Schrijfoefening voor levendige personages: “Wat doe je voor werk?”

Tegenwoordig sommige banen alleen nog maar uit lettertjes te bestaan. CEO, CFO, COO. Heb jij ook wel eens de neiging aan zo’n medewerker van het korte alfabet te vragen: ja, maar wat dóe je dan? Ik wel. En dat gaf inspiratie voor een schrijfoefening die kan helpen je personages actiever en levendiger te maken in je boek.

Wat doe je voor werk?

“Ik ben baliemedewerker.” Dus je wijst mensen de weg en neemt de telefoon aan.
“Ik ben manager.” Dus je stroomlijnt het werk van anderen.
“Ik ben boekhouder.” Dus je berekent inkomsten en uitgaven en schrijft die netjes op voor de belastingdienst.

Er zijn van die banen die we zo vanzelfsprekend vinden of gebruiken, dat we er helemaal niet meer bij stilstaan wat de actie is die bij dat woord hoort. Dat geldt ook voor veel ‘losse woorden’. Ten behoeve van de schrijfoefening houden we het hier bij voorbeelden die je personage kunnen betreffen.

  • Het is extrovert: praat het dan hard, heeft het dan veel vrienden?
  • Het is het archetype held: is het dan ook iemand die zichzelf als de hoofdpersoon van de wereld ziet? Is diegene uitzonderlijk sterk?
  • Het is angstig aangelegd: is het uitzonderlijk bang voor beestjes? Is er sprake van pleinvrees?
  • Het is lief: praat het met een zachte stem? Is het behulpzaam? Houdt het van pluizige dingen?

Schrijf de vijf belangrijke woorden op die jouw personage kenmerken. Dat mag overal betrekking op hebben. Hun karakter, geschiedenis, of de (symbolische) rol in het verhaal. Schrijf vervolgens op wat je daaronder verstaat.

Maar wat dóe je dan?

Weer even terug naar de COO’s en andere medewerkers van het korte alfabet. Ze hebben bepaalde taken in het bedrijf. Maar hoe zie je die taken weerspiegelt in de dagelijkse gang van zaken? Liever: merk je van dag tot dag iets van hun werk? Hoe dan?

Het werk van een baliemedewerker is concreet en zichtbaar. Letterlijk: die moet het gezicht zijn dat je ziet als je het gebouw binnenkomt. Maar een CEO CFO wordt toch algauw gezien als degene die ‘maar wat vergadert en dingen beslist’ en daar (te) veel voor betaald krijgt. Jazeker, vergaderen is een taak, maar de effecten van dag tot dag zijn niet zo zichtbaar. Toch heel wat anders dan het werk van de tuinman. Het gras is aan het einde van de dag mooi kort en er staan ineens twee nieuwe boompjes in de tuin.

Neem de vijf belangrijkste woorden van je personage en je bevindingen daarvan er weer bij. Onderwerp die bevindingen nu eens aan de test van de zichtbaarheid van de dagelijkse gang van zaken. Dat is in dit geval: hoe zie je dat terug in de rode draad van het verhaal, dus echt op grote schaal? Deze oefening is niet bedoeld ter inspiratie voor show don’t tell op zinsniveau. Eerder op verhaalniveau. Je gebruikt het om duidelijk te krijgen wat voor iemand je personage is en wat die in de grote lijnen doet of niet doet. Ongeacht of het aan het begin of het einde van het verhaal is. Tijdens een goed moment, of juist wanneer het in de penarie zit.

Schrijf dus geen dingen op alst: mijn extroverte personage praat graag. Maar liever iets als: mijn extroverte personage neemt graag het intiatief en/of het voortouw in het gesprek. Daardoor is die heel aanwezig en moeilijk te passeren voor anderen. De ene keer in het verhaal is dat onschuldig in het moment, een andere keer kan het een serieus obstakel vormen.

Schrijf hier zoveel mogelijk (samenhang) op. Een woordenweb is hiervoor ook handig, als het lukt om dat een te vullen. Een voorwaarde hiervoor is wel dat de woorden die zich in het woordenweb bevinden, concreet vertaald kunnen worden naar iets zichtbaars in wat het personage doet of laat in de grote lijnen van het verhaal.

Herhaal en kijk wat er gebeurt

Als je dit proces voor alle vijf woorden doet, zou je een bijna toevallige samenhang moeten zien. Dit ‘extroverte’ personage is ook ‘rijk’ en daarom is het zo snel ‘tevreden’ en klaagt het zelden tot nooit. Bij ‘rijk’ dacht aan jij een rijke vriendenkring. Lees: je personage nodigt iedereen uit voor ieder feestje. Die levenshouding was niet bij je personage weg te denken. En verhip, dat heeft als gevolg dat het allemaal weer uitkomt bij een hoofdplot waarin een groep trouwe vrienden een lange reis gaat maken, waarin jouw hoofdpersoon heel tevreden, zonder klagen het regelen voor zich neemt.

Je kan dit ook doen voor andere personages. Zo controleer je of zij passen bij het subplot. Wat dat betreft kan je deze oefening een op een oefening voor subpersonage en subplot. Dan kan je kijken of die op elkaar aansluiten, maar ook of dat nog past bij het hoofdplot. Een ander bijkomend voordeel: het is een uitstekende controle om te zien of je figurant niet is uitgegroeid tot degene met de op een na belangrijke rol: dan blijkt het opeens een darling te zijn.

Gebruik de oefening met mate

Deze oefening kan heel handig zijn om meer inspiratie op te doen, je personages verder te leren kennen of de wat legere elementen in je plot wat aan te vullen. Maar wees je er wel bewust van dat het kan leiden tot te veel van het goede. Je personage kan er hyperrealistisch van worden of je kan te veel verhaallijnen tegenkomen om in één boek te verwerken.

Deze oefening is nuttig als je een hoop losse kenmerken van je personage hebt, maar nog niet weet hoe zich dat concreet kan vertalen naar een verhaal dat langer is dan drie bladzijdes. Doe hem ook alleen voor de personages die belangrijk genoeg zijn om een personagebiografie aan te wijden. Je kan de oefening ook gebruiken om een bestaande biografie wat meer aan te vullen als dat nodig is. Maar doe dat niet omwille van het uitbereiden zelf. Je personagebiografie en kennis van je personage kan ook te uitgebreid zijn en je gaan tegenwerken.

Foto door Maccy verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Schrijfoefening bij een writersblock: móet dat nou?

Een writersblock is helaas een bekend verschijnsel voor veel schrijvers. Het kan verschillende oorzaken hebben. Daarom is er ook geen zaligmakende remedie voor. Maar als je vastloopt omdat je iets in je verhaal wil schrijven dat in het verhaal hóórt, maar je het niet op papier krijgt, kan deze schrijfoefening je helpen.

Wat wil je zelf in je verhaal terugzien?

Ga eerst eens na waarom je begonnen bent met het schrijven van dit verhaal. Je wil er vast en zeker iets mee zeggen. Je vindt bepaalde tropes interessant of je wil een familiegeschiedenis delen. Schrijf alle redenen die je hebt eerst op, het komt later in de oefening terug. Kijk zowel naar wat je voor het boek zelf wil – ik wil graag dat er een ontvoering in komt- en wat je voor jezelf als schrijver wil: iets spannends om over te schrijven. Dat kan met elkaar te maken hebben, maar kan ook los van elkaar staan. Waarom schrijf je over eenhoorns en niet over zeemeerminnen? En waarom schrijf je een feelgood in plaats van een bloederig moordverhaal? Noteer het allemaal.

Wat volgt als vanzelf?

De volgende vraag die je jezelf stelt is wat er bijna als vanzelf gebeurt. Denk hierbij aan zowel clichés als tropes. Denk aan een feelgood waar vroeg of laat een kat een rol gaat spelen. Dat kan een cliché worden als dat een groot deel van het verhaal wordt. Maar het blijft een trope als het dier kleine symbolische figurantenrol heeft. Hoe dan ook, dát die kat in een feelgood gaat verschijnen is vrijwel zeker. Schrijf op wat je kan verwachten van jouw genre, verhaalthema, een held met een bepaald archetype… Alles wat maar in zekere mate te voorspellen is.

Moet dat echt?

Dan komen we op het punt waar je writersblock misschien de oorzaak heeft. Ook al verwacht iedere lezer dat er in jouw genre, thema of type held iets voorkomt, jij vindt niet dat dat in je boek thuishoort. Daarom wil je het ontwijken. Maar als je aankomende lezers er zo op gebrand zijn dat dat wel in je boek voorkomt, zit je klem. Dan is daar de vraag: moet dat echt? Datgene wat jij niet in je verhaal wil hebben: moet dat in een verhaal? Heel vaak is dat antwoord nee. Maar je moet wel weten waarom dat zo is, voordat je dat verwachtte element zonder pardon uit je verhaal schrapt.

Een goed voorbeeld van wat in theorie niet hoeft, maar wat wel in heel veel boeken voorkomt is een romance. Helaas heeft dat ook vaak shipping tot gevolg: onbelangrijke personages worden op het allerlaatste moment nog aan elkaar gekoppeld. En hemeltjelief, dat laat de kwaliteit van je verhaal een vrije val maken. Toch zie je het vaak. Waarom? Het eenvoudige antwoord is: omdat romance nou eenmaal in verhalen voorkomt. Maar daar kom je niet ver mee. De hamvraag is waarom het grote lezerspubliek altijd een romance wil of verwacht, ook al is dat in een horrorverhaal. Wat maakt liefde of romance zodanig populair dat het boek aan die populariteit ervan ten onder kan gaan?

Het antwoord op die vraag is diepgaander en dat soort antwoorden zijn degene die je zoekt. Denk aan:

  • Het is herkenbaar voor veel mensen. En herkenbaarheid leest fijn.
  • Romance wordt geassocieerd met liefde, acceptatie, gezien worden en allerlei andere zaken wat ieder mens in meer of mindere mate zowel wil als nodig heeft.
  • Omdat het een creatief verhaal betreft, gaat ook een papieren romance niet van een leien dakje. Dat heeft dus een spanningsboog en een conflict: twee belangrijke basisvoorwaarden voor ieder verhaal of subplot.

Voilá: als je het zo leest, zou je wel gek zijn om geen romance te schrijven. En toch wil je dat niet.

De antwoorden op je vraag

Je kan nog steeds dat vervelende verhaalelement omzeilen. Daarvoor kijk je naar de antwoorden op de vraag van wat dat element ogenschijnlijk onmisbaar maakt. Want die antwoorden zeggen: niet de romance is onmisbaar, maar de elementen van:

  • herkenbaarheid
  • universele menselijke beleving of behoefte
  • de randvoorwaarden waar een goed verhaal ( in dit genre of met deze tropes) aan moet voldoen

Dan ben je er bijna. Nog even en het wordt een eitje om dit probleem op te lossen! De bovenstaande voorwaarden van de romance gelden toevallig inderdáád voor ieder verhaal, maar zo zijn er nog een heleboel voor specifieke genres of tropes. Denk aan: bij een griezelverhaal moet je kunnen gruwelen en de held staat voor alles wat goed is. Schrijf alles op waarvan je het gevoel hebt dat het onoverkomelijk is dat het in een/jouw verhaal voorkomt.

Kan een verhaal zonder?

Je hebt nu een lijstje van zaken die in een verhaal voor zouden moeten komen. Sommige van deze dingen zul je inderdaad in je verhaal mee moeten nemen. Zoals een griezelelement in een eng verhaal. Andere zaken zoals shipping zijn in feite onzin. Hetzij als schrijftechniek, hetzij als element om specifiek in jouw verhaal te hoeven komen. Maar ongeacht welke van deze twee uitkomsten aan de orde is, de oplossing is hetzelfde. Kijk naar de eerdere diepgaandere waarom-vraag en je antwoorden en gebruik die vervolgens als uitgangspunt om iets anders te schrijven dat wél past, wél origineel is of jou zelf wat meer inspiratie geeft. Zodat jij alsnog kan schrijven wat jíj wil. Want als dat niet lukt, is je boek alsnog niet fijn om te lezen.

Dus ieder verhaal heeft herkenbaarheid, een universele menselijke behoefte en een spanningsboog nodig onder het mom liefde. Schrijf dan bijvoorbeeld over een pleegkind dat in een liefdevol gezin wordt opgenomen en uiteindelijk wordt geadopteerd. Op de oppervlakte is dat niet hetzelfde, maar als je een beetje creatief bent, kom je daar wel uit. De meeste mensen zijn niet geadopteerd, maar vrijwel iedereen kan zich herkennen in het gevoel ergens bij te (willen) horen. Kijk ook hier verder dan je neus lang is en dan hoef je niet verrassend ver meer te zoeken. Een bijkomend voordeel is dat je de kans op flinterdunne clichés als shipping hiermee ook meteen verkleind!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door Ryan Snaadt verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: test je verhaal op oppervlakkigheid

Een verhaal kan spectaculair zijn, maar als het daarbij blijft, zal het verhaal nooit echt interessant worden. Ieder verhaal heeft daarom elementen nodig die ervoor zorgt dat het niet oppervlakkig blijft. In deze schrijfoefening leer je hoe je dat kan controleren.

Een voorbeeld: vervelende kindermedia

Je hebt het vast wel eens gezien: een televisieserie of een boek voor kinderen wat je het beste kan omschrijven als ‘superzoet en schijnheilig’. Zonneschijn, regenbogen en eenhoorns is dan niet langer figuurlijk. Werkelijk alles in het medium is onschuldig, zacht en vrolijk. Zelfs als de held in de problemen zit, wordt er na twee dagen er een oplossing aangedragen door pluizige konijntjes, waarna de held meteen vrolijk zingt.
De vrolijkheid is zo overdreven, dat zelfs het verdriet in het grotere plaatje vrolijk van aard lijkt te zijn.

Zo schaadt oppervlakkige vrolijkheid dit verhaal Het gaat zó uit van die ene emotie of dat ene moraal dat je er met de beste kunde geen boeiend verhaal meer van kan maken. Het is simpelweg te oppervlakkig.

Wat maakt een verhaal precies oppervlakkig?

Een verhaal kan om meerdere redenen oppervlakkig zijn. Clichés zijn een grote boosdoener. Als iets voorspelbaar is, gaat de lezer bewust of onbewust erop letten of de veronderstelling die daarbij komt kijken, klopt. Als er een mysterieus doosje wordt gevonden na opa’s overlijden, voorspelt de lezer dat gaat blijken dat hij is vreemdgegaan. Tot dat wordt bewezen of ontkracht, belandt alles wat je schrijft op de achtergrond. Kortom: een lezer is met niets anders meer bezig.
Datzelfde gaat op voor de emotionele beleving van het plot of je personages. Als die alleen maar bezig zijn om duidelijk te maken dat een bepaalde emotie alles bepaalt en het hele moraal daarmee op leunt, wordt het verhaal daar ook oppervlakkig van. Zoals een mierzoet kindermedium kan beweren: als we allemaal maar blij zijn, gaat al het verdietige de wereld uit.

Een verhaal is oppervlakkig zodra de lezer maar met één ding bezig is.

Het hoeft niet heel erg ingewikkeld te zijn om een tekst van meerdere lagen of emoties te voorzien. Denk aan een simpel verhaaltje voor kinderen waarin het hoofdpersonage zijn vriendje kwijt is. Natuurlijk zal verdriet in zo’n geval de boventoon voeren. Maar zodra je ook een sprankje hoop of doorzettingsvermogen laat zien en dat in dat verdriet verweeft, is het geheel in de basis al niet meer zo oppervlakkig.

Zorg voor samenhang

Zodra je met een moraal, thema of de boodschap van een scène aan de gang gaat, bekijk je wat je wil dat de lezer ervan onthoudt of meeneemt. Spanning? Angst? Een les? Een mogelijkheid om een eigen mening te vormen?
Wat het ook is, dat bereik je niet door je maar op een emotie of een ander uitgangspunt te focussen. Daarvoor heb je verschillende elementen nodig, zoals in het voorbeeld van het verloren vriendje. Het werkt nog het beste als je die elementen op de een of andere manier aan elkaar verbindt en voor samenhang zorgt. Daar kan je ook meerdere perspectieven van personages voor gebruiken. Vriendschappen zijn daar heel geschikt voor. Kijk maar:
* Als een vriendenduo eenzelfde uitdaging aangaan, is de het plotelement hetzelfde. Maar de ene vriend bang is aangelegd en de andere wat dapperder, kan je dat gebruiken om het thema: uitdaging overwinnen verder uit te diepen, zonder dat je daar de spreekwoordelijke filosofische diepte in hoeft te gaan.
* Vriendschappen kunnen een verhaal verrijken doordat ze herhaling nodig hebben die verfrissend moet zijn.

Een laatste controle

Door jezelf de volgende vragen te stellen, kan je controleren of je verhaal te oppervlakkig is.

  • Heb je meerdere emotionele belevingen die aan bod komen?
  • Heb je meer dan een verhaalthema?
  • Worden de verhaalthema’s vanaf verschillende kanten belicht?
  • Geef je de lezer de vrijheid om zelf een mening te vormen naar aanleiding van de verschillende perspectieven in het verhaalthema?
  • Ligt het moraal er niet te dik bovenop?
  • Heb je eventuele clichés clichebestendig gemaakt?

Clichés die passen bij je verhaal

Het laatste punt heeft wat extra uitleg nodig. Clichés zijn per definitie oppervlakkig. Maar soms kan je er niet omheen om een cliché te gebruiken. Anders kan je tientallen pagina’s bezig zijn om iets simpels duidelijk te maken. Als een cliché te handig is om te laten liggen, kijk dan hoe je het cliché nog steeds kan gebruiken om een ander gegeven aan te vullen.

Stel dat je er niet omheen kan dat je personages op het eerste gezicht verliefd worden. Bovendien vinden hun ouders dat ze vanwege hun verschillende sociaaleconomische status niet bij elkaar kunnen zijn.
Deze Romeo en Julia hebben eenzelfde doel: kunnen trouwen zonder ruzie met hun ouders. Maar Romeo wordt van dit conflict vooral moedeloos, waar Julia vooral kwaadheid ervaart. Die emoties moeten ze ieder voor zich zien te overwinnen, maar ook als koppel. Ze zullen elkaar helpen. De ene keer troost Romeo Julia, dan weer andersom. Als vanzelf krijgt de lezer de lezer de ene keer de beleving van moedeloosheid mee, de andere keer die van kwaadheid. En natuurlijk mag ook verliefdheid niet ontbreken.

Zo kan je eerdergenoemde samenhang ook als een ui afpellen. Wat zit eronder? En daaronder? En waarom? Het antwoord op de laatste vraag staat vaak in de personagebiografie. Onderschat dat document niet: een beetje tussen de regels door lezen kan je al enkele opties geven om een cliché op zijn minst unieker te laten voelen. Maar besteed wel aandacht aan deze uitwerkingen. Als je clichés kort door de bocht uitwerkt, zullen ze altijd vervelend blijven lezen. Persoonlijke details zorgen ervoor dat ze al een stuk minder opvallen als een veelgebruikt verhaalelement.

De lezer uitdagen

Als je oppervlakkig schrijft, komt het erop neer dat je de lezer niet uitdaagt. Om een eigen mening te vormen, het verhaal voor zich te zien, of zelfs maar op te letten. Als je ervoor zorgt dat de lezer iets heeft om de aandacht bij te houden, is de kans dat je oppervlakkig schrijft een stuk kleiner.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door Carrie Borden verkregen via Unsplash

Schrijfoefening: de ouderwetse proeflezer

Met onze moderne voorzieningen is het mogelijk om continu mensen te bellen en te schrijven. Als je dus met iemand over je boek wil sparren, kan dat in een oogwenk. Maar met deze schrijfoefening gaan we terug in de tijd. Zodat je goed na moet denken wat je opschrijft om je sparringspartner over je boek te informeren. Hopelijk helpt deze oefening een balans te vinden tussen laten rusten en doorschrijven, sparren en op je eigen werk vertrouwen en de kern van je schrijfsels voor jezelf of anderen te vangen.

Schrijven in de jaren dertig

We schrijven in de jaren dertig. Er wordt twee keer per dag post bezorgd. In theorie kan je je sparpartner dus aan het begin van de dag een nieuw hoofdstuk opsturen en later een P.S. meesturen.

Maar je moet wel bedenken:
– Je moest alles schrijven: de luxe van een typmachine had je niet. Samen met het posten kost dat flink wat tijd.
– Postzegels kosten geld en dat kan gaan optellen.
– En gewoon om onze schrijfoefening intessanter te maken, wordt de postbode nieuwsgieriger dan je lief is als je iedere paar dagen een envelop verstuurd die zo zwaar is dat er een figuurlijke roman in kan zitten. Dat dat letterlijk is, hoeft de postbode nog niet te weten. 😉

Kort en bondig sparren

Jij en je sparringspartner, die we Neeltje noemen, ontmoeten elkaar eens per maand om echt over het boek bij te praten. Je hoeft dus niet alles van je nieuw geschreven deel uit te werken of uit te leggen. Van de grote lijnen is Neeltje op de hoogte.

Maar je wil wel eens in de zoveel tijd weten of alles nog loopt en interessant is. En omdat je alles met een pen uit moet schrijven, bedenk je je wel twee keer voordat je een vraag stelt of een hoofdstuk scène uitschrijft. Wat wil je nu écht aan Neeltje vragen of laten lezen en wat kan wel wachten tot de volgende maand? Tegelijkertijd heb je de ‘luxe’ dat je je eens per dag kan bedenken, omdat de post tweemaal daags wordt bezorgd. Je mag dus fouten maken. Maar tegelijkertijd ga je niet op de letterlijke komma’s letten. Dat komt wel als je bij de laatste versie van je boek bent aanbeland.

Het is belangrijk om te onthouden dat een gemiddelde proeflezer schrijftechnieken en regels kent. Een hoofdstuk is daar een mooi voorbeeld van. Een hoofdstuk is (in vergelijking met een scène) lastig samen te vatten en ook best losjes. Scènes hebben veel meer regels en structuur. Maar een poeflezer zal zowel een scène als een hoofdstuk in een enkele zin kunnen samenvatten: hier raakt Tommy verdwaald.
Maar wat het verhaal daarmee wil zeggen, wat betreft de spanningsboog, Tommy’s karakter, daar denken ze niet over na, tenzij je er uitleg over geeft of er heel specifiek naar vraagt.

Met deze zaken in het achterhoofd: hoe haal je het meest uit jouw boek met de hulp van Neeltje? Hier volgen enkele handvaten.

Hoofdstukken en scènes

Voor een leek zijn hoofdstukken en scènes ongeveer hetzelfde: er gebeurt iets wat je moet onthouden, zodat het verhaal verder kan.
– Als ik [deze] zinnen verander of weglaat, gaat het hoofdstuk volgens jou dan nog over hetzelfde?
– Ik wil het woordenaaantal inkorten. Kunnen [deze] zinnen weg, of toch liever [deze]?
– Ik wil dat de lezer aanvoelt dat [deze] zinnen de kern van de scène vormen. Komt dat ook zo over?

Houd omwille van de nieuwsgierige postbode de regel aan dat je samenvatting per vraag niet meer dan vier zinnen bevat.

Personage en personagegroei

– Vind je het passend bij zijn karakter dat Peter hier/ nu al boos naar zijn baas stapt?
– Zoals je weet is Margot de heldin. Zie je haar nog steeds in die rol na dit hoofdstuk?
– Snap je waarom Ibrahim op dit moment van het verhaal om hulp vraagt?

Dialogen

– Snap je waarom de personages ruzie maken of wat ze willen bereiken met wat ze bespreken? Sta je aan een bepaalde kant?
– Duurt het gesprek niet te lang?
– Wat zou dit gesprek mog meer duidelijk moeten maken?

Spanningsboog

– [Deze zinnen] moeten je op het van je stoel laten zitten. Lukt dat?
– Haal je uit [deze zinnen] dat dit een keerpunt/ moment supême is?
– In [deze zinnen] gooit Felix het roer om. Is het duidelijk genoeg dat hij hier een aha-moment heeft?
– [ Deze zinnen] zijn bedoeld als adempauze. Krijg je die ook? Heb je die op dit moment ook nodig?

Plotverloop

– [deze zinnen] vormen een keerpunt in het plot. Zie je dat?
– Heb je nog iets om nieuwsgierig naar te zijn? Dat probeer ik met [deze zinnen] te bereiken

Plottwists

– [deze zinnen] zijn belangrijk. Kan je me vertellen waarom?
– voegen deze onthullingen iets toe aan het verhaal voor je?
– [ deze zinnen] zijn een hint. Kun je raden waarnaar
– Heb je een idee waarom Peter zich in [ deze zinnen] plotseling anders gaat gedragen?

Tenzij Neeltje zelf wat meer belezen is en van schrijftechnieken weet, zijn dit de onderwerpen wahaar kan bevragen. Anders wordt het te technisch. Maar nog afgezien daarvan: probeer met een proeflezer of bij het reviseren ook niet meer van jezelf te vragen dan de vragen die je Neeltje schrijft.
Weet je nog, je moet ze met een pen voor Neeltje opschrijven. Denk dus goed over je vragen na. En dan ga je eens per maand uitgebreid (al dan niet met een proeflezer) wat je tot nu toe hebt geschreven.
Dan waak je er ook voor dat het reviseren te snel gaat: je moet ook zeker weten dat je het boek schrijft dat je voor ogen hebt, en het niet klakkeloos aanpast naar de wil van een enkele proeflezer. Of binnen een maand een boek hebt geschreven: alleen Neeltje mag nieuwsgierig zijn, niet de postbode.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan de rol van Neeltje overndemen, maar dan uitgebreider op professioneel niveau. 🙂 Kijk eens in mijn webshop.

Foto door Aksel Fristrup verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening voor worldbuilding: terug naar de tijd van Grimm

Als je een boek schrijft met een fantasierijke inslag of met een verhaal dat zich in een heel ander tijdperk afspeelt, is het belangrijk om te bedenken wat voor de bewoners van je papieren wereld normaal of denkbaar is. Maar dat is niet altijd eenvoudig af te bakenen. Als je op de tekentafel teruggaat naar de tijd van de gebroeders Grimm en onze tijd vergelijkt, komt je een aantal handige verschillen en overeenkomsten tegen die je een basis voor het schrijven van een worldbuilding kunnen geven.

Wat maakt een menselijke wereld?

In de meeste gevallen schrijf je over een personage dat in een samenleving leeft. Denk aan: er zijn dorpen en steden, regels en wetten en dingen waar de bewoners van deze wereld zich mee bezig houden of moeten houden. Wat dat precies inhoudt, ligt van de wereld in kwestie af. Maar je kan op enkele basisprincipes rekenen:

* Mensen leven in een gemeenschap, waarin ze elkaar van ziekten willen genezen
* Mensen moeten overleven: ze hebben een huis of een andere beschutting voor natuurgeweld nodig, ze moeten te eten en te drinken en kleren hebben om zich te beschermen tegen bepaalde weersomschandigheden
* Mensen moeten zich aan bepaalde regels houden. Of die nu van de burgermeester zijn, of van de stam die de rolverdeling van de leden bepaalt.

Hoe dat er precies uitziet, scheelt per verhaal. Let daarbij op dat in onze tijd daarbij het verschil tussen willen en nodig hebben soms sterker is vervaagd dan we zelf in de gaten hebben. We hebben ontspanning nodig na een lange periode hard werken, maar daarvoor hoeven we niet naar Thailand, of zelfs maar naar Frankrijk. Gewoon een dag of twee zonder takenlijst of zorgen in de zon zitten aan de andere kant van de stad is daarvoor in principe al genoeg. Net zoals we geen wasmachine nodig hebben om onze kleren te wassen. Wassen kan ook met de hand, ook al duurt dat een eeuwigheid langer.

Kortom: kijk eerst eens heel kritisch naar wat je personage nodig heeft en wat mensen in de meest basale manier van het woord doen om in leven te blijven, of aan een samenleving deel te nemen.

Wat zou Roodkapje daarvan denken?

Om te bepalen wat je personages echt nodig hebben, beeld je je in dat je Roodkapje vertelt over sommige voorzieningen die we hebben. Een wasmachine, bijvoorbeeld. Maar ook een magetron: ze zou denken dat je een soort persoonlijke kok hebt. Een maaltijd waarbij de groenten geschild en gewassen zijn? En die in enkele minnuten klaar is? Hoe dan? En ze zou zich de snelheid waarmee je je kan verplaatsen in een auto waarschijnlijk nauwelijks kunnen voorstellen. Maar anderszijds: als ze in het huidige Brabant woont, wat heeft zij dan als gewone sterveling in Amsterdam te zoeken? Zo ver reikt haar sociale kring waarschijnlijk niet en ze heeft geen familielid in de handel dat voor zaken wel de wereld over vaart.

Een ander voorbeeld: internet. Zonder gaan we niet meteen dood, maar als een internetstoring maar lang genoeg duurt, zijn we wel het haasje, omdat zoveel dingen eraan gelinkt zijn. Voor sommige beroepen ben je er volledig van afhankelijk, wat dus invloed heeft op je loonstrookje. En als je iets moet regelen via de overheid, gaat dat vaak ook digitaal. Roodkapje kan per post een brief naar de burgermeester sturen of naar het stadsloket lopen. Maar onze post wordt al niet meer dagelijks bezorgd en de gemeentemedewerkers kunnen je zonder je Digi-D ook niet verder helpen.

Kijk op deze manier eens wat er in jouw papieren wereld makkelijk voorhanden is, of moet zijn. Schrijf ook op waarom dat kan of niet kan. Misschien is er iets wel compleet overbodig. Houd hierbij een tijdperk bij in gedachten om alles makkelijker af te kunnen bakenen.

Wat zou Roodkapje doen?

Als Roodkapje zich wil vermaken, speelt ze misschien met een bal, of plukt ze bloemen. Naar de speeltuin gaat ze niet. Misschien heeft ze zelfs geen tijd om te spelen en moet ze moeder in het huishouden helpen, omdat de was doen bij gebrek aan een wasmachine zo langt duurt. Daar staat tegenover dat Roodkapje zich absoluut geen zorgen hoeft te maken over het zoeken van een geschikte studentenkamer. (Ja, Roodkapje is in de orginele versie van het sprookje een tiener 😉 ) Studeren? Ze heeft als meisje uit haar tijdperk misschien niet eens een basisschoolopleiding afgerond.

Kijk op deze manier eens waarover jouw personages (niet) nadenken. Als vanzelf kom je ook tegen wat er in de wereld al dan niet voorhanden is, en welke dingen daardoor een probleem vormen. Of juist niet: als je er rekening mee moet houden dat je maanden bezig bent om een houtvoorraad voor de winter te leggen,zodat je niet doodvriest, is verveling geen probleem meer.

Een verhaalthema of conflict voor de worldbuilding

Schrijf op wat jouw ‘Roodkapje’ van bepaalde dingen zou denken. Wat vindt ze normaal en wat vindt ze abnormaal? Schrijf in een kolom daarnaast op wat ze zou doen. Waarschijnlijk gaat je als vanzelf iets opvallen. Zoals bijvoorbeeld: Als je dagelijkse leven zo in beslag genomen wordt door het doen van het huishouden, omdat de moderne voorzieningen onderbreken, is het logischer dat je over meer alledaagse dingen of hindernissen schrijft dan over iets complex als politieke systemen.
Daarom gaat de spanning van het verhaal van Roodkapje en de wolf over iets heel basaals: hoe overleef ik de weg van thuis naar oma? Blijf op het pad en praat niet met vreemden!

Maar als je schrijft over een personage dat opgroeit in oorlog, is gevaar aan de orde van de dag. Om te overleven, zal je held daar een einde aan willen maken, willen vluchten of zich aan moeten passen. Hoe kan dat, met de middelen die voorhanden zijn en het wereldbeeld waarnaar dit personage kijkt?

Op deze manier kan je de eerste regels van je worldbuilding bepalen of een opzetje zoeken voor het centrale conflict van je held, als je al een begin met de personagebiografie hebt gemaakt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk eens in mijn webshop voor mijn mogelijkheden voor schrijfcoaching.

Foto door Michael Kroul verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: één conflict minder, graag…

De wil van een personage en een plotverloop kunnen nogal eens botsen. Je personage wil zo min mogelijk tegenslag en zo makkelijk mogelijk groeien. Maar als het alles in de schoot geworpen krijgt, is de lezer snel verveeld. Het kan dus lastig zijn om daar een middenweg voor te vinden. Daar helpt deze schrijfoefening je bij.

Probleem versus conflict bij creatief schrijven

Een korte opfrisser: om in een verhaal te kunnen spreken over een conflict, moet dat aan de volgende voorwaarden voldoen:

* Je personage wordt uit zijn comfortzone gehaald.
* De nieuwe situatie is voor je personage ongemakkelijk, gevaarlijk, naar of eng.
* Je personage heeft iets te verliezen.
* De omstandigheden dwingen je personage om het conflict zelf aan te gaan.

En ten behoeve van deze schrijfoefening voegen we daaraan toe: er moet nog een fatsoenlijke (drie-akten)structuur overblijven met een degelijke spanningsboog.

Casus: vliegveldproblemen en de vliegveldfee

In deze schrijfoefening is er het volgende aan de hand: Je personage is onderweg met het vliegtuig en tijdens een overstap wordt de volgende vlucht plotseling geannuleerd vanwege een vreselijke sneeuwstorm. Je personage kan erop rekenen dat het de komende 72 uur vastzit in het wettelijke niemandsland van het vliegveld. Dat brengt de nodige ongemakken met zich mee, zeker ook omdat meer mensen daar last van hebben. Want een veldbed is nog wel op te zetten, maar als een vliegveld vol mensen een slaapplaats nodig heeft, is dat wel een ander verhaal.
Uiteraard willen deze mensen niet vastzitten op het vliegveld, en bovendien hebben ze weinig tot geen toegang tot informatie over wanneer ze naar hun bestemming kunnen vliegen. Kortom: genoeg dingen die misgaan. Maar omdat je personage zich voorbereid heeft op een lange vlucht, zullen er ook nog wel wat kleine dingen zijn die het leed wat dragelijker zullen maken. Denk aan het boek wat is ingepakt en nog wel voor wat uurtjes vermaak kan zorgen. Maar niet voor 72 uur…

Schrijf eerst op welke grote en kleine ongemakken je personage kan verwachten bij deze situatie. Denk aan:
* Krijgt je personage een slaapplaats, genoeg eten en drinken en toegang tot sanitaire voorzieningen? Kan die daar zelf voor zorgen of is het een kwestie van geluk wat het krijgt toegewezen? Hoe zit dat met toegang tot opladers en wifi?
* Mist je personage nu een belangrijk moment? Een vergadering, een begrafenis?
* Het vliegveld is met alle goede bedoelingen nog steeds erg slecht met het communiceren van de informatie.
* De inhoud van de handbagage is kostbaar en kan niet 24/7 worden bewaakt: je personage moet ook slapen…

En schrijf daarna erachter in hoeverre jouw personage daar echt ongemak bij ervaart. Of dat het eigenlijk wel meevalt.
Denk aan:
* Je personage heeft een half koffer aan eetbare souvenirs
* Die vergadering was er een waar de baas waarschijnlijk toch alleen maar ging schreeuwen en kleineren. En er bestaat nog zoiets als notulen…

Er blijft altijd een lijstje over met een aantal dingen die nog steeds een irritatie, zo niet een serieus probleem vormen.

Gelukkig verschijnt daar plotseling de vliegveldfee! Die kan een van deze problemen laten verdwijnen met een zwaai van een toverstokje om te zorgen dat het vliegveldpersoneel je met een probleem een voorkeursbehandeling geeft. Maar omdat het hier over een personage gaat, is de voorwaarde wel dat deze scène van het gestrande vliegveld nog een fatsoenlijke spanningsboog en conflict oplevert. Anders kan je de scène net zo goed schrappen. De vraag van deze schrijfoefening: welk ongemak wil en mag je personage door de vliegveldfee laten wegtoveren?

Willen en nodig hebben 2.0

In wezen is het antwoord op deze vraag het vertrouwde principe van willen en nodig hebben bij creatief schrijven. Alleen ben jij hiermee niet meer als enige aan zet, maar krijgt je personage ook een vinger in de pap. Het daagt je uit om goed te kijken naar wat er in je verhaal en in deze scène nu echt grote conflicten zijn. En ongeacht hun grootte, in hoeverre het echt een conflict oplevert dat de lezer iets leert over het plot of je personage. Kijk eens naar de volgende tabel.

Wensleert je over het personageLeert je over het plotDat sluit bijna altijd uitdat maakt nog mogelijk
Ik wil geen zorgen meer hebben over de toegang tot genoeg en voedzaam etendat het praktisch is ingestelddat conflicten niet zozeer van praktische aard zijnDat je personage in paniek schiet als er iets onverwachts gebeurdDat iets emotioneels je personage gaat vloeren
Ik wil mijn spullen veiligstellen van diefstalDat het waarde hecht aan (een specifiek) bezitDat er iets met dit bezit gaat gebeuren dat dit personage laks is (lees: het werkt hard of is altijd op diens hoede) Om meer met de schichtigheid van dit personage te doen
Ik wil geen problemen met internetDat het om wat voor reden dan ook (digitaal) verbonden  met anderen wil blijvenDat medepersonages en hun acties weerslag hebben op die van je hoofdpersonageDat je personage ergens niet van op de hoogte isOm de afhankelijkheid (van anderen of internettoegang) in te zetten voor een conflict
Ik wil geen ruzie met andere gestrande medepassagiers of vluchthavenpersoneelHet vermijdt conflict of vindt goed sociaal contact belangrijkDat conflicten vaak persoonlijk zullen zijnDat je personage macht of rijkdom nastreeftOm uit werken of en wanneer je personage voor zichzelf opkomt, of anderen of pleasen belangrijker vindt.
Ik wil een stil plekje zonder al te veel herriehet kan slecht tegen drukte of stress van anderendat conflicten relatief makkelijk ontstaan: deze omstandigheden spelen vrijwel altijd in zekere mate meeje personage een leidende rol heeftdat je personage een baken van rust weet te creeëren (voor anderen)

Als je op deze manier de wil en de karaktertrekken van je personage en de mogelijkheden van het (verdere) plot op een rijtje zet, weet je zeker dat je conflict ook het nodige gewicht heeft voor een scène, het verhaal als geheel en dat dat alles ook op een fijne manier samenvloeit.

Heb je hulp nodig om plot en personages samen te voegen? Ik kan je helpen: kijk in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door Tomek Baginski verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: de filmadaptatie van je boek

Een film is niet beter dan het boek, of andersom: dat is appels met peren vergelijken. Je kan nu eenmaal niet van een twee uur durende film verwachten dat die dezelfde diepgang heeft als een boek waarin veel meer plotlijnen en details verwerkt kunnen worden. En waar de lezer meer tijd aan kwijt is dan de filmkijker aan de film. Dat kan je in je voordeel gebruiken tijdens het schrijven om te zien of je de belangrijkste zaken in je boek hebt staan en niet te veel uitwijdt met je subplots.

Wat kan een boek wat een film niet kan?

Een boek kan je in het hoofd van een personage laten kijken, waardoor de lezer zo goed als diens gedachten kan lezen. Een goede acteur krijgt daarin heel wat voor elkaar, maar als het gaat om hoe personages tot hun conclusies komen en precies denken, dat is in een film lastiger om te laten zien. Dat heeft als gevolg dat een film korter door de bocht is als het gaat om het verklaren van bepaalde motieven en het lastiger is om de diepte in te gaan. Je zou kunnen zeggen dat naar verhouding(!) de personages in een film meer archetypen zijn en de personages in een boek meer driedimensionaal.

Wat kan een film wat een boek niet kan?

Een film vult in de visuele zin je verbeeldingskracht aan, of neemt die van je over. Een film kan binnen enkele seconden, met beeld, muziek of camerawerk een sfeeromschrijving neerzetten waar een boek meerdere pagina’s voor nodig heeft. Ook is het makkelijker voor een film om een flashback in te zetten. Met een goede montage voelt die niet snel geforceerd, waar je in een boek heel secuur moet kijken of je daar wel de goede aanloop voor hebt.

Een film moet verhoudingsgewijs ook krachtigere dialogen hebben om de film te laten werken. Je hebt vaak geen ruimte voor veel of lange dialogen,omdat het voor een filmkijker doorgaans niet interessant is om alleen maar naar een gesprek te kijken: er moet letterlijk en figuurlijk beweging in het beeld en plot komen. Met behulp van goede acteurs worden regieaanwijzingen heel erg sprekend en kan je in enkele momenten duidelijk maken wat de dialoog bij een personage teweegbrengt, in plaats van dat er meerdere pagina’s nodig zijn om in het hoofd van het personage allerlei gedachten te ontrafelen.

Wat moet er overblijven in de film van je boek?

Nu we weten wat het verschil is tussen de twee media, gaan we kijken naar de schrijfoefening: wat als je je boek zou gaan verfilmen? Oftewel: hoe kan je erachter komen wat je kan ‘reduceren’, zonder de absolute basis van je verhaal kwijt te raken?

Schrijf als eerst op:
* Welke subplots heeft je verhaal? Zitten daar (belangrijke) puzzelstukjes van een plottwist in?
* Welke thema’s heeft het verhaal? Zijn er scènes die essentieel zijn voor de verduidelijking van dat thema?
* Wat representeren mijn personages qua heldenreizen en kararaktertrekken? Zijn ze daar uniek in, of hebben ze overeenkomsten met andere personages?
* In welke mate deel je een personagebiografie? Hoe komt die terug in diverse scènes?
* Wat zijn grofweg de beats van het algehele plot?

Subplots zijn het makkelijkst om te schrappen, samen met het delen van achtergrondinformatie uit de personagebiografie. Als je gaat schrappen, zijn de ‘extraatjes’ het eerste aan de beurt. Dat betekent bijvoorbeeld:
Een subplot met net wat meer achtergrondinformatie dat niets aan het grote geheel toevoegt, mag je schrappen, net als zaken achtergrond van een personage die niet zorgen voor een groei in de heldenreis. Ook kun je kijken hoeveel tegenstanders je personage heeft. Zijn het er drie, terwijl twee ook voldoen om conflict te veroorzaken?
Als je personage vijf vrienden heeft, zijn drie misschien ook voldoende. De aanwezigheid van veel personages vergroten de kans dat een van hen onbedoeld uitgroeit tot een figurant of zelfs een storend minderheidspersonage.
Wees er wel alert op dat je personages niet zomaar kunt ‘mixen’. Als je een personage hebt dat heel achterdochtig en daardoor teruggetrokken is en de andere extravert, dan kan je ze niet samenvoegen tot een enkel personage omdat ze allebei toevallig voor een zelfde zaak vechten. Dan gaan bepaalde thema’s of karaktertrekken vroeg of laat botsen.

Controleer vervolgens of je de rode draad van je verhaal nog steeds stevig staat. Met alles wat je hebt geschrapt in de vorige stap, vallen er gaten in je originele verhaal. Dat is de bedoeling, maar kijk goed of wat je zaait nog wordt geoogst en de actie nog een logische reactie heeft. Of liever gezegd: dat de reactie op een actie niet uitblijft. Zowel op de kortere termijn of de langere termijn. Daarmee neem je als vanzelf ook plottwists mee onder de loep. Als je een scène hebt geschrapt waar een puzzelstukje in zit dat je niet zomaar kan verplaatsen, moet je nagaan of je plottwist nog een plek heeft in je verhaal als geheel. Laat dit een moment zijn om je eraan te herinneren wat een plottwist sowieso nooit mag zijn: een manier om te choqueren, of te dramatiseren.

De film van je boek doornemen

Als je deze stappen hebt doorlopen, heb je op papier je boek drastisch ingekort. Ben je nog tevreden met wat er over is gebleven? Zou jij als lezer deze synopsisachtige versie van je boek nog interessant genoeg vinden om het boek op te pakken en het te lezen? Desnoods kan je een aantal proeflezers inschakelen om deze ingekorte versie te bestuderen. Maak daar geen al te serieuze feedbackronde van. Dit blijft een schrijfoefening die bedoeld is om de kernpunten van je verhaal duidelijk te krijgen. Maar als er naar jouw gevoel of die van de proeflezer iets ontbreekt, kan je kijken hoe je dat aan kan vullen. Zo niet: gefeliciteerd! Je hebt zeer waarschijnlijk een goed beeld van je verhaal, wat er toe doet en waar je al dan niet aan kan sleutelen om er het beste uit te halen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Photo by Jeremy Yap on Unsplash.

Schrijfoefening voor aan de tekentafel: leer je personages kennen

Als je nog aan de tekentafel bezig bent, kan het soms lastig zjn om te overzien wie je personages zijn en wat hun verhoudingen gaan worden. Ten opzichte van het plot, maar ook ten opzichte van elkaar. Om daarin iets meer zicht te krijgen, kan het helpen om je personages een van de vier elementen toe te wijzen, om zo te kijken wat ze aan elkaar zullen hebben en of ze eerder vijanden dan vrienden zullen worden.

Elementen als karatertrekken voor je personages

Water, aarde, vuur en lucht zijn welbekende symbolieken om mee te spelen. Het zit zelfs in onze taal verweven. Denk aan dingen als:

– zij zijn als water en vuur
– watervlug zijn
– goed geaard zijn
– ergens luchtig over doen

Dit kan je oppervlakkig gebruiken om je personage snel wat karaktertrekken toe te wijzen, maar je kan er ook complete verhoudingen mee ontdekken. Het is daarvoor belangrijk dat je bovengenoemde voor de hand liggende voorbeelden iets meer los kan laten en ook al een globaal idee hebt waar je verhaal over gaat, of waar het thematisch naartoe moet gaan. Ook moet je eenzelfde element van meerdere kanten kunnen bekijken.

Wat weerspiegelen de elementen voor jou?

Schrijf eerst eens op wat je met ieder element associeert. Of je van clichés uitgaat of niet is niet van belang. De kans is groot dat je dingen tegenkomt die elkaars tegenpolen lijken te zijn, of twee kanten van eenzelfde medaille belichten. Denk aan vuur. Dat kan jou heerlijk verwarmen, maar je kan je er ook aan branden. Als je zulke ‘tegenstrijdigheden’ tegenkomt, kijk dan wat voor jouw persoonlijke associatie, verhaal of personage het best lijkt te passen.
Want een personage ‘van vuur’ kan dus zowel je veilige haven zijn als degene die alles verwoest. Dat telt nou niet bepaald logisch op.

Puzzel zo eerst met elk element tot je een kort lijstje van eigenschappen hebt die grofweg een personage in de dop zou kunnen vormen. Niet alleen is je ‘lucht’ personage tenger van figuur, het is ook een (te) snelle denker die wat chaotisch kan zijn. Maakt dat een interessante leider, of juist niet? Dat zijn dan dingen waar je op voort kan bouwen.

Maak een rolverdeling voor je personages

Of je nu twee, vier of tien personages een element hebt toegewezen, nu is het tijd om te kijken hoe ze zich tot elkaar verhouden. Denk daarbij goed aan wat je zelf hebt opgeschreven: laat spreekwoord zoals ‘als water en vuur’ los. Want misschien kunnen jouw personages van water en vuur juist redelijk met elkaar overweg.
Want als jij bij water ‘voedend’ hebt opgeschreven en bij vuur vooral denkt aan ‘verwarmend’, dan heb je twee personages die allebei empathie als een belangrijke karaktereigenschap hebben. Die kunnen dus best vrienden zijn, in plaats van de zogenaamde gedoemde vijanden. Dat het waterpersonage dan flexibel is en het vuurpersonage juist ‘krachtig is ‘en daardoor minder flexibel is, kan juist voor een goede balans in je verhaalthema zorgen.

Kijk nu eens wat je verhaal nodig heeft: wat past er bij je thema, doelgroep of moraal?

Als je schrijft over oorlogstijd, kan je eerdergenoemde vuurpersonage een uitstekende held zijn. Maar als je verhaal gaat over een nieuwe uitvinding, dan is je luchtpersonage misschien een betere hoofdpersoon. Die is geschikt om te laten zien hoe ingewikkeld en veranderlijk een creatief proces kan zijn.

Laat je personages samenwerken

Nu ieder personage een eigen rol heeft, ga je kijken hoe je personages gaan samenwerken. Zet ze in een vergaderzaaltje en geef ze een probleem om op te lossen. Dat kan het centraal conflict zijn, maar ook iets wat je alleen voor je opschrijfboekje wil gebruiken. Of iets erg ludieks, zoals: ‘zorg ervoor dat een stormloop bij de uitverkoop van een warenhuis wordt voorkomen als er een artikel wordt verkocht dat op TikTok trendy is’, in een verhaal over een apocalyps – wat nog een symbolische overeenkomst heeft-. Of juist niet: laat ze zich over datzelfde probleem buigen in een verhaal over een pestkop.

Kijk nu eens wie er met elkaar kunnen samenwerken en hoe dat zou gaan. Misschien is dat chaotische luchtpersonage geen ideale manager, maar het meer ‘gegronde’ aardpersonage wel. Maar daarmee heb je nog geen ideaal team. Want dat chaotische personage gaat met deze manager wel een bepaalde vinger in de pap willen om ervoor te zorgen dat het nog wel efficient en waardevol werk kan leveren. Dat hoeft niet meteen op een ruzie uit te lopen. Je kan het flexibele en geduldige waterpersonage de rol geven om het luchtpersonage wat meer te sturen.

Kijk eens op wat voor manier je de personages op die manier aan elkaar kan koppelen of beter uit elkaar kan houden. Hoe vullen ze elkaar aan? waar hebben ze hulp bij nodig? Zet ze zo in deze ‘kennismakingsvergadering’ en je kan een heleboel dingen te weten komen.

  • Waar zitten er mogelijke clues, obstakels of climaxen in je plot?
  • Kan je centraal conflict een heel verhaal dragen, of is het meer iets voor een scène?
  • Waar zijn je personages bang voor?
  • Heb je nog een ander personage nodig dat nog een andere, extra rol moet vervullen?

enzovoorts.

Je bevindingen in je verhaal meenemen

Omdat deze oefening voor de tekentafel is bedoeld, kan je niet een op een je bevindingen meenemen. Het lijkt me sterk dat je echt over water-en-vuurpersonages schrijft die voornamelijk vergaderen. Maar deze oefening is wel geschikt om te testen waar de basis van je verhaal nog iets mist. Weet je al genoeg van de personagebiografieën van je helden? Zie je mogelijke gaten in het plot? Besef je waar het verhaal stil kan gaan vallen?

Als het goed is, komen er met deze schrijfoefening een paar zaken aan bod die er later voor zorgen dat je een hoop moet gaan herschrijven. Of erachter komt dat je dacht een diepgaand thema te hebben dat later niet aansluit, of tegenstrijdig wordt. Je zal ervan schrikken hoeveel er boven kan komen drijven. Maak gerust een uur of twee vrij voor deze brainstormsessie!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Adrien Olichon verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: hoe ver moet je uitwerkingsonderzoek gaan?

Onderzoeken hoe je personage in elkaar zit en wat het ertoe beweegt om bepaalde dingen te doen of te laten is een belangrijk deel van het personageontwerp of je verhaal. Zo kan het bijvoorbeeld handig zijn om te weten wat een trauma voor een effect heeft. Of wat een depressie met iemand doet, in de klinisch-psychologische zin van het woord. Dat maakt je personage of je verhaal realistischer. Maar je moet ook een keer mee stoppen met verklaren en onderzoeken. In deze schrijfoefening gaan we kijken hoe je die afweging maakt.

Casus: de biaslijst

Een bias is een manier van denken of naar de wereld kijken die objectief niet klopt, maar gevormd wordt door een bepaalde factor. De bekendste is misschien wel de cognitieve bias: omdat je een bepaald gedachtepatroon hebt, trek je conclusies die bij dat patroon passen en logisch lijken, maar toch niet kloppen.
Maar die bias is lang niet de enige. Kijk maar eens naar deze lijst. Er zijn zoveel biases dat je kan denken: kan een mens nog iets waarnemen zonder dat dat meteen een label verdient? Die vraag staat centraal in deze blogpost. Wanneer is informatie terecht een ding of is het de moeite om van een bijbehorend label meer te weten en wanneer is iets zo gewoon dat het het noemen niet meer waard is?

Biasen als referentie: Google, Dunning-Kruger, modaliteitseffect

Voor een goede referentie in de rest van de blogpost, pakken we drie soorten bias uit deze lijst.
Het Dunning-Krugereffect: de neiging van ongeschoolde personen om hun eigen kunnen te overschatten en de neiging van deskundigen om hun eigen kunnen te onderschatten.
Het Google-effect: De neiging om informatie te vergeten die gemakkelijk online te vinden is via zoekmachines.
Het modaliteitseffect: Je onthoudt de laatste items van een lijst makkelijker wanneer de items op de lijst via spraak worden doorgegeven dan wanneer ze via schrijven worden overgebracht.

Dunning-Kruger kan daarbij de grote lijnen van het plot bepalen: wat als je iemand hebt die vele malen slimmer denkt te zijn dan die is? Dat gaat de nodige obstakels in het verhaal opleveren.
Het Google-effect geldt daarbij als: houdt deze kennis of dit stukje geschiedenis uit de personagebiografie paraat om misschien te kunnen gebruiken voor een specifieke scene. Uitgangspunt: het gebeurt ons allemaal wel eens, en is niet zo spannend. Maar wat als we te veel Op Google rekenen en het internet wegvalt?
Modaliteitseffect: de ene onthoudt beter door te lezen dan door te luisteren. De ene houdt meer van appels, de andere houdt meer van peren. Als je je personage inmiddels tot deze details aan het ontwerpen bent, is dat een teken dat je ermee moet stoppen. Ga bovendien na of je geen gaten in je plot hebt doordat je door een gebrek aan overzicht details hebt verwerkt die elkaar tegenspreken.

Van groot naar klein

Begin met Dunning Kruger: alles wat zodanig belangrijk is, dat als daar iets aan veranderd, het plot of het karakter van je personage een compleet andere wending krijgt. Veranderingen kunnen optreden in zaken als de heldenreis, wat er op het spel staat, angsten en dromen van de personages en hun willen en nodig hebben. Ook de invulling van je verhaalthema valt hieronder. Als je daar al invulling of zicht op hebt, kijk dan ook naar je afzonderlijke beats van de drieaktenstructuur. Hoe valt alles samen? Wat kan je niet zomaar veranderen?
Vergeet daarbij ook de ‘per definitie’-regel niet: X uit zich bij iedereen/ in iedere situatie anders, maar houdt altijd in dat Y.
Een rijkaard kan gul of gierig zijn, maar heeft altijd geld op de bank. Iemand met een depressie kan soms nog normaal functioneren, soms niet meer, maar iemand met depressie zit niet optimaal in diens vel.
De ‘Dunning Kruger’ van jouw informatie of situatie is als de ‘per definitie’ van je worldbuildingregels, of de geschiedenis of heldenreis van je personage.

Het Google-effect zijn die dingen die een scène interessant kunnen maken, maar niet per se een verhaal kunnen dragen: tegenwoordig doet het internet het vaker wel dan niet. Gebruik die informatie dan ook maar een paar keer, zo niet maar een keer in het verhaal. Zorg er wel voor dat je dat op een belangrijk of spannend moment in het verhaal meeneemt. Dan wordt het een extra pageturner! Bijvoorbeeld:
Je personage heeft een lelijk sieraard van oma geërfd, dat in de kast stof ligt te happen. Dan komt je personage in geldnood en bedenkt het ineens dat het misschien nog iets van waarde heeft. Dat bezoek aan de taxateur is erg spannend: of het nu waardeloos of waardevol is, dit gaat het verhaal een hele belangrijke richting op sturen.
Of je weet dat je personage iets nóóit zou doen, behalve als… En dan is daar dat moment.
Let bij een ‘Google-effect’ erop dat je het verhaal van de afzonderlijke scene in de gaten houdt en het blijft passen bij het grotere geheel. En dat je niets uit de lucht laat komen vallen. Dat kan je voorkomen door details goed uit te werken.

Het modaliteitseffect is informatie die niet in je verhaal thuishoort. Vaak is het een ‘informatiedarling‘ die je tijdens je onderzoek tegenkomt. Om die te identificeren vraag jezelf: moet ik extra scènes en achtergrondinformatie schrijven voordat dit detail relevant wordt?

Bijvoorbeeld: Timmie is dyslectisch, dus pikt hij informatie makkelijker op als die wordt gehoord, in plaats van geschreven. Maar die dyslexie is nog niet vastgesteld. Dus gaat de hele mallemolen van het testen van start, en een paar duizend woorden later klinkt het verlossende woord: “Meneer van den Hout, we hebben vastgesteld dat uw Timmie dyslexie heeft. Hij zal er vanwege het modaliteitseffect baat bij hebben als hij leerstof auditief krijgt aangeboden. Daar houden we vanaf nu rekening mee.”
Die conclusie met dat ene woord was de langere opbouw ernaartoe niet waard. Anders gezegd: ga je dingen extra toevoegen om een ding te verklaren, dan moet je jouw onderzoek en/ of de uitwerkingen daarvan stoppen en niet verder in het verhaal meenemen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Alvarado verkregen via Unsplash.



Schrijfoefening: ik zie, ik zie wat jij niet ziet…

Deze week gaan we een spelletje uit onze kindertijd omtoveren tot een bruikbare schrijfoefening. ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is…’ En dit keer niet: rood, of rond, maar: dieptriest, ongemakkelijk, hartverwarmend en allerlei andere abstractie dingen. Abstract, tot je er de juiste woorden aan geeft en je een scène zo tot leven wekt.

Welk moment wil je vastleggen?

Als je schrijft, komt er op een bepaald moment een scène waar je uitgebreid bij stilstaat, omdat er een emotionele climax aankomt. Denk aan een liefdesverklaring, een afscheid op een sterfbed, aankondiging van een scheiding of een gesprek wat je personage om wat voor reden dan ook moeilijk vindt om te voeren. Als je de sfeer dan wil omschrijven is, het makkelijk om je toevlucht te zoeken tot woorden als ‘ongemakkelijk’ ‘ondraaglijk’, ‘verwachtingsvol’ of ‘dolbij’, maar die zijn vrij globaal, en daarmee enigszins onpersoonlijk, zo niet cliché. Deze schrijfoefening gaat in op dat moment en verkent wat er zo speciaal aan dat moment is en hoe je dat kan omschrijven.

De eerste stap daarbij is net zoals bij het spelletje ik zie ik zie wat jij niet ziet een specifiek moment, voorwerp, gezichtsuitdrukking… in gedachten te nemen en daar een denkbeeldige foto van te maken, zodat je het aan kan wijzen:
Ik zie, ik zie… dit. ‘Dit’ is dan het moment, voorwerp of onderwerp waar je over gaat schrijven.
Bedenk dus eerst wat het precieze aanwijsbare moment of ding is waar je over wil gaan schrijven.

En het is….

Dus niet rood of rond, maar iets abstracters. Dit abstracte kan je bij deze schrijfoefening op twee manieren gebruiken
– Geef het een woord waar je bepaalde (emotionele) waarde aan kan hechten die past bij de context.
Deze foto hieronder kan je bijvoorbeeld het woord ‘familie’ geven, in plaats van het meer contrere ‘avondeten’.

Met een beetje fantasie is het woord ‘familie’ wel in deze foto te zien. Vader, moeder en kind zitten samen te eten, een typisch alledaags moment wat je als famlie samen beleeft. Ook stralen het lachende gezickt van het meisje en de vader liefde voor de anderen uit. Dat zou je dan kunnen vertalen naar die emotionele waarde achter het woord ‘familie’: als een geliefde eenheid alledaagse dingen met elkaar delen.

Foto door National Cancer Institute verkregen via Unsplash

– Of je schrijft met een woord waarmee je al verklapt wat er achter de schermen speelt, zonder dat dat duidelijk van de ‘foto’ af te zien is. Onderstaande foto zou je dan ‘ontslag’ kunnen noemen: het was dat moment in het park waarop Chelsey besloot ontslag te nemen. Ze kijkt naar iets buiten de foto wat haar het ‘aha’-moment bezorgde.

Foto door Caleb George verkregen via Unsplash.

Aan de slag! De ‘familiefoto’

Je hebt je ‘foto’ en je hebt je woord. Om deze momentopname goed uit te werken, maak je een woordenweb. In het geval van een foto als die van ‘familie’, schrijf je die zoveel mogelijk met twee kanten. Schrijf bijvoorbeeld links vlakken met woorden die je je concreet ziet -vader, eten, lachende gezichten- en aan de andere kant de woorden die waarden met zich meebrengen. Familie, samenzijn. Daar kan je dan verder gaan ‘vertakken’ Familie is geborgenheid, liefde…
Kijk vervolgens naar de concrete woorden aan de andere kant van het woordenweb. Als daar ‘groente’ staat, kijk dan of je die met de kennis die je hebt van je verhaal als geheel dingen aan elkaar kan koppelen. Groente en liefde bijvoorbeeld: De groente die moeder klaarmaakt, zijn de lekkerste van de wereld, die worden met liefde bereid en gegeten.
Van daar is de stap naar een goede en persoonlijke sfeeromschrijving nog maar klein: schrijf over de vertrouwde geur van moeders kookkunst, hoe ze lachend in de keuken staat, en hoe dit kleine meisje geborgenheid vindt in dit dagelijkse ritueel.

Aan de slag: de foto ‘ontslag’

Bij een meer ‘abstracte’ foto kijk je vooral naar het plot en de heldenreis van het personage tot dan toe. Dat kan je dan mixen door naar de details op de foto te kijken.
Chelsey is bijvoorbeeld al tijdenlang ongelukkig in haar kantoorbaan waar ze zittend aan haar bureau maar weinig zonlicht ziet. Op deze foto is het een zonnige dag en heeft ze koffie bij zich: dat snelle bakkie in de pauze. Viel haar blik buiten de foto op een straatartiest die karikaturen van toeristen aan het schetsen was en besloot ze de sprong te wagen haar droom om tekenares te worden serieus te nemen?
Hoe zou dat moment gevoeld hebben? Vlinders in de buik van opwinding? Grote kans als ze zich een typische kantoorslaaf voelt.
Of ziet Chelsey juist een advertentie voor een dienst of een artikel dat gouden bergen belooft? Een cruise over de oceaan, waarbij ze werk even achter zich kan laten? Of een baan die een miljoen per jaar belooft, maar later een scam lijkt te zijn? Hoe dan ook, het aha- moment van Chelsey brengt in het daar en dan emoties met zich mee, waar je op dat moment uitgebreid bij stil kan staan. Je hebt dit moment gekozen om een foto van te maken, dus het is belangrijk in het algehele plot. Kijk naar de personagebiografie om na te gaan hoe Chelsey zich op dat moment zou voelen, wat ze al heeft meegemaakt en wat haar aanzet tot handelen, al dan niet in relatie tot het plot in het algemeen.
Zo kan je ook een mooie sfeeromschrijving neerzetten door goed te kijken wat je ziet, wat er speelt en hoe zich dat uit in het moment.
Misschien gooide Chelsey haar koffie die je op de foto ziet direct hierna wel in de vuilnisbak: ‘de groeten, ik ga voortaan over van koffie naar tropische vruchtensap tijdens die cruise.’ De zon leek voor haar wel extra mooi te schijnen!

Kortom: probeer aan abstracte woorden of beelden eens te zoeken wat die letterlijk of figuurlijk (in de context van je verhaal) betekenen en je kan van een specifiek moment in je verhaal mooie sfeeromschrijvers maken.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Omslagfoto door Tim Mossholder verkregen via Unsplash.