Schrijfoefening: de ouderwetse proeflezer

Met onze moderne voorzieningen is het mogelijk om continu mensen te bellen en te schrijven. Als je dus met iemand over je boek wil sparren, kan dat in een oogwenk. Maar met deze schrijfoefening gaan we terug in de tijd. Zodat je goed na moet denken wat je opschrijft om je sparringspartner over je boek te informeren. Hopelijk helpt deze oefening een balans te vinden tussen laten rusten en doorschrijven, sparren en op je eigen werk vertrouwen en de kern van je schrijfsels voor jezelf of anderen te vangen.

Schrijven in de jaren dertig

We schrijven in de jaren dertig. Er wordt twee keer per dag post bezorgd. In theorie kan je je sparpartner dus aan het begin van de dag een nieuw hoofdstuk opsturen en later een P.S. meesturen.

Maar je moet wel bedenken:
– Je moest alles schrijven: de luxe van een typmachine had je niet. Samen met het posten kost dat flink wat tijd.
– Postzegels kosten geld en dat kan gaan optellen.
– En gewoon om onze schrijfoefening intessanter te maken, wordt de postbode nieuwsgieriger dan je lief is als je iedere paar dagen een envelop verstuurd die zo zwaar is dat er een figuurlijke roman in kan zitten. Dat dat letterlijk is, hoeft de postbode nog niet te weten. 😉

Kort en bondig sparren

Jij en je sparringspartner, die we Neeltje noemen, ontmoeten elkaar eens per maand om echt over het boek bij te praten. Je hoeft dus niet alles van je nieuw geschreven deel uit te werken of uit te leggen. Van de grote lijnen is Neeltje op de hoogte.

Maar je wil wel eens in de zoveel tijd weten of alles nog loopt en interessant is. En omdat je alles met een pen uit moet schrijven, bedenk je je wel twee keer voordat je een vraag stelt of een hoofdstuk scène uitschrijft. Wat wil je nu écht aan Neeltje vragen of laten lezen en wat kan wel wachten tot de volgende maand? Tegelijkertijd heb je de ‘luxe’ dat je je eens per dag kan bedenken, omdat de post tweemaal daags wordt bezorgd. Je mag dus fouten maken. Maar tegelijkertijd ga je niet op de letterlijke komma’s letten. Dat komt wel als je bij de laatste versie van je boek bent aanbeland.

Het is belangrijk om te onthouden dat een gemiddelde proeflezer schrijftechnieken en regels kent. Een hoofdstuk is daar een mooi voorbeeld van. Een hoofdstuk is (in vergelijking met een scène) lastig samen te vatten en ook best losjes. Scènes hebben veel meer regels en structuur. Maar een poeflezer zal zowel een scène als een hoofdstuk in een enkele zin kunnen samenvatten: hier raakt Tommy verdwaald.
Maar wat het verhaal daarmee wil zeggen, wat betreft de spanningsboog, Tommy’s karakter, daar denken ze niet over na, tenzij je er uitleg over geeft of er heel specifiek naar vraagt.

Met deze zaken in het achterhoofd: hoe haal je het meest uit jouw boek met de hulp van Neeltje? Hier volgen enkele handvaten.

Hoofdstukken en scènes

Voor een leek zijn hoofdstukken en scènes ongeveer hetzelfde: er gebeurt iets wat je moet onthouden, zodat het verhaal verder kan.
– Als ik [deze] zinnen verander of weglaat, gaat het hoofdstuk volgens jou dan nog over hetzelfde?
– Ik wil het woordenaaantal inkorten. Kunnen [deze] zinnen weg, of toch liever [deze]?
– Ik wil dat de lezer aanvoelt dat [deze] zinnen de kern van de scène vormen. Komt dat ook zo over?

Houd omwille van de nieuwsgierige postbode de regel aan dat je samenvatting per vraag niet meer dan vier zinnen bevat.

Personage en personagegroei

– Vind je het passend bij zijn karakter dat Peter hier/ nu al boos naar zijn baas stapt?
– Zoals je weet is Margot de heldin. Zie je haar nog steeds in die rol na dit hoofdstuk?
– Snap je waarom Ibrahim op dit moment van het verhaal om hulp vraagt?

Dialogen

– Snap je waarom de personages ruzie maken of wat ze willen bereiken met wat ze bespreken? Sta je aan een bepaalde kant?
– Duurt het gesprek niet te lang?
– Wat zou dit gesprek mog meer duidelijk moeten maken?

Spanningsboog

– [Deze zinnen] moeten je op het van je stoel laten zitten. Lukt dat?
– Haal je uit [deze zinnen] dat dit een keerpunt/ moment supême is?
– In [deze zinnen] gooit Felix het roer om. Is het duidelijk genoeg dat hij hier een aha-moment heeft?
– [ Deze zinnen] zijn bedoeld als adempauze. Krijg je die ook? Heb je die op dit moment ook nodig?

Plotverloop

– [deze zinnen] vormen een keerpunt in het plot. Zie je dat?
– Heb je nog iets om nieuwsgierig naar te zijn? Dat probeer ik met [deze zinnen] te bereiken

Plottwists

– [deze zinnen] zijn belangrijk. Kan je me vertellen waarom?
– voegen deze onthullingen iets toe aan het verhaal voor je?
– [ deze zinnen] zijn een hint. Kun je raden waarnaar
– Heb je een idee waarom Peter zich in [ deze zinnen] plotseling anders gaat gedragen?

Tenzij Neeltje zelf wat meer belezen is en van schrijftechnieken weet, zijn dit de onderwerpen wahaar kan bevragen. Anders wordt het te technisch. Maar nog afgezien daarvan: probeer met een proeflezer of bij het reviseren ook niet meer van jezelf te vragen dan de vragen die je Neeltje schrijft.
Weet je nog, je moet ze met een pen voor Neeltje opschrijven. Denk dus goed over je vragen na. En dan ga je eens per maand uitgebreid (al dan niet met een proeflezer) wat je tot nu toe hebt geschreven.
Dan waak je er ook voor dat het reviseren te snel gaat: je moet ook zeker weten dat je het boek schrijft dat je voor ogen hebt, en het niet klakkeloos aanpast naar de wil van een enkele proeflezer. Of binnen een maand een boek hebt geschreven: alleen Neeltje mag nieuwsgierig zijn, niet de postbode.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan de rol van Neeltje overndemen, maar dan uitgebreider op professioneel niveau. 🙂 Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Aksel Fristrup verkregen via Unsplash.

Plaats een reactie