Een kernemotie centraal stellen in je verhaal — een theoretische inleiding

Er zijn verschillende manieren om de beleving van je verhaal en een goed plotverloop te waarborgen. Een bekende daarvan is het afbakenen van het verhaalthema. Een andere, minder gebruikte manier is om jezelf af te vragen welke kernemotie je verhaal moet oproepen.

Emoties oproepen bij je verhaal

Ieder verhaal heeft momenten van spanning, relatieve rust en belonende onthullingen. Daarbij komen ook verschillende emoties los: verdriet als de held iemand verliest en blijdschap en opluchting als de missie is geslaagd. In dat opzicht is het niet mogelijk om je tot één emotie te beperken die je bij de lezer op wil roepen. Tegelijkertijd heeft ieder verhaal ook een overkoepelende emotie. Zo is het verhaal over een terminale patiënt vooral verdrietig, waar de feelgood vooral blijdschap oplevert.
Als je zo naar emoties kijkt en ze ook preciezer gaat ontleden of onderverdelen, kan je een centrale emotie vinden die de leidraad voor je verhaal vormt, zonder dat je het algemeen houdt of cliché maakt.
Van de tien boeken die je leest en je vrolijk maken, zijn er misschien drie die je hoopvol stemmen. Als je op die manier je boek het specifiekere emotionele label van ‘hoopvol’ mee kan geven in plaats van het meer algemene ‘vrolijk’, dan val je (met je boek) al meer op en zullen meer lezers nieuwsgierig worden naar je verhaal.

De emoties op de gezichten van deze lollige eitjes op de eerste rij zijn ‘basisemoties’. Je ziet echter niet wat er getekend staat op de eitjes op de achterste rij (lees: welke emoties ‘erachter’ zitten.) Als je de moeite doet om dat wel proberen te ontdekken, dan kom je misschien wel iets heel verrassends tegen. Iets wat meer diepgang geeft dan afgaan op wat je op het eerste gezicht ziet. ( In dit geval ook letterlijk in het geval van de eitjes op de eerste rij.) Bij het schrijven van je boek kan dat een enorme verrijking zijn voor de invulling van je verhaal.

Foto door Tengyart op Unsplash.

Emoties onderverdelen: psychologisch graven

Je kent het beeld vast wel van de psycholoog die vraagt: “En wat zit er achter de boosheid die je nu voelt en benoemt?”
Je kan inderdaad alleen maar boosheid voelen, maar het is vaak zo dat je denkt dat het boosheid is, maar dat dat slechts het eerste woord is wat in je opkomt. Iets ‘boosheid’ noemen is makkelijker, omdat het moeilijker is om bijvoorbeeld jaloezie emotioneel als zodanig te identificeren. Daarmee wordt het als zodanig benoemen daarvan ook moeilijker. Dat is ook niet zo gek. Het is het verschil tussen: “Ik kan boos worden op mensen die op anderen neerkijken,” waarbij de kous af is en: “Ik ben jaloers op mensen die meer hebben dan ik, want dan voel ik me een mislukkeling, twijfel ik aan mezelf en kan ik boos worden over het onrecht en de machteloosheid die ik voel.” Dat is nu eenmaal veel (meer) om te voelen.
Maar laat dat psychologisch graven niet zomaar links laten liggen, hoe verleidelijk dat misschien ook is. Sommige nuances of onderliggende emoties lijken nauwelijks anders te zijn, maar hebben belangrijke verschillen.
Neem boosheid en frustratie. Boosheid is heel ‘zuiver’ : “Ik word boos als mensen bij oranje licht stoppen, in plaats van doorrijden.” Bij frustratie speelt mee dat jij door omstandigheden die buiten jezelf liggen je iets niet kan bereiken. En inderdaad, je als gevolg daarvan boos wordt: “Doordat die eikel stopt bij het oranje licht, kan ik niet doorrijden en mis ik de start van een belangrijke vergadering.”
In een verhaal is dat op de langere duur een belangrijke verschil: een boos personage klaagt altijd en heeft woede-uitbarstingen. Een gefrustreerd personage geeft altijd anderen de schuld geeft en vindt zichzelf belangrijker dan hij is.

Persoonlijke narratieve beleving bij emoties

Uiteraard wordt niemand blij van verdriet. Maar dat betekent niet dat iedereen op dezelfde manier met iedere emotie omgaat. De een heeft woedebeheersingstraining nodig, waar de ander dat helemaal zen bijna moeiteloos kan wegademen. Bovendien heeft iedereen ook nog eens een ander beeld bij emoties, zeker in de context van verhalen hebt. Zeg ‘liefde’ en het is zeer waarschijnlijk dat dat met een romantisch drama wordt geassocieerd. De een zal juichen: “Yes, lekker zwijmelen,” waar de ander zal zuchten: “O God, daar gaan we weer… Kan die alfaman nou niet eens een keer opkrassen?”
Maar jij bedoelde met liefde die tussen moeder en kind. Je kan dus stellen dat ook jij als schrijver een persoonlijke interpretatie hebt van bepaalde emoties en daarmee ook bij diens nuances. Het is dus des te belangrijker dat je die interpretaties en verschillen goed in kaart brengt. Anders kan je kernemotie als leidraad van je verhaal falen of heel anders uitpakken dan je bedoelde.

Het kiezen van een kernemotie voor de toon van je verhaal is dus niet een klus die één, twee, drie geklaard is. Daarom ga ik volgende week de blogpost wijden aan dit proces.
Je kan alvast proberen zelfstandig te beginnen. Schrijf op welke emoties je kan benoemen en denk na over welke emoties en bijbehorende nuances daarachter kunnen liggen. Zie je dan een verschil met wat dat met een personage of de sfeeromschrijving of de verhaalbeleving doet of kan doen? Heb jij net als in het voorbeeld persoonlijke beelden bij emoties? Waar denk je dan op te moeten letten om dat universeel te kunnen vertalen naar de beleving die je met je boek op wil roepen?

Succes en tot volgende week!


Drie-aktenstructuur: het begin

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Dit schema helpt je jouw verhaal in stappen op te bouwen en om een goede spanningsboog te behouden. Als je verhaal vastloopt, kan je dit schema gebruiken om te zien waar je nog iets moet aanpassen. Er zijn vijftien verhaalelementen, deze week het eerste: het begin.

Zo ziet de Drie-aktenstructuur eruit:

Introductie verhaalelement

Aan het begin weet de lezer nog helemaal niets van je verhaal. Misschien geeft de achterflap of de titel een idee, maar daar heeft de lezer niet veel aan om het leesavontuur echt in te kunnen duiken. De eerste echte informatie krijgt de lezer nog altijd aan het begin van het boek.  

Kennis van de lezer

Vermijd het idee dat je de wereld of het personage moet introduceren. Een veelvoorkomende fout aan het begin is dat je het hoofdpersonage of de regels van je fantastische wereld bijna letterlijk gaat voorstellen. “Hallo lezer, dit is Alexandra. Ze is vijfendertig, heeft een donkere huid, prachtige krullen en is getrouwd met Frans.”  
Dit soort -meestal- nietszeggende informatie wordt nogal eens vergezeld door een alledaags gesprekje met de buurman. Zo komt de lezer erachter dat de heldin een bibliothecaresse is. In een fantasyverhaal ligt de proloog op de loer waarin alle wetten en regels bijna letterlijk worden uitgeschreven. Dat is niet de bedoeling; als schrijver is het je taak om de informatie subtiel in de tekst te verweven.

Waar is dit verhaalelement voor bedoeld?

In plaats van iets te willen introduceren, moet je het verhaal starten. Dat betekent dat je de eerste hints moet geven. Die moeten aangeven wat belangrijk gaat worden in het plot of wat voor karaktertrekken je personage heeft die later in het verhaal belangrijk zijn.
Beschrijf dus dat Alexandra jaloers is als ze later in het verhaal ontdekt dat Frans vreemdgaat. Je kan dat in het begin al laten doorschemeren in een andere context: laat haar een duidelijke verbitterde mening hebben over een knappe collega, of laat haar mokken dat ze niet gehoord wordt in een vergadering.

Kennis van de schrijver

Je kan niet aan een verhaal beginnen als je het karakter van je personage niet kent en niet weet wat het beweegt. Zorg dat je personagebiografie in orde is. Hierin staan de belangrijkste zaken over je personage: karaktertrekken, angsten, wensen, persoonlijke geschiedenis enzovoorts. Wees subtiel met je voorbeelden van de karaktertrekken die iets duidelijk moeten maken, anders verraad je het grootste deel van het centrale conflict of het plot voor het goed en wel begonnen is.

Valkuilen van het verhaalelement

In dit verhaalelement moet je niet te veel verklappen. Start het verhaal, maar geef er niet te veel van weg. Dat komt in de volgende verhaalelementen pas aan de orde. Het begin is relatief kort, dus daar moet je niet proberen informatie in te proppen die later aan bod hoort te komen.  
Vergelijk het met een plottwist: die is pas interessant als de lezer al met je personage is mee gaan leven. Anders kan het hem niets schelen of je personage de grond onder de voeten voelt verdwijnen. Op eenzelfde manier is verklappen dat Frans straks vreemdgaat nog niet interessant (genoeg) om de schok teweeg te brengen die dat moet doen. Er zijn zoveel verhalen over ontrouw dat je niet meteen van de lezer kan verwachten dat die meteen in het verhaal wordt meegezogen.

Volgende week volgt verhaalelement 2: het inciting incident. Daar leer je alles over het belang van de comfortzone in de verhaalstructuur.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Lukasz Grudzien op Unsplash

Persoonlijke symboliek in je verhaal gebruiken

Een volle maan voor romantiek en een schedel voor dood en verderf: de meeste symbolen die in verhalen worden gebruikt zijn meestal recht voor zijn raap. Daarom kan het handig zijn om ook eens symboliek te gebruiken waarmee de lezer niet al meteen kan raden wat komen gaat. Daarvoor zijn persoonlijke associaties geschikt. Maar die moet je wel op een goede manier introduceren, wil het allemaal nog een logisch geheel vormen.

Veelgebruikte symbolieken: een scène in het kort

Laten we eerst eens kijken naar een veelgebruikt symboliek om te zien wat die voor associatie met zich meebrengt. Dan weet je wat je mist bij een symboliek dat in beginsel geen overbekende associaties oproept.
De volle maan kan staan voor een romantisch boottochtje. Als vanzelf verwacht je dan ook dat er vooraf een diner bij kaarslicht wordt gehouden dat er tijdens het varen wordt gekust. Met andere woorden: van het een komt het ander. Met slechts een paar woorden zie je al een (korte) scène voor je.

Blanco symbool

Nu gaan we het hebben over de eend. Die staat overduidelijk symbool voor… uh…
Je kan specifieke dingen associëren met deze vogel, zoals zijn typerende gekwaak. Of misschien zie je Donald Duck voor je. Maar het is niet zo dat een eend onomwonden verbonden is met een bepaalde trope of een specifiek genre. Je zou een eend dus als een blanco symbool kunnen zien. Je kan er een symbool van máken, maar dat is het nog niet op zo’n manier als de volle maan of schedels dat zijn. Het staat je vrij om nog helemaal op dit ‘blanco velletje’ te tekenen.
Om het jezelf makkelijk te maken, stel je jezelf eerst de vraag: Ga ik dit symbool uitwerken volgens een verhaalthema of vanuit de persoonlijke beleving van mijn hoofdpersonage?

Werken volgens een verhaalthema

Als je met een symbool werkt en een verhaalthema het uitganspunt vormt, is dat eigenlijk hetzelfde zoals bij de welbekende symbolieken. Je moet alleen andersom gaan denken. In plaats van dat je weet dat je weet dat de volle maan romantiek betekent, moet je nu gaan bepalen waarom de eerdergenoemde eend iets specifieks moet uitdragen. Daarvoor kan je een woordenweb maken Om niet helemaal bij nul te beginnen, zijn mythologieën, sprookjes en droomwoordenboeken een goed startpunt. Ze voorkomen bovendien dat je eindeloos gaat uitweiden wat het symbool al dan niet moet betekenen. Kijk eens naar wat droominfo.nl schrijft over een eend: Eenden zijn veelzijdig in de zin dat ze kunnen lopen, zwemmen en vliegen. Een eend wijst daarom op flexibiliteit en je vermogen om je aan verschillende omstandigheden aan te passen.
Als je in jouw persoonlijke woordenweb ‘vrolijk waggelend’ en ‘gezellige kwaker’ hebt staan, kan je dat combineren tot een manusje-van-alles dat ook veel kletst en een gevoel voor humor heeft. Laat hem ook nog eens eendenoppasser zijn en een eend in details terugkomen als er iets grappigs gebeurt en de situatie flexibiliteit vereist. Dan wordt de eend in dat verhaal net zo symbolisch als de volle maan in een zwijmelverhaal.

Als je weet waarom deze vrolijke Frans zo belangrijk is, kan je met een goede uitwerking ervoor zorgen dat hij het hele verhaal kan dragen.
Foto door Ross Sokolovski op Unsplash.

Symbolen en persoonlijke beleving

Of het nu de jouwe zijn of die van je personage, je kan ook werken met symbolieken die ontstaan vanuit persoonlijke beleving. Dat geeft voorbeelden als:
* Waar iedereen een doodgewoon theelepeltje ziet, zie jij oma voor je die met een diepe frons door haar thee roert.
* Niemand denkt twee keer na bij het zien van een vrachtwagen, behalve dan jouw truckerpersonage: “Morgen weer werken na drie weken vakantie.”.
* Iemand die geen bladmuziek kan lezen, zal niet warm of koud worden van een A4’tje waar een deel van een muziekstuk van John Williams staat uitgeschreven. De Williamsexpert hoort bij het zien van diezelfde bladmuziek echter meteen prachtige muziek in zijn hoofd.

Zegt dit jouw personage alles of niets? Dat antwoord maakt een groot verschil voor de symboliek.

Deze persoonlijke belevingen geven als het goed is een eindeloze stroom aan mogelijkheden en inspiratie. Neem oma. Waarom fronst zij altijd tijdens het theedrinken? Heeft ze een zwaar leven gehad, of is ze erg filosofisch ingesteld tijdens een theepauze? En dat eigenlijke theelepeltje, is daar nog iets speciaals mee? Heeft het een hoge financiële of emotionele waarde? Zo ja, waarom en wat kan je er er vervolgens nog meer over zeggen of bedenken?
Voordat iets van persoonlijke waarde kan worden of persoonlijke symboliek kan krijgen, moet er een persoonlijke geschiedenis of persoonlijke omstandigheden aan te pas komen. Kijk nog maar eens naar het voorbeeld van de trucker. Als zijn beroep niet meespeelde, had hij ook niet opgekeken van de vrachtwagen.

Je kan talloze persoonlijke belevingen bedenken als je je (autobiografische) personage goed kent. Misschien zelfs te veel. Om te bepalen waar je het zoeken moet, kijk je naar de belangrijkste elementen uit de personagebiografie. Vergeet ook niet wat de persoonlijke waarheid van je personage is om te bepalen wat belangrijk kan zijn voor hem of haar.

Persoonlijke symboliek toepassen

Zodra je een voorwerp, dier of symbool hebt gevonden dat past bij de beleving van je personage, kan je ermee gaan werken. Het is belangrijk dat je de geschiedenis van je personage en relevante medepersonages daarbij betrekt. Je kan een keer tussen neus en lippen door vermelden dat oma’s theelepeltje hoge waarde emotionele waarde heeft omdat theedrinken met oma zo belangrijk was voor je personage. Maar dan ben je er nog niet. Maak je klaar voor een show don’t tell parade. Door je verhaal heen moet je keer op keer laten merken waarom überhaupt bij oma zijn -wat resulteert in het meer symbolische theedrinken en het bijbehorende lepeltje- zo belangrijk zijn voor je personage. Beschrijf het fijne karakter van oma, haar talloze attenties en de fijne familieherinneringen.

Creatief met niet-vaststaande symbolieken spelen kan de originaliteit van je verhaal enorm opkrikken. Probeer het eens!


Compleet overzicht van de ‘Wat als’- artikelen: zo werk je je personages uit

Twijfel je hoe je personage om zou gaan met bepaalde tegenslagen of dingen die het meemaakt tijdens het verhaal? In de ‘Wat als’-serie zijn al deze onderwerpen onder de loep genomen, van een gebroken hart, tot wanneer je personage anders is dan jij, de schrijver. Hier staan ze allemaal nog eens op rijtje, onderverdeeld in verschillende categorieën.

Personage en plot

Als je personage macht heeft
Als je personage tegenslagen te verduren krijgt
Als het personage moegestreden is
Als je personage een geheim heeft
Als je personage in actie moet komen
Als je personage overgehaald moet worden
Als je personage klem zit
Als je personage stervende is
Een personage dat lastig te schrijven is
Als je personage nieuw is in een groep
Als je personage veel pech heeft
Als je personage voor een onmogelijke keuze komt te staan
Als je personage het zwaar te verduren heeft
Als je personage vakantie heeft
Als je personage ergens mee worstelt
Als je personage een belofte na moet komen
Als het personage geholpen moet worden
Als je personage een strijder is
Als je personage een belofte verbreekt
Als je personage iets te bekennen heeft  
Het einde van een boek- als je personage de eindstreep haalt

Karakter en vaardigheden van je personage

Onkunde
Als de schrijver het personage niet mag
Uitverkoren is
Een onbetrouwbaar personage
Als je personage moet groeien
Als het personage anders is dan de schrijver
Excuses moet aanbieden
Als je personage iets fout doet
Incorrect zelfbeeld heeft
Schrijven over een kind
Superkrachten bezit
Een koppig personage
Een nieuwsgierig personage
De goedzak
Een verdorven personage
De leugenaar
Het verlegen personage
(Bij)geloof
De verrader
Een heilige overtuiging
Het onredelijke personage – de Karen
Een laf personage

Personage en persoonlijke omstandigheden

Liefdesverdriet
Eenzaamheid
Pijn
Rijkdom
Als er iets te vieren is
Minderheden
Rouw
Als je personage iemand mist
Als je personage zich ergens op verheugt
Trauma
Verliefdheid
Verslaving
Ziekte
Armoede

Als je personage iets (niet) wil

Seks
Aan verwachtingen voldoen
Als je personage iets nodig heeft
Als je personage doet wat het wil
Als je personage de macht wil grijpen
Als je personage in staking gaat

Al deze artikelen en dit exacte overzicht verschenen eerder op Schrijven Online.
Foto door Kyle Smith op Unsplash

Het plot van een verhaal uitdenken

Het plot is een van de belangrijkste dingen in een verhaal. Daarom moet je het goed uitwerken. Maar voor je het kan uitwerken, moet je het uitdenken. Dat voorkomt een hoop schrapwerk en zorgt ervoor dat je een plottwist tijdig goed in de steigers hebt staan.

Wat voor plotschrijver ben je?

Er is geen perfecte manier om te beginnen met schrijven. Sommige schrijvers plannen alles tot in de puntjes voordat ze beginnen met schrijven. Anderen schrijven de grote lijnen uit en zien wel waar het schip strandt zodra ze met schrijven beginnen. Maar zelfs de schrijvers van de laatste categorie doen er goed aan om het een en ander uit te werken voor ze starten met een verhaal neerpennen. Het is een ding om aan versie negentien van hoofdstuk een te beginnen omdat je alwéér een geniale ingeving hebt gekregen. Het motiveert een stuk minder als versie twintig van hoofdstuk een voor je ligt omdat je opnieuw alles in je plot moest bijschaven…

Wat maakt een plot?

Personages, subplots, verhaalthema’s, interpersoonlijke relaties, heldenreizen, wetten van je worldbuilding… eigenlijk maakt alles wat deel uitmaakt van je verhaal deel uit van je plot. Dat zou in ieder geval moeten, want alles wat niet bijdraagt aan het plot – in grote of kleine vorm- is vrijwel altijd verspilling van woorden. Die soort zaken moet je dus schrappen. Maar als je nog niet weet wat er komen gaat, hoe weet je dan wat er in ieder geval zeker moet worden uitgedacht, uitgewerkt en opgeschreven?

Verhaalthema of moraal

Je kan met een verhaalidee beginnen waar je maar wil. Misschien zie je mooie bergen voor je en is dat de plaats waar je jouw nieuwe verhaal wil laten afspelen. Of ben je geïnteresseerd in de luchtvaart en wil je daarom van je hoofdpersonage een piloot maken. Maar zodra je je gaat bedenken wat belangrijk is om globaal uit te werken, kijk dan niet verder dan je verhaalthema of moraal. Dit is namelijk het kort en krachtige: als het erop aankomt, gaat mijn boek over X. Bijvoorbeeld:
* liefde
* familie is belangrijker dan vrienden ( of andersom)
* reizen maken
* iemand die vanuit armoede in de Quote 500 belandt

enzovoorts, enzovoorts. Waarom is dit het belangrijkste? Omdat een thema of moraal een verhaal aan elkaar breidt en een logisch geheel van allerlei losse elementen maakt. Het verhaalthema is een soort butterfly-effect, maar dan zonder de chaos. (Het butterfly-effect wordt ook wel de chaostheorie genoemd.)
Waar een ‘traditioneel butterfly-effect’ over oorzaak en gevolg, gevolg en nog meer gevolg gaat, is een verhaalthema als het ware datgene waar alles terug naar toe gaat. Terug naar de oorzaak. Een voorbeeld:

Je schrijft over een gebroken gezin. Het eerste waar je aan denkt is misschien een scheiding. Maar als een gezin gebroken is -al dan niet door een scheiding- kom je onherroepelijk ook zaken als verdriet, verwarring, ruzie en eenzame momenten tegen. Zodra je weet wat er aan de basis van je verhaalthema ligt, kan je vandaaruit van alles en nog wat verzinnen. Of liever, dan is de kans groot dat het als vanzelf komt bovendrijven.

Het hoofdpersonage en de heldenreis

Als je weet dat je over een gebroken gezin gaat schrijven en weet wat onderliggende subthema’s zijn, komt het hoofdpersonage vaak in ruwe schetsen al naar voren. Het moet ellende meemaken. En, omdat een held een centraal conflict nodig heeft om te groeien, blijft dat altijd in hetzelfde straatje van het verhaalthema. Je personage zal bijvoorbeeld een groeiproces doorgaan wat betreft omgaan met verdriet. Dat is een logisch voortvloeisel uit het thema van een gebroken gezin. Misschien bedenk je dan als vanzelf ook dat het personage eerder introvert is dan extravert. Zo kan je langzaam maar zeker een personagebiografie beginnen te maken.

Subplots en medepersonage als spiegels

Je subplots en medepersonages zijn sterk op het moment dat ze als een spiegel werken van het verhaalthema en/of je hoofdpersonage. Bijvoorbeeld:
* is je held verlamd door schaamte over een gebroken gezin? Laat zijn beste vriend zijn baan verliezen. (Lees: er is ook iets gebroken, en er komt ook verlies, verdriet en verwarring bij kijken.)
* Als je held moet leren om met verdriet om te gaan, komt hij mensen tegen die ook verdriet hebben gehad. Deze mensen zijn ook aan het leren om met verdriet om te gaan, of kunnen dat al.
* Als je thema verslaving is, kan je hoofdpersonage aan de drugs zijn. Een ander personage is ook verslaafd, maar wel aan iets wat minder opvalt, omdat de maatschappij die verslaving wat meer accepteert. Denk aan werkverslaafd, of verslaafd aan de smartphone.

Plottwist: zo kan het ook

Omdat een plottwist hints moet geven om goed te werken, moet je die vooraf in je opschrijfboekje goed uitwerken. Bedenk tijdens het uitdenken van een plottwist dat die het thema naar voren moet laten komen in een vorm die de lezer niet verwacht. De twist moet een gevoel opleveren dat zegt: ‘zo kan het ook’. Deze zin betreft dan wederom het verhaalthema of het moraal. Wat voorbeelden:
* Het thema is ouderschap:
Je hoofdpersonage heeft al heel lang problemen met zijn vader en heeft daardoor nooit een echt vaderfiguur gehad. Plottwist: uiteindelijk vindt je personage het langverwachte vaderfiguur in zijn nieuwe baas, met wie hij een fijne band opbouwt. Nee, de baas is niet de biologische vader, maar hij vervult wel een vaderrol. “Zo kan het ook.”
* Het thema is liefde:
Iemand doet alle moeite om de ware te vinden, maar dat lukt maar niet. Dan gaat diegene in een kinderdagverblijf werken, waar er eindeloze liefde voor en van de kinderen aanwezig is. Het is geen romantische liefde, maar het is liefde in een andere vorm. “Zo kan het ook.”

Dit is óók liefde. Als je je laat beperken tot gebruikelijke definitie van liefde die naar romantiek verwijst, kan je jezelf en daarmee je verhaal enorm beperken. Bedenk bij een verhaalthema wat het nog meer kan betekenen dan het eerste beeld dat in je opkomt. Dan zijn subplots en plottwists een stuk makkelijker te bedenken.
Foto door Kateryna Hliznitsova op Unsplash.

Als je deze zaken in het achterhoofd houdt, wordt de kans dat je je complete verhaal om moet gooien een stuk kleiner. Ga zelf maar eens aan de slag met deze tips om zo ook te knutselen met je worldbuilding, subplots, scènes en karakterrtrekken van je personages.

Veel plezier en succes!

Wat als je personage de eindstreep haalt?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage de eindstreep haalt?

Als je boek bijna ten einde is, gaat je personage een bepaalde eindstreep halen. Hoe schrijf je die op zo’n manier dat die een goede laatste indruk achterlaat?

Wrap-up

‘De eindstreep in zicht’ is het moment dat het drie-aktenstructuurschema de wrap-up noemt. Het einde is er bíjna, maar nog niet helemaal. Het duidelijkste voorbeeld van hoe een wrap-up eruitziet, vind je in sprookjes. Het is dat gedeelte net vóór ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.
Nu Assepoester met de prins was getrouwd, hoefde ze nooit meer vervelende klusjes te doen.

Het geeft een indruk hoe het verhaal verdergaat nadat het boek zelf is geëindigd. Want meestal gaat een verhaal nog verder na het einde van het boek: je personage is immers nog niet dood. Maar omdat al het interessante –narratief gezien– al is verteld, ga je niet eindeloos meer doorschrijven over hoe personages door blijven leven.

De toon van je verhaal

Om te zorgen dat je wrap-up aansluit bij de rest van je boek, moet je al over de wrap-up nadenken zodra je begint met het schrijven van je verhaal. De wrap-up bepaalt namelijk voor een groot deel de toon van je verhaal.

Om Assepoester nog maar eens als voorbeeld te nemen:
Stel dat je wrap-up is: voor het altaar werd Assepoester alsnog door haar boze stiefmoeder ontvoerd en was ze gedoemd om een huisslaaf te blijven.
Dat is een hele gure toon. Eentje die helemaal niet aansluit bij een groot deel van het verhaal, waarin hoop hoogtij viert. Het mooie bal, de dans met de prins en de wetenschap dat Assepoester als enige het glazen muiltje zal passen.
Bepaal dus grofweg het einde van je verhaal voor je met schrijven van het verhaal om te voorkomen dat je een anticlimax schrijft of de lezer zich bedonderd voelt.

Zorg voor voldoende en logische afsluiting

Je kan ervoor kiezen om een open einde te schrijven, maar je moet er wel voor zorgen dat je de belangrijkste vragen over de heldenreis van je personage beantwoordt. Als er nog een aantal belangrijke vragen openstaan, is de wrap-up het moment om ze te dichten.
Wees gewaarschuwd: in de loop van je verhaal moet je al wel duidelijke feiten of hints kunnen geven om iets af te sluiten, anders komt de afronding zeer geforceerd over. Dan krijg je een ‘o ja, trouwens’-effect:

  • O ja, trouwens, deze personages waren altijd al verliefd op elkaar;
  • O ja, trouwens, dit deed het personage met oma’s gigantische erfenis;
  • O ja, trouwens, het kwam nog goed met de zieke hond waar mijn personage het hele boek lang voor gezorgd heeft.

Een wrap-up komt dan misschien laat in het verhaal, maar je moet de aanzet ervoor al gedurende het hele verhaal geven.

Dit is het laatste artikel van de ‘Wat als?’-serie. Hopelijk heeft hij veel nieuwe inzichten gegeven!
Volgende week komen alle artikelen nog eens in een overzicht te staan. Daarna start een nieuwe serie. In dit artikel viel de naam drie-aktenstructuurschema al. In de nieuwe serie ‘drie-aktenstructuur’ wordt ieder verhaalelement van dit schema uitgebreid toegelicht!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Joshua Hoehne op Unsplash.

De grootste leugen van je hoofdpersonage

Je plot blijft interessant zolang je personage een conflict heeft. Er is een aantal drijfveren voor een conflict en een daarvan is de leugen die je personage zichzelf vertelt.

Je personage in beweging houden

Het is belangrijk dat je elementen in het verhaal hebt én houdt waardoor je personage in beweging blijft. Je lezer kijkt immers naar je fictieve wereld door de ogen van je hoofdpersonage. Als die dan vervolgens niets doet of alleen maar achterover hoeft te leunen, gebeurt er niets in je plot. Om dat te voorkomen kan je verschillende dingen doen. Je kan gaan puzzelen met het willen en nodig hebben van je personage, of dreigen met de grootste angst van je personage. Maar er is nog een andere manier: je duikt in de grootste leugen die je personage zichzelf vertelt. Het werkt net zo effectief, maar voor deze methode moet je nog meer dan anders in het hoofd van je personage duiken.

Voorbeelden van een leugen van een personage

Als je personage tegen zichzelf liegt, probeert het zichzelf iets wijs te maken. Dat ‘iets’ kan je samenvatten als: iets wat je personage erg graag wil of nodig heeft, wordt door hem of haar afgedaan als iets onbelangrijks, of iets dat helemaal niet nodig is. Dat doet je personage in een poging te pijn te ontlopen die het ontbreken van dat ‘object van verlangen’ met zich meebrengt.
Zodra je personage zegt: “Ach, dat is allemaal zo belangrijk niet.”, “Het interesseerde me toch al nooit.” of vliegensvlug de schouders eronder zet na een traumatische gebeurtenis “omdat het leven nou eenmaal doorgaat”, zonder te treuren of te rouwen, kan je er de donder op zeggen dat dit een zelfvertelde leugen is of gaat worden.
Enkele voorbeelden:

SituatieLeugen Deze pijn wil het personage niet onder ogen zien
Max wilde als kind al dokter worden en is nu uitgeloot voor medicijnen. “Maakt niet uit. Ik kan als advocaat ook geld verdienen. daar hoef ik geen dokter voor te zijn.” Een levenslange droom is in duigen gevallen.
Moeder krijgt een derde achtereenvolgende miskraam.“Dan is het moederschap blijkbaar niet aan mij besteedt. Daar kan ik mee leven.”Ze moet ergens mee leren leven, dit is geen vrijwillige keuze. Het zal nog altijd pijn doen wanneer vriendinnen wel zwanger raken en zij niet. Het verlangen naar het moederschap is niet zomaar verdwenen omdat ze een feit accepteert.
Het onpopulaire meisje is net afgewezen door de stoerste jongen van de school.“Nou en? Ik hoef niet populair te zijn!”Het ging er niet om dat ze populair zou worden, slechts dat ze als eenzame eenling eindelijk eens gezien zou worden.
Het onpopulaire meisje is net afgewezen door de stoerste jongen van de school.“Ik heb hem niet nodig, ik heb mijn familie ook nog.”Ze is afgewezen, en wilde wel degelijk het gevoel hebben romantisch interessant te zijn, terwijl het tegendeel waar lijkt te zijn.

Je ziet bij het onpopulaire meisje dat een personage zich meerdere leugens over dezelfde situatie kan vertellen. Of dat een zelfde situatie bij twee soortgelijke personages (in dit geval twee verschillende onpopulaire meisjes) eenzelfde leugen heel anders uit kan pakken.

Wat vertelt de grootste leugen van het hoofdpersonage jou?

De grootste leugen van je personage betekent niet zozeer dat je personage liegt, maar eerder dat het zichzelf voor de gek houdt. Het is een leugen die hij zichzelf vertelt. Dat onderscheid is belangrijk vanwege twee redenen:

* Het personage liegt tegen zichzelf, dus niet tegen iemand anders. De leugen komt dus niet per se naar buiten.
* Omdat het personage liegt tegen zichzelf omdat hij zichzelf iets wijs wil maken, is hij er niet op uit om anderen te bedriegen. Het is echter niet uitgesloten dat anderen gekwetst worden van door interne leugen van een personage.
Zo kan de eerdergenoemde moeder zich wijsmaken dat ze ‘alleen maar’ blij is voor de vriendin die wel zwanger is. Maar als ze door dat onverwerkte verdriet daardoor onbedoeld afstandelijk wordt naar de aanstaande moeder, is dat voor haar óók niet fijn.

Wat is het nut van de grootste leugen van je personage?

De leugen van je personage is een ideale aanleiding voor een moment van serieuze drama of actie. Het heeft iets belangrijks gemeen met de grootste angst: je personage moet iets onder ogen zien. Het belangrijkste verschil is dat bij de leugen je personage nog in ontkenning kan gaan. De grootste angst is eerder de knagende waarheid die je personage -hetzij schoorvoetend- eerder accepteert. Dat maakt het verwerkingsproces van de grootste leugen groter: jawel, personage, je hebt wel degelijk bevestiging nodig, de behoefte nodig om een vaderrol te vervullen…Wat dan ook.
Meestal schrikt een personage zich een ongeluk zodra dit besef tot hem of haar doordringt. Het heeft niet voor niets tegen zichzelf gelogen: dat was zelfbescherming. Dus zodra de waarheid of deze pij zich dan opdringt, komt er een hoop dat je personage moet verwerken. Dat past goed bij de belangrijke en spannende momenten in het verhaal. Denk aan de obstakels, ramp en crisis in het schema van save the cat.

Je personage zal van schrik weg willen kruipen. Misschien ook wel van schaamte…
Foto door Aləx Buchan op Unsplash.

Zorg er wel voor dat je goed afweegt waar de leugen precies ter sprake komt. Als de grond onder de voeten van je personage vandaan valt, de leugen belangrijk is voor het plot èn er nog tijd moet zijn om alles te verwerken, mag je niet alles zomaar afraffelen. Geef het verwerken van de leugen de nodige tijd en zorg ervoor dat het niet minder belangrijk wordt gemaakt dan het is. Vaak is het ontdekken van de leugen een van de moeilijkste dingen die je personage moet doormaken.

Komt de leugen altijd uit?

Je personage hoeft niet altijd met zijn eigen leugen geconfronteerd te worden. Soms is het iets wat alleen in de personagebiografie mag blijven staan. Maar je moet hem als schrijver wel weten, want hij vertelt over belangrijke gedachten en drijfveren van je personage die anders -ook voor jou!- geheim blijven.


Wat als je personage arm is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage arm is?

Als een personage arm is, kan dat verlammend zijn. Je personage kan zich ook arm voelen terwijl hij dat niet is. Let dus ook goed op het verschil tussen armoede en ‘je arm voelen’.

Je arm voelen

Als je je arm voelt, heb je niet genoeg geld om iets specifieks te kopen of te kunnen doen. Dan moet je iets opgeven wat je heel graag wil doen of graag wil hebben. Deze definitie kan in de praktijk heel breed zijn. Dat ligt er maar net aan wat je personage gewend is.
“Ik ben arm, want ik kan geen vijftig euro besteden aan een dagje Efteling,” zegt de tiener.
“Ik ben arm, want ik kan niet meer bij Gucci winkelen,” zegt de verwende miljonairsdochter.  
“Ik ben arm, want ik kan geen studie betalen,” zegt de zoon uit een gezin met een laag inkomen.

Je hoeft het als schrijver niet eens te zijn met de persoonlijke definitie van arm die je personage heeft. Maar je moet je beseffen dat dit wel de waarheid van je personage is. En dat het zich dus rot gaat voelen omdat het vanwege geld dingen moet laten. En dat vervelende gevoel of het afzeggen van bepaalde dingen heeft vaak gevolgen voor het plot.  

In armoede leven

Als je in armoede leeft, heb je niet genoeg om iets te betalen dat tot de absolute basisbehoeften behoort. Denk aan eten, medische kosten, de huur, gas, water, licht en een dikke jas voor de winter.
Waar iemand die zich arm voelt geen geld heeft voor iets wat diegene wil hebben, heeft de persoon in armoede geen geld wat hij moet hebben. Een personage in armoede voelt zich rot, moet dingen afzeggen en zit daarbij ook in een extra lastig parket: hij zit vast.

Vast in armoede

Als je personage in armoede leeft, zit die vaak ergens in vast. Als je door een te laag inkomen steeds aan het eind van de maand in de min zit, wordt dat een spiraal. Voor een maand is dat misschien niet zo’n ramp: even rood staan kan meestal wel. Maar als dat steevast het geval is, moet je personage door achterstallige rekeningen ooit gaan kiezen wat het deze maand doet: voldoende eten of toch echt een keer naar de tandarts omdat de kiespijn ondraaglijk wordt? Al snel krijg je een domino-effect van ellende. Let erop dat dat het plot op slot kan zetten, want vroeg of laat is raakt je personage moegestreden. Als het uit zijn huis is gezet omdat hij van de honger het werk niet kon volhouden of door onbehandelde ziekte niet kan werken, is het niet zo simpel om een cirkel van armoede te doorbreken. Onderschat de invloed van armoede niet. Armoede is eerder een thema van een verhaal dan een centraal conflict waar je personage weer bovenop komt.  

Wil je toch dat je personage uit de armoede ontsnapt, dan kan dat natuurlijk. Maar zorg dan dat je personage voldoende helpers en vaardigheden heeft die hem uit de armoede helpen. Anders wordt je verhaal ongeloofwaardig.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Nick Fewings op Unsplash.

Schrijfoefening: de communicatiemanieren en het karakter van je personage

Als schrijver weet je hoe belangrijk zelfexpressie en kunnen lezen zijn. Wat als dat allemaal ineens weg zou vallen? Je zal ervan schrikken hoeveel je dan over je personage te weten komt.

Uitgangspunt van de schrijfoefening

Je personage is in een land waar het zich niet verstaanbaar kan maken en geen wijs kan uit het plaatselijke schrift. Bovendien zijn er geen klanken uit te onderscheiden zijn waar het op terug kan vallen. Denk aan Japans, Arabisch en Thais (休日, العطل , วันหยุด). In deze oefening:
* is internet niet beschikbaar: dag, Google Translate, Google Maps en Google Images om te helpen…
* begrijpen je personage en diens gesprekspartner alleen ‘help’, ‘ja’, ‘nee’, ‘dank u’, ‘alstublieft’, ‘hallo’ en ‘tot ziens’ in een en dezelfde taal.
* mogen de gesprekspartners tekenen om een ander duidelijk te maken, maar dan beperken de tekenkunsten zich tot iets als dit:

“Ik zoek de sportschool, snapt u?” 😉
Afbeelding: https://www.deviantart.com/cold-hearted-world/art/stickman-contest-entry-147423216

Dat kan even spannend en grappig zijn, maar als dat te lang duurt, word je geconfronteerd met je (gebrek aan) vindingrijkheid, tolerantie, manieren, geduld, moed en ontdek je de comfortzone. Zo leer je een personage dus erg goed kennen! Je kan belangrijke informatie voor je personagebiografie ontdekken met deze oefening.

Wie wordt de gesprekspartner?

In mijn voorbeelden houd ik een personage aan dat op vakantie is. Dit personage verkeert dus niet in acuut gevaar. Maar omdat je personage wel aan rust toe is en die niet krijgt als de communicatie niet vlot verloopt, zal het wel even boos, verdrietig, paniekerig of chagrijnig worden…
Veel van de mogelijke gesprekspartners die volgen laten ook zien hoe hoog het Karengehalte van je personage is. Als jouw verhaal geen receptionist heeft omdat je personage niet in een hotel gaat slapen, kijk dan of de gesprekspartner in jouw verhaal een vergelijkbare rol vervult.

Kijk voor deze schrijfoefening wat er belangrijk is voor jouw verhaal. Wat gebeurt er in je plot? Hoe moet je personage groeien in zijn centrale conflict? Als je een dystopisch verhaal schrijft, is het interessant als de gesprekspartner iemand is die als enige de weg weet naar de laatste schuilkelder. In een verhaal over een belangrijke zakendeal is het handig om te kijken wat er gebeurt als je personage lastig met een concullega kan communiceren.

Receptionist

De persoon die makkelijk te misbruiken is door een lagere rang en een kwetsbare positie.

Een eventuele Karen ontpopt zich bij de receptionist in volle glorie. De receptionist verleent een dienst: een luxe dienst; vakantie vieren is een voorrecht, geen recht. De receptionist is de laagste in rang, of het ‘laagste schakeltje’ binnen zo’n luxe dienstverlening. En hij heeft een manager boven zich werken, dus een klacht indienen is zo gebeurd.
Als je personage zich een bepaalde luxe kan permitteren, heeft het dan de neiging om zich als belangrijker voor te doen dan de ander, of blijft het de receptionist als gelijkwaardige behandelen? Ook iets om over na te denken: beseft je personage dat het zichzelf niet kan inchecken en de receptionist de eerste in een schakeltje van het hotelverblijf is? Als het communiceren in het begin al moeizaam gaat, is dat niet het moment om (al) de degens te gaan kruisen. Daar wordt alles alleen maar vermoeiender van. Heeft jouw personage dat door?

Taxichauffeur

Hoe gedraagt je personage zich tegenover iemand die lager in rang is, maar wel een zekere macht over haar heeft?

De taxichauffeur heeft veel gemeen met de receptionist: hij is een relatief ‘lage’ dienstverlener. Karen, let op: er is een belangrijk verschil! Als je boos wordt op een taxichauffeur kan hij je ergens droppen, zonder dat je weet waar je bent en hoe je daar weer weg moet komen. Dan ben je nog verder van huis (of je hotel, zo je wil). En een klacht indienen kan je niet ter plekke doen…

De serveerster

Een persoon in lagere rang, maar die wel iets doet of heeft voor jou dat essentieel is om te overleven of in ieder geval de dag fatsoenlijk door te komen.

Net als de receptionist en de taxichauffeur is de serveerster wat lager in rang. Maar als ze jou geen eten kan of komt brengen en je daarmee niet in een van je eerste levensbehoeften wordt voorzien… Iets om over na te denken wat betreft hoe je personage daarop reageert. Een leuk extraatje: als je personage een serieuze allergie heeft, dan wordt het een stuk belangrijker om zowel duidelijk te kunnen communiceren als de serveerster te vriend te houden. Hoe doet je personage dat?

De receptionist, taxichauffeur en de serveerster verlenen een dienst waarvan je als vakantieganger weet dat je er gebruik van gaat maken. In hoeverre bereidt je personage zich daar extra op voor, of juist niet? Misschien vindt het het wel lachen om met handen en voeten met de receptionist te moeten praten, maar als er serieuze allergieën in het spel zijn, zal je toch iets meer moeten voorbereiden. Voor zover je personage zich kan voorbereiden op dit soort situaties, zegt het ook iets over hem in hoeverre het dat ook doet. Heeft het een controledwang of is het juist zo laks dat hij daardoor makkelijk(er) in de problemen komt?
Bovendien: probeert je personage mee te denken in de oplossing, of houdt hij zich aan het principe dat hij als betalende klant zich nergens mee hoef te bemoeien? Dat zegt iets over zijn trots, of bereidheid in het algemeen om in actie te komen.

Medevakantiegangers

Als het gaat om rang of status, is er bij deze mensen niets te halen of te verliezen: ze zijn gelijkwaardig aan je personage. Wil of durft je personage het aan om met handen en voeten vriendschappelijk contact te leggen? Of gaat hij van een mooi boek genieten? Dat zegt iets over zijn sociale behoeften (op dat moment). En wat als er de clichéruzie uitbreekt over de handdoeken bij het zwembad? Nu de gesprekspartner niet betaald wordt om een conflict op te lossen, zal dat anders verlopen en je personage zich ofwel anders gedragen of een andere aanvalstactiek moeten bedenken.

Het idool

Daar komt het idool van je personage onverwacht over straat aangelopen! Iemand van hoge(re) rang en bovendien is je personage even pen en papier kwijt, dus een blocnote en pen onder de neus schuiven in de hoop dat de extase in de ogen het wel doen… Dat gaat even niet op.
Durft je personage het risico zich voor schut te zetten om iets te bereiken bij iemand waar het ontzag voor heeft? Of wordt het door diegene en de situatie geïntimideerd en vraagt het daarom niet wat het wil of nodig heeft?

De hotelmanager

Iemand met een relatief hoge(re) rang, maar bij wie wel iets te halen valt.

Knik even veelbelovend in de richting van je drie Guccitassen en de hotelmanager biedt je misschien wel iets extra’s aan, in de hoop dat je een hogere fooi geeft. Probeert je personage zoiets omdat het vindt dat het recht heeft op een voorkeursbehandeling? Gaat het hielenlikken tot er kwijl op het tapijt ligt?
Doet het dat niet omdat het tevreden is met de hotelkamer die is geboekt? Vraagt het vriendelijk of er misschien nog (tegen betaling) bepaalde upgrades beschikbaar zijn? Of durft het de hotelmanager niet eens naar zoiets of zelfs überhaupt iets te vragen omdat het denkt zelf in veel lagere rang te zijn?
De omgang met de hotelmanager kan je veel vertellen over de mate van tevredenheid, eigenwaarde en zelfvertrouwen die je personage heeft. En hoe het zijn eigen status ziet.

De dokter

Je personage krijgt een ongeluk en wordt naar het ziekenhuis gebracht. Het ziet allerlei professionele zorgverleners aan het werk gaan, maar wat er mankeert, is onduidelijk. Het enige wat je personage weet, is dat het in pijn verkeert. Hoe bang is je personage in zo’n situatie? Vertrouwt het op de zorgprofessionals en laat het zich bijna vertroetelen in de zorg die het krijgt? Of kan hij het niet aan als onbekenden hem aanraken, zonder te weten wat ze precies doen of gaan doen? Dat laatste kan iets zeggen over de medische toestand van je personage: wat als het duidelijk moet maken dat het allergisch is voor bepaalde medicijnen? Het zegt ook iets over hoe goed je personage al dan niet in zijn lijf zit. Stel dat het zich schaamt voor zijn lijf en ook al niet weet wat die zusters allemaal aan hem zitten te sjorren, dan kan het zomaar zijn dat hij de behandeling bemoeilijkt door hen dwars te zitten.
En wie probeert jouw personage als eerste te contacteren om te laten weten dat hij in het ziekenhuis ligt? Waarom die persoon? Of licht hij niemand in, om pas later als alles – hopelijk- weer over is, te kunnen zeggen: “Ik heb een uurtje op de EHBO gelegen, maar ik wilde je niet ongerust maken, dus ik heb niets laten weten.”

Wat als je personage laf is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage laf is?

Een laf personage is ingewikkeld om te schrijven. Niet zozeer omdat angst lastig is om te omschrijven, maar omdat een personage altijd dapper moet zijn. Hij hoeft niet meteen het leger in te durven, maar een totaal gebrek aan moed zet het plot op slot. Iets nieuws proberen of iets tegemoet gaan waarvan je de uitslag niet weet, vergt ook moed. En dat zijn elementen die een verhaal gaande houden. Wat doe je als je personage dat ook eng vindt?

Wanneer is je personage laf?

De een vindt het laf als je geen hond durft te aaien, een ander vindt je een aansteller als je geen motor durft te rijden. Laf is een redelijk subjectief begrip. Maar als het om een personage gaat, kan je het zien als: wanneer je personage iets niet durft te doen wat voor het plot essentieel is en wanneer het antwoord op de bekende vraag: ‘Wat is het ergste wat er kan gebeuren?’ zo goed als ‘niks’ is, en je personage nog steeds voet bij stuk houdt.

De laffe vriend

Ken je die fictieve vriend in een vriendengroep die echt overal de kriebels van krijgt? Zodra die kriebels zo erg worden dat de hoofdpersoon zijn heldenreis ervoor opzij moet zetten om te troosten, schrap je dit personage, of moet je in ieder geval zijn karaktereigenschappen veranderen. Anders schrijf je een subplot wat nergens toe leidt. Een subplot – of een scène – mag per definitie wat meer op de achtergrond spelen dan het hoofdplot. Maar het moet wel iets toevoegen. Iets wat alleen maar vertraagt, vastloopt of vastzet, hoort hoe dan ook niet in een verhaal.

De laffe held

Je hoofdpersonage kan ook laf zijn. Dan moet de lezer weten waarom hij om iets schijnbaar kleins bang wordt. Je ontkomt er niet aan om zijn achtergrondverhaal uit te werken. Van je held verwacht je lezer dat hij dapper is en dat hij hem goed leert kennen. Als hij dan door een relatief onbenullige angst verlamd raakt, kan dat nog steeds interessant zijn. Als je de reden of de uitkomst maar uitschrijft. Dan kan de angst om een schattig katje te aaien ineens logisch lijken. De gewelddadige stiefmoeder bij wie je personage opgroeide, had ook een kitten. Ook nog eens met precies hetzelfde vachtpatroon. Bij de herinneringen aan de stiefmoeder en haar geliefde kitten, rent je personage het liefst weg bij dit andere katje.

Moed als thema

Zodra je hoofdpersonage laf is – of liever gezegd laf lijkt –, ga je dus verklaren waar die angst vandaan komt. Net als bij de laffe vriend moet je opletten dat deze angst niet slechts een opvulling is van papier. Het moet ergens toe dienen. Daarom moet je die angst goed uitwerken en dat kost de nodige woorden. Zo wordt moed al gauw het verhaalthema van een verhaal als dit. Maar dat kan in de voordeel werken: je lezer gaat je held begrijpen en met hem meeleven. Dat hij dan alsnog zijn doel niet altijd kan bereiken, is niet erg. Hij probeert het en dat maakt hem dapper, zoals een held hoort te zijn.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Alexander Krivitskiy op Unsplash.