Wedstrijduitslag ‘allerlei soorten liefde’

Iedere keer als ik een schrijfwedstrijd organiseer, wordt het aantal deelnemers en het enthousiasme groter. Dank aan iedereen die aan de wedstrijd heeft meegedaan.
Door het grote aantal deelnemers duurde het iets langer om een winnaar te kiezen, maar er is nu een winnaar: ‘Ik en de gopnik’ van Dominique Heuff. Gefeliciteerd, Dominique!

Het verhaal van Dominique heeft een mooie schrijfstijl, en bijzondere personages die elkaar ontmoeten in een setting die je bij hen niet zou verwachten. Buiten die bijzondere omstandigheden weet Dominique ook liefde in een uniek daglicht te zetten en tussen de regels door er een heel sprekende boodschap over mee te geven. Veel plezier met lezen!

Ik en de gopnik — Dominique Heuff

Die zondagavond deed zich een zeldzaam moment voor in een land dat bekend staat om zijn gure klimaat. Tijdens het gouden uur waren de wolken compleet weggetrokken. Zonlicht danste op de golven van de rivier die, nu eens niet voortgejaagd door de wind, tegen de boten kabbelde. De scheepjes lagen voor anker, hun eigenaren waren thuis, bij de familie, voordat ze morgenvroeg weer het water op zouden gaan. Aan de andere kant van het water lagen de heuvels, de grillige toppen waarvoor we waren gekomen. Het zonlicht onthulde hoeveel tinten groen hen bedekten.
De heldere lucht had mij naar buiten gestuwd. Hoewel mijn kuiten nog zuur waren van de inspanning van die dag, had het licht een aantrekkingskracht op mij die sterker was dan mijn spierpijn. Ik had sowieso amper de tijd gehad om dit stadje te verkennen, ik was vooral in de omringende natuur geweest. Morgen zouden we alweer doorreizen. Mijn echtgenoot had bedankt voor nog een avondwandeling, die had zijn heil gezocht in drie halve liters die het verzuringsproces stevig hadden versneld.
Ik liep stroomopwaarts met de rivier mee. Hoewel ik wist dat het een rivier was, was hij zo breed dat het net zo goed een meer had kunnen zijn. Vanuit mijn hotelkamer had ik er uitzicht op, inclusief het visrestaurant aan het eind van de pier waar ik nog geen mens had gezien. De verf bladderde van de kozijnen en een handschreven vel papier voor het raam kondigde aan dat de eigenaar zijn geluk op een andere locatie wilde beproeven. Als je het centrumpje van de stad uitliep, langs de twee restaurants die nog wel na negenen maaltijden serveerden en die je volgens onze hoteluitbater te allen tijde moest zien te vermijden, kwam je uit bij een lange straat huizen met vrijstaande kamers voor de nacht. Ik gaf de eigenaren geen ongelijk. Je zou gek zijn als je geen graantje meepikte van de toeristen die naar deze stad kwamen om de natuur te verkennen. Waar zij vandaan kwamen was die ver te zoeken, en de lokale bevolking had geen tijd zich erin onder te dompelen. Zij moesten werken op de vissersboten of in de mijnbouwindustrie om hun brood op de plank te krijgen.
In een kromming van de rivier ontvouwde zich een kiezelstrand. Het waren niet de stenen waarover ik vandaag was geklommen en weer afgedaald. Niet de potentiële moordwapens waarop ik bij gladheid kon uitglijden en mijn schedel zou splijten op hun puntige uitsteeksels. Nee, het waren fijne kiezels, waar kinderen op waterschoentjes konden spelen. Als het niet zo koud was geweest, had ik overwogen mijn wandelschoenen uit te trekken en pootje te baden.
Water heeft me altijd aangetrokken. Ik houd van het geluid. Ik houd ervan om op warme dagen mijn voeten onder te dompelen in de koelte en te voelen hoe het natte zand ze opzuigt, alsof ik wortel schiet. Ik houd ervan hoe het stroomt, hoe het water nooit hetzelfde is, waar en wanneer je er ook naar kijkt. Het is onmogelijk gespannen te blijven als je het ruisen van golven hoort.
Het kiezelstrand ging over in een grasveld, wat een mooie plek zou zijn voor de ouders van de hypothetische kinderen om op een picknickkleed een toegeknepen oogje in het zeil te houden. Het was verbazingwekkend netjes bijgewerkt voor deze stad. Er stonden een aantal bankjes gericht naar de rivier. Ze waren leeg. Iedereen zat in de bar of het restaurant of bij zijn familie. Toch moeten deze bankjes ooit zijn geplaatst om mensen die net als ik de charme van deze plek hebben erkend.
Ik nam plaats op het bankje dat het verst bij mij vandaan stond. Ik keek uit over het water, waar nog meer boten voor anker lagen. Hoe komen de eigenaren bij hun boten, zo ver op het water? Ik zag roeiboten voor me in dezelfde staat als het visrestaurant. Het was een zorg voor morgen. Deze avond was het tijd om te rusten, voor iedereen. Ik voelde de warmte van de avondzon op mijn gezicht, zo warm dat ik mijn jas van The North Face uittrok en naast me op het bankje legde. Wie had dat gedacht, in dit land, in deze tijd van het jaar? Ik hoorde het krijsen van de meeuwen, en ik luisterde hoe mijn interne maalstroom aan gedachten langzaam tot stilstand kwam, totdat er niets meer over was dan mijn ademhaling.
Het was in deze status van ontspanning dat ik hem zag. De gopnik.
Hij was tientallen meters bij me vandaan en liep over het kiezelstrand. Maar hij was onmiskenbaar een gopnik; ik herkende de drie Adidasstrepen op zijn zwarte trainingsbroek van meters ver. Het merk was hét statussymbool onder de lokale straatschoffies. Hij maakte zijn verschijning compleet door de capuchon van zijn donkerblauwe hoodie over zijn hoofd te hebben getrokken. Op zijn rug droeg hij een stoffen rugzakje dat bijna op zijn kont bungelde. Er kon niet heel veel in zitten.
Ik was de afgelopen dagen alert geweest op deze types. We waren gewaarschuwd: ze rolden je portemonnee waar je bij stond, ze hadden voor niemand respect. Ze hingen vaak in groepen rond bij metrostations of in de grote flatgebouwen waar de gemiddelde burger woonde. Plekken die je als bezoeker diende te vermijden. Soms liep je langs tunneltjes waar het trottoir bezaaid lag met schilletjes van zonnebloempitten, een teken dat de gopniks hier terrein hielden. Je liep dan snel door, met je blik naar de grond. Zelfs met mijn echtgenoot aan mijn zijde voelde ik hun neerbuigende blik. Als ik ze zag kijken, werd ik me pijnlijk zelfbewust. Wie was ik wel niet, dat ik veel geld had neergelegd om in landschappen te geraken die de gemiddelde inwoners van het land zich zelf niet eens konden veroorloven? De straat, die was van hen. Daar konden wij bovenmodalen maar beter op onze tellen passen.
Daar, op dat bankje aan het water, was er geen alarmgevoel. Mijn hoofd was leeg. Was het de zon die me loom had gemaakt, of de vertraging in mijn gedachten? Ik bleef zitten op mijn plek en sloeg de gopnik gade.
Hij was niet alleen. Hij had een hond bij zich. Zo’n stevige vechthond, een Stafford of iets dergelijks, ik kon het ras niet precies duiden. Deze had zijn staart nog, die heen en weer kwispelde. De hond besprong de gopnik, waarna die een balletje of een steen weggooide om te apporteren. Soms bleef de hond langer weg, dan had hij iets geroken dat interessanter was dan wat hij moest halen. Toch kwam hij steeds terug bij zijn baasje, nog harder kwispelend.
Opeens voelde ik aan alles: deze gopnik ging mij aanspreken.
Er stonden nog drie andere bankjes op het grasveld. Ze waren alle nog steeds leeg. Toch wist ik: hij zou mijn bankje uitkiezen. Het enige bankje met gezelschap. Ik zat aan de linkerkant, naast mij was plek voor nog een aanbidder van het tafereel. In de metro in de hoofdstad had ik een heuptasje onder mijn jas gedragen om mijn kostbaarheden uit grijpgrage handen te houden. Het heuptasje lag nu onderaan in mijn koffer, in de veronderstelling dat ik die in dit rustige gebied niet nodig zou hebben. Nu zat mijn portemonnee gewoon in mijn jaszak, van de jas die naast mij voor het grijpen lag. Ik zou zonder jas en geld terugkeren naar het hotel, waar mijn man stampij zou maken bij de politie en alles op alles zou zetten om mij mijn spullen terug te bezorgen.
Opeens wenste ik vurig dat de gopnik mij zou aanspreken.
Hij had geen haast. Hij bleef aan de waterkant dralen, totdat de hond het grasveld op rende. Ik draaide mijn blik niet af zoals ik was gewend. Ik wist dat we daar alle drie waren om dezelfde reden. Het licht en de rivier hadden ons aangetrokken. Wij waren nu deel van deze plek en dit moment.
De hond rende op me af.
Ik ben niet bang voor honden, ook niet voor grote exemplaren, dus ik verroerde me niet. Hij duwde een natte snuit tegen mijn hand en ik aaide het dier. Hij antwoordde door mijn panty onder te kwijlen.
‘Kolja, laat die vrouw met rust!’
Daar was hij, het moment waarvan ik had aangevoeld dat het onvermijdelijk was. De gopnik was achter zijn hond aangerend en zat nu op enkele meters van mij in zijn typerende hurkpositie. De hond, Kolja dus, rende kwispelend om hem heen.
‘Dat geeft niet. Ik vind honden leuk,’ stelde ik hem gerust.
Ik kon zijn gezicht zien, al was het geen opmerkelijk gezicht. Het was precies het gezicht dat je in een hoodie zou verstoppen. Jonger dan ik. Ik werd me ineens bewust van mijn nette rok die ik na de wandeling had aangetrokken voor het diner. Nergens voor nodig geweest. Mijn echtgenoot was in het zweet van zijn inspanning in de bar gaan zitten.
‘Ja, maar hij kwijlt je helemaal onder als je niet uitkijkt. Sorry daarvoor.’
Ik glimlachte. De gopnik bleef zitten, aaide de hond die om hem heen sprong.
‘Hij is nog maar een pup.’
‘Een pup?’ De hond had het formaat van een volwassen geit. ‘Hoe groot wordt hij dan wel niet?’
De gopnik gebaarde tot hoog boven zijn gehurkte positie uit. ‘Enorm.’
‘Gelukkig heb je een mooie plek om hem los te laten,’ knikte ik naar het strand.
‘Dit is zijn eerste keer aan het water.’
Net als ik. ‘Het is een schitterende plek.’ Mooier dan de natuurreservaten waarvoor ik hier naartoe was gereisd. Ik besefte het met licht in mijn hart.
De gopnik volgde mijn blik naar het water. ‘Ik kom hier eigenlijk nooit.’
‘Als ik hier zou wonen, zou ik hier vaak wandelen. Zeker met een hond.’
Mijn man en ik hebben geen hond. Hij zou wel heel graag willen, maar het past gewoon niet in ons leven dat een van ons, of beide, elke dag wel gebiedt ergens onze opwachting te maken. Zo vaak dat zelfs de leuke dingen veranderen in het volgende punt op mijn takenlijst, en dat terwijl ik nog aan tafel zit bij dat bevriende stel, ik al in gedachten bij de lunchafspraak met mijn ouders de volgende dag ben.
‘Ik woon hier nog niet zo lang,’ zei de gopnik. ‘Ik heb in het visrestaurant gewerkt, maar de eigenaar betaalde me niet op tijd. Nu werk ik in de supermarkt, maar het is zwaar. Vroeg opstaan.’
Mijn interne commentaarstem, door licht en water verdoofd, schoot wakker en had direct haar oordeel klaar. Als een echte gopnik die niet van werken houdt, zei ze. Het vooroordeel deed de binnenkant van mijn wangen opflakkeren. Wat zat ik mezelf hier verheven te voelen. Ik werd me opnieuw bewust van mijn sociale positie, mijn nette kleding, de North Face-jas die ik achteloos naast me neer had gegooid. Ik had gelezen dat die jas even duur was als het gemiddelde maandsalaris in dit land.
Gopnik keek er geen moment naar. Hij bleef op zijn respectabele afstand zitten. Kolja rende af en toe weg om aan de lavendel te snuffelen die in een bloemperk bloeide. De gopnik hield hem met een schuin oog in de gaten, maar bleef zitten waar hij zat.. We kletsten ondertussen wat, over zijn huis, over mijn wandelingen en het vervolg van mijn reis. Over het hotel waar we sliepen, waar hij ook een maand een kamer had gehuurd. Het bleek de kamer tegenover die van ons te zijn, waar mijn echtgenoot nu ongetwijfeld in zijn ondergoed op bed door zijn socials lag te scrollen. Zou hij zich afvragen waar ik bleef?
‘Het is fijn om met iemand te praten,’ zei de gopnik toen. ‘Ik praat eigenlijk alleen met Kolja.’
Mijn borstkas begon te gloeien. Ik had het al geweten toen ik hem op het strand had gezien, het onvermijdelijke gesprek dat wij zouden voeren, ik en de gopnik. Nu wist ik het zeker dat wij waren voorbestemd hier samen te zijn. Ik houd zielsveel van mijn man, maar hij zou de schoonheid van deze plek niet begrijpen. Hij zou mij als een schild voor deze jongen hebben afgeschermd en me dit moment hebben ontnomen. Bij dat idee ervoer ik een hevig gemis.
Ik dankte de jongen dat ik dit moment met hem mocht delen.
Hij stond op uit zijn hurkende positie. Schoorvoetend liep hij op me af en nam naast mij plaats op het bankje. Mijn jas met mijn portemonnee interesseerde hem nog steeds niets.
We keken toe hoe de zon wegzakte achter de grillige toppen. Ik voelde zijn stralen in mij, en ik wist dat mijn metgezel dat ook voelde. We keken totdat Kolja aan zijn eigen riem te trekken, die de jongen in zijn hand had. Hoe ironisch dat het uitgerekend de hond was die ons weer terug naar het leven sleurde. Net als de rivier moesten wij ook met de stroom mee gaan, verder, naar onze bestemmingen, waar wij als wij aan zouden komen al niet meer dezelfde zouden zijn als wij nu waren.
Toen ik bij mijn man terugkeerde, zei hij dat ik straalde.



Foto doorAaron Burden verkregen via Unsplash.

Plaats een reactie