Zo voorkom je gaten in je plot

Je hebt een prachtig verhaal geschreven en nu ligt het in de winkel. Dan hoor je in van een lezer: er zitten gaten in je plot. Ai… Waar moet je rekening mee houden om dat te voorkomen?

Chronologisch schrijven

Als je de grote lijnen van een boek hebt uitgedacht, is de kans erg groot dat je niet begint hij hoofdstuk 1 en zo chronologisch doorschrijft tot aan het einde van je verhaal. Het is als goede voornemens voor nieuwjaar. Meestal hou je het wel vol tot ergens in januari, misschien zelfs juni, maar helemaal tot aan december, dat komt zelden voor.
Het goede nieuws is dat je dit ‘goede voornemen’ niet zo streng hoeft aan te houden als je schrijft. Sterker nog, het werkt doorgaans zelfs beter als je schrijft waar op dat moment inspiratie voor hebt. Anders duurt het zes maanden voor je hoofdstuk 2 hebt geschreven, terwijl je in de tussentijd misschien hoofdstuk 1,4 8 en 12 had kunnen schrijven. Het nadeel van schrijven waar je inspiratie voor hebt, is dat je kan vergeten wat een lezer of een personage op dat moment al weet.

Je schrijft over een reis naar Frankrijk. In elk hoofdstuk legt je personage vijftig kilometer af. Als hij start in Amsterdam, is het vreemd als hij in hoofdstuk 2 al Frans begint te spreken. Hij is nog niet in Frankrijk en ook nog niet in het Franstalige deel van België. Maar als je een deel van hoofdstuk 10 hebt geschreven, zit je met je hoofd misschien nog halverwege een Franse vertaling. Dan volgt je lezer (of je personage) het verhaal niet meer, omdat je op de feiten vooruit loopt. Of iets klopt gewoon niet: iemand wordt opgesloten en even later loopt hij zonder sleutel diezelfde deur uit.

Hou goed in de gaten waar op de weg je bent in de reis van je verhaal

Meestal ontstaan dit soort fouten omdat je je verhaal al in zijn geheel voor je ziet, weet wat er gaat komen en je daar als het ware zin in hebt. Je verheugt je op die ene onthulling waarin het plot echt op gang gaat komen. Op die ene date waar het stelletje na jaren eindelijk de liefde aan elkaar verklaart. Bijna alsof je de lezer bent die een pageturner aan het lezen is. En dan kan je enthousiasme het nogal eens overnemen.

Je kan een aantal dingen doen om dit te voorkomen:

* Proeflezers inschakelen. Meestal zien zij zulke fouten meteen, omdat ze het verhaal niet helemaal kennen. Een redacteur doet dit ook en geeft meteen feedback op de inhoud.
* Je eigen tekst teruglezen. Dit is echter riskant: op een bepaald moment ontwikkel je een blinde vlek voor je eigen tekst.
* Een tijdlijn maken. Je kan meerdere tijdlijnen maken. Een korte voor een enkel hoofdstuk en/of een grotere voor je hele verhaal. Kijk waar je zelf bang bent een mogelijk steekje te laten vallen.

Rode haring

De rode haring is een term voor een schrijftechniek die wordt gebruikt om de lezer af te leiden. Al het bewijs wijst erop dat Gijs de moordenaar is, en de lezer gelooft dat zo’n beetje voor driekwart van het verhaal. Dan blijkt John op het eind van verhaal de moordenaar te zijn. Gijs is dan de rode haring. Een rode haring is moeilijk om te schrijven, omdat je veel uit moet werken en goed moet weten wat je lezer wanneer te weten krijgt, of wat niet. Er is zoveel om rekening mee te houden dat je makkelijk de fout in kan gaan. Gijs mag dan de rode haring zijn, uiteindelijk moet wel te herleiden zijn dat John inderdaad de moordenaar is.
Als je een rode haring wil schrijven is het verstandig om veel, zo niet alles uit te schrijven wat Gijs verdacht moet maken, waar John mee wegkomt en later op gepakt kan worden en welke raakvlakken deze personages al dan niet hebben. Een hint meer of minder kan het verschil maken tussen een logische onthulling of een einde dat niet samenhangend is.
Dat is fijn voor de lezer, maar ook voor jou als schrijver, omdat je niet eindeloos moet herschrijven. Misschien kan Chekhov’s gun je hierbij helpen.

Expres gaten in het plot laten

Soms kun je expres gaten in het plot laten, zodat je de karaktertrekken van een personage goed naar voren kan laten komen. Dit past meestal het best bij de archetypen relschoppers, nar en held. Zij zoeken naar gaten in de wet zodat ze kunnen doen wat ze willen. Soms zijn deze regels (of gaten in het plot) een kwestie van een beetje knutselen met taal, zelf je grapjas aandoen of creatief met bestaande regels omgaan. Meestal is dit helemaal in het straatje van de nar:
* Mag ik geen oliebol opeten van mama? Dan neem ik er gewoon drie hapjes van. Hé, ik heb niet de hele oliebol opgegeten….
* Mag ik niet op het gras lopen? Prima, dan stuiter ik er met mijn skippybal overheen.
* Is de karaokebar plotseling gesloten als ik daar met mijn vriendengroep aankom? Dan gaan we terug naar de auto op de parkeerplaats, gooien we de volumeknop van de radio open en houden we een karaokeavond in de auto.

Ik ga spelen met het plot. Doe je mee? Afbeelding: lobbes.nl

Andere keren zijn gaten in het plot essentieel voor het verhaalverloop om de held heldhaftig te laten lijken.
De held moet onmiddellijk van A naar B omdat een bom dreigt te ontploffen. De hele stad ziet echter zwart van de auto’s… Dan is het erg handig als je held een step heeft om toch nog wat sneller dan met de benenwagen op zijn bestemming aan te komen. Er is waarschijnlijk geen verkeersregel die je verbiedt om binnen een bebouwde kom met een step tussen een verkeersopstopping door te racen… Het is meestal niet de bedoeling dat een stad ontploft omdat de held niet op tijd bij die bom kan komen. Bedenk wel dat je op moet passen voor Deus ex machina bij dit soort gaten in het plot.

Deze vijf elementen vormen je schrijversstem

Je schrijversstem is de verzameling van alle elementen waaraan lezers een tekst kunnen herkennen als de jouwe. Het is belangrijk om die na verloop van tijd te ontwikkelen. Zo zorg je ervoor dat je opvalt en herkenbaar wordt tussen alle andere schrijvers. Hoewel je een unieke schrijversstem niet kan afdwingen, zijn er wel een aantal factoren die je kan uitzoeken om te zien wat er bij jouw manier van schrijven past. Als je je daar bewust van bent, komt je schrijversstem meestal vanzelf, als je maar genoeg blijft schrijven.


1. Taalgebruik 

Schrijf je met veel ingewikkelde woorden, of laat je je personages juist in straattaal praten? Dit kan natuurlijk per verhaal verschillen, maar als schrijver ontwikkel je meestal wel een bepaalde voorkeur voor taalgebruik of taalniveau. Schrijf je teksten die iedereen kan begrijpen, of wil je juist de meer intellectuele lezer uitdagen? 

2. Zinslengte 

Als je voor hoogopgeleide lezers schrijft, kan je makkelijker met lange zinnen strooien. Dat zal je niet zo snel doen als je voor een algemeen publiek schrijft. Een goede afwisseling van korte en lange zinnen is dan verstandiger. Maar als je vaak langere zinnen schrijft en dat goed doet, heeft dat invloed op je schrijversstem. Meestal gaat dat niet onopgemerkt: literaire schrijvers gebruiken vaak (maar niet altijd) langere zinnen. Daardoor wordt het begrip literair schrijven onderdeel van een schrijversstem. Ga maar na: je zou Gustav Flaubert niet snel in eenvoudige zinnen zien schrijven over een gelukkig gezinnetje, aangezien zijn bekendste werk gaat over meervoudig overspel geschreven in hele lange, beeldende zinnen. 

3. Toon 

Sinister, humoristisch, luchtig, wijs, fantastisch… Je kan een tekst talloze tonen geven. Ook hier zal je merken dat een schrijver vaak in ongeveer hetzelfde straatje blijft schrijven. Als hij de ene keer schrijft over een bloedserieuze rechtszaak waar een kinderverkrachter terecht staat, zal zijn volgende boek waarschijnlijk niet gaan over een geinig tripje naar de kermis met een oliebollen etende kameel op sleeptouw.

4. Thema’s en personages

Een verhaal heeft altijd een thema. Geluk, eenzaamheid, ziekte, liefde… Die thema’s kun je op talloze manieren invullen. De ene keer heb je liefde à la Romeo en Julia, de volgende keer is dat een koppel dat niet met, maar ook niet zonder elkaar kan. Deze verhalen schelen als dag en nacht van elkaar, maar schrijvers spelen op die manier vaak met dezelfde thema’s. Een schrijver kan ook juist over heel verschillende thema’s schrijven, maar dan komt een bepaald soort personage vaak terug. De held van het verhaal is dan bijvoorbeeld steevast een leraar, sterke vrouw of een wijze priester. Dit hoeft natuurlijk niet per se zo te zijn. 

5. Persoonlijke favorieten en interesses 

Je bent een schrijver, maar daarnaast ook een gewoon mens met hobby’s en interesses. En dat kan je soms ook terugzien in een schrijversstem. Ben je dol op vliegtuigen? Dan kan het zijn dat je hoofdpersonage in een boek een piloot is. In een ander boek is je hoofdpersoon als kind een keer naar een show van vliegtuigen geweest. Dat is een dierbare herinnering voor hem. 
Iets wat je interessant vindt, schrijft stukken makkelijker. Er is niks zo vervelend als eindeloos onderzoek te doen naar iets wat je niet interesseert. Ben dus niet bang om (alleen maar) te schrijven over dingen die je boeiend vindt. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Op drie manieren personages laten groeien door te kijken naar zijn medepersonages

Je hoofdpersonage groeit door zijn heldenreis. Binnen die heldenreis groeit hij ook door de omgang met anderen. Zo haal je het beste uit je hoofdpersonage èn elk personage waar hij mee omgaat. 

1. Ken je personage

Als je schrijft, moet je je personage heel goed kennen. Wat is zijn achtergrond betreft plaats in het gezin, cultuur, economisch, religie? Je moet weten wat je personage voor persoon is. Is hij verlegen, of juist brutaal? Is hij doodsbang voor falen en droomt hij van roem? Wat zijn zijn kernwaarden? Kortom, je moet zijn personagebiografie kennen. Zo kan je voorspellen hoe hij op bepaalde zaken gaat reageren en hoe hij groeit in het centrale conflict. Bovendien kan je zo voorspellen hoe hij met andere personen omgaat. Zou hij een drugsverslaafde willen helpen of juist niet? Dat antwoord maakt veel uit voor het verhaalverloop zodra zijn beste vriend wordt opgenomen vanwege een heroïneverslaving. 

2. Maak iedereen de held van zijn eigen verhaal

In een boek is er altijd een hoofdpersoon. Maar je personages weten niet dat ze in een boek leven. Daarom zijn ze zich ook niet bewust van de rolverdeling binnen dat verhaal. 

Harry Potter is de hoofdpersoon van de gelijknamige boekenreeks, maar Hermelien Griffel is zich daar niet bewust van. Het verhaal draait om Harry. Hermelien staat hem bij in zijn heldenreis: ze helpt hem door benarde situaties en is zijn vriendin. Maar vanuit Hermeliens gezichtspunt heeft zij een eigen leven waar juist Harry de beste vriend is. Haar leven draait voornamelijk om goede cijfers halen en haar eigen weg vinden in de toverwereld. Niet om Voldemort verslaan. Anders gezegd: zou de boekenreeks om Hermelien zijn gegaan, dan kreeg je titels als Hermelien Griffel en het doldwaze jaar met de tijdverdrijver, in plaats van Hermelien Griffel en de gevangene van Azkaban.

Als je in je aantekeningenboekje ieder personage de held van zijn eigen verhaal maakt, kom je veel te weten over je andere personages. Daarom moet je ieder belangrijk personage net zo goed kennen als je hoofdpersoon. 

3. Denk: actie-reactie

Zodra je weet hoe elk personage vanuit zijn eigen gezichtspunt handelt, kun je kijken naar het principe van actie-reactie. Stel je een hoofdpersonage voor dat verkering wil vragen. Omdat hij zich ziet als de hoofdpersoon van zijn eigen verhaal, gaat het in zijn fantasie zoals hij wil: hij gaat verder als partner van die droomvrouw. Maar dan loopt hij een blauwtje. De droomvrouw gaat namelijk geen relatie aan met iemand die ze niet zit zitten. Zij is vanuit haar gezichtspunt de hoofdpersoon van haar eigen verhaal, niet een ‘partner van’ in het verhaal van het hoofdpersonage. Zij heeft dus niet als doel om zijn verhaal op gang te houden. Dat heeft gevolgen voor het verhaal van je hoofdpersoon. Hij dacht een verhaal te hebben met hem als charmeur, nu is het een verhaal over een afgewezen man. Zo kan hij groeien. 

Acties-reacties kunnen van alles en nog wat zijn. Van omstandigheden waarop moet worden ingespeeld tot communicatie met een ander. Kijk wat de omgang met anderen met een personage doet en wat dat voor gevolgen heeft betreft zijn handelen, het vormen van een mening of misschien zelfs een levensvisie. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Hoe praat je personage?

Mensen hebben een stem die je kan horen en die hen karakter geeft. Een personage heeft dat niet. Hoe kan je er toch voor zorgen dat je personages een unieke stem krijgen?

Waarom moet je personage een unieke stem hebben?

Je staat er misschien niet zo bij stil, maar een stem bepaalt veel over hoe iemand overkomt. Een kettingroker ontwikkelt na decennia roken een hele raspende en rauwe stem. Dan zal die stem niet langer warm en geruststellend klinken. Iemand die heel snel praat, komt al snel over als chaotisch. En iemand die praat alsof hij standaard meedoet aan het nationale spellingsdictee, komt hij al snel over als een hoogopgeleide snob.
Als je de stem, de manier waarop hij praat en het taalgebruik van je personage uniek maakt, voorkom je dat het roepen, mompelen en roddelen en alle andere regieaanwijzingen een groot pot nat wordt. Dan maakt het al een stuk minder uit of Mariangelez degene is die roddelt of Bianca. Beide vrouwen klinken toch hetzelfde.

Geef je personage een stem: stoomcursus van een voormalig logopediste

Als voormalig logopediste (stem-spraak-taaltherapeut) heb ik professioneel leren kijken naar taal(gebruik), uitspraak en stemgeluid. Hoe kan je die gebruiken voor een unieke stem van je personage? Om verwarring te voorkomen ga ik eerst wat termen afbakenen.
Stem en stemgeluid: het geluid dat uit je mond komt als je praat. Een stem heeft kenmerken als: hoog, laag, hees, helder en schor.
Taalgebruik: De manier waarop iemand praat met woorden en zinnen. Korte zinnen, ingewikkelde woorden, grammaticaal (incorrect) Nederlands…
Uitspraak: de manier waarop de woorden en zinnen uit de mond komen en uitgesproken worden. Slist of stottert iemand? Praat iemand zo snel dat ‘fietsfabriek’ eerder klinkt als fiefubiek’?

Een passende stem voor je personage

Als schrijver kun je natuurlijk je eigen interpretaties geven aan wat jij bij bepaalde stemmen vindt passen. Vanuit logopedisch oogpunt kun je in ieder geval het volgende meenemen:

*Een hese stem ontstaat vaak door veel schreeuwen of vaak (te) hard praten. Misschien iets voor een extravert personage?
* Een rauwe stem ontstaat vaak door veel roken en/of alcohol drinken. Iets voor je ruwe bolster, blanke pit?
* Iemand kan ook met ‘veel lucht’ spreken: veel adem moeten happen tussen woorden en zinnen door. Diegene kan adem en stem niet gelijkmatig verdelen. Dat past best bij een druk personage.
* Hoe hoger je stem, hoe intensiever je stembanden trillen en dus werken. Daarom zou een lage stem bij een relaxed, ontspannen persoon passen.

Hier wordt je uiteindelijk best hees van…

De uitspraak van je personage

Uitspraak wordt meestal niet meegenomen in een verhaal. De keren dat dat gebeurt, zegt dat vaak al iets over het personage. Dialecten (en hun bijbehorende uitspraken) zijn gevoelig voor clichés. Iemand met een Twents accent zal wel een lompe boer zijn, als je kan horen dat iemand uit ’t gooi komt, zal pa wel een rijke zakenman zijn… Daar kun je dus maar beter voorzichtig mee zijn. Tenzij je weet dat je alle ruimte hebt om je personage goed uit te werken en ervoor te zorgen dat je personage niet eendimensionaal wordt.

Stotteren is ook een typisch voorbeeld: de stotteraars zijn in romans vaak heel verlegen mensen. Maar stotteren is geen gevolg van niet uit je woorden komen omdat je iets spannend vindt. (Het is een stoornis in de timing van de spieren die je nodig hebt om klanken te vormen. Weer iets geleerd vandaag 😉 ) Er zijn stotteraars die helemaal niet verlegen zijn. Kijk dus uit dat je stotteren niet als stereotype gaat gebruiken.

Eén van de weinige voorbeelden waarop uitspraak feitelijk iets weerspiegelt van een personage is als je hij veel moeite heeft om zijn woorden te vinden. Dat zie je vaak bij mensen die een afasie, hersenbloeding of andere hersenbeschadiging hebben opgelopen. Hierdoor praten deze mensen vaak ook uitzonderlijk langzaam. Neem dit mee in je onderzoek als je personage dit heeft meegemaakt.

Taalgebruik van je personage

Bij kinderen moet taal zich nog ontwikkelen, dus daar kun je (tenzij je logopediste bent) niet heel veel over zeggen. Dan zou je het over taalontwikkeling(stoornissen) moeten hebben en dat is een vak apart (logopedie om precies te zijn 😉 ).

En hoewel taalontwikkeling op een bepaald moment stopt en kinderen dus ‘als volwassenen’ praten, gebruikt iedere volwassenen taal op een geheel eigen manier.
Net zo’n beetje als schrijvers een schrijversstem hebben, hebben mensen wat taal betreft vaak ook een eigen ‘praatstem.’

Je ziet dat hoogopgeleide mensen naar verhouding langere zinnen maken en ook de neiging hebben om (vaker) moeilijkere woorden te gebruiken.
Maar ook mensen die veel lezen doen dat relatief vaak. Dat komt doordat je door een hoge opleiding en veel lezen een grotere woordenschat krijgt, die je als vanzelf dus ook meer gaat gebruiken.

Mensen met een grote woordenschat zullen doorgaans meer woorden gebruiken om iets te vertellen.

Wat me ook opviel aan taalgebruik zijn de normen en waarden. Er waren ouders van kinderen die voor logopedie kwamen die heel informeel en ontspannen met mij spraken. Anderen zagen mij als de therapeut die als een soort dokter voor hun kind zorgde. Dat resulteerde vaak dat ze geen jij, maar u tegen me zeiden. In gesprekken met de ouders kwam ik er vervolgens achter dat dat vaak ook met bepaalde normen en waarden te maken had, niet zozeer om beleefdheid. Naar verloop van tijd viel het me op dat de kinderen die mij met u moesten aanspreken van hun ouders relatief vaker werden opgevoed volgens een vaststaand uitgangspunt van rust, reinheid en regelmaat. De ouders die wat informeler met mij omgingen, stelden minder grenzen voor hun kinderen en hadden naar verhouding wat meer zelfstandigere (of eigenwijze 😉 ) kinderen. Daar was de waarde in opvoeden dus eerder: ontspannen en zelfstandig.
Dit is slechts een observatie. Of het een echte samenhang heeft, durf ik niet te zeggen. Maar ik geef dit mee als aansporing om op het taalgebruik van mensen te letten. Wie weet wat voor soortgelijke vondsten jij vindt om te gebruiken voor je personage. Zoals altijd zijn mensen goede spiekbriefjes voor personages.

Een tijdlijn maken voor je verhaal

Een tijdlijn maken is ontzettend belangrijk als je een verhaal gaat schrijven. In je verhaal gebeurt niet alles chronologisch en dan is het fijn als je een overzicht maakt van wanneer wat gebeurt. Zelfs als alles netjes van A naar B gaat, kan je een fijne houvast hebben aan een tijdlijn.

Waarom schrijf je een tijdlijn?

Als je een verhaal schrijft, maak je meestal een ruwe schets van gebeurtenissen. Daarin heb je de rode draad van het verhaal, maar ook nog wat andere gebeurtenissen om het verhaal wat meer inhoud te geven. In die andere kortere verhaallijnen kunnen dingen voorkomen die de rode draad beïnvloeden en daarmee invloed hebben op de tijdlijn.

Neem een huisje-boompje-beestje verhaal. Het stel wordt verliefd, gaat trouwen en krijgt een kindje. Als je deze volgorde aanhoudt in het verhaal, lijkt het in eerste instantie moeilijk om de (chronologische) draad kwijt te raken.

Voorbeeld: makkelijk de chronologische draad kwijt

Het stel trouwt in december 2018 en jij hebt bedacht dat het na de huwelijksnacht meteen raak is. Het kindje zou dus in september geboren moeten worden. Zo heb je je rode draad bepaald. Maar later in je uitwerking bedenk je dat een vriendin tegen de bruid zegt: “Zou je wel meteen beginnen met proberen zwanger te raken? Jullie hebben een superavontuurlijke en lange huwelijksreis gepland! Als het meteen raak is, zit je daar in aan de andere kant van de wereld met ochtendmisselijkheid…”
“Daar zit iets in…”
Je schuift de geboorte van het kind op en het kindje wordt niet in 2019, maar in 2020 geboren. Dat geeft al meteen een hele andere kraamtijd voor moeder, met een lockdown: moeilijkere regels voor bij de echo, minder bezoek in de kraamtijd…

Personagebiografie als houvast

Qua jaartal is 2020 een redelijk extreem voorbeeld, maar je ziet waarschijnlijk wel dat iets opschuiven een groot gevolg kan hebben. Om niet in de knoop te raken met jaartallen, leeftijd en levensloop, is het verstandig om je personagebiografie als houvast te gebruiken. Geef je personages allemaal een exacte geboortedatum, dus : dd-mm-jjjj. Niet: “ergens in de jaren tachtig”. Dan weet je bijvoorbeeld ook: Dochter is in 2000 25 jaar oud, Vader is dan 65. Als dochter dan in 2003 bevalt, is Vader net een jaartje met pensioen.
Dat is best handig om te weten. Opa zal een stuk makkelijker kunnen oppassen als hij niet aan het werk is.

Tijdlijn en het butterfly effect

Als je een tijdlijn hebt die je goed bijhoudt, voorkom je een verkeerd butterfly-effect.
Het butterfly-effect komt in elk verhaal in meer of mindere mate voor. Als je zomaar iets opschrijft betreffende de verstreken tijd of het jaartal, is het onvermijdelijk dat je vroeg of laat iets opschrijft wat in je tijdlijn niet meer klopt. Bijna alles heeft een samenhang of een oorzaak en gevolg. Zeker wat betreft de rode draad in je verhaal of belangrijke subplots, moet je er alert op zijn dat je weet waar je eventuele dingen verandert.

Als je bewijs wil hebben hoe een kleine verandering in de tijd grote gevolgen kan hebben voor de toekomst, moet je de filmklassieker ‘Back to the future‘ maar eens kijken.

Tijdlijn en de algemene geschiedenis

Als je schrijft over een ‘hoofdstuk in de geschiedenis’ dat al voorbij is, kun je daar je voordeel mee doen. De Tweede Wereldoorlog is daar een goed voorbeeld van. Je kan de geschiedenisboeken gebruiken om bepaalde historische gebeurtenissen als ijkpunt te nemen en aan de hand daarvan een personagebiografie aan te passen of zelfs te maken.

In Nederland duurde de oorlog van 1940 tot en met 1945. Dat is een tijdsbestek van vijf jaar. Kinderen en jongeren uit die tijd hebben dus een groot deel van hun leven of tijdens een belangrijk moment van hun ontwikkeling de oorlog meegemaakt. Daarin kan hun geboortejaar een belangrijk verschil uitmaken voor de invulling van het verhaal. Bijvoorbeeld:

1875: Je bent 65, in die tijd hoogbejaard. De kans is heel klein dat je het eind van de oorlog meemaakt. Wat doet dat met je mentale toestand als je je daar bewust van bent?

1925: je wordt negentien in 1944. In het heetst van de strijd wordt je opgeroepen voor het leger, waardoor je in levensgevaar kan gaan verkeren.

1927: je wordt negentien in 1946. Hoewel je slechts twee jaar jonger bent dan het personage hierboven, is de oorlog over zodra de dienstplicht zou gelden en hoef je dus niet naar het front, met alle bijkomende mogelijke gevolgen.

1933: Je bent zeven tot en met twaalf jaar als het oorlog is. Je bent inmiddels oud genoeg om de hele oorlog bewust mee te krijgen.

1944: je wordt geboren in de hongerwinter. Je herinnert je later niets van de oorlog, maar door de hongersnood kan je wel een groeiachterstand hebben gekregen. Dat kan van invloed zijn op de manier waarop je (lijf) verder ontwikkelt.

Voor het verhaalthema kan je tijdlijn dus ook van groot belang zijn. Het maakt voor je personage veel uit of hij drie of drieëntwintig jaar is in 1943. Dat is het verschil tussen ‘oorlogsgeheimen in een familie waar je hoofdpersonage later pas achter komt’ of ‘traumaverwerking’.

Tijdlijn en plottwists

Vanwege het eerder genoemde butterfly-effect is het ook belangrijk dat je weet welke gebeurtenissen een samenhangende oorzaak en gevolg hebben. Zeker bij een plottwist. Een plottwist gaat erom dat er ‘opeens’ iets anders gebeurt dan de lezer verwacht. Maar dat opeens komt wel op een bepaald/ specifiek moment. Omdat je moet weten welke puzzelstukjes je aan de lezer geeft, moet je ook weten wat je al voor informatie hebt weggeven en welke niet. Een tijdlijn kan hier ook houvast voor bieden. Een onverwachte zwangerschap met de uitgerekende datum in september betekent dat je tijdens oud en nieuw nog niets van de zwangerschap weet. Dus dan gaat de vriend van de aanstaande ouders geen nieuwjaarswensen geven: “Dat het maar een mooi jaar mag worden met het uitgebreide gezin.” Dan weet je dat je ergens in maart je personage hints kan laten geven.

Je schrijversstem vinden

Als mensen weten dat je serieus aan de slag wil met schrijven, zal de vraag “Heb je je schrijversstem al gevonden?” misschien al een keer gevallen zijn. Wat houdt een schrijversstem in en hoe kan je die vinden?

Wat is een schrijversstem?

De schrijversstem is datgene wat elke schrijver uniek maakt. Er zijn talloze schrijvers, verschillende genres en allerlei schrijfstijlen en thema’s. De mix daarvan vormt de schrijversstem. Als een doorgewinterde fan van een bepaalde schrijver diens boek voorgelezen krijgt, zal die hem herkennen. Alsof het een letterlijke stem is. Net zoals een menselijke stem hoog of laag, hees of helder is, zo heeft een schrijversstem ook een combinatie die hem uniek maakt. “Ik herken deze tekst als een van schrijver X.” zal deze lezer zeggen. “Het woordgebruik is formeel, de zinnen zijn lang, de personages zijn allemaal van hogere kringen en het thema is vergeving.”

Waarom heb je een schrijversstem nodig?

Met een unieke schrijversstem val je op in de schrijversmarkt. Dan ben je niet langer een auteur zoals er dertien in een dozijn van zijn. Maar ook vóór een eventuele doorbraak is het belangrijk dat je je eigen schrijversstem vindt.
Als je begint met schrijven, moet je veel lezen en een beetje spieken bij andere schrijvers en verhalen om te zien hoe een goed verhaal in elkaar steekt. Het is lastig om te leren schrijven als je geen voorbeeld aan iets of iemand kan nemen. Maar de andere kant van de medaille is dat je de schrijfstijl van anderen niet te makkelijk, vaak of langdurig kan blijven kopiëren. Als je dat doet, zet je je creatieve ontwikkeling op slot.

Een voorbeeld van het vinden van je schrijversstem

Stel dat je wil leren hoe je sprookjes schrijft, hoewel je ze nog niet kent. Dan begin je met sprookjes lezen en kun je in het begin de sprookjes vrijwel knippen en plakken. Je kijkt naar wat de elementen van sprookjes zijn en maakt simpele verhaaltjes volgens dezelfde structuur. Zo wen je aan hun structuur en oefen je met het schrijven zelf. Stel dat ‘De wolf en de zeven geitjes’ en ‘Roodkapje’ als jouw favoriete sprookjes uit de bus komen. In beide sprookjes is er een boze wolf. Dat vormt een uitdaging. Als je kopieert van bestaande sprookjes, zal in jouw sprookje ook een wolf zijn die iets opeet. Maar dan is het geen meisje of een geitje, maar misschien een kalfje. Zo heb je wel net een ander sprookje, maar is het niet meteen origineel en zal het niet zo snel opvallen tussen de andere sprookjes met wolven erin.

Dat wil niet zeggen dat je niet over wolven mag schrijven. Gebruik het dier gerust! Maar als je je eigen schrijversstem wil vinden, moet je gaan kijken hoe je het gegeven van een wolf in gaat vullen. Is de wolf je lievelingsdier? Misschien wil je van de wolf dan wel de held maken, in plaats van de slechterik. Of kies je ervoor om de wolf de handlanger te maken van de slechte tovenaar en wil je niet dat de wolf de grootste boosdoener is.
Als de rol van de wolf verandert, doet het verhaalthema dat waarschijnlijk ook. En als je dan de ietwat kinderlijke verteltoon van de meeste sprookjes ook nog eens verandert in hoogwaardig en ingewikkeld Nederlands, dan weet je zeker dat je een uniek verhaal hebt geschreven.

Een schrijversstem vinden heeft veel te maken met de interpretaties die jij aan verhalen geeft. Is de wolf een wilde jager of een zielig zwervend beestje?

Terugkerende schrijversstem

In het voorbeeld van het sprookje heb je in één enkel verhaal je schrijversstem gevonden. Over het algemeen is het echter zo dat je een schrijversstem ontwikkelt die uiteindelijk in al je verhalen terugkomt. Dat is vaak terug te zien aan wat je zelf interessant of leuk vindt om over te schrijven of te lezen.
Als je het belangrijk vindt dat je schrijft over sterkte vrouwen, dan zullen die waarschijnlijk in al je verhalen terugkomen. Als het je overtuiging is dat je het leven niet al te serieus moet nemen, zal er in elk boek dat je schrijft wel een flierefluiter of een geinig type voorkomen. Een Jane Austen fan zal misschien ook schrijven in wat ouderwetser taalgebruik.

Het gevaar van een schrijversstem kopiëren

Ga een schrijversstem niet forceren. Je komt niet als een betere schrijver over als je koste wat kost grappig, belezen of romantisch over wil komen. Het principe van een schrijversstem is juist dat je een stijl vindt die bij je past en die je relatief makkelijk afgaat. Forceren past dus niet in dat plaatje. Misschien houd je het even vol om een bepaalde stijl te kopiëren, maar vroeg of laat val je door de mand.

Misschien is het een cliché, maar in dit geval wel een belangrijke tegeltjeswijsheid: wees jezelf, er zijn al genoeg anderen.

Kun je een schrijversstem maken?

Zoals zo veel dingen met schrijven is ook het krijgen van een schrijversstem meer oefenen dan een checklistje afgaan en iets puntsgewijs maken. Je zal moeten oefenen, leren, bijschaven, schrappen… Je wordt niet van de een op de andere dag wakker met een eigen schrijversstem. Het zal eerder zo zijn dat je op een willekeurig moment opmerkt dat je je schrijversstem gevonden hebt als je een van je passages terugleest en ziet dat je dat in dezelfde stijl hebt geschreven als een heleboel andere eerder geschreven stukken.
Je kan jezelf wel trainen in het herkennen van je schrijversstem. Ga niet alleen na welke genres, zinslengten bij je past en wat je voorkeur is voor taalgebruik in het algemeen. Kijk ook eens welke schrijftechnieken al dan niet bij je passen. Krijgt je verhaal vaart bij een in medias res of weet je dan niet meer hoe je je verhaal op de rit krijgt? Heb je een houvast bij de details van een Chekhov’s gun of loop je daarmee alleen maar vast?

Uiteindelijk gaat het erom wat er voor jou werkt.


Ijkpersoon

Als je een verhaal gaat schrijven, moet je weten welk publiek je verhaal interessant gaat vinden. Daarvoor kun je een algemene doelgroep bepalen. Wil je een stapje verder gaan, schrijf dan een ijkpersoon om er zeker van te zijn dat je je potentiële lezer goed voor ogen hebt.

Wat is een ijkpersoon?

Een ijkpersoon is een fictief personage die je ideale lezer moet voorstellen. Hij komt niet in je boek voor: eigenlijk gaat een ijkpersonage niet veel verder dan een personage dat alleen bestaat op zijn eigen ( niet al te uitgebreide) uitgewerkte personagebiografie.
Je ijkpersoon is een verdieping op je doelgroep. Stel dat je schrijft voor vrouwen van middelbare leeftijd. Dan vallen er heel wat mensen af als je ideale lezer (kinderen, jonge mannen, bejaarde dames…) Maar er zijn meer dan twee miljoen middelbare vrouwen in Nederland. Dan is het nogal link om aan te nemen dat zij allemaal dezelfde interesses hebben. Om binnen een alsnog brede groep mensen een iets specifieker beeld van een publiek te kunnen krijgen, kun je een ijkpersoon maken. Zo weet je zeker dat je ook echt schrijft voor het lezerspubliek dat je voor ogen hebt.

Maak je ijkpersoon niet te specifiek

Je ijkpersoon mag geen echt personage worden. Verder dan een globale personagebiografie komt hij niet. Dat heeft een reden. Als je schrijft over een ijkpersonage dat net zo diepgaand is als bijvoorbeeld je hoofdpersoon, dan schrijf je uiteindelijk voor een te klein lezers publiek. Vergelijk ‘middelbare vrouwen met een Chinese achtergrond’ met middelbare vrouwen met een Chinese achtergrond, tussen de 50 en 55 jaar, sinds twintig jaar woonachtig in Amsterdam, moeder van twee kinderen en videomontages maken als grootste hobby’. Misschien kun je je boek dan aanprijzen bij een handjevol dames, terwijl je anders misschien enkele tienduizenden mensen kan bereiken.’

Ijkpersoon schrijven: begin met algemene aannames

Als je begint met het schrijven van een ijkpersonage is het belangrijk dat je in algemene aannames denkt, zodat je een houvast hebt. Denk aan een rijk persoon: die zal echt wel een dure auto of een groot huis hebben. Natuurlijk zijn er ook rijkelui die niet zo veel geven om materieel bezit, maar zij zijn naar verhouding zeldzamer.
Het doel van een ijkpersonage is om een persona te schrijven die veel mensen in je doelgroep kan representeren. Als je dus een ijkpersoon zou schrijven voor miljonairs en je ijkpersoon woont in een bescheiden huisje met een tweedehands auto naast de deur, dan sla je de plank mis.

De ijkpersoon schrijven middels een trechtermodel

Als je een ijkpersoon gaat schrijven, stel je dan een trechter voor. In de trechter stop je om te beginnen een aantal algemene factoren. Die heb je waarschijnlijk al vastgesteld toen je je doelgroep bepaalde. Denk hierbij aan dingen als:
* geslacht
* leeftijd
* opleidingsniveau
* woonplaats
* sociaal-ecomonische achtergrond

Neem een aantal van deze factoren en kijk eens wat een optelsommetje als logische aanname kan opleveren. Bijvoorbeeld: Een laagopgeleid meisje van een jaar of twintig zal relatief eenvoudige chicklits willen lezen voor op het strand. Je kan bij dit optelsommetje ook tot de conclusie komen dat je ideale lezer juist iets uitgesproken oninteressant vindt.
Is de rijke zakenman van zestig plus geïnteresseerd in romantische verhalen? Waarschijnlijk niet. Maar als je een aantal dingen (niet per se allemaal!) omdraait, kun je alsnog op factoren komen die wel degelijk kloppen. Maak van de man een vrouw. Van de zestigplusser een tiener of midden-twintiger. Inkomen hoeft dan niet per se een factor te zijn.

Steeds meer optelsommetjes

Op eenzelfde manier ga je de steeds verder de spreekwoordelijke trechter in. Bijvoorbeeld: je bent een romantisch verhaal aan het schrijven. Je weet al dat je ijkpersoon een vrouw is tussen de 20 en 45 jaar oud. Dan ga je bedenken of ze een (drukke) baan heeft. Ja, en ook nog eens drie kinderen. Aha. Drukke baan en kinderen… Zou dat misschien betekenen dat de romantiek daardoor op de achtergrond van haar huwelijk is geraakt en dat ze die voortaan uit boeken moet halen? Misschien dat ze daarom wel tot dit genre wordt aangetrokken.
Hier kun je weer een aanname bij maken: als ze het altijd druk heeft, de romantiek in haar leven mist, kun je dan iets van haar man zeggen? Ja hoor. Hij heeft het net zo druk als zijn vrouw met werken, waardoor ze elkaar nauwelijks nog zien. Of hij is niet zo romantisch als de vrouw ooit had gehoopt. Wie weet dacht ze wel tevergeefs: “zodra we getrouwd zijn, zal zijn romantische inborst wel verschijnen…” Weer iets om te noteren.

Laten we even aannemen dat manlief best romantisch is, maar door het drukke schema van het echtpaar daar gewoon geen tijd voor een diner bij kaarslicht vrij kan maken. Dan kan je ervan uitgaan dat dit gezin er warmpjes bij zit: we kijken hier naar twee fulltime werkers. Probeer op deze manier zo de belangrijkste grote lijnen over je ijkpersoon uit te werken.

Een te specifiek ijkpersoon

Je kan het format voor een personagebiografie gebruiken voor je ijkpersonage in de betreffende post. Maar een aantal dingen die daarin staan vernoemd, zijn te specifiek voor een ijkpersoon. Denk aan bijvoorbeeld: grootste angst, raakt van slag als, zou een standbeeld neerzetten voor… lengte, gewicht, haarkleur en grootste geheim.

Het ultieme beeld van je ijkpersoon

Als je een goed beeld wil hebben bij je ijkpersoon, is het een goed idee om een foto bij je ijkpersoon te zoeken. Maak hier geen uitgebreide zoektocht van: een stockfoto volstaat meestal. Maar een foto kan net dat extra zetje geven om je een betere voorstelling te krijgen bij je ijkpersonage en daarmee je doelgroep.

Een zeer standaard foto kan volstaan, zolang hij enigszins bij je ijkpersoon aansluit.

Opzetje voor een schrijfoefening

Je kan bovenstaande foto ook als schrijfoefening gebruiken, zoals bij de posts van Human en schrijfoefening met namen geschreven staat. Welke informatie krijg je al met een enkele foto? Ik noem deze man Richard en zeg dat hij een docent biologie is en fan is van zeilen. Waarom associeer je dat al dan niet met hem?

Een tranentrekker als doel van je verhaal

Verhalen waardoor de lezer met tranen in de ogen eindigt, zijn de verhalen die onthouden worden. Dat zijn immers de boeken die de lezer diep raken. Maar moet het daarom je insteek zijn om de lezer aan het huilen te krijgen?

Wat maakt een tranentrekker?

Als je al langer schrijft, ben je vast bekend met Mary Sue. Dan weet je dat de belangrijkste regel is dat een lezer zich met een personage of verhaal moet kunnen identificeren. Dat begrijpen de schrijver van tranentrekkers erg goed. Ze spelen in op iets wat bijna iedereen van dichtbij heeft meegemaakt. Hun slimme trucje zit in het volgende: je hoeft dit niet exact meegemaakt te hebben, als het overkoepelende idee maar herkenbaar is.

Een clichévoorbeeld hiervan is het kind met kanker. Kanker is natuurlijk een verschrikkelijke ziekte en komt helaas nog veel voor. De kans is daardoor groot dat je iemand kent die aan kanker is gestorven, of in ieder geval ertegen heeft moeten vechten. Als dat niet zo is, dan is het vrijwel zeker dat een geliefde met een andere dodelijke ziekte te kampen heeft gehad. En als je een geluksvogel bent die zelfs dat niet heeft meegemaakt, kan een tranentrekkerschrijver nog altijd een herinneren aanboren waarin je je zorgen maakte om iemands welbevinden. Daarmee doet hij een beroep op je empathie. Uiteindelijk gaat het dus om die ‘diepere laag’ van empathie en heeft het weinig te maken met een (specifieke) ziekte of de leeftijd van een patiënt.

De tranentrekkerformule

Het is je waarschijnlijk wel opgevallen dat romantische drama’s vaak tranentrekkers zijn. Dat komt omdat de lezers of kijkers het min of meer van dat genre verwachten. Voor een uitgever of filmmaatschappij is dat dus makkelijk geld binnen halen. Om te garanderen dat het volgende project ook weer gaat slagen, kunnen ze van hun schrijvers eisen om volgens een bepaalde formule te schrijven. Onderstaande afbeelding is een weergave van de formule die altijd terugkomt in de boeken van Nicholas Sparks, een van ’s werelds meest succesvolle schrijvers van liefdesverhalen.

Deze toon is nogal sceptisch. Terecht, als je een origineel verhaal wil lezen.

Is een tranentrekker een slecht verhaal?

Een tranentrekker is niet per se een slecht verhaal. Om de logische reden dat ze anders niet als warme broodjes over de toonbank zouden gaan, maar ook omdat smaken verschillen. Daardoor blijft ook de kwaliteit van verhalen tot op zekere hoogte altijd subjectief. Maar een tranentrekker is echter regelmatig onorigineel. (Anders had ik bovenstaand plaatje over Nicolas Sparks’ films nooit kunnen vinden 😉 )

Moet je een tranentrekker willen schrijven?

Als je beginnend schrijver bent, moet je heel goed opletten wat je benadering is naar jouw tranentrekker in wording. Het lijkt misschien een eitje, nu je ziet hoe een tranentrekker in elkaar steekt. Maar dat is het niet. Zoals met alles betreft schrijven is het geen kwestie van een paar tips opvolgen en maar afwachten tot jouw pen die tranen uitlokt. Lees hier over realistische verwachtingen die je moet hebben als schrijver, zowel betreft je talent als je ambities betreft publicatie. Er zijn twee dingen waar je alert op moet zijn als je een tranentrekker wil schrijven, of volgens een bepaalde formule wil werken.

Een formule beperkt je schrijversflow

De schrijversflow is het verschijnsel dat schrijven heerlijk vlot, bijna als vanzelf gaat. Als je koste wat kost aan een bepaalde formule wilt voldoen, zal je nooit iets afkrijgen. Je bent immers continu bezig met de vraag of je iets wel goed genoeg doet, in plaats van dat je met het daadwerkelijke schrijfproces bezig bent. Dat is op zichzelf al niet prettig, maar als beginnend schrijver heb je meestal nog geen echt beeld van de kwaliteit van je tekst. Schrijven leer je door te oefenen en te doen. Niet door blindstaren op schrijftechnieken. De kans dat je dat doet is groter als je aan een formule vasthoudt. Als je twijfelt over je kennis en kunde betreft schrijftechnieken, kun je formules het best nog even links laten liggen.

Een formule biedt geen garantie op succes

Een formule kan heel goed werken, anders verdient die zijn naam niet. Maar een garantie op succes biedt hij niet. Je weet namelijk nooit hoe die ene/ jouw gemiddelde lezer ergens exact op gaat reageren, omdat je niet in zijn of haar individuele hoofd kan kijken. Je kan natuurlijk een ijkpersoon maken, waardoor de kans groter is dat je doel bereikt. Maar het feit blijft dat mensen uniek zijn en daardoor ook uniek denken en reageren.

Het lijstje afwerken en voilà. Nee, zo makkelijk is dat niet.


Je zou kunnen denken dat je kleine kankerpatiëntje heel hard binnenkomt bij een ouder die een kind aan een ziekte verloren heeft. Die kans er inderdaad. Misschien wil de moeder jouw verhaal wel lezen als onderdeel van het rouwproces, om te troost te vinden bij het gegeven dat er meer mensen zijn die deze pijn meemaken. Een andere moeder in exact dezelfde omstandigheden zal jouw boek misschien niet eens oppakken, omdat het te confronterend is.
Ben dus heel voorzichtig met aannames maken betreft het volgen van een formule.
Schrijf hoe dan ook in eerste instantie vanuit je creativiteit, niet met een (al te) specifieke lezer in gedachten. Dat kan met het schrijven van creatieve verhalen enorm tegenvallen. Als die ene lezer het niets vindt, heb je ontzettend veel werk voor niets verricht. Je kan dan beter vanuit je eigen drijfveer en vindingrijkheid schrijven en vervolgens kijken welk publiek je werk gaat waarderen. Besef dat je een doelgroep moet zoeken. Een groep, dus geen apart individu.
Als je je teveel op een (ijk)persoon richt, bestaat het risico dat je te veel gaat aannemen. “Hoezo? Jij bent een tiener die net een vriend heeft en dol is op de Californische stranden, dus vindt je een zwijmelroman aan het strand van Los Angeles erg interessant.”
“Uhm… Ik ben óók een tiener die bezig is met keihard blokken voor de entree-examens voor een vooraanstaande studie geschiedenis. Geef mij maar een historische roman…”

De drie gevaarlijke hoeken van een liefdesdriehoek

De liefdesdriehoek is dat bekende recept wanneer er twee mannen vechten om een vrouw, of twee vrouwen vechten om een man. Het komt zo vaak voor dat je het maar beter kan vermijden. Maar niet alleen vanwege het cliché. Hier volgen nog drie redenen waarom de liefdesdriehoek schadelijk is voor je verhaal.

1 Ruzie wordt het belangrijkste deel van het verhaal

Het principe van een liefdesdriehoek is dat (meestal) de vrouw niet kan kiezen tussen twee mannen. Ze geeft niet een van de twee de bons en gaat er met de ander vandoor. Dan heb je namelijk geen driehoek; eerder een lijn waar de derde persoon naast staat.
Een verhaal loopt niet als de twee mannen langs hun neus weg zo nu en dan even zeggen tegen de vrouw dat ze haar wel zien zitten. Dan valt er niet veel te vertellen. Ziedaar hoe de liefdesdriehoek normaalgesproken ontstaat. Het is de ruzie over wie met elkaar gaan eindigen. Maar een liefdesdriehoek is zelden subtiel. Meestal wordt deze ruzie het centrale conflict met op de achtergrond nog toevallig wat avonturen met weerwolven en vampiers. Het zou andersom moeten zijn, maar dat komt niet vaak voor.  

2 Uitwerkingen van personages komen nauwelijks tot hun recht

Als je personages continu bezig zijn met de affecties van een ander te winnen, kom je weinig over hun karaktertrekken en talenten te weten. Je kan in een boek maar een bepaald aantal woorden gebruiken. Dat woordenaantal ligt natuurlijk niet vast, maar hoe je het gebruikt maakt voor het verhaal en de verdieping van je personages wel uit. Gebruik je van de duizend woorden er zeshonderd om uit de doeken te doen hoe een personage sluw, attent en goed in administratie is? Of gebruik je diezelfde zeshonderd woorden om te omschrijven hoe de mannen voor de zoveelste keer elkaar de loef proberen af te steken?

3 De vrouw wordt vaak een beloning in plaats van een persoon

We zagen al dat het winnen van de affectie van de vrouw het hele verhaal kan overnemen en dat dat de uitwerking van personages vaak geen goed doet. Niet alleen voor de mannen, maar ook voor de vrouw. Een patroon dat je vaak ziet is dat de mannen verliefd op haar worden en dat de rol van de vrouw dan beperkt wordt tot de prijs die gewonnen kan worden. Net als in punt twee: tijd voor de uitwerking van een personage wordt vaak niet genomen. Dus ook niet voor de vrouw. Ze is mooi of lief, laat zo de mannen voor haar vallen en daar blijft het dan vaak bij. Het verhaal wordt zo in beslag genomen door de ruzie, dat er geen ruimte is voor de vrouw om zich om iets anders druk te maken dan deze vechtende mannen. Over haar hobby’s, carrièrewensen of vakantieplannen zal je niet veel te weten komen. Zo wordt de vrouw makkelijk een sexy lamp.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Show don´t tell optimaal benutten

Show don’t tell is een van de basistechnieken van schrijven. Het is de makkelijkste manier om een verhaal levendig te maken. Als je weet wat het is, ben je er nog niet. Hoe haal je het meeste uit deze schrijftechniek?

Een korte definitie van show don’t tell

In het kort betekent show don’t tell dat je in plaats van iets simpelweg opschrijft, je omschrijft wat er gebeurt, te zien is of wat de emoties van een personage zijn. Bijvoorbeeld de tranen liepen over mijn wangen in plaats van Ik huilde. Of De ketting van de fiets rammelde, de bel was verroest en er zat een deuk in het wiel in plaats van de fiets viel van ellende uit elkaar. Lees hier mijn uitgebreide introductie van show don’t tell.

Show don’t tell als sfeermaker

Over het algemeen kun je show don’t tell zien als de sfeermaker van een scène. Ga maar na:
* Je beschrijft de meubels in een kamer om duidelijk te maken of die modern of ouderwets is.
* Aan de hand van gezichtsuitdrukkingen wordt de sfeer van een gesprek duidelijk. Worden wenkbrauwen gefronst en tanden geknarst? Dan zijn de mensen niet gezellig hun weekendplannen aan het bespreken.
* Als iemand smakkend van genot aan de eettafel zit, is dat waarschijnlijk meer dan een gemiddelde avondmaaltijd. Grote kans dat er uitgebreid gekookt is om iets speciaals te vieren en er dus een feestelijke sfeer hangt.
* Een scene wordt spannend van toon als de lezer merkt dat iemand stiekem een wapen heeft gekocht. Wat zou hij daarmee van plan zijn? Heeft hij vijanden? Zit hij in de illegale wapenhandel?
Een ‘tell’ zou dit meteen verpesten: Sjaak heeft Rafael net uit het niets neergeschoten met zijn nieuwe geweer. Dan blijkt wel dat Sjaak Rafael niet mocht… Maar sfeeropbouw geeft het niet, want Rafael is al dood voor je merkt dat er iets spannends gaat gebeuren.

Als Sjaak onmiddellijk de hoek om komt stormen, is dat geen sfeermaker, maar een sfeerbreker. Show don’t tell is een subtiele manier van sfeeropbouw, waar tell eerder iets meteen duidelijk wil maken.

Als je show don’t tell gebruikt, bedenk dan wat voor sfeer je wil benadrukken. Dan komt de techniek het beste tot zijn recht.

Het ‘tell -effect’ bij overdadige show

Een nadeel van show ten opzichte van tell is dat het een groter woordenaantal heeft. Daardoor kan een teveel aan show verzanden in bloemig taalgebruik. Dat kan tegenstrijdig voelen. Show don’t tell is immers bedoeld om de lezer iets te laten beleven en bloemig taalgebruik haalt de lezer door eindeloos gebabbel uit het verhaal.
Maar als je een verhitte discussie omschrijft door te zeggen dat de één een kloppende ader bij de slaap heeft, de ander een rood aangelopen hoofd heeft, een derde zit te knarsetanden en de vierde persoon de vuisten heeft gebald, dan hoop ik als lezer dat er geen twintig mensen in die vergaderzaal zitten…
Teveel gebruik van show kan een ‘tell- effect’ opleveren. Je show is dan misschien geen echte tell, maar het effect blijft hetzelfde. De verbeelding van de lezer wordt niet aangesproken.
Bij een echte tell gebeurt dat omdat het niet nodig is: Ik huil laat weinig aan verbeelding over. Maar als de lezer van al die heethoofden op de vergadering bij moet houden hoe ze hun frustratie uiten, wordt hij ook uit het verhaal gehaald. Hij is nu boze reacties aan het ontleden en tellen, niet meer die vergadering aan het beleven.
Als je show eerder een optellsom wordt (zie je de woordspeling? 🙂 ) dan heb je een ‘tell-effect’.

Tell effect voorkomen

Je kan het tell-effect voorkomen zonder meteen toevlucht te zoeken tot tell. Onze heethoofdenvergadering hoeft niet meteen beschreven te worden als: iedereen was laaiend. Combineer show daarvoor met regieaanwijzingen. Vergelijk
“Dat is niet waar,” zei hij met “Dat is niet waar,” schreeuwde hij. Die man is niet in zijn hum. Dan hoef je niet langer een (uitgebreide) beschrijving van zijn gezichtsuitdrukking te geven. Hoe dan ook, als je de lezer wil laten beleven, blijf dan als vuistregel aanhouden: beleving is belangrijker dan omschrijving/ beschrijving. Óók bij show.

Of iemand nu rood aanloopt of schreeuwt, een van deze dingen maakt al duidelijk dat diegene boos is.

Show don’t tell en zintuigen

Zintuigen zijn een gemeen dingetje bij het gebruik van show don’t tell. Over het algemeen kan je zeggen:
* Proeven en ruiken zijn goudmijntjes.
In het dagelijks leven sta je relatief weinig stil bij deze zintuigen. Als je ze omschrijft werkt dat heel beeldend. Pas op dat je niet letterlijk schrijft ik ruik of ik proef dan wordt het alsnog een tell.
De geur van bijtend plastic brandde in mijn neus of De zoete appeltaart leek op mijn tong te dansen werkt dan beter.
* Zien en voelen zijn gevaarlijk.
Ik zie een mooie stoel in de kamer staan. Ruud zag dat Freddy blij was. Dit zijn duidelijke voorbeelden van tell. Als je veilig wil zitten, gebruik dan Ik zie dat…. en ga dan omschrijven: Ruud zag (dat) Freddy’s ogen straalden.
Maar dit voorbeeld is al redelijk grijs gebied. Ga heel goed na wat voor meerwaarde het heeft om het visuele zintuig expliciet te vermelden.

Hetzelfde geldt voor voelen. Ik voel me misselijk leest vlotter als je schrijft ik proefde braaksel in mijn mond.
Ik voel me verdrietig, kun je vervangen door: ik kon wel in huilen uitbarsten en Ik ben duizelig wordt Mijn hoofd begon te tollen.
Als je personage intern iets voelt, zoals hierboven, is ik voel vrijwel altijd een tell. Als er een externe factor het personage iets laat voelen (Harry voelde de hond tegen zijn benen springen of Piet voelde de wind door zijn haar waaien) dan kom je in hetzelfde grijze gebied zoals beschreven bij ‘zien’.

Je moet afwegen wanneer je deze grijze gebieden al dan niet gebruikt voor een goede balans tussen show en tell. Want hoe belangrijk show ook is, tell is niet altijd de grote boosdoener. Hij kan zelfs soms ontzettend nuttig zijn. Ik zal daar volgende week over schrijven.