Drie-aktenstructuur: de crisis

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week het dieptepunt voor de held: de crisis.

Waar staat dit verhaalelement?

Het vorige element was de ramp, nu gaat de held in de crisis daar de gevolgen van ondervinden, vlak voor de derde en laatste clue. Er is net iets heel ergs gebeurd en in het volgende element moet de held zich hebben herpakt om weer de heldenrol te vervullen. Maar eerst moet blijken dat je held net als iedereen menselijk is.

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

De lezer was net getuige van de ramp en weet inmiddels ook wat de held op verschillende manieren aangaat: fysiek, emotioneel en op andere vlakken. Die wil hier dus zien wat je in de crisis moet beschrijven: hoe je held diens instorting beleeft. Als je held dit hoofdstuk zou overslaan, zou die zich niet zo mogen noemen. Een belangrijk kenmerk van de held is dat die zwaktes, beperkingen of angsten vertoont. Je gaf gedurende je verhaal al aan wat die zijn en nu ga je die onthullen of in de praktijk brengen. Als de ouder gedurende het verhaal bang is dat het kind doodziek wordt, heeft het kind in het vorige verhaalelement een ernstige diagnose gekregen en valt de held nu van schrik op de grond neer.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

Gedurende het hele verhaal staat je held in de schijnwerpers. Die schijnwerpers staan in dit verhaalelement zowel extra op je hoofdpersonage gericht als dat ze wat meer uitzoomen naar de rest van het spreekwoordelijke podium. Het licht zoomt in op de foetushouding die je personage nu aanneemt in zijn wanhoop. Het laat zien hoe alle emoties en angsten door je personage heen gieren en hoe het helemaal vastzit. Tegelijkertijd zoomt de spotlight ook voor het eerst echt uit om ook medepersonages aandacht te geven. Nu komen zij in beeld om te laten zien wat zij bijdragen aan het verhaal en hoe ze je hoofdpersonage helpen: niemand kan een grote missie helemaal alleen uitvoeren. Maak duidelijk dat je medepersonages een belangrijke rol vervullen. Zeker nu de held versteent.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Je held heeft een flinke ruggengraat, anders redt die het niet tot de crisis. Maar hier moet die sterke kracht even breken. Je moet dus weten wat je breken kan en ook hoe je personage weer op kan staan voor het volgende verhaalelement. Je hebt dus een goed beeld nodig van de angsten, kunde, wensen en drijfveren van je hoofdpersonage, omdat je daar in dit verhaalelement de nuances van beschrijft. Als je alles hier algemeen of neutraal houdt, dan is de crisis niet geloofwaardig. “Ik was daar even verdrietig over, maar toen ging ik weer door,” klinkt veel te luchtig. De crisis is bedoeld om je held te laten instorten, om die vervolgens weer op te laten staan. Dat opstaan heeft nu veel meer waarde dan het had bij de eerdere obstakels.

Wat moet je geheimhouden of niet doen in dit verhaalelement?

Zorg voor een goede balans van de eerder genoemde schijnwerpers. Je medepersonages mogen niet als een onverschrokken, plaatsvervangende held alles van je hoofdpersonage overnemen. Tegelijkertijd mag je niet te veel aandacht besteden aan de ‘foetushoudingperiode’ van de held. Besteed dus niet te veel aandacht aan een van die twee opties, want dat vertraagt de vaart van je verhaal te veel.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding: Hello I’m Nik op Unsplash.

Met een persoonlijke blik schrijven over een plaats

Iedere schrijver ziet dingen door een persoonlijke bril. Je kan jezelf trainen om daar alert op te zijn. Omdat een persoonlijke bril ook sterkte invloed kan hebben op je schrijversstem is het belangrijk dat je zoveel mogelijk ziet wat een bril kan vormen. Deze blogpost gaat in op aspecten van plaats.

Een bril van plaats? Hoezo?

Is er ook zoiets als een persoonlijke bril van plaats? Reken maar! De wereld wordt steeds kleiner, maar vergeet niet dat de wereld stiekem nog steeds gigantisch is. Er zijn alleen al meer dan honderd miljoenensteden op de wereld. Zo’n stad heb je niet in een week helemaal ontdekt. Laat staan alle andere dorpjes, woestijnen, nationale parken en fantastische restaurantjes die ook nog op de wereld zijn. De wereld is zo groot dat je nooit daadwerkelijk kan bevatten wat er allemaal op gebeurt. Je kan ook nooit echt weten hoe het is om op alle mogelijke plaatsen ter wereld op te groeien. Je kan er een globaal idee van hebben, maar echt een waterdicht beeld, dat is een ander verhaal. Een verhaal waarin je met een bepaalde bril naar plaatsen kijkt die je al dan niet kent.

Wat maakt een bril van plaats?

Een bril van plaats heeft natuurlijk met een bepaalde omgeving te maken, maar je zou het ook kunnen samenvatten als: gewenning. Een plaats heeft bepaalde kenmerken, die altijd terugkomen en waar je dus aan ‘wendt’. Kijk maar:

Plaatsassocieer je met dat heeft óók / X heeft dat óókde plaats heeft dus overeenkomsten met
Een boerderij in het vlakke, Westerse NederlandboerderijdierenkoeienEen boerderij in de bergen van Oosters Sri Lanka
Een moskee in de rijke Verenigde Arabische Emirateneen grote islamitische gemeenschapIndonesiëeen arm Indonesisch dorpje
Snackgigant Burger Kingongezond eten Sjefkes hamburgertenteen bescheiden zaak

Het gaat erom dat je ziet dat sommige overeenkomsten zo overduidelijk zijn (natúúrlijk zijn er dieren op een boerderij, natúúrlijk verkopen zowel de snackgigant als je plaatselijke frietzaak ongezond eten) dat je niet ziet dat er ook nog grote verschillen zijn. In de bergen van Sri Lanka heb je een heel ander uitzicht vanaf de boerderij dan die in het vlakke Nederland. Je geniet van je heerlijke verse snack wanneer je gezellig en op je gemak met Sjefke kan kletsen. Dat is anders wanneer iedereen gehaast en chagrijnig een geplette burger to go haalt bij de Burger King. Een andere plaats kan dus ook voor een heel andere sfeeromschrijving zorgen.

Wie gaat er mee naar Sjefkes hamburgertent? 😉


Wat eerst vanzelfsprekend leek, is niet langer zo. Je kijkt er plotseling met een andere bril naar.
Of andersom: soms kan je denken: wat hebben Sri Lanka en Nederland nou gemeen? Boerderijen dus bijvoorbeeld.
Deze manier van kijken naar een plaats maakt dat je een bril makkelijker af kan zetten.

Soms zijn verschillen in plaats een kwestie van tijdelijke beleving, zoals de hamburger in de snackbar. Andere keren kan het daadwerkelijk een levenslange bril vormen. Een kind dat in een Nederlands boerengezin opgroeit, gaat gewoon naar school. Dat geldt misschien niet voor een boerendochter in het verre Oosten: die moet misschien wel op het land werken om het gezin helpen te onderhouden. Dan is een verschil van geografische plaats misschien het verschil tussen een leven van weelde en armoede. Dat brengt op zijn beurt andere dingen betreft welvaart met zich mee die een verschil kunnen maken voor je verhaal.

Waar ben ik…?

Waar ben ik…? is een goede vraag om te stellen als je op een bepaalde plaats bent. Kijk goed om je heen en haal je opschrijfboekje tevoorschijn. Wat zie je? Soms is iets een show don’t tell door er alleen al naar te kijken. In een wijk met villa’s wonen rijke mensen. Soms is het niet zo overduidelijk, maar als je leert observeren – of gewoon wat langer nadenkt- kun je ook al bepaalde conclusies trekken.
* Ik ben in een bergdorpje in Niemandsland. Er wonen dus ook niet veel mensen. Waarschijnlijk is deze dorpsgemeenschap hecht omdat ze -letterlijk- niet veel andere mensen om zich heen hebben.
* Ik ben op een supertoeristische plek. Die straatverkoper raakt zijn koopwaar dus wel kwijt. Misschien is het daarom kwalitatief niet het beste en kan ik beter iets verderop een souvenir gaan zoeken?
* Ik loop door een islamitische buurt. Waarschijnlijk moet ik de wijk uitlopen als ik voor vanavond hamlapjes wil kopen.
* In de rijkeluisbuurt zie ik geen Fiat Panda rondrijden. Het is wachten op een Tesla. En dat is waarschijnlijk niet de enige auto voor de deur.

Quizje: Waar is dit? (Nara, in Japan) Foto door Timo Volz op Unsplash
Bonusvraag: Wat zegt het over mij dat ik een foto uit Nara plaats als ik iedere plaats ter wereld kan kiezen? Inderdaad, dat ik dol ben op die plaats. Als jij een foto had uit kunnen kiezen, hadden we hier waarschijnlijk een andere locatie gezien. Oftewel: je kijkt door mijn persoonlijke bril van wat ik een fijne plek vind.

Waar ben ik…?

Zodra je weet waar je bent, hebt leren observeren en de associaties bij die plaats duidelijk hebt, is het tijd voor het echte werk. Je gaat “Waar ben ik…?” aanvullen:
* Waar ben ik opgegroeid? (werelddeel, land, stadsdeel, platteland) Wat heeft dat voor invloed op je religie, sociaaleconomische status, enzovoorts? Daar kan je eindeloos verder mee brainstormen. Je zal al snel uitkomen bij de bril van je persoonlijke milieu.
* Waar ben ik naar school gegaan? (dorpsschooltje met twee houten palen en een rieten dak of een elitaire privéschool)
* Waar speelde ik vroeger het liefst? (op het voetbalveldje in het dorp, op de kartbaan in de stad, in de moederpoel bij het weiland of op het schoolplein)
* Waar ben ik voor het eerst verliefd geworden of gekust? Op een gezellig schoolfeest, of in het huis van mijn pleeggezin?

enzovoorts.

Soms zegt een exacte, fysieke plaats heel veel. (Je groeit anders op in Congo dan in Nederland). Andere keren moet je wat meer tussen de regels door lezen. Ben je voor het eerst gekust in het huis van je pleeggezin? Dat huis zelf is dan niet zo interessant meer, maar wel dat je in een pleeggezin hebt gewoond. Dat kan ook een bril vormen.

Schrijf iedere bevinding die je hebt met een antwoord op een waar-vraag op in je opschrijfboekje. Uiteindelijk word je je dan bewuster van je eigen bril. Dat helpt ook om te beseffen dat andere ervaringen en dus ook bevindingen niet per se onjuist, maar slechts anders zijn. Dat is essentieel voor een schrijver, want hoe ga je anders in de huid van je personage kruipen?

Drie-aktenstructuur: de ramp

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week de ramp.

Waar staat dit verhaalelement?

De ramp komt na het derde obstakel: het is het directe resultaat daarvan. Hierna komt de crisis, waar de held instort door de gevolgen van de ramp. De ramp neemt dus relatief weinig tijd/woorden in beslag. Denk aan een aardbeving. De ramp is dan de slechts luttele seconden waarin de aarde schudt. Het instorten van gebouwen gebeurt in de seconden of minuten daarna. Die minuten na de ramp vormen weer het volgende verhaalelement.

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

De lezer weet waar de held voor gestreden heeft en ook waarom. Die wilde een bepaald doel bereiken en is om dat doel gaan geven. Tijdens de ramp blijft dat gewenste resultaat uit. Sterker nog, iets wat de held absoluut wilde voorkomen, gebeurt alsnog.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

Het moet vooral duidelijk worden dat je held – hoe heldheftig en kundig die ook is – niet alles kan voorkomen. Zorg ervoor dat je held deze ramp overkomt; het is niet iets waarvoor de held direct verantwoordelijk is. Of liever gezegd: hieraan kan je held niet schuldig bevonden worden.

Je kan iemand moeilijk de schuld van iets geven wanneer diens acties grotere gevolgen hebben dan je kon voorzien of voorkomen. Ja, de held zette het gebeuren in gang. Maar om dan met een vermanende vinger te gaan wijzen… Dat zou je niet zo snel doen.
Als je personage een legergeneraal is die rekruten heeft getraind, zie je wel aankomen dat er een keer iemand gaat sneuvelen. De generaal heeft zijn rekruten klaargestoomd voor het slagveld, maar hij heeft zijn ondergeschikten niet vermoord. Dat heeft de vijand, een gemeen geplaatste mijn of een storm op zee nog altijd gedaan.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Voor dit element moet je weten wat de spreekwoordelijke hand van God is in je verhaal. Iets wat je met de beste wil van de wereld en met de grootste superkrachten niet zou kunnen voorkomen. De generaal kan zijn rekruten nog zo goed trainen, hij kan niet voorkomen dat ze alle mijnen weten te liggen, er een bommenwerper recht over hun hoofden gaat scheren… Het is nog altijd (de hand van) God die bepaalt of er inderdaad een val met dodelijke afloop komt. Of dat die juist gespaard wordt.
Kijk goed of deze hand van God niet te veel in het voordeel of nadeel is van je personages. Daar kan je verhaal ongeloofwaardig van worden. Maar houd vooral in gedachten dat je moet weten waar de macht van je personage ophoudt.

Wat moet je geheimhouden of niet doen in dit verhaalelement?

Let op! Het moment dat de wereld onder de voeten van de held vandaan valt, hoort niet in dit verhaalelement thuis. Het besef van wat er gebeurd is, wat voor gevolgen het heeft, het schuldgevoel of de paniek die de held vervolgens krijgt… Allemaal zaken voor latere elementen. De ramp is alleen de gebeurtenis van de ramp zelf. Het is het enige verhaalelement waarbij het niet om je held draait of hoe die het verhaal beleeft. Het gaat om de eigenlijke gebeurtenis in het verhaal.
Pas in de crisis – het verhaalelement hierna – gaat de aandacht weer naar de held en krijgt de ramp daadwerkelijke gevolgen. Daarover volgende week meer.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door John Middelkoop op Unsplash.

Een cliché clichéproof maken

Een cliché clichéproof maken kan tot op zekere hoogte, want er zijn manieren om ervoor te zorgen dat cliché-achtige verhalen toch nog redelijk uniek worden. Hoe schrijf je een interessant verhaal, ondanks de aanwezigheid van een cliché van hier tot Tokio?

Een hopeloos achterhaald cliché

Voor iemand die nog nooit een detective heeft gelezen, is het geen cliché dat de butler het heeft gedaan. Maar als grofweg iedereen weet dat je trope te gebeuren staat, dan is de cliché hopeloos achterhaald. Oftewel: het cliché is geen persoonlijke interpretatie meer, maar wordt gewoon in het algemeen als zodanig aanvaard. Dan moet je je verhaal anders aanpakken, wil het nog aantrekkelijk zijn. Dat begint met moorden.

Darling van het cliché

Kill your darling stelt dat je als schrijver soms een te grote fan wordt van je eigen tekst. Dan moet je gaan schrappen, maar het gemene is: er is altijd wel een element van de darling dat diens bestaan rechtvaardigt. Een meisje met roze strikjes in de haren ìs ook gewoon schattig. Alleen een beetje té. Daar gaan de die-hard clichés de fout in. Als een bepaalde trope de darling vormt, is het alsof het kill your darlings proces niet is toegepast, maar alles zonder herziening in het boek is blijven staan. Je moet dus de algemene darling van een cliché vinden. Hoe doe je dat?

De aantrekkingskracht van het cliché

In een cliché zit altijd een sterke, relatief eenvoudige narratieve aantrekkingskracht verstopt. Ga daarnaar op zoek. Enkele voorbeelden:

* De butler heeft het gedaan: als een trouwe dienaar je kan verraden, wie kan je dan nog vertrouwen? Hoe kan zo’n vertrouwensband zo beschadigd zijn geraakt of oprecht hebben geleken als dat nooit zo was?
* Een verboden liefde: iedereen zoekt naar liefde. (Let op: ik schrijf liefde, niet romance!) Het is dus erg herkenbaar. Maar liefde is niet zomaar te vinden of zomaar gewonnen: daar komt een verhaal bij kijken. En hoe moeilijker de strijd, hoe zoeter de overwinning. In zekere zin dus ook: hoe heftiger de strijd, hoe beter het verhaal. Daarom is er in ieder verhaal een centraal conflict en geen onmiddellijke overwinning.
* Een kind met kanker: het is vreselijk om een onschuldig kind te zien lijden, dus wil je weten of het kind de ziekte overleeft.

Het cliché personaliseren

Om een cliché toch nog uniek of interessant te maken, moet je het personaliseren. Als je een clichéverhaallijn hebt, zorg dan voor unieke personages. Geef je personage dus een centraal conflict, angsten, een goed uitgewerkte personagebiografie met het willen en nodig hebben en wellicht ook een grootste leugen.
Als dat klaar is, moet je gaan kijken wat clichés tot clichés maken, zodat je die kan ontwijken of zodat het in ieder geval een tandje lager kan .

Het cliché een tandje lager

Kijk eens naar deze voorbeelden. Is je dit al eerder opgevallen? Als het goed is moet het in ieder geval een nu-je-het-zegt-momentje zijn ;).

* Het doodzieke kind is vol levenslust.
* De rijke vrouw is niet alleen onbereikbaar voor de arme sloeber, maar is ook nog eens bijna – zo niet helemaal- een Mary Sue.
* De sociaal onhandige puber heeft last van ernstige acne.

Deze eigenschappen benadrukken wat het personage moet representeren en ‘versterken’ het conflict.
Een kind verliezen is al erg genoeg, een uitzonderlijk levenslustig kind kwijtraken is nog droeviger. Uit de armoede komen is al fantastisch, maar als de oorzaak dan ook nog eens nagenoeg perfect is in uiterlijk en voorkomen… Medeleerlingen gaan al niet graag met je om en dan ben je óók nog eens minder aantrekkelijk. Dan moet er meer dan een ding veranderen als je personage populair moet worden

Zo heeft ieder cliché iets wat een bepaald gegeven extra onderstreept. Iets kan namelijk pas echt cliché worden als het er dik bovenop ligt. Anders valt een bepaalde herhaling niet (snel) op. Als je mij tien keer op straat ziet lopen, zal ik steeds een van de vele voorbijgangers zijn. Draag ik altijd een pimpelpaarse broekpak met lichtgevende klavertjes erop, dan zal je mij na drie keer misschien wel herkennen. Iets aan mij moet extra opvallen, wil ik meer worden dan een zoveelste persoon in een mensenmassa.

Ga uit van intrinsieke motivatie

Clichés leunen te zwaar op dat onderstrepende element, daarom zijn ze storend en eendimensionaal. Het verhaal gaat er vooral over hoe erg het zou zijn om het levenslustige kind te verliezen, hoe fantastisch de relatie met de rijke, mooie vrouw zou zijn of hoe erg het is om impopulair te zijn. Daarmee doe je al je voorbereidende werk zoals een goed uitgewerkte personagebiografie teniet. Clichés melden de unieke eigenschappen van een personage tussen neus en lippen door en vergeten dat je deze informatie moet verzamelen omdat het belangrijk is voor het personage, niet alleen voor het verhaal.
Als de arme sloeber lid is van een drugsbende, vindt het cliché dat een blokkade voor de relatie. Lees: het verhaal. Je kan echter ook voornamelijk schrijven over hoe dat de andere geliefden van de man in gevaar brengt, wat dat met zijn mentale toestand doet… Om dan vervolgens in die hectiek alsnog over een romance te schrijven. Met de vraag: hoe gaat dat in zijn leven passen? Dan schrijf je vanuit de intrinsieke motivatie van een personage, in plaats van dat je iets schrijft omdat het verhaal moet lopen zoals het ‘hoort’.

Clichés zien de ondersteunende elementen als een rode streep die je continu zichtbaar met een dikke verfkwast over het verhaal heen hoort te verven. Als je binnen een cliché iets wil laten werken, dan moet je datzelfde element zien als de rode draad die – relatief subtiel- door het hele verhaal heen is verweven.

Foto als geheugensteuntje

De foto bij heb ik genomen. Hij is gemaakt in Tokio bij het beroemde station van Shibuya, bij het extreem drukke kruispunt (achteraan in de foto).

Als we het toch hadden over:
– een cliché van hier tot Tokyo 😛
– het voorbeeld van mijn opvallende kleding: vind maar eens een specifiek persoon in deze mensenmassa. Dat klavertjespak zou hier goed van pas komen. .
Als je een beetje visueel bent ingesteld, hoop ik dat deze foto een goed geheugensteuntje of samenvatting is voor bepaalde dingen uit de blogpost.

Drie-aktenstructuur: het derde obstakel

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan?
Het achtste element vormt het derde obstakel. 

Waar staat dit verhaalelement?

Dit verhaalelement is het derde obstakel. Het staat vóór de ramp en de crisis. Vergelijk die woorden eens met elkaar en je weet wat het betekent en wat er komen gaat: het wordt hierna nog veel erger. Een obstakel is immers niet zo erg als een ramp. Tegelijkertijd weet je nog van het element hiervoor dat de held op dit punt in het verhaal ietwat laks kan zijn over de heldenreis. Alles lijkt namelijk even in kannen en kruiken. Van die naïviteit maak je in dit verhaalelement dankbaar gebruik.

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

In de tweede clue heeft de held laten zien dat die kan knokken en na het vallen weer op kan staan. Wat de held niet weet, maar wat de lezer wel intuïtief aanvoelt, is dat een held na het vallen en opstaan dat proces nog een keer moet doormaken, wil er echt sprake zijn van een heldenreis.
Maak een mix van wat je personage niet weet en de lezer wel. Oftewel: zorg ervoor dat de held bijna achteloos dit obstakel aangaat, om er vervolgens achter te komen dat elk nieuw obstakel er een is dat het uiterste van de held vraagt. Zo trapt je held in de valkuil van diens eigen naïviteit en wordt de lezer beloond voor het correct voorspellen van de komst van dit obstakel.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

De strijd is nog (lang) niet gestreden na de tweede clue.
Dit obstakel moet redelijk abrupt duidelijk maken dat de held weer aan de bak moet. Net als de tweede clue kan je dit obstakel in twee stukken verdelen. In het eerste gedeelte gaat de held vol goede moed weer een uitdaging aan, in het tweede stuk komt er een vreselijk gevoel van verslagenheid om de hoek kijken omdat het obstakel niet overwonnen wordt.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Wil je dit obstakel goed tot zijn recht laten komen, kijk dan naar de twee volgende verhaalelementen. Ze vormen samen met dit obstakel een eenheid. Ze laten zien hoe de held eens te meer een obstakel tegemoet treedt, maar dat dat deze keer meer voeten in de aarde heeft. Als je het in stappen opschrijft, krijg je het volgende:

  1. Obstakel: de held gaat weer vechten en dat mislukt.
  2. Ramp: het mislukken van het gevecht werkt iets ernstig in de hand.
  3. Crisis: door deze mislukking twijfelt de held aan diens kunnen.

Een held hoeft niet per se aan zichzelf te twijfelen, maar de crisis moet wel het moment zijn waarop alles verloren lijkt.
Als je deze drie stappen samen ziet, is het duidelijk dat het obstakel een duidelijke aanleiding moet geven voor alles wat vlak hierna gaat komen. Zorg er dus voor dat dit obstakel aanzienlijk moeilijker is dan de vorige twee.

Wat moet je niet doen in dit verhaalelement?

Enerzijds moet dit obstakel de ramp in de hand werken en mag het dus vooral niet te simpel zijn. Tegelijkertijd mag de held nog niet bij de pakken neer gaan zitten. Dat gebeurt pas in de crisis. Voor een goede balans zorg je ervoor dat je held aan het einde van dit obstakel een flinke optater heeft gekregen, maar er tegelijkertijd ergens nog een sprankje hoop overblijft. Al is het maar voor de twee tellen dat de held nog niet weet dat de uitkomst van dit obstakel de aankomende ramp met zich gaat meebrengen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Afbeelding van Maria via Pixabay

Show don’t tell tip: de reiskoffer

Vakantie, tijd om de koffers te pakken en voor het aloude rijmpje: ik ga op reis en ik neem mee… Ja, wat neemt je personage eigenlijk mee? De reiskoffer en de inhoud kunnen je veel vertellen. Niet alleen over de reisbestemming, maar ook over je personage zelf. Zo maak je van de reiskoffer een mooie show don’t tell.

Waarin stopt je personage de bagage?

Heeft je personage de laatste designerkoffer, dezelfde koffer als dertig jaar geleden die nog steeds in topconditie is omdat hij maar eens in de vijftien jaar op reis gaat? Of is dezelfde geliefde rugzak die ieder jaar een ander continent ziet al zo versleten dat die hier en daar al aan elkaar is gestikt om niet uit elkaar te vallen?

Hoeveel stuks bagage?

Is een koffer(tje) genoeg of zit de hele auto vol met koffers? Waar heeft je personage al die koffers voor nodig? Zit het vol met alles waarover je hieronder nog meer kan lezen? Of zijn het lege koffers om lekker op de plaats van bestemming te kunnen shoppen?
Hoewel niet altijd, kan het een aantal dingen over je personage vertellen als er veel koffers in het spel zijn:
* Je personage is materialistisch
* Je personage is bang niet genoeg te hebben van X
* Je personage kiest voor gemak: dan maar een extra koffer kleren mee, als ik de komende twee weken maar niet hoef te wassen.
En als je personage vrijwel niets meeneemt:
* wil het licht reizen, dan wel omdat het minimalistisch is, dan wel vanwege het gemak van een klein koffertje (ga maar eens met drie koffers sjouwen als je drie weken de bergen in gaat hiken.)
* “Ik koop daar wel extra kleren of spullen als het nodig is.” Een andere vorm van praktisch, maar dat betekent ook dat je personage het dus niet erg vindt om een dagje sightseeing op te offeren voor een dagje (gezellig of plichtmatig) winkelen.

De inhoud van de reiskoffer

Kleding

Hoewel er zeker ook een middenweg is, kan je aan de hand van de kleren die je personage meeneemt het vaak in een van twee groepen onderverdelen. Dat zegt dan vaak ook meteen iets over het personage zelf.

Veel kleren in een kofferWeinig kleren in de koffer
een setje voor overdag en bij het uit eten gaan: dit personage is luxer of cultureler ingesteld. Het zal waarschijnlijk niet de bergen in gaan. drie setjes in totaal “Ik was wel wat vaker.” Avontuur is belangrijker dan een modieuze indruk achterlaten bij mensen die het personage tegenkomt.
is veel van plan: je hebt niet zomaar vijftien setjes nodig als je maar vijf dagen weg bent. Je gaat je niet zonder reden meerdere keren per dag verkleden. gaat relatief veel van hetzelfde doen: je hebt nou eenmaal andere kleren nodig voor een concert dan bij het survivallen.
Wil waarschijnlijk altijd netjes voor de dag komen. O help… ga alsjeblieft niet met die naaldhakken op kinderkopjes lopen….!Neemt praktisch soms iets te serieus: O help… laat de afritsbroek alsjeblieft thuis!

Vermaak

Neemt je personage veel boeken of een powerbank en veel opladers mee om eindeloos te kunnen Netflixen? Dat is een heel andere vakantie (waarschijnlijk lekker ontspannen in een resort) als iemand die aan één tijdschrift voor een maand genoeg heeft. Die vakantie staat waarschijnlijk bol van adrenaline, of je personage verstaat onder vermaak: gewoon de omgeving in zich opnemen.

Bestemmingsgerelateerd

Je gaat geen bikini inpakken voor een wintersportvakantie. Maar denk eens aan de dingen die je personage wel kan inpakken die meteen iets over de bestemming of het doel van de reis vertellen, zoals:
* zakwoordenboekjes;
* bepaalde kledij, om een moskee of boeddhistische tempel te mogen betreden;
* toegangskaartjes voor bezienswaardigheden;
* anti-kater middeltjes of condooms (hallo festivalganger!)

Of draai het om: als je weet waar je personage naartoe gaat, maar deze dingen juist thuislaat, wat zegt dat dan? Neem het Japanse zakwoordenboekje thuislaten. Dan is je personage:
* verstrooid: het is iets belangrijks vergeten;
* avontuurlijk: ik ga dat Japans zelf wel uitvogelen en ik zie wel waar het schip strandt. (Ganbate! 😉 )

Voor noodgevallen

Een aantal dingen voor noodgevallen voorbereiden is noodzakelijk. Kopieën maken van je paspoort, bijvoorbeeld. Of extra geld op de bank hebben voor als je net iets meer uitgeeft dan bedoeld. Maar er is een verschil tussen je voorbereiden en zes EHBO dozen, twintig noodnummers en de tien extra voor-het-geval-er-geen-wasmachine-is-onderbroeken meenemen. Of je personage bereidt zich helemaal niet voor op noodgevallen, tot op het punt dat het roekeloos wordt. Waar bevindt je personage zich op deze schaal?
Dat zegt iets over hoeveel het los kan laten, vertrouwt op zijn probleemoplossend vermogen en zijn realiteitszin. Als je personage zich of helemaal niet of overdreven veel op noodgevallen voorbereidt, heeft het niet in de gaten hoe realistisch het al dan niet is dat er iets ongewensts gebeurt op reis.

Hagelslag

Of iets anders van thuis waar je personage geen dag zonder kan ;). Dit kan je vertellen of je personage genot voorop stelt. Als het echt verzot is op hagelslag, waarom zou het dat dan thuislaten als dat de vakantie enorm kan veraangenamen? Het kan je echter ook vertellen dat je personage gevoelig is voor heimwee of, op een dieper niveau, moeite heeft met loslaten.

Extra’s

Natuurlijk kan je personage nog heel andere dingen meenemen die niet per se in een van deze categorieën vallen. Kijk daar eens goed naar. Meestal is het onmiddellijk duidelijk wat voor symboliek het laat zien of waarom het personage dit meeneemt. Maar dat neemt niet weg dat deze show don’t tell vaak redelijk uniek is voor je personage. Neem het dus zeker onder de loep om meer over je personage te leren.

Denk aan een notitieboekje: dat personage is waarschijnlijk een schrijver, journalist, of filosoof! Wat zegt dat over je personage? Een woordenweb maken kan je helpen handige associaties en verbanden te ontdekken.

Foto door Charles Eugene op Unsplash.

Drie-aktenstructuur: de tweede clue

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? Deze week de tweede clue: de confrontatie in het midden van het verhaal.

Zo ziet de drie-aktenstructuur eruit:

Waar staat dit verhaalelement in het schema?

Zoals je kan zien in het schema staat de tweede clue zowel in het midden van het verhaal als in het midden van de tweede akte. De held van het verhaal bevindt zich ook in het midden van zijn reis. Dat betekent dat dit moment een zekere ideale balans heeft. De eerdere verhaalopbouw – waarvan de lezer nu een goed beeld heeft – betaalt zich uit voor de held. De tweede clue zelf is interessante actie, maar er wordt ook nog naderend onheil aangekondigd.

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

Alles wat de lezer op dit moment in verhaal weet, is het resultaat van eerdere uitwerkingen. In dit verhaalelement hoef je je niet druk te maken om wat je nog moet vertellen aan de lezer. Het is een clue, dus je moet vooral de actie van het moment benadrukken. Specifiek voor deze clue geldt dat je moet laten zien dat je held in de vorige elementen obstakels heeft overwonnen. Vanaf nu verdient die de titel van held dus ook echt. Laat je held niet bang zijn: het klappen van de zweep is bekend. Wek vooral de indruk dat deze held nergens voor terugdeinst. Als er ergens een moment is in het verhaal waarop de held met de spreekwoordelijke spierballen mag pronken, is het in deze clue.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

“De held denkt van wel, maar we zijn er nog niet…” Wat het ook is waar je held in de tweede clue de show mee steelt, laat het eindigen met het knagende gevoel dat er toch nog iets te wachten staat.
Je kan de tweede clue in twee stukken verdelen. In het eerste, grootste stuk is er de actie waarin de held alle vruchten van de eerdere elementen kan plukken. Op het einde van dat eerste stuk moet de held – al is het maar heel even- denken dat het gevecht erop zit en het einddoel is behaald. Maar dan komt het tweede stukje er nog aan dat een hint geeft naar het volgende element in het schema: toch weer een obstakel.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Weet wie de helpers van de held zijn en zorg dat zij als personages ook al de nodige ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Geen enkele held lost alle problemen volledig in zijn eentje op. De vrienden of helpers van de held mogen dan niet de hoofdrol spelen in je verhaal, ze moeten als personage wel minstens net zo interessant zijn om over te lezen als over de held zelf.
Na dit verhaalelement komen de serieuze beproevingen. Daar gaat de held hulp voor inroepen van zijn helpers. Controleer (nogmaals) of de helpers op dit punt in het verhaal (nog steeds) interessant zijn. Anders worden latere beproevingen vervelend om over te lezen. Niets is zo saai als tijdens een spannend moment te moeten lezen over een (mede)personage met de persoonlijkheid van een tandenstoker.

Een valkuil van dit verhaalelement

De volgende situatie doet zich bij dit verhaalelement nogal eens voor: “Hé, mijn personage is al verzekerd van een plaatsje op de gerespecteerde universiteit. Maar ik ben pas halverwege het verhaalstructuurschema. O. Dan…nou ja… wordt moeder plotseling wel ernstig ziek.”
Zie je hoe geforceerd dat overkomt? Zo’n plotseling verzonnen conflict werkt niet. Je kan beter helemaal terug naar de tekentafel gaan en je verhaal in de basis verbeteren dan snel iets nieuws verzinnen. Anders kom je vroeg of laat met de verhaallijn in de knoop.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Photo door Humberto Portillo op Unsplash.

Schrijfoefening: stilte in een dialoog

Als je mijn blog al wat langer leest, weet je dat ik fan ben van de documentaire Human van Yann Arthus Bertrand.
Ook bij deze schrijfoefening maak ik weer gebruik van deze diepgaande interviews.

De opzet van Human the movie

Human is eigenlijk niet veel meer dan een reeks interviews over allerlei aspecten van een mensenleven, afgewisseld door beelden van de wereld. (Maar het is wel meer dan prachtig!)
Soms aarzelen mensen voordat ze verder praten. Die aarzelingen zijn het uitgangspunt voor deze schrijfoefening.
Je gaat kijken hoe lang en wanneer de mensen aarzelen, kijken naar hun gezichtsuitdrukking op het moment dat ze dat doen en wat voor gedachte er achter die aarzeling lijkt te zitten.
Waarschuwing: er zitten interviews in deze selectie die heftige dingen erg specifiek omschrijven, waaronder beschrijvingen van mishandeling of (bijna-)moord (Sylver, Leonard, Zohar), en rouw (Aidan, Siobhan)

Voorbeelden van stiltes in een gesprek

Aarzeling lijkt te zeggenZoals te zien in het interview met
Ik moet mijn woorden zoekenJonathan Zohar Aidan Leonard Raul Milia
Laat wat ik zeg goed tot je doordringenZohar Zica Caleb
Ik kan (het gewicht van) wat ik wil zeggen niet in woorden uitdrukkenJonathan Caleb
Sylver
Zohar
Leonard
Ik word emotioneel en kan daardoor even niet pratenSiobhan Aidan Leonard Camille Robert
Ik besef nu pas hoeveel invloed dit onderwerp op me heeft (gehad). Er valt een kwartje, emoties die ik altijd heb vastgehouden komen nu los. Christian Caleb Katie
Siobhan Aidan Leonard Camille Milia Robert

Je ziet dat er meerdere dingen aan de hand kunnen zijn. Dat is interessant, want dat maakt een zin als ‘er viel een stilte’ plotseling erg riskant. Natuurlijk zal je met show don’t tell in de zinnen die volgen of eraan vooraf gaan wel wat meer duidelijk kunnen maken.
Ik heb dit overzicht concreet en kort proberen te houden. Misschien zie of hoor jij wel iets meer of iets anders in deze stiltes dan ik in de tabel schrijf. Dat brengt ons bij de hamvraag.

Hoe beschrijf je stilte in een gesprek?

Net zoals er verschillende manieren zijn om een stilte te interpreteren, zo zijn er ook verschillende manieren om stiltes te omschrijven. Waar je vooral op moet letten is:

* de eigenlijke woorden die je personage al dan niet uitspreekt
* wat bij je personage past
* het gebruik van regieaanwijzingen en beschrijvingen van expressie
* het moment waarop de stilte valt

Onuitgesproken woorden

Als er een stilte valt, worden er vaak bepaalde woorden niet uitgesproken. Dat kan je goed in deze interviews terugzien. Iedereen die woorden lijkt te zoeken of bij wie er een kwartje lijkt te vallen, laat blijken dat er nog een complete geschiedenis achter deze woorden zit. Een geschiedenis van relaties of emoties. Dan is het de kunst om die emoties of relaties in eerdere zinnen of scènes al duidelijk te hebben gemaakt. Oftewel: zorg dat duidelijk is (voor jou en je lezer!) waarom je personage even niets weet te zeggen, of waarom dat kwartje juist nu valt.
Zo zal Raul misschien nu pas beffen hoeveel hij van zijn vrouw houdt. Of hoort Robert zichzelf nu voor het eerst hardop zeggen dat hij niet de vader kan zijn voor zijn zoon die hij graag wil zijn.

Wat past er bij je personage? Wanneer valt de stilte?

Ieder personage reageert anders op situaties. Zowel in emoties als in de intensiteit ervan. Leonard en Aidan vormen een mooi contrast om te vergelijken. Beide mannen houden het uiteindelijk niet droog als ze het hebben over het gemis van liefde. Maar Leonard kan eerst nog heel beheerst spreken over het gemis en verkeerde begrip van liefde dat hij in zijn jeugd meekreeg. Hij begint ‘pas’ te huilen als hij omschrijft dat hij heeft geleerd wat liefde is, niet als hij spreekt over het het feit dat hij dat jarenlang niet gehad heeft. Die ‘inleiding’ kan hij nog relatief makkelijk vertellen. Aidan huilt ‘al’ zodra hij vertelt dat hij liefde van zijn vader mist.
Natuurlijk zijn hun situaties niet zomaar met elkaar te vergelijken. Leonard praat over levenslange mishandeling en de door hem gepleegde moorden, Aidan vertelt over een liefdevolle vader en nog verse rouw.
Maar het betekent wel dat beide mannen wel op een andere manier met hun emoties om (kunnen) gaan en om andere dingen stil vallen. Wat raakt jouw personage zo dat het erdoor stilvalt? Waarom is dat zo? Door diens geschiedenis, het karakter? De relatie met anderen? Deze geschiedenis van je personage is belangrijk om mee te nemen om de stiltes veelbetekenend te maken.

Expressie en regieaanwijzingen bij stilte

Op het moment dat je een spreekwoordelijke speld kan horen vallen, kijk dan vooral goed naar regieaanwijzingen en de expressie in het gezicht van je stilgevallen personage. Met name regieaanwijzingen (of sommige bijvoeglijke naamwoorden) moet je niet te groot inzetten. Dat zou zijn alsof je op een harde toeter zou blazen tijdens een plechtig moment. De intensiteit komt dan namelijk heel ‘snel’, waar een stilte juist een moment is wat je langzaam zou kunnen noemen. Het gesprek valt namelijk even stil. Je kan dan beter show don’t tell gebruiken of lichaamstaal of gezichtsexpressie beschrijven.

Kijk eens naar dit verschil:
“Ik ben gescheiden.” proest Milia beschaamt uit. Even later biedt ze herhaaldelijk haar excuses aan voor haar woorden, die ze brutaal lijkt te vinden.

“Ik ben gescheiden.” Milia begint te lachen, maar er wellen tranen in haar ogen op. Dan draait ze haar gezicht van me weg, terwijl ze haar tranen wegveegt. Ze blijft zenuwachtig giechelen en biedt haar herhaaldelijk excuses aan voor haar ongepaste woorden.

Als het langer duurt om te lezen, komt de stilte en daarmee de emotie erachter meer binnen bij de lezer. Zie stilte niet als iets wat koste wat kost (snel) doorbroken moet worden. Er zit vaak een schat aan informatie verborgen in een stilte die je durft te laten duren.

Voor je opschrijfboekje

Ik heb gebruik gemaakt van Human om concrete voorbeelden te kunnen geven. Maar deze oefening is ideaal voor in je opschrijfboekje. Details zoals gezichtsexpressie en stiltes in een gesprek vergeet je namelijk relatief snel. Wees alert op de wereld om je heen en houd pen en papier paraat 🙂

Foto door Ernie A. Stephens op Unsplash




Drie-aktenstructuur: het tweede obstakel

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie-aktenstructuurschema beter te begrijpen. Waar in het schema staat een verhaalelement? Maar belangrijker nog: waarom is dit verhaalelement in het schema opgenomen en wat is de meerwaarde daarvan? In het zesde element volgt er wederom een obstakel.

Zo ziet de drie-aktenstructuur eruit:

Waar staat dit verhaalelement in het schema?

Het verhaalelement hiervoor was een obstakel en dit is er weer een. Bovendien staan beide obstakels op het lijntje van de stijgende spanningsboog. Maar waar het eerste obstakel na de clue kwam, komt dit obstakel vóór de nieuwe, tweede clue. Dat maakt een belangrijk verschil. Zowel het tweede obstakel als de tweede clue hebben meer voeten in de aarde dan hun eerdere varianten.  

Wat weet de lezer al op dit punt in het verhaal?

Zowel de lezer als het personage weten intuïtief dat dit tweede obstakel eraan zat te komen en dat het moeilijker zou worden dan het eerste. Een verhaal is immers een groeiproces, en dus niet in een keer klaar. Maak gebruik van die kennis. Daag je personage uit en maak het tweede obstakel moeilijker dan het eerste. Dat is niet alleen nodig voor de stijgende spanningsboog, maar ook omdat direct hierna de tweede clue komt: weer een belangrijk keerpunt. Dan moet duidelijk worden dat het personage zich daar klaar voor heeft gemaakt. Met zichzelf eenmalig op de proef stellen, bewijst het personage niet meteen dat het een lange heldenreis aankan. Doe het dat twee keer, dan krijgt de lezer al meer vertrouwen dat het personage de heldenreis die het begonnen is ook waardig is.

Wat moet er in dit verhaalelement gebeuren of duidelijk worden?

Hoewel het echte moment van vallen en opstaan pas later komt, moet je personage hier laten zien dat het niet zomaar opgeeft. Zonet is er een beproeving geweest en nu is er weer een.  Meteen hierna komt er bovendien weer een keerpunt, wat een beroep zal doen op de ruggengraat van je held. Het tweede obstakel is niet het zwaarste moment dat je personage zal meemaken, maar het is wel een goed moment om te laten zien uit wat voor hout het gesneden is. Houd wel in gedachten dat je protagonist nog een groot deel van het verhaal voor zich geeft om in te kunnen groeien: het hoeft dus nog (lang) niet alles te kunnen.

Wat moet je weten over je verhaal als je dit verhaalelement gaat schrijven?

Vanzelfsprekend moet je de uitdagingen kennen die je personage in dit deel van het verhaal tegen gaat komen. Met name bij het tweede obstakel is het belangrijk dat je weet hoe je nuances in de uitdagingen kan aanbrengen om ze zo niet exact hetzelfde te maken. Zowel in de narratieve zin als in de mate waarin je personage op de proef wordt gesteld.

Wat moet je geheimhouden of niet doen in dit verhaalelement?

Bij het tweede obstakel is het belangrijk dat je personage het gevoel krijgt dat het diens uitdagingen onder de knie begint te krijgen. Het heeft in het vorige obstakel iets geleerd en kan en gaat daarmee verder. Je personage mag in dit verhaalelement niet of nauwelijks aan zichzelf twijfelen. Anders kan het de volgende stap niet aan. Twijfels komen er nog meer dan genoeg, maar dit is niet het goede moment daarvoor. Integendeel: het tweede obstakel is bij uitstek het verhaalelement voor zelfvertrouwen bij je personage.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Dobbelstenen: schrijfprompt en anti-writersblock

Een schrijfprompt is een zinnetje, woord of gegeven dat je hoort te inspireren of een idee kan geven om ergens over te schrijven. Dobbelstenen zijn daar een goed middel voor. Ze geven je namelijk veel meer ideeën dan het aantal zijden die een dobbelsteen heeft.

Hoe werk je als schrijver met dobbelstenen?

Ik kwam de dobbelstenen als schrijfprompt voor het eerst tegen toen ik nog logopediste was. De praktijk waar ik werkte had story cubes. Dat zijn dobbelstenen met plaatjes. Je rolt de dobbelstenen, legt ze in een volgorde en gaat dan een verhaal maken aan de hand van de plaatjes die je ziet. Een beetje alsof je een stripverhaal moet bedenken. Een uitgebreidere uitleg vind je hier.

Zelf dobbelstenen maken

Je kan de story cubes kopen om je op weg te helpen, maar dat vind ik persoonlijk niet nodig en bovendien ook een beetje te makkelijk 😉
Schrijf zelf ideeën op, geef ze een nummer en rol een dobbelsteen. Op deze website kan je een of meerdere digitale dobbelstenen rollen. Onder het kopje non conventional dice roller kan je elk gewenst getal invullen, zodat je je niet hoeft te laten beperken door de zes zijden van een traditionele dobbelsteen.

Hoeveel dobbelstenen heb je nodig om een verhaal te maken?

Om een verhaal te kunnen maken, heb je minstens drie dobbelstenen nodig, voor het begin, midden en einde van een verhaal.
1: er was eens (een kikker)
2 toen (vond een vriendje)
3 einde. (nu is hij blij)

Of zoals de story cubes het aanpakken:
1) brief (er was een mysterieuze brief)
2) alienhoofd (die van een alien zou zijn)
3) smiley (maar dat bleek een grap)

Als je een uitgebreidere schrijfprompt wil, heb je meer dobbelstenen nodig. Een limiet van aantallen is er niet, maar houd wel de volgende regel aan: voor iedere extra dobbelsteen gebruik je een voegwoord om alles aan elkaar te breien.
Denk aan:
* maar (toen../ dan…)
* want
* terwijl
* omdat

Stel dat je één dobbelsteen wil toevoegen aan het voorbeeldje van de storycubes. Je houdt in gedachten dat het woord ‘maar’ de vierde dobbelsteen vormt en je krijgt:
4) krant (maar toen verscheen een foto van een UFO in de krant)

Wat zet je op de dobbelstenen?

Je kan alles wat je maar wil op de dobbelstenen zetten, zoals woorden of afgebakende begrippen/onderwerpen. Die kan je weer onderverdelen in categorieën zoals:
* beroepen
* karaktereigenschappen
* nare gebeurtenissen
* plaatsen

en allerlei andere dingen die onderdeel kunnen zijn van een personagebiografie, verhaalthema, of centraal conflict.

Je kan ook zinnen gebruiken. In dat geval is het handig als je die zinnen per ‘setje’ van dobbelstenen bepaalt. Bijvoorbeeld de eerste voor personage-introductie of plaats, de tweede voor een gebeurtenis en de derde voor een opzet voor een start van een conflict. Dan krijg je een dobbelsteenschema zoals dit:

Cijfer Dobbelsteen 1 Dobbelsteen 2Dobbelsteen 3
1Een schooljufgaat in een sjieke keuken werkendan gaat het stormen
2Een jongetje van zeskomt op de kermismaar heeft geen telefoon
3Een pratende zebramaakt een kampvuuren valt plotseling in slaap
4Een stewardesszit bij de kapperin het buitenland
5Een chemicuskoopt een videospelletjeen verdwaalt onderweg naar huis
6Een groenteboerontvoert een multimiljonairen komt daarmee in de krant

Dat is de basis van het werken met dobbelstenen als schrijfprompt. Maar je kan er nog wat mee.

Dobbelstenen gebruiken bij een writersblock

Soms krijg je een (klein) writersblock omdat je op een obstakel stuit waar je niet op had gerekend. Dan kan je dobbelstenen gebruiken om erachter te komen wat de precieze oorzaak is van de blokkade.
Hiervoor moet je wat geduld hebben; je zal vaak met de dobbelstenen moeten rollen, de dobbelstenen soms moeten herzien en bij sommige uitkomsten veel moeten opschrijven en uitwerken in je opschrijfboekje om tot de nodige conclusies te komen.

Het principe is gebaseerd op het idee dat je soms moet weten wat niet werkt, om zo langzaam maar zeker erachter te komen wat wel werkt. Daar zijn dobbelstenen uitermate geschikt voor, omdat ze door hun willekeurigheid soms bizarre resultaten opleveren. Een casus laat dit het beste zien.
Stel dat je een stelletje maar niet gekoppeld krijgt en je niet weet waarom. Neem dan drie dobbelstenen:
1) personage
2) gegeven
3) omdat/daardoor

Vul hier alleen ‘echte’ gegevens in. Dus: zaken uit de personagebiografie die vaststaan, waar jij wil dat het plot naartoe gaat, of elementen uit het centraal conflict (of die je daar graag in zou willen zien). Dit levert dan het volgende dobbelsteenschema op:

Cijferdobbelsteen 1dobbelsteen 2dobbelsteen 3
1Donald is moe en wil daarom niet uit gaan eten
2Donaldis bluten voelt zich daardoor onzeker
3Donaldweigert zijn/haar ongelijk toe te gevenen geeft daardoor nooit complimentjes
4Katrienis ijdelen is daarom egocentrisch
5Katrien is kieskeurigen heeft daarom geen tijd voor de ander
6Katriendurft niet in het openbaar gezien te wordenen heeft daardoor bindingsangst


Onherroepelijk krijg je een aantal belachelijke resultaten als je dit probeert. Donald is moe en heeft daardoor bindingsangst. Tuurlijk…
Maar iets als Katrien is ijdel en heeft daardoor bindingsangst kan minder vergezocht klinken als het lijkt of is. Wie weet is ze wel bang dat Donald haar verlaat op het moment dat hij haar niet meer mooi vindt. Daar is je aha-momentje!
Stel, je rolt: Donald is kieskeurig en wil daarom niet uit gaan eten. Je denkt: dat is meer iets voor Katrien, want die wil altijd bij de vergulde vork gaan eten. Oordeel niet te snel! Katrien lijkt het kieskeurigste omdat zij altijd luxe uit eten wil gaan, maar zeg tegen Donald dat het etentje meer dan twintig euro gaat kosten en hij zal zich ook twee keer bedenken. Zeg je in eerste instantie “Dat past beter bij het andere personage” bedenk dan vooral waarom je dat denkt voordat je deze optie als onzin bestempelt of het op een ander personage schuift. Je kan zomaar eens op een blinde vlek zijn gestuit…

Foto door Ugo Mendes Donelli op Unsplash.