Drie-aktenstructuur: het eerste obstakel

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week het eerste obstakel, waar de held voor het eerst moet laten zien wat die echt waard is.

Zo ziet het schema eruit:

Waar staat dit verhaalelement?

Het eerste obstakel komt na de eerste clue. Dat was het eerste echte moment dat de held in actie moest komen. Maar toen heeft de held slechts laten zien dat die zich ergens voor wil inzetten. Nu komt het eerste obstakel dat zegt: “Bewijs dat nu dan ook maar in daden.”

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

De lezer weet wat er op het spel staat, dat is in de clue duidelijk geworden. Een lezer weet intuïtief  dat in een verhaal niets zonder slag of stoot gaat. Met andere woorden: dat er een obstakel aankomt. Dat moet meteen na de eerste clue komen. Er is niets zo saai als wachten op een tegenslag waarvan je weet dat die toch gaat komen. Denk aan de vergelijking met de gladiatorenarena uit het vorige artikel. Stel dat een gladiator in de arena in vol ornaat de arena instapt en vervolgens de mededeling klinkt: “Beste toeschouwers, nog even geduld alstublieft, de tegenstander heeft zijn broodje kaas nog niet op.”
Dat is funest voor de spanningsboog en bovendien zou je het personage de kans geven om de arena uit te rennen. Die twijfels heeft het in het derde verhaalelement al gehad. Het duurt nog even voordat die weer terug mogen komen.

Plaats van het obstakel in het schema

Je ziet in het schema onder de twee obstakels ‘ascending action’ staan. Dat is de oplopende spanningsboog. Zie je dat die gestaagd omhoog loopt? Het eerste obstakel is een soort test: je held zal zich al wel moeten bewijzen, maar loop niet te hard van stapel.
Als een uitverkoren boerenjongen uiteindelijk de hele wereld moet redden, is hij in de eerste clue naar het paleis van de koning vertrokken. Zijn eerste obstakel is het trainingskamp waar hij een zwaard leert te hanteren en met dat wapen mag oefenen op een strooien vogelverschrikker.
Het eerste obstakel is wel degelijk serieus: als de boerenzoon niet eens een dummy kan verslaan, dan heeft het land een groot probleem. Maar bedenk ook dat meteen na het eerste obstakel het tweede volgt. Je held krijgt dus geen tijd om uit te rusten tussen de twee obstakels in. Het eerste obstakel is het zoeken van de balans tussen ‘serieuze oefening’ en ‘zoetjes aan beginnen aan de missie.’

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Het is hier handig om te weten waar je personage zelfvertrouwen uit haalt, door gemotiveerd wordt of aan wie het hulp vraagt als het ergens vastloopt of iets toch nog niet helemaal durft. Je personage móet verder, er is geen weg terug. Als je weet waar het energie uit kan halen, dan kan je je personage daarmee motiveren. Zorg ervoor dat je personage er zin in blijft hebben. Net als je lezer weet je personage ook dat nog niet alles over is na dit eerste obstakel. Zorg er dus voor dat het vooruitzicht op meer of grotere uitdagingen ook voor je personage behapbaar blijft.

Wat moet je geheimhouden in dit verhaalelement?

Je personage mag weten wat diens einddoel is, zoals een koene ridder weet dat hij de draak moet verslaan. Maar het mag niet doorhebben hoe gevaarlijk dat daadwerkelijk is of kan worden. In dit eerste obstakel moet het optimisme of de naïviteit betreft het avontuur aangaan de overhand houden bij het personage.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Matthew Hamilton op Unsplash.

Een schrijfwedstrijd winnen: een goed verhaal kiezen

Als je een schrijfwedstrijd wil winnen, moet je niet alleen goed kunnen schrijven. Je moet weten waar een jury op let en je tekst moet op kunnen vallen. Dat vergt wat extra voorbereiding: hoe kies je een verhaal uit dat je gaat schrijven voor een schrijfwedstrijd?

Welk verhaal kies je uit voor een schrijfwedstrijd?

Als je aan een schrijfwedstrijd meedoet, schrijf je meestal al wat langer of in ieder geval graag. Het verhaal dat je inzendt voor de schrijfwedstrijd, is niet het eerste en het enige dat je geschreven hebt. Je zal over meer dan één onderwerp willen schrijven. Vorig jaar schreef je een feelgood die zich afspeelde in het buitenland en waar de cocktails rijkelijk vloeiden. Nu ben je met een roman bezig waarin het leven met Alzheimer centraal staat. Zo kan je meerdere verhalen in gedachten hebben. Om eerst maar even een aantal open deuren in te trappen:

Zend dit/ een verhaal in voor een schrijfwedstrijd als:Zend geen/dit verhaal niet in voor een schrijfwedstrijd als:
het toegestane genre je aanspreekt.het genre je ècht niet ligt. Je mag gerust eens een uitstapje maken naar een ongeoefend genre, dat is zelfs goed om alert te blijven op je schrijftechnieken en je schrijfontwikkeling. Maar als je een genre echt vreselijk vindt om te schrijven, ziet een jury dat bijna altijd in je tekst terug en ga je niet winnen. Zonde van de tijd, zeker als je er niet eens lol in hebt.
het schrijven je plezier oplevert.de inzending 3000 woorden mag bedragen en je niet weet hoe het nog incomplete verhaal daarna verder gaat. Ook al zend je een hoofdstuk in van een boek, je moet het vervolg wel weten. Voor het geval je een uitgeverscontract kan winnen, of gewoon om die eerste 3000 woorden goed tot hun recht te laten komen.
je een uitdaging aandurft.Je het niet hebt nagekeken voordat je het naar de jury opstuurt. Niets laat een tekst zo snel op de afgekeurde stapel belanden als een tekst die fan spellinsvouten an elkaar hangt en waarvan iedereen kan sien d at de scrijver geen mieote heeft gedaan het nog eens ddoor te lezen.
je van jezelf niet per se hoeft te winnen.je de tijdsdruk van een deadline niet aankan/ de deadline niet kan halen zonder te veel stress. (Een afgeraffelde tekst wint vrijwel nooit.)

Past het verhaal bij een schrijfwedstrijd?

Je hebt een verhaal gekozen dat je graag zou willen schrijven, maar weet je ook of het past bij een schrijfwedstrijd?
Nog buiten de wedstrijdvoorwaarden (het woordenaantal, het toegestane genre, enzovoorts) zijn er nog wat andere dingen die een verhaal geschikt(er) maken voor een schrijfwedstrijd. Hiervoor moet je een beetje in het hoofd van de jury kijken en weten wat er op dat moment populair is binnen het genre dat je schrijft. Met een beetje voorbereidend werk kom je vaak al een heel eind! Stel jezelf de volgende vragen:

* Wie is de jury?
– Als een uitgever een schrijfwedstrijd uitschrijft, kijk dan ook eens naar de fonds van die uitgever. Als je een verhaal schrijft dat daarbij aansluit, vergroot je je winkansen.
– Als een organisatie of persoon eerder een schrijfwedstrijd heeft georganiseerd, kijk dan eens naar eerdere winnaars. Een verhaal heeft niet voor niets gewonnen. Iets in het winnende verhaal sprak de jury aan. Kun je bedenken wat dat zou kunnen zijn?
– Als een schrijfcoach of een schrijversgroep de wedstrijd organiseert, kan je misschien wel uitvinden wat de stokpaardjes zijn van de organisator. (Een hint voor de deelnemers aan schrijfwedstrijd 300 😉 ) Dat kan een bepaalde schrijfstijl zijn, maar het kan ook betekenen dat de jury gevoeliger is voor goede worldbuilding dan voor een mooi uitgewerkte dialoog. Daar kan je dan proberen op in te spelen.
Waak er wel voor dat je niet puur gaat schrijven wat je denkt dat de jury mooi gaat vinden. Dat weet je immers nooit zeker en de jury zou bovendien ook nog eens door dat trucje heen kunnen prikken…

* Wat kenmerkt mijn genre?
– Een goed begin is het halve werk. Schrijf eens voor jezelf op wat essentieel is voor je gekozen genre. Een romantisch verhaal kan niet zonder tortelduifjes, dat snapt iedereen. Maar wat kan je nog meer bedenken? Schrijf ook dat eens op. Dan staat je verhaal al een stuk steviger in de steigers. Hoe kan en wil jij vervolgens een draai geven aan die bekende tropes?
– Wat betekent het concreet om een unieke draai te geven aan een veelgebruikte trope?
Verhalen zijn net als zoveel dingen aan mode onderhevig. Dat heeft zowel een voordeel als een nadeel bij schrijfwedstrijden. Je kan veelgebruikte tropes in je voordeel gebruiken: als je schrijft wat actueel en populair is, bewijst dat dat je weet wat er speelt in schrijversland en dat je daarop in kan spelen. Een nadeel is dat als iedereen dat doet, je binnen de schrijfwedstrijd de kans loopt om met een cliché aan te komen zetten. En dan val je weer niet voldoende op. Vooraf weet je nooit wat de andere deelnemers gaan schrijven. Bovendien weet je niet wat de jury specifiek mooi(er) vindt: de kleinste details kunnen daarin het verschil maken. Maar als je weet wat je schrijft en ook waarom, ga je in ieder geval goed voorbereid de schrijfwedstrijd in.

* Forceer ik niet te veel?
Meedoen aan een schrijfwedstrijd kan een goede manier zijn om te oefenen voor als je de ambitie hebt om ooit bij een uitgever aan te kloppen. Je zorgt dan immers ook voor een goede voorbereiding. Maar je kan daarin ook doorslaan. Als je eindeloos gaat kijken wat de uitgever mooi vindt, raak je vroeg op laat het zicht op je eigen verhaal en je schrijversstem kwijt. Dat is nooit de bedoeling. Als je merkt dat je voor een schrijfwedstrijd al net zo krampachtig probeert je verhaal ‘goed’ te maken om maar aan een wens van een jury te voldoen, laat dat dan een vriendelijke herinnering zijn dat je de teugels wat dat betreft wat meer mag laten vieren.

Foto door Fahrul Azmi op Unsplash.

Drie-aktenstructuur: de eerste clue

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leert de schrijver ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week, in het vierde verhaalelement, komt de eerste clue aan bod. Het eerste echte moment van actie.

Zo ziet de drie-aktenstructuur eruit: 

Waar staat dit verhaalelement?

De eerste clue vormt het einde van de eerste akte en het begin van de tweede. De belangrijkste introductie van het verhaal is gegeven. Een clue is een verhaalelement waarbij duidelijk blijkt dat er een keerpunt is in het verhaal. Dat wat er gebeurt heeft duidelijke invloed op het personage en de rest van het plotverloop. Eerst maakte het personage relatief weinig tot niets mee, maar vanaf nu moet het uitdagingen en veranderingen onder ogen zien. De eerste clue is van alle clues het duidelijkst: er komt actie en dat houdt voorlopig (lees: gedurende vrijwel het hele boek) aan.

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

Je kan dit verhaalelement vergelijken met een gladiator die op het punt staat de arena in te stappen. De lezer en je personage weten dat er een gevecht gaat komen en wat dat grofweg in gaat houden. Alles wat je lezer tot nu toe over het verhaal en je personage te weten is gekomen, heeft in grote lijnen laten zien welke wapens de metaforische gladiator meeneemt in de arena. Zijn karaktereigenschappen, dromen, angsten…Daardoor weet de lezer ook bij benadering in welke mate en in welk opzicht je personage zal slagen of zal falen bij het eerste moment waarop het echt in actie moet komen.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

Tijdens de eerste clue moet de volle aandacht gaan naar de actie waar de eerste akte naartoe heeft gewerkt. Later in het schema komen er momenten van reflectie of rust, maar de eerste clue is het moment waarop het verhaal in volle gang wordt gezet. Je moet dus niet zozeer iets duidelijk maken met hints of verwijzingen, maar ‘gewoon’ in actie komen.

Enkele eenvoudige voorbeelden:

  • Als de eerste akte ging over voorbereidingsdagen voor de universiteit, dan is de eerste clue de dag van de eerste colleges.
  • Is jouw personage iemand die altijd al wilde schrijven? Tot nu toe kwam het nooit verder dan notities in een boekje. Deze keer is het wel serieus: de notities liggen klaar, de twijfels zijn geweest: nu gaat er daadwerkelijk getypt worden in de tekstverwerker.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Waarschijnlijk heb je geen problemen met de inhoud van je verhaal bij de eerste clue. Dit is namelijk waar het boek over gáát. Het verhaal over de eerdergenoemde schrijver is inhoudsloos als je niet ergens benoemt dat hij ooit start met zijn grote uitdaging. En het studentenleven begint nu eenmaal met een studie. Wat je wel in de gaten moet houden, is de veerkracht van je personage. Meteen na dit verhaalelement volgt namelijk het eerste obstakel. Daarin komt er een tegenslag in de heldenreis. Als je personage dan geen of te weinig ruggengraat heeft, durft het niet verder en stopt het vroegtijdig. Schrijf daarom globaal hoe sterk de ruggengraat van het personage op dat moment is. En licht alvast een tipje van de sluier op wat het komende obstakel gaat zijn. Dan houd je het verhaal spannend.

Volgende week meer over dit eerste obstakel!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Elizaveta Dushechkina op Unsplash

In het hoofd van de jury: waarop beoordeelt een jury inzendingen voor een schrijfwedstrijd?

Er is weer een schrijfwedstrijd van start gegaan op verhaalentaal.blog! Reden genoeg om ook eens te kijken naar hoe je schrijfwedstrijden kan winnen. Natuurlijk moet je een goede tekst schrijven, maar wat is een goede tekst dan precies? Kon je maar in het hoofd van de jury kijken… Zullen we dat dan eens doen? 😉
Dit zijn zaken waar een jury op let bij inzendingen van een schrijfwedstrijd.

De slush pilemethode

Ken je het principe van de slush pile? Die manier van selecteren gebruikt een jurylid van een schrijfwedstrijd ook. Als een tekst niet meteen prikkelt, dan wordt die aan de kant gelegd.
Iedereen, beginner of gevorderde, mag meedoen met een schrijfwedstijd. Meestal trekken schrijfwedstrijden ook schrijvers van beide niveaus aan en een jurylid weet dat. Dus als het jurylid een inzending ziet die start met:

Zoals iedere donderdagmorgen ging Kees naar kaasboer Pietje op de markt.
“Ha Pietje. Lekker weertje hè?”
“Jazeker, Kees. Pondje jong belegen, zoals altijd?”

dan wordt die meteen opzij gelegd. In deze tekst begint met een infodump een een jurylid weet dat:
* starten met een infodump (die ook nog eens routine betreft) een beginnersfout is. Als je wat meer ervaring hebt met schrijven, is het schrappen van de infodumps meestal een van de eerste dingen die je qua schrijversinzicht leert. Deze schrijver heeft dus nog geen echt schrijversinzicht. Dat maakt de kans op verbetering van de schrijfkwaliteit in de zinnen, alinea’s en pagina’s die volgen zeer klein.
* er óók deelnemers zijn die niet met infodumps starten en dus beter kunnen schrijven. Dan gaat het verhaal over kaasboer Pietje dus al niet meer winnen.

Een goede openingszin

Tenzij je met net zo’n overduidelijke infodump als hierboven begint, hoef je niet bang te zijn dat je verhaal na drie zinnen of een tiental woorden al wordt afgekeurd. Maar probeer zeker in de eerste grofweg honderd tot honderdvijftig woorden al een wat- of waaromvraag bij de lezer op te roepen, zoals bij een pageturner.

De openingszin van ‘Trots en vooroordeel’ van Jane Austen wordt vaak de beste aller tijden genoemd:

“Iedereen is het erover eens dat een alleenstaande man die een groot vermogen bezit, een vrouw moet hebben.

Waarom is deze zin zo goed? Omdat die het hele verhaal, en het thema, en de heldenreis samenvat. Bovendien kom je er later ook nog achter dat je Austen zelf aan het woord ziet en dat ze hiermee een – nog verborgen- cynisme over deze stelling uitdrukt. En dat in een zin!
Maar ook als je dat allemaal (nog) niet wist van dit beroemde boek, dan gaat de pageturnerregel alsnog op:
Waarom is iedereen het daar over eens? Wat speelt er in het leven van het personage dat dit überhaupt ter sprake komt? Wie stelt dit? Een welgestelde man die pocht met zijn vrouw? Een vrouw die pocht dat ze een welgestelde man gevonden heeft? Een vrouw die een man zoekt? De mogelijkheden zijn eindeloos en je wordt meteen nieuwsgierig gemaakt naar het wie, wat en waarom.

Beheersing van de basis

Als je een schrijfwedstrijd wil winnen, moet de basis van het schrijven onder de knie hebben. Hoewel de meningen van juryleden zullen verschillen wat precies basistechnieken zijn en wat al wat meer richting een volgend niveau van schrijfvaardigheden gaat, zijn de volgende vaardigheden wel echt essentieel voor een vertrekpunt voor het schrijven van een goede tekst:
* het kunnen identificeren en voorkomen van infodump;
* beheersing van show don’t tell;
* een heldenreis kunnen schrijven zonder een Mary Sue
* een consistente verhaallijn: je springt niet van de hak op de tak, zowel qua gebeurtenissen als qua spanningsboog.

Een origineel verhaal

Het lijkt misschien een open deur, maar zorg ervoor dat je verhaal origineel is. Zeker als je meedoet aan een schrijfwedstrijd voor een specifiek genre, is de kans groot dat veel anderen schrijvers met dezelfde tropes aan de slag gaan. Dat is ook niet zo gek. In een romantisch verhaal komt immers ook vaak een onbereikbare liefde voor, in een horrorverhaal moet er bloed in het rond spatten en een feelgoodroman draait ook bijna altijd om een groepje vriendinnen.
Uiteraard heeft dat ook zijn limieten: een romantisch verhaal zonder een verliefd hoofdpersonage schiet niet op. Maar probeer in ieder geval te laten zien wat er dan wel anders is aan jouw personage of plot. Wat maakt jouw verhaal géén dertien in een dozijn? Laat daarvoor bijvoorbeeld unieke karaktertrekken van jouw personage goed naar voren komen, of sla een onverwachte weg in met een trope die al talloze keren is gebruikt.

Je eigen schrijversstem

Een van de manieren om op een positieve manier op te vallen met je inzending, is om je schrijversstem goed naar voren te laten komen. Je kan je kansen vergroten om een schrijfwedstrijd te winnen door te weten wat er populair is en wat binnen je genre goed aanslaat bij lezers- daarover in een latere blogbost meer- maar trap niet in de val dat je schrijft om op te vallen omdat je dan beter denkt te kunnen scoren. Dan komt je tekst eerder over als een slechte imitatie van andermans werk en dan ga je zeker niet winnen. Met een goede schrijversstem val je ook op!
Als je nog geen unieke schrijversstem hebt, kan je nog steeds meedoen aan een schrijfwedstrijd. Een schrijversstem is ook niet iets wat je kan afvinken op een checklist, dus ga er niet te verwoed naar ‘zoeken’.
Je kan wel proberen om een verhaal eerst volledig uit te schrijven, het te herlezen en dan te bedenken hoe je het nog net iets origineler kan maken. Voeg bijvoorbeeld wat meer van je unieke humor toe of schrijf wat meer sfeeromschrijvingen in de tekst, als jij dat een mooie schrijfstijl vindt. Wie weet wat de jury ervan vindt!

Dit zijn een aantal tips, maar de belangrijkste is dat je tijdens het schrijven niet te veel aan de jury denkt. Dat blokkeert je schrijfproces. Houd de bovenstaande punten in je achterhoofd, maar ga vooral met plezier de uitdaging van de wedstrijd aan.

Succes!

Foto banner door Brooke Cagle op Unsplash.



Drie-aktenstructuur: de bedenkingen

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Dit schema helpt je jouw verhaal in stappen op te bouwen en om een goede spanningsboog te behouden. Als je verhaal vastloopt, kan je dit schema gebruiken om te zien waar je nog iets moet aanpassen. Er zijn vijftien verhaalelementen, deze week bespreken we het derde: de second thoughts, het moment dat je personage gaat twijfelen en allerlei ‘ja-maars’ gaat bedenken.

Three act structure second thoughts

Waar staat dit verhaalelement in het schema?

De second thoughts staan op een ongemakkelijke plaats in het schema; één stapje na dit element staat er een explosietekentje te op je personage wachten.
Stel je voor dat je personage dat zou zien. In het vorige verhaalelement moest het al de comfortzone verlaten en nu ziet het ook nog eens dat het richting (letterlijke) explosieven gaat. Dan krijg je reacties als:

  • Hó eens even!
  • Ja, maar dát ga ik niet doen!
  • Even op de rem, denk je nou echt dat ik dat kan?

Zie het tweede element als het moment waarop je personage intuïtief aanvoelt dat er geen echte dreiging van leven of dood in het spel is, maar daar diep vanbinnen toch bang voor blijft. Het heeft zin in een avontuur of heeft met het verlaten van de comfortzone besloten dat sommige dingen het waard zijn om voor te strijden. Maar twee meter voor de ingang van de metaforische arena wordt het toch nog eng. Daardoor blijft je personage twijfelen en bedenkt het allerlei ja-maars:

  • Ja, maar daar ben ik niet slim genoeg voor.
  • Ja, maar wat als het niet lukt?
  • Ik kan wel zeggen dat ik ga vechten, maar ik heb nog nooit een geweer vastgehouden.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

Technisch gezien gebeurt er in dit verhaalelement niets anders dan dat je personage aan het twijfelen slaat en de ja-maars hoogtij vieren. Je personage krijgt pas in het volgende verhaalelement een schop onder het achterste, waardoor het verhaal (weer) op gang komt. Wat dat betreft is dit verhaalelement narratief gezien relatief langzaam en saai. Maar het is zeker niet onbelangrijk of over te slaan! Dit is een mooi moment om te laten zien dat je personage imperfect is. Een perfect personage zou immers geen angsten of twijfels hebben. Deze twijfels maken je personage menselijk en dat maakt dat de lezer zich met het personage kan identificeren. Maak dus duidelijk wat de tekortkomingen van je personage zijn of wat het nog moet leren. Oftewel: wat de heldenreis in gaat houden. Dit verhaalelement is perfect om je lezer gehecht te laten raken aan het personage: het heeft een conflict aan te gaan, net als normale mensen.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Bij het vorige verhaalelement heb je voor jezelf opgeschreven wat de angsten van je personage zijn. Angsten kunnen een goede drijfveer zijn, maar bedenk in deze fase ook wat de dromen van je personage zijn. Waardoor wordt het gemotiveerd? Een prettig vooruitzicht kan helpen om uit het cirkeltje van ja-maars te stappen.
Je kan met een ernstig vooruitzicht dreigen om je personage over de streep te trekken. Maar dan bestaat het risico dat je personage alsnog bevriest in angst en het verhaal alsnog niet van de grond komt.
Of je nu dreigt met een grote angst of een vervulde droom in het vooruitzicht stelt, zorg er in ieder geval voor dat je personage een tipje van de sluier krijgt van wat er achter de horizon lonkt. Dan komt het altijd in beweging.

Volgende week lees je over het vierde verhaalelement, de eerste clue: een belangrijk en terugkerend element in een verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Afif Ramdhasuma op Unsplash

Schrijfwedstrijd verhaalentaal.blog: 300

Hoera! Over een aantal maanden wordt de driehonderdste schrijftip op verhaalentaal.blog gepubliceerd. Reden voor een feestje: tot dat heugelijke moment heb jij de tijd om een verhaal te schrijven voor een nieuwe schrijfwedstrijd.

Schrijfwedstrijd ‘300’

In de tweede week van het nieuwe jaar verschijnt de driehonderdste schrijftip op verhaalentaal.blog. Het getal drie en de meervouden daarvan staan daarom centraal in deze schrijfwedstrijd.
Je gaat een tekst schrijven van maximaal negenduizend woorden waarin een drie-eenheid centraal staat. Wat je onder een drie-eenheid verstaat, mag je zelf beslissen. Enkele voorbeelden:
* Vader, Zoon en Heilige Geest
* Vader, moeder en kind
* Lichaam, ziel en gedachten
* Rood, geel en blauw
* Lengte, breedte en hoogte
* Massa, snelheid en kracht
* Vast, vloeibaar en gas

Enzovoorts. Ieder genre is welkom.

De winnaar ontvangt een uitgebreid leesrapport voor een tekst van 9000 woorden. Dat mag het ingezonden verhaal voor de wedstrijd betreffen, maar ook een deel van een ander zelfgeschreven verhaal. Aan de winnaar de keuze!

Wedstrijdvoorwaarden schrijfwedstrijd 300

* Eén inzending per persoon.
* Je verhaal is maximaal 9000 woorden.
* Inzenden van je verhaal kan vanaf 13 oktober 2022 tot en met 13 januari 2023. (De dag waarop de driehonderdste tip verschijnt 🙂 ) Je hebt dus drie maanden de tijd om een verhaal te schrijven.
Stuur je inzending naar nadinevandesande@outlook.com met de onderwerpregel: 300.

Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd. Ik neem persoonlijk contact op met de winnaar of winnares. Als diegene dat wil, zal ik het winnende verhaal op mijn blog publiceren.

Foto door Ariel op Unsplash

Een kernemotie centraal stellen in je verhaal: de praktijk

In de vorige blogpost schreef ik een inleiding over het centraal stellen van een kernemotie. In deze blog kijken we hoe en welke emoties je kan onderverdelen, zoals in die blogpost beschreven.

Emoties onderverdelen: even opfrissen

Een korte opfrisser: emoties onderverdelen is het kijken naar welke emotie achter de emotie kan zitten die doorgaans als eerste wordt genoemd of geïdentificeerd. Achter boosheid kan bijvoorbeeld jaloezie schuilen. Ook heb je een persoonlijke belevenis bij emoties en kan je een andere associatie hebben bij de benaming van een emotie.

‘Near ememies’: hoe verschillende emoties hetzelfde kunnen lijken

Near enemies* zijn emoties die op het eerste gezicht hetzelfde lijken. Als je wat beter kijkt, zie je niet alleen dat ze verschillen, maar ook nog eens een totaal andere, vervelende uitwerking op je gevoelens hebben. Een near enemy geeft voorbeelden als:

  • Thijs zegt dat hij tegen Goedele dat hij van haar houdt, maar ondertussen voelt Goedele zich niet geliefd, maar geclaimd. Hier verwart Thijs liefde met overdadige hechting. In plaats van dat hij haar onvoorwaardelijk liefheeft, wil hij continu weten wat ze doet, of bij haar zijn omdat hij bang is haar te verliezen. Maar intussen zegt hij dat hij zoveel tijd met haar door wil brengen omdat hij liefde voor haar voelt.
  • Rani zegt altijd voor Amir klaar te staan, maar hij voelt zich eerder klein dan sterker worden wanneer ze een opbeurde peptalk geeft. Rani toont dan medelijden, waardoor ze -zonder het verkeerd te bedoelen- op Amir neerkijkt en hem zielig vindt. Als ze compassie zou tonen, zou ze inzien dat ze óók wel eens iets niet kan en in dat herkenbare stuk met Amir op mentaal gelijke voet blijven en hem oprecht kunnen aanmoedigen.

Als je een kernemotie centraal wil stellen in een verhaal, moet je het principe van de near ememy begrijpen. Anders kan het zomaar gebeuren dat je op een warme, fijne emotie inzet en je lezers in plaats daarvan met een onbehaaglijk, knagend gevoel je boek dichtslaan. Enkele voorbeelden om je op weg te helpen:

Emotie emotie voelt als/ lijkt te zeggenNear enemy Near enemy voelt als/ lijkt te zeggen
gelijkmoedigheidberusting: “het is goed zo.” / “Het is zoals het is, hoe pijnlijk ook”. onverschilligheidonterecht(!) het gevoel te hebben bestand te zijn tegen nare gevoelens: ´Het boeit/raakt me niet.´ “Wat maakt het uit, alles is toch vergankelijk.” (Zie ook de schrijfoefening: schijnheilige engel)
vriendelijkheidIk doe iets aardigs voor jou omdat ik dat wil en voel me daar goed bijonzelfzuchtigheid Ik doe iets aardigs voor jou omdat ik anders meen tekort te schieten in vrijgevigheid. Onzelfzuchtigheid kan zo opdringerig en uitputtend voelen.
benijdenIk wil wat jij ook wil, maar ik gun dat jij het wel hebt. jaloezieIk wil wat jij wil en ik ben boos dat jij hebt wat ik niet heb. Jaloezie voelt boos, verbitterd, waar bij iemand benijden berusting of zelfs uitgesproken vrolijkheid komt kijken.
Zoals je ziet, gaan near enemies niet alleen op voor emoties, maar ook voor zaken die je misschien eerder als karaktereigenschappen zou omschrijven. Probeer ruim te blijven denken: zolang je met een emotie of karaktereigenschap een emotie ( bij de ander) ontlokt, kan het bruikbaar zijn. Je brengt immers een emotie teweeg bij de lezer, wat de emotionele toon van je verhaal kan bepalen.

Zie je hoe belangrijk het kan zijn om near enemies te herkennen voor het gevoel waarmee je lezer het boek dichtslaat? Je zal maar denken dat je een vriendelijk hoofdpersonage hebt, dat al driehonderd pagina’s onzelfzuchtig blijkt te zijn. In plaats van vrolijk wordt de lezer er misschien eerder moe of zelfs ongeduldig en chagrijnig van…

Persoonlijke beleving bij emoties

Het kan natuurlijk ook dat jij een uniek beeld hebt bij een bepaalde emotie. Als je dan weet wat de near enemy is, kan je veel makkelijker schrijven wat je ècht bedoelt met die emotie, niet wat je (misschien) lijkt te bedoelen. Je krijgt een paar persoonlijke voorbeelden van mij, daarna mag je zelf aan de slag 🙂

Een voorbeeld hoe een ander begrip van een emotie zich vertaalt naar de boekenwereld:
Ik zei eens tegen een vriendin dat ik eens een keer liefdesverhaal zou willen lezen, maar dat nog niet had gevonden. Ze keek me aan alsof ik gek was: de bieb heeft er kasten vol van! Zij dacht dat ik romantische verhalen bedoelde, maar het ging mij om een verhaal waarin liefde aanwezig was – een wederzijds gevoel van vriendschap, respect, vertrouwen en de bereidheid de ander te helpen omwille van de groei van de ander. Dit alles zonder de ander te (ver)oordelen-, maar dan uitgesproken zónder de nadrukkelijke aanwezigheid van verliefdheid, romantische gebaren of seks. (Voor de verandering.)
Toen snapte ze dat die zoektocht ineens een stuk moeilijker was 😉 Wij hadden een andere beleving bij het begrip ‘liefdesverhaal’.

Zo heb ik ook een beeld bij het woord heilzaam en daarbij heeft dat woord ook bijbehorende near enemies, of woorden die qua invulling hetzelfde zouden kunnen lijken, maar dat niet zijn.

Woordassociatie/ persoonlijke definitievoorbeeld
heilzaamhartverwarmend, hoopgevend, soms ook pijnlijk: mensen groeien door liefde dichter tot elkaar, in goede en/ of slechte tijdenEen mantelzorger die het werk vanuit vriendelijkheid en liefde verricht.
geborgengenegenheid en hoop: mensen tonen elkaar liefde, alles is goed (en soms ook onschuldig). Deze geborgenheid komt per -persoonlijke- definitie niet voor in slechte tijden en wordt nooit vergezeld door nare of moeilijke emoties.Een peuter geeft haar laatste stukje taart aan haar huilende jongere broertje.
pluizigiets is lief, zacht, pluizig, onschuldig en allerlei andere soortgelijke dingen die hartverwarmend zouden moeten zijn. Ze liggen er echter zodanig dik en onoprecht bovenop liggen dat ik er onpasselijk van word of met mijn ogen ga rollen. De ‘kawaii-subcultuur‘ in Japan. Vooral als de jonge meiden kawaii met een hoge stem uitspreken en het rekken: kawaiiiiiii
klefklef doet een poging tot heilzaamheid in een liefdevolle situatie, maar voegt daarbij onnodig of een overdosis romance toe aan het verhaal. Daardoor zwakt de oprechte liefde af tot een goedkope, nietszeggende, dertien-in-een-dozijn romance.Heel veel romantische clichés

* Het principe van ‘near enemies’ ken ik van Atlas of the Heart, geschreven door Brene Brown. Daar heb ik ook de voorbeelden uit gehaald. Ik raad je dat boek ten zeerste aan als je het principe van emoties onderverdelen grondiger wil bestuderen.

Foto: Nguyen Thu Hoai op Unsplash.

Drie-aktenstructuur: het inciting incident, de comfortzone

In de serie ‘Drie-aktenstructur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Dit schema helpt je jouw verhaal in stappen op te bouwen en om een goede spanningsboog te behouden. Als je verhaal vastloopt, kan je dit schema gebruiken om te zien waar je nog iets moet aanpassen. Er zijn vijftien verhaalelementen, deze week het tweede: het inciting incident, het moment dat draait om de comfortzone. 

Zo ziet de Drie-aktenstructuur eruit:

Waar staat dit verhaalelement in het schema?

Het tweede verhaalelement komt meteen na het begin, nog in de eerste akte. De basis van het verhaal is zich dus nog aan het ontvouwen. Het tweede verhaalelement gaat over de comfortzone en komt meteen na de start van het verhaal. Dat betekent dat je er geen gras over moet laten groeien. Wat moet je personage doen wat het normaal niet doet of durft?

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

Als je de start van het verhaal hebt geschreven, weet de lezer wat voor personage de held grofweg is. Waar die zich comfortabel bij voelt of bang voor is en wat de belangrijkste karaktertrekken zijn. Die omstandigheden moet je dus gaan veranderen. Laat blijken hoe het leven of de omstandigheden van je personage gaan veranderen. Anders blijf je in het begin hangen en heb je geen verhaal.
Een loodgieter heeft een prettige baan, maar is diep vanbinnen bang dat die wordt afgenomen. Dat kan een begin vormen, maar als er vervolgens niets gebeurt, is het geen verhaal, maar een gegeven.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

In het tweede verhaalelement moet er iets veranderen aan het alledaagse leven dat je in het begin hebt uitgeschreven. Daarbij moet er nog meer dan in het begin duidelijk worden wat je personage beweegt, waar het zich comfortabel bij voelt en hoe het reageert als er iets gebeurt wat het niet verwacht. Hier hoort je personage de roep van het avontuur en moet het zich daarvoor klaarmaken.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Dit is de eerste keer in het verhaal dat je personage iets moet doen wat het niet per se wil of fijn vindt. Nu is het nog redelijk onschuldig, maar er volgen nog momenten waarop je personage met diens ergste kwelduivels of angsten wordt geconfronteerd.  Je moet al weten wat die andere kwelduivels en angsten zijn. (Je ziet ze in het schema terug bij als ‘obstakel’, maar ook bij de climax.) Zorg ervoor dat je grofweg weet wat die tegenslagen gaan worden, zodat je weet hoe je een goede spanningsboog uitwerkt die langzaam maar zeker in intensiteit stijgt.
Bedenk: een verhaal is niet geloofwaardig of interessant als de held van het verhaal onmiddellijk de wereld moet redden. Eerst zijn er nog trainingen en tegenslagen nodig. Weet wat de opbouw van de obstakels gaat zijn.

Wat moet je geheimhouden voor de lezer in dit verhaalelement?

Vrijwel alles wat onder het vorige kopje stond vermeld, moet je geheimhouden voor de lezer. Alles wat inhoudelijk nog gaat gebeuren, moet op dit punt nog enige mysterie uitstralen. Zowel je personage als de lezer moeten het gevoel krijgen dat er een avontuur op het punt van beginnen staat waarvan de afloop nog onbekend is.

Volgende week lees je over het derde verhaalelement, waarin je personage bedenkingen krijgt bij het aankomende avontuur.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding: door Vlad Tchompalov op Unsplash

Een kernemotie centraal stellen in je verhaal — een theoretische inleiding

Er zijn verschillende manieren om de beleving van je verhaal en een goed plotverloop te waarborgen. Een bekende daarvan is het afbakenen van het verhaalthema. Een andere, minder gebruikte manier is om jezelf af te vragen welke kernemotie je verhaal moet oproepen.

Emoties oproepen bij je verhaal

Ieder verhaal heeft momenten van spanning, relatieve rust en belonende onthullingen. Daarbij komen ook verschillende emoties los: verdriet als de held iemand verliest en blijdschap en opluchting als de missie is geslaagd. In dat opzicht is het niet mogelijk om je tot één emotie te beperken die je bij de lezer op wil roepen. Tegelijkertijd heeft ieder verhaal ook een overkoepelende emotie. Zo is het verhaal over een terminale patiënt vooral verdrietig, waar de feelgood vooral blijdschap oplevert.
Als je zo naar emoties kijkt en ze ook preciezer gaat ontleden of onderverdelen, kan je een centrale emotie vinden die de leidraad voor je verhaal vormt, zonder dat je het algemeen houdt of cliché maakt.
Van de tien boeken die je leest en je vrolijk maken, zijn er misschien drie die je hoopvol stemmen. Als je op die manier je boek het specifiekere emotionele label van ‘hoopvol’ mee kan geven in plaats van het meer algemene ‘vrolijk’, dan val je (met je boek) al meer op en zullen meer lezers nieuwsgierig worden naar je verhaal.

De emoties op de gezichten van deze lollige eitjes op de eerste rij zijn ‘basisemoties’. Je ziet echter niet wat er getekend staat op de eitjes op de achterste rij (lees: welke emoties ‘erachter’ zitten.) Als je de moeite doet om dat wel proberen te ontdekken, dan kom je misschien wel iets heel verrassends tegen. Iets wat meer diepgang geeft dan afgaan op wat je op het eerste gezicht ziet. (In dit geval ook letterlijk in het geval van de eitjes op de eerste rij.) Bij het schrijven van je boek kan dat een enorme verrijking zijn voor de invulling van je verhaal.

Foto door Tengyart op Unsplash.

Emoties onderverdelen: psychologisch graven

Je kent het beeld vast wel van de psycholoog die vraagt: “En wat zit er achter de boosheid die je nu voelt en benoemt?”
Je kan inderdaad alleen maar boosheid voelen, maar het is vaak zo dat je denkt dat het boosheid is, maar dat dat slechts het eerste woord is wat in je opkomt. Iets ‘boosheid’ noemen is makkelijker, omdat het moeilijker is om bijvoorbeeld jaloezie emotioneel als zodanig te identificeren. Daarmee wordt het als zodanig benoemen daarvan ook moeilijker. Dat is ook niet zo gek. Het is het verschil tussen: “Ik kan boos worden op mensen die op anderen neerkijken,” waarbij de kous af is en: “Ik ben jaloers op mensen die meer hebben dan ik, want dan voel ik me een mislukkeling, twijfel ik aan mezelf en kan ik boos worden over het onrecht en de machteloosheid die ik voel.” Dat is nu eenmaal veel (meer) om te voelen.
Maar laat dat psychologisch graven niet zomaar links liggen, hoe verleidelijk dat misschien ook is. Sommige nuances of onderliggende emoties lijken nauwelijks anders te zijn, maar hebben belangrijke verschillen.
Neem boosheid en frustratie. Boosheid is heel ‘zuiver’: “Ik word boos als mensen bij oranje licht stoppen, in plaats van doorrijden.” Bij frustratie speelt mee dat jij door omstandigheden die buiten jezelf liggen je iets niet kan bereiken. En inderdaad, je als gevolg daarvan boos wordt: “Doordat die eikel stopt bij het oranje licht, kan ik niet doorrijden en mis ik de start van een belangrijke vergadering.”
In een verhaal is dat op de langere duur een belangrijke verschil: een boos personage klaagt altijd en heeft woede-uitbarstingen. Een gefrustreerd personage geeft altijd anderen de schuld geeft en vindt zichzelf belangrijker dan hij is.

Persoonlijke narratieve beleving bij emoties

Uiteraard wordt niemand blij van verdriet. Maar dat betekent niet dat iedereen op dezelfde manier met iedere emotie omgaat. De een heeft woedebeheersingstraining nodig, waar de ander dat helemaal zen bijna moeiteloos kan wegademen. Bovendien heeft iedereen ook nog eens een ander beeld bij emoties, zeker in de context van verhalen hebt. Zeg ‘liefde’ en het is zeer waarschijnlijk dat dat met een romantisch drama wordt geassocieerd. De een zal juichen: “Yes, lekker zwijmelen,” waar de ander zal zuchten: “O God, daar gaan we weer… Kan die alfaman nou niet eens een keer opkrassen?”
Maar jij bedoelde met liefde die tussen moeder en kind. Je kan dus stellen dat ook jij als schrijver een persoonlijke interpretatie hebt van bepaalde emoties en daarmee ook bij diens nuances. Het is dus des te belangrijker dat je die interpretaties en verschillen goed in kaart brengt. Anders kan je kernemotie als leidraad van je verhaal falen of heel anders uitpakken dan je bedoelde.

Het kiezen van een kernemotie voor de toon van je verhaal is dus niet een klus die één, twee, drie geklaard is. Daarom gaat deze blogpost er verder op in.
Je kan alvast proberen zelfstandig te beginnen. Schrijf op welke emoties je kan benoemen en denk na over welke emoties en bijbehorende nuances daarachter kunnen liggen. Zie je dan een verschil met wat dat met een personage of de sfeeromschrijving of de verhaalbeleving doet of kan doen? Heb jij net als in het voorbeeld persoonlijke beelden bij emoties? Waar denk je dan op te moeten letten om dat universeel te kunnen vertalen naar de beleving die je met je boek op wil roepen?



Drie-aktenstructuur: het begin

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Dit schema helpt je jouw verhaal in stappen op te bouwen en om een goede spanningsboog te behouden. Als je verhaal vastloopt, kan je dit schema gebruiken om te zien waar je nog iets moet aanpassen. Er zijn vijftien verhaalelementen, deze week het eerste: het begin.

Zo ziet de Drie-aktenstructuur eruit:

Introductie verhaalelement

Aan het begin weet de lezer nog helemaal niets van je verhaal. Misschien geeft de achterflap of de titel een idee, maar daar heeft de lezer niet veel aan om het leesavontuur echt in te kunnen duiken. De eerste echte informatie krijgt de lezer nog altijd aan het begin van het boek.  

Kennis van de lezer

Vermijd het idee dat je de wereld of het personage moet introduceren. Een veelvoorkomende fout aan het begin is dat je het hoofdpersonage of de regels van je fantastische wereld bijna letterlijk gaat voorstellen. “Hallo lezer, dit is Alexandra. Ze is vijfendertig, heeft een donkere huid, prachtige krullen en is getrouwd met Frans.”  
Dit soort -meestal- nietszeggende informatie wordt nogal eens vergezeld door een alledaags gesprekje met de buurman. Zo komt de lezer erachter dat de heldin een bibliothecaresse is. In een fantasyverhaal ligt de proloog op de loer waarin alle wetten en regels bijna letterlijk worden uitgeschreven. Dat is niet de bedoeling; als schrijver is het je taak om de informatie subtiel in de tekst te verweven.

Waar is dit verhaalelement voor bedoeld?

In plaats van iets te willen introduceren, moet je het verhaal starten. Dat betekent dat je de eerste hints moet geven. Die moeten aangeven wat belangrijk gaat worden in het plot of wat voor karaktertrekken je personage heeft die later in het verhaal belangrijk zijn.
Beschrijf dus dat Alexandra jaloers is als ze later in het verhaal ontdekt dat Frans vreemdgaat. Je kan dat in het begin al laten doorschemeren in een andere context: laat haar een duidelijke verbitterde mening hebben over een knappe collega, of laat haar mokken dat ze niet gehoord wordt in een vergadering.

Kennis van de schrijver

Je kan niet aan een verhaal beginnen als je het karakter van je personage niet kent en niet weet wat het beweegt. Zorg dat je personagebiografie in orde is. Hierin staan de belangrijkste zaken over je personage: karaktertrekken, angsten, wensen, persoonlijke geschiedenis enzovoorts. Wees subtiel met je voorbeelden van de karaktertrekken die iets duidelijk moeten maken, anders verraad je het grootste deel van het centrale conflict of het plot voor het goed en wel begonnen is.

Valkuilen van het verhaalelement

In dit verhaalelement moet je niet te veel verklappen. Start het verhaal, maar geef er niet te veel van weg. Dat komt in de volgende verhaalelementen pas aan de orde. Het begin is relatief kort, dus daar moet je niet proberen informatie in te proppen die later aan bod hoort te komen.  
Vergelijk het met een plottwist: die is pas interessant als de lezer al met je personage is mee gaan leven. Anders kan het hem niets schelen of je personage de grond onder de voeten voelt verdwijnen. Op eenzelfde manier is verklappen dat Frans straks vreemdgaat nog niet interessant (genoeg) om de schok teweeg te brengen die dat moet doen. Er zijn zoveel verhalen over ontrouw dat je niet meteen van de lezer kan verwachten dat die meteen in het verhaal wordt meegezogen.

Volgende week volgt verhaalelement 2: het inciting incident. Daar leer je alles over het belang van de comfortzone in de verhaalstructuur.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Lukasz Grudzien op Unsplash