Autobiografisch schrijven: vrijblijvend schrijven?

Als je autobiografisch schrijft, schrijf je over je eigen leven. Dan kan het lijken alsof je alles kan schrijven wat je maar wil. Het is jouw leven, dus je deelt wat je wil, en je schrijft over jezelf zoals je wil. Dus autobiografisch schrijven is vast een eitje, toch? Helaas is het niet zo simpel. Waar moet je op letten als je autobiografisch schrijft?

Autobiografisch schrijven: je wordt een personage

Als je autobiografisch gaat schrijven, is er één ding dat je goed moet onthouden. Als je autobiografisch schrijft, krijg je een persona(ge). Dat betekent ook dat je leven de vorm van een fictieverhaal moet krijgen om prettig leesbaar te zijn (tenzij je een soort encyclopedie over jezelf wil schrijven, maar dat is waarschijnlijk niet je bedoeling). Een autobiografie schrijven heeft daardoor veel gemeen met het schrijven van elk ander verhaal waarin de lezer met een personage mee gaat leven. Je wordt meegenomen in de leefwereld van een persoon op papier.
Daarom moet je voordat je aan je levensverhaal begint goed weten wat jij straks ‘als personage’ laat zien of doormaakt. Net zoals bij fictieve personages zal je onderzoek moeten doen.

Autobiografisch schrijven: ken jezelf

Onderzoek naar jezelf kan klinken als een spirituele reis of een afspraak bij de psycholoog. Geen zorgen, zo extreem hoeft het niet te worden. Maar bedenk wel dat als je autobiografisch schrijft je dus een persona(ge) krijgt. Zoals je waarschijnlijk al weet als je al een tijdje oefent met schrijven, betekent dat dat je hoe dan ook een personagebiografie moet maken om een personage realistisch en narratief kloppend verhaal te kunnen schrijven.

Daarom moet je dus heel goed gaan kijken welke dingen er in je leven gebeurt zijn of welke keuze je maakt(e). Alleen dan kun je van een afstandje naar je eigen leven kijken om het te zien als een verhaal, niet als een reeks dingen die je hebt meegemaakt.
Soms kan zoiets als je favoriete vakantieland al iets over je zeggen. Vergelijk:
Jij gaat graag naar een zonnig strand om daar lekker te kunnen luieren. Heb je wel eens bedacht dat dat ontspannen gevoel iets gemeen heeft jouw nonchalante manier van doen? Of dat je juist liever naar bergachtig gebied gaat omdat je dan veel en intensief kan wandelen een actieve vakantie hebt. Geen wonder voor een sportpersoon als jij.

Hou jezelf een spiegel voor als je autobiografisch gaat schrijven.


Een ander voorbeeld. Stel dat je dol bent op lekker eten en zo nu en dan in Michelinsterrenrestaurant gaat eten.
Waarom ga je dan graag ook naar dat ene restaurant? Is de chique omgeving vertrouwd voor je en ken je de mensen daar goed? Of wil je aan de rest van de wereld laten zien dat je dat etentje kan betalen?
Dit soort vragen zijn voor jezelf om te beantwoorden en het is belangrijk dat je hier niet meteen een waardeoordeel aan hecht.
Als je je leefwereld al aan begint te passen om maar ‘juist’ over te komen nog voordat je verhaal stevig staat, dan ga je vroeg of laat jezelf tegenkomen; het zal de continuïteit geen goed doen. Hoe jij als overkomt als persoon of personage is iets van latere zorg. Je moet er rekening mee houden, maar niet op het moment dat je complete verhaalidee nog op de tekentafel ligt.

Leg je eigen interesses en manier van doen en laten onder de loep. Je moet zodra je jezelf een persona(ge) geeft enige samenhang zien in je interesses of zelfs grotere levensgebeurtenissen, anders kan je geen logisch verhaal schrijven.

Autobiografisch schrijven: wie wil je aanspreken?

Je bent als persoon iemand met veel interesses, bezigheden en je hebt verschillende dingen meegemaakt Waar wil je over vertellen? Als je een personage schrijft, staat in diens verhaal altijd een centraal conflict of specifiek onderwerp centraal. Om een verhaal af te bakenen kun je niet vertellen over een leraar bioloog die colleges geeft op de universiteit, een gezinsleven heeft, soms onderzoek doet in het Amazonegebied en doordeweeks met haar vrienden naar het café gaat om een wijntje te drinken.

Dat kunnen allemaal verhalen zijn:
* over het universiteitsleven
* over het het onderzoekersleven in de Amazone
* over het moederschap
* over een groepje vriendinnen.

Dat zijn vier zulke verschillende verhalen dat de kans klein is dat je daar veel mensen mee aanspreekt. Iemand die geïnteresseerd is in biologisch onderzoek is niet per se ook geïnteresseerd in het gezinsleven. Probeer daarom je doelgroep te bepalen voor je begint met schrijven. Dat bespaart je een hoop gedoe als je eenmaal met schrijven begonnen bent.

Ethisch autobiografisch schrijven

Als je autobiografisch schrijft, moet je fictie en non-fictie balanceren. Je zal dingen moeten verzinnen die niet gebeurd zijn om het verhaal tot een mooi geheel te maken of bepaalde dingen privé te kunnen houden. Maar lezers denken (al is het maar onbewust) vaak dat wat in een autobiografie is geschreven, precies zo is gebeurt. Dat kan gevolgen hebben. Bijvoorbeeld:
Ik ben in Hiroshima geweest en heb daar het vredespark bezocht. Dat is er in Nagasaki ook één. Om fictie en non-fictie te scheiden, bezoekt mijn persona in Nagasaki het vredespark. Als ik dan schrijf dat ze de stad helemaal fantastisch vindt, is het niet onlogisch als iemand me vraagt: “Zou je me aanraden om naar Nagasaki te gaan?” terwijl ik daar nooit ben geweest.

Het kindermonument in het atoombomherdenkingspark in Hiroshima (dus niet in Nagasaki…)

Dit voorbeeld zou waarschijnlijk geen spannende gevolgen hebben. Maar je kan al snel iets schrijven wat belangrijke gevolgen kan hebben. Denk daar goed over na. Als je autobiografisch schrijft, moet je een bepaalde ethiek in acht nemen. Je zal privacy van jezelf en anderen in acht moeten nemen en bepaalde meningen moeten nuanceren om geen onnodige problemen te krijgen.

Drie tips voor een fantastische spanningsboog

Een verhaal is en blijft spannend als je spanningsboog goed in elkaar zit. Daarvoor kan je de three act structure gebruiken. Dit schema leert je over een goede opbouw van begin, midden en eind en waar je een conflict moet schrijven. Er is een aantal dingen die het schema niet duidelijk meldt, maar toch is het een goed uitgangspunt voor de opbouw van je verhaal. 


Wat is de three act structure?

De three act structure is een schema waarin je kan zien wat het begin, midden en eind van een verhaal vormt. Die delen van het verhaal zijn weer onderverdeeld in fragmenten. Elk fragment laat zien wat je wanneer moet schrijven. 

three act strucure

Dit geeft antwoord op vragen als: 

  • Wanneer en hoe rond je de inleiding van een verhaal af?
  • Is het al tijd voor een confrontatie of moet er nog een obstakel komen?
  • Kan het verhaal al stoppen of is er nog een afronding nodig?  

 Enzovoorts. 
Zo helpt de three act structure een goede spanningsboog te waarborgen. Maar je kan er nog meer mee. 

1.    Balans van medepersonages

Kijk eens naar de vorm van de grafiek van de three act structure en merk op dat er om de zoveel tijd confrontaties zijn in de vorm van ‘explosietekens’. Dit kan een goede visuele herinnering zijn voor het feit dat niet alleen je plot, maar ook je personages dynamisch en divers moeten zijn. Met andere woorden: als je personages te veel van hetzelfde zijn (qua karakter, overtuigingen, of achtergrond) dan krijg je geen conflict. Als je personages over alles hetzelfde denken, kunnen ze heel gezellig koffiedrinken, maar daar krijg je geen verhaal van. Je hoofdpersonage kan een autocoureur zijn, zijn beste vriend een milieuactivist die het niet oké vindt dat er voor de lol zoveel benzine wordt gebruikt in een autorace. Dan zijn ze het ergens niet over eens. Zo volgt er een discussie en uiteindelijk een conflict (niet per se een ruzie!) waardoor je hoofdpersonage anders over iets gaat denken. Zo wordt er een verhaal of een centraal conflict gestart. Conflicten moeten worden uitgelokt en daar zijn personages voor nodig die van elkaar verschillen. 

2.    In medias res 

Als je in medias res schrijft (je start je verhaal bij het chronologische midden) dan kan de three act structure houvast bieden. Zo zie je duidelijk welke elementen van het begin je later nog in verhaal moet verwerken. 

3.   Three act structure per hoofdstuk

Three act structure gaat als schema uit van het volledige verhaal. Toch zul je merken dat ook binnen een verhaal soms meerdere verhalen schuilen. Dit zijn de spreekwoordelijke (en soms letterlijke) hoofdstukken. Neem een mensenleven. Als je dat volledig zou uitschrijven, dan heb je ‘hoofdstukken’ als bijvoorbeeld: 

  • De kindertijd
  • De studententijd
  • De huwelijksperiode
  • Het werkbare leven

Laten we kijken naar de studententijd. Die heeft ook een begin, midden en een eind. Je begint een studie, daar krijg je te maken met conflicten (je zakt voor toetsen, je kan geen stage vinden, je weet niet hoe je na een kroegentocht zonder kater colleges bij kan wonen…)  en uiteindelijk krijg je je diploma. 
Als je merkt dat je met je verhaal als geheel in de knoop raakt, kijk dan eens of het schema van de three act structure nog klopt per ‘hoofdstuk’. Meestal kun je aardig wat rechtbreien als je je tekst van net iets dichterbij bekijkt. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Op verhaalentaal.blog werd eerder over the three act structure geschreven onder de term save the cat.

Wat kan reizen je leren over schrijven?

Reizen kan een onverwachte manier zijn om beter te leren schrijven. Als je je oren en ogen goed openhoudt, kan een andere omgeving je leren om een beter verhaal te schrijven, of het nu gaat om een verre reis een weekendje weg relatief dicht bij huis.

Een opsteker voor je opschrijfboekje

Als je op reis gaat (of dat nu een half jaar naar de andere kant van de wereld is, of van de Randstad een dagje naar het platteland) zie je dingen die anders zijn dan je gewend bent. Dingen die anders zijn, moet je als schrijver noteren in je opschrijfboekje om je observatievermogen scherp te houden. Nergens merk je zoveel op als als in een nieuwe omgeving, dus dat maakt reizen al een goede schrijversoefening op zichzelf.

De fotoavond na een vakantie

Vakanties lopen zelden volledig in de soep en vrienden zijn meestal niet de mensen die het leuk vinden om te zeggen dat zij lekker naar Australië kunnen vliegen, terwijl jij alleen een weekendje Schiermonnikoog kan betalen. (Zeg tegen hen dat Aussies lekker niet kunnen wadlopen….)
Dus volgt op een vakantie van jou of je dierbaren een gezellige ‘foto-avond’ om foto’s te laten zien en bij te kletsen.
Omdat ik graag reis, het voorrecht heb dat elk jaar te kunnen doen en dat ook geldt voor veel mensen om me heen, heb ik deze ‘foto-avonden’ vaak meegemaakt. Het is me opgevallen dat een aantal uitspraken vaak terugkomen, bijna als clichés. En als een schrijfster/tekstredactrice cliché hoort, is het wachten op nieuwe observaties en bijbehorende mini-schrijfoefeningen ;). Ik hoop dat ze je helpen om meer schrijfinzicht te krijgen!

“Wat hebben we het in Nederland toch goed.”

Als je naar landen op reis gaat waar je niet om de armoede heen kan, is dit na thuiskomst een veel gehoorde uitspraak. Armoede is voor de meeste Nederlanders gelukkig niet aan de orde van de dag. Maar zodra we het van dichtbij zien is het altijd slikken. Maar we weten dat armoede er is. Waarom zeggen we bovenstaande uitspraak pas zodra we armoede zien? Dan krijgt armoede letterlijk een gezicht. Je hebt mensen gezien die moeten bedelen, een huis hebben dat uit weinig meer dan wat houten palen en golfplaten bestaat. Het raakt je meer omdat je in deze mensen hebt ‘geïnvesteerd’. Hoe oppervlakkig ook, je kent ze nu een beetje, dus nu wil je dat het goed met ze gaat. Ditzelfde gaat op voor een gouden regel bij het gebruik van plottwists: eerst investeren, dan omkeren. Je kan pas verrassen met een verhaal zodra de lezer bij een (persoonlijk) verhaal betrokken is geraakt.

“Rare jongens die….”

Romeinen, Randstedelingen, Amerikanen, Groningers of toch de Japanners?
In welke andere, vreemde omgeving je ook komt, mensen zullen dingen waarschijnlijk anders doen dan jij gewend bent. Dat kan vreemd op je overkomen: dan ervaar je een cultuurschok. Maar wat voor jou normaal is, is voor de ander juist weer vreemd. Hier zie je hoe een personagebiografie een persoon en diens overtuigingen of kijk op de wereld kan vormen. De Amsterdammer pakt een trammetje naar het werk. Dat komt niet in de plattelandsbewoner op: in die omgeving rijdt geen tram. Het doodnormale voor de Amsterdammer is vreemd voor de plattelandsbewoner.

Eten Japanners rijst bij het ontbijt? Wat apart, dat eet je toch ’s avonds?
Wat denkt diezelfde Japanner misschien over Nederlanders?
Hoezo strooien zij kleine stukjes chocola op brood en eten ze dat ’s ochtends? Hoe komen ze daar nou bij? Chocoladestrooisel is toch taartdecoratie? Hagelslag, zeg je? Oké dan…

Wees even eerlijk, mensen… 😉
Door Amin – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=70552546

“Maar die persoon maakte de reis echt onvergetelijk!”

Het lijkt wel het lijfmotto van elke backpacker: “Het mooiste van de reis was niet de bestemming, maar de toffe mensen die ik heb ontmoet.” Hier zie je hoe mensen elkaar beïnvloeden en hoe dat een reis (of een verhaal, zo je wil) en daarmee een mens kan veranderen. Als je Katie niet had ontmoet, had niemand jou overgehaald om te gaan abseilen en zo heb je geleerd je grenzen wat te verleggen. Zo maak je van meerdere verhaallijnen een mooi geheel als je een verhaal gaat schrijven. Je kan er ook alert op zijn wat voor archetypen je medereizigers zijn en hoe jij vervolgens na de reis (anders) in het leven staat.

“Je gelooft toch niet dat mensen dat kunnen maken?”

Of het nu eeuwenoude gebedshuizen of piramides zijn of moderne (veel te hoge) gebouwen, soms kijk je naar bouwsels en denk je alleen maar: hoe dan? Kijk voor een mogelijk antwoord eens naar het schema van save the cat. Tijdens de bouw zijn er misschien hindernissen, vertragingen of problemen geweest. Kun je (met een beetje fantasie) het schema helemaal invullen? Hoe dan ook is er een begin, midden en een eind (de bouwplannen, de bouw en de voltooiing) anders stond je nu niet met open mond ergens naar te koekeloeren.

“Toch ben ik blij dat ik weer thuis ben…”

De foto-avond heeft deze uitspraak vaak als slotconclusie. Dat geeft aan dat mensen vaak gehecht zijn aan hun comfortzone, hoe avontuurlijk ze ook zijn, of hoe gaaf ze de vakantie ook vonden. Wat zegt die comfortzone over de dingen die je personage op reis heeft gezien of meegemaakt? Is er ergens stiekem een gevoelige snaar geraakt en wil ze dat niet toegeven? Is het verhaal nu afgerond nu er nieuwe ervaringen zijn opgedaan? Of is dit juist aanleiding voor weer een nieuw verhaal of een nieuwe reis? (Bedenk: elke nieuwe situatie kan naar verloop van tijd een nieuwe comfortzone worden.) Misschien is het tijd om een doos hagelslag in je koffer te stoppen, een vlucht naar Japan te boeken en daar aan de eerder genoemde Japanner uit te leggen waarom hagelslag toch echt niet zo raar is…
Wie weet kom jij dan op jouw beurt wel terug met het idee dat een okonomiyaki de meest normale pannenkoek op de wereld is. Zo kan reizen een eindeloze inspiratie voor verhalen vormen!

Een nieuwe definitie van de doodnormale pannenkoek: okonomiyaki

Drie tips om beter te leren observeren

Zeg schrijver en je zegt pen. Maar een schrijver kan ook niet zonder opschrijfboekje om allerlei verhaalideeën in te noteren. Ideeën voor een plot bijvoorbeeld, maar je kan er zelfs kleine voorwerpen inplakken. Er zijn wat dat betreft geen regels. Als het je maar inspiratie geeft. Deze tips voor je opschrijfboekje kunnen je niet alleen inspiratie geven, maar ook beter leren schrijven. 

1. Kies een kleur om op te speuren

In je dagelijkse leven zie je bepaalde dingen steeds opnieuw terugkomen. Dezelfde auto voor de deur, dezelfde meubels in je huis. Daardoor raak je in een soort ‘sleur van observatie’. Je let niet meer op bepaalde details of kenmerken en daardoor let je niet meer op wat je nu eigenlijk ziet. Het is belangrijk dat je je observatievermogen scherp houdt: hoe wil je anders een fictieve wereld boeiend omschrijven? Deze oefening kan je helpen om goed te blijven observeren: 

Kies een kleur uit en schrijf gedurende de dag alles op wat je ziet met die kleur. Dit kun je het beste doen op een dag dat je thuis bent. Omdat je in de vertrouwde omgeving bent, zie er je niets speciaals meer aan. Totdat je ineens beseft hoeveel rode dingen je in huis hebt. Je had toch niets roods in huis? Jawel: er liggen rode appels in de fruitschaal en de chipszak in de kast is ook rood. 
Je kan deze oefening natuurlijk ook doen met vormen of materialen.


2. Noteer details van gezichtsuitdrukkingen

Bij de schrijftechniek show, don’t tell omschrijf je dingen en emoties. Zo schrijf je: de tranen lopen over mijn wangen in plaats van: ik ben verdrietig. Zodra je met emoties te maken krijgt die minder makkelijk te omschrijven zijn, kan dit soms leiden tot een kleine writersblock. Hoe kijkt iemand die teleurgesteld is eigenlijk? De mondhoeken gaan wat naar beneden of de ogen worden groot. Train jezelf in het opschrijven van de kleine details en veranderingen die je ziet in verschillende gezichtsuitdrukkingen. Op de lange termijn scheelt dat een writersblock als je emoties gaat omschrijven. 

3. Schrijf kleine, lieve gebaren op

Een verhaal gaat over je hoofdpersoon, ook wel de held genoemd. Soms kan het lijken alsof je held veel gemeen moet hebben met een superheld: hij moet superkrachten hebben, overal de beste in zijn en alleen grootse gebaren en acties uitvoeren. Dat is niet zo: dan krijg je een Mary Sue-personage. Maar als je de goedheid of vrolijkheid van een personage beter niet kan portretteren door die dertig uur per week vrijwilligerswerk te doen, hoe doe je dat dan subtieler? 

Schrijf kleine, lieve gebaren op die je elke dag ziet. Die zijn er meer dan genoeg. Net als dat het geval is bij de kleuren in de eerste tip, zijn ze zo vanzelfsprekend dat ze niet meer opvallen. Heb je een opzetje nodig? Denk eens aan: 

•    Iemand verrassen met een klein cadeautje of een kaartje
•    Een kind een high-five geven
•    Een complimentje geven
•    Boodschappen doen voor een zieke vriend
•    Iemand opbellen als je weet dat diegene eenzaam is

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Anticlimax: zo verpest je een verhaal

Je kent een anticlimax vast wel. Het is dat moment waarop er een onthulling komt waarvan je denkt: is dat alles? Of erger nog: je verwacht het hele boek om een onthulling te krijgen, zonder dat die er überhaupt komt.
De anticlimax kan al het goede van je verhaal tenietdoen. Dat is vreselijk jammer. Hoe kun je een anticlimax voorkomen?

Waar schrijf je een climax in het verhaal?

Een climax komt vrijwel aan het einde van een verhaal. Dat kun je zien in het schema van save the cat.

Er zit een stijgende lijn in het schema. Dat is als het ware de aanloop naar de climax. Vanaf dat punt wordt alles wat ‘rustiger’ en schrijf je langzaam naar het einde toe. Je kan zien dat de climax in het schema een explosief tekentje heeft. Dat betekent dat er iets belangrijks of spectaculairs moet gebeuren.

Wat is een anticlimax?

Een anticlimax is een climax waarin het bovenstaande save the cat schema op twee mogelijke manieren anders uitpakt:

  • In plaats van een lijn naar beneden in te zetten stopt de lijn vrij abrupt.
  • De verhaallijn zet door, maar is slechts vlak: er zit geen dynamiek meer in.

De verhaallijn stopt abrupt

Laten we voor deze voorbeelden een sprookje gebruiken om het simpel te houden.

Assepoester past het glazen muiltje en…
* Het muiltje past plotseling niet meer.
* De prins dacht dat een andere mysterieuze vrouw bij het muiltje hoorde. “Sorry Assepoes, maar ik trouw niet met jou, want jij bent mijn droomvrouw niet.”

De verhaallijn verliest aan dynamiek

Het muiltje past Assepoester! Maar dan:
“Ik dacht al dat jij degene was die bij het schoentje paste,” zei de prins.
“Ja, dat was ik,” glimlachte Assepoester.
“Nu ik er eens goed over nadenk… Is het wel slim om te trouwen met een vrouw waar ik precies drie uur mee gedanst heb?” De prins keek Assepoester aarzelend aan.
“Tja, daar heeft u een punt, majesteit…” zei Assepoester zacht.
“Zullen we dan eerst een paar maanden daten voordat we de knoop doorhakken?”

Als Assepoesters verhaal hierop uitdraait, ben je ver afgedwaald van het oorspronkelijke plan…

Vervolgens volgt een verslaglegging van het datingleven van Assepoes en Prins, die niet veel spectaculairder is dan dan de gewone sterveling. Daar is letterlijk en figuurlijk niets sprookjesachtigs meer aan.

Het abrupte einde van een verhaal

Een abrupt einde werkt meestal niet omdat er vragen onbeantwoord blijven. Meestal is dat een van de volgende vragen: ‘En toen?’ of ‘Hoezo?’

En toen?

Het muiltje past Assepoester niet meer. Daar kan het verhaal niet zomaar stoppen. Assepoester gaat waarschijnlijk nog proberen te bewijzen dat er iets van oplichting of een misverstand in het spel is. Dat kan je in theorie doen, maar dat zwakt je verhaal af. Je verandert er namelijk het centraal conflict mee. Het verhaal gaat niet langer (alleen maar) over het grote bal waar het hele verhaal naartoe werkt. Het gaat nu ook nog om het zoeken van bewijslast. Als je op het allerlaatste het verhaal nog een nieuw conflict geeft, wordt de structuur rommelig. Daarover later meer.

Hoezo?

Assepoester is toch niet de droomvrouw van de prins. Hoezo niet? Ze hebben elkaar steeds zwijmelend in de ogen gekeken, en belangrijk nog: daar draaide uiteindelijk het hele verhaal om… Plottwist, daarom! Je kan in mijn desbetreffende blog lezen dat een van de belangrijkste regels van een plottwist is: de reden voor een plottwist mag nooit choqueren zijn.

Een andere regel is: investeren en dan omkeren. Je hebt het hele verhaal in de heldenreis van Assepoester geïnvesteerd en vervolgens gebeurt er iets wat daar totaal niet binnen past. Alles wat ze heeft geleerd en gedaan als heldin van het verhaal wordt uit het raam gegooid. De emotionele mishandeling waar ze jarenlang aan is blootgesteld? Het feit dat werd beloond voor het bal en aan zichzelf kon bewijzen dat ze wel degelijk iets waard of mooi was? Vergeet dat maar, want de prins is plotseling kieskeurig…. Op deze manier pak je de heldenreis van Assepoester af.

Niet elk verhaal hoeft goed af te lopen, maar de afloop moet wel aansluiten op de heldenreis: de groei die je personage heeft meegemaakt. Stel dat je de prins inderdaad niet voor Assepoester kiest. Dan moet ze op zijn minst:
* met zijn broer kunnen trouwen en zo alsnog een prinses worden;
* verbitterd als huisslaaf voor haar gestoorde familie blijven werken in de wetenschap dat zij meer waard is, omdat de prins haar die ene avond hoe dan ook wel degelijk respecteerde.

Dat laatste voorbeeld is vrij extreem, maar zo zie je dat hoe slecht het verhaal ook afloopt, het groeiproces van de heldenreis niet zomaar genegeerd mag worden.

Een saaie dynamiek

Als je anticlimax een vlakke dynamiek in de hand werkt, komt de volledige verhaalopbouw op zijn kop te staan. Een climax is ervoor om het verhaal na een spannend slotstuk langzaam maar zeker af te ronden. Als je dan een heel nieuw conflict (lees: verhaallijn) in dat verhaal verwerkt, wordt alles wat je vooraf hebt geschreven, nogal snel ontkracht of leest het minder vlot.

Als je Assepoester en Prins inderdaad eerst maandenlang laat daten, dan heb je er zo weer een heel verhaal bij. Bedenk: zodra dat verhaal af is, heb je nog steeds één verhaal (het is alleen langer geworden). Wat is in dat langere verhaal het centrale conflict? Assepoester die het hart van de prins moet winnen op het bal, of de prins die uiteindelijk het hart van Assepoester moet winnen in een aantal dates?

Allebei de opties zijn mogelijk. Maar als je op het laatste moment in je verhaal van centraal conflict wisselt, dan is de basis waarop de rest van het verhaal staat niet stevig meer.
Als je over koninklijk datingleven wil schrijven, begint het verhaal eerder bij het schoentje passen dan dat het daar eindigt. Zo krijg je een heel ander save the cat schema.
Zorg ervoor dat je weet hebt van je centrale conflict, pak goed uit bij de climax en rond het verhaal daarna af.

Vier tips voor het omschrijven van reuk en smaak

Als je gaat omschrijven met de show don’t tell-techniek is het relatief eenvoudig om dat te doen door te omschrijven wat een personage ziet (de tranen stroomden over haar wangen) of voelt (hij voelde zijn maag samentrekken). Maar reuk en smaak omschrijven is een stuk lastiger en wordt daarom minder vaak gedaan. Dat is jammer, want als het goed doet, heb je een goudmijn gevonden. 


Smaak: op een schaal van één tot mierzoet…

Als je een smaak omschrijft met specifieke woorden, heb je er maar vijf tot je beschikking: zoet, zuur, zout, bitter en umami.  Maar binnen die vijf woorden kun je allerlei kanten op met een soort schaalverdeling. Een appel is zoet, maar dat is een frisdrankje dat is volgestopt met suiker en sterke smaakstoffen ook. Bedenk waar op de schaal van één tot tien de smaak zich bevindt.  

Smaak: meer dan alleen proeven

Als je iets eet, ervaar je meer dan alleen de smaak. Je ruikt iets als het voedsel geprikt aan een vork richting je mond komt, in je mond kauw je op iets knapperigs, of voel je juist iets zachts… Op deze manier omschrijf je ook met behulp van de zintuigen tast en reuk, wat de verbeeldingskracht van je lezer maximaal prikkelt. 

Geur: ruiken met je mond

Een zoete bloemengeur, de zure lucht van braaksel en de zilte zeelucht: vaak zijn geuren te herleiden naar een bepaalde smaak. Omdat geuren op zichzelf erg lastig te omschrijven zijn, kan het helpen om een van de smaken te gebruiken om de associatie bij een geur te versterken.

Geur: de lucht van….

Zweetsokken, benzine, een frituurpan, verbrand plastic…  Er zijn geuren die heel uitgesproken zijn. Dit zijn meestal niet de fijnste geuren. Maar dat werkt alleen maar in je voordeel. Uitgesproken geuren zijn namelijk heel makkelijk in de verbeelding op te roepen. Voeg daar nog een goed gekozen extra woord aan toe en je hebt een maximaal effect.
* De bijtende geur van verbrand plastic
* Een muffe schimmellucht
Je lezer zal met een beetje geluk de neiging krijgen om de neus ter plekke dicht te knijpen!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Het opschrijfboekje: de gereedschapskist van een schrijver

Verhalen schrijven: je bedenkt de meest interessante plotwendingen, boeiende personages. Soms heb je het geluk dat de inspiratie uit het niets lijkt te komen. Dan kun je misschien wel een heel verhaal bedenken en uitwerken. Vaak is dat echter niet het geval. Als je van schrijven een serieuze(re) hobby wil maken en ten alle tijden inspiratie wil kunnen oproepen, ontkom je niet aan het opschrijfboekje.

Waarom heb je een opschrijfboekje nodig?

Mensen beginnen soms te schrijven omdat ze plotseling inspiratie krijgen voor een verhaal. Dan gaan ze aan de slag en zien ze dat schrijven een erg leuke hobby kan zijn. De een laat het bij dat ene verhaal, maar een ander wil dan een ‘serieuze schrijver’ worden. Dat enthousiasme is veelbelovend, tenzij dat betekent dat diegene – net als bij dat eerste verhaal- wacht op inspiratie. Je kan er namelijk niet van op aan dat inspiratie zomaar komt. Die moet je opdoen, gedurende je dagelijkse leven. Zodra je iets opvallends ziet, doe je er verstandig aan om dat op te schrijven.

Stel dat je bovenstaande foto hebt gemaakt. De goudachtige kleur van de karper in combinatie met de manier waarop die kleur steeds doffer van toon wordt naarmate je meer richting de staart kijkt, doet je denken aan een begraven schat met gouden munten. Dan heb je een basis voor een verhaal met een verborgen schat.
Maar- en dat is het essentiële punt- je had niet aan die schat gedacht als je de deze karper niet had gezien, die deze associaties bij je opriep. Op deze manier kun je op een dag tientallen, zo niet honderden indrukken opdoen. Als je dan geen opschrijfboekje bij de hand hebt om die indrukken op te schrijven, loop je de kans dat je door de andere indrukken of gebeurtenissen van de dag die flits van inspiratie kwijtraakt.

Je kan alles wat je ziet noteren in je telefoon, maar persoonlijk raad ik dat af: als je iets moet opschrijven met een pen, doe je daar langer over, waardoor het moment van inspiratie langer blijft hangen.

Wat schrijf je op in je opschrijfboekje?

Je schrijft alles, (of op zijn minst 80%) in je opschrijfboekje op dat je opvalt, wat je bijzonder, apart of mooi vindt. Alles waarvan je grofweg drie tellen of langer bij stilstaat en denkt: Hé, hier is iets mee… Als je intuïtief denkt: goh, dit is apart… Dat kunnen dus onder andere zijn:

* mooie uitzichten
* aparte kledingstijlen
* uitgesproken gezichtsexpressies
* grappige citaten of woordspelingen
* televisiereclames die creatief zijn opgezet
* emoties die je ziet of voelt
* opvallend nieuws dat je hoort

Waarom moet je veel opschrijven in je opschrijfboekje?

Buiten het feit dat opschrijven veel inspiratie geeft, zijn er nog twee redenen om veel op te schrijven in een opschrijfboekje
* Je kan terugvallen op een show don’t tell als je vastloopt in je omschrijvingen

Stel dat je een uitzonderlijk blije toet ziet, zoals deze

Als je eens wil omschrijven hoe iemand schaterlacht, maar even niet op de woorden kan komen, kan je opschrijfboekje uitkomst bieden. Waarschijnlijk heb je in je opschrijfboekje over dit gezicht geschreven: een blij meisje schaterde van de pret. Ze lachte met open mond en haar ogen versmalden zich van plezier.

Je hoeft niet per se over dit kind te gaan schrijven. Als haar lach jou aanleiding gaf je opschrijfboekje erbij te pakken. dan is dat voldoende. Vrijwel alles wat je intuïtief meent op te moeten schrijven kun je vroeg of laat wel een keer gebruiken.


Schrijven is observeren

Een goed lopende tekst, interessante personages en een goede woordenschat zijn belangrijk als je een verhaal wil schrijven. Maar schrijven vraagt niet alleen goede taalvaardigheden een flinke dosis fantasie, het is minstens net zo belangrijk om heel goed te kunnen observeren. Test het maar eens. Als ik je vraag: ‘Hoe ziet je woonkamer eruit?’ wat zeg je dan? Natuurlijk zullen er stoelen, banken en tafeltjes in staan. Maar met zulke omschrijvingen krijg je een verhaal niet gevuld. Als je kan zeggen: ouderwets of modern ingericht, dan schiet het al iets meer op. Maar wat maakt iets ouderwets? Je zal moeten observeren en noteren. Ga op bepaalde details letten: de bruine, ingezakte bank is ouderwets. Als je niet observeert en noteert, kunnen bepaalde belangrijke details niet meer opvallen. Je neemt ze zo als vanzelfsprekend aan dat je ze soms niet meer ziet. Het materiaal van je bank, de kleur van je muren…Het kunnen allemaal belangrijke dingen zijn om de sfeer van een ruimte op te roepen.

Sorteren in je opschrijfboekje

Om bepaalde zaken later makkelijker terug te vinden, is het handig om een systeem aan te houden voor je opschrijfboekje. Dit systeem kun je baseren op datum ( als je meerdere verhalen schrijft, weet je wanneer je waarvan hebt gewerkt) alfabetisch naar onderwerp of je kunt met tabbladen werken, net wat je zelf fijn vindt. Maar probeer hoe dan ook een systeem aan te houden, anders zie je later door de bomen het bos niet meer. Je gaat het opschrijfboekje waarschijnlijk veel gebruiken ( zorg ervoor dat je het altijd in je tas hebt zitten!) dus al die losse krabbels moeten wel overzichtelijk blijven.

Reisdagboek: het ultieme opschrijfboekje voor schrijvers

Als je van reizen houdt, ga dan niet op reis zonder een reisdagboek mee te nemen. Als je reist is alles nieuw, en indrukwekkend, dus je bekijkt alles met andere ogen. Dat is ideaal om nieuwe inspiratie aan te boren. En dan heb je meteen je informatie gesorteerd: onder de categorie reiservaringen welteverstaan. Plak in je boekje ook dingen als bijvoorbeeld entreebewijzen of kassabonnetjes waar dat ene lekkere gerecht op staat. En vergeet af en toe ook niet een foto fysiek in te plakken. Als je bepaalde herinneringen levend houdt, zullen ze steeds opnieuw nieuwe inspiratie kunnen opleveren. Dat lukt je extra goed als je handmatig schrijft, dingen in plakt en extra versiert, omdat er dan extra aandacht naartoe gaat. En hoe meer aandacht je aan je observaties besteedt, hoe beter je ze onthoudt.

Op deze 3 momenten moet je omschrijvingen gebruiken

Zonder beschrijvingen komt je tekst niet tot leven. Maar te veel beschrijven is weer een manier om een tekst ontzettend droog te maken. Met deze drie vuistregels komt je nooit meer in de knoop met de vraag: wanneer moet je omschrijven en wanneer moet je de verbeeldingskracht van de lezer laten werken? Ze hebben één essentieel ding gemeen: de beschrijving moet meerwaarde hebben voor het verhaal. 

1 Omschrijven van het uiterlijk van een personage

Omschrijf personages niet te veel in detail. Kijk hoe je je hoofdpersonage voor je ziet en beschrijf datgene wat het belangrijkste is om een beeld van hem te vormen. Haarkleur en kleur ogen zijn hier een makkelijk voorbeeld van, maar misschien heeft je personage wel een opvallende haakneus. Dan is de neus een belangrijker detail om te delen. Deel uiterlijke kenmerken niet in je eerste pagina’s, maar verwerk ze in je lopende verhaal. Dan komt het minder geforceerd over.  
Beschrijf geen figuranten, zoals voorbijgangers. Een voorbijganger is niet belangrijk voor het algehele verhaal. Daarom zijn diens omschrijvingen onnodige opvulling van papier. Je hoeft de groetenboer niet te omschrijven als je personage niet meer met hem te bespreken heeft dan het aantal kilo aardappels dat hij wil kopen. Ga maar na: zo levert een rondje markt al snel een pagina vol omschrijvingen op van de voorbijgangers en de kooplui. 

2 Omschrijven van een plaats

Als je een plaats omschrijft, doe je dat om een sfeer op te roepen. Kijk dus welke details aan dat doel bijdragen. Stel dat je een elitaire ruimte wil omschrijven. Dan helpt het om een diamanten kroonluchter te omschrijven en dat er honderd jaar oude wijn wordt geschonken door een bediende in een pak. Deze details voegen iets toe aan het rijkeluissfeertje. Dat de muren blauw zijn, doet er niet toe; er zijn ook gammele fietsschuurtjes die blauw zijn geschilderd.
Je kan ook details gebruiken om te laten zien dat iemand letterlijk of figuurlijk niet op zijn plaats is: wat doet een jongen met een effen zwart T-shirtje en een afgezakte spijkerbroek in diezelfde chique ruimte? Hij valt uit de toon, dus is er waarschijnlijk iets boeiends over te vertellen. 

3 Omschrijven van een plotuitwerking

Fieke staat op het punt om haar vliegtuig te missen. Ze staat al bij de deur en beseft dat ze iets is vergeten. Op de tafel liggen een aantal voorwerpen: de huissleutels, een Gucciportemonnee en onopvallend onder de fruitschaal ligt een zakje wiet verstopt. 
Elk voorwerp zegt iets nuttigs over Fieke: Je huissleutels en je portemonnee vergeet je niet zomaar als je weggaat. Dit geeft aan dat Fieke chaotisch is. De Gucciportemonnee vertelt dat ze rijk is. En als ze wiet in huis heeft, kun je er de donder op zeggen dat dat nog iets voor het plot gaat betekenen. Dealt ze drugs? Is ze recreatief gebruiker en gaan we meer van een ontspannen levensstijl zien? 
Iets als paperclips zeggen vrijwel niets, dus die hoeft Fieke (lees: jij als schrijver) niet op tafel te leggen. Zoiets kan je weglaten. 

Afsluitende gedachten

Schrijven draait vooral om goede puzzelstukjes geven die zo een verhaal vormen. Geef ze niet te veel, want dan wordt je puzzel onoplosbaar of onoverzichtelijk. Geef ze wanneer ze nuttig zijn. Je zit goed wanneer je omschrijvingen samen een algemeen beeld vormen.  
Denk altijd eerst aan je verhaal, dan pas aan je omschrijvingen, niet andersom. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Een verhaal bedenken vanuit een personage

Als je een verhaal wil schrijven, komt het regelmatig voor dat je al een idee hebt waar het over moet gaan. Maar soms heb je een personage in gedachten, waar je nog geen verhaal bij hebt. Hoe schrijf je dan een verhaal?

Personage of thema: waar begin je mee?

Een verhaalidee ontstaat vaak vanuit een thema. Dan is het relatief makkelijk om een verhaal en het hoofdpersonage verder uit te werken. Wil je schrijven over de muziekwereld? Dan is je hoofdpersonage een componist of musicus die hogerop probeert te komen. Voilà, een verhaal in de dop. Maar als je heel duidelijk een personage voor je ziet, kan het lastiger zijn om daar een verhaal bij te bedenken.
Je ziet een visser voor je. Dat kan een heel uiteenlopend persoon zijn. Is hij een beroepsvisser die dagenlang op zee ronddobbert? Is het een hobbyvisser die elk weekend bij een vijvertje zit? Of reist hij de wereld over voor wereldbekerwedstrijdvissen?

Leer je personage kennen

Als je een verhaal start met een personage, neem dan de tijd om hem goed te leren kennen. Schrijf zijn personagebiografie uit, maar hou het daar niet bij. Hoe uitgebreid je de biografie ook uitwerkt, je zal je personage op deze manier kennen zoals een dokter een patiënt kent waarvan ze alleen het medische dossier heeft gelezen.
Je zal hem oppervlakkig kennen, maar het daadwerkelijke doen en laten van je personage blijft waarschijnlijk nog een raadsel. Schrijf daarom eerst wat losse scènes over je personage. Maak je niet druk over de kwaliteit van deze scènes: ze hoeven absoluut niet hoogstaand te zijn. Schrijf over iets waarvan jij denkt je personage beter te kunnen leren kennen. Is dat zijn ochtendroutine? Dat is normaalgesproken een cliché, maar dat maakt nu niet uit. Sterker nog, het kan zelfs helpen om over de meest ‘saaie’ dingen van het leven je personage te gaan schrijven. Niemand heeft immers een leven met 24/7 spanning, drama of romantiek. Die momenten zijn eerder de uitzondering dan de regel.

Hoe schrijf je kennismakingsscenes?

Kennismakingsscenes zijn makkelijk te schrijven. Je moet er namelijk nauwelijks tot niet bij nadenken. Als je gaat kennismaken met je personage, doe je dat heel intuïtief. Je kan een kennismakingsscene schrijven voordat je de personagebiografie schrijft, of nadat je dat hebt gedaan. Dat is een kwestie van voorkeur. Het belangrijkste is dat je personage ( of zijn omgeving) voor je geestesoog ziet en dan gaat kijken wat er in je opkomt. Meestal werkt het het beste als je voor de kennismaking iets uitkiest dat onlosmakelijk met je personage verbonden is. Als je dus schrijft over een visser, laat de scene zich dan afspelen op zee, bij een meertje of een vijver. Het kan ook helpen om een foto te zoeken van een ijkpersoon of van de omgeving waar je personage vaak is.

Zoek een enkele foto, hou een enkel woord in gedachten, of roep één mentaal beeld op en kijk wat je daarmee kan.

Zodra je enkele houvasten hebt gevonden, kun je daarmee een mindmap maken. Dan ga je nog niet nadenken over wat nuttig is, of dat je associaties zelfs maar logisch zijn. Je brainstormt er gewoon lekker op los!

Laten we de bovenstaande foto als voorbeelduitwerking gebruiken. Je ziet op de foto:

  • * twee mensen die met een hengel bezig zijn
    * een meertje
    * een heuvelachtige omgeving
  • * een aantal fietsen
  • Dat lijkt op het eerste gezicht maar weinig te zeggen, maar je kunt hier al een aantal dingen bij bedenken of zelfs uitsluiten:
  • * twee mensen die met een hengel bezig zijn –> zijn dit vader en zoon? Dan kun je bedenken dat de vader misschien wel het archetype verzorger is.
  • * een meertje –> dit is geen open, woeste zee, dus het gaat hier niet om een beroepsvisser.
  • * een heuvelachtige omgeving –> ons personage woont niet in Nederland. Waar dan wel? Stel dat deze foto in de Verenigde Staten is genomen, dan heeft ons personage dus hoogstwaarschijnlijk Amerikaanse normen en waarden. Wat kun je daar over bedenken? Wat zegt dat over zijn wereldbeeld?
  • * een aantal fietsen –> wonen deze personen vlakbij dit meertje? Of wonen ze een eindje weg en zijn ze sportief aangelegd, omdat ze gerust dertig kilometer willen fietsen om deze plek te bereiken?

Je zal merken dat je je personages heel snel en heel goed leert kennen als je op deze manier gaat mindmappen, zeker als je in combinatie daarmee nog enkele scènes uitschrijft.

Kort voorbeeld kennismakingscene

Naar aanleiding van de foto van de visser, kan er iets uit je pen verschijnen als:

Bob gaat elke zondag met zijn zoon Richard vissen. Ze hebben altijd het mooiste plekje bij het meertje. Met hun geheime aas vangen ze altijd de grootste vissen uit het meertje. Op een dag raakt Bob het doosje met dit speciale aas kwijt. Bon schiet in de stress, omdat hij bang is dat zijn vader-en-zoon-uitje minder speciaal wordt zodra er geen grote joekels meer gevangen worden. Richard vindt dat niet erg: het gaat erom dat hij tijd met zijn vader door kan brengen.

Als je deze tekst verder zou willen uitwerken, dan moet er nog heel wat mee gebeuren voordat je hem in je toekomstige verhaal kan plaatsen.
* De tekst is redelijk staccato van toon
* Geheim aas? Wat is dat nou weer? Aas is meestal zoiets als wormen. Dan zou je het over een geheime wormensoort krijgen. Tuurlijk…

Maar deze simpele scène vertelt je ook een aantal nuttige dingen, die je kan gebruiken om in je personagebiografie te zetten:
* Bob is niet zo stressbestendig
* Bob heeft die viszondagen hoog in het vaandel staan

Wat dat geheime aas betreft: wie weet heb je nu al je centrale conflict te pakken
* Er moet nieuw speciaal aas worden gekweekt
* Er komt een zoektocht naar dat aas

Trouwens: wie zegt dat een geheime worm niet bestaat? Als je een fantasy schrijft, kan dat misschien wel!

Je kent je personage nu al stukken beter. Lees hier hoe je zijn karaktertrekken kan gebruiken om het centraal conflict echt op gang te krijgen.

Met deze vier stappen zorgt je personage voor een sterk conflict

Personage en conflict zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Haal een van beide uit de vergelijking en je hebt geen verhaal. Vaak heb je een conflict of een thema waar je een passend personage bij bedenkt. Maar het kan ook andersom. Waar moet je dan op letten?


1. Kijk naar de ‘slechte kant’ van je personage

Ieder personage heeft een slechte kant, maar die hoeft niet meteen schokkend te zijn. Je personage kan een moordenaar zijn, maar zo moet je ‘slecht’ in dit geval niet interpreten. Chaotisch, klungelig, ongeduldig, onhandig of een flapuit zijn is al genoeg. Zolang het maar iets is wat je als ‘niet handig’ of ‘liever niet’ zou kunnen bestempelen. Uiteindelijk moet die slechte kant iets in gang kunnen zetten. 

2. Wat wordt er precies in gang gezet?

Je klungelige personage stoot een dure vaas om. De chaoot is de code van de kluis vergeten. De flapuit verklapt dat de vrouw van haar gesprekspartner is vreemdgegaan… Daar volgt natuurlijk iets op. Krijg je een hernieuwde ruzie over de erfenis? Staat de familie nu ineens op straat? Loopt een vriendschap ten einde? Meestal is er wel een logisch gevolg te bedenken bij een bepaalde karaktereigenschap. 

3. Wie of wat kan dit oplossen?

Meestal krijgt je personage door zijn blunder op zijn kop: Andere personages zijn boos op hem, of de omstandigheden gaan van kwaad tot erger. Dan is het zeer onwaarschijnlijk dat je personage het probleem zelf recht kan breien. De kans is groot dat hij daar de middelen niet voor heeft of dat de eerste schok van de gevolgen van zijn daden hem belemmert om tot actie over te gaan. Daarom is het verstandig om in de eerste fase van het verhaal/het conflict je protagonist een goede vriend te geven die de eerste rotzooi opruimt. Of je helpt de omstandigheden een (subtiel) handje zodat je held de gelegenheid krijgt weer op zijn benen te gaan staan. 

4. De comfortzone verlaten komt later 

Als je thema het uitgangspunt is om een conflict te bedenken, is het meestal zo dat het conflict begint zodra je personage uit de comfortzone wordt gehaald. Als je personage zelf de aanleiding voor het conflict is, moet je wat langer wachten met het uitdagen van je held. Als hij nog staat te trillen naast de scherven van oma’s oude, kostbare vaas, kan hij de grote uitdaging van de comfortzone verlaten nog niet aan.   

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online