De fantastische feelgood: behoefte aan rust  

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je over de behoefte aan rust die je vaak in het genre ziet.  

Maak je nergens druk om

In feelgood zie je vaak een decor voor dingen of levens waar stress niet lijkt te bestaan. Personages wonen in of verhuizen naar een idyllisch dorpje. Daar heeft iedereen beroepen die worden gezien als niet zo stressvol. Bloemisten, yogaleraren, schrijvers, kattenoppassers… Je zal in dit dorp geen aandelenhandelaar vinden. De bewoners staan boven dingen als status, geld, bezit en de ‘ratrace’. Zij hebben een leven waar veel mensen naar verlangen. Bovendien hebben ze vaak een bepaalde  wijsheid in pacht die normale stervelingen niet hebben.
‘Maak je gewoon nergens druk om’ lijkt het credo. Maar als schrijver moet jij je bij dit soort verhalen druk maken over het risico op overromantiseren.   

Niet alles gaat vanzelf in een feelgood  

Het feelgoodgenre heeft een plek of persoon nodig dat in zekere mate het geheel enigszins eenvoudig en vrolijk houdt, op dezelfde manier dat een romanceverhaal een verliefd stelletje nodig heeft. Zonder zou het genre niet aan de algemene verwachtingen van de lezers voldoen.  

Maar zodra je een bepaalde setting of een beroep gaat romantiseren, kom je op gevaarlijk terrein. Als je van een schrijver gaat beweren dat je personage zodra die maar in een huisje in Frankijk zit alle stress vanzelf wegvaagt…  Waarschijnlijk ben je zelf een schrijver: hoe vaak heb je wel niet met de handen in je haar gezeten als je versie vijf van hoofdstuk 1 schrijft? Dat is stress die de mooiste lavendelvelden in Frankrijk niet zouden wegnemen.  

Als je personages, hun dromen of de plaatsen waar ze leven je lezers meteen inspireert tot een carrièreswitch of emigratie, puur omwille van het idee dat er met dat beroep of geen stress meer bestaat of het leven ‘heerlijk langzaam’ is, gaat alles te veel vanzelf en ben je aan het overromantiseren.

Klein leest fijn

Je kan het idee van een ontspannen setting beter benaderen vanuit het idee ‘klein leest fijn.’
Als jouw personages de ‘grote boze wereld’  ontvluchtten, komen ze daarmee ook niet de grote problemen tegen. Denk dan aan iets als een miljoenenverlies bij een bedrijf of een schandaal bij de  liefdadigheidsinstelling. Want er zijn geen miljoenenbedrijven in niemandsland en in kleinere dorpen help je elkaar zonder tussenkomst van een liefdadigheidsinstelling.

Maar dat wil niet zeggen dat de relatief kleinere problemen zoals liefdesverdriet, ziekte of het verlies van een baan eenvoudig zijn. Die problemen brengen hun eigen uitdagingen met zich mee. Het is aan de feelgoodschrijver de taak om op een bijna intieme manier naar die gebeurtenissen te kijken. Klein leest fijn omdat je op die manier dicht bij de belevingen en gedachten van een personage kan blijven. Je kan  je concentreren op alléén dat liefdesverdriet van de held. Je hoeft je niet druk te maken of de rest van een bedrijf bij die miljoendeal ook ten onder gaat.

Maar dan moet je er wel voor zorgen dat die problemen in een feelgood voorkomen en ook als zodanig worden gezien. Dus als iets wat lastig is en waar personage met diens eigen vindingrijkheid een oplossing voor moet vinden. Dat zorgt voor een spanningsboog en een centraal conflict. Hoe ontspannen ze ook moeten lezen, zelfs een feelgood komt er niet mee weg om helemaal stressvrij te zijn voor de lezer en de personages in het boek.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Aleksandar Cvetanovic verkregen via Unsplash.

De fantastische feelgood: passend drama bij een feelfood

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je hoe je drama in een feelgood doseert en inzet. 

Hou het drama herkenbaar en klein

Feelgood leest makkelijk weg, omdat alles makkelijk te behappen is. Er zijn geen handvol plotlijnen of hiërarchieën van koninklijke families. De wens van de heldin in een feelgoodroman is eenvoudig samen te vatten: een weg vinden in een nieuwe levensfase, hobbels in een nieuwe relatie overwinnen of een kindje krijgen. Er zitten geen mitsen of maren achter deze wensen of conflicten. Het zijn worstelingen die de meeste mensen in het echte leven ook meemaken.
Houd je conflict dus relatief klein en overzichtelijk, als iets dat de meeste lezers herkennen. Zodra de wens van meet af aan klinkt als iets waarvoor je een extreme bolleboos, van blauw bloed of rijk voor moet zijn om uit te kunnen komen, dan is het voor een feelgood iets te hoog gegrepen. Je mag een heftige gebeurtenis toevoegen, zoals een huisbrand. Maar die moet er dan met kop en schouders bovenuit steken als het engste of ergste moment uit het verhaal. 

Hou de oplossing overzichtelijk 

Als je een conflict of drama voor je feelgood hebt bedacht, maak de oplossing dan overzichtelijk. Niet kinderlijk eenvoudig of clichématig voor de hand liggend, dat is iets anders.

Laat het idee dat je interessant of leuk moet schrijven even los en stel je voor dat je het conflict in het echte leven op moet lossen. Wat is dan een logisch stappenplan of een waarschijnlijke gang van zaken? Vat dat in maximaal vijf zinnen samen. Zo voorkom je een teveel aan drama, plottwisten of andere verhaallijnen. Dat houdt de feelgood lekker leesbaar.

Zodra je deze basis hebt bepaald, kijk je wat je kan doen om het verhaal alsnog wat meer inhoud te geven. Dan leest het toch nog met dat beetje extra drama dat een boek van het echte leven onderscheidt. 

Bijvoorbeeld:
Heldin heeft een vriendin die te verlegen is om haar liefde te verklaren aan haar leuke collega. Dus Heldin helpt haar wat assertiever te worden en voor koppelaarster te spelen. Alles gaat goed, tot Heldin zelf verliefd wordt en erachter komt dat ook zij moeite heeft de liefde te verklaren. 

Extra elementen om je verhaal wat meer kleur te geven, zijn dingen als:

  • De vlam van Heldin spreekt een taal die zij niet kent
  • Vriendin is verliefd op iemand die Heldin kent, maar hij laat zich door Heldin verleiden op date te gaan met Vriendin
  • De kat van Heldin wordt ziek, zodat ze moet kiezen tussen zorgen voor haar kat en de morele steun aan Vriendin. 

Lees: ook deze elementen moeten relatief herkenbaar en eenvoudig zijn. Maar ze moeten ook genoeg bieden om je verhaal langere tijd een conflict en/of inhoud mee te geven. 

Denk aan de hartsvriendin

Hartsvriendinnen dienen in feelgoodromans enigszins clichématig een aantal doelen:

  • Ze schieten Heldin te hulp
  • Zie dienen als klankbord voor Heldin
  • Ze roddelen onderling over waar Heldin nu toch weer mee bezig is. 

Leg niet te veel nadruk op deze rollen en schrijf die ook niet letterlijk zo uit, maar gebruik ze als houvast om te kijken of je verhaal nog voldoende drama of conflict heeft. Is er in het verhaal als geheel nog voldoende waar Heldin hulp bij nodig zou kunnen hebben? Oftewel: waar ze nog in kan groeien? Een klankbord geeft aan dat ze niet perfect is en voer voor roddels houdt de spanningsboog op peil. 

Hou het geheel ook hier herkenbaar en relatief eenvoudig voor een goede dramabalans in je feelgoodroman. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

De fantastische feelgood: er is altijd een kat

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de altijd aanwezige kat. 

Geen feelgood zonder kat?

Menig kat prijkt op de voorkant of in de titel van een feelgoodroman. Bijna alsof een boek uit dat genre zonder kat geen bestaansrecht heeft. Het is niet zo gek dat dit huisdier zo vaak opduikt in boeken waarbij een relatief eenvoudig en prettig verhaal vooropstaat. Laten we eens kijken naar een aantal kenmerken of associaties van katten. Het zijn bijna symbolieken die als schrijftechniek worden ingezet. Als je dat weet, is het voor jouw feelgoodverhaal een kwestie van doseren. 
De rode draad van al deze punten is dat een kat geen mens is. Sla niet door in het idee dat een kat jouw menselijke hoofdpersonage begrijpt. Dat blokkeert je verhaal.  

Een kat komt op schoot zitten 

Katten in feelgoodromans zijn van het type dat lekker op de verwarming zit, een lekker zachte vacht heeft en verder zijn lekker luie leventje doorbrengt op de schoot van je hoofdpersonage om veel te knuffelen. Dat maakt hem dus een perfect medepersonage om troost bij te zoeken. En omdat een kat niet kan praten en dus geen oordeel heeft, maakt dat hem ook nog eens een goede luisteraar. 

De kat is daarmee een perfect personage om op een onschuldige en niet-dramatische manier de scherpe kantjes van het leven af te halen. Je hoeft daarbij niet eens de moeite te doen om complete achtergrondverhalen te hoeven verzinnen. Bij een dier zijn die nu eenmaal niet zo diepgaand als van een mens. 
Daar ligt ook de grens: laat je hoofdpersoon niet álle heil bij een kat zoeken. Verhalen zijn interessant om te lezen vanwege de menselijke grillen, de emotionele reis van een ander. Als je protagonist vervolgens geen menselijke tegenpool heeft om de menselijke ervaring bij te spiegelen, wordt het verhaal daar te oppervlakkig van.

Een kat doet zijn eigen ding 

Een kat heeft een schone kattenbak en eten nodig. Verder heb je er relatief weinig omkijken naar: je hoeft er niet dagelijks mee te wandelen. En als een kat geen zin heeft om te knuffelen, gebeurt dat niet. 
Kortom: een kat heeft jou niet vaak nodig en kan helemaal zijn eigen ding doen. Menig non-fictieboek gebruikt de kat als leermeester om te laten zien hoe je je eigen grenzen aan moet geven, je niet zo druk moet maken of je niets van anderen aan te trekken. 
In een feelgood vertaalt dat zich vaak naar: ‘was ik maar als Pluisje…’.
Maar Pluisje heeft nogal een luizenleventje. Geen baan, verantwoordelijkheden, het eten wordt opgediend en het huis schoongemaakt…
Als je te veel schrijft over hoe het zou zijn als kat, of de kat de hoofdpersoon maakt, is de kans groot dat je centrale conflict niet van de grond komt of geen noemenswaardige inhoud krijgt. Hoe ontspannen het ook is om een kat bij je te hebben, het verhaal moet nog wel een conflict hebben. 

De starende kat  

De feelgoodkat krijgt vaak een bepaalde wijsheid toebedeeld: Pluisje heeft álles door. Het hoofdpersonage staart de kat maar lang genoeg aan, omdat die zo’n ‘wijze blik’ heeft. In de bijna meditatieve staat die daarop volgt, volgt een eurekamoment. 
Een eurekamoment in een boek is riskant: het kan lezen als een deus ex machina. Verandering moet gebeuren aan de hand van iets dat je personage doet en aha-momenten moeten te herleiden zijn. Staren in de ogen van een kat is daarvoor te passief. 
Ook schuilt hier een gevaarlijke aanname. Wie zegt dat Pluisje aanmoedigde om bij die partner weg te gaan? In werkelijkheid droomde ze over een lekker visje…

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Tamara Stoffers verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan je helpen: kijk eens in mijn webshop.

De fantastische feelgood: de gevaarlijk gezellige boekhandel

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de gevaarlijk gezellige boekhandel. 

De clichématige gezellige boekhandel 

Talloze feelgoodromans spelen zich af in een knusse boekhandel. De tijd lijkt er stil te staan, de ingewikkelde alledaagse moeilijkheden gaan daar even aan je hoofdpersoon voorbij en er zijn verhalen te vinden. Inspiratie te over dus, zeker als het personeel van de winkel uiteindelijk nog een vriendschap of zelfs een romance met je heldin sluit.  

Maar dit clichébeeld van de boekhandel is helemaal niet zo effectief. Sterker nog, het is een goed voorbeeld van waarom het feelgoodgenre soms de slechte naam van ‘te simpel’ krijgt: er gebeurt niks wezenlijks in het verhaal. Je kan nog zulke mooie sfeeromschrijvingen aan de boekhandel geven en de knappe man achter de toonbank de mooiste en meest inspirerende citaten van de wereld laten opdreunen, als er geen wezenlijk plot in het verhaal is verweven, is zelfs de meest knusse boekhandel maar een triest decor voor een zielloos boek. Daarom is de gezellige boekhandel een gevaarlijk cliché. 

Waarom is ‘knus’ of ‘gezellig’ niet genoeg voor een boek?

De meeste lezers kiezen een feelgoodboek uit juist omdat ze weten wat ze kunnen verwachten; namelijk een positief boek met een happy ending. Je hoeft niet allerlei ingewikkelde alibi’s te onthouden, zoals bij een thriller, en de thema’s zijn eenvoudig genoeg om het verhaal te dragen. Ze hebben inhoud, maar verwachten niet van de lezer dat die na het boek te lezen een weloverwogen nieuwe mening vormt. 

Maar daardoor ontstaat een hardnekkig misverstand: niet veel hoeven nadenken staat gelijk aan weinig tot geen inhoud of beweging in het plot. 
En dat is waar de gezellige, knusse boekhandel als cliché zijn bestaansrecht aan ontleent. Als het maar knus is, hoef je zogenaamd niet na te denken. Gezelligheid is alles wat een boek nodig heeft om lekker in weg te duiken. Maar niets is minder waar: ieder verhaal heeft beweging en een wezenlijke invulling van een plot nodig. 

In het hoofd van de boekwinkelbezoeker

De hoofdpersonen in verhalen over gezellige boekwinkels zijn vaak introvert. Het verhaal heeft de boekenzaak als decor, maar het eigenlijke verhaal speelt zich vaak af in het hoofd van de protagonist. Je leest over wat die denkt, waar die van droomt, of waar die over piekert. In zekere mate is dat een prima manier om een personage te leren kennen. Maar als het boek voornamelijk gaat over wat een personage denkt, kan het echte verhaal niet op gang komen. 

Denk aan een bal. Je kan met de nodige aankleding best wat tekst vullen met wat iemand over die bal denkt en wat het daarmee kan of wil doen. Maar uiteindelijk zal die bal toch een keer moeten worden opgepakt om het buurmeisje mee te verrassen en zo een nieuwe vriendschap te sluiten. Dan heb je het verhaal van de vriendschap om verder over te schrijven. Als de bal eindeloos blijft liggen, komt er niets op gang en heb je geen echt verhaal. Daar is vroeg of laat een externe factor of een concrete actie voor nodig. 
De cliché boekenwinkel is daarom erg gevoelig voor een stilstaand verhaal. Als je protagonist er komt om niet gestoord te worden, dingen te overpeinzen en te fantaseren, dan mist die concrete actie en is hoofdstuk 1 vrijwel inwisselbaar voor hoofdstuk 4, 6 of 9. 

Hoe goed een feelgood de lezer ook moet laten voelen, onthoud: een goed gevoel is niet voldoende voor een boek. Daar heb je nog altijd ook nog een goed verhaal voor nodig. 

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door John Michael Thomson via Unsplash.

De sterke scène: zo beledig je je eigen scène

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Van fouten leer je, dus gaan we kijken wat een scène vooral niet moet doen. In een woord samengevat: beledigen. Deze week kijken we naar hoe je je eigen scène teniet kan doen.     

Te veel nadruk op één scène

Soms maak je beginnersfouten met schrijven, ook als je meer ervaring hebt. Zo ook bij het schrijven van scènes. Dan laat je je bijvoorbeeld net iets te veel meeslepen door een scène die later in het boek komt en wordt een scène daarvóór slechter van kwaliteit.  
Wat je dan vergeet, is dat scènes onderdeel zijn van het boek als geheel. De ene scène volgt op de andere en sámen vertellen ze het verhaal dat je schrijft. Als je te graag wil dat één bepaalde scène eruitspringt, dan is de kans groot dat je continuïteitsfouten maakt of dat er andere storende dingen in je boek komen te staan. 

Schrijf niet te veel naar één scène toe

Een boek wisselt van tempo. Er zijn momenten die rustig voortkabbelen en er zijn knetterende ruzies, spectaculaire actiescènes of onthullingen. De valkuil bij deze scènes is dat je die te afzonderlijk van andere scènes schrijft. 

Als je schrijft over ontrouw, zie je de scène al helemaal voor je waarin de bedrieger wordt betrapt: schreeuwen, rake beledigingen, rondvliegende vazen, noem maar op. 
“Ik had je nooit moeten vertellen dat ik naar mijn moeder ging!” 
Maar in je enthousiasme over dat aankomende spektakel vergeet je dat je dat nooit geschreven hebt, of dat Moeder net die week met vakantie was. 
Dat enthousiasme kan zich beperken tot een onschuldig continuïteitsfoutje, maar het kan ook zomaar gebeuren dat je aan de tekentafel je personages te oppervlakkig ontwerpt. Ze hebben geen rol die hen laat groeien, maar ze zijn er enkel en alleen om in die ene scène helemaal te flippen, of de wereld te redden. 

Missende samenhang 

Als je op deze manier te veel in de ban raakt van één scène, vergeet je dat alles in een goedlopend verhaal een zekere samenhang moet hebben. Denk aan de regel van oorzaak en gevolg, maar ook aan het feit dat een held wordt beïnvloed door de wereld en de andere personages om zich heen. Zonder die basisprincipes krijg je ongeloofwaardige situaties. 
Als je het hele verhaal lang schrijft hoe je held bang is om een geweer te hanteren en dat zelfs het centrale conflict vormt, is het wel erg raar als die dan op het moment suprême zomaar de slechterik neerschiet. 
Als je in de voorgaande scènes opbouw, overwegingen en thematiek links hebt laten liggen, kan één scène dat niet in een keer goedmaken. 
Dat lijkt een open deur, maar vergis je niet: je werkt sneller naar een onthulling toe dan je denkt. Voor je het weet, is het al zover. Of het andere uiterste waar is: je wordt zo ongeduldig om naar die scène toe te werken dat je het verdere verháál en alle opbouw die daarbij komt kijken, uit het oog verliest. 

Te veel nadruk op één scène voorkomen

Scènes die een kantelpunt in het verhaal markeren, zijn de grootste aanjagers van dit soort nadruk. Gelukkig is het meestal vrij duidelijk welke scènes dit zijn. Voordat je aan zo’n scène begint, kan je het volgende nagaan:

  • Houd ik me aan de regels van mijn worldbuilding?
  • Sluit het moment suprême aan bij de heldenreis en het karakter van mijn held?
  • Waar leefde deze scène in de niet-oppervlakkige zin van het woord naartoe? Welk thema staat centraal of moet daar worden uitgewerkt?

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Andre Hunter verkregen via Unsplash.

De sterke scène: een boodschap in meerdere scènes opdelen

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je hoe je een bepaalde boodschap over meerdere scènes verdeelt.  

Wanneer maakt iets indruk? 

“Dit personage kan vliegen.”  “O nee, dat personage is doodziek!”
Wat je ook schrijft in een boek, het maakt pas indruk op de lezer als die weet waarom dat indruk moet maken. Als je schrijft over een volgelvolkje, is vliegen niet zo bijzonder. En een lezer gaat niet wakker liggen van een ziek personage als die nauwelijks in het verhaal voorkomt, of als de lezer weinig van dat personage afweet. 

Op zo’n zelfde manier is alles wat er in het plot van je verhaal gebeurt pas interessant als zich dat ontwikkelt. Om superkrachten interessant te laten lijken, moet de lezer zien hoe je personage die vergaart. En een verliefd stel is ook pas interessant als je de liefde op ziet bloeien. Als het koppel al verliefd is, valt er nog maar weinig te winnen. Als je wil dat een verhaalelement indruk maakt op de lezer, moet zich dat in de loop van verschillende hoofdstukken of scènes ontwikkelen. 

Wat wil je spannend maken? 

In een verhaal wil het hoofdpersonage altijd iets bereiken en dat gebeurt vanwege de spanningsboog altijd stapsgewijs. Dat betekent dus ook dat je dat spannende moet opdelen in de loop van diverse scènes. Bepaal daar eerst voor wat er spannend aan is. Of beter gezegd: waarom het spannend zou moeten zijn. Als voorbeeld nemen we: waarom zou het spannend moeten zijn dat jouw hoofdpersonage kan vliegen? Dan krijg je mogelijke antwoorden als:

•    Dan wordt het makkelijker om een gevangengenomen geliefde te bevrijden
•    Dan kan het personage sneller én spectaculair de ruimte verlaten als het gesprek hem niet zint

Lees tussen de regels door en je ziet hier een belangrijk deel van het plot in staan, zoals een aankomende ontvoering. Maar je kan er ook een groeiproces van de held in zien. Wegvliegen als je iets niet leuk vindt? Dan moet de held misschien leren om met kritiek of lastige emoties om te gaan. Schrijf eerst eens op wat het grotere, spannende plaatje is dat indruk moet maken, waarom juist dat element spannend is en hoe je dat grofweg voor elkaar wil krijgen. 

Spanning en indruk maken combineren

Zodra je hebt opgeschreven wat er in je verhaal indruk moet maken en hoe dat het spannende deel van het verhaal moet worden, kan je dat gaan combineren. 

De vaardigheid om te kunnen vliegen, moet indruk maken, omdat je held daar ontvoerde mensen mee kan redden. Maar de hoogmoed die daar bij komt kijken, ontwikkelt zich stapsgewijs in de loop van de scènes. Knip in stukjes hoe je die hoogmoed steeds in een andere scène zichtbaar kan maken. Bijvoorbeeld:

1)    Je hoofdpersonage is bang dat mensen hem zullen verstoten
2)    Hij redt iemand en hij wordt geprezen
3)    Je hoofdpersoon verricht steeds meer heldendaden
4)    De roem stijgt naar het hoofd van je hoofdpersonage 
5)    Mensen gaan hem dáárom verstoten
6)    Je hoofdpersonage leert nederig te zijn

Dit zijn thema’s of elementen in het groeiproces van een personage die je door het verhaal heen kan verspreiden. Meestal zie je wel op welke plaats in het verhaal iedere stap moet komen om aan te sluiten bij het algemene plotverloop. 

Voor een nog beter resultaat kijk je of je in de respectievelijke scènes ook nog iets anders kan gebeuren dat thematisch in dezelfde categorie valt. 
Denk daarbij aan een personage dat wordt ontslagen door onterecht te beweren dat het beter is dan iedereen in het bedrijf, op hetzelfde moment dat je vliegende superheld door hoogmoed niet oplet en zich zwaar verwondt. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Rey Seven verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Schakel mij dan in voor manuscriptredactie.

De sterke scène: zo gaat het mis

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Van fouten leer je, dus gaan we kijken wat een scène vooral niet moet doen. In een woord samengevat: beledigen. Deze week kijken we naar hoe je de lezer in het harnas kan jagen.    

Hoe kan je een boek beledigen? 

Een boek of een verhaal is geen levend wezen, dus in de gebruikelijke definitie kan je het niet beledigen. Maar een verhaal is wel met een reden geschreven. Of dat nu is om te informeren, te vermaken, het is er niet zomaar. En ook degene die het verhaal leest, is niet zomaar iemand: je kiest een doelgroep voor je boek uit. Zodra je de lezer niet serieus neemt, zal die zich beledigd voelen en je boek wegleggen.  

Zo beledig je de lezer

Of het doel van de lezer nu is om vermaakt of geïnformeerd te worden, de lezer besteedt kostbare tijd aan het lezen van je boek. Ongeacht of je lezer met het verstand op nul een heerlijk zwijmelverhaal wil lezen of zich juist wil verdiepen in een van de grotere levensvragen met een literair werk, een lezer moet zich tijdens en na het lezen beloond voelen. 

De beloning kan zijn dat het de lezer is gelukt om zichzelf intellectueel uit te dagen, maar ook door ‘tijd voor mezelf’ eindelijk serieus te nemen en inderdáád een halfuurtje te lezen zonder afleiding of verplichtingen. Je beledigt de lezer op het moment dat je dat gevoel van belonen omzet in een gevoel van straf. En dat straffen kan je op twee manieren doen. 

Een grote tijdverspilling 

Als je de lezer wil beledigen door het boek als een grote tijdsverspilling te laten voelen, schrijf met een vreselijke schrijfstijl, zoals:

  • Eindeloze koetjes en kalfjes die nergens toe leiden
  • Een stuk tekst dat 1000 woorden heeft, en in 100 woorden geschreven had kunnen worden
  • Met een taalgebruik dat ‘elitair’ overkomt. Het soort schrijfstijl met vijf komma’s in één zin met minstens zes woorden waarvoor een gemiddeld persoon een woordenboek erbij moet pakken. 

Dat mag natuurlijk, maar als je dat alleen maar doet om te zeggen: ‘kijk mij eens uiterst geraffineerd, en eloquent schrijven’, is dat alleen maar irritant. Zekér als taalgebruik ook nog voor zorgt dat je lezer de rode draad van het verhaal niet eens begrijpt. 

Alles precies voorschotelen

Het tegenovergestelde van elitair schrijven jaagt een lezer ook in het harnas. Als je de lezer wil beledigen, behandel je die alsof die maar drie werkende hersencellen heeft. Vertaald naar schrijftechnieken betekent dat:

  • leg de meest logische dingen eindeloos uit: overdrijf met tell, schrijf een ‘weet-je nog’-achtige zin als je ergens op terugblikt. 
  • Vergeet ook niet de volwassen lezer uit te leggen hoe die zich moet voelen. ‘Natuurlijk voelde Leentje zich heel verdrietig toen oma stierf, want het is verdrietig als er iemand doodgaat.’ Dit wordt nog erger als je sturende woorden als ‘natuurlijk’ ‘uiteraard’ gebruikt. Wees gewaarschuwd: dat doe je sneller dan je misschien denkt. Het ligt er vaak niet zo duimendik bovenop als in dit voorbeeld. 
  • Behandel je verhaalthema niet als iets waar je lezer zelf een filosofie uit kan halen, of als een verkenning van verschillende perspectieven. Bepaal wat je lezer er van moet vinden en hang de moraalridder uit. Dus niet: is de schuld van een scheiding nog steeds volledig de schuld van degene die is vreemdgegaan als de ander al jaren emotioneel en romantisch in de steek gelaten is door de ander? Nee, jij stelt gewoon: iedereen die vreemdgaat is een zielig figuur. 

Daarmee respecteer je niet dat de lezer een vrije wil heeft en zelf na kan denken en conclusies kan trekken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Richard Dykes verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk in mijn webshop voor mijn redactiediensten.

De sterke scène: de goede scèneovergang

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we hoe je vlot van de ene scène naar de andere schrijft.  

Een scène geeft een reset

Een scène heeft een heel duidelijk begin, midden en een eind en een eigen boodschap. Dat betekent dus dat de scène die volgt, ook opnieuw moet beginnen met iets anders. Later lees je daar meer over. Je kan een nieuwe scène dus als een reset beschouwen. Dat zorgt er niet alleen voor dat je huidige scène een goede afronding krijgt, het geeft de volgende ook een fijne start. 

Het conflict bepalen

Iedere scène heeft een conflict nodig om de spanningsboog te behouden. De lengte van de scène en het conflict gaan daarbij hand in hand. Als je een scène hebt van meerdere pagina’s, kun je de plotopbouw redelijk uitgebreid omschrijven. Dat lukt niet met een scène van enkele zinnen; daarbij moet het conflict vrijwel onmiddellijk duidelijk worden. 

Vaak weet je wat het conflict is voor je precies weet wat je in een scène wil verwerken. Doe daar je voordeel mee en zorg ervoor dat het conflict en de lengte van een scène op elkaar zijn afgestemd. Weet hoeveel woorden  je nodig hebt om het conflict goed tot zijn recht te laten komen. 

Humeur, toon en vaart

Je start een nieuwe scène en hebt het conflict bepaald. Kijk nu wat jouw nieuwe scène nodig heeft om zich van de vorige scène te onderscheiden. Daarvoor kijk je naar het humeur van de held, de toon van de scène en het algemene verteltempo. Wat past er bij het conflict dat je zonet hebt bepaald? 
Als de vorige scène langzaam eindigde met een geschokte held, omdat die hoorde dat een familielid was opgelicht, kan het tempo van de tekst in de volgende een stuk omhoog, omdat de held door woede wordt gedreven. 

Als je scènes op deze manier duidelijk van elkaar kan onderscheiden, heeft dat nog een voordeel. Je loopt minder risico dat de spanning uit het algehele plot verdwijnt als je regelmatig kan wisselen van emotionele toon en vaart. Maar overdrijf niet, anders kan je verhaal onstabiel aan gaan voelen. 

De beleving van de held 

Als de scène flink verandert, gaat de held daar iets van opmerken en van vinden. De ene keer is dat subtiel, de andere keer is het overduidelijk. Maar je volgende scène start sterk als je de beleving van de held over de nieuwe situatie in de beschrijving van de nieuwe scène mee kan nemen. 

In het voorbeeld van het familielid dat is opgelicht, voelt dat als een conflict voor de held. Dat is een emotie, in dit geval woede of verontwaardiging. Als je daar nog een actie aan koppelt, kan je dat combineren met een mogelijke uitkomst van het conflict. Of,  anders gezegd: de actie die aanzet tot het verdere conflictverloop. Schrijf dus hoe je held kwaad achter de computer gaat zitten om een wraakplan uit te schrijven. Dan combineer je een actie met een emotie waar de rest van de scène verder op in kan gaan. 

Waar en wanneer voor de stevigste basis

Om deze eerste zin(nen) van een nieuwe scène nog levendiger te maken, schrijf je ook nog waar en wanneer die eerste actie plaatsvindt. Het geeft ongeveer hetzelfde effect als de welbekende ‘Er was eens, lang geleden in een land hier ver vandaan…’ bij sprookjes. Je weet meteen over het wie, wat en waar, zodat het verhaal meteen sterk kan beginnen. Vergeet dus ook in de nieuwe scène de waar en wanneer uit te schrijven voor een nog betere start. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Aleksandr Barsukov verkregen via Unsplash.

De sterke scène: oefenen met perspectieven

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we naar hoe je het meest uit de scène haalt door met perspectieven te oefenen. 

Het perspectief van personages 

In een boek kan je vanuit meerdere perspectieven schrijven. Daarmee kan je het verhaal laten voortduren en verschillende kanten van het verhaal belichten. Voor een losse scène is wisselen van perspectief in het boek minder geschikt. Maar je kan eenzelfde scène wel twee keer opschrijven, iedere keer vanuit een ander perspectief. Het is een handige manier om je verhaal beter te leren kennen en een scène spannender te maken. Oók als je het verhaal vanuit één perspectief schrijft. 

Wanneer kan je deze oefening gebruiken?

Als je het gevoel hebt dat je plot stokt of als er veel op het spel staat, is het slim om vanuit het gezichtspunt van een personage naar het verhaal te kijken. Jij wil als schrijver dat het verhaal mooi leest, maar daar zijn personages niet mee bezig. Die willen hun droom verwezenlijken of hun grootste angst overwinnen. Dit verschil in prioriteiten zorgt voor andere uitwerkingen van de tekst. 

Meerdere personages aan het roer

Personages kijken met een unieke blik naar de wereld. En omdat ze ook ieder een eigen heldenreis hebben, willen ze bijna nooit hetzelfde bereiken als een ander personage. Zelfs als het een Romeo en Julia betreft. Ze willen wel met elkaar eindigen, maar beide zijn op een andere manier opgevoed, of vinden de ene waarde net iets belangrijker dan ander, waardoor ze andere beslissen maken. 

Geen goede scène zonder ruzie. Een narratieve ruzie, welteverstaan. Er hoeven heus geen vazen te sneuvelen, maar een scène zonder enige wrijving zal je bij het reviseren vaak naar de prullenbak verwijzen. Dat gegeven en het feit dat je als schrijver ook iets anders wil dan personages, kan je gebruiken om een middelmatige scène stukken interessanter te maken. 

Voorbeeld: eten bij de schoonouders

Het is een belangrijke dag voor onze Romeo: hij gaat voor het eerst bij zijn schoonouders eten. Hij heeft ze al kort ontmoet en de eerste kennismaking verliep prima. Hij hoeft dus niet op eieren te lopen, maar een hele avond met de schoonfamilie doorbrengen vindt hij toch nog spannend. Julia daarentegen is letterlijk en figuurlijk thuis bij haar ouders. Ze weet dat Romeo door de eerdere, fijne ontmoeting niet door haar ouders zal worden afgeschoten, dus zij kan gevoelsmatig achteroverleunen. 
Jij als schrijver wil in deze scène vooral spanning scheppen. Dan lijkt het perspectief van Romeo voldoende, maar omdat Julia zo op haar gemak is, komt dat weer in een bepaald evenwicht. Jouw meer algemene perspectief helpt je dus niet veel verder. En daarom schrijf je in je opschrijfboekje de scènes uit van zowel Romeo als Julia. 
De spanning van Romeo spreekt voor zich. Maar Julia heeft ook iets spannends, zo blijkt. Julia heeft met Romeo over haar toekomstige studieplannen gesproken. Haar ouders weten daar nog niets van en dat wil ze zo houden. Maar dat heeft ze Romeo niet verteld. 

(Wil je achter dit soort ‘geheimen’ komen, bestudeer de personagebiografie van je helden dan nog eens. Daar staat tussen de regels door vaak veel bruikbaars in.) 

Met deze perspectieven kan de scène op meerdere manieren worden ingevuld. Bijvoorbeeld: 

  • Romeo wil om zijn zenuwen te verbergen het enthousiast hebben over de studie van Julia. Het wordt ongemakkelijk als Julia Romeo plotseling afkapt. 
  • Julia wil Romeo vóór zijn in de mogelijke blunder en is daardoor continu aan het woord. Dat is niet bepaald handig als Romeo zijn goede indruk wil verankeren…

Speel met perspectieven en je leert meer dan je denkt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door by Paul Skorupskas verkregen via Unsplash.

Wil je hulp bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

De belangrijkste verschillen tussen een scène en een hoofdstuk

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week leer je over enkele belangrijke verschillen tussen scènes en een hoofdstuk.  

Een hoofdstuk strak samenvatten is lastig

Als er een belangrijk verschil is tussen een scène en een hoofdstuk, is het dat een scène veel strakker is in opbouw dan een hoofdstuk. Een scène is een verhaal in het klein. Je kan een hoofdstuk ook samenvatten als een kort verhaal. Maar waar je bij een scène nog kan zeggen: dit is het ene punt waar het om draait, is dat bij een hoofdstuk lastiger, zonder de diepgaandere nuances van een of meerdere scènes te verliezen. 

Een hoofdstuk dat uit meerdere scènes bestaat, zal je dus eerder samenvatten als ‘en toen, en toen’ of ‘maar in dit hoofdstuk lees je ook dat…’ Een scène kan je veel krachtiger samenvatten, omdat die op zichzelf een krachtige boodschap uit moet dragen

Een hoofdstuk geeft meer creatieve vrijheid

Er zijn hoofdstukken die eindeloos voortduren en soms zijn ze enkele zinnen lang. Ook komen in sommige hoofdstukken meerdere personages aan het woord. Soms moet een hoofdstuk vooral spanning creëren, andere keren moet het een nieuw verhaalelement introduceren. 

Anders gezegd: een hoofdstuk houdt zich niet per definitie aan een schema of een vast doel. Daardoor geeft een hoofdstuk je veel meer creatieve vrijheid dan een scène. Want die moeten aan bepaalde voorwaarden of structuren voldoen, willen ze niet rommelig worden.  

Restricties van een hoofdstuk: de drieactenstructuur

Je kan opmerken dat er meerdere afzonderlijke elementen of scènes in een hoofdstuk zitten die zes hoofdstukken verderop minstens net zo goed in het verhaal passen. Zo kan het een gevecht in hoofdstuk 5 plaatsvinden, maar met enkele aanpassingen misschien ook minstens net zo goed in hoofdstuk 14. Dat is niet erg. Je kan een hoofdstuk dan nog altijd aanpassen, opsplitsen of verschuiven.

Tel daarbij op dat hoofdstukken zo van opzet, lengte en inhoud kunnen verschillen en het lijkt alsof je er eindeloos mee kan spelen. Maar dat is niet zo. Om te controleren of een hoofdstuk wel een of de juiste plaats heeft in je boek, kan je de drie-actenstructuur gebruiken. Daarin lees je de opbouw van een goed vormgegeven boek. Hoe kort, lang, abstract of concreet je hoofdstuk ook is, je moet het zonder al te veel moeite een plek kunnen geven in dit schema en ook kunnen aangeven waarom het juist daar past.

Bijvoorbeeld:

  • Dit hoofdstuk past in de tweede clue, omdat hierin opnieuw een obstakel wordt overwonnen. 
  • Dit hoofdstuk gaat over een obstakel, en de lezer heeft nog maar net kennisgemaakt met de held. Dus dit past in het eerste of het tweede obstakel

Het is niet zo dat een hoofdstuk een-op-een samenvalt met een van deze punten uit het schema, de zogenoemde beats. Een beat kan ook uit meerdere hoofdstukken bestaan. Maar een hoofdstuk omvat zelden meerdere beats. Daarom kan je beats gebruiken om te controleren of je hoofdstuk niet te lang doorgaat. Als het tempo of de toon van het verhaal verandert, geeft dat vaak een nieuwe beat aan. Het is dan meestal ook een mooi moment om een hoofdstuk af te sluiten. 

De enige uitzondering hierop zijn de wrap-up en het einde. Die vormen samen vaak de laatste alinea’s van het boek en zijn een heel mooi setje voor het laatste hoofdstuk. Het vierde obstakel past daar vaak ook nog goed bij. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Foto door Ryan Graybill on Unsplash