Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage laf is?
Een laf personage is ingewikkeld om te schrijven. Niet zozeer omdat angst lastig is om te omschrijven, maar omdat een personage altijd dapper moet zijn. Hij hoeft niet meteen het leger in te durven, maar een totaal gebrek aan moed zet het plot op slot. Iets nieuws proberen of iets tegemoet gaan waarvan je de uitslag niet weet, vergt ook moed. En dat zijn elementen die een verhaal gaande houden. Wat doe je als je personage dat ook eng vindt?
Wanneer is je personage laf?
De een vindt het laf als je geen hond durft te aaien, een ander vindt je een aansteller als je geen motor durft te rijden. Laf is een redelijk subjectief begrip. Maar als het om een personage gaat, kan je het zien als: wanneer je personage iets niet durft te doen wat voor het plot essentieel is en wanneer het antwoord op de bekende vraag: ‘Wat is het ergste wat er kan gebeuren?’ zo goed als ‘niks’ is, en je personage nog steeds voet bij stuk houdt.
De laffe vriend
Ken je die fictieve vriend in een vriendengroep die echt overal de kriebels van krijgt? Zodra die kriebels zo erg worden dat de hoofdpersoon zijn heldenreis ervoor opzij moet zetten om te troosten, schrap je dit personage, of moet je in ieder geval zijn karaktereigenschappen veranderen. Anders schrijf je een subplot wat nergens toe leidt. Een subplot – of een scène – mag per definitie wat meer op de achtergrond spelen dan het hoofdplot. Maar het moet wel iets toevoegen. Iets wat alleen maar vertraagt, vastloopt of vastzet, hoort hoe dan ook niet in een verhaal.
De laffe held
Je hoofdpersonage kan ook laf zijn. Dan moet de lezer weten waarom hij om iets schijnbaar kleins bang wordt. Je ontkomt er niet aan om zijn achtergrondverhaal uit te werken. Van je held verwacht je lezer dat hij dapper is en dat hij hem goed leert kennen. Als hij dan door een relatief onbenullige angst verlamd raakt, kan dat nog steeds interessant zijn. Als je de reden of de uitkomst maar uitschrijft. Dan kan de angst om een schattig katje te aaien ineens logisch lijken. De gewelddadige stiefmoeder bij wie je personage opgroeide, had ook een kitten. Ook nog eens met precies hetzelfde vachtpatroon. Bij de herinneringen aan de stiefmoeder en haar geliefde kitten, rent je personage het liefst weg bij dit andere katje.
Moed als thema
Zodra je hoofdpersonage laf is – of liever gezegd laf lijkt –, ga je dus verklaren waar die angst vandaan komt. Net als bij de laffe vriend moet je opletten dat deze angst niet slechts een opvulling is van papier. Het moet ergens toe dienen. Daarom moet je die angst goed uitwerken en dat kost de nodige woorden. Zo wordt moed al gauw het verhaalthema van een verhaal als dit. Maar dat kan in de voordeel werken: je lezer gaat je held begrijpen en met hem meeleven. Dat hij dan alsnog zijn doel niet altijd kan bereiken, is niet erg. Hij probeert het en dat maakt hem dapper, zoals een held hoort te zijn.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage onredelijk is?
Je kent haar misschien als Karen: een koppig personage met een zeer kromme beredenering. Een onredelijk personage heeft in diens eigen ogen altijd gelijk, terwijl dat objectief gezien helemaal niet zo is. Hoe schrijf je een personage dat het bloed onder de nagels van zowel de schrijver als de lezer vandaan haalt?
Appels en peren
Een personage als Karen heeft iets geks met de spreekwoordelijke appels en peren. Het vergelijkt ze met elkaar alsof ze hetzelfde zijn, waardoor je een uitspraak krijgt als: “Ik heb het financieel niet slecht, dus mijn familie ook niet.” Zelf is zij getrouwd met een bankdirecteur en zit zus in de bijstand, maar verder… Of het máákt van de peren appels. Zo kan dit personage doen alsof iets wat heel anders is, niet eens van elkaar verschilt: “Hoezo krijg ik geen entreekorting en die oudere dame voor mij wel?” “Omdat zij seniorenkorting krijgt en u halverwege de twintig bent, mevrouw…” “Maakt niet uit: ik ben ook een betalende bezoeker en die hoor je gelijkwaardig te behandelen. Ik wil ook korting.”
Hoe dan ook kan je stellen dat dit personage een behoorlijk rot fruitmandje heeft.
Wat is het probleem?
Heb jij ook al zin om met dit personage een welles-nietes-discussie aan te gaan? Dat geldt zeker ook voor de medepersonages, maar laat dat niet gebeuren. Het zet je plot namelijk compleet stil. Je moet bij dit personage ervoor zorgen dat de nietes (‘jij hebt ongelijk’) overheerst als onderdeel van een scène of van in het plot als geheel, niet als een afzonderlijke discussie. Als eerst moet je daarvoor weten in wat voor ‘categorie’ de onredelijkheid valt. Zegt dit personage rare dingen omdat het:
racistisch is?
geen idee heeft wat voorrechten zijn of welke voorrechten het personage zelf geniet?
altijd emoties opkropt en die soms erg onhandig uit?
Je gaat als vanzelf heel anders schrijven als je personage iemand met psychologische problemen blijkt te zijn. Dat is een heel ander verhaal dan dat van een verdorven racist.
Tactische tegenaanval
Iemand die niet voor rede vatbaar is, laat zich niet bewegen. Daarom moeten de medepersonages of het plotverloop een tactische tegenaanval uitvoeren. Zorg ervoor dat het onredelijke personage tegen de lamp loopt. Dat kan in één losse scène, maar ook gedurende de gehele verhaallijn. Denk aan:
De racist wordt gefilmd als hij op zijn slechtst is. Dan kan een medepersonage aangifte doen en de politie regelt de rest.
Iemand kropt zijn emoties zo vaak op dat de uitbarstingen die volgen ervoor zorgen dat zijn geliefden van hem weglopen. Dan gaat diegene misschien toch naar de psycholoog om hulp te zoeken.
Kortom: wie niet horen wil, moet maar voelen. Daarin kan je hard naar het onredelijke personage zijn door hem in de cel te laten belanden. Of je zorgt voor een lieve buurvrouw die langzaam maar zeker de zwakke plek van je personage blootlegt en het daarmee een spiegel voorhoudt. Let op: een personage dat zeer sterk overtuigd is van zijn eigen gelijk is niet gevoelig voor die spreekwoordelijke spiegel op het moment dat het ‘op dreef’ is. Houd die dus voor op een zwak moment, bijvoorbeeld wanneer je personage net iets vervelends te horen heeft gekregen.
Als je al wat langer schrijft, weet je al dat het centraal conflict erg belangrijk is. Zoals je misschien ook al weet, hoeft deze heldenreis niet altijd te slagen. Een personage dat de wereldkampioenschappen wedstrijdzwemmen wil winnen, kan al in de voorrondes afvallen. Als het verhaal goed uitwerkt, mislukt de heldenreis daar niet door. Om te weten wat een heldenreis stevig maakt, kan het handig zijn om in je opschrijfboekje de heldenreis wel te laten mislukken.
Een goede heldenreis: hoe zat het ook alweer?
Lees hier een inleiding over de heldenreis als je een opfrisser nodig hebt. Waar het in deze blogpost om gaat, is dat het bij een goede heldenreis gaat om het vallen en opstaan proces. Dan maakt het niet meer uit of je personage zijn doel bereikt of niet. Als je weet dat het personage naar zijn beste kunnen heeft gehandeld, en met hem mee hebt kunnen leven, dan is het doel van een goede heldenreis vrijwel altijd behaald.
In deze blogpost gaan we kijken hoe een heldenreis kan falen. Of, zo je wil: waarom het verhaal vroegtijdig afloopt omdat je personage simpelweg niet meer verder kan.
Waar kan het misgaan?
Om te weten hoe en wanneer een heldenreis vroegtijdig kan stranden, moet je kijken naar het schema van save the cat. Het bekendste moment waar het verhaal kan mislopen is het moment van de comfortzone. In save the cat staat dat omschreven als ‘second thoughts’. Maar ergens telt dat niet helemaal, omdat de heldenreis dan nog niet begonnen is. Waar het wel fout kan gaan zodra de heldenreis eenmaal begonnen is, is het moment vóór iedere clue. Met name de crisis en de ramp zijn hier uitgesproken momenten voor, omdat dat de allerengste momenten voor je personage zijn. Maar in feite is ieder moment vóór een clue dat. Kijk nog maar eens goed naar het schema. Zie je dat de clues het symbooltje hebben van een explosie? Dat is niet voor niets. Een clue geeft aan dat er een grote verandering aankomt; iets wat kan of gaat exploderen. Lees: iets wat de wereld op zijn kop zet en niet altijd fijn is voor je personage. Voor het verhaal betekent het dat het een andere weg in slaat. En hoewel je personage geen inkijk in het script van zijn leven heeft, voelt het ergens meestal wel aan dat er iets belangrijks te gebeuren staat, ook al weet het de uitkomst niet. Denk aan: * Er staat een belangrijk examen op het programma. * Politieke spanningen staan op springen, waardoor een oorlog niet ver weg meer is. * Er is ruzie die uitgepraat moet worden.
Gebruik anticipatie die je personage voelt, altijd in je voordeel.
Hoe dan ook staat er iets te gebeuren. In het geval van een mislukte heldenreis komt je personage niet voor dat moment opdagen. Let op: het komt überhaupt niet opdagen. Dat is iets anders dan de situatie onhandig, gemeen of verkeerd aanpakken. De oorzaak ligt dan in de comfortzone, de grootste angst of de ambitie van je personage.
De comfortzone is te fijn
De comfortzone uitgaan is essentieel voor een goed lopend centraal conflict. Omdat we nu alles omdraaien, moet je gaan kijken wat de comfortzone van je personage maakt. Stel jezelf daarbij de volgende vragen: * Wat is daadwerkelijk comfortabel voor mijn personage? Hoe kan ik het nog comfortabeler maken? * Wat hoort mijn personage in het centraal conflict te leren? Geef hem dat nu op een presteerblaadje. * Wat wil mijn personage? Geef hem dat in overvloed.
Zodra je dit op een rijtje hebt kan je makkelijker zien wat en in welke mate je hiervan iets moet afpakken. Dat maakt duidelijk welke schop onder het achterste je personage nodig heeft om de comfortzone uit te komen.
De grootste angst is te eng
De grootste angst van je personage is een schat aan informatie, maar ook vaak de reden dat je personage blijft vallen en opstaan, ook al is hij uitgeput. Als je een heldenreis wil laten mislukken, doe je het volgende: * Schakel een magic pixie of Deus ex Machina in, zodat iets of iemand anders de problemen op kan lossen en je personage de angst niet onder ogen hoeft te zien. Vraag je personage: als jij een Pixie of Deus zou krijgen, hoe zou die er dan uitzien? Dan weet je wat je vooral moet vermijden in je verhaal. * Je geeft je personage geen ‘angsttraining’. Niemand durft een draak te verslaan als diegene al bang is voor een salamander. Je personage moet in stapjes worden voorbereid de volgende uitdaging aan te kunnen. Zorg ervoor dat je een logisch stappenplan maakt voor de uitdagingen die je personage te wachten staan. * Je personage kan ook van zichzelf onvermurwbaar of extreem koppig zijn. Het maakt zichzelf wijs dat hij geen fouten maakt of geen angsten heeft. Dat is nooit waar. In dat geval probeert hij iets wanhopig te verbergen en is hij ergens juist doods-en doodsbang voor. Ga in dat geval flink graven in de personagebiografie om erachter te komen wat dat is.
Je personage heeft onvoldoende ambitie
Dit is misschien een open deur, maar je personage moet ergens voor willen vallen en opstaan, anders blijft de comfortzone lonken. Zorg er daarom voor dat het duidelijk is waar je personage zich voor wil inzetten, welk resultaat hij graag wil bereiken. Het is belangrijk dat die ambitie meerdere ‘lagen’ heeft. Als met één actie een ambitie wordt verwezenlijkt, is de heldenreis te simpel. Om niet in de herhaling te vallen (‘Mijn personage moet slagen voor zes verschillende examens om een droomstudie te kunnen doen.’) kan je nog eens goed kijken naar je verhaalthema of gebruik van symboliek. Voor de student is het verhaalthema bijvoorbeeld wijsheid. Dat kan boekenwijsheid zijn, maar zo kan je ook een lastige levenservaring in het spel brengen om wijzer van te worden. Dat helpt dan vervolgens weer om te vallen en op te staan en om je verhaal meer inhoud te geven.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage een heilige overtuiging heeft?
Schrijven over iemand met een heilige overtuiging is niet makkelijk. Maar het begrijpen van een heilige overtuiging kan je wel veel informatie over je personage geven.
Wat is een heilige overtuiging?
Een personage met een heilige overtuiging zegt een van deze twee dingen: * Jij moet doen wat ik ook doe, anders zijn de rapen gaar. * Als jij niet vindt wat ik ook vind, ben je een slecht mens.
Bij het eerste voorbeeld moet je denken aan: * “Als je je niet bekeert, is je ziel verloren,” zegt de gelovige. * “Als je niet klimaatbewust handelt, vergaat de wereld straks,” zegt de klimaatactivist.
Dit kunnen nette discussies opleveren, maar dat is niet altijd zo.
Het tweede voorbeeld verloopt nooit fijn. Heftige politieke uitspattingen zijn daar het schoolvoorbeeld van: “Stem jij links? Luie, waardeloze uitkeringstrekker!” “Nee jij dan, rechtse stemmer. Laat de armen maar creperen, zodat jij met je economische groei je derde Tesla kan kopen. Narcist!”
Beide overtuigingen hebben gemeen dat ze trekken en duwen op een manier die een discussie (lees: een verhaal) laat vastlopen. Dus daar moet je iets mee.
Waarom is deze overtuiging er?
Je kan iets vinden, ergens in geloven, of ergens naar handelen. Maar een heilige overtuiging zoals hierboven omschreven, is redelijk heftig. “Ik heb gelijk en de rest van de wereld niet.” Daar zitten onprettige emoties achter. Denk aan: angst, verdriet, boosheid of wanhoop.
Tijd om voor personagepsycholoog te spelen! Wat speelt hier? Het kan van alles en nog wat zijn. Angst voor een hel, wanhoop vanwege een vroegtijdige dood door klimaatverandering, woede dat het personage heeft opgekropt omdat het ooit in de steek is gelaten… Je moet weten wat hier speelt: een heilige overtuiging heet niet voor niets zo. Als iets heilig is, dan richt je personage zijn hele leven daarop in. Dat heeft gevolgen voor zijn doen en laten in het dagelijks leven. Soms is dat onschuldig, zoals op zondagen altijd naar de kerk gaan. Maar je personage kan uit angst voor de duivel ook nooit risico’s durven nemen. Een heilige overtuiging kan ook leiden tot extremisme (religieus, politiek, of in welke vorm dan ook waar de heilige overtuiging over gaat).
Voor het blok
Als personagepsycholoog van dit personage kan je het voor het blok zetten. Voor deze oefening moet je waarheid en wetenschap even loslaten. Je moet namelijk dingen kunnen zeggen als: * Er is zojuist wetenschappelijk bewezen dat er geen duivel bestaat. * Gisteren is een uitvinding gedaan waardoor klimaatverandering binnen een jaar is opgelost.
Dan valt de grond onder de voeten van je personage vandaan. Luister goed naar wat het dan zegt: “Als dat zo is, dan: – hoef ik nooit meer bang te zijn; – moet ik iemand vergeven die ik haat; – moet ik inzien dat ik me heb gedragen als iemand die ik niet wil zijn.”
Als je personage heeft gesproken, merk je waarschijnlijk op dat je personage: * uit angst dingen doet of laat; * vol wrok is en tegen iemand schreeuwt; * A zegt en B doet.
Je verhindert hiermee niet dat een heilige overtuiging een verhaal of discussie op slot zet kan zetten. Probeer die overtuiging dus minder heilig te maken. Maar als dat (even) niet kan, helpt het begrijpen van de achterliggende oorzaak om je personage wat minder eendimensionaal te maken. Al is het maar alleen voor jou als de schrijver van het verhaal.
Er zijn verschillende manieren om je plot interessant te houden. Je kan plottwists of subplots introduceren, of gewoon aan een scène verder schrijven. Wat je ook kiest om je scène uit te werken, er is een gouden regel, zo niet een gouden wet die bij al deze opties toe te passen is. Houd je aan actie-reactie.
De derde wet van Isaac Newton
De naam van Isaac Newton laat vast wel een belletje rinkelen als ‘Een van de belangrijke wetenschappers ooit’. Zo kan jij zijn derde wet als een van de belangrijkste in de wetenschap van plot- of scèneontwikkeling beschouwen. Geen zorgen, ik ga niet verder in op de wetenschappelijke wet. Ik begin al peentjes te zweten bij het zien van het symbool voor worteltrekken ;). Maar de derde wet van Newton houdt in:
Op iedere actie volgt een reactie.
Zo simpel is het in beginsel. Kijk maar eens naar wat hele simpele voorbeelden:
Actie
Reactie
Ik stoot mijn teen.
Ik begin te vloeken van de pijn.
Ik krijg honger.
Ik ga wat eten maken
Ik krijg een extra zakcentje.
Ik ga lekker uit eten.
Ik ga bij deze regel een kanttekening plaatsen, als het verhaalontwikkeling betreft. Je zou ook kunnen zeggen dat de derde wet van Newton stelt: na iedere oorzaak komt een gevolg. Maar die stelling gaat voor een plot of een scène niet helemaal op. Kijk eens naar de onderstaande tabel met oorzaak-gevolg en dezelfde voorbeelden als hierboven.
Oorzaak
Gevolg
Ik heb mijn teen gestoten.
Mijn teen doet pijn.
Ik heb honger.
Mijn maag knort.
Ik krijg een extra zakcentje.
Ik ben vijftig euro rijker.
Het komt misschien pietluttig over om dit als verschil aan te merken, maar er is wel degelijk een verschil. Bij actie-reactie doet een personage daadwerkelijk iets, waar er bij oorzaak-gevolg niet per se iets actief verandert. In dat laatste geval staat een lopende tekst op de pauzestand.
Oneindige actie-reactie
Actie-reactie moet elkaar telkens opnieuw opvolgen. Is er een reactie geweest, dan komt er daarop een nieuwe actie in het plot. Daar komt dan weer een reactie op, enzovoorts. Kijk eens naar dit voorbeeld: Noor heeft een tante in Marokko en die komt. Als je actie en reactie elkaar laat opvolgen, ziet dat er zo uit:
Actie
Reactie
Tante Amina belt dat ze op bezoek komt.
Noor springt een gat in de lucht.
Noor vraagt Amina wanneer ze komt.
Amina zegt over drie dagen bij Noor op de stoep te staan.
Noor wil de logeerkamer in orde maken.
Noor begint met stofzuigen in de logeerkamer.
De stofzuiger begeeft het na een minuut.
Noor gaat naar de winkel om een nieuwe stofzuiger te kopen.
Als je actie-reactie zou vervangen door oorzaak-gevolg, krijg je iets als: ‘De stofzuiger begeeft het plotseling. Nu blijft de kamer vies.’ Dat zorgt ervoor dat de scène abrupt stopt omdat Noor geen nieuwe stofzuiger koopt, of lieve tante Amina kan in een stofnest slapen. Geen van die twee opties zijn de bedoeling.
Je moet de actie-reactieregel redelijk streng volgen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je reactie op reactie (op reactie…) laat volgen: Noor springt een gat in de lucht, draait nog zes keer in het rond en begint te zingen als tante Amina het fijne nieuws vertelt. Als ze daarmee door blijft gaan, staat Amina straks al voor de deur. Oftewel: dat duurt gewoon te lang en het voegt op een bepaald moment niets meer toe. En als je een reactie weglaat: Noor vraagt Amina wanneer ze komt. De stofzuiger begeeft het. dan is dat een te plotselinge overgang. Je mist nu informatie die het verhaal bij elkaar houdt. Er valt immers niet alleen een actie, maar ook een bijbehorende reactie weg.
De spanningsboog en actie-reactie
Ieder verhaal heeft een spanningsboog. En zoals het spreekwoord zegt, kan die boog niet altijd gespannen zijn. Maar hoe zit het dan met actie-reactie in een scène? Denk bij het woord actie in dit geval niet te snel aan iets als ‘Max Verstappen vliegt bijna uit de bocht in de Formule 1’. Eerder als iets dat plaatsvindt en waar iets of iemand vervolgens op reageert. De actie-reactie kan dus ook een gedachtestroom zijn:
Actie
Reactie
Ik wilde dat Cas me zag staan….
…maar ik ben niet knap genoeg voor hem
Moet ik misschien mijn haar kleuren? Hij valt op brunettes…
Ach, hou toch op! Laat ik me nu ook al gek maken door opgelegde schoonheidsidealen?
Nee, ik ben een sterke vrouw!
Maar dan mag ik mezelf toch alsnog wel van mijn beste kant laten zien?
De lezer leert hier dat het personage over zichzelf twijfelt. Het belangrijkste van een scène is dat die iets toevoegt aan het verhaal. De lezer moet iets nieuws te weten komen. Zolang als een scène de lezer iets nieuws leert en hij volgens de actie-reactieregel is geschreven, kan je er allerlei kanten mee op, zonder meteen met een sneltreinvaart door het verhaal te gaan.
Nog een voorbeeld van actie-reactie:
Actie
Reactie
Gijs doet het slecht op school.
Gijs komt angstig met zijn slechte rapport thuis.
Gijs’ vaders schrikken zich ongeluk.
Gijs krijgt een huiswerkbegeleider, maar het botert niet tussen hen.
Gijs weigert nog huiswerk te maken.
Gijs krijgt straf van zijn vaders.
Je ziet hier misschien wel dat de actie-reactie in dit voorbeeld redelijk steriel is: het leest niet als een interessante scène, maar als losse feiten. Dat betekent dat je tussen de regels van de tabel door een nieuwe reeks van actie-reactie toe moet voegen. Bijvoorbeeld hoe Gijs door het ontvangen van zijn slechte rapport begint te zweten, met als reactie dat zijn vaders zich zorgen maken als hij doodsbleek thuiskomt. Je moet dus actie-reactie toevoegen om een show don’t telleffect aan de scène te geven. Hoeveel je precies moet toevoegen is een kwestie van uitproberen en je hebt er ook wat schrijfinzicht voor nodig. Maar met de ‘schrijfwet’ van actie-reactie in het achterhoofd, kan je er in ieder geval van op aan dat je scène- of plotverloop stabiel en logisch blijft.
Afbeelding Isaac Newton via Pixabay.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage iets te bekennen heeft?
Als je personage een geheim heeft, kan dat op een bepaald moment te veel worden. Dan wil het iets opbiechten. Omdat dat narratief gezien smullen is, gebeurt er na een biecht veel met het plot en besteed je er ook de nodige aandacht aan om het uit te werken. Daarom is er een aantal dingen die je in de gaten moet houden als je personage iets moet bekennen.
Kijk goed naar je verhaalthema
Neem je verhaalthema nog eens goed onder de loep als je een bekentenis in je verhaal verwerkt. Een geheim kan namelijk je verhaalthema vormen. Maar als je personage opbiecht de hele familie voor bakken met geld te hebben opgelicht, dan is het thema eerder verraad. Omdat het thema op verschillende manieren en op verschillende momenten in het verhaal terugkomt, hoor te je weten hoe je dat gaat invullen. Je zal er subplots en extra personages bij moeten bedenken. Ga dus goed na hoeveel gewicht (het opbiechten van) een geheim heeft of moet krijgen in je verhaal. Dat kan het volledige plot van je verhaal bepalen.
Wanneer komt het hoge woord eruit?
Als de biecht op het moment suprême van het verhaal komt, heb je een fikse aanloop nodig en dien je je personage mentaal klaar te stomen voor dat moment. Dat vormt dan het centrale conflict: met vallen en opstaan en twijfels en overwegingen verzamelt het de moed om zijn geheim op te biechten.
Als de biecht in het begin van je boek komt, zijn er twee opties:
Je laat de lezer merken dat je personage met deze biecht uit een comfortzone komt en dat hij in bepaalde aspecten van zijn leven bij nul moet beginnen. De heldenreis vormt dan: opnieuw zijn plaats in de wereld vinden.
Je gaat met flashbacks werken en laat de lezer er langzaam maar zeker achterkomen wat tot deze biecht geleid heeft. Op hetzelfde moment leert de lezer het plot en de personages kennen. Aan het einde van het boek kent de lezer het figuurlijke hele verhaal en heeft hij bewondering voor de held die de heldenreis op pagina 1 al voltooid heeft.
Deze verschillende opties vragen afzonderlijke manieren van uitwerken. Kijk goed welke informatie je achterhoudt voor een mogelijke plottwist of wat je überhaupt al dan niet vertelt aan de lezer om het verhaal altijd interessant te houden.
Waarom nu? Waarom aan deze persoon?
Vóór de biecht is er een geheim. Dat geheim wilde je personage niet voor niets in stand houden. Bedenk waarom je personage juist op dit moment besluit iets te bekennen. Vergeet ook niet aan wie je personage iets opbiecht. Vertrouwt je personage de ander? Is er sprake van een oneerlijke machtsverhouding en móet je personage nu wel gaan praten? Aan wie je personage ook iets bekent en ongeacht de reden, neem de relatie met dat andere personage mee in je uitwerking. Omdat een biecht iets groots is voor het plot, is het onvermijdelijk dat de relatie tussen de twee personages dat ook is. Geef die daarom ook de nodige aandacht.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage een verrader is?
Het woord verrader roept allerlei duistere associaties op. En daarmee is het narratief gezien erg interessant. Want wat geeft aanleiding tot het verraad? Daar zit een verhaal achter… Met iets waarbij zoveel vraagtekens en mogelijkheden zijn, kun je eindeloos veel kanten op. Maar er zijn wel twee soorten verraad te onderscheiden: vanuit goede of slechte bedoelingen. Als je held verraad pleegt, komt het verraad hoogstwaarschijnlijk ook uit goede bedoelingen voort. De antagonist heeft iets kwaads in de zin. De opzet en de reden voor het verraad moet je goed voorbereiden om het ook te laten overkomen zoals je het bedoelt.
Het verraad van de held
Omdat verraad iets vervelends en heftig is, zal je held er niet blij mee zijn om daartoe zijn toevlucht te moeten zoeken. Laat hem daarom:
* duidelijk worstelen met het feit dat hij iets naars moet doen;
* zijn persoonlijke waarden duidelijk blijken, zodat je lezer weet waar hij precies mee worstelt;
* geen keuze: een held ‘verlaagt’ zich niet zomaar tot iets wat immoreel is;
* ook na zijn verraad het nodige doen om in het reine te komen met zichzelf en anderen.
Soms is verraad niet per se zwart wit. Iedereen zal het erover eens zijn dat het laf verraad is om een je beste vriend voor een fortuin op te lichten, alleen zodat jij een villa kan kopen. Maar wat als het gaat om iets waar je meningen over kunnen verschillen? Is het verraad als je een verjaardag van een vriend overslaat om naar een belangrijke vergadering te gaan? Mag je je kind een keer extra naar de oppas brengen zodat jij een dagje kan opladen, of is dat verraad van goed ouderschap?
Kijk dan eens goed naar je verhaalthema. Welke boodschap wil je ermee overbrengen? Bedenk dat je held uitdraagt waar jij als schrijver het mee eens lijkt te zijn. Je maakt hem immers je held, niet de tegenstander. Een thema kan soms een zetje geven om –ook als schrijver- te bedenken waar jouw waarden en daarmee die van je held precies liggen.
Het verraad van de tegenstander
Verraad is slecht en meestal – hoewel niet altijd- is de tegenstander ook een slechterik als het om morele waarden gaat. Dan lijkt het verraad van een tegenstander makkelijk uit te werken: maak hem gewoon door en door slecht. Maar dan wordt de situatie erg eendimensionaal. Een toevlucht die de laatste jaren populair is geworden: geef de slechterik een tragisch achtergrondverhaal. Zodra je weet dat hij als kind mishandeld is, is het logisch dat hij nu gemeen is en uiteindelijk mensen verraadt. Dat is een begin, maar pas op dat je het niet daarbij laat: zo beroof je het verraad van zijn duistere en zwarte karakter. Verklaar wat de aanzet heeft gegeven, maar benadruk – of vergroot desnoods een beetje- wat de vreselijke gevolgen van het verraad zijn. Zo voorkom je dat verraad iets wordt waar je je schouders voor op zou kunnen halen. En laat de slechterik niet al te veel berouw tonen. Een beetje mag, maar het echte worstelen met moralen is voor de held weggelegd.
Als je schrijft, zijn er momenten waarop er zomaar iets klikt. Dat levert dan een hoop inspiratie op. Zorg dat je dat dan opschrijft in je opschrijfboekje. Naarmate je opschrijfboekje steeds voller raakt, kan je die elementen combineren tot een geheel nieuw idee.
Aanleiding blogpost
Als je mijn blog gevolgd hebt, weet je dat ik recent in Amerika was. Het hooggerechtshof besliste op een van die dagen over de ‘houdbaarheid’ van Roe vs. Wade: of staten voortaan zelfstandig mochten besluiten om abortus illegaal te maken. Op die dag werd ik gewaarschuwd: als je morgen niet in de buurt van ‘het Malieveld van de stad’ moet zijn, kun je daar beter wegblijven. Misschien valt het mee, maar controversieel als deze kwestie is … Je kan het beter niet opzoeken. Uiteindelijk heb ik in die hele daaropvolgende week welgeteld één vrouw een keer met een protestbord op de straat zien staan. In haar eentje. Ze scandeerde niet eens. Wat ik wel overal en de hele tijd zag waren regenboogvlaggen: June is Pride month. Zo nu en dan zag ik mensen ook echt Pride month vieren. (Veel beter dan een eng protest :D)
Symbolieken combineren
Toen ik in het vliegtuig terug naar huis zat, zag ik vanuit het raampje een prachtig beeld: de schaduw van het vliegtuig op het wolkendek, omringd door een halo van regenboogkleuren. De daaropvolgende symboliek diende zich als vanzelf aan. Ik dacht terug aan “blijf daar maar weg” en hoe ik vervolgens alleen maar pride tegenkwam. * de reis (de schaduw van het vliegtuig) * was meer omringd (de halo) * door pride (regenboogkleuren van de halo) dan door protest.
Toen ik die symbolieken opmerkte als een trope, ging ik bedenken waar een/dit vliegtuig symbool voor zou kunnen staan, of wat een vliegtuig überhaupt is. * reizen * groot, log en zwaar (het helpt als je de motoren van zo’n machine heel goed kan horen op zo’n moment 😉 ) * er zitten honderden mensen in dit vliegtuig. Waarom willen honderden mensen allemaal op deze, dezelfde dag van (uitgerekend) Seattle naar (uitgerekend) Amsterdam? Wat beweegt hen? Wat is het verhaal erachter? * het einde van mijn vakantie (verdorie… Maar hé: dan ga je wel op je reisverhalen reflecteren. Ook voer voor inspiratie!) * dit specifieke vliegtuig gaat niet neerstorten, want het wordt beschermd door een hele mooie halo: de symboliek van engelen! Ik was niet bang om neer te storten, maar die symboliek viel me wel op, dus – belangrijk!- schreef ik het op.
Als je dit soort brainstorms opschrijft, kom je tot eindeloos veel tropes en symbolieken die je eindeloos kan combineren.
Hoe ga je symbolieken combineren?
Als je symbolieken goed combineert, kan dat een heel scala aan schrijfprompts opleveren. De voornaamste truc is dat je niet te snel moet ophouden met brainstormen en het niet bij de cliché-achtige associaties moet houden. Natuurlijk staat een vliegtuig symbool voor reizen, een regenboog voor pride en een halo voor engelen, maar als je nog niet verder komt dan dat, denk dan nog even verder. Anders kom je niet verder dan een trope: De biseksuele, religieuze student gaat op reis.
Gebruik die eerste, relatief eenvoudige associaties om verder te denken, of om bruggetjes te slaan. * Dus het komt in je op dat een engel dit vliegtuig beschermt, vanwege de halo? Misschien is dat wel een voorteken dat er een engelachtig personage in het vliegtuig zit. Of een voorbode van dat het vliegtuig wel degelijk gaat neerstorten en het juist die bescherming van de engel nodig heeft. * Een halo, een regenboog en pride month op de plek van locatie? Moet je reizende biseksuele hoofdpersoon in het reine komen met zijn seksualiteit, of gaat hij het juist vieren? * Een zwaar, log vliegtuig en een ‘engel aan boord?’ Dat is tegenstrijdig… De zwaarte van het vliegtuig kan de psychologische zwaarte symboliseren die je personage doormaakt. Misschien ontmoet hij wel iemand die die zorgen kan verlichten.
Zo heb je al een voorzichtig begin van een plot.
Wanneer heb je bruikbare symboliek?
Het mooie -en vervelende- van het speuren naar symboliek is dat het zowel uitzonderlijk makkelijk als vreselijk moeilijk kan zijn. Een woordenweb maken kan helpen om je voorbij het punt van de logische associaties te brengen. Maar dat werkt niet altijd; soms is het gewoon je dag niet. Net zoals je op een dag uit het niks een aha-momentje kan hebben waar een compleet verhaal uit ontstaat. Bedenk: zodra het begint te kriebelen met het idee: hier kan ik iets mee… Dan is het bruikbaar. Ook al klinkt het als een open deur. Het zal maar eens een open deur zijn waar je nog nooit voor gestaan hebt. Dan kun je er ook niet door lopen 🙂 Neem het vliegtuig. Ik heb dat eindeloos vaak als symboliek voor reizen gezien, maar nog nooit als symbool voor iets logs of zwaars. Terwijl ik sinds ik drie ben weet dat je een vliegtuig niet met een hand op kan tillen. Maar dat diende zich aan omdat ik op dat moment toevallig met symboliek aan het spelen was en de motor hoorde. Twee puzzelstukjes die zich nog nooit als zodanig hadden aangediend. En als ik op dat moment ook niet al bezig was met de symboliek van pride en engelen, was ik nooit tot de trope gekomen van de zwaarmoedige biseksueel die op zijn reis besluit zich te religieus te bekeren.
Geen vliegtuigregenbooghalo: vertrouw op de kriebel
Het woord vliegtuigregenbooghalo alleen al bewijst dat ik toen ontzettend veel geluk heb gehad. Geluk kun je niet afdwingen, dus wat als het even niet zo uitzonderlijk mee zit? Dan is het een kwestie om op de kriebel te vertrouwen. De kriebel je lijkt te zeggen: schrijf op, want hier kan je iets mee. Misschien niet nu, maar later wel als missend puzzelstukje. Zoals ik nu het gegeven dat een vliegtuig zwaar is, niet in mijn voorbeelden heb gebruikt. (Laten we eerlijk wezen, die vliegtuigregenbooghalo spreekt veel meer tot de verbeelding). Maar het feit dat ik dat heb opgeschreven, maakt wel dat het al ergens in mijn achterhoofd zit kan blijven hangen. Tot het moment dat ik inspiratie krijg van een specht in een boom en die koppel aan een zware, logge machine en zo een nieuwe ‘Transformer’ verzin. (Zie je wat er gebeurt? 😉 )
Veel succes!
P.S. Bij het zoeken naar een foto van de vliegtuigregenbooghalo zag ik onder de afbeelding staan dat die in het Engels een ‘glory’ heet. Ik vond hem op een website voor astronomie.
* Glory? Halleluja! Hé, wat schreef ik eerder over de religie van de biseksuele reiziger? Toeval, of reden om verder de symboliek in te duiken…? * De foto stond op een website voor astronomie: wetenschappelijke sterrenkunde. Religie en wetenschap zijn elkaars tegenpolen: geloof versus bewijs. Dat is ook interessant. * Astronomie? Dat is de ruimte. Misschien is mijn hoofdpersoon wel astronaut en onderweg naar de raketlanceerbasis…
Nu zie je hoe snel inspiratie soms kan komen en dat je moet opschrijven, opschrijven, opschrijven.
Veel plezier!
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Wat heb ik genoten van mijn bezoek aan Powell´s Books in Portland! Een bezoek aan een boekenzaak met een miljoen boeken vergeet je niet zo snel!
Sfeerimpressie Powell’s books Portland
Hier volgen een aantal foto´s van Powell’s books als sfeerimpressie. Bedenk dat wat je ziet op de foto je met gemak tientallen keren kan vermenigvuldigen 😀
Boekenkasten waar een ladder soms niet overbodig is. Hoe vaak kom je dat nog tegen? 🙂 Leuk detail: de bovenste planten van de kasten dienen als ‘voorraadplanken’ waar het personeel een boek kan pakken. Zo zie je meteen welke boeken er nog op voorraad zijn en zien de kasten er gezellig vol uit! Powell’s books heeft de ruimten verdeeld in verschillende kleuren om je weg te wijzen in een ruimte die zowat een hele straat bedekt 🙂
Uitslag Portland Pen schrijfwedstrijd
Ik heb minstens net zo veel genoten van het organiseren van mijn eerste schrijfwedstrijd en het lezen van de ingezonden verhalen als aan mijn bezoek aan Powell’s Books! Via deze weg wil ik iedereen die dat gedaan heeft dan ook hartelijk danken voor het meedoen aan de wedstrijd. Er kwamen veel verschillende verhalen voorbij: van thrillers tot aan feelgoods. Uiteindelijk heeft het verhaal ‘Ontspoord en weer op de rails gezet’ van Lucy Neetens gewonnen.
Lucy heeft haar feedback en het opschrijfboekje inmiddels ontvangen en mij toestemming gegeven om haar verhaal op mijn blog te delen. Ik hoop dat jullie net zo veel van haar verhaal genieten als ik dat gedaan heb. Gefeliciteerd, Lucy!
Ik weet nog niet wanneer en hoe, maar ik wil na het organiseren van ‘Portland Pen’ zeker nogmaals een schrijfwedstrijd uit gaan schrijven! Hou de blog dus in de gaten. Wie weet ben jij de volgende winnaar.
Ontspoord en weer op de rails gezet — Door Lucy Neetens
Zaandam. De trein mindert vaart. De gevels van de gebouwen die ik zie zijn precies wat een toerist van Nederland verwacht. New York lijkt een mensenleven geleden. Toch ben ik hier pas twee dagen. Gisteren tekende ik de scheidingspapieren. In Hoorn. Natuurlijk had ik dat ook vanuit New York kunnen doen, maar dat voelde niet goed. Josh en ik hebben immers ook goede tijden gekend en ik wilde op een nette manier afscheid nemen. Van hem en van onze jaren samen. Misschien dat New York daarom zo mijlenver geleden lijkt. Sinds ik hier ben, heb ik een mensenleven met Josh afgesloten. Nog voor de trein goed en wel stilstaat, sta ik op. Haastig been ik achter enkele andere passagiers aan naar buiten. Ik heb niet meer dan twee minuten overstaptijd. Dat lijkt ondoenlijk, maar de trein naar Maastricht vertrekt van spoor 4 en ik kom aan op spoor 5. Dat moet dus lukken. Eenmaal uitgestapt, word ik zowat ondersteboven gelopen door een man die van links naar rechts over het perron zwalkt. ‘Bro, ik kom naar je toe. Ik weet dat het niet kan, want je bent er al drie jaar niet meer, maar ik kom toch naar je toe,’ schreeuwt hij. Geschrokken kijk ik hem na. De man is gekleed in een enigszins smoezelige regenjas en een jeans met scheuren. Daaronder draagt hij een paar, ontzettend uit de toon vallende, rode, leren schoenen. Wat een rare snoeshaan. Is hij dronken? Onder invloed van iets anders? Of wordt hij overmand door verdriet omdat die ‘bro’ dood is? Maar als iemand al drie jaar dood is, ben je toch niet meer zo van slag dat je lallend over een perron zwalkt? Ik haast me zo ver mogelijk bij de man vandaan en stap in de trein die staat te wachten op spoor 4. Gelukkig is het nog rustig in de coupé. Ik installeer me en haal de meegebrachte thermoskan met koffie uit mijn rugzak. Voorzichtig schroef ik de dop eraf en schenk er wat koffie in. Niet veel later ben ik verdiept in mijn boek. Opeens schrik ik op. Op de stoel tegenover me wordt een volgestouwde Vomar draagtas neergezet. Verdorie. Het is die zonderling van zo-even. Gaat hij nu echt tegenover mij zitten, terwijl de hele verdere wagon leeg is? Nee, hij gaat niet zitten. Hij blijft heen en weer wandelen. Mompelend. Zo nu en dan loopt hij de coupé uit en dan blijft hij een paar minuten weg. Iedere keer dat hij terugkomt, legt hij weer iets neer op de stoel tegenover die van mij. Zijn jas. Twee paraplu’s: een rode en een zwarte. Zijn mobiel. Vooral dat laatste maakt me bang. Ik heb weleens gehoord dat mobiele telefoons kunnen dienen als ontstekingsmechanismen van een bom. Moet ik aan de noodrem trekken? Maar als hij dat in de gaten krijgt, blaast hij de boel natuurlijk onmiddellijk op. Zal ik een andere coupé opzoeken of maak ik hem dan juist kwaad? Moet ik het gesprek aangaan? Als hij weer in het gangpad verschijnt, hef ik mijn thermosfles naar hem op. ‘Wil je misschien ook een kop koffie?’ Hij ploft neer en neemt de beker van me aan. ‘Wijn van de Islam,’ zegt hij en heft de beker in een proostend gebaar naar me op. Zie je wel. Knots-knettergek.
Waarschijnlijk sprak mijn blik boekdelen, want als hij zijn koffie op heeft, begint hij te vertellen. ‘Het stimulerende effect van koffie op het menselijk lichaam werd bij toeval ontdekt door een herder uit de provincie Kaffa in Abessinië, het huidige Ethiopië. Omdat zijn geiten ’s nachts niet konden slapen, wendde hij zich tot de monniken van een nabijgelegen klooster. Zij wisten het mysterie te ontrafelen. De geiten aten graag van de vruchten van een vreemde plant: de koffieplant. Toen de monniken de bessen zelf proefden, waren ze zo teleurgesteld in de bittere smaak dat ze de vruchten in het vuur gooiden. Niet lang daarna prikkelde een heerlijk aroma hun neus. Uit nieuwsgierigheid, bereidden de monniken een aftreksel van de geroosterde bessen en na het drinken daarvan zaten ze boordevol energie. Ze beschouwden de vruchten als een geschenk van God. Vervolgens werd de hele islamitische wereld veroverd door de “nuchtere dronkenschap” – met zijn vingers schrijft hij aanhalingstekens in de lucht – van deze zwarte drank. De naam koffie is afgeleid van het Arabische woord qahwah, wat wijn betekent en aangezien de Moslims geen alcohol mogen drinken, werd koffie de wijn van de Islam.’ ‘Interessant.’ Gedurende zijn uiteenzetting lijkt hij in niets op die vreemde snuiter van daarvoor. Ik schenk onze bekers nogmaals vol. Ineens komt de trein met een schok tot stilstand. De koffie gutst over de randen van onze bekers. Mijn metgezel vliegt overeind en vervolgt zijn routine van voor ons koffie-intermezzo. Na een paar minuten klinkt er een blikken stem uit de luidsprekers. Er mankeert iets aan de machinerie. De reparateurs zijn onderweg, maar we moeten er rekening mee houden dat de vertraging minimaal een uur gaat duren. Verdomme. Ik denk het, mijn metgezel schreeuwt het en slaat daarbij met zijn vuist op het hoofdsteun van de stoel naast me. Ik krimp in elkaar. Dan schiet ik overeind, mompel een excuus en verlaat de coupé zo snel mogelijk. Ik verstop me op het toilet. Een paar minuten later bonst er iemand op de deur. Zal het slot het houden? ‘Alles goed daar?’ Het is volgens mij niet de stem van mijn gestoorde medereiziger. Voorzichtig draai ik de deur van het slot. Door een kiertje zie ik … ‘Pfft.’ Het is de treinconducteur. Opgelucht open ik de deur. ‘Een man in mijn coupé gedroeg zich nogal vreemd, ik ben gevlucht,’ mompel ik enigszins gegeneerd. ‘Waar?’ Ik wijs in de richting van mijn coupé. ‘Getinte man. Donkere krullen. Vlassig baardje. Rode schoenen. Volgepropte Vomar tas. Twee paraplu’s.’ ‘Wacht hier, ik ga een kijkje nemen.’ ‘Ik wil verderop in de trein een plekje zoeken, maar mijn rugzak staat nog daar. Kunt u die misschien voor me pakken? Het is een bruine met een oranje veter aan de voorzijde.’ Het duurt lang. Was de conducteur dringend elders nodig? Is hij me vergeten? Aarzelend loop ik terug naar mijn zitplaats en het tafereel dat ik daar aantref …
Het is alsof ik plotsklaps in een misdaadroman ben beland. Mijn metgezel zit jammerend, met mijn thermosfles in zijn handen, op zijn knieën naast de treinconducteur die knock-out op de grond ligt. Bloed sijpelt uit een wond op het hoofd van de conducteur. ‘Ik wil niet terug naar de gevangenis,’ mompelt mijn coupégenoot keer op keer. Godallejezus, is hij een crimineel? Bijna wint mijn neiging om te vluchten, maar ik kan die arme conducteur toch niet aan zijn lot overlaten? Is hij …? Nee, zijn borstkas gaat nog lichtjes op en neer. Zal ik 112 bellen of krijg ik dan ook een slag op mijn harses met mijn eigen thermoskan? ‘Wat is er gebeurd?’ Verschrikt kijkt mijn medereiziger op. ‘Hij … Hij probeerde je rugzak te stelen. Ik moest hem tegenhouden.’ Een nerveuze giechel ontsnapt aan mijn lippen. Dat heb ik weer. Twee redders in nood vechten om een been en de derde gaat ermee heen. ‘We moeten hulp halen.’ ‘Nee, nee, nee, ik wil niet terug naar de gevangenis.’ Hoe kan ik én die treinconducteur helpen én die crimineel te vriend houden? Mijn hersens maken overuren, draaien steeds dezelfde zinloze rondjes en komen tot niets. Kunnen je hersens een burn-out hebben? Of ben ik in shock? ‘Dan slepen we hem weg,’ zeg ik even later gedecideerd. ‘Als we hem naar het halletje voor onze treincoupé slepen, vinden ze hem daar wel. Ik heb ooit een ongeluk gehad waarbij ik een paar minuten het bewustzijn verloor en ik heb nog altijd een gaatje in mijn geheugen van wat er kort voor en kort na het ongeluk gebeurde. Hopelijk heeft hij – ik knik in de richting van de bewusteloze treinconducteur – hetzelfde.’ ‘En zo niet?’ ‘Dan getuig ik dat jij steeds bij mij in de coupé zat en dat je dus niets met dit alles te maken kan hebben gehad.’ ‘Echt?’ ‘Echt.’ En dus slepen we de conducteur naar het halletje. En boenen we met natgemaakte papieren zakdoekjes de bloedvlekken weg. En gooit mijn metgezel mijn thermoskan met een ferme zwaai door het opengeschoven raampje van onze treincoupé naar buiten. ‘Je krijgt een nieuwe,’ zegt hij als hij mijn blik opvangt.
Nadien zitten we een poosje zwijgend tegenover elkaar. Wat zal er in zijn hoofd omgaan? Is het daar net zo’n chaos als in dat brein van mij? ‘Ik ben Julia,’ zeg ik en ik steek mijn hand uit. Met een crimineel kun je maar beter vrienden worden, toch? ‘Yanis.’ ‘Ga je naar Maastricht?’ Hij knikt. ‘Ik ook. Ik ga een weekend logeren bij mijn oudste zus.’ ‘Ik ga naar mijn broertje.’ Zal dat die ‘bro’ zijn waar hij het eerder over had? Maar die was er toch al drie jaar niet meer? ‘Hij is overleden toen ik in de gevangenis zat.’ Ik bijt op mijn lip. Moet ik hierop reageren? Vragen naar het waarom? Of kan ik beter doen of ik die laatste opmerking niet heb gehoord? ‘Drugs,’ zegt hij nog voor ik een beslissing heb genomen. ‘Hoe … Waaraan is je broer overleden?’ ‘Een aanslag. Hij heeft weken in coma gelegen.’ Hebben Yanis’ drugszaken met die aanslag te maken? Is hij vanwege die gebeurtenis doorgedraaid? Alhoewel … Sinds mijn terugkeer van het toilet lijkt hij veel normaler dan daarvoor. Kan de schrik hem ontnuchterd hebben? ‘Ik heb niet aan zijn sterfbed gezeten. Geen gebeden gereciteerd. Niet samen met Mahjoub de shahāda opgezegd om hem te ondersteunen in zijn overgang naar het hiernamaals. Geen zegeningen verdiend.’ Onrust flikkert in zijn ogen. Is het angst voor de wraak van Allah? In elk geval lijkt het feit dat hij niet bij zijn broer kon zijn in diens laatste levensfase behoorlijk traumatisch voor hem te zijn geweest. Verklaart dat zijn gedrag? ‘Ik ga zijn graf bezoeken.’ ‘Heftig.’ Achter mijn rug hoor ik enig tumult. Is de conducteur gevonden? ‘Ik ga even kijken, oké?’ Met mijn duim gebaar ik naar de ruimte achter me. Yanis schokschoudert. In het halletje van de trein zit de conducteur. Kreunend. Met zijn hand strijkt hij voorzichtig over de wond op zijn hoofd. ‘Wat is er gebeurd?’ Ik voel me Juffertje Schijnheil. ‘Ik … Ik weet het niet.’ Ik zie geen herkenning in zijn ogen. Dat stemt me hoopvol. ‘Wacht, ik haal een pleister.’ Yanis zit in gedachten verzonken voor zich uit te staren. ‘Hij is weer aanspreekbaar,’ sis ik en ik haast me met mijn rugzak terug naar de conducteur. Met een papieren zakdoekje dep ik de wond en daarna plak ik er een pleister op. ‘Kunt u opstaan?’ Voorzichtig help ik hem overeind. ‘Bent u duizelig?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Bent u gevallen?’ Juffertje Schijnheil in het kwadraat. Hij staart naar het trappetje. ‘Ik weet het niet.’ ‘Misschien moet u er toch even iemand naar laten kijken.’ Hoe zit dat eigenlijk in een trein? Is de conducteur niet zelf de EHBO’er? Zijn er meerdere conducteurs in deze trein aanwezig? Dat zal wel niet in deze tijden van arbeidskrapte. ‘Als de trein is gerepareerd enzo.’ ‘Hebben we een defect?’ Oei, het gaatje in zijn geheugen is een gat. ‘Kom, ga hier even zitten. Ik haal een bekertje water voor u.’ ‘Dank je,’ zegt hij als ik hem het bekertje overhandig. ‘Gaan we een keer iets drinken?’ Hij knipoogt. De man heeft lieve, ondeugende ogen. Grijsblauw. Een geprononceerde neus. En een vrijwel kaal hoofd met een waas van donkere stoppels. Gelukkig dat hij alweer grapjes kan maken. Dat lijkt me een goed teken.
Twintig minuten later gaat de conducteur – zijn naam is Martin en hij heeft mijn mobiele nummer in zijn telefoon gezet met de belofte van een bedank-drankje – weer aan het werk. Ik keer terug naar mijn partner in crime. ‘Wil je mee?’ vraagt Yanis. ‘Eh …?’ Mee waarheen? ‘Naar een andere coupé?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Naar mijn broertje.’ ‘Ik weet niet of …’ Durft hij niet alleen? ‘Is er niet iemand die je liever meeneemt?’ ‘Ik durf mijn familie en vroegere vrienden niet meer onder ogen te komen. Zij …’ Veroordelen zij hem? Geven ze hem geen tweede kans? ‘Oké, ik ga mee.’ Ik begrijp mezelf niet. In plaats van zo snel mogelijk van deze onvoorspelbare man af te komen, bied ik nu aan om hem te vergezellen naar het graf van zijn broertje. ‘Mag ik als niet-moslim wel op die begraafplaats komen?’ Mijn vraag is een laatste, halfslachtige poging om onder mijn belofte uit te komen. ‘Het is een algemene begraafplaats.’ Mislukt.
En zo staan mijn vreemde reisgezel en ik aan het eind van de middag bij het graf van zijn broer. Yanis zet zijn Vomar-tasje vlak voor de grafzerk neer en legt de twee papaplu’s in het gras. Dan strijkt hij met zijn hand over de gebeitelde, voor mij onleesbare letters in de staande steen. De geboortedatum en sterfdatum van zijn broer kan ik wel lezen. Een snelle rekensom leert me dat Mahjoub slechts negentien jaar oud is geworden. Ik slik. Yanis merkt het en pakt mijn hand. ‘Allahoe akbar,’ mompelt hij. En daarna zegt hij nog een heleboel. Praat hij met zijn broer? Zegt hij verzen uit de koran op? In elk geval zie ik zijn gezichtsuitdrukking met de minuut meer ontspannen. Blijkbaar geeft het bezoek aan het graf van zijn broer hem rust. ‘Ben je erg verdrietig?’ vraag ik als we de begraafplaats verlaten. ‘Een beetje,’ antwoordt hij, ‘maar Mahjoubs ziel zal verrijzen. Doen we nog een koffietje?’ Hij wijst op een café aan de overkant van de straat. ‘Ik trakteer.’ We drinken koffie en zwijgen. Het voelt niet onprettig. Zwijgen is misschien wel de enige juiste manier om deze bizarre ontmoeting af te sluiten: we zetten er een zwijgpunt achter. Als we na de koffie het café verlaten, regent het. Yanis overhandigt me de rode paraplu. ‘Je moet altijd zorgen dat je twee paraplu’s bij je hebt,’ zegt hij met een scheve glimlach. ‘Eentje voor jezelf een eentje voor een vriend.’
Ik knipper een traan weg uit mijn ooghoeken. ‘Dank je wel, Yanis.’
Exact een jaar later trouw ik met Martin. New York lijkt mensenlevens gelden. Slechts één keer ben ik terug geweest. Om de zaken daar af te handelen. Martin weet inmiddels wat er op die bewuste dag in de trein is gebeurd. Hij neemt Yanis niets kwalijk. ‘Dankzij hem ben ik nu met jou.’ Yanis is op deze bijzondere dag mijn getuige. Zijn huwelijkscadeau is een thermoskan. Op het zilverkleurig gedeelte liet hij een hartje graveren met de initialen van Martin en mij. Van zijn rode paraplu heb ik een lamp gemaakt. En als ik tegenwoordig de deur uitga, zitten er in mijn rugzak altijd twee paraplu’s. Een gele en een geruite. Eentje voor mezelf en eentje voor een vriend.
Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage (bij)gelovig is?
(Bij)geloof is in een verhaal erg leuk om mee te spelen. Als schrijver ben jij de spreekwoordelijke god van de geschapen wereld, dus jij kan bepalen welk (bij)geloof al dan niet klopt. Maar zelfs al heb je alles voor het zeggen, dan is er nog een aantal dingen waar je rekening mee moet houden om je verhaal leesbaar of geloofwaardig te houden. Bepaal daarvoor of je personage gelijk heeft of niet.
Je personage heeft gelijk
Als je personage inderdaad een religie of bijgeloof heeft doorgrond, dan heeft dat voordelen voor je personage en voor jou. Als je personage denkt dat hij bepaalde dingen kan voorspellen (“Ik weet dat ik niet meer onder een ladder moet lopen, want iedere keer als ik dat doe, stoot ik een uur daarna mijn teen.”) heeft hij een bepaald gevoel van controle. Dat kan zelfvertrouwen geven, waardoor het centrale conflict aangaan makkelijker is. En omdat jij de schrijver bent, bepaal jij ook wanneer er een moment komt dat je personage bidt, of een bijgeloof tegenkomt wat het plot vooruithelpt. Daardoor ligt een Deus ex machina op de loer. Let erop dat je je personage ook niet alles gunt, ook al is het een trouwe volgeling van jou(w bijgeloof). Neem de tien geboden: dat zijn keiharde regels die niet overtreden dienen te worden. Zorg ervoor dat je weet wat er in jouw verhaal de letterlijke en figuurlijke heilige regels zijn. Als bepaalde regels heilig zijn, heb jij er als god óók aan te houden. Maar het beantwoorden van bepaalde gebeden ligt in het midden.
Je personage heeft ongelijk
Je personage gelooft ofwel niet in jouw specifieke regels, of heeft helemaal geen (bij)geloof. Maar ondertussen zijn die regels in jouw fictieve wereld er wel. In het geval van bijgeloof betekent dat dat je personage bepaalde tegenslagen krijgt (Hij stoot zijn teen dus vaker omdat hij dus wél onder die ladder doorloopt). Als het religie betreft, pas dan op en straf je personage niet te vaak af voor het ongelovig zijn. Houd je aan je persoonlijke (tien) geboden, maar beantwoord ook een ruim aantal figuurlijke gebeden van je personage. Een heldenreis mag nooit vastlopen, puur en alleen omdat je personage regels (niet) opvolgt waarvan hij niet met zekerheid kan weten dat die er überhaupt zijn. Als je te streng bent, heb je daar alleen jezelf mee. Dan komt het centrale conflict namelijk niet op gang, of zit je personage onnodig lang klem. Breekt het personage toch een van je geboden, zorg er dan in ieder geval voor dat daar een narratieve groei uit voortkomt: laat het ergens goed voor zijn.
Toeval
Als je niet van de vaststaande regels bent, maar juist met toeval wil spelen, houd er dan rekening mee dat een groot toeval grote verwachtingen schept. Je werkt een anticlimax in de hand als een groot toeval geen evenredig grote gevolgen heeft. Natuurlijk kan je ook met kleine toevalligheden ‘strooien’. Hoe dan ook, zorg ervoor dat het toeval nog enigszins op logica, de verhaallijn of de groei van je personage te herleiden is, of daar nut voor heeft. Púúr toeval komt erg geforceerd over in een verhaal.