? Als je alles wat je hebt uitgeschreven in een schema zet, zijn plotgaten makkelijk te vinden. Eventuele belangrijke scènes staan dan simpelweg niet in je schema.

Een checklistje kan wonderen doen om gaten in het plot te voorkomen.

Proeflezers als redmiddel

Het is nogal verleidelijk om te denken dat jij als schrijver van het verhaal dat ook het beste kent. Maar helaas, een blinde vlek blijft toch echt iets onvermijdelijks. Als je eindeloos schrijft en herschrijft, raak je op een bepaald moment het overzicht kwijt. Proeflezers inschakelen is daarom ideaal. Kies bij voorkeur proeflezers die nog helemaal niets van je verhaalverloop weten, zodat ze zich ook niet kunnen laten foppen door hun voorkennis. Vergeet niet om je proeflezers expliciet te vragen om uit te kijken naar onregelmatigheden. Anders kunnen ze dat vergeten, omdat er waarschijnlijk ook op meerdere dingen gelet moet worden.

Je eigen fantheorie maken bij je eigen boek

Er zijn film- en boekenseries die echte hardcore fans hebben. Die fans hebben de boeken tientallen keren gelezen of de film net zo vaak gezien en zoeken voor de lol achter bijna of soms letterlijk elke regel wel een reden om daar een fantheorie aan te hangen: ‘Personage X is heimelijk verliefd op personage Y, want in boekdeel vijf, hoofdstuk zesentwintig, op bladzijde 147 staat Hij keek vluchtig van haar naar oma’s ring die hij om zijn vinger had. En we weten allemaal hoe groot de emotionele waarde van oma’s ring is en hoeveel hij van oma hield! Bovendien kijkt hij wel heel snel van haar weg in boekdeel vijf, hoofdstuk achtentwintig, bladzijde 165.” Je kent dat idee vast wel.

Superfans: mensen die onvoorwaardelijk juichen voor jou en je boek. (Bron: https://www.under30ceo.com/crowdfunding-make-sure-you-have-the-crowd-first/)

Voor deze methode heb je een beetje fantasie nodig. Hij gaat zo:
Beeld je in dat je óók zo’n gigantisch toegewijde groep fans hebt. In plaats dat ze door zelf puzzelen menen te zien dat personage X en Y op elkaar verliefd zijn, moet je proberen je denkbeeldige fans als het ware vóór zijn. Als zij naar je zouden twitteren: wij hebben dit en dat bedacht op basis van passage zus en zo, zou je dan moeten kunnen zeggen: je hebt goed opgelet, want dat is nou precies wat er (tussen de regels door) al staat 😉

Ga alsjeblieft niet zo extreem op je details letten zoals een hardcore fan dat doet. Je denkbeeldige fans mogen gek zijn op jouw boek, maar jij mag er niet gek van worden.
Waar het om gaat is: als je een belangrijk moment in je verhaal hebt waar je iets tussen de regels door duidelijk wil maken, moet alle informatie wel ergens staan. Zodat diezelfde fan straks kan constateren dat er in boekdeel drie, hoofdstuk twee bladzijde zesentwintig inderdaad al iets weggeeft wat zijn fantheorie (lees: jouw tekstdoel, alle uitwerkingen van je (sub)plot, tussen-de-regels-door-hint…) bevestigt.

In de praktijk betekent dat dat je niet per se hoeft te letten op details maar of alle schakels van je butterfly effect aanwezig zijn. Deze schakels kunnen in dit geval grote lijnen of alsnog kleine details zijn. Maar als je je inbeeldt dat je superfan naast je zit en je vraagt of hij dat ergens gelezen heeft, dan moet je denkbeeldig horen: ”Ja! Op pagina X van boekdeel Y.” Of, als het iets groters is: “Tuurlijk, dat is toch het hele verhaalthema van boek drie?” of ”Daar draait heel hoofdstuk zes nou net om…”

Een paar voorbeelden van een ‘gesprek’ tussen jou en je superfan:
‘Is het duidelijk dat Lizzy gemeen is, superfan?’
‘Ja, ze pakt in hoofdstuk drie in de zesde alinea een lolly af van een kleuter en ze berooft een bejaarde in hoofdstuk acht, alinea vijf.’
‘Komt eenzaamheid thematisch gezien meer dan drie keer voor?’
‘Leonard wordt in hoofdstuk twee niet gekozen bij gym, in hoofdstuk acht is er een eenzame lockdown en hij sterft alleen in het slothoofdstuk. Check!
‘Is het duidelijk dat Edward met Bella flirt?’
‘Volgens mij knipoogt hij niet eens naar haar…’
‘Wacht even, dan ga ik nog even wat meer uitwerken, voordat je elkaar aankijken al als flirten gaat beschouwen…’

Onthoud dat niet alleen de superfans, maar ook normale lezers je verhaal nog moeten kunnen volgen 😉

Wat als je personage zich ergens op verheugt?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: Wat als je personage zich ergens op verheugt? 

Verheugen is een erg interessant gegeven wat betreft de verhaalopbouw. Je personage weet namelijk dat er iets te gebeuren staat. Je geeft je personage dus een kleine kijk in het verloop van het verhaal. Dat breng noodzakelijkerwijs kennis van je personage en je plot met zich mee. 


Kennis van het personage

Als je personage zich ergens op verheugt, moet je twee dingen weten om dat verheugende moment goed tot zijn recht te laten komen. 
Als eerste moet je weten waarom je personage zich ergens zo op verheugt. Waarom is dit het oprecht verheugen waard? Waarom wacht je personage niet rustig dat fijne moment af? 
Het antwoord is in theorie simpel: omdat er iets heel fijns staat te gebeuren. Maar fijne gebeurtenissen zijn niet uniek. Als je je ergens op verheugt, verlang je eigenlijk naar iets. Weer samen zijn met die geliefde, eindelijk weer eens ontspannen… Met andere woorden: verheugen laat op een bepaalde manier zien wat je personage nodig heeft. Kijk eens wat dat is. Als je dat goed kan uitwerken, gaat je lezer met het personage mee verlangen. 
Daarnaast is het verstandig om je af te vragen hoe je personage omgaat met de teleurstelling als dit heuglijke moment toch niet doorgaat. Dat kan een mooi kijkje in de keuken geven van de minder fijne of zwakkere kant van je personage. Als je op een natuurlijke manier wil schetsen dat jouw personage niet perfect is, laat hem dan eens een fikse teleurstelling meemaken. Dan gaat hij als vanzelf ook even bij de pakken neerzitten, mokken of huilen. 


Kennis van het plotverloop

Als je personage zich verheugt op een dagje strand, dan moet jij als schrijver meer weten dan dat je personage zondag in de trein op weg naar Scheveningen zit. Als je personage zich ergens op verheugt, doet hij dat niet voor niets. Je zou kunnen stellen dat hij intuïtief weet dat er iets staat te gebeuren dat belangrijk is voor het plot. Gaat het over een eerste date die het begin van een relatie inluidt? Ziet hij een verre vriend die hem vervolgens vraagt hem ook op te zoeken, waarna een wereldreis start? Of vormt dit dagje met vrienden de basis van een herinnering die later zeer belangrijk blijkt? Als er later oorlog uitbreekt en je personage als soldaat mensen neer moet schieten, kan dit dagje strand belangrijk zijn om nog een bepaalde menselijkheid of gevoel van vrede kunnen te herinneren. 
Het punt is dat je met verheugen iets al een bepaald gewicht geeft voordat het goed en wel gebeurd is. Als dat dan geen verder gevolg of betekenis krijgt, kan dat als een anticlimax voelen. 
Kijk ook nog eens naar de eerdere voorbeelden. Wat als de ‘stranddate’ plotseling niet doorgaat? Dan krijgt je personage geen relatie. Wel of geen relatie is een groot verschil in een leven en in een verhaalverloop. Wees je ervan bewust dat de ‘verheugmomenten’ vaak essentiële schakels in een plot zijn. Zet die momenten dus zeer weldoordacht in. 
 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Overromantiseren: zo wordt een verhaal schadelijk

Veel verhalen hebben liefde als belangrijk thema. Dat kan een prachtig verhaal opleveren, maar ook gevaarlijk worden als je liefde vanuit een verkeerde invalshoek bekijkt.

Teken van liefde: de roos en doorns

Een bekend symbool van liefde is de roos. Het is me opgevallen dat die vaak wordt afgebeeld zonder doorns, of dat die er -symbolisch!- afsneden zijn als het bosje bloemen aan de geliefde wordt overhandigd. Niets aan liefde kan nog pijn doen: het is slechts rozengeur en maneschijn. Anders is het toch niet meer romantisch? Wat moet er dan met de boottochtjes bij volle maan en de passievolle vrijscènes?
Deze versimpelde insteek gebruik ik voor de rest van deze blogpost: de doorns van de roos worden te vaak afgesneden om de aandacht maar bij de rozengeur en maneschijn te houden. Zo hoeft de lezer ten behoeve van vermaak er niet aan dat liefde ook vreselijk pijn kan doen. De ander kan verdriet hebben dat je niet op kan lossen, bijvoorbeeld.
Als je iets eerlijk wil schetsen, dan ontkom je er niet aan om de doorns gewoon aan de roos te laten zitten.
Dit betekent niet dat je geen oude vertrouwde zwijmelroman mag schrijven. Vooral doen, want het is heerlijk om op zijn tijd lekker te kunnen wegdromen. Deze blogpost is er vooral voor bedoeld om je bewust te maken van bepaalde blinde vlekken die rondgaan in de schrijverswereld. Dan kan je altijd nog je eigen afwegingen maken. Bovendien gaat het principe van de roos zonder doorns helaas niet enkel op voor het romantische genre…

‘Tenminste’ en ‘alles-is-mooi’

Als je iets onterecht gaat romantiseren, zijn er twee pijlers in het spel. Het begrip tenminste wordt op een gevaarlijke manier gebruikt. En iets onprettigs wordt gezien als iets moois, of wat dat uiteindelijk oplevert. Deze pijlers kunnen worden gecombineerd, of afzonderlijk een nare boodschap met zich meebrengen. Uiteindelijk wordt er iets wat gevaarlijk of gemeen is op die manier als iets onschuldigs of gewensts neergezet.

Tenminste

In het geval van ‘tenminste’ wordt de huidige situatie met een andere vergeleken. Vervolgens wordt er geconcludeerd dat het allemaal niet zo erg is. Relativeren kan goed zijn, maar niet als je daardoor een dringend probleem niet oplost of een hachelijke situatie niet uit de weg gaat of -nog erger- wenselijk gaat vinden.
* Ja, mijn kind groeit op in armoede en heeft daardoor soms geen eten, maar ik zie het tenminste nog. Dat is beter dan het kind zijn van een rijk gezin dat geen aandacht krijgt omdat pa en ma te druk zijn met de zaak. Ik geef mijn kind nog liefde. (Maar dat verandert niets aan het feit dat je kind niet altijd te eten heeft. Vind je dat oké dan….?)
* Ja, ik word af en toe hard geslagen door mijn vriend. Maar wij hebben tenminste nog wekelijks famtastische seks. Ik hoor van jou dat jullie het hoogstens nog maar eens per maand doen. (Ik zou liever wat minder seks hebben dan continu rondlopen met pijnlijke blauwen plekken, schat…)
‘Tenminste’ is als blind zijn voor de doorns terwijl je erdoor wordt geprikt.

Niet zo erg hè? Tuurlijk…

Alles-is-mooi

Alles-is-mooi is de pijler die iets naars vanuit een hele enge invalshoek benadert: dat het eigenlijk iets moois is. Vanuit het principe van ”Wat romantisch!” of ”Zo is het toch nog mooi” worden er dingen verheerlijkt of zelfs aangemoedigd terwijl er in werkelijkheid talloze -luide- alarmbellen zouden moeten afgaan en er onmiddellijke actie vereist zou zijn.
* Hij verlangt zo naar me dat hij zelfmoord zou plegen als ik op iemand anders zou vallen. Dan zou zijn leven geen nut meer hebben, zei hij! (waarschijnlijk zware depressie, chantage en iemand dreigt een (zelf)móórd te plegen. Iemand moet 113 bellen!)
* Hij belt me zes keer per dag om te vragen waar ik ben als hij niet bij me is, hij kan niet zonder mij (stalkeralarm!)
* Oh, ik heb ooit een zware burn-out gehad. Maar nu heb ik het licht gezien en ben ik een ander mens en geniet ik van het leven. (Maar je bent niet voor jezelf opgekomen en hebt waarschijnlijk geen grenzen aangegeven. Als je dat wel had gedaan, had je niet maandenlang een hoopje ellende hoeven zijn. Een burn-out krijgen is geen schande, doen alsof dat een welverdiende medaille is, is dat wel. Een burn-out is iets vreselijks, dus doe niet alsof dat een laatste en noodzakelijke stap is naar een gelukkig leven. Zo moedig je een bepaalde vorm van passiviteit aan bij een serieuze en ernstige situatie.)

Alles-is-mooi is alsof je doet alsof de doorns van de roos zijn gemaakt van donzige veren die iedereen zou moeten willen aanraken, ook al haal je daarmee je vingers open.

Echte doorns

Om een verhaal een stevige basis te geven en spannend te houden, moet je de doorns niet voor iets anders aan gaan zien, of ze helemaal afknippen, zodat je niet gewond kan raken. Je moet ze zien als een mogelijke manier om je te verwonden om vervolgens een manier te vinden om die doorns af te snijden. Met andere woorden: laat je personage zoeken naar oplossingen, laat hem een paar keer falen en vervolgens groeien: ziedaar het centraal conflict, een randvoorwaarde voor een goed verhaal.

Dit is een echte roos: met doorns en al!


”Zonder jouw liefde zie ik geen andere uitweg dan zelfmoord plegen…”
”Goeie genade, ik bel onmiddellijk een psycholoog!”
Bedenk wat er vervolgens allemaal gebeurt: een intensief therapeutisch traject, waarbij trauma’s uit het verleden moeten worden verwerkt. Dat levert de nodige spanning binnen de relatie op. Ongetwijfeld sneuvelt er eens een vaas in alle emoties en vraagt het stel zich af of ze wel samen verder moeten. Als ze dat uiteindelijk lukt, is dat einde veel meer belonend en het verhaal veel spannender dan wanneer iemand geen actie onderneemt en ‘romantisch’ toekijkt hoe een van de twee naar de verdoemenis wordt geholpen.
Iets overromantiseren komt erop neer dat je personages laat toekijken vanaf de zijlijn (bij iets ernstigs), terwijl die juist middenin het verhaal horen te staan.













Wat als je personage klem zit?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: Wat als je personage klem zit? 

Schrijfadvies gaat vanwege het principe van het centraal conflict vaak over hoe je je personage laat vallen en weer opstaan. Maar soms kan je personage niet meer opstaan en zit hij klem. Wat dan?

Wanneer zit je personage klem?

Je personage zit – voor de definitie van dit tipartikel- klem als hij al tig keer is gevallen en is opgestaan, maar dat gewoon niet mag baten om zijn doel te bereiken. Hij heeft alle beschikbare middelen al aangesproken, alle vaardigheden geleerd, of hij kan om een andere reden (letterlijk) geen kant meer op.  Je personage is het slachtoffer van omstandigheden of domme pech. Enkele voorbeelden:
•    het lukt maar niet om nuchter te worden, ook niet na talloze pogingen, professionele behandeling en alle financiële, emotionele en elk andere mogelijke steun van geliefden.
•    je personage is geslaagd voor een hele specifieke opleiding met prachtige cijfers, maar kan zijn werkveld niet in, omdat net de laatste banen zijn vergeven. 
•    Er is iemand die hem in de houdgreep heeft en een pistool tegen de slaap drukt. 

Wie mag er klem zitten?

Hoofdpersonages komen meestal niet klem te zitten, omdat zij het verhaal dragen. Stopt hun verhaallijn, dan eindigt het boek. Daarom zijn meestal archetypen als de wijze mentor, de beste vriend of geliefden de klos. Maar dat wil niet zeggen dat de protagonist niet klem mag komen te zitten. Er zijn ook verhalen die eindigen met een verslagen held of waarin de held wordt vermoord. Deze verhalen zijn lastiger om te schrijven, maar in theorie kan iedereen klem komen te zitten, ongeacht hun rol.  

Wanneer mag je personage klem zitten?

Wie er ook gevangen komt te zitten in omstandigheden, zorg ervoor dat diegene er al een hele heldenreis op heeft zitten. In dit geval heeft de heldenreis gefaald, maar de reis op zich is er wel geweest.  Faalt je personage in het begin, dan is je lezer nog niet betrokken genoeg om het echt iets te kunnen schelen wat er met hem gebeurt. Zet je een personage in het midden klem, dan zal de lezer de held een watje vinden, zonder dat hij dat is. De lezer denkt dan dat je personage gerust nog eens een keer een poging tot slagen had kunnen doen. 

Het laatste moment: controleer je verhaalthema

Op het moment van: dit is het en beter wordt het niet, is het tijd om je verhaalthema nog eens te bestuderen. Hoe zie je dat terug in de heldenreis van je personage? Als het thema vruchtbaarheid is en de allerlaatste ivf-poging mislukt, kan je je personage laten terugblikken op alle manieren waarop ze toch een poging heeft gedaan. Als je thema wat abstracter is en je personage er niet per se op kan reflecteren, laat dan in dat allesbeslissende moment wat symboliek naar voren komen die het verhaalthema benadrukt. Als je het verhaalthema nogmaals verduidelijkt, is het einde misschien droevig, maar nog wel logisch. Zodra je op het beklemmende moment geen terugkoppeling geeft naar het thema, geeft dat reacties als: “Waar was dat nou goed voor?” of “Dat komt ook uit de lucht vallen…” 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Schrijfoefening: het verhaalthema als superkracht

Een personage is voorbestemd om de wereld te redden. Hij of zij is de enige die een speciale gave heeft of krijgt of de kracht heeft om dat ene speciale wapen te hanteren. Meestal is er nog wel een strijd om deze gave of kracht, maar meestal voel je de afloop wel aan: de hoofdpersoon wint. In deze schrijfoefening voor je opschrijfboekje bekijk je wat er gebeurt als het niet zo vanzelfsprekend is dat de hoofpersoon de uitverkorene is en blijft.

Wat maakt een uitverkorene?

Een uitverkorene is vaak:
* iemand die de uitverkorene is en dat blijft, omdat een profetie dat zegt of de tegenstander zodanig handelt dat het onmogelijk is dat iemand die rol overneemt. Harry Potter is daar een mooi voorbeeld van; in theorie had Marcel Lubbermans ook de Uitverkorene kunnen zijn. Voldemort neemt de profetie echter zodanig serieus dat hij Harry de Uitverkorene maakt, nog voordat hij weet welke jongen een lastigere vijand zou worden.
* het hoofpersonage in een verhaal met weinig subtiele symboliek. Er zijn twee mogelijke uitverkorene, de een is afgezant van het licht, de ander van het duister. Zo kunnen goed en kwaad met elkaar strijden om wie de ‘ware ‘ uitverkorene is. Wint de strijder van het licht, dan is de wereld gered, anders is iedereen de sigaar. Deze manier is effectief voor de basis van de trope van een uitverkorene, maar niet zo diepzinnig. Deze schrijfoefening houdt dit principe aan, maar gaat er wel dieper op in.

Wat is de superkracht van de uitverkorene?

Bedenk eerst wat de superkracht is wat je personage een potentiële uitverkorene maakt. Dat kan een daadwerkelijke super-of toverkracht zijn, maar ook een uitzonderlijke positie van macht, of een andere vaardigheid waardoor je personage belangrijk is voor de omgeving of de wereld die centraal staat in je verhaal.
Voor deze oefening is de superkracht: het kunnen sturen van andermans gedachten en acties. Fantastisch in goede handen; je kan er tirannen mee stoppen; vreselijk in verkeerde handen; je kan een genocide plegen zonder je handen vuil te maken…

Zoals je waarschijnlijk wel weet, is het voor het bedenken van een verhaal funest om een superkracht zomaar te geven. Je moet bedenken wat de limieten zijn:
* kan deze kracht altijd worden gebruikt of alleen onder bepaalde omstandigheden?
* hoe leert en/of beheerst de uitverkorene deze kracht?
* heeft deze kracht een limiet (zoals een geweer ook maar een X aantal kogels kan houden?)

Denk goed na wat je met de ´algemene regels´ wil doen: ze vormen de basis van je verhaal.

Dit zijn dingen die je één keer bepaalt en daarna vastlegt. De superkracht van deze schrijfoefening is echter dynamischer: onze held kan hem ook verleren door zijn doen en laten en zo de vaardigheid van ultieme controle aan de tegenstander verliezen.

Wat zijn de voorwaarden van de superkracht?

Voor de kracht van ultieme controle moet de uitverkorene:
* een zeer duidelijk doel hebben wat hij met die controle wil bereiken;
* weten wat de opofferingen van zijn kant zijn en daarmee akkoord gaan;
* zich niet laten leiden door zijn eigen ego.

Ter herinnering: er zijn sowieso maar twee kandidaten die in aanmerking komen voor de rol van uitverkorene. Sol vecht voor het goede, Lunar voor het kwade (Ja, duidelijke symboliek 😉 )

Sol en Lunar strijden voor het tegengestelde belang.

Sol versus Lunar

Sol heeft een vriend om te redden uit de klauwen van Lunar en wil hem met de gave zijn tirannie laten stoppen. Hij weet dat hij in de strijd tegen Lunar zou kunnen sterven, maar heeft daar vrede mee. En hij is niet op een heldenmissie gestuurd door de koning, dus hij heeft ook geen motief om voor een egostrelende titel als ‘Held des vaderlands’ ten strijde te trekken.

Als je dit gegeven (traditioneel) houdt, dan is en blijft Sol de Uitverkorene. Maar nu is Lunar tijdens de confrontatie zo slim om te zeggen: ”Weet je wel zeker dat je jouw vriend wil redden? Als je dat doet, vermoord ik tien anderen! (Dit is een variatie op het klassieke trolleyprobleem.). Sol kan de gave nu niet meer krijgen: hij zal niet meer kunnen beslissen zonder tussenkomst van zijn eigen ego: wat moet ik met mezelf aan na zo’n vreselijke keuze?
Lunar heeft nu de voorwaarden voor de kracht: hij wil met de controle nog steeds voor de duistere zaak vechten, is bereid daarvoor te sterven en wordt niet door persoonlijke zaken in twijfel gebracht.

Resultaat van een voorwaarderlijk uitverkorene

Als je de uitverkoren gave koppelt aan een aantal voorwaarden die kunnen veranderen, wordt het verhaal daar dynamischer van. Maar het heeft nog een voordeel: je kan er je verhaalthema mee verduidelijken voor jezelf. In het verhaal van Sol en Lunar heb je bijvoorbeeld de keuze uit: vriendschap, trouw, trots, of opoffering en zo nog meer. Met de superkracht en de voorwaarden daarvan in beeld, heb je duidelijk wat jij persoonlijk verstaat onder het verhaalthema en hoe je dat kan invullen. Immers: voldoe je niet aan de voorwaarden van de superkracht, dan krijg je hem niet. Lees: als je niet weet wat je thema unieke inhoud geeft, dan weet je niet hoe je daar de invulling aan kan geven en hoe je dat kan toepassen in een verhaal met een spanningsboog.

Verdieping van een verhaalthema

Als het thema van Sol en Lunar vriendschap is, heeft Sol als ‘Uitverkorene bewaker der vriendschap’ zijn superkracht makkelijk vergaard. Maar als hij vervolgens voor het trolleyplobleem komt te staan, wordt het interessanter: je geeft een intern conflict mee. Zijn (re)acties daarop hebben invloed op het ontstaan, het verloop en het resultaat van het centrale conflict. De superkracht hangt af van bepaalde bepaalde (vriendschaps)voorwaarden…
Koppel de superkracht (lees: je verhaalthema) aan bepaalde interpretaties. Het is makkelijk om te zeggen dat je voor altijd vrienden blijft, maar wat als je door omstandigheden niet meer aan de voorwaarde van een ‘superkracht’ voldoet? Als je meerdere kanten van een thema belicht, doet dat je centrale conflict en de diepgang van je verhaal veel goed.




Wat als je personage iets nodig heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: Wat als je personage iets nodig heeft?

Een plot wordt in gang gezet omdat je personage najaagt wat hij wil. Maar wat het verhaal diepgang geeft, is wat hij nodig heeft.

Willen of nodig hebben

Een simpel voorbeeld van het verschil tussen willen en nodig hebben is: als je trek hebt, wil je iets lekkers, zoals een stroopwafel. Wat je nodig hebt, is voedsel om je lichaam draaiende te houden.
Ergens weet je dat wel: als jij echt vergaat van de honger, neem je ook met minder dan een stroopwafel genoegen als je daarmee kan voorkomen dat je van je stokje gaat.
In een verhaal is het verschil tussen willen en nodig hebben soms lastiger op te merken, maar het vormt de basis voor een stevige spanningsboog.

Wat wil je personage?

Je kan je personage vragen wat hij wil. Dan krijg je een duidelijk, kort antwoord. Negen van de tien keer is dat antwoord niet zo diepzinnig:

  • ik wil rijk zijn;
    ik wil leuk gevonden worden door de populairste jongen in de klas;
    ik wil op een verre zonvakantie.

Het fijne van deze relatief ‘simpele’ antwoorden is dat je er ook kant- en klare oplossingen voor hebt:

  • ga maar hard werken of een loterijlot kopen als je rijk wil worden;
  • ga met die leuke jongen flirten;
  • boek een retourtje Thailand.

Je personage zal voor deze kant-en-klare, simpele oplossingen gaan, omdat het logische stappen zijn. Het begin van je plot is gemaakt.

Het addertje van het nodig hebben

Je voelt ‘m waarschijnlijk al aankomen: er zit een addertje onder het gras. De methoden die je personage gebruikt om zijn ‘willen’ na te jagen werken niet, of gaan op zijn minst niet vlekkeloos.
Je personage heeft nog geluk als hij zijn ‘willen’ krijgt door bepaalde obstakels te overwinnen. Soms kan hij proberen – of zelfs krijgen! –  wat hij wil, maar is hij alsnog ongelukkig of voelt hij dat er iets niet klopt, onvolledig of anders dan verwacht is, omdat hij heeft wat hij wíl, maar niet wat hij daadwerkelijk nodig heeft.

De diepere noodzaak

Waar je met ‘willen’ aan de oppervlakte van een verlangen blijft, ga je met het ‘nodig hebben’ de diepte in:

  • je wil niet per se rijker worden, je hebt een les nodig: laat je trots varen en vraag om hulp als je in financiële problemen zit;
  • je vindt die ene populaire jongen niet eens leuk, maar je hebt gewoon nodig dat iemand je ziet staan voor wie je bent als persoon;
  • je hebt geen (zon)vakantie nodig, maar een baan die niet van je eist dat je jezelf een burn-out in werkt.

Je personage mag zich pas van zijn ‘nodig hebben’ bewust worden als het verhaal vergevorderd is, zo rond de climax van de derde akte. Anders gaat het ten koste van de heldenreis. Zodra je personage zijn noodzaak erkent, krijgt hij een ander plan van aanpak. Hierdoor kan hij alsnog krijgen wat hij daadwerkelijk nodig heeft. Dan krijgt hij een happy end. Krijgt hij zijn noodzaak niet, dan is het einde verdrietig, of op zijn minst wat ongemakkelijk.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online