Show don´t tell optimaal benutten

Show don’t tell is een van de basistechnieken van schrijven. Het is de makkelijkste manier om een verhaal levendig te maken. Als je weet wat het is, ben je er nog niet. Hoe haal je het meeste uit deze schrijftechniek?

Een korte definitie van show don’t tell

In het kort betekent show don’t tell dat je in plaats van iets simpelweg opschrijft, je omschrijft wat er gebeurt, te zien is of wat de emoties van een personage zijn. Bijvoorbeeld de tranen liepen over mijn wangen in plaats van Ik huilde. Of De ketting van de fiets rammelde, de bel was verroest en er zat een deuk in het wiel in plaats van de fiets viel van ellende uit elkaar. Lees hier mijn uitgebreide introductie van show don’t tell.

Show don’t tell als sfeermaker

Over het algemeen kun je show don’t tell zien als de sfeermaker van een scène. Ga maar na:
* Je beschrijft de meubels in een kamer om duidelijk te maken of die modern of ouderwets is.
* Aan de hand van gezichtsuitdrukkingen wordt de sfeer van een gesprek duidelijk. Worden wenkbrauwen gefronst en tanden geknarst? Dan zijn de mensen niet gezellig hun weekendplannen aan het bespreken.
* Als iemand smakkend van genot aan de eettafel zit, is dat waarschijnlijk meer dan een gemiddelde avondmaaltijd. Grote kans dat er uitgebreid gekookt is om iets speciaals te vieren en er dus een feestelijke sfeer hangt.
* Een scène wordt spannend van toon als de lezer merkt dat iemand stiekem een wapen heeft gekocht. Wat zou hij daarmee van plan zijn? Heeft hij vijanden? Zit hij in de illegale wapenhandel?
Een ‘tell’ zou dit meteen verpesten: Sjaak heeft Rafael net uit het niets neergeschoten met zijn nieuwe geweer. Dan blijkt wel dat Sjaak Rafael niet mocht… Maar sfeeropbouw geeft het niet, want Rafael is al dood voor je merkt dat er iets spannends gaat gebeuren.

Als Sjaak onmiddellijk de hoek om komt stormen, is dat geen sfeermaker, maar een sfeerbreker. Show don’t tell is een subtiele manier van sfeeropbouw, waar tell eerder iets meteen duidelijk wil maken.

Als je show don’t tell gebruikt, bedenk dan wat voor sfeer je wil benadrukken. Dan komt de techniek het beste tot zijn recht.

Het ‘tell-effect’ bij overdadige show

Een nadeel van show ten opzichte van tell is dat het een groter woordenaantal heeft. Daardoor kan een teveel aan show verzanden in bloemig taalgebruik. Dat kan tegenstrijdig voelen. Show don’t tell is immers bedoeld om de lezer iets te laten beleven en bloemig taalgebruik haalt de lezer door eindeloos gebabbel uit het verhaal.
Maar als je een verhitte discussie omschrijft door te zeggen dat de één een kloppende ader bij de slaap heeft, de ander een rood aangelopen hoofd heeft, een derde zit te knarsetanden en de vierde persoon de vuisten heeft gebald, dan hoop ik als lezer dat er geen twintig mensen in die vergaderzaal zitten…
Teveel gebruik van show kan een ‘tell- effect’ opleveren. Je show is dan misschien geen echte tell, maar het effect blijft hetzelfde. De verbeelding van de lezer wordt niet aangesproken.
Bij een echte tell gebeurt dat omdat het niet nodig is: Ik huil laat weinig aan verbeelding over. Maar als de lezer van al die heethoofden op de vergadering bij moet houden hoe ze hun frustratie uiten, wordt hij ook uit het verhaal gehaald. Hij is nu boze reacties aan het ontleden en tellen, niet meer die vergadering aan het beleven.
Als je show eerder een optellsom wordt (zie je de woordspeling? 🙂 ) dan heb je een ‘tell-effect’.

Tell-effect voorkomen

Je kan het tell-effect voorkomen zonder meteen toevlucht te zoeken tot tell. De heethoofdenvergadering hoeft niet meteen beschreven te worden als: iedereen was laaiend. Combineer show daarvoor met regieaanwijzingen. Vergelijk
“Dat is niet waar,” zei hij met “Dat is niet waar,” schreeuwde hij. Die man is niet in zijn hum. Dan hoef je niet langer een (uitgebreide) beschrijving van zijn gezichtsuitdrukking te geven. Hoe dan ook, als je de lezer wil laten beleven, blijf dan als vuistregel aanhouden: beleving is belangrijker dan omschrijving/ beschrijving. Óók bij show.

Of iemand nu rood aanloopt of schreeuwt, een van deze dingen maakt al duidelijk dat diegene boos is.

Show don’t tell en zintuigen

Zintuigen zijn een gemeen dingetje bij het gebruik van show don’t tell. Over het algemeen kan je zeggen:
* Proeven en ruiken zijn goudmijntjes.
In het dagelijks leven sta je relatief weinig stil bij deze zintuigen. Als je ze omschrijft werkt dat heel beeldend. Pas op dat je niet letterlijk schrijft ik ruik of ik proef dan wordt het alsnog een tell.
De geur van bijtend plastic brandde in mijn neus of De zoete appeltaart leek op mijn tong te dansen werkt dan beter.
* Zien en voelen zijn gevaarlijk.
Ik zie een mooie stoel in de kamer staan. Ruud zag dat Freddy blij was. Dit zijn duidelijke voorbeelden van tell. Als je veilig wil zitten, gebruik dan Ik zie dat…. en ga dan omschrijven: Ruud zag (dat) Freddy’s ogen straalden.
Maar dit voorbeeld is al redelijk grijs gebied. Ga heel goed na wat voor meerwaarde het heeft om het visuele zintuig expliciet te vermelden.

Hetzelfde geldt voor voelen. Ik voel me misselijk leest vlotter als je schrijft ik proefde braaksel in mijn mond.
Ik voel me verdrietig, kun je vervangen door: ik kon wel in huilen uitbarsten en Ik ben duizelig wordt Mijn hoofd begon te tollen.
Als je personage intern iets voelt, zoals hierboven, is ik voel vrijwel altijd een tell. Als er een externe factor het personage iets laat voelen (Harry voelde de hond tegen zijn benen springen of Piet voelde de wind door zijn haar waaien) dan kom je in hetzelfde grijze gebied zoals beschreven bij ‘zien’.

Je moet afwegen wanneer je deze grijze gebieden al dan niet gebruikt voor een goede balans tussen show en tell. Want hoe belangrijk show ook is, tell is niet altijd de grote boosdoener. Hij kan zelfs soms ontzettend nuttig zijn. Lees daar hier meer over.

Met deze drie tips is overdadig omschrijven verleden tijd

Het lijkt een goed idee om flink te omschrijven. Zo laat je blijken dat je een grote woordenschat en een goed beeld hebt van hetgeen je beschrijft. Maar dit kan tegen je werken en de verbeelding van je lezer blokkeren. Met deze tips schrijf je zowel boeiend als beeldend.

1 Beperk je bijvoeglijke naamwoorden

Omschrijvingen hebben als doel dat je de verbeelding van de lezer aanroept en uitdaagt zelf verder aan de slag te gaan. Hierna wordt de lezer verder in het verhaal gezogen.
Jan kocht niet zomaar een auto, maar een nieuwe, dure, auto.  
Dit voorbeeld werkt: De lezer kan net als Jan wegdromen bij de luxe auto. Dat had niet gekund als Jan ‘gewoon’ een auto had gekocht. Het had net zo goed een tweedehands rammelbakje van Marktplaats kunnen zijn.
Maar omschrijvingen, met name bijvoeglijke naamwoorden, kunnen gevaarlijk zijn voor beeldend en interessant taalgebruik. Een voorbeeld: Het is zacht, lichtbruin, romig, rechthoekig, zoet en goedkoop. Melkchocolade! Logisch toch? Nou, nee. Want ik heb het zo uitgebreid omschreven dat je waarschijnlijk bezig was om al die puzzelstukjes op zijn plaats te krijgen. Je was een raadsel op aan het lossen, niet je iets aan het voorstellen.
Zelfs als ik vooraf had gezegd dat het chocolade was geweest, was het vervelend geweest om te lezen. Daarover meer in de volgende tip.
De volgende vuistregel is nuttig: beschrijf met maximaal twee bijvoeglijke naamwoorden (heel soms is drie ook nog oké, maar meer dan dat echt niet). Als je opmerkt dat je er meer gebruikt hebt, schrap dan de minst belangrijke.

2 Laat de verbeelding van de lezer het meeste werk doen

Niet alleen veel bijvoeglijke naamwoorden, maar ook overdadige omschrijvingen in het algemeen zetten de verbeelding van de lezer op slot en maken de leeservaring heel traag. Bijvoorbeeld: De kamer heeft bruine meubels, een koekoeksklok, haakkleedjes op de tafel, versleten stoelen en een houtkachel. Het tapijt is versleten en vergeeld en de lucht ziet blauw van de sigarettenrook.
Deze omschrijving bevat maar liefst dertig woorden. Gaan we nog naar het plot of blijven we het halve verhaal in deze kamer rondkijken…?

Een ouderwets ingericht huis met een bejaarde bewoonster. Zo kan het ook. Deze omschrijving is wat mager. Maar als je het bij de haakkleedjes en de bruine meubels houdt, komt het beeld ook al voldoende over. Dan laat je het aan de lezer over of er al dan niet een koekoeksklok in de kamer is of dat de kamer vol rooklucht hangt. Als de lezer zijn fantasie kan of moet gebruiken, levert dat een prettigere leeservaring op.

3 Spreid je beschrijvingen

Laten we de woonkamer van de vorige tip nog eens bekijken. Je hebt de haakkleedjes en de meubels genoemd. Maar het is voor het verhaal misschien belangrijk dat de lezer weet dat er een kettingrookster in het huis woont. Dan hoef je alsnog niet over de blauwe lucht en het vergeelde tapijt te schrijven. In plaats daarvan zou je de eigenaresse bijna kunnen laten stikken in een hardnekkige rokershoest zodra ze de kamer binnenkomt. Dan raadt de lezer alsnog dat sigaretten niet ongewoon zijn in dit huis. Zo blijf je ook niet tot vervelends toe in de omschrijving van de kamer hangen. Spreid je omschrijvingen waar je kan over meerdere objecten, personen, omstandigheden en plaatsen in je verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Bloemig taalgebruik: een vertragend verhaaltempo

Het taalgebruik in je verhaal bepaalt voor een groot deel hoe vlot een verhaal leest. Daar moet je dus goed op letten. Ik vergelijk het in deze post met twee beschikbare dates. Je zal zien dat de verkeerde date door zijn taalgebruik niet meer aantrekkelijk is.

Bloemig taalgebruik dat verwarrend leest

Noah zegt: “Ik kijk graag naar je. Je prachtige, glinsterende, sprekende en unieke ogen doen mij opleven als een uitgedroogde, verlepte en hulpeloze roos die na een langverwachte, hozende en droogte verdrijvende regenbui weer kan opbloeien uit een donkere, sombere en uitzichtloze situatie.”

Vlot taalgebruik

Jakob zegt: “Ik vind je ogen mooi, omdat ze altijd stralen.”

De valkuil van bloemig taalgebruik

Noah lijkt door zijn bloemige taalgebruik de meest romantische persoon op aarde. Hij praat alsof er spontaan een bos rozen uit zijn mond komt, die hij meteen aan je kan geven. Toch is Jakob duidelijk de beste keuze. Dat zal de romantische mensen onder ons verbazen. Noah is toch een gedroomde man? Hij is poëtisch en jij bent duidelijk zijn prinses, het middelpunt van zijn wereld en hij kwijnt weg als je niet bij hem bent.

Zo ziet Noah jou in zijn wereld. Dat lijkt fantastisch, maar het is totaal niet realistisch

Bloemig taalgebruik: garantie voor verwarring

Lees nog eens wat Noah zegt: “…uitgedroogde, verlepte en hulpeloze roos die na een langverwachte, hozende en droogte verdrijvende regenbui weer kan opbloeien uit een donkere, sombere en uitzichtloze situatie.” Zeg eerlijk, wist je nog dat dit over je ogen ging, of was je dat alweer vergeten?

Noah vertelt over iets anders: “De voortbewegende roetzwarte massa auto’s verplaatsten zich in een ijzingwekkend traag en deprimerend tempo over het harde, grijze, weinig uitnodigende asfalt.” Moest je dit nog een keer (of twee) lezen voordat je wist waar hij het over had?

De nadelen van bloemig taalgebruik

Je lijkt een goede schrijver als je veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt. Je laat je grote woordenschat en een goed beschrijvingsvermogen zien. Maar je lezer kan erin verdrinken, zoals Noah in jouw ogen zou doen. Kijk nog eens naar het voorbeeld van de file (want daar had hij het over). Noah heeft drieëntwintig woorden gebruikt voor de omschrijving.
Een overvloed aan bijvoeglijke naamwoorden vertraagt je verhaal. Daardoor zal de lezer vaker de draad kwijtraken. Maar er zitten nog meer nadelen aan:
* Je beschrijving kan een vermomde infodump worden, waarna je niets meer aan de verbeelding van de lezer overlaat. (Beschrijf je eigen woonkamer maar eens met zes bijvoeglijke naamwoorden…)
* Als je personages zo spreken, zijn ze niet meer realistisch, want niemand praat zo. Onrealistisch veel beschrijven gebeurt sneller dan je misschien denkt: bij meer dan twee bijvoeglijke naamwoorden komt een beschrijving vaak al langdradig over.
* Wanneer je bijvoeglijke naamwoorden overmatig gebruikt, verliezen ze op de lange duur hun waarde.
* Kortom: schrijven is schrappen.

Bloemig taalgebruik versus vlot taalgebruik

Laten we vlot en bloemig taalgebruik vergelijken in de context van een relatie met eerder genoemde heren. Na de wittebroodsweken gaan de ellenlange complimenten van Noah je de keel uithangen. Ja, het is romantisch. Tot Noah alles maar lijkt af te raffelen. Op een bepaald moment geloof je hem gewoon niet meer. Leuk voor jouw verlepte roos, Noah, maar het voelt na al die bladzijden alsof je gewoon wat zegt om me zoet te houden. Zulke lange verklaringen zijn romantisch, maar niet oprecht. Ik weet niet of ik het moet geloven, want je zegt het, in plaats van dat je het echt laat merken.

Als de zon vierentwintig uur per dag onder zou gaan is dit plaatje niet meer zo romantisch. Zie beschrijvingen als romantische momenten: gedoseerd en op juiste momenten werken goed. Als ze en pas en te onpas tevoorschijn komen, zijn ze niet meer realistisch of oprecht.

Bloemig taalgebruik: tell, no show

Zie je dat bloemig taalgebruik een gebrek aan show don’t tell is?
Maar je laat juist zien, denk je nu misschien. Noah beschrijft immers dat het een lieve lust is. Lees het verhaal van Hiro de reisgids eens terug. Hij liet je dingen beleven, in plaats van dat hij alleen vertelde. Dat is de belangrijke regel: Een belevenis is altijd belangrijker dan beschrijving.

Bloemig en vlot taalgebruik in gesproken taal van personages

Stel je voor dat je thuiskomt van je werk en de volle laag hebt gekregen van je baas. Je zegt: “Schat, ik voel me rot, mijn baas heeft tegen me geschreeuwd.” Noah zegt dan iets als: “Jouw baas is een persoon met een zwart, bitter, ongrijpbaar, vergald, vergiftigd en meedogenloos hart die met kille, onmenselijke, onbegrijpelijke en immorele motieven handelt naar een hardwerkende, gemotiveerde en gepassioneerde medewerker.”
Jakob zegt dan: “Jouw baas is een eikel die een goede werknemer niet op waarde kan schatten.” Noahs taalgebruik laat in dit voorbeeld nog een ander nadeel van bloemig taalgebruik zien. Hij praat alsof je baas de doodstraf verdient. Maar stel dat je een dystopisch verhaal schrijft waarin je baas wel degelijk iemand mag martelen die ongehoorzaam is. Hoe gaat Noah zijn afschuw dan nog geloofwaardig uitdrukken? Een personage dat altijd al heftig reageert, kan niet meer op een realistische manier boos worden als het plot daarom vraagt.

Bloemig taalgebruik: net een wurgcontract

Is het je opgevallen dat wurgcontracten uit bloemig taalgebruik bestaan? Daardoor raak je de draad kwijt. Bijvoeglijke naamwoorden zijn daar niet altijd de boosdoener, maar het effect is hetzelfde. Een wurgcontract heeft warrig taalgebruik, waardoor je niet meer weet wat er nou eigenlijk staat. Daardoor trap je in de val. Nu komt de aap uit de mouw: Noah is eigenlijk jouw gemene baas. En wat blijkt? Jakob is… jouw ware Jakob!

Je lezer zou geen bril op hoeven zetten om te kunnen begrijpen wat je bedoelt.