Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage ergens voor strijdt?
Van koene ridders tot milieuactivisten en alles daartussenin: je personage kan allerlei redenen hebben om ergens voor te strijden. En hoewel het zich daardoor meestal als held ontpopt zijn er een aantal factoren waar je op moet letten. Voor je het weet is je personage eerder een schurk of wordt het overdreven heilig.
De beloning
Voor niets gaat de zon op. Nu is dat voor een verhaal niet erg, maar je moet wel weten welke beloning je personage in het vooruitzicht heeft. Soms is hij zich bewust van deze beloning, soms ook niet. Misschien moet je die abstract of juist duidelijk naar voren laten komen. Kijk goed naar deze beloning. Er is niets mis met een personage dat meedoet aan een demonstratie om zo te leren zichzelf wat meer te laten gelden. Dan is de beloning het verkrijgen van meer zelfvertrouwen en zelfontplooiing. Iets voor je verhaalthema, misschien? Maar de middeleeuwse ridder die een sexy lamp als beloning in het vooruitzicht heeft, moet terug naar de tekentafel.
De boodschap
Wereldvrede willen we allemaal, maar het is makkelijk gezegd dat je daarvoor strijdt. Denk aan Miss America met haar mooie tiara. Als ze meent wat ze zegt, zou ze ook bereid moeten zijn naar oorlogsgebied te gaan en daar voedsel aan oorlogsslachtoffers moeten geven. Of een toespraak willen houden voor de Verenigde Naties, zonder kroontje, glitterjurk en make-up, desnoods in gerafelde kleren. Als het, met andere woorden niet om háár, maar om haar eigenlijke acties zou draaien.
Laat je personage niet alleen zeggen dat hij ergens voor strijdt, maar laat het dat ook daadwerkelijk doen. Let erop dat de acties van je personage ook op verschillende momenten en op verschillende manieren terugkomt, anders komt het nog steeds erg makkelijk over. Als je demonstreert voor mensenrechten, ben je nog geen strijder voor die rechten. Dan moet je meer doen dan eenmalig een uur met een spandoek rondlopen. Laat je personage dan ook vrijwilligerswerk doen, werken voor Amnesty International en langdurig bloggen over mensenrechten.
Het is niet erg als je personage het laat bij een enkele demonstratie. Maar bedenk je dan wel of het doel waar je personage zich voor inzet voldoende naar de voorgrond komt om hem een strijder te noemen. Als je die heldentitel te makkelijk weggeeft, wordt je personage een irritante moraalridder, in plaats van de held die je wil dat het is.
De middelen
‘Alles is geoorloofd.’ Is dat zo? Mag je geweld gebruiken om je doel te bereiken? Mensen ontvoeren om zo aandacht te krijgen van de pers? Jouw antwoord heeft een groot effect op de manier waarop de lezer naar je personage kijkt. Je kan je held de nodige scherpe randjes geven door bepaalde middelen niet te schuwen en daarmee een ethisch vraagstuk meegeven aan je verhaalthema. Bedenk wel dat hoe extremer je daar in bent, hoe moeilijker het wordt voor de lezer om je held nog als zodanig te respecteren. Bij sommige verhalen is dat exact de bedoeling, andere keren is het een doodsteek, omdat je lezer zich belazerd voelt en een sympathieke held in het verhaal verwacht.
Wat heb ik genoten van mijn bezoek aan Powell´s Books in Portland! Een bezoek aan een boekenzaak met een miljoen boeken vergeet je niet zo snel!
Sfeerimpressie Powell’s books Portland
Hier volgen een aantal foto´s van Powell’s books als sfeerimpressie. Bedenk dat wat je ziet op de foto je met gemak tientallen keren kan vermenigvuldigen 😀
Boekenkasten waar een ladder soms niet overbodig is. Hoe vaak kom je dat nog tegen? 🙂 Leuk detail: de bovenste planten van de kasten dienen als ‘voorraadplanken’ waar het personeel een boek kan pakken. Zo zie je meteen welke boeken er nog op voorraad zijn en zien de kasten er gezellig vol uit! Powell’s books heeft de ruimten verdeeld in verschillende kleuren om je weg te wijzen in een ruimte die zowat een hele straat bedekt 🙂
Uitslag Portland Pen schrijfwedstrijd
Ik heb minstens net zo veel genoten van het organiseren van mijn eerste schrijfwedstrijd en het lezen van de ingezonden verhalen als aan mijn bezoek aan Powell’s Books! Via deze weg wil ik iedereen die dat gedaan heeft dan ook hartelijk danken voor het meedoen aan de wedstrijd. Er kwamen veel verschillende verhalen voorbij: van thrillers tot aan feelgoods. Uiteindelijk heeft het verhaal ‘Ontspoord en weer op de rails gezet’ van Lucy Neetens gewonnen.
Lucy heeft haar feedback en het opschrijfboekje inmiddels ontvangen en mij toestemming gegeven om haar verhaal op mijn blog te delen. Ik hoop dat jullie net zo veel van haar verhaal genieten als ik dat gedaan heb. Gefeliciteerd, Lucy!
Ik weet nog niet wanneer en hoe, maar ik wil na het organiseren van ‘Portland Pen’ zeker nogmaals een schrijfwedstrijd uit gaan schrijven! Hou de blog dus in de gaten. Wie weet ben jij de volgende winnaar.
Ontspoord en weer op de rails gezet — Door Lucy Neetens
Zaandam. De trein mindert vaart. De gevels van de gebouwen die ik zie zijn precies wat een toerist van Nederland verwacht. New York lijkt een mensenleven geleden. Toch ben ik hier pas twee dagen. Gisteren tekende ik de scheidingspapieren. In Hoorn. Natuurlijk had ik dat ook vanuit New York kunnen doen, maar dat voelde niet goed. Josh en ik hebben immers ook goede tijden gekend en ik wilde op een nette manier afscheid nemen. Van hem en van onze jaren samen. Misschien dat New York daarom zo mijlenver geleden lijkt. Sinds ik hier ben, heb ik een mensenleven met Josh afgesloten. Nog voor de trein goed en wel stilstaat, sta ik op. Haastig been ik achter enkele andere passagiers aan naar buiten. Ik heb niet meer dan twee minuten overstaptijd. Dat lijkt ondoenlijk, maar de trein naar Maastricht vertrekt van spoor 4 en ik kom aan op spoor 5. Dat moet dus lukken. Eenmaal uitgestapt, word ik zowat ondersteboven gelopen door een man die van links naar rechts over het perron zwalkt. ‘Bro, ik kom naar je toe. Ik weet dat het niet kan, want je bent er al drie jaar niet meer, maar ik kom toch naar je toe,’ schreeuwt hij. Geschrokken kijk ik hem na. De man is gekleed in een enigszins smoezelige regenjas en een jeans met scheuren. Daaronder draagt hij een paar, ontzettend uit de toon vallende, rode, leren schoenen. Wat een rare snoeshaan. Is hij dronken? Onder invloed van iets anders? Of wordt hij overmand door verdriet omdat die ‘bro’ dood is? Maar als iemand al drie jaar dood is, ben je toch niet meer zo van slag dat je lallend over een perron zwalkt? Ik haast me zo ver mogelijk bij de man vandaan en stap in de trein die staat te wachten op spoor 4. Gelukkig is het nog rustig in de coupé. Ik installeer me en haal de meegebrachte thermoskan met koffie uit mijn rugzak. Voorzichtig schroef ik de dop eraf en schenk er wat koffie in. Niet veel later ben ik verdiept in mijn boek. Opeens schrik ik op. Op de stoel tegenover me wordt een volgestouwde Vomar draagtas neergezet. Verdorie. Het is die zonderling van zo-even. Gaat hij nu echt tegenover mij zitten, terwijl de hele verdere wagon leeg is? Nee, hij gaat niet zitten. Hij blijft heen en weer wandelen. Mompelend. Zo nu en dan loopt hij de coupé uit en dan blijft hij een paar minuten weg. Iedere keer dat hij terugkomt, legt hij weer iets neer op de stoel tegenover die van mij. Zijn jas. Twee paraplu’s: een rode en een zwarte. Zijn mobiel. Vooral dat laatste maakt me bang. Ik heb weleens gehoord dat mobiele telefoons kunnen dienen als ontstekingsmechanismen van een bom. Moet ik aan de noodrem trekken? Maar als hij dat in de gaten krijgt, blaast hij de boel natuurlijk onmiddellijk op. Zal ik een andere coupé opzoeken of maak ik hem dan juist kwaad? Moet ik het gesprek aangaan? Als hij weer in het gangpad verschijnt, hef ik mijn thermosfles naar hem op. ‘Wil je misschien ook een kop koffie?’ Hij ploft neer en neemt de beker van me aan. ‘Wijn van de Islam,’ zegt hij en heft de beker in een proostend gebaar naar me op. Zie je wel. Knots-knettergek.
Waarschijnlijk sprak mijn blik boekdelen, want als hij zijn koffie op heeft, begint hij te vertellen. ‘Het stimulerende effect van koffie op het menselijk lichaam werd bij toeval ontdekt door een herder uit de provincie Kaffa in Abessinië, het huidige Ethiopië. Omdat zijn geiten ’s nachts niet konden slapen, wendde hij zich tot de monniken van een nabijgelegen klooster. Zij wisten het mysterie te ontrafelen. De geiten aten graag van de vruchten van een vreemde plant: de koffieplant. Toen de monniken de bessen zelf proefden, waren ze zo teleurgesteld in de bittere smaak dat ze de vruchten in het vuur gooiden. Niet lang daarna prikkelde een heerlijk aroma hun neus. Uit nieuwsgierigheid, bereidden de monniken een aftreksel van de geroosterde bessen en na het drinken daarvan zaten ze boordevol energie. Ze beschouwden de vruchten als een geschenk van God. Vervolgens werd de hele islamitische wereld veroverd door de “nuchtere dronkenschap” – met zijn vingers schrijft hij aanhalingstekens in de lucht – van deze zwarte drank. De naam koffie is afgeleid van het Arabische woord qahwah, wat wijn betekent en aangezien de Moslims geen alcohol mogen drinken, werd koffie de wijn van de Islam.’ ‘Interessant.’ Gedurende zijn uiteenzetting lijkt hij in niets op die vreemde snuiter van daarvoor. Ik schenk onze bekers nogmaals vol. Ineens komt de trein met een schok tot stilstand. De koffie gutst over de randen van onze bekers. Mijn metgezel vliegt overeind en vervolgt zijn routine van voor ons koffie-intermezzo. Na een paar minuten klinkt er een blikken stem uit de luidsprekers. Er mankeert iets aan de machinerie. De reparateurs zijn onderweg, maar we moeten er rekening mee houden dat de vertraging minimaal een uur gaat duren. Verdomme. Ik denk het, mijn metgezel schreeuwt het en slaat daarbij met zijn vuist op het hoofdsteun van de stoel naast me. Ik krimp in elkaar. Dan schiet ik overeind, mompel een excuus en verlaat de coupé zo snel mogelijk. Ik verstop me op het toilet. Een paar minuten later bonst er iemand op de deur. Zal het slot het houden? ‘Alles goed daar?’ Het is volgens mij niet de stem van mijn gestoorde medereiziger. Voorzichtig draai ik de deur van het slot. Door een kiertje zie ik … ‘Pfft.’ Het is de treinconducteur. Opgelucht open ik de deur. ‘Een man in mijn coupé gedroeg zich nogal vreemd, ik ben gevlucht,’ mompel ik enigszins gegeneerd. ‘Waar?’ Ik wijs in de richting van mijn coupé. ‘Getinte man. Donkere krullen. Vlassig baardje. Rode schoenen. Volgepropte Vomar tas. Twee paraplu’s.’ ‘Wacht hier, ik ga een kijkje nemen.’ ‘Ik wil verderop in de trein een plekje zoeken, maar mijn rugzak staat nog daar. Kunt u die misschien voor me pakken? Het is een bruine met een oranje veter aan de voorzijde.’ Het duurt lang. Was de conducteur dringend elders nodig? Is hij me vergeten? Aarzelend loop ik terug naar mijn zitplaats en het tafereel dat ik daar aantref …
Het is alsof ik plotsklaps in een misdaadroman ben beland. Mijn metgezel zit jammerend, met mijn thermosfles in zijn handen, op zijn knieën naast de treinconducteur die knock-out op de grond ligt. Bloed sijpelt uit een wond op het hoofd van de conducteur. ‘Ik wil niet terug naar de gevangenis,’ mompelt mijn coupégenoot keer op keer. Godallejezus, is hij een crimineel? Bijna wint mijn neiging om te vluchten, maar ik kan die arme conducteur toch niet aan zijn lot overlaten? Is hij …? Nee, zijn borstkas gaat nog lichtjes op en neer. Zal ik 112 bellen of krijg ik dan ook een slag op mijn harses met mijn eigen thermoskan? ‘Wat is er gebeurd?’ Verschrikt kijkt mijn medereiziger op. ‘Hij … Hij probeerde je rugzak te stelen. Ik moest hem tegenhouden.’ Een nerveuze giechel ontsnapt aan mijn lippen. Dat heb ik weer. Twee redders in nood vechten om een been en de derde gaat ermee heen. ‘We moeten hulp halen.’ ‘Nee, nee, nee, ik wil niet terug naar de gevangenis.’ Hoe kan ik én die treinconducteur helpen én die crimineel te vriend houden? Mijn hersens maken overuren, draaien steeds dezelfde zinloze rondjes en komen tot niets. Kunnen je hersens een burn-out hebben? Of ben ik in shock? ‘Dan slepen we hem weg,’ zeg ik even later gedecideerd. ‘Als we hem naar het halletje voor onze treincoupé slepen, vinden ze hem daar wel. Ik heb ooit een ongeluk gehad waarbij ik een paar minuten het bewustzijn verloor en ik heb nog altijd een gaatje in mijn geheugen van wat er kort voor en kort na het ongeluk gebeurde. Hopelijk heeft hij – ik knik in de richting van de bewusteloze treinconducteur – hetzelfde.’ ‘En zo niet?’ ‘Dan getuig ik dat jij steeds bij mij in de coupé zat en dat je dus niets met dit alles te maken kan hebben gehad.’ ‘Echt?’ ‘Echt.’ En dus slepen we de conducteur naar het halletje. En boenen we met natgemaakte papieren zakdoekjes de bloedvlekken weg. En gooit mijn metgezel mijn thermoskan met een ferme zwaai door het opengeschoven raampje van onze treincoupé naar buiten. ‘Je krijgt een nieuwe,’ zegt hij als hij mijn blik opvangt.
Nadien zitten we een poosje zwijgend tegenover elkaar. Wat zal er in zijn hoofd omgaan? Is het daar net zo’n chaos als in dat brein van mij? ‘Ik ben Julia,’ zeg ik en ik steek mijn hand uit. Met een crimineel kun je maar beter vrienden worden, toch? ‘Yanis.’ ‘Ga je naar Maastricht?’ Hij knikt. ‘Ik ook. Ik ga een weekend logeren bij mijn oudste zus.’ ‘Ik ga naar mijn broertje.’ Zal dat die ‘bro’ zijn waar hij het eerder over had? Maar die was er toch al drie jaar niet meer? ‘Hij is overleden toen ik in de gevangenis zat.’ Ik bijt op mijn lip. Moet ik hierop reageren? Vragen naar het waarom? Of kan ik beter doen of ik die laatste opmerking niet heb gehoord? ‘Drugs,’ zegt hij nog voor ik een beslissing heb genomen. ‘Hoe … Waaraan is je broer overleden?’ ‘Een aanslag. Hij heeft weken in coma gelegen.’ Hebben Yanis’ drugszaken met die aanslag te maken? Is hij vanwege die gebeurtenis doorgedraaid? Alhoewel … Sinds mijn terugkeer van het toilet lijkt hij veel normaler dan daarvoor. Kan de schrik hem ontnuchterd hebben? ‘Ik heb niet aan zijn sterfbed gezeten. Geen gebeden gereciteerd. Niet samen met Mahjoub de shahāda opgezegd om hem te ondersteunen in zijn overgang naar het hiernamaals. Geen zegeningen verdiend.’ Onrust flikkert in zijn ogen. Is het angst voor de wraak van Allah? In elk geval lijkt het feit dat hij niet bij zijn broer kon zijn in diens laatste levensfase behoorlijk traumatisch voor hem te zijn geweest. Verklaart dat zijn gedrag? ‘Ik ga zijn graf bezoeken.’ ‘Heftig.’ Achter mijn rug hoor ik enig tumult. Is de conducteur gevonden? ‘Ik ga even kijken, oké?’ Met mijn duim gebaar ik naar de ruimte achter me. Yanis schokschoudert. In het halletje van de trein zit de conducteur. Kreunend. Met zijn hand strijkt hij voorzichtig over de wond op zijn hoofd. ‘Wat is er gebeurd?’ Ik voel me Juffertje Schijnheil. ‘Ik … Ik weet het niet.’ Ik zie geen herkenning in zijn ogen. Dat stemt me hoopvol. ‘Wacht, ik haal een pleister.’ Yanis zit in gedachten verzonken voor zich uit te staren. ‘Hij is weer aanspreekbaar,’ sis ik en ik haast me met mijn rugzak terug naar de conducteur. Met een papieren zakdoekje dep ik de wond en daarna plak ik er een pleister op. ‘Kunt u opstaan?’ Voorzichtig help ik hem overeind. ‘Bent u duizelig?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Bent u gevallen?’ Juffertje Schijnheil in het kwadraat. Hij staart naar het trappetje. ‘Ik weet het niet.’ ‘Misschien moet u er toch even iemand naar laten kijken.’ Hoe zit dat eigenlijk in een trein? Is de conducteur niet zelf de EHBO’er? Zijn er meerdere conducteurs in deze trein aanwezig? Dat zal wel niet in deze tijden van arbeidskrapte. ‘Als de trein is gerepareerd enzo.’ ‘Hebben we een defect?’ Oei, het gaatje in zijn geheugen is een gat. ‘Kom, ga hier even zitten. Ik haal een bekertje water voor u.’ ‘Dank je,’ zegt hij als ik hem het bekertje overhandig. ‘Gaan we een keer iets drinken?’ Hij knipoogt. De man heeft lieve, ondeugende ogen. Grijsblauw. Een geprononceerde neus. En een vrijwel kaal hoofd met een waas van donkere stoppels. Gelukkig dat hij alweer grapjes kan maken. Dat lijkt me een goed teken.
Twintig minuten later gaat de conducteur – zijn naam is Martin en hij heeft mijn mobiele nummer in zijn telefoon gezet met de belofte van een bedank-drankje – weer aan het werk. Ik keer terug naar mijn partner in crime. ‘Wil je mee?’ vraagt Yanis. ‘Eh …?’ Mee waarheen? ‘Naar een andere coupé?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Naar mijn broertje.’ ‘Ik weet niet of …’ Durft hij niet alleen? ‘Is er niet iemand die je liever meeneemt?’ ‘Ik durf mijn familie en vroegere vrienden niet meer onder ogen te komen. Zij …’ Veroordelen zij hem? Geven ze hem geen tweede kans? ‘Oké, ik ga mee.’ Ik begrijp mezelf niet. In plaats van zo snel mogelijk van deze onvoorspelbare man af te komen, bied ik nu aan om hem te vergezellen naar het graf van zijn broertje. ‘Mag ik als niet-moslim wel op die begraafplaats komen?’ Mijn vraag is een laatste, halfslachtige poging om onder mijn belofte uit te komen. ‘Het is een algemene begraafplaats.’ Mislukt.
En zo staan mijn vreemde reisgezel en ik aan het eind van de middag bij het graf van zijn broer. Yanis zet zijn Vomar-tasje vlak voor de grafzerk neer en legt de twee papaplu’s in het gras. Dan strijkt hij met zijn hand over de gebeitelde, voor mij onleesbare letters in de staande steen. De geboortedatum en sterfdatum van zijn broer kan ik wel lezen. Een snelle rekensom leert me dat Mahjoub slechts negentien jaar oud is geworden. Ik slik. Yanis merkt het en pakt mijn hand. ‘Allahoe akbar,’ mompelt hij. En daarna zegt hij nog een heleboel. Praat hij met zijn broer? Zegt hij verzen uit de koran op? In elk geval zie ik zijn gezichtsuitdrukking met de minuut meer ontspannen. Blijkbaar geeft het bezoek aan het graf van zijn broer hem rust. ‘Ben je erg verdrietig?’ vraag ik als we de begraafplaats verlaten. ‘Een beetje,’ antwoordt hij, ‘maar Mahjoubs ziel zal verrijzen. Doen we nog een koffietje?’ Hij wijst op een café aan de overkant van de straat. ‘Ik trakteer.’ We drinken koffie en zwijgen. Het voelt niet onprettig. Zwijgen is misschien wel de enige juiste manier om deze bizarre ontmoeting af te sluiten: we zetten er een zwijgpunt achter. Als we na de koffie het café verlaten, regent het. Yanis overhandigt me de rode paraplu. ‘Je moet altijd zorgen dat je twee paraplu’s bij je hebt,’ zegt hij met een scheve glimlach. ‘Eentje voor jezelf een eentje voor een vriend.’
Ik knipper een traan weg uit mijn ooghoeken. ‘Dank je wel, Yanis.’
Exact een jaar later trouw ik met Martin. New York lijkt mensenlevens gelden. Slechts één keer ben ik terug geweest. Om de zaken daar af te handelen. Martin weet inmiddels wat er op die bewuste dag in de trein is gebeurd. Hij neemt Yanis niets kwalijk. ‘Dankzij hem ben ik nu met jou.’ Yanis is op deze bijzondere dag mijn getuige. Zijn huwelijkscadeau is een thermoskan. Op het zilverkleurig gedeelte liet hij een hartje graveren met de initialen van Martin en mij. Van zijn rode paraplu heb ik een lamp gemaakt. En als ik tegenwoordig de deur uitga, zitten er in mijn rugzak altijd twee paraplu’s. Een gele en een geruite. Eentje voor mezelf en eentje voor een vriend.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage ziek is?
Een personage is bijna altijd ernstig ziek: zelden is het slechts een paar dagen geveld door de griep. Als je personage echt iets zwaars onder de leden heeft, kan het al snel het hele verhaal opslokken. Zo schrijf je interessant over een ziek personage: of dat nu een onschuldige verkoudheid of iets veel ergers betreft.
De banale ziekte
Een paar dagen koorts, een enkele dag extreme buikpijn: je leest het bijna nooit in een verhaal. Tenzij het een voorbode is van een ernstige ziekte die later aan het licht komt. Dat komt omdat het onder het parapluutje van ‘alledaagse bezigheden’ valt. Net als een toiletbezoek, douchen, koffiepauze onder het (thuis)werken of het doen van huishoudelijke klusjes. Vrijwel altijd zijn deze gebeurtenissen zodanig nietszeggend dat je het niet interessanter kan maken dan het is. Daarom worden deze zaken vaak overgeslagen of simpel samengevat: met tegenzin begon Quan aan de afwas; hij wilde meteen door naar de bioscoop, waar hij hoopte het kassameisje te kunnen versieren.
De ernstige ziekte
De ernstige ziekte slokt het hele leven van het personage op, soms bijna letterlijk. In dat opzicht is het de exacte tegenpool van de banale ziekte. Pas bij deze ziekte vooral op dat je het verhaal niet verandert in een verhaal over een medisch dossier waar toevallig ook nog een personage bij hoort. Zorg er wel voor dat je een globale kennis hebt van het ziekteverloop: je moet een element wat belangrijk is voor een verhaal realistisch kunnen portretteren.
Pas op de plaats
De banale ziekte is een onderschat middel als moment om informatie op een rij te zetten, zowel voor de lezer als je personage. Sla die twee dagen op de bank niet zomaar over, maar laat je personage eens reflecteren op zijn manier van doen, de puzzelstukjes van een mysterie nog eens overdenken. Nu het plot niet afleidt, heb je daar alle tijd voor. Wie weet wat voor wraakacties of liefdesverklaringen je personage dan ineens bedenkt. En wat dacht je van ijlkoorts? Wie weet wat voor gekke gedachten er dan door je personage heengaan. Daar kan je vast wat creativiteit in kwijt.
Bij de ernstige ziekte is deze ‘pauze’ een stuk langer en daardoor zowel een cliché als valkuil. Pas op dat je je personage niet degradeert tot een filosoof die de dood in de ogen kijkt en ineens antwoord weet op iedere levensvraag, of tot iemand die alleen maar boos is op het leven.
Een kijkje in het karakter
Hoe ziek je personage ook is, ziekte geeft een goede inkijk in diens karakter. Probeer in de ziekteperiode antwoord te geven op de vragen:
Laat het personage zich verzorgen, of is om hulp vragen moeilijk voor hem?
Gunt het personage zich de rust die nodig is om te herstellen? Dat geeft aan hoe koppig ze al dan niet is.
Vindt het personage zichzelf zielig? Zelfmedelijden is een heel moeilijk te breken comfortzone. Je zal veel aan dit personage moeten werken voordat het de figuurlijke of narratieve titel van held verdient.
Al deze informatie is bruikbaar om je personage minder eendimensionaal te maken.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als een personage stervende is?
Hoewel de held van het verhaal natuurlijk kan sterven, gebeurt dat relatief weinig. Daarom gaat dit artikel over het sterfbed van medepersonages: degene die om wat voor manier dan ook iets te maken hebben met de heldenreis van je hoofdpersoon.
Pas op voor wraak en ‘sterfbedbeloften’
Als het einde nabij is, liggen twee clichés op de loer: beloften op het sterfbed en wraak. Iemand op het sterfbed iets beloven is niet ongewoon in het echte leven. Wraak is meer iets voor fictie, maar komt daarin wel relatief vaak voor. Pas hiermee op. Niet alleen omdat het clichés zijn, maar ook omdat veel gewicht in de schaal kan leggen voor het (hoofd)personage dat blijft leven.
Je kan je hoofdpersoon wel iets op een sterfbed laten beloven, maar als hem dat niet lukt, kan dat gevolgen hebben voor de rest van je verhaal die misschien helemaal niet bij je verhaalthema of centraal conflict passen. Als wraak geen thema van je verhaal is, heroverweeg dan of iemand zodanig verbitterd is om zijn laatste krachten daaraan te besteden. Anders komt dat soort wraak al snel overdreven over.
De erfenis
Zodra een personage is gestorven, volgt er meestal een erfenis. Soms in de vorm van voorwerpen, of als emotionele nalatenschap of bepaalde kennis. Met deze erfenis komt er vrijwel altijd een bekende trope om de hoek kijken:
* Nu vader is gestorven, moet zijn zoon het stokje van het familiebedrijf overnemen; * Er wordt een doosje verstopte liefdesbrieven gevonden op de zolder van opa, wanneer de spullen worden verdeeld; * Er volgt een ruzie over de erfenis, waardoor familiebanden op scherp komen te staan; * Om de overledene te eren, gooit je hoofdpersonage het roer om en verlaat hij zijn kantoorbaan om de wereldreis te maken die al jaren op zijn verlanglijstje staat.
Deze voorbeelden lijken misschien erg cliché, maar dat zijn ze niet; dit zijn tropes. De dood is zo’n wezenlijke gebeurtenis dat je er niet omheen kan dat het bepaalde gevolgen heeft. Realistisch gezien zijn bovengenoemde voorbeelden zeer mogelijk wanneer er iemand sterft. Daarom moet je ze niet te snel als cliché aan de kant schuiven.
Als je hoofdpersonage hoort dat een medepersonage op sterven ligt, dan kan je daarin een hele mooie, ongedwongen show, don’t tell in verwerken over wat voor een relatie zij hebben of hadden. Wordt hemel en aarde bewogen om nog afscheid te kunnen nemen of om nog een experimentele behandeling voor de terminale ziekte te vinden? Dan betekent het medepersonage erg veel voor je hoofdpersoon. Als je personage geen afscheid durft te nemen, dan kan hij bang zijn voor de dood of kan het erop wijzen dat hij bij de stervende persoon niet over zijn gevoelens kan praten. Doet hij de moeite niet om nog afscheid te nemen, dan is hun relatie of niet belangrijk of erg slecht geweest.
Schrijven over een personage waar je fan van bent, is natuurlijk leuk. Maar schrijven over een personage dat je niet mag, is niet altijd makkelijk. Deze oefening kan je daarbij helpen.
Kill your darlings, maar dan andersom
Kill your darlings is het principe dat je moet schrappen wat je graag schrijft en soms als verlengde, leuk vindt om te lezen. Maar het kan ook andersom. Denk aan: * Je favoriete personage heeft zijn ten minutes of fame, die je moet schrappen omdat het niet in de scène past. * Je moet je darling daadwerkelijk vermoorden; * Je moet je slechterik zijn slechte dingen laten doen. Dingen waar je zelf niet goed van wordt zoals neerkijken op anderen, arrogant zijn, mensen afblaffen, moorden…
Ik gebruik hier bewust het woord moeten. Net zoals je er niet onderuit kan dat je soms iets moet schrappen wat je eigenlijk mooi vindt, moet je soms iets schrijven waar je eigenlijk liever niets mee te maken zou willen hebben. Maar het is nodig voor de broodnodige balans van goed en slecht in je verhaal, anders wordt je verhaal uiteindelijk oninteressant.
Speel voor de (schijnheilige) engel
Een manier die kan helpen om je over de ergernissen heen te zetten, is om een rol van een (schijn)heilige engel aan te nemen tijdens het schrijven. Daarvoor moet je je gevoel voor moraal wel tijdelijk kunnen uitschakelen. Onze engel heeft als uitgangspunt dat alles wat er op deze aardkloot in een mensenleven gebeurt, helemaal niet zo belangrijk of spannend is. Uiteindelijk gaan we toch allemaal dood, belanden we met z’n allen in de hemel en mogen we voor eeuwig aan de melk en honing en is er alleen nog maar liefde, nooit meer haat. Op zich verkondigt de engel een mooi verhaal, maar de clou van deze oefening is dat deze engel moet denken dat we ook op aarde ook allemaal engeltjes zijn, ongeacht wat we doen. Daardoor heeft deze engel overtuigingen als: “Ach, wat maakt het uit dat Frenkie andere kinderen pest? Hij is net als iedereen een bron van licht, maar kan daar (met zijn hart en hoofd) nog niet bij.” “Het is irrelevant dat Geertje haar eten steelt, want als ze straks in de hemel is, doet geld er niet meer toe.”
Mensen mogen engelen gerust aanbidden. Andersom lijkt mij een minder goed idee…
Met andere woorden: ga alle acties zó schijnheilig goedpraten dat je er onpasselijk van wordt. Het voorbeeld van de engel vertaalt zich waarschijnlijk wat moeilijker naar wat meer alledaagse, aardse situaties. Daarom volgen hier wat meer concrete voorbeelden: * Ach, hij mag mensen in elkaar slaan. Hij had een slechte jeugd en het is zijn schuld niet dat hij niet fatsoenlijk is opgevoed. * Zij heeft altijd zo hard gewerkt en nooit tijd voor zichzelf gehad. Laat haar dan gewoon eens voor haarzelf kiezen en laat haar nou eens een klein cadeautje voor zichzelf kopen. Dat haar kinderen dan vervolgens een dag niet te eten hebben… Daar gaan ze niet dood van. Als het nou een week zou zijn… Het principe van de engel noem ik alsnog, omdat als je per se moet, je kan doorredenen tot je een ons weegt als het gaat om waarom iemand nog niet zo slecht is. Zoals de engel dat doet die het aardse leven sowieso als niet zo belangrijk beschouwt.
Deze stap kan lastig zijn, maar hij is nodig voor de volgende stap van:
Het interessante achtergrondverhaal
Zodra je het punt hebt bereikt waarop je schijnheilig naar je personage kan kijken, kan je de personagebiografie waarschijnlijk een enorm zetje geven. Het centraal conflict vanuit het oogpunt van jouw gehekelde personage en de comfortzone worden zo een stuk duidelijker. Kortom: je personage wordt als geheel een stuk begrijpelijker of duidelijker. Dan zie je een stuk beter wat zijn plaats in het verhaal is. Daar wordt je verhaal als geheel een stuk beter van. Een leuke bijkomstigheid is dat je dan in de schrijversflow terecht zal komen. Uiteindelijk zal je je personage niet meer zo’n vervelend persoon vinden (om over te schrijven), omdat je inziet wat zijn plaats in het grotere geheel is en dat hij er moet zijn voor de broodnodige balans in je verhaal. Waak er wel voor dat je in deze stap alsnog niet doorslaat en de schijnheilige engel niet meer als schrijfoefening, maar als schrijfmethode gaat gebruiken. Je moet je antagonist begrijpen, maar er is een heel groot verschil tussen slechte daden, vervelende karaktertrekken en irritante gewoonten begrijpen en goedpraten. Hier lees je daar meer over.
Als voorbeeld: Een steenrijke man logeert in een hotel. Bij de incheck loopt het systeem even vast, waardoor de receptionist de man pas na vijf minuten naar zijn kamer kan wijzen. Je weet dat de rijke man zijn hele leven rijk is geweest en dus niet beter weet of alles wat hij wil wordt voor hem gedaan zodra hij maar met zijn vingers knipt. Eventuele tegenslagen duren daarom hoogstens twee minuten. Je kan je dan voorstellen dat vijf minuten vertraging een reden voor hem is om kwaad te worden. Hij verliest dan ook zijn geduld. Zo erg zelfs, dat hij zo hard begint te schreeuwen dat de manager van het hotel meent dat de receptionist de rijkaard groot onrecht heeft aangedaan en de baliemedewerker daardoor zijn baan verliest. Dat gaat ver, maar dat zou in theorie kunnen gebeuren. Maar als de hotelgast later nog zelfingenomen is ‘omdat die nietsnut dankzij hem ontslagen wordt’ en hij de receptionist bij het uitchecken nog even snel een klap verkoopt… Ergens moet dat begrip ook weer ophouden.
Als dit hotel het oké vindt dat de gaten hun personeel mishandelen en het personeel vervolgens ook nog eens de schuld daarvan krijgt, hoeven ze mij niet meer als gast te verwachten…
Zorg dus dat je de ‘voors-en tegens’ van je personage kent en er uiteindelijk met een neutrale bril naar kijkt. Dan hoef je je tijdens er het schrijven niet meer zo aan te ergeren.
Behoefte aan een schrijfcoach die niet schijnheilig is? 😉 Kijk eens in mijn webshop.
Als je een verhaal moet introduceren, wil je dat meteen goed doen. Zo blijft je lezer van het begin af aan geïnteresseerd. Of beter gezegd: dan geeft je lezer jouw boek een kans. Als je te langzaam van start gaat, wordt het boek snel aan de kant geschoven… Met deze drie tips begint je verhaal meteen interessant!
1. Schrijf over het karakter van je personage
Een beginnersfout die bij creatief schrijven vaak wordt gemaakt, is het omschrijven van de dagelijkse routine van het hoofdpersonage. Als je dit vergelijkt met het echte leven, zal je zien waarom dat niet werkt. Als je in de avond op bezoek gaat bij vrienden en ze vragen je hoe je dag was, vertel je niet dat je een boterham met jam hebt gegeten bij het ontbijt. Dan vertel je eerder over iets spannends, of speciaals. Iets uitgesproken spannends kan lastig zijn om mee te beginnen als je nog niet zo lang schrijft, of als je verhaal inhoudelijk niet stuitend van start gaat. Geen nood: in plaats daarvan kan je uitweiden over het karakter van je personage. Je mag gerust iets relatiefs saais schrijven, maar concentreer je dan op de uitwerking van het karakter van je personage. Besteed dus geen aandacht aan de actie van het aankleden, maar aan het feit dat jouw depressieve personage een mentale worsteling aan moet gaan om zichzelf zover te krijgen dat hij niet de hele dag in pyjama blijft rondlopen.
2. Schrijf over iets ‘anders’
Als je toch over een dagelijkse routine wil of misschien zelfs moet schrijven, schrijf dan over iets dat de sleur doorbreekt en niet in de vastgeroeste routine thuishoort. Dat kan je erg breed zien: ontmoet je personage een nieuw personage tijdens zijn dagelijkse wandeling? Is er tijdens het routineuze ontbijt nog niets aan de hand, maar wordt je personage vlak daarna gebeld met bijzonder nieuws? Regent het na maanden van droogte en zet je personage dat tot iets ongewoons aan? Het is belangrijk dat je de verbazing van je personage over dit vreemde element laat blijken. Dan is het voor de lezer duidelijk dat dat andere personage of dat telefoontje niet bij het leven van alledag hoort en verandering teweeg gaat brengen.
3. Maak de lezer nieuwsgierig
Een lezer wordt al snel nieuwsgierig naar de rest van het verhaal als blijkt dat er iets opvallends gaat gebeuren of iets gaat veranderen in het leven van je personage. Dat telefoontje of die vreemdeling laten de lezer denken: daar zit meer achter. Het maakt niet uit hoe je het doet, zolang je in je eerste hoofdstuk (of zelfs je eerste pagina(‘s)) maar letterlijk en figuurlijk een verhaal belooft. Hoe gaat je verhaal verder? Daar moet je je lezer nieuwsgierig naar maken in het begin van je verhaal.
Een goede voorbereiding van je boek voorkomt dat je tijdens het schrijven onnodig veel moet verbeteren. Sommige mensen bereiden zich tot in de puntjes voor voordat ze beginnen met schrijven, anderen maken een globale planning. Er bestaat geen echte handleiding voor een goede voorbereiding, maar je doet er wel verstandig aan in ieder geval de volgende zaken uit te werken voor je begint met schrijven.
1. Doe globaal onderzoek naar je onderwerp
Als je ergens over gaat schrijven, moet je weten hoe het werkt. Anders komt je verhaal ongeloofwaardig over. Daarom moet je schrijfonderzoek doen en daar moet je meteen mee beginnen. Je kan je onderzoek voortzetten tijdens het schrijven, maar zorg wel dat je de basiskennis over je onderwerp hebt vergaard. Het schiet niet op om te beginnen te schrijven over een logopediste als je denkt dat die alleen maar weet hoe ze kinderen kan laten stoppen met lispelen. Je moet op zijn minst weten dat een logopedist ook deskundige therapie kan geven bij stotteren, slikproblemen, taalproblematiek, stemstoornissen en zelfs dyslexie.
2. Ken je personages
Je moet je personages meer dan alleen oppervlakkig kennen, anders kom je vast te zitten met je plot. Als je alleen nog maar weet dat je personage hard werkt en hartelijk is, kan je beter nog even wachten met je verhaal schrijven. Het is leuk dat je dat weet, maar het zegt maar weinig over hoe je personage op de oproep van zijn heldenreis gaat reageren. Doet hij dat gemakkelijk omdat hij ook trots is? Of juist niet omdat hij zijn gezin niet achter wil laten? Dat zijn allemaal factoren die een belangrijke bijdrage leveren aan hoe je personage zich door het verhaal heen beweegt. Zorg dat je zijn algemene levensgeschiedenis kent, zijn belangrijkste normen, waarden en zijn dromen en angsten.
3. Bepaal het centrale conflict
Je moet een zekere continuïteit kunnen bewaken in je verhaal. Tijdens het schrijven, maar zeker ook daarvóór. Als je niet weet wat het centrale conflict van je personage is en wat hij grofweg zal moeten of willen doen om dat aan te gaan, wordt het vrijwel onmogelijk om je verhaal logisch op papier te krijgen. Je kan het centrale conflict zien als houvast waar je steeds weer op terug kan vallen. Als je dat nog niet bepaald hebt, heb je dus te weinig om op voort te borduren.
4. Bepaal eventuele plottwists
Mocht je plottwists in je verhaal willen gaan gebruiken, bepaal die dan vóór je begint. Je moet gedurende het verhaal kleine aanwijzingen geven voor de lezer. Het maakt niet echt uit in welk hoofdstuk ze precies staan, maar je kan niet zomaar losse regels aan aanwijzingen in een bestaande scène plakken. Als je dat wel doet, loop je het risico dat je de toon, thema of het doel van een hele scène ineens verandert. Daarom moet je vooraf weten of er een plottwist komt, zodat je tijdens het schrijven kan bepalen wanneer je de aanwijzingen geeft.
Als je een verhaal gaat schrijven kom je vroeg of laat tegen dat je iets van je privéleven in je verhaal verwerkt. Dan staat er iets op papier waarvan je je beseft: dit is gebaseerd op persoon X of gebeurtenis Y in mijn leven. Dat is niet erg. Sterker nog: zonder je privéleven een beetje in je verhaal te verwerken, kom je nergens. Maar hoe zorg je ervoor dat je privéleven of je persoonlijke voorkeur niet de overhand krijgt?
De wereld als referentiekader voor fictie
Je kan alleen over de wereld schrijven als je weet hoe die er globaal uitziet of wat daarin gebeurt. Je hoeft niet per se iets meegemaakt te hebben om erover te kunnen schrijven, maar een basis van achterliggende gedachten moet je wel begrijpen. Je hoeft geen oorlog te hebben meegemaakt om te snappen hoe angst voelt. Je bent misschien nooit bang geweest dat er een bom op je huis valt, maar je bent vast wel eens bang geweest om een geliefde te verliezen (of dat nu door een dodelijke ziekte kwam, of omdat je bang was na een emigratie contact te verliezen). Hierdoor is het onvermijdelijk dat er zo nu en dan ervaringen of echte personen uit jouw leven (incognito) in je boek verschijnen: ze vormen je broodnodige kader waardoor jij de echte wereld begrijpt en daardoor een andere wereld kan scheppen. Denk aan: * Omdat jij verliefd bent geweest, kan je de vlinders in de buik van je personage adequaat beschrijven; * Je hebt -tot je enorme spijt- iemand gepest. Daarom kan je nu beschrijven hoe jouw personage berouw voelt omdat hij iemand heeft opgelicht; * Je hebt altijd in een voetbalteam gespeeld. Daarom kan je het groepsgevoel en de teamspirit van een vriendengroep extra goed beschrijven; * Omdat je als kind van gescheiden ouders moest kiezen tussen wonen bij je vader of moeder, kan je sympathiseren met een personage dat niet tussen twee aanbidders kan kiezen. Hoe kies je tussen twee mensen van wie je houdt?
Opvallende vergelijkingen met realiteit en fictie
Negen van de tien keer ben je je er niet van bewust waarom je iets ‘kan’ schrijven, omdat de meeste ervaringen die je opdoet, naadloos verweven raken met het dagelijks leven of hoe je tegen de wereld aankijkt. Maar er zijn gebeurtenissen of mensen die (ten goede of ten kwade) je wereld op zijn kop zetten. Dan kan je de behoefte krijgen om iets van je af te schrijven, iets of iemand te wreken, te straffen of te eren. Geef de betrokken personen een andere naam, geslacht, leeftijd, uiterlijk of een andere favoriete hoed en voilà! Voor je het weet heeft een bestaand persoon een persona in je verhaal gekregen. Zodra je dit doet, is het hoe dan ook verstandig om extra alert te zijn op de noodzaak van kill your darlings.
Pas op dat je persoonlijke voorkeuren niet in flinterdunne schrijfsels veranderen.
De schrijvers favoriet
Op een bepaald moment sluipt er een bestaande persoon(lijke herinnering) in je verhaal. Probeer dat niet koste wat kost te vermijden; dat gaat simpelweg niet. Je moet er alleen voor waken dat het andere uiterste niet gebeurt. Stel dat je je opa in het verhaal wil verwerken omdat hij jouw wijze mentor was. Bijna elk verhaal heeft een archetype mentor nodig om het hoofdpersonage op weg te helpen. Opa kan dus gerust (als mentor) in je verhaal komen. Maar als opa dol was op vissen, moet je ervoor waken dat opa in zijn mentorrol hoe dan ook als visser terugkomt. Als zijn kleinzoon een veelbelovend advocaat is die een belangrijke beslissing moet nemen over zijn carrière, is het nogal riskant om opa de doorslaggevende raad te laten geven tijdens een middagje vissen: * Opa is geen advocaat, dus waarschijnlijk weet hij te weinig van het inhoudelijke beroep om échte raad te kunnen geven. * De onliner-raad die alles oplost (‘Ach lieverd, volg gewoon je hart, dan komt alles goed’) is een cliché. * Als opa zo makkelijk alle problemen weet op te lossen, degradeer je hem van wijze mentor tot magic pixie. Dat doet het centraal conflict van de kleinzoon geen goed. Bovendien wordt opa als mentor een stuk minder indrukwekkend.
Hoe gekoesterd de herinnering ook zal worden, het is niet logisch dat Kleinzoon hierdoor ineens voorgoed beseft waarom hij beter naar het belang van zijn cliënten kan kijken dan een zak goud na te jagen.
Het vermommen van non-fictie in fictie
Zorg ervoor dat er een balans is tussen fictie en non-fictie. Om het non-fictieve element te kunnen behouden en je verhaal kloppend te houden, moet je ze gaan vermommen. En dat houdt niet op bij opa’s visserspak in te ruilen voor een stropdas van een advocaat. Dat kan, maar dan loop je het risico dat het alsnog geforceerd overkomt en de verwijzing er te dik bovenop ligt. Als je iets uit het echte leven terug wil laten komen in je boek, kijk dan heel globaal wat die herinnering, ervaring of persoon bij je teweeg heeft gebracht. Kijk nog eens naar de voorbeelden uit de eerste alinea, naar je verhaalthema en naar je algemene verhaallijn en probeer dat vervolgens te combineren.
Macht is het thema van Kleinzoon Advocaats verhaal. Opa de Visser moet hem als mentor aansporen om humaniteit boven macht te verkiezen, door een gevoel van verantwoordelijkheid te geven. Grofweg kan je dan twee dingen doen: * Je plaatst de levenslessen in context van Kleinzoons wereld: de mentor is een collega-advocaat, die een subtiel trekje van opa heeft -ze houden allebei buitengewoon veel van gerookte zalm-. Deze collega laat Kleinzoon veel pro deo zaken doen om zijn nederigheid te bewaken; * Je plaatst de levenslessen in de context van Opa’s wereld, en laat Kleinzoon de inzichten als een aha-erlebnis de vertaalslag naar zijn advocatenbestaan maken: Opa en Kleinzoon gaan op gecombineerde vis-kampeervakantie, waar het aan alle luxe ontbreekt. Daardoor gaan Kleinzoon en Opa ‘back to basics’ wat betreft menselijk contact. Als Kleinzoon deze herinnering veel gaat koesteren, kan hij makkelijker beseffen dat mensen gelijkwaardig behandelen belangrijker is dan geld en roem najagen.
Heb je hulp nodig bij deze taak? Schakel mij dan in als schrijfcoach.
Het is een prangende vraag van veel beginnende schrijvers: “Ben ik getalenteerd genoeg om gepubliceerd te worden?” Daar is helaas geen pasklaar antwoord op. Toch kan je een aardig idee krijgen of je aanleg hebt voor schrijven door onderstaande vragen te beantwoorden.
1. Wanneer vind je jezelf getalenteerd genoeg?
Voordat je jezelf gaat afvragen of je getalenteerd genoeg bent, moet je voor jezelf duidelijk hebben wat dat voor jou betekent. Wil je hoogstaande literatuur schrijven of ben je al tevreden als je verhalen kan schrijven die vlot genoeg zijn voor het plaatselijke huis-aan-huisblad? Bepaal eerst eens wat voor jezelf ‘getalenteerd genoeg’ betekent voordat je je druk gaat maken om wanneer de rest van de wereld dat ook vindt.
2. Kan je het idee van een checklistje loslaten?
“Als ik maar tien verschillende schrijftechnieken (of dertig, of…) kan toepassen, dan ben ik getalenteerd.” Helaas is er geen checklistje dat je kan afvinken om te zien of je ‘goed schrijven’ onder de knie hebt. Het kunnen toepassen van schrijftechnieken is één ding, inzicht hebben in het hoe en wat daarvan is het volgende. En inzicht is niet of nauwelijks te toetsen met een meetbaar afvinklijstje. Zodra je weet dat goed schrijven niet middels een afvinklijstje na te gaan is, toon je tekenen van schrijfinzicht. Dat schrijfinzicht is een teken dat je aanleg hebt voor schrijven.
3. Kan je feedback ontvangen?
Aanleg hebben voor schrijven is niet genoeg. Als je echt getalenteerd wil worden, moet je feedback kunnen ontvangen. Je hoeft het niet met feedback eens te zijn. Soms is bepaalde feedback ook niet terecht. Feedback geven is net zo’n kunst als ontvangen, ook dat kan niet iedereen. Negeer persoonlijke aanvallen en mensen die jouw fantasy willen veranderen in een romantisch verhaal, alleen omdat zij liever zwijmelen dan nieuwe werelden ontdekken. Als de feedback wel terecht is in opzet, moet je in staat zijn om te zien waar de feedback op berust is en of je inderdaad iets kan verbeteren. En zo ja, hoe en waarom dan? Geeft de feedback aan dat een bepaalde schrijftechniek beter zou passen? Dan is de hamvraag of jij begrijpt waarom deze suggestie wordt gedaan. Jij bepaalt vervolgens of dat voor je verhaal werkt of niet. Maar je moet wel kunnen herleiden waarom iemand iets al dan niet prettig vindt lezen. Dat is onderdeel van dat cruciale schrijfinzicht dat je nodig hebt om van je aanleg je talent te maken.
4. Blijf je nuchter en heb je zelfreflectie?
Als je geen feedback kan verwerken zoals hierboven omschreven of die zelfs niet wil horen, kom je als schrijver niet ver. Ook al heb je het talent van een Stephen King, Nicholas Sparks of J.K. Rowling, er zal geen enkele uitgever met je willen samenwerken als je te hoog van de toren blaast. Besef dat de wereld er niet is om je schrijverswerk alleen maar aan te prijzen. En dat je (nog) niet de nieuwe Stephen King bent. Is je eerste neiging is om nadrukkelijk uit te leggen waarom je iets hebt geschreven zoals je dat gedaan hebt in plaats van te kijken naar wat er inhoudelijk eigenlijk voor suggesties worden gegeven? Of zeg je iets als: “Dat is jouw mening, niet de mijne. Ieder zijn meug,” dan zijn dat rode vlaggen. Als schrijver heb je talent, maar zeker ook nuchterheid en zelfreflectie nodig.
Als je schrijver wil worden, moet je een balans vinden tussen droom en realiteit om het schrijven leuk te houden. Waar moet je rekening mee houden als je ultieme droom is om met je boek je brood te verdienen?
De droom: bestsellerauteur worden
“Ik wil schrijver worden.” Iedereen die dit heeft gezegd, heeft wel een dagdroom als deze gehad:
Tien seconden voordat de boekenwinkel opengaat, hoor je vanachter de signeertafel een enthousiaste menigte op straat die aftelt tot het moment waarop de deuren opengaan. Naast je ligt je dure vulpen die je speciaal voor signeersessies bewaart. Je zal de inkt vandaag vaak moeten aanvullen. Na sluitingstijd ga je heerlijk uit eten met je familie om de publicatiedatum van je nieuwe boek te vieren. Daarna vertrek je naar je schrijvershuisje in Zuid-Frankrijk om zes maanden aan je nieuwe boek te werken, totdat deze signeersessie zich weer herhaalt. “Drie, twee één: jáá!” De grote schare fans loopt op je toe en vormt een rij tot buiten de boekenwinkel. De hele dag zie je niets dan glimlachende gezichten en om de zoveel tijd houd je de hand vast van mensen die je met tranen in de ogen bedanken voor het feit dat jouw boek hun leven heeft veranderd.
De signeertafel: een prachtig doel, maar het blijft voor velen een droom. Foto door cottonbro op Pexels.com
De realiteit: onbetaalde maanden achter je laptop
Dat beeld blijft helaas de meeste aspirant schrijvers een droom. Ja, J.K. Rowling werd eerst bij twaalf uitgevers afgewezen en heeft met Harry Potter een miljardenimperium opgebouwd. Er zijn echt wel schrijvers die (alsnog) doorbreken en daar een (dik belegde) boterham mee verdienen. Maar bedenk wel: zijn dit soort verhalen uniek of hoor je die elke week? Er zijn maar weinig getalenteerde schrijvers die alleen van boeken schrijven kunnen rondkomen. Meestal moeten ze er nog een baan bij nemen. Als je een gemiddeld schrijversloon omrekent naar een uurloon, werk je maandenlang zo goed als onbetaald. Dat komt voor een groot deel door de wet op de vaste boekenprijs.
Wet op de vaste boekenprijs
In Nederland is er de wet op de vaste boekenprijs. Die bepaalt dat je als auteur 10% van de verkoopprijs van je boek aan royalties (salaris) krijgt. Per verkocht exemplaar, niet per tienduizenden die gedrukt gaan worden. Als je debuteert bij een traditionele uitgever, worden er meestal rond de vier-tot vijfduizend exemplaren van je boek gedrukt. Reken maar uit: als je boek voor €15,95 wordt verkocht, verdien je daar hoogstens 7975 euro mee. Dat is een aardig salaris voor drie maanden. Maar je hebt een boek niet binnen drie maanden geschreven, bij een uitgever binnen, gepromoot en volledig ‘uitverkocht’. De slushpile uitkomen kan al een halfjaar duren. Bovendien lukt dat niet eens altijd…
De realistische droom: promoten, promoten, promoten…
Als je een van de geluksvogels bent die wel bij een uitgever binnenkomt en daar ook mag blijven, kan je gaan signeren, bij talkshows aanschuiven… Alles waar je al van droomde. Maar die droom wordt misschien iets minder rooskleurig zodra je weet dat je dat waarschijnlijk veelvoudig moet gaan doen. Zodanig veel dat je als fulltime romanschrijver misschien minstens net zo vaak achter een camera of microfoon zit dan achter je typmachine. Je zal je sociale media net zo vaak bijwerken als de personagebiografie van de hoofdpersoon van je nieuwe boek. Met andere woorden: bereid je voor dat je mogelijk meer tijd moet besteden aan promoten dan aan schrijven als je doorbreekt.
Wat wil je als beloning: voldoening of roem?
Als je gaat schrijven met de intentie om door te breken, is het erg belangrijk dat je onthoudt dat je droom er een is van velen. Je moet beschikken over geluk, talent, doorzettingsvermogen, hoop en realiteitszin. Dat is nogal dubbelop: je moet altijd blijven dromen om ergens naartoe te kunnen werken, jezelf te ontwikkelen, en de motivatie, lol en de hoop erin te kunnen houden. Maar blijf je ambities zien als een droom, niet als een garantie. Je moet niet bang zijn om hard te werken voor je droom en te durven hopen, maar je moet er ook voor waken dat je daardoor uit het oog verliest waarom je schrijft (en niet acteert, zingt, kookt of iets anders waar je rijk en/of beroemd mee kan worden.) Oftewel: ga bij jezelf na of je niet (meer) schrijft vanwege het plezier, maar voor de gewenste roem.
Het schrijft hoe dan ook fijner, leuker en makkelijker als je schrijft voor de voldoening die het je geeft. Zo kan je heerlijk ingaan in het creatieve proces, heb je ongeacht het resultaat een goed gevoel zodra de puntjes op de i zijn gezet en schrijf je veel makkelijker omdat het niet koste wat kost ‘moet’. Of dat nu is vanwege de roem of een beoogde verandering van je carrière. Het werkt fijner om altijd ergens veel plezier en een sprankje hoop te houden. Stel je je blijdschap eens voor als doorbreken dan inderdaad lukt! Die is veel oprechter dan wanneer je jezelf al rijk rekende, maar ondertussen mopperend aan je boek zat te werken, omdat je er al geen lol meer in had…
Zolang je dit vrolijke, motiverende koffiekopje naast je laptop hebt staan tijdens het schrijven, zit je goed 😉
Schrijven met roem als uitgangspunt kan drie zeer nadelige gevolgen in de hand werken: * Het kan op een grote teleurstelling uitlopen als je niet wordt gepubliceerd; * Je kan een blinde vlek ontwikkelen voor feedback verwerken. Als jij jezelf al als de Grote Schrijver ziet, kan je ongemerkt je ego zodanig gaan voeden dat je meent niets meer fout te kunnen doen. * Je schrijfplezier kan eronder lijden. Je geniet minder van het schrijfproces omdat je alleen maar ongeduldig wordt: Wanneer kan ik nu eindelijk eens naar een talkshow? Was ik maar alvast klaar met dit verdraaide verhaal…
Kortom: als je niet teleurgesteld wilt raken als beginnend schrijver: droom veel, verwacht weinig en probeer de voldoening van het schrijven altijd je uitgangspunt te laten zijn. Vergeet niet nuchter te blijven en aan gezonde zelfreflectie te doen.
Wil je het schrijfproces niet alleen aangaan? Ik kan helpen: kijk in mijn webshop voor mogelijkheden voor manuscriptredactie.