De observerende schrijver: ik zie gewenning

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… gewenning.     

Als je iets voor de eerste keer ziet, of net nieuw hebt gekocht, is dat nieuwe erg leuk, speciaal, mooi of spannend. Maar na verloop van tijd gaat die nieuwigheid weg. Dan is de kans groot dat het even gewoontjes wordt als zoveel dingen in het leven. Of dat nu een nieuwe broek, een mooi uitzicht of een interessante nieuwe hobby is, de eerste ‘glans van nieuwigheid’ gaat er na een bepaalde tijd van af. In dit artikel schrijf ik niet over dat andere uiterste, de sleur. Het gaat over dat moment dat het speciale gewoon wordt of geworden is. 

De eerste nieuwe kriebels

Als iets nieuw en leuk is, dan krijg je daar fijne kriebels van: “Ja, déze broek staat me echt goed!” “Wauw, even genieten van dit unieke uitzicht, hoor!”
Als eerst komt er besef: je merkt op dat het nieuwe iets heeft wat al het andere dat je hebt of kent niet heeft. Van de perfecte pasvorm tot een uitzicht op een vulkaan met een meer ertussen. 
Vervolgens komt een moment van ‘acuut genieten’. Je voelt je niet meer dik in deze nieuwe broek, of je gaat elke hoek van die prachtige kathedraal eens beter bekijken. “Hé kijk, daar zijn engelen te zien en daar juist waterspuwers!”

In de ‘nieuwe kriebelfase’ kan je zonder limiet genieten van dat wat het nieuwe je brengt. Al is het maar omdat je steeds iets nieuws ontdekt, zoals aan de andere kant van de kathedraal.

Vertrouwde herkenning

Als je al bekender met iets bent, is iets niet meer nieuw, maar wel vertrouwd. “Ik ga in die hoek staan voor het beste uitzicht op het meer.’”
“Ik weet precies waar ik mijn favoriete engel op de kathedraal kan vinden.” De verwondering is er nog steeds, maar het nieuwe is er wel van af.

Gewenning

Dan is daar het moment waarop die fijne broek weer net zo vervelend zit als alle andere, of je niet eens meer kijkt naar de details van de kathedraal en er misschien zelfs aan voorbij loopt. Het is gewoon geworden. Niet per se vervelend of stom, maar je bent er aan gewend geraakt.
Precies die reden dat Japanners die in de buurt wonen van Mount Fuji wonen, daar niet meer warm of koud worden of lokale Amerikaanse forenzen niet meer uit het raampje van de trein kijken zodra die een gletsjervulkaan passeert.

Gewenning zien gebeuren—het verhaaltempo

Koop iets nieuws wat je leuk vindt en speciaal is. Of ga eens naar een deel van de stad waar je normaalgesproken niet komt en ga daar dagelijks, of wekelijks, een blokje om: maak van iets nieuws een gewoonte. Houd een klein dagboekje bij waarin je opschrijft wat en waarom je iets nog steeds of niet meer speciaal vindt. Zo zie je gewenning ontstaan.  

Dat observatievermogen is handig voor het bewaken van het tempo van een tekst en de beleving van je hoofdpersonages. Ook zij raken aan zaken gewend. Waar zij eerst nog ondersteboven zijn dat ze in een kasteel studeren, zijn ze halverwege het studiejaar meer bezig met mopperen over de aankomende examens dan met de historie en pracht van het slot.

In het begin zal je dus veel sfeeromschrijving en details van dat kasteel schrijven, waar het daarna op de achtergrond raakt en het plot meer de ruimte krijgt. Als je het moment van gewenning (beter) kan bepalen, kan je niet alleen vloeiender van onderwerp veranderen, maar ook de observaties en belevingen van je personage meenemen. Zo leert je lezer je personage op een natuurlijke manier beter kennen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding van Priscilla Du Preez 🇨🇦 verkregen via Unsplash.

Voelen versus tasten: het verschil tussen een show en een tell

Zintuigelijk schrijven helpt de lezer om op een persoonlijke manier mee te leven met de held van het verhaal. Je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort dan precies wat er in de papieren wereld gebeurt. Het is het verschil tussen het welbekende ‘show’ en ‘tell’ uit het ‘show don’t tell’-principe. Maar in deze context zijn niet alle zintuigen aan elkaar gelijk. In deze post bekijken we het verschil tussen voelen en tasten.

Waarom moet je zintuigelijk schrijven?

Als mens ervaren we de wereld via onze zintuigen: je hoort een vogel zingen, waarna je van zijn zang geniet. En je ziet, ruikt of proeft dat het eten bedorven is, waardoor je het niet meer eet. Zelfs iets simpels als tikken op het toetsenbord kunnen we niet zonder het gebruik van zintuigen, ook al gaat dat minder bewust. Je voelt de vingers op de toetsen, je kijkt op het scherm welke toetsen je hebt ingedrukt. Zintuigen zijn het gereedschap om de wereld te beleven. En zo gaat de poort naar je fictieve wereld steeds verder open voor je lezer als je daar slim gebruik van maakt. Anders blijf je de observeerder van een verhaal, in plaats van de belever. (Let op het gebruik van de cursieve woorden.)

Zintuigen als sfeeromschrijvers

Omdat zintuigelijke omschrijvingen je meenemen in de beleefwereld van je personage, zijn het soms hele sfeeromschrijvers. Met name reuk en smaak lenen zich hier uitstekend voor, omdat de meeste schrijvers er niet aan denken om ze te gebruiken. Dat komt omdat reuk en smaak vrij moeilijk zijn om zodanig specifiek te omschrijven dat het nog beeldend is. We weten immers allemaal dat poep stinkt en dat limonade zoet smaakt, dus wat kan je daar nog mee, zo lijkt de gedachte. Nee, dan wijken we maar uit naar het woord voelen. ‘Want er zijn zo veel emoties die je kan voelen, dus dan is er aan sfeeromschrijving uit die hoek geen gebrek.’ En daar begint een denkfout die ten koste kan gaan van je schrijverskwaliteit.

Het verschil tussen voelen en tasten

Vul de zin: ‘Ik voel me…’ eens aan. Waarschijnlijk kom je na een paar minuten op enkele tientallen mogelijke woorden uit. Als je een personage dus heel veel laat voelen, dan leef je wel met hem mee, toch? Je wil immers weten wat er in het hoofd omgaat en dus ook hoe hij zich voelt. Dat klopt. Maar hier komt het belangrijke verschil in betekenis tussen tasten en voelen. Althans, zoals ik dat verschil in deze blogpost ga gebruiken.

Voelen betreft de emotie op zichzelf. Tast gaat over hoe die emotie zich uit, of hoe het personage dat beleeft.

Dus je personage voelt zich verdrietig, maar voelt met de vingers hoe de natte tranen over de wangen lopen, als hij die aanraakt. ‘Voelen’ betreft in het laatste deel van de zin dan tast. Je moet hier een beetje voor beelddenken, maar vraag je eens af: Als mijn personage diens emoties letterlijk kon aanraken, hoe zou dat dan voelen, in de tastzin van het woord? Je kan vrij letterlijk denken, zoals in het voorbeeld van tranen kunnen aanraken, maar ook meer figuurlijk. Zo kan schuldgevoel bijvoorbeeld aanvoelen als het strijken van schuurpapier langs de huid.

Voelen en tasten binnen ‘show don’t tell’

Je ziet waarschijnlijk nu wel dat het emotionele voelen veel gevoeliger is voor tell dan de tastzin, die van zichzelf wat meer show in zich heeft. Bij het gebruik van het woord ‘voelen’ zijn schrijvers sneller geneigd om (te lang) stil te staan bij de mededeling dat het personage zich blij/ verdrietig/ jaloers/ beschaamd voelt. Je kan de gevolgen daarvan zeker als show don’t tell gebruiken. Dat werkt zelfs heel goed. Het is ontzettend spannend om te zien hoe de jaloerse ex de nieuwe vriendin stalkt. Maar de emotie an sich en de momentopname waarop je die beschrijft, zijn op zichzelf maar kort interessant. Maak je in plaats daarvan gebruik van de tastzin, dan wordt de tekst juist erg beeldend. Vergelijk eens:

‘Valerie voelt zich rot’ met ‘Valerie voelt een monster aan de binnenkant van haar maag knagen.’ Precies het verschil tussen show en tell.

Beeldende tekst met tastzin

Je ziet dat je tastzin kan gebruiken om een tekst beeldender te maken. Maar niet iedere schrijfstijl leent zich daarvoor en bij overmatig gebruik van tastzin als een beleving van een emotie kan een tekst ook weer te bloemig worden. Je hoeft dus zeker niet iedere emotionele beleving te vervangen door meer beeldende tastzin. Maar wees je ervan bewust dat ‘ik voel me’ sneller dan je zou denken een holle frase wordt.

Tastzin in de gebruikelijke zin van het woord blijft echter wel een mooie manier om de zintuigelijke beleving van je personage wat meer kleur te geven. Het feit blijft dat met name zien en (emotioneel) voelen relatief veel vaker gebruikt worden en ook minder zeggend zijn, omdat ze zo recht voor hun raap zijn. Ruiken, proeven en tastzin daarentegen zijn daardoor verfrissend. Ze zijn meer van de show dan van de tell en zijn door hun ‘underdogpositie’ ook extra opvallend als ze worden gebruikt om iets te omschrijven.

Een goed voorbeeld is een intieme of romantische scène. Schrijf je voor de zoveelste keer over die emotionele vlinders in de buik, of wordt je wat creatiever en kijk je wie je voor je hebt? Zo kan je schrijven over de ruwe stoppels van Romeo hoe dat prikt op de huid van Julia. (De buurman heeft geen stoppels, dus die kan (deze) Romeo niet zijn.) Of hoe Romeo met zijn zachte vingers over de blote buik van Julia streelt. Dat leest heel wat intiemer dan een (innerlijke) monoloog van Julia waarin ze beschrijft hoe geliefd, verliefd en geborgen ze zich voelt bij Romeo.

Zoals altijd blijft schrijven maatwerk, dus ook bij het gebruik van voelen en tasten. Maar vergeet dus de volgende keer niet om dat kostbare gereedschap van tastzin aan je schrijversgereeedschapskist toe te voegen als je een scène met letterlijk of figuurlijk veel gevoel wil schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cameron Ahlvers verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: Ik zie… een AI- gegenereerde tekst

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… AI-gegenereerde tekst.     

Gebruik je AI al vaak of nog helemaal niet? Binnen enkele seconden krijg je antwoorden op je vragen of wordt er een tekst voor je geschreven. Er is een hele discussie over het hoe of wat rondom het gebruik van AI. Daar gaan we niet ethisch op in; ik wil je schrijfinzicht vergroten. Het uitgangspunt dat in dit artikel wordt gebruikt: AI is zielloos. Kun je dat uit de tekst opmaken?

Even snel opzoeken

AI kan je heel direct en specifiek antwoord geven waar je eerder nog antwoord van verschillende websites op een rij moest zetten. ‘Wat zijn de vijf leukste historische uitjes in Amsterdam?’  Je hoeft niet langer alle uitjessites te doorspitten – deze uitjes zijn shows en restaurants, niet historisch!-. Het antwoord wordt onmiddellijk uitgespuugd, inclusief iets afsluitends en beleefds als: ‘ wil je meer uitjes in Amsterdam, laat het me gerust weten’. Alsof er een mens tegen je praat.

Hier start het observatie-experiment: praat terug tegen het zielloze programma dat AI is. Als je geholpen wordt door een mens, ga je na die niet afsnauwen met: “nee, sufkop, meer vroeg ik toch niet?” Doe dat nu eens wel en rek dat ‘gesprek’ ook nog wat verder.  Wanneer merk je aan de respons van de AI dat het menselijke stuk eruit gaat? Schrijf eens op wat je opvalt en wanneer dat precies gebeurt.

Waarschijnlijk ga je opmerken dat AI in zijn respons vastloopt in een patroon van vrij letterlijk tot letterlijk hetzelfde herhalen. Niet zoals mensen dat  doen, omdat ze niet weten wat ze anders moeten zeggen, maar in de meer mechanische, taalkundige manier van het woord. De zinsstructuren zijn of blijven grofweg hetzelfde: een deel van jouw vraag wordt herhaald, er wordt een antwoord gegeven en weer een afsluitend aanbod gegeven dat je altijd een vraag mag stellen.

Anders gezegd: als AI een mens was geweest, zou die de tactiek gebruiken van: ik zeg gewoon wat je wil horen, maar echt luisteren doe ik niet. Die manier van op slot zetten of voet bij stuk houden is in een echt gesprek irritant, in een boek is dat de doodsteek van elke dialoog.

De clichéradar bij grotere teksten

Vraag AI nu eens om in 500 tot 750 woorden te schrijven waarom Parijs leuk is om te bezoeken, inclusief de suggesties voor wat uitjes. Druk op enter en zet je clichéradar aan! En nee, niet het cliché van de aanwezigheid van de Eiffeltoren in de aanbevelingen. Denk aan woorden of zinstructuren die je zou gebruiken als iemand je vraagt een mooie stad te bezoeken. Vast en zeker zie je zaken als ‘adembenemend’ ‘betoverend’ ‘uniek’  en ‘mag je niet missen’ terugkomen. En ook zo’n beetje in elke nieuwe alinea, of zodra er iets anders wordt beschreven. Dat geeft een tekst die leest als een combinatie van: ‘jij hebt een spoedcursus ‘hippe marketingtermen gevolgd’ en  ‘Jij hebt de Lonely Planet’  woord voor woord ingeslikt.’ Precies, ja!

Schrijf ook hier weer op wat je opvalt en welke zinnen zou je veranderen of weglaten zodat de tekst leest als menselijk enthousiasme in plaats van een rits mechanische clichés.

Hoe helpen deze observaties je schrijfinzicht te verbeteren?

Als je op tekstueel zins- of alineaniveau ziet wanneer de ziel ontbreekt, krijg je ook een beter besef wat je wél moet doen om ziel – of vaart- in je tekst te houden. Met AI kan je oefenen met  het speuren naar waar nog werk te doen is. Je plot, personages, de woordkeuze? Laat AI zo een hulpje zijn om makkelijk bij te kunnen spieken waar het in de (taalkundige) basis goed zit, maar wel beter kan of moet om een tekst echt levendig en interessant te maken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Andrea De Santis verkregen via Unsplash.

Wedstrijduitslag ‘allerlei soorten liefde’

Iedere keer als ik een schrijfwedstrijd organiseer, wordt het aantal deelnemers en het enthousiasme groter. Dank aan iedereen die aan de wedstrijd heeft meegedaan.
Door het grote aantal deelnemers duurde het iets langer om een winnaar te kiezen, maar er is nu een winnaar: ‘Ik en de gopnik’ van Dominique Heuff. Gefeliciteerd, Dominique!

Het verhaal van Dominique heeft een mooie schrijfstijl, en bijzondere personages die elkaar ontmoeten in een setting die je bij hen niet zou verwachten. Buiten die bijzondere omstandigheden weet Dominique ook liefde in een uniek daglicht te zetten en tussen de regels door er een heel sprekende boodschap over mee te geven. Veel plezier met lezen!

Ik en de gopnik — Dominique Heuff

Die zondagavond deed zich een zeldzaam moment voor in een land dat bekend staat om zijn gure klimaat. Tijdens het gouden uur waren de wolken compleet weggetrokken. Zonlicht danste op de golven van de rivier die, nu eens niet voortgejaagd door de wind, tegen de boten kabbelde. De scheepjes lagen voor anker, hun eigenaren waren thuis, bij de familie, voordat ze morgenvroeg weer het water op zouden gaan. Aan de andere kant van het water lagen de heuvels, de grillige toppen waarvoor we waren gekomen. Het zonlicht onthulde hoeveel tinten groen hen bedekten.
De heldere lucht had mij naar buiten gestuwd. Hoewel mijn kuiten nog zuur waren van de inspanning van die dag, had het licht een aantrekkingskracht op mij die sterker was dan mijn spierpijn. Ik had sowieso amper de tijd gehad om dit stadje te verkennen, ik was vooral in de omringende natuur geweest. Morgen zouden we alweer doorreizen. Mijn echtgenoot had bedankt voor nog een avondwandeling, die had zijn heil gezocht in drie halve liters die het verzuringsproces stevig hadden versneld.
Ik liep stroomopwaarts met de rivier mee. Hoewel ik wist dat het een rivier was, was hij zo breed dat het net zo goed een meer had kunnen zijn. Vanuit mijn hotelkamer had ik er uitzicht op, inclusief het visrestaurant aan het eind van de pier waar ik nog geen mens had gezien. De verf bladderde van de kozijnen en een handschreven vel papier voor het raam kondigde aan dat de eigenaar zijn geluk op een andere locatie wilde beproeven. Als je het centrumpje van de stad uitliep, langs de twee restaurants die nog wel na negenen maaltijden serveerden en die je volgens onze hoteluitbater te allen tijde moest zien te vermijden, kwam je uit bij een lange straat huizen met vrijstaande kamers voor de nacht. Ik gaf de eigenaren geen ongelijk. Je zou gek zijn als je geen graantje meepikte van de toeristen die naar deze stad kwamen om de natuur te verkennen. Waar zij vandaan kwamen was die ver te zoeken, en de lokale bevolking had geen tijd zich erin onder te dompelen. Zij moesten werken op de vissersboten of in de mijnbouwindustrie om hun brood op de plank te krijgen.
In een kromming van de rivier ontvouwde zich een kiezelstrand. Het waren niet de stenen waarover ik vandaag was geklommen en weer afgedaald. Niet de potentiële moordwapens waarop ik bij gladheid kon uitglijden en mijn schedel zou splijten op hun puntige uitsteeksels. Nee, het waren fijne kiezels, waar kinderen op waterschoentjes konden spelen. Als het niet zo koud was geweest, had ik overwogen mijn wandelschoenen uit te trekken en pootje te baden.
Water heeft me altijd aangetrokken. Ik houd van het geluid. Ik houd ervan om op warme dagen mijn voeten onder te dompelen in de koelte en te voelen hoe het natte zand ze opzuigt, alsof ik wortel schiet. Ik houd ervan hoe het stroomt, hoe het water nooit hetzelfde is, waar en wanneer je er ook naar kijkt. Het is onmogelijk gespannen te blijven als je het ruisen van golven hoort.
Het kiezelstrand ging over in een grasveld, wat een mooie plek zou zijn voor de ouders van de hypothetische kinderen om op een picknickkleed een toegeknepen oogje in het zeil te houden. Het was verbazingwekkend netjes bijgewerkt voor deze stad. Er stonden een aantal bankjes gericht naar de rivier. Ze waren leeg. Iedereen zat in de bar of het restaurant of bij zijn familie. Toch moeten deze bankjes ooit zijn geplaatst om mensen die net als ik de charme van deze plek hebben erkend.
Ik nam plaats op het bankje dat het verst bij mij vandaan stond. Ik keek uit over het water, waar nog meer boten voor anker lagen. Hoe komen de eigenaren bij hun boten, zo ver op het water? Ik zag roeiboten voor me in dezelfde staat als het visrestaurant. Het was een zorg voor morgen. Deze avond was het tijd om te rusten, voor iedereen. Ik voelde de warmte van de avondzon op mijn gezicht, zo warm dat ik mijn jas van The North Face uittrok en naast me op het bankje legde. Wie had dat gedacht, in dit land, in deze tijd van het jaar? Ik hoorde het krijsen van de meeuwen, en ik luisterde hoe mijn interne maalstroom aan gedachten langzaam tot stilstand kwam, totdat er niets meer over was dan mijn ademhaling.
Het was in deze status van ontspanning dat ik hem zag. De gopnik.
Hij was tientallen meters bij me vandaan en liep over het kiezelstrand. Maar hij was onmiskenbaar een gopnik; ik herkende de drie Adidasstrepen op zijn zwarte trainingsbroek van meters ver. Het merk was hét statussymbool onder de lokale straatschoffies. Hij maakte zijn verschijning compleet door de capuchon van zijn donkerblauwe hoodie over zijn hoofd te hebben getrokken. Op zijn rug droeg hij een stoffen rugzakje dat bijna op zijn kont bungelde. Er kon niet heel veel in zitten.
Ik was de afgelopen dagen alert geweest op deze types. We waren gewaarschuwd: ze rolden je portemonnee waar je bij stond, ze hadden voor niemand respect. Ze hingen vaak in groepen rond bij metrostations of in de grote flatgebouwen waar de gemiddelde burger woonde. Plekken die je als bezoeker diende te vermijden. Soms liep je langs tunneltjes waar het trottoir bezaaid lag met schilletjes van zonnebloempitten, een teken dat de gopniks hier terrein hielden. Je liep dan snel door, met je blik naar de grond. Zelfs met mijn echtgenoot aan mijn zijde voelde ik hun neerbuigende blik. Als ik ze zag kijken, werd ik me pijnlijk zelfbewust. Wie was ik wel niet, dat ik veel geld had neergelegd om in landschappen te geraken die de gemiddelde inwoners van het land zich zelf niet eens konden veroorloven? De straat, die was van hen. Daar konden wij bovenmodalen maar beter op onze tellen passen.
Daar, op dat bankje aan het water, was er geen alarmgevoel. Mijn hoofd was leeg. Was het de zon die me loom had gemaakt, of de vertraging in mijn gedachten? Ik bleef zitten op mijn plek en sloeg de gopnik gade.
Hij was niet alleen. Hij had een hond bij zich. Zo’n stevige vechthond, een Stafford of iets dergelijks, ik kon het ras niet precies duiden. Deze had zijn staart nog, die heen en weer kwispelde. De hond besprong de gopnik, waarna die een balletje of een steen weggooide om te apporteren. Soms bleef de hond langer weg, dan had hij iets geroken dat interessanter was dan wat hij moest halen. Toch kwam hij steeds terug bij zijn baasje, nog harder kwispelend.
Opeens voelde ik aan alles: deze gopnik ging mij aanspreken.
Er stonden nog drie andere bankjes op het grasveld. Ze waren alle nog steeds leeg. Toch wist ik: hij zou mijn bankje uitkiezen. Het enige bankje met gezelschap. Ik zat aan de linkerkant, naast mij was plek voor nog een aanbidder van het tafereel. In de metro in de hoofdstad had ik een heuptasje onder mijn jas gedragen om mijn kostbaarheden uit grijpgrage handen te houden. Het heuptasje lag nu onderaan in mijn koffer, in de veronderstelling dat ik die in dit rustige gebied niet nodig zou hebben. Nu zat mijn portemonnee gewoon in mijn jaszak, van de jas die naast mij voor het grijpen lag. Ik zou zonder jas en geld terugkeren naar het hotel, waar mijn man stampij zou maken bij de politie en alles op alles zou zetten om mij mijn spullen terug te bezorgen.
Opeens wenste ik vurig dat de gopnik mij zou aanspreken.
Hij had geen haast. Hij bleef aan de waterkant dralen, totdat de hond het grasveld op rende. Ik draaide mijn blik niet af zoals ik was gewend. Ik wist dat we daar alle drie waren om dezelfde reden. Het licht en de rivier hadden ons aangetrokken. Wij waren nu deel van deze plek en dit moment.
De hond rende op me af.
Ik ben niet bang voor honden, ook niet voor grote exemplaren, dus ik verroerde me niet. Hij duwde een natte snuit tegen mijn hand en ik aaide het dier. Hij antwoordde door mijn panty onder te kwijlen.
‘Kolja, laat die vrouw met rust!’
Daar was hij, het moment waarvan ik had aangevoeld dat het onvermijdelijk was. De gopnik was achter zijn hond aangerend en zat nu op enkele meters van mij in zijn typerende hurkpositie. De hond, Kolja dus, rende kwispelend om hem heen.
‘Dat geeft niet. Ik vind honden leuk,’ stelde ik hem gerust.
Ik kon zijn gezicht zien, al was het geen opmerkelijk gezicht. Het was precies het gezicht dat je in een hoodie zou verstoppen. Jonger dan ik. Ik werd me ineens bewust van mijn nette rok die ik na de wandeling had aangetrokken voor het diner. Nergens voor nodig geweest. Mijn echtgenoot was in het zweet van zijn inspanning in de bar gaan zitten.
‘Ja, maar hij kwijlt je helemaal onder als je niet uitkijkt. Sorry daarvoor.’
Ik glimlachte. De gopnik bleef zitten, aaide de hond die om hem heen sprong.
‘Hij is nog maar een pup.’
‘Een pup?’ De hond had het formaat van een volwassen geit. ‘Hoe groot wordt hij dan wel niet?’
De gopnik gebaarde tot hoog boven zijn gehurkte positie uit. ‘Enorm.’
‘Gelukkig heb je een mooie plek om hem los te laten,’ knikte ik naar het strand.
‘Dit is zijn eerste keer aan het water.’
Net als ik. ‘Het is een schitterende plek.’ Mooier dan de natuurreservaten waarvoor ik hier naartoe was gereisd. Ik besefte het met licht in mijn hart.
De gopnik volgde mijn blik naar het water. ‘Ik kom hier eigenlijk nooit.’
‘Als ik hier zou wonen, zou ik hier vaak wandelen. Zeker met een hond.’
Mijn man en ik hebben geen hond. Hij zou wel heel graag willen, maar het past gewoon niet in ons leven dat een van ons, of beide, elke dag wel gebiedt ergens onze opwachting te maken. Zo vaak dat zelfs de leuke dingen veranderen in het volgende punt op mijn takenlijst, en dat terwijl ik nog aan tafel zit bij dat bevriende stel, ik al in gedachten bij de lunchafspraak met mijn ouders de volgende dag ben.
‘Ik woon hier nog niet zo lang,’ zei de gopnik. ‘Ik heb in het visrestaurant gewerkt, maar de eigenaar betaalde me niet op tijd. Nu werk ik in de supermarkt, maar het is zwaar. Vroeg opstaan.’
Mijn interne commentaarstem, door licht en water verdoofd, schoot wakker en had direct haar oordeel klaar. Als een echte gopnik die niet van werken houdt, zei ze. Het vooroordeel deed de binnenkant van mijn wangen opflakkeren. Wat zat ik mezelf hier verheven te voelen. Ik werd me opnieuw bewust van mijn sociale positie, mijn nette kleding, de North Face-jas die ik achteloos naast me neer had gegooid. Ik had gelezen dat die jas even duur was als het gemiddelde maandsalaris in dit land.
Gopnik keek er geen moment naar. Hij bleef op zijn respectabele afstand zitten. Kolja rende af en toe weg om aan de lavendel te snuffelen die in een bloemperk bloeide. De gopnik hield hem met een schuin oog in de gaten, maar bleef zitten waar hij zat.. We kletsten ondertussen wat, over zijn huis, over mijn wandelingen en het vervolg van mijn reis. Over het hotel waar we sliepen, waar hij ook een maand een kamer had gehuurd. Het bleek de kamer tegenover die van ons te zijn, waar mijn echtgenoot nu ongetwijfeld in zijn ondergoed op bed door zijn socials lag te scrollen. Zou hij zich afvragen waar ik bleef?
‘Het is fijn om met iemand te praten,’ zei de gopnik toen. ‘Ik praat eigenlijk alleen met Kolja.’
Mijn borstkas begon te gloeien. Ik had het al geweten toen ik hem op het strand had gezien, het onvermijdelijke gesprek dat wij zouden voeren, ik en de gopnik. Nu wist ik het zeker dat wij waren voorbestemd hier samen te zijn. Ik houd zielsveel van mijn man, maar hij zou de schoonheid van deze plek niet begrijpen. Hij zou mij als een schild voor deze jongen hebben afgeschermd en me dit moment hebben ontnomen. Bij dat idee ervoer ik een hevig gemis.
Ik dankte de jongen dat ik dit moment met hem mocht delen.
Hij stond op uit zijn hurkende positie. Schoorvoetend liep hij op me af en nam naast mij plaats op het bankje. Mijn jas met mijn portemonnee interesseerde hem nog steeds niets.
We keken toe hoe de zon wegzakte achter de grillige toppen. Ik voelde zijn stralen in mij, en ik wist dat mijn metgezel dat ook voelde. We keken totdat Kolja aan zijn eigen riem te trekken, die de jongen in zijn hand had. Hoe ironisch dat het uitgerekend de hond was die ons weer terug naar het leven sleurde. Net als de rivier moesten wij ook met de stroom mee gaan, verder, naar onze bestemmingen, waar wij als wij aan zouden komen al niet meer dezelfde zouden zijn als wij nu waren.
Toen ik bij mijn man terugkeerde, zei hij dat ik straalde.



Foto doorAaron Burden verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: dat doe je toch gewoon (niet)?

Er zijn dingen waarvan we het er allemaal over eens zijn dat die veel voeten in de aarde hebben of aan de extreme kant zijn. Naar de andere kant van de wereld vliegen voor een bruiloft, veel geld lenen aan een vriend… Zo’n situatie uit zich vaak in een van twee uiterste overtuigingen. ‘Geen denken aan!’ of juist: ‘Dat doe ik zonder erbij na te denken!’ Dat contrast vormt een goede schrijfoefening om je personage beter te leren kennen en je verhaal beter vorm te geven. Zo zal je ontdekken dat er achter een enkele acties soms complete drijfveren, subplots, verhaalthema’s en karaktertrekken te vinden zijn. En je zal zien: met een beetje morrelen aan de elementen die meespelen zou je personage zomaar eens van ‘Ammenooitniet!’ naar ‘Al is het het laatste wat ik doe’ kunnen gaan. Met deze schrijfoefening kan je veel ontdekken over je held en je verhaal.

Wat is belangrijk voor je?

Er zijn van die dingen die sommige mensen absoluut niet doen, maar waar anderen juist alles voor over hebben. Honderden euro’s voor een concertkaartje betalen bijvoorbeeld. Als superfan van de artiest die maar eens per drie jaar naar Nederland komt, doe je dat, natúúrlijk! De sporter reageert: “wie gaat er nou in hemelsnaam honderden euro’s neertellen voor een concert? Weet je wel dat je daar een jaarabonnement voor de sportschool kan betalen?”
Waarop de concertganger dan zegt: “Honderden euro’s voor de sportschool? Een blokje om wandelen is gratis, dan heb je je beweging ook gehad…” Het is maar net waar je waarde aan hecht.

Het wordt iets anders als je naar voorbeelden kijkt die niet zozeer met een afgebakende voorkeur of hobby te maken hebben. Bijvoorbeeld: zou jij naar de andere kant van de wereld vliegen, voor anderhalve week om zo een keer met je goede vriend die daar woont uit te kunnen gaan eten?
“Ben je gek of zo? Nee!” versus: “Dat zou ik absoluut doen! Ik waardeer onze vriendschap enorm, ik word horendol van steeds dat scherm tussen ons in tijdens het videobellen. En als ik op bezoek ga, plak ik er een korte vakantie aan vast. Kan ik meteen een nieuwe stad ontdekken. Kort maar superkrachtig.”

De reiziger die de vriend wel op zou zoeken ziet waar die het voor doet en hoe die denkt er méér uit te halen dan in het eerste, eigenlijke doel. Het is interessant om te kijken wat je personage zou doen, als die ‘extremere acties’ aan bod komen. Die staan namelijk nooit op zichzelf: er is altijd wel een subplot, thema, karaktertrek of zelfs een misschien zelfs een achterliggende angst te bespeuren. Anders is er ook voor deze held te ‘weinig’ uit te halen.

Waarom zou je het niet doen?

Vergeet ook niet als je zo’n extreem scenario bedenkt waarom je personage iets niet zou doen. Je kan aan simpele dingen denken als: heeft het geld niet voor zo’n stunt, of vliegangst. Sorry, vriend in Verweggistan… Maar je kan ook bedenken wat er zou moeten of kunnen veranderen om je personage over de streep te trekken. Is het een nee als het Vera betreft, maar een ja als het om Sasha gaat, bijvoorbeeld? Schrijf dat op: dat is op zichzelf al waardevolle informatie. In de rest van de post gaan we echter uit van een personage dat wel bereid is tot een extremere ‘Dat doe ik zonder aarzeling’ actie. We houden het voorbeeld aan van het bezoek aan de verre vriend.

Wie zijn hier de spelers?

Als je wil kijken waarom je personage door iets wordt aangezet, kijk dan eerst eens wie de spelers zijn. In dit geval je held en de vriend. Schrijf afzonderlijk op wat zij doen of betekenen in je verhaal. Mix and match naar hartenlust! Bijvoorbeeld:

HeldVriend
leeft uit een koffer en is sowieso altijd op pad heeft net diens wederhelft verloren
is eenzaamwoont in de droombestemming van Held
staat bij Vriend in het krijtkan een (vrijwel) gratis vliegticket voor Held ritselen

Wat zijn andere factoren?

Kijk daarna/ook eens naar de factoren die er meespelen om dit extreme voorval (relatief) normaal te laten lijken. Dat vertaalt zich vaak naar iets dat je breed of concreet kan vertalen naar een groter element van je verhaal.

Dit speelt er (nog meer) dat uit zich inen dat vertaalt zich naar
Held wil het leven van Vriend reddengaat naar het ziekenhuis in thuisstad van Vriend om als nierdonor op te tredenverhaalthema: ziekte en gezondheid/ onvoorwaardelijke vriendschap
Held is op de vlucht en veilig bij Vriend: emotioneel gezien en vanwege de afstand met Achtervolgereen hoofdstuk over vluchten en plannen maken voor de nabije toekomsteen (sub)plot waarin Achtervolger Held en Vriend de stuipen op het lijf jaagt
Held is depressief en wanhopig op zoek naar troost en een fysieke knuffel van de anders altijd ‘digitale vriend’. Vriend biedt een luisterend oorverdere blootlegging van de personagebiografie van Held: wat schuilt er achter die depressie?
Onuitgesproken romantische gevoelens tussen Held en Vriendhet dilemma tussen die twee: zal ik het zeggen, of niet? Ik wil onze vriendschap niet riskeren, maar ik ben wel verliefdhet vinden van de juiste puzzelstukjes om de spanningsboog in balans te houden, of om er een plottwist van te kunnen maken

Extra prompts

Wil je nog wat meer oefenen met dit idee? Hier zijn wat meer prompts. Waarom zou je…

  • Twee jaar een studie volgen naast een fulltime baan?
  • Een uur per dag toewijden aan het leren van een nieuwe vaardigheid die je niet meteen zal kunnen gebruiken?
  • Al je verjaardagsgeld weggeven (als vervolgvraag: aan wie of wat?)
  • Veel geld uitgeven aan iets dat status uit moet stralen?
  • De spreekwoordelijke dag plukken en helemaal uit je dak gaan als een relatief rustig leven je er langer van laat genieten (of andersom: waarom een lang willen leven als dat betekent dat het relatief saai zou zijn?) Kijk eens welke van de twee overtuigingen het beste bij je held past en waarom: een leuk onderzoekje naar de personagebiografie!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kamil Pietrzak verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… een wijzend vingertje

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… een wijzend vingertje.

“Dit doe je hartstikke verkeerd!” “Doe nou eens niet!” We kennen het allemaal: dat standje dat geven wordt aan de hand van je gedrag, soms vergezeld door een wijzend vingertje. Spreekwoordelijk of letterlijk, het wijzende vingertje is interessant om te observeren; het kan namelijk zowel iets over de karaktertrekken van een persoon zeggen als wel een waarschuwingssignaal zijn dat jij meer interpreteert dan observeert.

Het letterlijke wijzende vingertje

Is het je al eens opgevallen dat het wijzende vingertje eigenlijk maar in twee situaties wordt gebruikt? Om een kind terecht te wijzen of door iemand die volwassenen als zodanig behandeld, vooral om diens hogere status nadruk te geven. Hoge piefen die zichzelf graag op een voetstuk zetten en anderen neer willen halen, anders gezegd. Dat wijzende vingertje is zó’n uitgesproken gebaar van hogere status, dat het als vanzelf ook met subtielere gebaren of lichaamstaal gepaard gaat. Het is een 10 op een schaal van 1 tot 10 en zo’n extreem komt zelden alleen. Kijk eens wat je ziet en hoort: een rechte rug, gefronste wenkbrauwen, een hoge toon, een hard volume?

Bij een letterlijke wijzende vinger wordt er ook bijna altijd expliciet gezegd waar iemand voor op moet passen of waar de ander mee dreigt. Dat is niet altijd zo bij de figuurlijk wijzende vinger.

Geniepig neerhalen: pas op met interpreteren

Een echt wijzend vingertje is zeldzaam: vaker wordt op zo’n neerbuigende manier praten – zeker naar volwassenen- veel geniepiger gedaan en/of met meer venijn. “Je kan ook nooit eens doen wat ik zeg!” “Snap je het nou nog niet, hoe stom kan je zijn?” Dan wordt het niet langer corrigeren of kritiek hebben, maar eerder (geniepig) neerhalen. De verleiding is groot om een verhaal te bedenken dat achter zulke uitspraken schuilt.  Wat is de relatie tussen deze twee mensen? Hoe assertief is degene die wordt afgesnauwd en wat is de reden de ander dat doet? Wat is die onzekerheid die daartoe aanzet?

Sommige dingen kun je daadwerkelijk zien of horen. Misschien is een uitspraak als: “Ik, als je leidinggevende…” of “Jij bent slechts een…” andere keren spreekt het in zekere mate voor zich. Een man in pak die zo spreekt tegen een wat minder statig gekleed persoon, zal het wel de meerdere zijn die het tegen een ondergeschikte heeft.

Maar vaker is het zo dat je niet precies weet wat er speelt, of wat de relatie tussen de personen onderling is. Het is menseigen om daar als vanzelf een compleet verhaal bij te bedenken, maar voor observeren werkt dat averechts. ‘De snauwer is iemand met een kort lontje’. Die kans is groot, maar misschien is het iemand die zelf even aan zijn taks zit.  Zodra je iets observeert dat richting karaktertrekken gaat, moet je opletten dat je observeren en interpreteren niet door elkaar gaat halen. Karaktertrekken zijn dingen die een mens vaak of vaker laat zien. Als je (als vreemde) iets observeert, weet je nooit of die karaktertrek een momentopname is of niet.

Dat is belangrijk om te onthouden als je personages introduceert in een boek, in de fase waarin je nog empathie voor hen moet opwekken.  Je lezer gelooft je niet zonder meer als je één keer zegt dat je personage lief, gemeen, een chaoot of een bangerik is. Dat is iets dat geloofwaardig wordt door (subtiele) herhaling.  Anders gezegd: observatie vertelt op zichzelf geen verhaal, daarvoor moet je meer verdiepende details kennen of aan een lezer vertellen.

Dit bericht verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Artyom Kabajev on Unsplash.

Personage en paradox: zo gaan ze samen in een boek

Als je een clichépersonage wilt vermijden, is de paradox een goed uitgangspunt. Die laat zien dat niemand eenzijdig is en dus ook niet voorspelbaar of als een uitgesproken typetje reageert. Maar er komt een moment in dat zoeken naar diepgang waarbij je niet meer weet of iets paradoxaal is, of gewoon niet meer klopt. Zo kun je te werk gaan om dat probleem op te lossen.

Welke emoties spelen er en wanneer spelen ze?

Een paradox speelt als er twee dingen tegelijk gebeuren die los van elkaar, elkaar lijken uit te sluiten. Dankbaarheid en verdriet, bijvoorbeeld. Dankbaarheid maakt je blij, verdriet juist niet. Maar toch kan je na een mooie vakantie zowel blij of dankbaar zijn dat je hem heb gehad en ook verdrietig zijn dat hij over is.
Dat moment in het vliegtuig is een heel specifieke momentopname: je zweeft tussen twee bestemmingen in. Niet meer thuis, maar ook niet meer op de vakantieplaats. Dat tussen twee momenten of gevoelens inzweven is wat de paradox mogelijk maakt.

Was je nog aan het strand een cocktail aan het drinken, dan was je waarschijnlijk alleen maar blij of dankbaar. En thuis als de eerste keer de wekker voor de werkdag gaat, neemt verdriet (of een mopperbui) die dankbaarheid waarschijnlijk wel weer weg. Bij een paradox spelen dus twee dingen tegelijk spelen die zo verschillend van elkaar zijn dat het onmogelijk is om te beweren dat je de bijbehorende emoties zowel zwartwit als los van elkaar kan zien. Wat op ieder ander moment, tijd, of plaats of emotionele setting, wel had gekund, als de omstandigheden net iets anders waren. Verander een van deze factoren en je ziet dat de paradox verdwijnt. Als je dus met een paradox in je verhaal wil werken, moet je dus eerst een heel duidelijk beeld krijgen van het ‘wanneer/ waar’ en het (emotionele) ‘wat’.

Toen, in die situatie…

Een paradox kijkt dus als het ware terug op een moment of een situatie die op dat moment niet speelt, maar die herinnering eraan wel oproept. Je zit in het vliegtuig van vakantie terug naar huis niet langer aan het strand met de cocktail, maar je denkt daaraan terug. Dat mengt zich met de emotie van van nu of straks. “Als ik weer aan het werk moet…” waardoor de paradox ontstaat.

Dat vergelijken met het gevoel dat hier en nu speelt en het terugblikken op of een gevoel hebben bij een andere situatie kan ook paradoxen opleveren bij meer morele scenario’s. Zo kan iemand met engelengeduld onmiddellijk diens geduld verliezen als die een persoon tegenkomt die grotere, vervelende emoties oproepen. Dat rechtvaardigt dus uitspraken als: “Ik heb engelengeduld, behalve als ik mensen onrechtvaardig behandeld zie worden. Dan schiet ik meteen uit mijn slof!” De vervelende woede die de ‘herinnering’ of de situatie van onrechtvaardigheid oproept, staat dan in contrast met het meer fijne geduld.

Tegenstrijdigheden en paradox

Bovenstaande voorbeelden helpen je om makkelijker te zien wanneer iets echt niet kan en tegenstrijdig is, en wanneer iets paradoxaal kan zijn. Neem het voorbeeld van ‘deze milieubewuste chauffeur heeft drie auto’s, waaronder een Hummer’. Een Hummer is geen milieuvriendelijk voertuig. Nooit, hoe de situatie ook verandert of hoe emotioneel je er ook bij betrokken bent. Ook al noem je hem liefkozend Hummie, hij gaat echt niet eens op gras lopen als je hem een extra wasbeurt geeft. De mogelijkheid om in emoties veranderlijkheid te zien, laat zien dat er een paradox mogelijk is.

Hoe maak en vind ik paradoxen in mijn personage?

Paradoxen zijn dus complex: hoera, complexe personages zijn meestal de meest interessante om over te lezen! Als je een diepzinnig personage wil schrijven, helpt het dus om je personage zodanig divers te maken dat er tegenstrijdigheden lijken te zijn als je ze opgesomd in de personagebiografie zou lezen. Bijvoorbeeld
– Is dol op haar Romeo en zegt niet zonder hem te kunnen
– Kan Romeo niet luchten of zien wanneer hij weer eens over ijshockey begint

“Ik kan niet met en niet zonder jou”, is grammaticaal een tegenstrijdigheid. Maar waarschijnlijk kennen we allemaal wel zo’n stelletje. Maar dat kan dus omdat er emotie en gevoel bij deze paradox komt kijken. Ik voel me helemaal op mijn gemak bij jou als ik bij je ben, maar ik kan je wel schieten -woede en dus emotie- als je je rotzooi weer eens laat slingeren.

Je kan proberen paradoxen te maken als je een personage gaat ontwerpen, of je kan ze proberen te bespeuren als je al een biografie met de bullet points hebt gemaakt. Zodra je een paradox opmerkt, ga dan eens na welke emotie achter dit gegeven of in deze situatie (op)speelt.
– Ze is gek op Romeo ( ze voelt liefde)
– Als Romeo over ijshockey begint, berg je dan maar.
* Julia kan zich tekortgedaan voelen, omdat ze dan minder aandacht krijgt
* Julia denkt terug aan die keer dat ze gewond raakte tijdens ijshockey en daar zit nog een onverwerkt trauma achter
* Julia kan zich eenzaam voelen: Romeo heeft een heel stel ijshockeyvrienden, maar Julia heeft geen hechte vriendengroep waarmee ze eenzelfde hobby kan delen

enzovoorts.

Zodra je weet wat er tussen de regels door staat over een relatief simpel gegeven, kan je daar allerlei kanten mee op of nieuwe vragen bij stellen. Denk aan: weet Romeo van Julia’s ijshockeyongeluk of is dat haar grote geheim? Wat doet dat met hun relatie? Of: als Julia zo eenzaam is: in hoeverre moet je dat in het centrale conflict meenemen, of kan je er misschien een of het verhaalthema van maken?

Je ziet dat je zo vragen krijgt die dieper op de personage ingaan. Dat is iets wat de paradox afdwingt. Als je dus een personage hebt met de nodige paradoxen, moet je er haast je best voor doen om dat nog cliché te maken.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 愚木混株 cdd20 verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: Ik zie… een bed

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… een bed.    

Het bed is diverser dan je misschien denkt. De eerste aanname is dat je erin slaapt. Maar een kind duikt bij de ouders in bed om troost te zoeken na een nachtmerrie, jij hebt seks in dat bed, als je jarig bent, is het het decor van een speciaal ontbijtje en op zondag blijf jij lekker in bed doezelen. En ook in het bed zelf zitten verschillen. Is het goedkoop omdat je er ´gewoon´ op moet slapen, of is het groot en luxe omdat jij je slaap echt nodig hebt? Zo kan je op veel verschillende manieren naar een bed kijken. En andere voorwerpen of zaken die net zo divers zijn.

Wat is dit bed op dit moment? 

Een bed gebruik je dus voor allerlei dingen  en momenten. Wat is het bed op de moment van de scène waar je het beschrijft? De slaapplaats? De plek voor intimiteit? Je kan de kenmerken van een bed gebruiken om de sfeer, emotie of beleving van het moment te benadrukken. Dat heerlijk zachte bed na een lange dag, of dat lekker grote en ruime bed voor een nachtelijk avontuurtje. Weeg daarbij af of je dat doet of niet. Als je een tel nadat je hoofd het kussen heeft geraakt slaapt, krijg je niet mee hoe zacht het bed is. En de exacte grootte van dat bed valt je ook niet op als de meest prachtige persoon op aarde je zwoel aankijkt.

Bedenk ook eens wat de grootte, kwaliteit en het uiterlijk van het bed of het beddengoed over je personage kunnen zeggen: de kans is groot dat je een show, don’t tell vindt over de waarde die je personage aan slaap hecht, interieursmaak, of het budget dat je personage heeft voor een bed.

“Receptionist, heeft u een bed?”

Na een ellenlange dag reizen, zonder een bed voor de nacht, loop je een hotel binnen  en smeek je de receptionist bijna: “Heeft u een bed?”
“Ja, maar alleen in een slaapzaal met zeven andere mensen en een gedeelde badkamer.”
“Ja, gráág”, zeg jij, hoewel je gewend bent aan een kingsize bed voor jezelf en een regendouche met een douchekop die een bepaalde kleur licht geeft aan de hand van de temperatuur. Zó moe ben je.

Een bed is een voorwerp dat geen tot álle relevantie draagt in een moment. Wat kan jou een bed schelen op een gemiddelde dag om 15.00 uur? Maar na die lange reis…
Zo kan je sfeeromschrijving gebruiken om je tekst en je voorwerp extra gewicht te geven.
Varianten van dit ‘bed’ zijn:

  • eten: als je echt honger hebt, eet je wel, ook al zijn het spruitjes.
  • afleiding: als je wat dan ook niet onder ogen wil zien, doe je alles om jezelf af te leiden. Desnoods besluit je om de tegels in de badkamer te tellen, het op een zuipen te zetten…
  • gezelschap: als je eenzaam bent, praat je wel tegen iemand, ook al is het het kassameisje bij de supermarkt.

Dit bericht verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kinga Howard verkregen via Unsplash.

Is mijn personage cliché? Test het met de paradox

Een van de eerste voorwaarden van een goed personage is dat het echt moet lijken. Dat het iemand is waarvan je gelooft dat die in het echt ook zou kunnen bestaan. Toch kan het voelen alsof je personage een cliché is zodra het een of meerdere specifieke kenmerken heeft. Met de paradox als uitgangspunt kan je peilen of je personage levensecht lijkt, of misschien toch nog meer als een cliché of trope.

Wat maakt clichés in personages zo lastig te vermijden?

Een wandelend cliché herken je met de ogen dicht. Een overdreven popperig meisje heeft natuurlijk vlechtjes met róze strikjes en lakschoentjes. Hup, schoentjes en vlechten uit, regenlaarsjes aan en de vrolijke glimlach houden. Klaar met het cliché: het meisje is nog steeds schattig, maar niet overdreven lieflijk. Clichés zijn echter zelden zo makkelijk te verminderen. Al is het maar omdat je denkt: o jee, mag mijn personage nu geen boekenworm meer zijn? Dan is het meteen een nerd en dus cliché. Zo zwartwit is het niet: een boekenworm blijft een trope. Maar als je eenmaal alert bent op clichés kan je wel zo gaan overdenken, hopend om die clichés toch maar te vermijden. Daar komt de truc van de paradox om de hoek kijken.

De pracht van de paradox bij het schrijven van personages

Je vraagt een personage een karaktertrek te omschrijven. Het zegt:
“Ik heb engelengeduld, behalve als ik mensen onrechtvaardig behandeld zie worden. Dan schiet ik meteen uit mijn slof!”
“Dat is niet echt geduldig dan…”
“Ja, maar in iedere andere situatie ben ik zó geduldig dat andere mensen zeggen dat ik wat meer van me af zou moeten bijten, voor mezelf op moet komen, of in de actie moet overgaan…”

Dit personage liegt niet: die laatste bewering geeft blijk van engelengeduld. Tegelijkertijd is het niet echt geduldig om meteen kwaad te worden, ongeacht de situatie. Beide beweringen zijn waar: dat is de paradox. Het is een situatie waarin schijnbaar tegenovergestelde dingen tegelijkertijd waar zijn. Onthoud ‘schijnbaar’, want dat geeft een belangrijk nuanceverschil aan.
De ‘ja maar’ die je hier ziet, is wat je kan gebruiken om te paradox bloot te leggen. Als je personage met de ‘ja maar’ niet in de verdedigingsmodus schiet: – Ja maar, ik ben echt wel een engeltje hoor, wat wil je dan? Dat ik alles maar slik?- , maar oprecht kan aanstrepen waarom het een het ander niet uitsluit, is dat het eerste teken dat je personage niet zo cliché is als je misschien denkt. Mensen (en levensechte personages) zijn namelijk nooit makkelijk in één hokje te stoppen en reageren anders aan de hand van verschillende situaties.

Paradox als emotie

Brené Brown is een sociale wetenschapster die emoties onderzoekt. In een van haar boeken stelt ze een paar dingen die interessant zijn voor het onderzoeken van wanneer iets cliché is of niet:

  • Er zijn 87 verschillende emoties
  • ‘Paradox’ is geen emotie, maar heeft daar wel een sterke samenhang mee.
  • Gemiddeld kunnen mensen van die 87 emoties er maar drie (!) benoemen: blij, verdrietig en boos.
  • Als je een emotie niet kan benoemen, kan je het ook niet zo makkelijk ‘los’ voelen, of überhaupt begrijpen.

Wat heeft dat met ons ‘clichéprobleem’ te maken? Als jij of de lezer niet inziet dat iets paradoxaal kan zijn, doe je – zou je kunnen stellen- een bepaalde emotionele beleving tekort. Vanwege een paradox is de kans groot dat iets tegenstrijdigs heel goed kan bestaan, maar dat je door te weinig begrip van de situatie of emotie je gewoon er de vinger niet op kan leggen waarom dat niet kan. Maar dat is wel belangrijk om het cliché te kunnen omzetten naar een oprechte belevenis, anders blijft het aan de oppervlakte waar diepgang nodig is. Anders zou ons geduldige personage ofwel altijd en overal geduld voor moeten hebben, of altijd onmiddellijk in de aanvalmodus moeten gaan als iets niets meteen naar behoren verloopt.

Verschillen in emoties opmerken

Het belang van het begrijpen van verschillende emoties -of brillen van waarheid of beleving– en daar onderscheid in kunnen maken, zie je terug in dit heftige, maar duidelijke voorbeeld. Als een geliefde een lang en vreselijk ziekbed heeft gehad, ben je natuurlijk verdrietig als die uiteindelijk overlijdt. Maar die andere emotie van de paradox? Als je slechts die drie basisemoties begrijpt, dan zou je zeggen dat je blij bent dat je geliefde gestorven is. Dat klinkt bijna alsof je nu met een feestmuts op rondloopt. Natuurlijk is ‘opluchting’ hier passender: er is een einde aan een lijden. Maar als ‘opluchting’ niet in je (emotionele) woordenboek staat, dan wordt een broodnodige paradox onmogelijk om te omschrijven. Dan moet je alsnog je toevlucht zoeken tot iets oppervlakkigs en wordt je personage cliché. Of je schrijft iets wat gewoon echt niet kan. Blij en verdrietig dat iemand overlijdt… Dat klopt gewoon niet. Waar ‘blij’ schijnbaar eerst nog lijkt te kloppen, zolang het alternatief ‘opgelucht’ nog niet is genoemd, past ‘blijdschap’ echt niet meer zodra ‘opluchting’ – als beter alternatief- voorbij gekomen is of wel in het woordenboek van een lezer staat.

Dat ‘betere alternatief’ zoeken is essentieel voor het schrijven van iets paradoxaals. Niet alleen worden je verhaal en je personage er diepgaander van, het voorkomt ook dat je gaat schrijven over dingen die elkaar (duidelijk) tegenspreken. Denk aan dingen als:
– deze milieubewuste chauffeur heeft drie auto’s, waaronder een Hummer.
– ik let op mijn gewicht: daarom eet ik alles waar ik zin in heb.
– hij blijft het liefst in Nederland: daarom gaat hij ieder jaar op vakantie naar Azië.

Deze voorbeelden zijn natuurlijk overduidelijk geen paradoxen, maar gewoon tegenstrijdig. Maar in de praktijk is het onderscheid tussen een paradox en een tegenstrijdigheid soms moeilijk te zien, laat staan te schrijven.

Daarom volgt er volgende week een blogpost die hier verder op ingaat. Als je alvast aan de slag wil gaan met deze tips, kan je het volgende doen:

  • Schrijf alle emoties op die je kan benoemen. Neem rustig de tijd 😉
  • Schrijf een aantal paradoxen op en noem daarbij welke emoties er spelen. Noteer ook waarom er sprake is van juist die emoties en waarom de situatie nog steeds kan bestaan of ‘klopt’.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 愚木混株 cdd20 verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… iets moois

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… iets moois.    

Denk aan iets moois en schrijf het meteen op, zonder te veel na te denken. Bekijk je resultaat. Vraag nu aan tien mensen of zij dat ook mooi vinden. Misschien wel, om dezelfde of andere reden, of helemaal niet. Het punt is: iets moois is subjectief en toch is het jouw waarheid. Hoe kan je die paradox gebruiken in het observeren?

Wat is mooi?

Mooi is meestal iets wat je ziet, maar voor dit artikel kan je het ook wat breder ziet. Bijvoorbeeld als prettig: een jas is mooi, niet zozeer om hoe die eruit ziet, maar om de kwaliteit van de stof waar die van gemaakt is. Anders gezegd: mooi is iets prettigs. Niet alleen voor het oog, maar ook voor de andere zintuigen.  

Mooi voor alle zintuigen

Met in gedachten dat mooie dingen niet alleen de ogen, maar ook voor de andere zintuigen, kan je wat gerichter gaan observeren. Wat zie je als je denkt: ‘mooi!’ Als je dat welbekende fijne gevoel krijgt als iets moois ziet? Wees om te beginnen alert op dat gevoel. Het hangt meestal samen met een fijn vooruitzicht. Of iets wat uitnodigt tot iets veelbelovends.

  • Een mooi ingericht huis belooft woongenot
  • Een mooi opgemaakt bord belooft een lekker gerecht
  • Een kledingstuk van een mooie stof -hoe het voelt- belooft een fijn zacht gevoel op de huis, of een mooi gevoel van zelfvertrouwen door het dragen van een sexy kledingstuk
  • Luisteren naar mooie muziek belooft ontspanning of ontroering

Iets moois observeren en iets moois schrijven

Omdat mooi iets subjectief is, komt het welbekende ‘smaken verschillen’ ook om de hoek kijken. Wat het ook is dat jij – namens je personage- mooi noemt, moet je dus feitelijk benoemen. Denk bijvoorbeeld aan mooie blauwe ogen. Het is makkelijk om dan te denken dat iedereen snapt wat je bedoelt. Mooie blauwe ogen zijn niet voor niets een cliché van schoonheid. Maar er zijn mensen die groene ogen mooier vinden en er zijn blauwogige mensen wiens ogen helemaal niet zo mooi zijn: bijvoorbeeld omdat het ijskoude karakter van die persoon erin worden weerspiegeld. Vergeet dus vooral niet om te zeggen dat déze blauwe je personage doen denken aan iets heel geruststellends, zoals kabbelende beekjes of dat het de meest diepblauwe ogen zijn die je personage ooit zag.

Daarom moet je dus heel specifiek zijn in het hoe en waarom je personage dat moois als mooi ervaart. Om dat goed te kunnen doen, moet je je personage al goed kennen. Dat zorgt er ook voor dat je niet in nietszeggende clichés verzandt als de bovengenoemde over blauwe ogen. Je kan dan in de plaats daarvan iets uniekers omschrijven. Zoals waarom je personage een vogelaar is en helemaal gek is van roodborstjes in het bijzonder. Niet alleen vanwege de kleur van het beestje, maar ook zijn grootte en vriendelijke voorkomen.

Als je leert te kijken naar wat jij en je personage mooi vinden, kan je dat helpen om de wereld waarin je personage leven ook wat extra kleur te geven.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jose Aragones verkregen via Unsplash.