De fantastische feelgood: passend drama bij een feelfood

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week leer je hoe je drama in een feelgood doseert en inzet. 

Hou het drama herkenbaar en klein

Feelgood leest makkelijk weg, omdat alles makkelijk te behappen is. Er zijn geen handvol plotlijnen of hiërarchieën van koninklijke families. De wens van de heldin in een feelgoodroman is eenvoudig samen te vatten: een weg vinden in een nieuwe levensfase, hobbels in een nieuwe relatie overwinnen of een kindje krijgen. Er zitten geen mitsen of maren achter deze wensen of conflicten. Het zijn worstelingen die de meeste mensen in het echte leven ook meemaken.
Houd je conflict dus relatief klein en overzichtelijk, als iets dat de meeste lezers herkennen. Zodra de wens van meet af aan klinkt als iets waarvoor je een extreme bolleboos, van blauw bloed of rijk voor moet zijn om uit te kunnen komen, dan is het voor een feelgood iets te hoog gegrepen. Je mag een heftige gebeurtenis toevoegen, zoals een huisbrand. Maar die moet er dan met kop en schouders bovenuit steken als het engste of ergste moment uit het verhaal. 

Hou de oplossing overzichtelijk 

Als je een conflict of drama voor je feelgood hebt bedacht, maak de oplossing dan overzichtelijk. Niet kinderlijk eenvoudig of clichématig voor de hand liggend, dat is iets anders.

Laat het idee dat je interessant of leuk moet schrijven even los en stel je voor dat je het conflict in het echte leven op moet lossen. Wat is dan een logisch stappenplan of een waarschijnlijke gang van zaken? Vat dat in maximaal vijf zinnen samen. Zo voorkom je een teveel aan drama, plottwisten of andere verhaallijnen. Dat houdt de feelgood lekker leesbaar.

Zodra je deze basis hebt bepaald, kijk je wat je kan doen om het verhaal alsnog wat meer inhoud te geven. Dan leest het toch nog met dat beetje extra drama dat een boek van het echte leven onderscheidt. 

Bijvoorbeeld:
Heldin heeft een vriendin die te verlegen is om haar liefde te verklaren aan haar leuke collega. Dus Heldin helpt haar wat assertiever te worden en voor koppelaarster te spelen. Alles gaat goed, tot Heldin zelf verliefd wordt en erachter komt dat ook zij moeite heeft de liefde te verklaren. 

Extra elementen om je verhaal wat meer kleur te geven, zijn dingen als:

  • De vlam van Heldin spreekt een taal die zij niet kent
  • Vriendin is verliefd op iemand die Heldin kent, maar hij laat zich door Heldin verleiden op date te gaan met Vriendin
  • De kat van Heldin wordt ziek, zodat ze moet kiezen tussen zorgen voor haar kat en de morele steun aan Vriendin. 

Lees: ook deze elementen moeten relatief herkenbaar en eenvoudig zijn. Maar ze moeten ook genoeg bieden om je verhaal langere tijd een conflict en/of inhoud mee te geven. 

Denk aan de hartsvriendin

Hartsvriendinnen dienen in feelgoodromans enigszins clichématig een aantal doelen:

  • Ze schieten Heldin te hulp
  • Zie dienen als klankbord voor Heldin
  • Ze roddelen onderling over waar Heldin nu toch weer mee bezig is. 

Leg niet te veel nadruk op deze rollen en schrijf die ook niet letterlijk zo uit, maar gebruik ze als houvast om te kijken of je verhaal nog voldoende drama of conflict heeft. Is er in het verhaal als geheel nog voldoende waar Heldin hulp bij nodig zou kunnen hebben? Oftewel: waar ze nog in kan groeien? Een klankbord geeft aan dat ze niet perfect is en voer voor roddels houdt de spanningsboog op peil. 

Hou het geheel ook hier herkenbaar en relatief eenvoudig voor een goede dramabalans in je feelgoodroman. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

De fantastische feelgood: er is altijd een kat

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meeste haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de altijd aanwezige kat. 

Geen feelgood zonder kat?

Menig kat prijkt op de voorkant of in de titel van een feelgoodroman. Bijna alsof een boek uit dat genre zonder kat geen bestaansrecht heeft. Het is niet zo gek dat dit huisdier zo vaak opduikt in boeken waarbij een relatief eenvoudig en prettig verhaal vooropstaat. Laten we eens kijken naar een aantal kenmerken of associaties van katten. Het zijn bijna symbolieken die als schrijftechniek worden ingezet. Als je dat weet, is het voor jouw feelgoodverhaal een kwestie van doseren. 
De rode draad van al deze punten is dat een kat geen mens is. Sla niet door in het idee dat een kat jouw menselijke hoofdpersonage begrijpt. Dat blokkeert je verhaal.  

Een kat komt op schoot zitten 

Katten in feelgoodromans zijn van het type dat lekker op de verwarming zit, een lekker zachte vacht heeft en verder zijn lekker luie leventje doorbrengt op de schoot van je hoofdpersonage om veel te knuffelen. Dat maakt hem dus een perfect medepersonage om troost bij te zoeken. En omdat een kat niet kan praten en dus geen oordeel heeft, maakt dat hem ook nog eens een goede luisteraar. 

De kat is daarmee een perfect personage om op een onschuldige en niet-dramatische manier de scherpe kantjes van het leven af te halen. Je hoeft daarbij niet eens de moeite te doen om complete achtergrondverhalen te hoeven verzinnen. Bij een dier zijn die nu eenmaal niet zo diepgaand als van een mens. 
Daar ligt ook de grens: laat je hoofdpersoon niet álle heil bij een kat zoeken. Verhalen zijn interessant om te lezen vanwege de menselijke grillen, de emotionele reis van een ander. Als je protagonist vervolgens geen menselijke tegenpool heeft om de menselijke ervaring bij te spiegelen, wordt het verhaal daar te oppervlakkig van.

Een kat doet zijn eigen ding 

Een kat heeft een schone kattenbak en eten nodig. Verder heb je er relatief weinig omkijken naar: je hoeft er niet dagelijks mee te wandelen. En als een kat geen zin heeft om te knuffelen, gebeurt dat niet. 
Kortom: een kat heeft jou niet vaak nodig en kan helemaal zijn eigen ding doen. Menig non-fictieboek gebruikt de kat als leermeester om te laten zien hoe je je eigen grenzen aan moet geven, je niet zo druk moet maken of je niets van anderen aan te trekken. 
In een feelgood vertaalt dat zich vaak naar: ‘was ik maar als Pluisje…’.
Maar Pluisje heeft nogal een luizenleventje. Geen baan, verantwoordelijkheden, het eten wordt opgediend en het huis schoongemaakt…
Als je te veel schrijft over hoe het zou zijn als kat, of de kat de hoofdpersoon maakt, is de kans groot dat je centrale conflict niet van de grond komt of geen noemenswaardige inhoud krijgt. Hoe ontspannen het ook is om een kat bij je te hebben, het verhaal moet nog wel een conflict hebben. 

De starende kat  

De feelgoodkat krijgt vaak een bepaalde wijsheid toebedeeld: Pluisje heeft álles door. Het hoofdpersonage staart de kat maar lang genoeg aan, omdat die zo’n ‘wijze blik’ heeft. In de bijna meditatieve staat die daarop volgt, volgt een eurekamoment. 
Een eurekamoment in een boek is riskant: het kan lezen als een deus ex machina. Verandering moet gebeuren aan de hand van iets dat je personage doet en aha-momenten moeten te herleiden zijn. Staren in de ogen van een kat is daarvoor te passief. 
Ook schuilt hier een gevaarlijke aanname. Wie zegt dat Pluisje aanmoedigde om bij die partner weg te gaan? In werkelijkheid droomde ze over een lekker visje…

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Tamara Stoffers verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan je helpen: kijk eens in mijn webshop.

Hoe geef je diepgang aan een simpel verhaal?

Er zijn verhalen die ervoor bedoeld zijn om juist niet te diepzinnig te zijn. Het moet gewoon lekker weglezen. Maar de bekende valkuil is dat het verhaal vervolgens wel héél erg makkelijk wordt: te oppervlakkig om nog interessant te zijn.
Deze week kijken we hoe je daar een balans in vindt.

De uitkomst staat al vast

Feelgood en romantische verhalen zijn genres die niet meer werken als ze plottwists krijgen of onvoorspelbaar zijn. Natuurlijk: als er iemand vreemd lijkt te gaan kan dat in plaats van de verwachte beste vriendin de buurvrouw zijn. Maar als het over complexiteit gaat, zijn zelfs de plottwists niet echt mysterieus.
En natuurlijk moet het verhaal goed eindigen. Kortom: eigenlijk is het verhaal vanaf bladzijde 1 al tot op zekere hoogte voorspelbaar, wil het het genre eer aan doen. De truc is om ervoor te zorgen wat er tussen bladzijde 1 en bladzijde Einde voorspelbaar, maar toch interessant te houden.

De dertien-in-een-dozijn-regel

‘Van die flutboekjes gaan er dertien in een dozijn.’ Je hoort het vaak over romance en feelgood. Tot op zekere hoogte is die aanname terecht: als je geen ruimte hebt of neemt om onder de oppervlakte te schrijven, is het nu eenmaal moeilijker om je van andere boeken te onderscheiden: onderscheid zit hem in de (meer diepzinnige) details. Maar als het genre van jou verwacht dat je enigszins ‘oppervlakkig’ blijft, heb je dan nog wel een keus?

Goed nieuws: hoewel ze die naam niet per se hebben, zijn ook thrillers schuldig aan een bepaalde oppervlakkigheid. Want ook daar worden toch altijd moorden en misdaden gepleegd en opgelost? En wat dacht je van fantasy? Hoe vaak gaat het daar wel niet over het goede dat het kwade overwint? Geen enkel genre is onschuldig als het gaat om een bepaalde voorspelbaarheid. Je zou dus kunnen stellen dat ieder boek er een van dertien in een dozijn is. Met uitzondering van bepaalde literaire werken, maar dan kom je in het gebied van iets niet kunnen vergelijken omdat het schrijfdoel mijlenver uit elkaar ligt. In feite is die aanname van een ‘flutboekje’ een misverstand over het verschil tussen een cliché en een trope.

Zo kan je aan een ´simpel´ verhaal beginnen met de insteek dat je geen handvol clichés schrijft, maar eerder met een handvol tropes. Ook al zijn die dan misschien van het (net iets te) voorspelbare soort.

Hoe werk je met voorspelbare tropes?

Het is belangrijk om te begrijpen dat het niet per se erg is om te weten hoe het verhaal afloopt. De vraag die een lezer zich stelt is eerder: hoe komt deze afloop tot stand? Dat Romeo en Julia samen eindigen snappen we. Maar is dat omdat Romeo angsten overwint, of Julia haar grenzen moet verleggen? Dát is wat het verhaal maakt: een conflict, een groeiproces, een verhaalstructuur met ups en downs.

Dat vormt je uitgangspunt voor verhaalelementen of tropes die van zichzelf niet te ingewikkeld of te diepgaand zijn: het verhaal erachter is wat deze tropes draagt, niet de uitkomst ervan. De volgende stap is ervoor zorgen dat dat verhaal erachter nog geloofwaardig of interessant is. En daarvoor is het belangriijk dat je weet hebt van de regel: drama is drammen.

Vuistregel bij simpele verhalen: drama is drammen

Ieder verhaal heeft een conflict nodig, maar dat betekent niet dat het dramatisch moet zijn. Oók niet bij boeken waarbij het verstand van de lezer op nul mag. Drama is drammen zodra je drama in je boek verwerkt omwille van het zogenaamde spektakel. Dan komt dat alleen maar vervelend en vermoeiend over.
Dit soort drama is samenvatten als het cliché misverstand. Dit is daar een goed voorbeeld van:
“Ik heb je een andere vrouw zien omhelzen, bedrieger! Ik maak het uit!”
“Lieverd, dat was de nieuwe buurvrouw die me vertelde dat haar moeder plotseling was overleden…”

In een drammerig drama komt dit weerwoord van echtgenoot pas na meedere bladzijdes of hoofdstukken aan bod. Of zelfs helemaal aan het einde, bij de wrap-up. (Ja, echt waar!)

Drammend drama: als je iets dramatisch in (tien)duizenden woorden schrijft, waarbij enkele zinnen of hoogstens een paar honderd woorden volstaan.

Wat is een passend drama in eenvoudige verhalen?

De problemen die voorkomen in eenvoudigere verhalen werken goed als je als lezer niet te veel hoeft na te denken waarom het ingewikkeld is: dat zou voor zich moeten spreken. Wat betreft emotionele beleving is er geen ‘andere kant van het verhaal’ en hoef je er ook niet allerlei ‘wat als-scenario’s’ of diepgaande filosofiën erbij te halen. Denk aan:
* Vreemdgaan: daarbij voel je je verraden
* Je kind wordt ernstig ziek: dat maakt je bang
* De vakantie is ploseling geanuleerd: dat is een fikse teleurstelling

Vervolgens kijk je naar hoe je deze situatie realistisch kan weergeven. Vergeet nog even dat het verhaal ‘leuk’ moet zijn, dat komt later. Als je een lange-afstandsrelatie hebt, zal de een naar de andere kant van de wereld moeten emigreren. Geen makkelijke keuze: dat vraagt om bepaalde opofferingen. Hoe praat het koppel daarover? Welke hindernissen en irritaties komen daarbij kijken? Maakt het bureaucratische gedoe ze knettergek of komen ze in dat proces kanten van elkaar tegen die toch wel meer botsen dan gedacht?

Dit soort zaken kunnen al genoeg zijn voor de basis van een centraal conflict. Daar is niets mis mee. Val niet voor het misverstand dat deze elementen een verhaal simpel en saai zouden maken. Integendeel: dit zijn de momenten waar je de diepte in kan gaan bij een anders zo ‘oppervlakkig’ verhaal. Hierin kun je met goede goede dialogen, unieke omstandigheden en een beetje originaliteit al heel ver komen. Als je hierin niet doorslaat in de mate van drama, ben je al een heel eind verder dan je denkt.

Dan is het tijd om het verhaal wat meer aan te kleden. zorg er nu voor dat je verhaal het typische romantische- of feelgoodsausje krijgt en zorg ervoor dat je plot de nodige structuur en obstakels heeft. Zo is je verhaal echt niet zo ‘simpel’ meer!

Foto door Dan Dumitriu verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik kan helpen: kijk eens in mijn webshop.

De fantastische feelgood: de gevaarlijk gezellige boekhandel

Een feelgood is vrolijk, niet al te ingewikkeld en heeft voor de spanningsboog nog een beetje drama. Maar dat betekent niet dat het verhaal weinig inhoud heeft of eenvoudig is om te schrijven. In deze serie leer je hoe je het meest haalt uit een ‘simpel’ genre en hoe je dat het nodige gewicht geeft. Deze week: de gevaarlijk gezellige boekhandel. 

De clichématige gezellige boekhandel 

Talloze feelgoodromans spelen zich af in een knusse boekhandel. De tijd lijkt er stil te staan, de ingewikkelde alledaagse moeilijkheden gaan daar even aan je hoofdpersoon voorbij en er zijn verhalen te vinden. Inspiratie te over dus, zeker als het personeel van de winkel uiteindelijk nog een vriendschap of zelfs een romance met je heldin sluit.  

Maar dit clichébeeld van de boekhandel is helemaal niet zo effectief. Sterker nog, het is een goed voorbeeld van waarom het feelgoodgenre soms de slechte naam van ‘te simpel’ krijgt: er gebeurt niks wezenlijks in het verhaal. Je kan nog zulke mooie sfeeromschrijvingen aan de boekhandel geven en de knappe man achter de toonbank de mooiste en meest inspirerende citaten van de wereld laten opdreunen, als er geen wezenlijk plot in het verhaal is verweven, is zelfs de meest knusse boekhandel maar een triest decor voor een zielloos boek. Daarom is de gezellige boekhandel een gevaarlijk cliché. 

Waarom is ‘knus’ of ‘gezellig’ niet genoeg voor een boek?

De meeste lezers kiezen een feelgoodboek uit juist omdat ze weten wat ze kunnen verwachten; namelijk een positief boek met een happy ending. Je hoeft niet allerlei ingewikkelde alibi’s te onthouden, zoals bij een thriller, en de thema’s zijn eenvoudig genoeg om het verhaal te dragen. Ze hebben inhoud, maar verwachten niet van de lezer dat die na het boek te lezen een weloverwogen nieuwe mening vormt. 

Maar daardoor ontstaat een hardnekkig misverstand: niet veel hoeven nadenken staat gelijk aan weinig tot geen inhoud of beweging in het plot. 
En dat is waar de gezellige, knusse boekhandel als cliché zijn bestaansrecht aan ontleent. Als het maar knus is, hoef je zogenaamd niet na te denken. Gezelligheid is alles wat een boek nodig heeft om lekker in weg te duiken. Maar niets is minder waar: ieder verhaal heeft beweging en een wezenlijke invulling van een plot nodig. 

In het hoofd van de boekwinkelbezoeker

De hoofdpersonen in verhalen over gezellige boekwinkels zijn vaak introvert. Het verhaal heeft de boekenzaak als decor, maar het eigenlijke verhaal speelt zich vaak af in het hoofd van de protagonist. Je leest over wat die denkt, waar die van droomt, of waar die over piekert. In zekere mate is dat een prima manier om een personage te leren kennen. Maar als het boek voornamelijk gaat over wat een personage denkt, kan het echte verhaal niet op gang komen. 

Denk aan een bal. Je kan met de nodige aankleding best wat tekst vullen met wat iemand over die bal denkt en wat het daarmee kan of wil doen. Maar uiteindelijk zal die bal toch een keer moeten worden opgepakt om het buurmeisje mee te verrassen en zo een nieuwe vriendschap te sluiten. Dan heb je het verhaal van de vriendschap om verder over te schrijven. Als de bal eindeloos blijft liggen, komt er niets op gang en heb je geen echt verhaal. Daar is vroeg of laat een externe factor of een concrete actie voor nodig. 
De cliché boekenwinkel is daarom erg gevoelig voor een stilstaand verhaal. Als je protagonist er komt om niet gestoord te worden, dingen te overpeinzen en te fantaseren, dan mist die concrete actie en is hoofdstuk 1 vrijwel inwisselbaar voor hoofdstuk 4, 6 of 9. 

Hoe goed een feelgood de lezer ook moet laten voelen, onthoud: een goed gevoel is niet voldoende voor een boek. Daar heb je nog altijd ook nog een goed verhaal voor nodig. 

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door John Michael Thomson via Unsplash.