De sterke scène: spanningsboog en emotionele beleving combineren

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je het best in kan gaan op de emoties van je hoofdpersoon tijdens een moment dat in beweging moet blijven.  

Schreeuw het niet van de daken

Je kent het clichébeeld vast wel: een mentor sterft in de armen van de held en die werpt zijn nek dramatisch naar achteren: “NEEEEEE!” Bijna iedereen rolt bij dit cliché met de ogen, omdat het zo overdreven is. Maar niet alleen daarom. Het neemt de spanning van het moment of de actie van het voortdurende verhaal weg. En dat is funest voor een goed verloop van je scène. Een heftige emotionele scène mag soms wat gewicht hebben. Maar hij slaagt vrijwel nooit als je de emoties van de daken schreeuwt.

Waarom mag een emotie nooit te groot zijn voor een scèneverloop?

Emoties en een scèneverloop verschillen qua schrijfdoel als dag en nacht van elkaar. Een scène wil het verhaal vertellen en daarmee doorgaan. Als verhaal in het klein wil een scène je iets duidelijk maken, een nieuwe scène zal weer het volgende bekendmaken en zo verder. Een scène wil dus altijd dóór. Wil je aandacht schenken aan een emotie, dan moet je daar letterlijk en figuurlijk bij stilstaan. Daarmee komt het verhaal even op de pauzestand.
Overdreven veel aandacht aan een emotie besteden of die erg uitvergroten zorgt ervoor dat je de aandacht vestigt op iets dat stilstaat. Terwijl een verhaal en een scène altijd een zekere mate van beweging in zich moeten hebben. Geef je te veel aandacht aan een (grote) emotionele beleving, dan gaat dat dus ten koste van de spanningsboog. De actie van het moment kan immers niet verder.

Schrijven met grote emoties in een scène

Natuurlijk hebben heftige emoties zo nu en dan wel degelijk hun plaats in een scène. ‘Heftige emoties´ kan je onderverdelen in exploderend en imploderend.
Denk bij exploderend aan iets als:
“Ik vermoord hem!” riep hij en hij stormde met zijn zwaard op de kille vijand af.
Deze emotionele beleving piekt meteen en gaat ook regelrecht de actie in. Om de heftigheid te bewaren is het belangrijk om dat éne moment intens te omschrijven, in plaats uit meerdere heftige uitingen of acties de kracht te willen halen.

Houd het in dit geval dus bij: “Ik vermoord hem!” en laat dat erop volgende “Die rotzak, die gemene, gluiperige, verraderlijke, verdorven éikel!” achterwege.

Heftige imploderende emoties zorgen ervoor dat je personage door de heftigheid ervan niet in de actie kán komen, al zou die het willen. Het mag daarbij gillen en schreeuwen. Met die intensiteit scheelt dat in dit geval niet per se van de exploderende emotie. Maar de imploderende emotie heeft door dat bevriezende effect wel meer tijd nodig. Voor het personage om te doorvoelen, maar ook voor jouw als schrijver om het in woordenaantal uit te werken.

Bij deze imploderende emotie mag je dus wat langer stilstaan. Je mag in relatief veel detail omschrijven waar en hoe(veel) het pijn doet en welke gedachten er door het hoofd van de held flitsen. Vermijd daarbij wel dat je held niet in een soort flashback van allerlei andere pijnen of herinneringen belandt. Blijf in het moment van de emotie. Probeer ook als vuistregel aan te houden dat je niet meer dan twee verschillende pijnen of algemene gedachten in detail omschrijft. Dan kan je erop rekenen dat de spanningsboog intact blijft en je scène niet aan de nodige vaart verliest. Zo kan het verhaal ook weer tijdig verder gaan.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Alexandra Mirgheș verkregen via Unsplash.

De sterke scène: reactie dilemma, beslissing

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar een opbouw van scène volgens het principe van reactie, dilemma en beslissing.  

Hier moet een scène aan voldoen

Een paar vuistregels voor een scèneopbouw komen altijd terug:

  • Een scène is een verhaal in het klein: het moet op zichzelf samen te vatten zijn. Lees: het is niet zomaar een brij aan feiten of gebeurtenissen.
  • Een scène moet een lezer altijd iets nieuws leren.
  • Een scène moet in meer of mindere mate actie bevatten, al is het maar een gevolg van een relatieve kleine handeling. Zo blijft een verhaal in beweging.

Als je uitgaat van reactie, dilemma en beslissing komt daar nog iets bij om op te letten. Wordt er een beslissing gemaakt?

Actie en reactie: hoe ziet de reactie eruit?

Een verhaal, hoofdstuk of scène is altijd in beweging. En het kan in beweging blijven omdat een personage erop reageert en dat blijft doen. Als eerste van drie pijlers voor de opbouw van een scène kan ‘reactie’ die starten en meteen op scherp zetten. Zeker als je de spanningsboog wil verhogen.

Als een personage ergens op reageert, gaat er als vanzelf iets anders gebeuren. Reageer je op de deurbel, dan heb je even later een nieuwe actie: een gesprekje met degene aan de deur, of een pakketje dat je het huis in brengt. Zo blijft het verhaal aan de gang. Maar een wezenlijke reactie leert je ook iets nieuws. Als de held bij het horen van naar, maar relatief onschuldig nieuws ontploft, leert de lezer ook dat die een kort lontje heeft, of slecht tegen onzekerheid kan.

Dat is op zichzelf niet per se spannend, tenzij je personage reageert op een manier waar het vrijwel meteen spijt van heeft of waar het beseft dat er veel op het spel staat. Om wat voor reden dan ook moet er iets worden rechtgezet worden, of een beslissing worden afgewogen.

Het dilemma: en dan?

Dilemma’s zijn in verhalen altijd interessant. Het werkt als een pageturner. Ook krijg de lezer weer een kijkje in het hoofd van de personages.
Verhaaltechnisch is dit het punt waarop je verder kan gaan met het ene verhaal of met het andere. En dat is interessant voor de spanningsboog. De lezer wil niet per se weten hoe een verhaal afloopt, maar eerder naar hoe die afloop zich ontvouwt. Stel dat je personage een miljoen wint en moet beslissen of die een luxe avontuur wil gaan beleven of het verstandig investeert en een verder ‘saai’ leventje gaat leiden, maar wel met een financiële zekerheid die een aantal problemen zal vermijden.

Het gaat hier dan niet om welke oplossing het ‘interessantst’ is. Maar of je lezer de voors en tegens samen met het personage af kan wegen. De twee keuzes staan voor twee compleet verschillende verhalen. Daarom blijft het voor de lezer interessant om te lezen hoe het daarna verder gaat. Het afwegen van die voors- en tegens en het in kaart brengen van de gevolgen van de keuze, maakt de scène sterk en houdt de spanningsboog in stand.

Beslissing gemaakt

Tot slot schrijf je over de beslissing. Dat heeft een direct gevolg, waarmee je de scène kan eindigen. En in zekere zin ook weer een volgende scène mee kan beginnen. Want er ging een dilemma aan vooraf. Wat gebeurt er nu die andere optie níet gekozen is? Dat is iets waar je tussen de regels door nog op terug kan komen. Of je kan je personage later keihard confronteren met de ‘verkeerde keuze.’ Dan is er weer een reden om hetzelfde schema voor scèneopbouw nog eens te gebruiken. Zo blijft je verhaal gaande, leer de lezer steeds iets nieuws en is iedere scène spannend.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Burst verkrgegen via Unsplash

De sterke scène: informatie delen in een scene

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je informatie in een scène kan delen zonder dat die saai wordt.

Zo moet het niet: infodump en vertellers

Ten eerste: informatie mag de lezer niet overweldigen. Dat heet een infodump. Wat ook niet helpt, is om een personage iets tegen een ander te laten zeggen wat er aan de hand is. “Het is oorlog! Ik zag de mensen gewond en in paniek door de straten rennen.”
Schrijf dan liever over wat dat personage gezien heeft. Beschrijf de beklemmende geur van bommenrook, laat het geschreeuw de trommelvliezen van je personage teisteren als die zelf door die straat loopt.

Maar soms is een zekere mate van infodump of een verteller onvermijdelijk. Af en toe moet je informatie uitschrijven om de worldbuilding of omstandigheden duidelijk te krijgen. Maar kijk altijd eerst of infodump en vertellers te vermijden zijn door actie te beschrijven, in plaats van feiten over te dragen.

Moeiteloze informatieoverdracht

In verhalen die wat ingewikkelder zijn, komen er een of meerdere momenten waarop er dingen worden verklaard. Zo zorgt een schrijver ervoor dat de lezer even wat rust kan nemen en hoort wat de motieven van de daders zijn, of wat de detective ook al weer allemaal op een rijtje heeft. Dat is ook nodig. Puzzelen naar hints van een plottwist houd je ook niet eeuwig vol. Iedere lezer heeft zo nu en dan een adempauze en een duidelijk overzicht nodig.

Maar puzzelen naar informatie en informatie terloops ontvangen, is een verschil. Precies dat verschil tussen infodump en informatieoverdracht en puzzelen naar informatie en op een moeiteloze manier nieuwe informatie vergaren. Het werkt het beste als je je nieuwe informatie in een lopende tekst kan schrijven op een manier die het verhaal gaande houdt, zodat het niet lijkt alsof je iets nieuws leert, omdat het daar ‘tijd’ voor is.

Heb ik zonet iets nieuws geleerd?

Een uitverkorene hoort van de wijze waarom de slechterik hem koste wat kost wil doden. Dan krijg je onvermijdelijk een halve personagebiografie aan achtergrondinformatie en motieven in een langere monoloog. Dat wordt een infodump als je antwoord geeft op die ene overkoepelende vraag, in dit geval het waarom. ‘Waarom wil hij mij zo graag doden?’ Daar kan je vervolgens uitgebreid op ingaan. Maar als je vervolgens nog iets compleet anders introduceert, verbreek je daarmee het staccato ritme van informatieoverdracht. Dan vraagt je lezer zich niet af: ‘Hoe zit dat nou?’ maar ook iets veel dringenders als: ‘Hoe kan dat?’ of ‘Dat druist tegen alles in dat ik ooit heb begrepen.’ Deze informatie is duidelijk, maar niet storend. Het is geen willekeurig stukje informatie, maar een nieuwe plotwending die de lezer niet had verwacht toen die zich klaarmaakte voor een feitelijk geschiedenislesje over een eenzijdig onderwerp.

Zet nieuwe personages of voorwerpen in

Nieuwe personages of voorwerpen introduceren helpt uitstekend om een lange informatieoverdracht fris te houden. Denk aan:
“Tiran wilde je doden omdat je naam voordat je geboren werd in verband werd gebracht met deze magische kelk. Hij dacht dat dat betekende dat jij sterker zou worden dan hij.”
“Wat maakt die kelk magisch?”
“Iemand die eruit drinkt tijdens volle maan kan de tijd een uur compleet stilzetten, maar zelf vrij blijven bewegen.”
Wat een hoop nieuwe plotmogelijkheden biedt dat, nu de geliefde van Uitverkorende in een kerker gevangen zit!

Let op: je kan ook hiermee in de valkuil van de infodump of de verteller trappen. De truc van een goede informatieoverdracht gaat niet om de hoeveelheid informatie die wordt overgebracht, maar dat de nieuwe informatie onverwacht en verfrissend is. Op zo’n manier dat die niet alleen nieuwe feiten, maar compleet nieuwe verhaalmogelijkheden belooft.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Wim van ’t Einde verkregen via Unsplash.

De sterke scène: wat is het plotseling stil

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken waarom een plotselinge stilte in een scène ontzettend effectief is voor de spanningsboog.

De stilteallergie

De een kan wat beter tegen stilte in een gesprek dan de ander, maar als een stilte langer dan grofweg twintig seconden duurt, worden de meeste mensen ongemakkelijk. We kunnen niet tegen stilte, zodanig dat je van een stilteallergie kan spreken. Maar waarom eigenlijk? Enkele mogelijkheden:

  • we zijn bang dat iemand niets zegt omdat ze iets naars verbergen
  • wat overduidelijk gedacht, maar niet gezegd wordt, is te pijnlijk om hardop te zeggen
  • Iemand probeert met een stilte te forceren dat iemand vanwege de stilteallergie gaat praten en misschien wel een geheim verklapt
  • we hebben onszelf wijsgemaakt dat we altijd iets (nuttigs) te zeggen moeten hebben, anders lijken we dom.

Zie je hoe elk van deze redenen de oorzaak kan zijn van interessante plotwindingen, plottwists of verdieping kan geven over een personage en hoe daar altijd een mate van zeker ongemak of spanning bij komt kijken? Hou dat in gedachten voor een latere conclusie.

Waarom praat je niet?

We hebben dus met zijn allen een stilteallergie. En toch is en blijft er iemand stil. Daar moet dus een reden voor zijn. Bijvoorbeeld:
– iemand zoekt naar woorden
– iemand kan het gewicht van diens gedachten niet vertalen naar woorden
– emoties nemen de overhand
– iemand wil een eerder uitgesproken boodschap met een stilte gewicht geven
– iemand beseft nu pas hoeveel invloed het gespreksonderwerp op diegene heeft. Emoties die altijd zijn vastgehouden komen nu los.

Anders gezegd: de zwijger heeft te maken met een bepaalde druk of emotionele spanning.

Kunnen we alsjeblieft weer praten?

Degene met een stilteallergie probeert in het moment van stilte vluchtig een spanning te verbreken, waar de zwijger er middenin zit en juist tijd nodig heeft om die spanning rustig te ontrafelen. Of je nu de rol hebt van de zwijger of degene die allergisch is voor stilte: van de eigenlijke spanning wil je af. Maar de manier waarop je dat aan gaat pakken scheelt als dag en nacht: wrijving onderling is hiermee gegarandeerd.

Nu komen we bij het echte schrijfwerk aan: deze conclusie leert ons dat een stilte zich uitstekend leent voor het verstevigen van de spanningsboog.

Stilte en de spanningsboog

De spanning van stilte zet ieder aanwezig personage onder druk. En vroeg of laat bezwijkt iemand daaronder. Maar als de spanning geforceerd wordt verbroken, komt daar altijd een nare emotie bij kijken. Van iets relatiefs onschuldigs als gêne, tot regelrechte woede als er echt iets verkeerds wordt gezegd.
En nu er uiteindelijk iets onder die omstandigheden is gezegd, wordt dat spannend. Want er is een bekentenis gedaan, een nieuwe eigenschap van iemand onthuld of een hele spannende of onterechte conclusie getrokken. Allemaal verhaalelementen die de spanningsboog enorm kunnen verhogen. Want ze lokken stuk voor stuk de vraag uit: hoe nu verder in het verhaal? Dat is het ideale pageturnereffect.

Het helpt ook enorm dat die nare emoties op of onder het oppervlak aanwezig zijn. Zowel in de stilte zelf als het moment van de onhandige verbreking daarvan. Als je daar bij stil durft te staan door er wat observaties op los te laten, dan kan je ervoor zorgen dat de spanning om te snijden is. Bovendien zal je lezer meteen meer leren over de betrokken personages en hun manier van denken, doen en reageren. Dat is niet alleen nuttig voor op dat moment, maar voor het hele verdere verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Balint Mendlik verkregen via Unsplash.

De sterke scène: de eerste scène

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar de eerste scène. Want die heeft een andere opbouw dan de scènes in het midden. 

Veranderen en leren tussen de regels door

In een goede scène, waar dan ook in het boek, verandert er iets. Ook leert de scène je iets over een element in het verhaal. Maar de eerste scène heeft een aparte opbouw. Want als je nog geen introductie hebt gehad, hoe kan het verhaal dan veranderen en wat moet de lezer dan leren? In zekere zin is de eerste scène de scène die de belangrijkste zaken uit je boek al gaat verklappen. Tussen de regels door, welteverstaan.

De slechte eerste scène: afwachten, niet ontdekken

Om een goede eerste scène te schrijven, is het handig om te kijken wat een eerste scène laat mislukken. Dat maakt het makkelijker om te kaderen wat je wel en niet mag doen voor een goede scène.  Een slechte openingsscène staat bol van de infodump. Of is het de beruchte ochtendroutine. Vaak worden die statisch en feitelijk geschreven:

Door een generatieslange spanning tussen de twee belangrijkste families, ging er in Trollenland het gerucht rond dat er snel oorlog zou komen.

Of:

Met haar ogen nog halfdicht maakte ze haar ochtendkoffie klaar. Ze haatte dat ze cafeïne nodig had om op te starten, maar als haar gemene baas haar vermoeid zou aantreffen, riskeerde ze een verbale aanval. Dat was de afgelopen maand al vijf keer voorgekomen.

Zie je dat deze teksten tussen de regels door niets duidelijk maken? Ze vertellen ook niet wat er in het gehele verdere verhaal gaat gebeuren. Wat ze hoogstens doen, is een enkele gebeurtenis of scène verklappen.  Zo valt er niets te ontdekken, hoogstens iets om af te wachten: komt die ruzie of niet? Zo wacht je een specifieke scène af, in plaats van dat je een verhaal introduceert.

Dit blijft niet hetzelfde… 

Een goede eerste scène laat de lezer achter met het besef dat wat er ook gebeurt, het langdurige gevolgen gaat hebben. Je schrijft nog beter als je hint naar hoe het personage met die verandering om zal gaan. Daarmee kan de lezer (onbewust) enigszins voorspellen hoe het verhaal gaat verlopen wat betreft centraal conflict, of wat het verhaalthema gaat zijn. Dat zorgt voor nieuwsgierigheid en dan wil de lezer verder lezen dan alleen het eerste hoofdstuk.

Denk hierbij aan iets als:

De deurbel deed Franka verstijven. Haar blik schoot naar de kalender.  Ze was nu drie maanden te laat. Toen ze met trillende handen de deurwaarder binnenliet en ze hem voorging naar de keuken, zag ze hoe zijn blik naar de halfopen, lege koelkast en naar Franka’s versleten kleren en ongewassen haren ging.
“Heeft u uw moeder niet meer kunnen bereiken?”
“Ze hing op zodra ze hoorde ik het was die belde…”

Je weet dat deze vrouw in de schulden en andere armoede gerelateerde problemen zit en daar een oplossing voor moet zoeken. Zonder hulp gaat dat lastig zijn.   Tel daar de ruzie met haar moeder bij op en Franka heeft meerdere conflicten die je niet in een enkele scène kan stoppen. Dit belooft een verhaal met alle complexe vertelaspecten die daarbij komen kijken.

Belangrijk om te weten: een verhaal mag voorspelbaar zijn. Het is iets anders als het uitgroeit tot een cliché. Maar een verhaal is het lezen waard zodra niet de eigenlijke uitkomst – Wat gaat er gebeuren? –, maar het ‘hoe’ centraal staat. Hoe komt het verhaal uiteindelijk tot deze uitkomst gedurende meerdere scènes  en hoofdstukken? Hoe zorgt het personage ervoor dat de ramp voorkomen wordt? ‘Hoe?’ zorgt voor een verhaal, ‘Wat?’ geeft slechts een feit aan. Als je eerste scène meer stilstaat bij het ‘hoe’ en dan bij het ‘wat’, zorgt die voor een goede start.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Prateek Katyal verkregen via Unsplash

Heb je help nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

De sterke scène: wanneer moet je een scène schrappen?

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we wanneer je de scène in zijn geheel weg moet laten.

Aanpassen versus schrappen

Bij schrijven hoort schrappen. Omdat je tijd en moeite steekt in je boek en ook in je scènes, zal je eerst proberen om ze aan te passen door bepaalde woorden, zinnen of complete delen te verwijderen. Maar soms moeten ze er in hun geheel aan geloven.

Of je het eerst aanpast of meteen verwijdert, hangt van de situatie af. Je kan op je gevoel afgaan, of je kan het volgende in je overweging meenemen:

  • Je kan de eerste versie van je boek eerst afmaken, om te zien hoe die leest voor je aan schrappen denkt. Soms valt een slechte scène pas of beter op als je die in de context van het verhaal als geheel leest.
  •  Gaandeweg aanpassen kan helpen om al schrijvende te zien of je algemene zaken als verhaalthema of personageontwikkeling nog geschreven zijn zoals je ze in gedachten had.

Wanneer moet je een scène helemaal schrappen?

Er zijn grofweg twee soorten scènes die je altijd moet schrappen en waarbij je niet de moeite hoeft te doen om ze nog aan te passen. Dat zijn de nutteloze scène en de geforceerde scène. Soms is een scène zowel nutteloos als geforceerd.

Wat is een nutteloze scène?

Een nutteloze scène voegt niets toe aan het thema of het plot. De nutteloze scène kan je herkennen aan het feit dat die als het ware losstaat van het verhaal. Een van de randvoorwaarden van een goede scène is dat die verandering in zich heeft. Een andere is dat je iets nieuws leert. De slechte scène lijkt te zeggen: ‘wat hier staat, is gewoon zo’, zonder dat het een element in zich heeft dat aan het verhaal of het thema wordt gekoppeld.

Een goed voorbeeld is de cliché-droom in een proloog. Over twintig jaar staan de sterren op een rij en gaat een held die nog geboren gaat worden de huidige tiran verslaan. De lezer heeft nog totaal geen beeld van hoe de wereld eruitziet, of wie de hoofdpersonen zijn.  
Later in het verhaal leert de lezer een held kennen die de slechterik wil verslaan. Dat is het hele punt van het verhaal, met of zonder sterren op een rij. Als een scène draait om een simpel feit verkondigen, dan schrap je hem en verwerf je dat feit elders in de tekst.

Wat is een geforceerde scène?

Een geforceerde scène heeft iets of iemand in de scène zitten die je als schrijver geschreven hebt omdat dat zogenaamd ‘zo hoort’.  Ieder verhaal heeft dit toch ‘nodig?’ Denk aan:

Maar als die tropes enkel en alleen om die reden in je boek geschreven zijn, dan moet je niet twee keer nadenken en de hele scène naar de prullenbak verwijzen. Iets hoort pas in je boek als het ook past bij je algemene plot, schrijfstijl en je verhaalthema. Zo niet, dan gaat dat wat ‘hoort’ niet werken.

Het enige wat je nog mag doen voordat je de scène definitief verwijdert, is controleren of er in die scène met dat doodzieke kind plottechnisch nog iets belangrijks gebeurt. Dat verplaats je dan naar een andere scène.  Maar dat personage, subplot of anderszins geforceerde verhaalelement zelf en alles wat daaromheen gebeurt aan relaties en plot, heeft geen plaats in je boek.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door David Maier verkregen via Unsplash

De sterke scène: de wijsheid van de cliffhanger

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar de cliffhanger. Want die leert je iets wat je op iedere scène toe moet passen.

Dat meen je niet!

De cliffhanger zie je vaak in soaps. Toevallig of niet: je kan een cliffhanger ook herkennen aan de afkorting S.O.A.P.:

  • Spectaculair;
  • Ongenuanceerd;
  • Aanwezige;
  • Plottwist.

Het gemiddelde boek is wat subtieler dan de dramatische cliffhanger uit een soap. Maar uit S.O.A.P. kan je wel iets halen dat iedere scène in meer of mindere mate moet hebben: een verandering die wezenlijke gevolgen heeft. Net als bij een cliffhanger moet de lezer of het personage de neiging hebben om te zuchten of te roepen: dat meen je niet!

Een cliffhanger, cliché of niet, laat het verhaal niet zozeer een andere kant op gaan, maar zet het compleet op zijn kop. Het plot gaat niet in stapjes naar een soortgelijke situatie. Het zoekt meteen de andere kant van de medaille op. Iemand die dood leek, blijkt levend, trouw verandert in ontrouw, kerngezond verandert in terminaal ziek, enzovoorts.

‘Dat meen je niet!’ moet impliceren dat iets verandert in een mate dat het verhaal nu een compleet andere wending krijgt. Bij zowel een cliffhanger als een minder dramatische scène.

Wat nu?

De verandering die ‘Dat meen je niet!’ uitlokt, hoeft in een scène niet altijd dramatisch te zijn. Soms is het zo subtiel dat het niet eens echt opvalt. Als het een simpele tegenstelling is, kan het ook al werken. Bijvoorbeeld:

Je personage gaat op bezoek en verwacht dat de vriend thuis zal zijn, om gezellig thee te kunnen drinken. Maar dat is niet zo. Het is niet per se een ramp, maar je personage zal nog wel zuchten: ‘Dat meen je niet’:

  • ik had van hem verwacht dat hij af zou bellen als er iets tussen zou komen
  • nu heb ik tijd verspild om hier te komen
  • hij zal toch niet met spoed naar zijn moeder zijn gegaan? Zij is al langer ziek…
  • dat is al de zoveelste keer: ik ben er klaar mee, ik hoef hem niet meer te zien

Hoe serieus of onschuldig de reden ook is dat Vriend niet thuis is, de ‘originele’ scène van het theedrinken kan niet langer doorgaan. En dus moet er iets anders gebeuren om het verhaal af te ronden of verder te laten gaan, anders werk je een anticlimax in de hand. En dus is de volgende vraag: wat nu? Hoe gaat het verhaal nu verder?

Verandering voor de spanningsboog

Als je op deze manier in iedere scène iets verandert, zorgt dat ervoor dat je spanningsboog intact kan blijven. Een van de randvoorwaarden van een verhaal is dat het niet stil mag staan. Op de een of andere manier moet het verdergaan. Als er steeds opnieuw iets verandert, is er dus steeds iets nieuws om over te vertellen, om over te schrijven. Het zorgt ook voor actie-reactie, wat ook nieuwe informatie geeft aan de lezer over personages, thema of het plot.

Een scène hoeft niet met een verandering te eindigen, die verandering kan overal plaatsvinden. Als je scène een verandering in zich heeft, zal die al snel slagen. Pas daarbij wel op dat je de goede intensiteit bepaalt voor de scène. Ga dus niet vol in de S.O.A.P. als iets alledaags verandert. Om de intensiteit van de verandering goed in te schatten, kan je de schaal van normaal gebruiken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Leio McLaren via Unsplash

Heb je hulop nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop voor mijn schrijfcoachdiensten.

De sterke scène: gevolgen van een handeling

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week sluiten we een drieluik van een sterke scèneopbouw af en kijken we hoe je een sterk gevolg op een actie kan schrijven.

Tijd om af te ronden, maar wees niet te snel

In de eerste stappen van een goede scèneopbouw bepaal je de sfeer en daarna laat je een personage een handeling uitvoeren. In de laatste stap laat je zien wat de gevolgen van deze handeling zijn. Voor het plot, de relaties van de personages onderling, of voor een narratief conflict. In dat opzicht doe je niet veel meer dan schrijven volgens het principe van oorzaak en gevolg, waar je aandacht uitgaat naar een gevolg. Maar wees niet te haastig. Houd goed in je achterhoofd wat je met de voorgaande stappen in de grondverf hebt gezet. Als je daar niet op voortbouwt en de afronding als een op zichzelf staand deel beschouwt, zwakt de sterkte van je scène alsnog af.

Tijd voor de boodschap

Een scène is een verhaal in het klein. Dat betekent ook dat die een één of andere boodschap moet bevatten, anders kan je hem net zo goed weglaten. Het begrip boodschap mag je in dit geval heel breed zien. Je lezer mag iets leren over een plot, een personage beter leren kennen of een thema verder ontrafelen.
Denk hierbij aan voorbeelden als:

  • Een thema wordt duidelijk: de boodschap ‘ware liefde bestaat’ wordt duidelijk na een uitzonderlijk romantische scène. De handeling uit de vorige stap van de scèneopbouw is dan zoiets als het aanmaken van de open haard. Gevolg? Hierna volgen er nog wat zwijmelscènes.
  • Een plotpunt wordt verder uitgediept. Nadat het personage een ander heeft uitgescholden, komt er een ruzie. De boodschap: nu zijn de rapen gaar.  
  • De lezer komt meer te weten over een personage. Als de held heeft gelogen heeft, is de boodschap dat dit personage niet meer zomaar te vertrouwen is.

De lezer weet en de lezer voelt…

De ene scène is langer dan de andere en ook de invloed van de scène op het verhaal als geheel is de ene keer groter dan de andere. Ongeacht wat er in je scène gebeurt, wat je de lezer mee wil geven en hoe belangrijk de scène is, een scène is goed afgerond als je de volgende formule in kan vullen:

De lezer weet nu X, en voelt zich nu Y.

  • Doordat de personages nu verliefd zijn, weet de lezer dat ware liefde bestaat. De lezer voelt zich fijn.
  • Doordat er ruzie is, weet de lezer dat er spanning komt. De lezer voelt zich ongemakkelijk.
  • De lezer weet dat de held onbetrouwbaar is. De lezer voelt zich bedonderd.

Cliffhangers zijn niet altijd nodig

Een scène hoeft niet spectaculair of als een cliffhanger af te lopen. Het belangrijkste is dat een scène volgens deze bovenstaande regel een afronding heeft die de lezer iets leert. Deze formule kan je ook helpen om te bepalen wat belangrijk genoeg is om überhaupt in een scène uit te schrijven.
Je hoeft niet elke gezette stap of elke genomen hap in een scène te beschrijven. Als je niet weet wat je uit een scène kan schrappen, kijk dan eens wat er als vanzelf wegvalt bij het invullen van deze formule. Dan ben je al een eindje op weg met het bepalen van waar het in een scène echt om draait en wat maar opvulling is.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Photo by Fairuz Naufal Zaki on Unsplash

De sterke scène: een handeling bepalen

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je waar je op kan letten als je scène over een handeling gaat.

Geen scène zonder handeling

Vorige week kon je lezen dat er in een scène voorafgaand aan een actie een zintuiglijk gevoel moet worden beschreven. Kort samengevat: je gaat niet iets doen als je niet eerst registreert dat je iets wil of zelfs kan doen. Pas daarna kom je in de actie. Of liever gezegd: dan komt er een handeling. Bij creatief schrijven betekent actie niet meteen dat er flink wordt gerend, gemoord, of beroofd. Zeker bij deze uitleg van een scèneopbouw is het belangrijk om dat verschil te zien. Noem het daarom liever een handeling, om misverstanden te voorkomen. Als iemand ‘in actie overgaat’  dóet die gewoon iets. Of dat nu spannend is, of stiekem zelfs wat saai.

Wat vind ik dat er gedaan moet worden?

Zodra een personage iets zintuigelijk heeft opgemerkt, volgt er een handeling. Deze handeling zet iets in gang: dat is een stap verder voor het artikel van volgende week. Wat er precies gebeurt, kan je bepalen aan de hand van de vraag: ‘Wat vind ik dat er gedaan moet worden?’ Het interessante is dat de ‘ik’ in dit geval zowel het personage als de schrijver kan zijn.

Wat vindt de schrijver dat er moet gebeuren?

Als het de schrijver betreft, dan kijk je vooral naar het grotere geheel. Denk bijvoorbeeld aan een thematische invulling, of hoe een personage een emotionele gids kan zijn voor de scène als geheel. Het personage doet iets, om ervoor te zorgen dat de lezer de toon van de tekst beter kan begrijpen. Kijk vervolgens welke actie daarbij past. Gaat het personage iets pakken, ergens anders heen, of misschien inderdaad in actie komt en de deur uitsprint om iemand in elkaar te slaan?

Wat vindt het personage dat er moet gebeuren?

Dan is er nog het personage dat in de papieren wereld uiteindelijk de handeling moet uitvoeren. Hoewel je als schrijver in theorie alles kan doen wat je wil,  gaat een personage niet zomaar in de sloot springen omdat jij dat zegt. Kijk goed naar hoe je personage in elkaar steekt. Past het bij diens karakter en de omstandigheden om de handeling uit te voeren die jij in gedachten hebt? Is er een manier om de handeling extra persoonlijk te maken? Annie grijpt bijvoorbeeld altijd naar haar telefoon om zich achter te verstoppen als ze stoer wil overkomen: “Ik ben te belangrijk voor dit gesprek. ” Sjannie daarentegen begint dan juist over zichzelf te praten.

Wat er ook voor het grotere geheel moet gebeuren, vergeet je personage en de unieke trekken niet bij het bepalen van de handeling. Dat is wat een verhaal kleur geeft.

De intensiteit van de handeling bepalen

Zodra je weet hoe en op wat voor manier je personage gaat handelen, kijk je hoe groots die handeling moet zijn. Daarbij is het belangrijk om al in gedachten te houden dat er op de handeling iets in gang  gaat zetten.  Wat past er op een tienpuntschaal? Kijk daarbij goed naar de schaal van normaal: welke mate van deze handeling past bij de omstandigheden? Moet er in het verhaal nog een ommezwaai komen? Dan kunnen subtielere handelingen de eerste voorzichtige hints vormen. Als de handelingen groter zijn, kan dit het moment zijn waarop alles verandert. De gevolgen die je hierna uitschrijft, laten zien wat het effect is van deze handelingen en de intensiteit ervan.

Volgende week lees je hoe je over hoe je een scène sterk afsluit met de gevolgen van de acties van de handeling zoals je ze deze week hebt geleerd.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Daniel J. Schwarz verkregen via Unsplash

De sterke scène: scènes met een sfeer

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je waar je op kan letten als je scène vooral een sfeer op moet roepen.

Geen scène zonder personage

Ieder verhaal en elk deel daarvan kan een lezer beleven omdat er een personage is dat de papieren wereld voor de lezer vertolkt. Staat er een verlaten huis? Dat zegt op zichzelf niets. Pas als je held er de kriebels van krijgt of er iets te doen heeft, is dat aanleiding voor een thriller- of horrorverhaal. Op eenzelfde manier kan een goede sfeer pas werken omdat dat weerslag heeft op je hoofdpersoon en hoe die zich door de ruimte of het verdere plot beweegt. Dat is het uitgangspunt bij het schrijven van een scène waar de sfeer voorop staat: de held moet er iets bij voelen.

De zintuigen als instrument bij een sfeeromschrijving

‘Voelen’ is in dit geval niet zoiets als “Ik voel me vrolijk,” maar een zintuiglijke waarneming. Een personage voelt bijvoorbeeld de warmte van een zonnestraal, of proeft zout na het eten van een dropje. Als je een sfeer voorop wil stellen in een scène, dan is dit de basis die je absoluut niet mag missen. Het is de eerste stap van actie-reactie waar al het andere uit kan ontstaan. Neem een romantische scène waar een vrouw uitgesproken comfortabel op bed ligt. Eerst moet zij het zachte matras voelen, zodat ze zintuiglijk kan registeren dat ze lekker ligt. Daardoor voelt ze zich ontspannen, waardoor ze open staat voor de strelingen van haar geliefde. Had ze last van de prikken van een spijkerbed, dan zal er niet veel romantiek plaatsvinden…

De zintuiglijke waarneming komt altijd voorop

Een personage kan gedachten hebben over de sfeer en de sfeer kan veranderen. Maar vóór die verandering moet er wel een zintuiglijke registratie voorkomen. Neem het spijkerbed. Of je het eerst uitprobeert of meteen bij het zien al gruwelt van de aanstaande prikken, je personage ziet of voelt nog altijd eerst iets voor het denkt: Echt niet (meer)!

Voor de omschrijving van een scène waar de sfeer voorop staat, geldt hetzelfde principe. Je schept de sfeer vooral door in te gaan op de zintuiglijke ervaringen en door die ook als eerst te omschrijven.
De zon tintelde heerlijk warm op haar gezicht en Karin verheugde zich op de picknick van morgen, werkt daarom beter dan: Morgen stond de picknick op het programma, waar Karin zich op verheugde. Ze voelde de heerlijke tinteling van de zon op haar gezicht.
Het leest wat geknutseld omdat het oorzaak-gevolg effect wat meer leest als opgesomde feiten.
Zorg er dus voor dat je eerst de zintuiglijke waarnemingen hebt opgeschreven voor een goede sfeer in je scéne voordat je verder gaat met de conclusies die je personage trekt.

Overgang naar reactie

Er komt een moment dat je in de scéne over moet gaat van zintuiglijke waarnemingen naar de reactie die je personage daarbij heeft. Dat is het verschil tussen ‘Ik voel de warme zon’ naar ‘dat voelt lekker warm’.  De overgang naar een reactie werkt het beste als die subtiel verloopt. Als je de warme zon voelt en meteen je zwemtas gaat inpakken, mis je een schakeltje waarin je de invloed van de sfeer helemaal tot zijn recht laat komen. Wees er wel alert op dat je daar (vooral in woordenaantal niet te veel in doorslaat. Dan loop je het risico om bloemig taalgebruik te schrijven. Maar deze overgang naar reactie werkt ook uitstekend voor sfeeromschrijving in een scène. Volgende week lees je daar meer over.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van een scène? Ik kan helpen: kijk eens in mijn webshop.

Foto door by Hakim Menikh on Unsplash