De fantastische feelgood: het roddelcircuit

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je over de trope en de valkuil van het roddelcircuit.

Heb je ’t al gehoord?

Roddelen is van alle tijden en ook in boeken komt het voor. Feelgoodromas maken zich daar misschien wel het vaakst schuldig aan. Roddelen kan worden gezien als kletsen. Daarin schuilt zowel de kracht als de valkuil voor in een feelgood.

Lieve vrienden en een klein dorp

Voor dit artikel maken we onderscheid tussen twee soorten roddels. Die uit het kleine dorp en die uit vriendenkringen.

Als je personage opgroeit in een klein dorp waar iedereen elkaar kent en in de gaten houdt, wordt er geroddeld.  Zoals het cliché waarin het hele dorp roddelt over het zoenende tienermeisje. Binnen de kortste keren meent het halve dorp een zwangerschapsbuikje te zien en spreekt het er schande van. Terwijl het gewoon bij zoenen is gebleven.

Vrienden ‘roddelen’ ook: ze praten over het doen en laten van anderen en trekken daar bepaalde conclusies uit. Soms wordt er anders naar de betreffende vriend gekeken. Andere keren ontstaat er een misverstand, zonder dat er slechte bedoelingen in het spel zijn. Voor de uitleg van dit artikel is dat een belangrijk onderscheid met de cliché dorpsroddel: die ontstaat wel uit kwade bedoelingen.

Deze roddels komen niet alleen in de letterlijke vorm van een dorpsverhaal of theekransje voor  Het gaat om de achterliggende intentie dat er wordt gepraat, met verregaande gevolgen.

De dorpsroddel

De dorpsroddel is grootschalig, een sociale schakel van een (grotere) groep en wordt vaak onbewust gebruikt om niet aan zelfreflectie te hoeven doen, of om je ego op te krikken, of op iemand neer te kunnen kijken.

Als jouw hoofdpersonage het slachtoffer is van een dorpsroddel, maak dan niet de roddelaars, maar het onderwerp van datgene waar over wordt geroddeld de grootste vijand van je personage.
Daarmee voorkom je dat je centrale conflict te makkelijk wordt opgelost of te oppervlakkig wordt: even een plan smeden om tante Bep de mond te snoeren en klaar is Kees.
Stel je tienerzwangerschap als probleem aan de kaak, of het feit dat het dorp daar niet over durft te praten, dan heb je ook meteen een verhaalthema. Niet alleen dat: zowel je held als andere belangrijke personages hebben met een conflict of gewetensbezwaren te maken waar groei en verdieping bij komt kijken.

De roddel van de vriendengroep

“Zou het wel goed gaan met Simone? Ze lijkt de laatste tijd zichzelf niet,” zegt Yvonne.
“Dat klopt,” beaamt Elift
Omdat de vriendinnen niet direct aan Simone durft te vragen wat er aan de hand is, gaan ze dingen invullen en daarnaar handelen, met alle gevolgen van dien. Het is een ‘roddel’ die ontstaat uit goede bedoelingen.

Haar vriendinnen zijn zowel vriend als (symbolische) vijand voor Simone: de goede bedoelingen maken alles alleen maar erger. Dat is een interessant grijs gebied voor een feelgood. Kijk thematisch goed naar wat (vrouwen als) Elif, Yvonne en Simone bezighoudt en hoe misverstanden kunnen ontstaan. Dan heb je ook meteen thema’s om uit te diepen.

Waak ervoor dat je oorzaak van deze roddel niet onnodig opblaast. Als voormalige hartsvriendinnen zes jaar later nog ruzie hebben over een niet terugbetaalde koffie, ga je te ver.
Hou het misverstand en de onderliggende thema’s herkenbaar en realistisch.

De rol van een roddel in een feelgood

Deze beide roddelsoorten doen het goed voor een feelgood. Het is geen ingewikkeld concept en je kan er moeilijke zaken en onderlinge relaties goed mee onderzoeken. En als je de roddel binnen de perken houdt en niet overdrijft, kan je er ook de algemene verhaalstructuur en de bijbehorende beats voldoende verdieping geven.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Ben White verkregen via Unsplash.

De fantastische feelgood: een gebrek aan plot

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je waarom dit genre zo gevoelig is voor een gebrek aan een goed plot en hoe je dat kan voorkomen.  

Ongemak laat je niet goed voelen

Feelgood is een vertaling van ‘je goed voelen’. Van deze boeken moet een lezer vrolijk worden. Je leest dit boek niet om je zorgen te maken, ook niet over een fictieve situatie. Maar een boek heeft wel de nodige hobbels nodig. Zo verschijnen er alsnog  conflicten en nare situaties het verhaal, maar zijn die vaak redelijk oppervlakkig. Het verhaal zelf lijkt daarmee te bang om de fijne gemoedstoestand van de lezer te verstoren. En dat kan ervoor zorgen dat er nooit een echt plot op gang komt.

Casus: de boze huurbaas

De casus ‘de boze huurbaas’ laat goed zien wanneer een feelgood te bang is om een lezer ongemak te bezorgen, ten koste van een goed plot.   

Heldin heeft een gezellige boekhandel. Het is een rustig, oordeelvrij en verwelkomend tweede thuis voor vaste klanten die zich buitenbeetjes voelen. Maar dan wordt de huurbaas boos omdat er te veel katten in rondlopen. Hij dreigt de winkel te sluiten.

Dat lijkt een goed conflict: een zaak moeten opdoeken is een levensveranderende gebeurtenis en er staat veel op het spel. Veel mensen dreigen een veilige haven te verliezen. Maar om een plot te vormen dat een heel verhaal voort kan duren, ontbreekt er te veel.

* Er is geen echte opbouw. De huurbaas kan waarschuwingen en boze blikken geven, maar dat is geen plotontwíkkeling. Er is slechts een zich herhalend gegeven.
* Vanwege dit herhalend gegeven kan geen enkel personage groeien. Ze kunnen op  verschillende manieren een pogingen doen om de huisbaas om te praten. Maar dat is net als de waarschuwing geen groei, slechts een herhaling.

Er komt nog een feelgoodsausje bovenop. De meiden gaan samenwerken om een petitie te starten, de huurbaas in de val te lokken, geld in te zamelen voor de huur van een ander pand…
Hoewel er tegenslagen zullen zijn, kan je er in dit clichéverloop de donder opzeggen dat het enthousiasme en doorzettingsvermogen van de betrokkenen de boventoon voert. De feelgoodroman moet immers wel het ‘feel good’- gevoel behouden.
Maar wederom zit daar geen groei in voor de personages: die hebben immers een duidelijk doel. De vrouwen en het verhaal zijn te eenzijdig met één probleem bezig.

Verschil tussen personagegroei en spanningsboog

Deze casus brengt iets belangrijks aan het licht: personagegroei en de spanningsboog zijn niet hetzelfde. Je hebt beide nodig voor een prettig plot. Een personage kan groeien door obstakels te overwinnen en daardoor vindingrijker worden. Maar als dat ervoor zorgt dat ieder volgend obstakel vlekkeloos verloopt, stelt de spanningsboog alsnog niets voor.

Voor een goede spanningsboog moeten personages iets leren op een manier die ongemak met zich meebrengt. Een verhaal is nu eenmaal niet spannend als het bol staat van eenhoorns, regenbogen, suikerspinnen en zonneschijn.
Ongemak, twijfel, verdriet en verlies van moed voorkomen dat je personages als Mary Sues eindigen. Schrijf deze zaken niet te lichtzinnig uit: de hoofdpersonen moeten er niet omheen kunnen. Natuurlijk moet je dat bij een feelgood niet uitvergroten. Maar een feelgood met alleen maar prettige scènes en zoetzappige saamhorigheid laat een lezer evengoed niet met een fijn gevoel achter.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan in mijn webshop.

Foto door Towfiqu barbhuiya verkregen via Unsplash.

De fantastische feelgood: behoefte aan rust  

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je over de behoefte aan rust die je vaak in het genre ziet.  

Maak je nergens druk om

In feelgood zie je vaak een decor voor dingen of levens waar stress niet lijkt te bestaan. Personages wonen in of verhuizen naar een idyllisch dorpje. Daar heeft iedereen beroepen die worden gezien als niet zo stressvol. Bloemisten, yogaleraren, schrijvers, kattenoppassers… Je zal in dit dorp geen aandelenhandelaar vinden. De bewoners staan boven dingen als status, geld, bezit en de ‘ratrace’. Zij hebben een leven waar veel mensen naar verlangen. Bovendien hebben ze vaak een bepaalde  wijsheid in pacht die normale stervelingen niet hebben.
‘Maak je gewoon nergens druk om’ lijkt het credo. Maar als schrijver moet jij je bij dit soort verhalen druk maken over het risico op overromantiseren.   

Niet alles gaat vanzelf in een feelgood  

Het feelgoodgenre heeft een plek of persoon nodig dat in zekere mate het geheel enigszins eenvoudig en vrolijk houdt, op dezelfde manier dat een romanceverhaal een verliefd stelletje nodig heeft. Zonder zou het genre niet aan de algemene verwachtingen van de lezers voldoen.  

Maar zodra je een bepaalde setting of een beroep gaat romantiseren, kom je op gevaarlijk terrein. Als je van een schrijver gaat beweren dat je personage zodra die maar in een huisje in Frankijk zit alle stress vanzelf wegvaagt…  Waarschijnlijk ben je zelf een schrijver: hoe vaak heb je wel niet met de handen in je haar gezeten als je versie vijf van hoofdstuk 1 schrijft? Dat is stress die de mooiste lavendelvelden in Frankrijk niet zouden wegnemen.  

Als je personages, hun dromen of de plaatsen waar ze leven je lezers meteen inspireert tot een carrièreswitch of emigratie, puur omwille van het idee dat er met dat beroep of geen stress meer bestaat of het leven ‘heerlijk langzaam’ is, gaat alles te veel vanzelf en ben je aan het overromantiseren.

Klein leest fijn

Je kan het idee van een ontspannen setting beter benaderen vanuit het idee ‘klein leest fijn.’
Als jouw personages de ‘grote boze wereld’  ontvluchtten, komen ze daarmee ook niet de grote problemen tegen. Denk dan aan iets als een miljoenenverlies bij een bedrijf of een schandaal bij de  liefdadigheidsinstelling. Want er zijn geen miljoenenbedrijven in niemandsland en in kleinere dorpen help je elkaar zonder tussenkomst van een liefdadigheidsinstelling.

Maar dat wil niet zeggen dat de relatief kleinere problemen zoals liefdesverdriet, ziekte of het verlies van een baan eenvoudig zijn. Die problemen brengen hun eigen uitdagingen met zich mee. Het is aan de feelgoodschrijver de taak om op een bijna intieme manier naar die gebeurtenissen te kijken. Klein leest fijn omdat je op die manier dicht bij de belevingen en gedachten van een personage kan blijven. Je kan  je concentreren op alléén dat liefdesverdriet van de held. Je hoeft je niet druk te maken of de rest van een bedrijf bij die miljoendeal ook ten onder gaat.

Maar dan moet je er wel voor zorgen dat die problemen in een feelgood voorkomen en ook als zodanig worden gezien. Dus als iets wat lastig is en waar personage met diens eigen vindingrijkheid een oplossing voor moet vinden. Dat zorgt voor een spanningsboog en een centraal conflict. Hoe ontspannen ze ook moeten lezen, zelfs een feelgood komt er niet mee weg om helemaal stressvrij te zijn voor de lezer en de personages in het boek.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Aleksandar Cvetanovic verkregen via Unsplash.

De fantastische feelgood: passend drama bij een feelfood

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je hoe je drama in een feelgood doseert en inzet. 

Hou het drama herkenbaar en klein

Feelgood leest makkelijk weg, omdat alles makkelijk te behappen is. Er zijn geen handvol plotlijnen of hiërarchieën van koninklijke families. De wens van de heldin in een feelgoodroman is eenvoudig samen te vatten: een weg vinden in een nieuwe levensfase, hobbels in een nieuwe relatie overwinnen of een kindje krijgen. Er zitten geen mitsen of maren achter deze wensen of conflicten. Het zijn worstelingen die de meeste mensen in het echte leven ook meemaken.
Houd je conflict dus relatief klein en overzichtelijk, als iets dat de meeste lezers herkennen. Zodra de wens van meet af aan klinkt als iets waarvoor je een extreme bolleboos, van blauw bloed of rijk voor moet zijn om uit te kunnen komen, dan is het voor een feelgood iets te hoog gegrepen. Je mag een heftige gebeurtenis toevoegen, zoals een huisbrand. Maar die moet er dan met kop en schouders bovenuit steken als het engste of ergste moment uit het verhaal. 

Hou de oplossing overzichtelijk 

Als je een conflict of drama voor je feelgood hebt bedacht, maak de oplossing dan overzichtelijk. Niet kinderlijk eenvoudig of clichématig voor de hand liggend, dat is iets anders.

Laat het idee dat je interessant of leuk moet schrijven even los en stel je voor dat je het conflict in het echte leven op moet lossen. Wat is dan een logisch stappenplan of een waarschijnlijke gang van zaken? Vat dat in maximaal vijf zinnen samen. Zo voorkom je een teveel aan drama, plottwisten of andere verhaallijnen. Dat houdt de feelgood lekker leesbaar.

Zodra je deze basis hebt bepaald, kijk je wat je kan doen om het verhaal alsnog wat meer inhoud te geven. Dan leest het toch nog met dat beetje extra drama dat een boek van het echte leven onderscheidt. 

Bijvoorbeeld:
Heldin heeft een vriendin die te verlegen is om haar liefde te verklaren aan haar leuke collega. Dus Heldin helpt haar wat assertiever te worden en voor koppelaarster te spelen. Alles gaat goed, tot Heldin zelf verliefd wordt en erachter komt dat ook zij moeite heeft de liefde te verklaren. 

Extra elementen om je verhaal wat meer kleur te geven, zijn dingen als:

  • De vlam van Heldin spreekt een taal die zij niet kent
  • Vriendin is verliefd op iemand die Heldin kent, maar hij laat zich door Heldin verleiden op date te gaan met Vriendin
  • De kat van Heldin wordt ziek, zodat ze moet kiezen tussen zorgen voor haar kat en de morele steun aan Vriendin. 

Lees: ook deze elementen moeten relatief herkenbaar en eenvoudig zijn. Maar ze moeten ook genoeg bieden om je verhaal langere tijd een conflict en/of inhoud mee te geven. 

Denk aan de hartsvriendin

Hartsvriendinnen dienen in feelgoodromans enigszins clichématig een aantal doelen:

  • Ze schieten Heldin te hulp
  • Zie dienen als klankbord voor Heldin
  • Ze roddelen onderling over waar Heldin nu toch weer mee bezig is. 

Leg niet te veel nadruk op deze rollen en schrijf die ook niet letterlijk zo uit, maar gebruik ze als houvast om te kijken of je verhaal nog voldoende drama of conflict heeft. Is er in het verhaal als geheel nog voldoende waar Heldin hulp bij nodig zou kunnen hebben? Oftewel: waar ze nog in kan groeien? Een klankbord geeft aan dat ze niet perfect is en voer voor roddels houdt de spanningsboog op peil. 

Hou het geheel ook hier herkenbaar en relatief eenvoudig voor een goede dramabalans in je feelgoodroman. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

De fantastische feelgood: er is altijd een kat

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de altijd aanwezige kat. 

Geen feelgood zonder kat?

Menig kat prijkt op de voorkant of in de titel van een feelgoodroman. Bijna alsof een boek uit dat genre zonder kat geen bestaansrecht heeft. Het is niet zo gek dat dit huisdier zo vaak opduikt in boeken waarbij een relatief eenvoudig en prettig verhaal vooropstaat. Laten we eens kijken naar een aantal kenmerken of associaties van katten. Het zijn bijna symbolieken die als schrijftechniek worden ingezet. Als je dat weet, is het voor jouw feelgoodverhaal een kwestie van doseren. 
De rode draad van al deze punten is dat een kat geen mens is. Sla niet door in het idee dat een kat jouw menselijke hoofdpersonage begrijpt. Dat blokkeert je verhaal.  

Een kat komt op schoot zitten 

Katten in feelgoodromans zijn van het type dat lekker op de verwarming zit, een lekker zachte vacht heeft en verder zijn lekker luie leventje doorbrengt op de schoot van je hoofdpersonage om veel te knuffelen. Dat maakt hem dus een perfect medepersonage om troost bij te zoeken. En omdat een kat niet kan praten en dus geen oordeel heeft, maakt dat hem ook nog eens een goede luisteraar. 

De kat is daarmee een perfect personage om op een onschuldige en niet-dramatische manier de scherpe kantjes van het leven af te halen. Je hoeft daarbij niet eens de moeite te doen om complete achtergrondverhalen te hoeven verzinnen. Bij een dier zijn die nu eenmaal niet zo diepgaand als van een mens. 
Daar ligt ook de grens: laat je hoofdpersoon niet álle heil bij een kat zoeken. Verhalen zijn interessant om te lezen vanwege de menselijke grillen, de emotionele reis van een ander. Als je protagonist vervolgens geen menselijke tegenpool heeft om de menselijke ervaring bij te spiegelen, wordt het verhaal daar te oppervlakkig van.

Een kat doet zijn eigen ding 

Een kat heeft een schone kattenbak en eten nodig. Verder heb je er relatief weinig omkijken naar: je hoeft er niet dagelijks mee te wandelen. En als een kat geen zin heeft om te knuffelen, gebeurt dat niet. 
Kortom: een kat heeft jou niet vaak nodig en kan helemaal zijn eigen ding doen. Menig non-fictieboek gebruikt de kat als leermeester om te laten zien hoe je je eigen grenzen aan moet geven, je niet zo druk moet maken of je niets van anderen aan te trekken. 
In een feelgood vertaalt dat zich vaak naar: ‘was ik maar als Pluisje…’.
Maar Pluisje heeft nogal een luizenleventje. Geen baan, verantwoordelijkheden, het eten wordt opgediend en het huis schoongemaakt…
Als je te veel schrijft over hoe het zou zijn als kat, of de kat de hoofdpersoon maakt, is de kans groot dat je centrale conflict niet van de grond komt of geen noemenswaardige inhoud krijgt. Hoe ontspannen het ook is om een kat bij je te hebben, het verhaal moet nog wel een conflict hebben. 

De starende kat  

De feelgoodkat krijgt vaak een bepaalde wijsheid toebedeeld: Pluisje heeft álles door. Het hoofdpersonage staart de kat maar lang genoeg aan, omdat die zo’n ‘wijze blik’ heeft. In de bijna meditatieve staat die daarop volgt, volgt een eurekamoment. 
Een eurekamoment in een boek is riskant: het kan lezen als een deus ex machina. Verandering moet gebeuren aan de hand van iets dat je personage doet en aha-momenten moeten te herleiden zijn. Staren in de ogen van een kat is daarvoor te passief. 
Ook schuilt hier een gevaarlijke aanname. Wie zegt dat Pluisje aanmoedigde om bij die partner weg te gaan? In werkelijkheid droomde ze over een lekker visje…

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Tamara Stoffers verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan je helpen: kijk eens in mijn webshop.

De fantastische feelgood: de gevaarlijk gezellige boekhandel

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de gevaarlijk gezellige boekhandel. 

De clichématige gezellige boekhandel 

Talloze feelgoodromans spelen zich af in een knusse boekhandel. De tijd lijkt er stil te staan, de ingewikkelde alledaagse moeilijkheden gaan daar even aan je hoofdpersoon voorbij en er zijn verhalen te vinden. Inspiratie te over dus, zeker als het personeel van de winkel uiteindelijk nog een vriendschap of zelfs een romance met je heldin sluit.  

Maar dit clichébeeld van de boekhandel is helemaal niet zo effectief. Sterker nog, het is een goed voorbeeld van waarom het feelgoodgenre soms de slechte naam van ‘te simpel’ krijgt: er gebeurt niks wezenlijks in het verhaal. Je kan nog zulke mooie sfeeromschrijvingen aan de boekhandel geven en de knappe man achter de toonbank de mooiste en meest inspirerende citaten van de wereld laten opdreunen, als er geen wezenlijk plot in het verhaal is verweven, is zelfs de meest knusse boekhandel maar een triest decor voor een zielloos boek. Daarom is de gezellige boekhandel een gevaarlijk cliché. 

Waarom is ‘knus’ of ‘gezellig’ niet genoeg voor een boek?

De meeste lezers kiezen een feelgoodboek uit juist omdat ze weten wat ze kunnen verwachten; namelijk een positief boek met een happy ending. Je hoeft niet allerlei ingewikkelde alibi’s te onthouden, zoals bij een thriller, en de thema’s zijn eenvoudig genoeg om het verhaal te dragen. Ze hebben inhoud, maar verwachten niet van de lezer dat die na het boek te lezen een weloverwogen nieuwe mening vormt. 

Maar daardoor ontstaat een hardnekkig misverstand: niet veel hoeven nadenken staat gelijk aan weinig tot geen inhoud of beweging in het plot. 
En dat is waar de gezellige, knusse boekhandel als cliché zijn bestaansrecht aan ontleent. Als het maar knus is, hoef je zogenaamd niet na te denken. Gezelligheid is alles wat een boek nodig heeft om lekker in weg te duiken. Maar niets is minder waar: ieder verhaal heeft beweging en een wezenlijke invulling van een plot nodig. 

In het hoofd van de boekwinkelbezoeker

De hoofdpersonen in verhalen over gezellige boekwinkels zijn vaak introvert. Het verhaal heeft de boekenzaak als decor, maar het eigenlijke verhaal speelt zich vaak af in het hoofd van de protagonist. Je leest over wat die denkt, waar die van droomt, of waar die over piekert. In zekere mate is dat een prima manier om een personage te leren kennen. Maar als het boek voornamelijk gaat over wat een personage denkt, kan het echte verhaal niet op gang komen. 

Denk aan een bal. Je kan met de nodige aankleding best wat tekst vullen met wat iemand over die bal denkt en wat het daarmee kan of wil doen. Maar uiteindelijk zal die bal toch een keer moeten worden opgepakt om het buurmeisje mee te verrassen en zo een nieuwe vriendschap te sluiten. Dan heb je het verhaal van de vriendschap om verder over te schrijven. Als de bal eindeloos blijft liggen, komt er niets op gang en heb je geen echt verhaal. Daar is vroeg of laat een externe factor of een concrete actie voor nodig. 
De cliché boekenwinkel is daarom erg gevoelig voor een stilstaand verhaal. Als je protagonist er komt om niet gestoord te worden, dingen te overpeinzen en te fantaseren, dan mist die concrete actie en is hoofdstuk 1 vrijwel inwisselbaar voor hoofdstuk 4, 6 of 9. 

Hoe goed een feelgood de lezer ook moet laten voelen, onthoud: een goed gevoel is niet voldoende voor een boek. Daar heb je nog altijd ook nog een goed verhaal voor nodig. 

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door John Michael Thomson via Unsplash.

De sterke scène: zo beledig je je eigen scène

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Van fouten leer je, dus gaan we kijken wat een scène vooral niet moet doen. In een woord samengevat: beledigen. Deze week kijken we naar hoe je je eigen scène teniet kan doen.     

Te veel nadruk op één scène

Soms maak je beginnersfouten met schrijven, ook als je meer ervaring hebt. Zo ook bij het schrijven van scènes. Dan laat je je bijvoorbeeld net iets te veel meeslepen door een scène die later in het boek komt en wordt een scène daarvóór slechter van kwaliteit.  
Wat je dan vergeet, is dat scènes onderdeel zijn van het boek als geheel. De ene scène volgt op de andere en sámen vertellen ze het verhaal dat je schrijft. Als je te graag wil dat één bepaalde scène eruitspringt, dan is de kans groot dat je continuïteitsfouten maakt of dat er andere storende dingen in je boek komen te staan. 

Schrijf niet te veel naar één scène toe

Een boek wisselt van tempo. Er zijn momenten die rustig voortkabbelen en er zijn knetterende ruzies, spectaculaire actiescènes of onthullingen. De valkuil bij deze scènes is dat je die te afzonderlijk van andere scènes schrijft. 

Als je schrijft over ontrouw, zie je de scène al helemaal voor je waarin de bedrieger wordt betrapt: schreeuwen, rake beledigingen, rondvliegende vazen, noem maar op. 
“Ik had je nooit moeten vertellen dat ik naar mijn moeder ging!” 
Maar in je enthousiasme over dat aankomende spektakel vergeet je dat je dat nooit geschreven hebt, of dat Moeder net die week met vakantie was. 
Dat enthousiasme kan zich beperken tot een onschuldig continuïteitsfoutje, maar het kan ook zomaar gebeuren dat je aan de tekentafel je personages te oppervlakkig ontwerpt. Ze hebben geen rol die hen laat groeien, maar ze zijn er enkel en alleen om in die ene scène helemaal te flippen, of de wereld te redden. 

Missende samenhang 

Als je op deze manier te veel in de ban raakt van één scène, vergeet je dat alles in een goedlopend verhaal een zekere samenhang moet hebben. Denk aan de regel van oorzaak en gevolg, maar ook aan het feit dat een held wordt beïnvloed door de wereld en de andere personages om zich heen. Zonder die basisprincipes krijg je ongeloofwaardige situaties. 
Als je het hele verhaal lang schrijft hoe je held bang is om een geweer te hanteren en dat zelfs het centrale conflict vormt, is het wel erg raar als die dan op het moment suprême zomaar de slechterik neerschiet. 
Als je in de voorgaande scènes opbouw, overwegingen en thematiek links hebt laten liggen, kan één scène dat niet in een keer goedmaken. 
Dat lijkt een open deur, maar vergis je niet: je werkt sneller naar een onthulling toe dan je denkt. Voor je het weet, is het al zover. Of het andere uiterste waar is: je wordt zo ongeduldig om naar die scène toe te werken dat je het verdere verháál en alle opbouw die daarbij komt kijken, uit het oog verliest. 

Te veel nadruk op één scène voorkomen

Scènes die een kantelpunt in het verhaal markeren, zijn de grootste aanjagers van dit soort nadruk. Gelukkig is het meestal vrij duidelijk welke scènes dit zijn. Voordat je aan zo’n scène begint, kan je het volgende nagaan:

  • Houd ik me aan de regels van mijn worldbuilding?
  • Sluit het moment suprême aan bij de heldenreis en het karakter van mijn held?
  • Waar leefde deze scène in de niet-oppervlakkige zin van het woord naartoe? Welk thema staat centraal of moet daar worden uitgewerkt?

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Andre Hunter verkregen via Unsplash.

De sterke scène: een boodschap in meerdere scènes opdelen

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je hoe je een bepaalde boodschap over meerdere scènes verdeelt.  

Wanneer maakt iets indruk? 

“Dit personage kan vliegen.”  “O nee, dat personage is doodziek!”
Wat je ook schrijft in een boek, het maakt pas indruk op de lezer als die weet waarom dat indruk moet maken. Als je schrijft over een volgelvolkje, is vliegen niet zo bijzonder. En een lezer gaat niet wakker liggen van een ziek personage als die nauwelijks in het verhaal voorkomt, of als de lezer weinig van dat personage afweet. 

Op zo’n zelfde manier is alles wat er in het plot van je verhaal gebeurt pas interessant als zich dat ontwikkelt. Om superkrachten interessant te laten lijken, moet de lezer zien hoe je personage die vergaart. En een verliefd stel is ook pas interessant als je de liefde op ziet bloeien. Als het koppel al verliefd is, valt er nog maar weinig te winnen. Als je wil dat een verhaalelement indruk maakt op de lezer, moet zich dat in de loop van verschillende hoofdstukken of scènes ontwikkelen. 

Wat wil je spannend maken? 

In een verhaal wil het hoofdpersonage altijd iets bereiken en dat gebeurt vanwege de spanningsboog altijd stapsgewijs. Dat betekent dus ook dat je dat spannende moet opdelen in de loop van diverse scènes. Bepaal daar eerst voor wat er spannend aan is. Of beter gezegd: waarom het spannend zou moeten zijn. Als voorbeeld nemen we: waarom zou het spannend moeten zijn dat jouw hoofdpersonage kan vliegen? Dan krijg je mogelijke antwoorden als:

•    Dan wordt het makkelijker om een gevangengenomen geliefde te bevrijden
•    Dan kan het personage sneller én spectaculair de ruimte verlaten als het gesprek hem niet zint

Lees tussen de regels door en je ziet hier een belangrijk deel van het plot in staan, zoals een aankomende ontvoering. Maar je kan er ook een groeiproces van de held in zien. Wegvliegen als je iets niet leuk vindt? Dan moet de held misschien leren om met kritiek of lastige emoties om te gaan. Schrijf eerst eens op wat het grotere, spannende plaatje is dat indruk moet maken, waarom juist dat element spannend is en hoe je dat grofweg voor elkaar wil krijgen. 

Spanning en indruk maken combineren

Zodra je hebt opgeschreven wat er in je verhaal indruk moet maken en hoe dat het spannende deel van het verhaal moet worden, kan je dat gaan combineren. 

De vaardigheid om te kunnen vliegen, moet indruk maken, omdat je held daar ontvoerde mensen mee kan redden. Maar de hoogmoed die daar bij komt kijken, ontwikkelt zich stapsgewijs in de loop van de scènes. Knip in stukjes hoe je die hoogmoed steeds in een andere scène zichtbaar kan maken. Bijvoorbeeld:

1)    Je hoofdpersonage is bang dat mensen hem zullen verstoten
2)    Hij redt iemand en hij wordt geprezen
3)    Je hoofdpersoon verricht steeds meer heldendaden
4)    De roem stijgt naar het hoofd van je hoofdpersonage 
5)    Mensen gaan hem dáárom verstoten
6)    Je hoofdpersonage leert nederig te zijn

Dit zijn thema’s of elementen in het groeiproces van een personage die je door het verhaal heen kan verspreiden. Meestal zie je wel op welke plaats in het verhaal iedere stap moet komen om aan te sluiten bij het algemene plotverloop. 

Voor een nog beter resultaat kijk je of je in de respectievelijke scènes ook nog iets anders kan gebeuren dat thematisch in dezelfde categorie valt. 
Denk daarbij aan een personage dat wordt ontslagen door onterecht te beweren dat het beter is dan iedereen in het bedrijf, op hetzelfde moment dat je vliegende superheld door hoogmoed niet oplet en zich zwaar verwondt. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Rey Seven verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Schakel mij dan in voor manuscriptredactie.

De sterke scène: zo gaat het mis

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Van fouten leer je, dus gaan we kijken wat een scène vooral niet moet doen. In een woord samengevat: beledigen. Deze week kijken we naar hoe je de lezer in het harnas kan jagen.    

Hoe kan je een boek beledigen? 

Een boek of een verhaal is geen levend wezen, dus in de gebruikelijke definitie kan je het niet beledigen. Maar een verhaal is wel met een reden geschreven. Of dat nu is om te informeren, te vermaken, het is er niet zomaar. En ook degene die het verhaal leest, is niet zomaar iemand: je kiest een doelgroep voor je boek uit. Zodra je de lezer niet serieus neemt, zal die zich beledigd voelen en je boek wegleggen.  

Zo beledig je de lezer

Of het doel van de lezer nu is om vermaakt of geïnformeerd te worden, de lezer besteedt kostbare tijd aan het lezen van je boek. Ongeacht of je lezer met het verstand op nul een heerlijk zwijmelverhaal wil lezen of zich juist wil verdiepen in een van de grotere levensvragen met een literair werk, een lezer moet zich tijdens en na het lezen beloond voelen. 

De beloning kan zijn dat het de lezer is gelukt om zichzelf intellectueel uit te dagen, maar ook door ‘tijd voor mezelf’ eindelijk serieus te nemen en inderdáád een halfuurtje te lezen zonder afleiding of verplichtingen. Je beledigt de lezer op het moment dat je dat gevoel van belonen omzet in een gevoel van straf. En dat straffen kan je op twee manieren doen. 

Een grote tijdverspilling 

Als je de lezer wil beledigen door het boek als een grote tijdsverspilling te laten voelen, schrijf met een vreselijke schrijfstijl, zoals:

  • Eindeloze koetjes en kalfjes die nergens toe leiden
  • Een stuk tekst dat 1000 woorden heeft, en in 100 woorden geschreven had kunnen worden
  • Met een taalgebruik dat ‘elitair’ overkomt. Het soort schrijfstijl met vijf komma’s in één zin met minstens zes woorden waarvoor een gemiddeld persoon een woordenboek erbij moet pakken. 

Dat mag natuurlijk, maar als je dat alleen maar doet om te zeggen: ‘kijk mij eens uiterst geraffineerd, en eloquent schrijven’, is dat alleen maar irritant. Zekér als taalgebruik ook nog voor zorgt dat je lezer de rode draad van het verhaal niet eens begrijpt. 

Alles precies voorschotelen

Het tegenovergestelde van elitair schrijven jaagt een lezer ook in het harnas. Als je de lezer wil beledigen, behandel je die alsof die maar drie werkende hersencellen heeft. Vertaald naar schrijftechnieken betekent dat:

  • leg de meest logische dingen eindeloos uit: overdrijf met tell, schrijf een ‘weet-je nog’-achtige zin als je ergens op terugblikt. 
  • Vergeet ook niet de volwassen lezer uit te leggen hoe die zich moet voelen. ‘Natuurlijk voelde Leentje zich heel verdrietig toen oma stierf, want het is verdrietig als er iemand doodgaat.’ Dit wordt nog erger als je sturende woorden als ‘natuurlijk’ ‘uiteraard’ gebruikt. Wees gewaarschuwd: dat doe je sneller dan je misschien denkt. Het ligt er vaak niet zo duimendik bovenop als in dit voorbeeld. 
  • Behandel je verhaalthema niet als iets waar je lezer zelf een filosofie uit kan halen, of als een verkenning van verschillende perspectieven. Bepaal wat je lezer er van moet vinden en hang de moraalridder uit. Dus niet: is de schuld van een scheiding nog steeds volledig de schuld van degene die is vreemdgegaan als de ander al jaren emotioneel en romantisch in de steek gelaten is door de ander? Nee, jij stelt gewoon: iedereen die vreemdgaat is een zielig figuur. 

Daarmee respecteer je niet dat de lezer een vrije wil heeft en zelf na kan denken en conclusies kan trekken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Richard Dykes verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk in mijn webshop voor mijn redactiediensten.

De sterke scène: de goede scèneovergang

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je vlot van de ene scène naar de andere schrijft.  

Een scène geeft een reset

Een scène heeft een heel duidelijk begin, midden en een eind en een eigen boodschap. Dat betekent dus dat de scène die volgt, ook opnieuw moet beginnen met iets anders. Later lees je daar meer over. Je kan een nieuwe scène dus als een reset beschouwen. Dat zorgt er niet alleen voor dat je huidige scène een goede afronding krijgt, het geeft de volgende ook een fijne start. 

Het conflict bepalen

Iedere scène heeft een conflict nodig om de spanningsboog te behouden. De lengte van de scène en het conflict gaan daarbij hand in hand. Als je een scène hebt van meerdere pagina’s, kun je de plotopbouw redelijk uitgebreid omschrijven. Dat lukt niet met een scène van enkele zinnen; daarbij moet het conflict vrijwel onmiddellijk duidelijk worden. 

Vaak weet je wat het conflict is voor je precies weet wat je in een scène wil verwerken. Doe daar je voordeel mee en zorg ervoor dat het conflict en de lengte van een scène op elkaar zijn afgestemd. Weet hoeveel woorden  je nodig hebt om het conflict goed tot zijn recht te laten komen. 

Humeur, toon en vaart

Je start een nieuwe scène en hebt het conflict bepaald. Kijk nu wat jouw nieuwe scène nodig heeft om zich van de vorige scène te onderscheiden. Daarvoor kijk je naar het humeur van de held, de toon van de scène en het algemene verteltempo. Wat past er bij het conflict dat je zonet hebt bepaald? 
Als de vorige scène langzaam eindigde met een geschokte held, omdat die hoorde dat een familielid was opgelicht, kan het tempo van de tekst in de volgende een stuk omhoog, omdat de held door woede wordt gedreven. 

Als je scènes op deze manier duidelijk van elkaar kan onderscheiden, heeft dat nog een voordeel. Je loopt minder risico dat de spanning uit het algehele plot verdwijnt als je regelmatig kan wisselen van emotionele toon en vaart. Maar overdrijf niet, anders kan je verhaal onstabiel aan gaan voelen. 

De beleving van de held 

Als de scène flink verandert, gaat de held daar iets van opmerken en van vinden. De ene keer is dat subtiel, de andere keer is het overduidelijk. Maar je volgende scène start sterk als je de beleving van de held over de nieuwe situatie in de beschrijving van de nieuwe scène mee kan nemen. 

In het voorbeeld van het familielid dat is opgelicht, voelt dat als een conflict voor de held. Dat is een emotie, in dit geval woede of verontwaardiging. Als je daar nog een actie aan koppelt, kan je dat combineren met een mogelijke uitkomst van het conflict. Of,  anders gezegd: de actie die aanzet tot het verdere conflictverloop. Schrijf dus hoe je held kwaad achter de computer gaat zitten om een wraakplan uit te schrijven. Dan combineer je een actie met een emotie waar de rest van de scène verder op in kan gaan. 

Waar en wanneer voor de stevigste basis

Om deze eerste zin(nen) van een nieuwe scène nog levendiger te maken, schrijf je ook nog waar en wanneer die eerste actie plaatsvindt. Het geeft ongeveer hetzelfde effect als de welbekende ‘Er was eens, lang geleden in een land hier ver vandaan…’ bij sprookjes. Je weet meteen over het wie, wat en waar, zodat het verhaal meteen sterk kan beginnen. Vergeet dus ook in de nieuwe scène de waar en wanneer uit te schrijven voor een nog betere start. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Aleksandr Barsukov verkregen via Unsplash.