Proeflezer zijn

Een schrijver vraagt je of je proeflezer wil zijn. Waar let je dan op, wat zeg je en hoe kun je de tekst lezen?

Randvoorwaarden voor een proeflezer

Een schrijver moet zelf goed nagaan wie hij als proeflezer wil.
Hij moet erop kunnen vertrouwen dat:
* je hem niet persoonlijk aanvalt;
* je hem niet met fluwelen handschoenen aanpakt/ alleen maar vol lof bent;
* je het verhaal niet wilt overnemen.

Lees deze punten hier uitgebreider terug.

Welke proeflezer ben jij?

Er zijn verschillende soorten proeflezers. Sommigen controleren alleen op grammatica, anderen zijn er voor het inhoudelijke gedeelte. Zorg dat je vooraf duidelijk hebt wat van jou als proeflezer wordt verwacht. Als er iets niet duidelijk is, vraag het dan gewoon. De schrijver zal je dankbaar zijn. Iedereen is erbij gebaat als alles vlot verloopt. In deze blogpost ga ik verder in op de proefpersoon die vanwege de inhoud wordt ingeschakeld.

Standaard vragenlijstje voor de inhoud

Een schrijver zal een vragenlijstje maken met dingen waar je specifiek op moet letten.
Zorg ervoor dat die vragen duidelijk voor je zijn vóór je begint met lezen. Let er ook op dat het vragenlijstje niet te lang is. Als je twintig vragen krijgt over een hoofdstuk van één A4, kun je je niet meer op het verhaal concentreren.

Vragen die een schrijver waarschijnlijk zal stellen zijn:
* Kun je het verhaal nog volgen?
* Wat denk je dat er na de cliffhanger gebeurt?
* Zijn de personages en het verhaal nog interessant?

Antwoord met ‘want’ waar je kan. “Het verhaal is nog spannend, want…” “Ik snap niks van de cliffhanger, want…”
Soms moet de schrijver informatie achterhouden om de spanningsboog op te bouwen. Dan zal de schrijver waarschijnlijk ook iets over specifieke scènes willen weten.
Verwacht daarom ook enkele inhoudelijke vragen.

“Geen flauw idee!” Wat nu?

Je leest over een personage dat bont en blauw geslagen is. De schrijver vraagt je:
“Wie heeft Joost zo toegetakeld, denk je?”
“Geen flauw idee!”
Je mag dat gewoon zeggen. Je hoeft de schrijver niet te sparen. Sterker nog, dit is precies de reden dat je proeflezer bent! Laten we twee mogelijke redenen voor jouw antwoord doorlopen.

Het is de bedoeling dat je het antwoord nog niet weet

Stel dat Joost homoseksueel is, maar je daar later in het verhaal pas achterkomt. Dan is het heel logisch dat je niet kan raden dat hij in elkaar geslagen is door een homohater. In zo’n geval is dit een eerste puzzelstukje van een grotere puzzel die later in het verhaal pas echt opgelost kan worden.

De schrijver is slordig

“Wacht even… Wàs Joost in elkaar geslagen dan?”
Wat blijkt nu? De zin: kreunend van de pijn en met blauwe plekken over zijn hele lijf kwam Joost drie uur later thuis is nooit opgeschreven, omdat de schrijver al met zijn hoofd bij de volgende scène zat!
Schrijvers zijn ook maar mensen en mensen maken fouten. Als proeflezer mag je ook onnozele fouten opmerken en doorgeven.

Als de tekst zo’n zooitje is dat je er niets meer uit kan halen, zeg het dan gewoon!

De proeflezer als detective: puzzelstukjes zoeken

“Ik heb geen idee waarom Joost geschopt is en heb geen enkele aanwijzing. En toch vraag je me waarom ik dat denk?”
We hadden het er al over dat een schrijver met bepaalde puzzelstukjes werkt. Als een schrijver een vraag stelt die je niet direct kan plaatsen, is de vraag eigenlijk: “Ik heb een puzzelstukje gegeven. Heb je dat in de gaten, kun je raden wat dat puzzelstukje is en in welke eindpuzzel dat gaat passen?”

Lees de scène nog eens. Kun je, nu je vermoedt dat er ergens een puzzelstukje verstopt zit, raden wat dat zou kunnen zijn? Joost kan bijvoorbeeld:
* met een diepe zucht en wat vertwijfeld naar een regenboog in de lucht kijken;
* vliegensvlug zijn telefoon op een feestje uitzetten als Bart belt.

Merk op dat dat hier alleen gehint wordt naar dingen die op Joosts geaardheid kunnen wijzen. Het geeft dus geen antwoord op de vraag wie Joost heeft mishandeld, maar dat zijn dus wel kleinere puzzelstukjes.
Als je denkt dat je een puzzelstukje gevonden, zeg dat dan ook.
“Ik heb geen idee wie Joost heeft mishandeld, maar ik heb wel het idee dat hij homo is. Hij wordt namelijk ontzettend zenuwachtig als hij wordt gebeld door een jongen wanneer zijn moeder in de kamer is.”

Het maakt niet uit of je gelijk hebt met je gevonden puzzelstukje. Misschien is Joost wel hetero, vindt hij regenbogen gewoon een prachtig natuurverschijnsel en is Bart zijn woedende drugsbaas…
Welk puzzelstukje je ook denkt te vinden, de schrijver kan altijd iets met je vermoeden. Zo weet hij of hij goed zit, of juist helemaal fout en meer of andere hints moet geven.

Ga ervan uit dat jouw ‘aha-momentje’ er ook een voor de schrijver is.

Maak je niet te druk of je het juiste puzzelstukje hebt, of dat je dat überhaupt hebt kunnen vinden.
* Misschien is het puzzelstukje te klein om op te vallen en vraagt de schrijver je ernaar om te kijken wat voor sfeer de scène in zijn geheel bij de lezer oproept.
* De schrijver kan je op het verkeerde been zetten en je een ‘vals puzzelstukje’ geven.
* Zoals gezegd: de schrijver kan ook iets fout hebben gedaan.

Lees de scène nog maximaal één keer terug, als je naar dat puzzelstukje gaat zoeken. Als je eindeloos ontleedt, gaat je spontane interpretatie verloren, terwijl dat juist zo belangrijk is voor de schrijver. Het is aan de schrijver om zijn eigen werk kritisch te bekijken en eventueel te veranderen naar aanleiding van jouw bevindingen. Je kan weinig tot niets fout doen als je eerlijk en objectief blijft.

Als je antwoord: “Ik heb geen idee” blijft, ben je niet dom! Wie weet heb jij de grootste zwakte van de schrijver blootgelegd, waardoor hij zichzelf kan verbeteren. Of denk je dat je helemaal naast zit, maar ben je juist de eerste die een hint van een goed in elkaar gezette plottwist meteen heeft ontdekt!

Feedback van proeflezers verwerken

Wanneer je proeflezers inschakelt, moet je feedback verwerken. Dat is nog een hele klus. Als je het goed doet, wordt het verhaal net zo goed als je gehoopt had toen je begon met schrijven. Doe je het fout, dan wordt het zo slecht als je ooit vreesde.

Bekende valkuilen van feedback verwerken

Feedback verwerken kan lastig zijn, zeker als je in bepaalde valkuilen trapt. De meest voorkomende zijn:
* Je hebt de verkeerde proeflezers uitgekozen.
* Je weigert iets te veranderen omdat je te dol bent op je eigen tekst.
* Je wilt het iedereen naar de zin maken.

Ik schreef daar hier uitgebreider over.

Hints en verwachtingen controleren

Je hebt een proeflezer gevonden die jouw genre leuk vindt en neutraal genoeg is om jou niet richting het einde te sturen dat hij zelf graag ziet. Top!
Dan zegt hij: “Ik snap niet waarom je personage duizend euro krijgt.”

Oorzaak 1: Je hebt te weinig hints gegeven.
Je personage heeft schulden en je hebt gehint dat hij een rijke vriend heeft. Dan is het handig als je middels show don’t tell al hebt laten merken dat die vriend de laatste tijd al veel aan goede doelen heeft geschonken of je personage heeft geholpen een financieel plan te te maken.
Een rijke vriend die iemand in geldnood helpt, is op zichzelf niet zo gek. Maar als je meer hints geeft, dan is de kans kleiner dat je proeflezer iets zegt als:
* dit is niet logisch;
* dit komt uit de lucht vallen;
* het komt geforceerd over.
Let erop dat zodra je hints gaat geven, je niet verzandt in expositie.

Oorzaak 2: Je hebt verkeerde verwachtingen geschept
Je personage heeft tienduizend euro schuld en de hele tijd roept zijn rijke vriend dat hij ervoor zorgt dat je personage van alle zorgen zal worden verlost.
Dan lijkt duizend euro ineens (hoe gul ook) erg karig. Je lezer voelt zich in het ootje genomen, omdat de verwachting niet strijkt met de belofte.

Als je verkeerde verwachtingen schept, is je lezer daar niet blij mee…

Misschien wil onze gulle gever ineens proberen de vrouw van zijn dromen te versieren. Hij wil van de overige negenduizend euro dure juwelen kopen. Is die vriend wel zo trouw als we denken? Dat hoeft niet, maar nu lijkt het er eerder op dat je in een val van een verkeerde plottwist bent gelopen. Lees daar hier meer over.

Zou mijn personage dit doen?

Zorg ervoor dat je personagebiografie in orde is. Dat helpt om je personage realistisch en duidelijk te houden wanneer iemand hem liever iets anders ziet doen.
Je schrijft over een verpleegster die in een ziekenhuis werkt en je proeflezer oppert dat ze in een verzorgingstehuis kan gaan werken.
Die wisseling van baan vergt afwegingen als:
* Wil ik een nieuwe uitdaging of ben ik tevreden waar ik nu ben in mijn carrière?
* Vind ik het leuker om met bejaarden te werken dan met de baby’s die ik nu verpleeg?
* Wil ik mijn hogere salaris inleveren om te kunnen werken met een leukere doelgroep?
Het uiteindelijke resultaat van die afwegingen bepaalt of je een suggestie kan doorvoeren of niet.

Je moet ook afwegingen maken als een suggestie een andere denkwijze van het personage vraagt: is het bereid (of zelfs in staat!) om na een jaar van werkloosheid een laaggeschoold baantje aan te nemen als het altijd gewend is om een belangrijke, hoge functies te bekleden?
“Nood breekt wet, want een schoorsteen moet roken” is niet per definitie een aanvaardbaar uitgangspunt. Als je personage uitzonderlijk trots is, zal hij liever zijn spaargeld tot op de laatste cent besteden. Als hij zo nog langer kan zoeken naar werk in zijn normale functie en dat verhindert dat niemand hem laaggeschoold werk ziet doen…

Blijft het centraal conflict hetzelfde?

Je schrijft over een eenzaam personage dat verliefd wordt en die liefde blijkt wederzijds. Als het moment daar is dat de vonk overslaat, dan komt die belangrijke vraag: kussen ze meteen?

Optie 1: Ja.
Die eerste kus is zo’n opluchting voor je personage dat hij eindelijk weer iemand heeft, dat het niet bij zoenen blijft: een zwangerschap volgt. Dit schrijf je vanwege het verhaalthema ‘onvoorwaardelijke liefde’. Is een ongeplande zwangerschap daartegen bestand? Daarvoor zal je het boek moeten uitlezen…

Optie 2: Nee
Vanwege de eenzaamheid is de eigenwaarde van je personage gekelderd en durft hij zich niet aan de liefde over te geven. Het verhaal gaat verder over hoe het personage zijn eigenwaarde terugvindt voordat er uiteindelijk gekust wordt.

Optie 1 heeft als centraal conflict ‘ongeplande zwangerschap’, optie 2 ‘zelfontplooiing’. Niet bepaald hetzelfde… En dat alles vanwege een beslissing over een kus.
Als je proeflezer zegt dat hij bepaalde gebeurtenis anders wil zien, bedenk dan of die aanpassing het centrale conflict zou veranderen. Welke verandering je ook aanbrengt, (uit eigen initiatief of vanwege een proeflezer): zorg ervoor dat de vraag: “Waarom gebeurt dit?” nooit wordt beantwoord met: “Omdat iemand dat graag wilde.”

Feedback als avontuur

Feedback krijgen kan eng zijn: het kan blootleggen dat je een schrijftechniek die je dacht te beheersen nog meer moet oefenen. Je zal ‘Kill your darlings‘ niet kunnen negeren. Maar bekijk het zo: de afwegingen die je maakt kunnen een fantastische ontdekkingsreis zijn voor jou (en je proeflezers). Je kan de afwegingen of alternatieve scenario’s van een scene in je opschrijfboekje uitwerken.

Als je feedback verwerkt, kan je balen van een verdwaald gevoel, of het als avontuur zien.

Als je de zuster toch met bejaarden laat werken, kom je er plotseling achter dat ze heel sterk is, omdat ze met gemak een zware rolstoel optilt. Dat had je niet geweten als je haar nooit van de couveuseafdeling had gehaald.
Ook al blijft onze zuster in het boek bij de baby’s, je kan nu wel een interessante scène toevoegen waar haar fysieke kracht goed van pas komt.

Feedback verwerken vergt moed, maar als je het aandurft, zal je beloning groot zijn!

Doelgroep: voor wie schrijf je?

Als je duidelijk hebt voor welke doelgroep je schrijft, zal je verhaal vaker met plezier worden gelezen. Hoe schrijf je op een manier die je doelgroep aanspreekt?

Ijkpersoon: wie is je doelgroep?

Een ijkpersoon is een fictief persona die jouw ideale ‘gemiddelde lezer’ voorstelt. Maak een ijkpersoon door net als voor je personages een biografie te schrijven. Verwerk daar dingen in als:
* Is het een man of vrouw?
* Hoe oud is hij of zij?
* Wat zijn zijn of haar interesses?
* In wat voor gezin woont hij of zijn?
* Heeft hij of zij een baan? Wat voor een en hoe druk is die?
* Wat is de sociaaleconomische achtergrond?
* Welke etniciteit heeft je ijkpersoon?
* Hoe goed kan deze persoon lezen (nog maar net omdat ze in groep 4 zit, of heel goed omdat ze hoogwaardige literatuur leest?)

Als je een ijkpersoon maakt, weet je voor wie je schrijft en zo blijft je schrijfstijl hetzelfde. Als je weet dat je doelgroep lager geschoold is, ga je niet met ellenlange zinnen of ingewikkelde woorden strooien.

Doelgroep: voor welke leeftijd schrijf je?

Hou goed in de gaten voor welke leeftijd je schrijft. Bedenk wat typerend is voor de leeftijdsfase van je ijkpersoon. Denk hierbij aan:
* Kleuters gaan voor het eerst naar school;
*Tieners gaan experimenteren met dingen als alcohol, roken, seks en grenzen verleggen;
*De twintiger wil meer van de wereld zien of een gezin stichten;
* De vijftiger zit in een mogelijke midlifecrisis en heeft behoefte aan spanning;
* De bejaarde kijkt terug op het leven en heeft meer behoefte aan rust.

Je weet niet wat dit meisje leest, maar het is waarschijnlijk geen Charles Dickens…

Natuurlijk zijn er grijze gebieden. Een tiener kan net zoveel van een goede detective genieten als een oude dame dat kan. Maar het is altijd handig om een algemeen beeld te hebben. Ook voor je personages! Het is geloofwaardiger om je bejaarde personage de wijze in het verhaal te maken dan de tiener…

Wat begrijpt je doelgroep?

Niet iedereen heeft hetzelfde leesniveau. Bij kinderen spreekt dat voor zich: een kind van zes hakt woorden nog in stukjes, een kind van twaalf leest een hele pagina in een paar minuten. Maar ook niet alle volwassenen begrijpen alles wat ze lezen, al naargelang hun opleiding.
Een hoogopgeleide zal de zin: ‘Het prachtig vervaardigde schilderij gaf een authentiek beeld van de betreffende tijdsperiode, hoewel het tevens een aantal irrelevante overdrijvingen leek te bevatten om de herkomst en levensomstandigheden te kunnen weerspiegelen,’ begrijpen. Maar iemand met een gemiddelde opleiding kan hier geen touw aan vastknopen. Waarom niet?

* De zin bevat moeilijke woorden;
* De zin is lang;
* De zin gaat indirect uit van een bepaalde voorkennis.

De voorbeeldzin wil duidelijk maken dat een kimono overdreven veel aandacht kreeg, zodat het duidelijk was dat het schilderij een scène voorstelde uit de hogere klassen in Japan. Maar is dat wel overdreven? Als jouw lezer niet weet of een kimono in Japan of China werd gedragen en wanneer, waarom en door wie, dan is het helemaal niet zo logisch.
Probeer duidelijk te krijgen waar jouw ijkpersoon (voor)kennis van heeft. Schakel daarom een proeflezer in die veel wegheeft van jouw ijkpersoon.

Schrijven voor een brede doelgroep

De website van Loo van Eck biedt een programma dat je tekst controleert op leesbaarheid. Als je je tekst invoert, komt er een cijfer uit. A1, A2 en B1 zijn teksten waarvan je uit kan gaan dat een gemiddelde volwassene hem begrijpt. Met een B2, C1 en C2 zijn de teksten niet meer te begrijpen voor de meeste mensen.

Zorg ervoor dat je lezer niet het gevoel krijgt dat hij een moeilijk examen aan het maken is.

Doelgroep van een genre

Sommige genres staan erom bekend dat ze een min of meer vaste doelgroep hebben. Het makkelijkste voorbeeld zijn de romantische verhalen: zij trekken voornamelijk vrouwen aan. Je kan het wiel opnieuw proberen uit te vinden, of je kan van andere boeken leren. Lees een aantal van de beste boeken van je genre en ga daar eens spieken. Let nu niet op plotontwikkelingen, maar op dingen als:
* Hoe lang zijn de zinnen?
* Hoe vaak worden er uitroeptekens gebruikt?
* Wat is het taalgebruik van de meeste personages (bijvoorbeeld hip of ouderwets?)
* Wat komen personages vaak tegen wat niets met het genre te maken heeft?

In het geval van het romantische verhaal moet je bij de laatste vraag niet denken aan een uitgedoofd liefdesleven en een sexy buurman, maar aan dingen als:
* Zijn de vrouwen alleenstaande moeders of hebben ze een gezin?
* Woont het hoofdpersonage in de stad of op het platteland?
* Wat is de sociaaleconomische status van het hoofdpersonage?
* Hoe oud is het hoofdpersonage?

Als je dit ontdekt, dan zul je merken dat je een idee van de doelgroep krijgt. Een hoofdpersonage moet herkenbaar zijn voor de lezer en elementen als hierboven kunnen daarop inspelen.
Let op: dit is geen waterdichte regel. Uiteraard kun je ook over iets schrijven zodat de lezer een kijkje in de keuken van iets onbekends krijgt (als je historische romans of verhalen over andere culturen schrijft, bijvoorbeeld).
Maar als je tussen de regels van een genre door leest, zal je merken dat bepaalde zaken vaak terug komen. Wees alert en noteer wat je opvalt, zodat je later je eigen conclusies kan trekken. Dat is ook een reden waarom je als schrijver veel moet lezen.

Proeflezers inschakelen

Je schrijft een perfect boek, toch? Proeflezers zullen dat tegenspreken, maar juist als je hen inschakelt, kan je ervoor zorgen dat je boek inderdaad vrijwel perfect wordt.

Waarom heb je proeflezers nodig?

Als je schrijft, heb je altijd blinde vlekken: fouten of zwakke plekken die je zelf niet ziet. Dit kunnen grammaticale fouten zijn die je na eindeloze revisies niet meer ziet, maar ook darlings zijn voor schrijvers vaak onzichtbaar.
Daarnaast ga je er als schrijver vanuit dat lezers bepaalde verwijzingen, plotwendingen of motieven begrijpen. Een proeflezer kan nagaan of dat klopt en zeggen of je verhaal prettig leest.

Proeflezers om hulp vragen

Neem niet meer dan vijf proeflezers, anders verdrink je in veel verschillende visies en meningen.
De ideale proefpersoon:
* kan op grammatica en spelling controleren;
* behoort tot je doelgroep;
* weet hoe een goed boek in elkaar steekt: waarom werkt iets (niet)?
* is zakelijk: houdt geen kritiek voor zich om je gevoelens te sparen, maar maakt die kritiek ook niet persoonlijk.

Misschien ken je iemand die aan al deze criteria voldoet, maar je kan ook voor elk punt een ander persoon inschakelen. Alleen het laatste punt is essentieel voor iedere proeflezer.

Pas op met het kiezen van proeflezers!

Je kan niet zomaar iedereen je proeflezer maken. Daar is een aantal redenen voor.

* Vaak voldoet je partner, moeder of beste vriend niet aan dat laatste essentiële punt. Ze zeggen zelden dat je nog iets moet verbeteren en vinden alles aan je boek fantastisch. Omdat jij de auteur bent, hebben ze een roze bril op en/of zijn ze bang je te kwetsen. Als je geluk hebt, heb je naasten die dat niet doen. Je kunt de proef op de som nemen door jezelf de volgende vraag te stellen: Als deze persoon moet kiezen, gaat hij mijn gevoelens dan sparen/ mijn ego strelen of gaat hij of zij mij vooruit helpen?
* Als je een genre schrijft dat die persoon niet ligt, kan diegene niet volledig neutraal naar je tekst kijken. Het is prima om de proeflezer een uitstapje te laten maken naar een ander genre dan hij meestal leest; je kan een liefhebber van bouquet een futuristische utopie laten lezen. Maar als jij vervolgens een horror schrijft, kan het verhaal om verkeerde redenen worden afgekeurd. Iedereen heeft zo zijn bril die hij nooit volledig af kan zetten.

Proeflezers inschakelen: beter vroeg dan ooit

Schakel je proeflezers zo vroeg mogelijk in. Als je ‘ooit eens’ met proeflezers begint, moet je misschien je halve plot omgooien als je de opmerkingen van de proeflezers er nog in wilt verwerken. “Ik kan de motieven van je personage niet volgen,” wil je niet horen als je al op driekwart bent met schrijven, want zoiets als een motief moet niet verwarrend zijn. En als je dan al ver bent met je verhaal, moet je heel veel wijzigen aanbrengen om het uiteindelijk weer een kloppend geheel te maken.

Vragen voor je proeflezers

Als je bepaalde dingen wilt controleren, kun je bepaalde vragen meegeven die je bij elke nieuwe tekst die je laat proeflezen terug laat komen. Dit kunnen vragen zijn als:
* Is het verhaal nog interessant?
* Kun je de beweegredenen van de personages nog volgen?
* Wat verwacht je dat er gaat gebeuren?

Proeflezers geven je een kwalitatief uitstekende checklist!

Pas op dat je deze lijst niet te lang maakt, want dan kan proeflezen als een zware opgave voelen. Zorg er ook voor dat je proeflezers zelf met vragen of opmerkingen kunnen komen. Dus vraag ook (zo niet als eerst!) “Heb je zelf iets opgemerkt?” of “Wat is je eerste indruk?”. Juist de dingen waar je niet (meteen) aan denkt, heb je het hardst nodig, want dat zijn jouw persoonlijke blinde vlekken. Een voordeel dat proeflezers naast feedback geven nog meer hebben, is dat ze je op dingen kunnen wijzen die je zelf niet ziet.

De hamvraag voor je proeflezers: Waarom?

Met welke vraag jij ook komt of wat je proeflezer ook aandraagt, de belangrijkste vervolgvraag is altijd: waarom?
Waarom kan de lezer zich nog steeds inleven? Waarom is de spanning verdwenen? Waarom irriteert dit personage opeens? Zorg ervoor dat je dat antwoord helder hebt, zodat je waar nodig kan aanpassen en ook weet hoe je dat effectief doet.

Feedback van de proeflezer meenemen

Onthoud bij zowel feedback ontvangen als verwerken: niemands mening is hier heilig. De jouwe niet, maar ook niet die van je proeflezers. Houd je niet koste wat kost vast aan je eigen ideeën, want uiteindelijk moet je verhaal bij (proef)lezers die je boek gaan kopen in de smaak vallen. Als je vaak te horen krijgt dat iets niet fijn leest, moet je aanpassingen durven maken.
Maar waak er ook voor dat je jouw verhaal in handen legt van je proeflezers: ga ze niet onnodig en eindeloos lopen plezieren. Zij blijven een handvol individuen en jij blijft de schrijver.
Als je van een proeflezer te horen krijgt dat hij Fatima liever ziet eindigen met Hakkim dan met Abdul, kun je dat veranderen. Maar dat kan gevolgen hebben, want:
* andere lezers zien Fatima en Abdul misschien wèl als het ideale stel;
* plotwendingen hebben dan misschien geen bestaansrecht meer of verliezen hun kracht;
* het kan je thema of moraal schaden. Het maakt een groot verschil of Fatima eindigt met de maffiabaas Abdul of de bankdirecteur Hakkim.

Zowel jij als je proeflezer moet niet te veel worden verwend.

Zeker als aanpassingen maken betekent dat je je verhaalthema of moraal moet veranderen, moet je je goed afvragen of je proeflezer niet teveel in de watten legt. Je kiest je verhaalthema en moraal niet zomaar. Als je proeflezer dat liever anders ziet, dan moet hij voor zijn favoriete thema maar een ander boek gaan lezen. Let dus goed op de balans van aanpassen en behouden als je proeflezers inschakelt.