De observerende schrijver: ik zie het licht

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie het licht.

‘Ik heb het licht gezien’

‘En dus ga ik het roer helemaal omgooien!’  Als dat gebeurt, kan dat op twee manieren: het is een ware aha-erlebnis, of iemand wil er wel helemaal voor gaan, maar broedt nog op de manier waarop dat het slimste is om te doen. Of dat nu gaat om de vliegtickets naar het paradijs nog even te vergelijken voordat je boekt, of dat je eerst eens bedenkt waarom je juist in Bali je geluk wil beproeven, als je denkt dat in ook Griekenland te kunnen.  Hoe dan ook: het licht is gezien, het besluit genomen. Maar waar zie je dat aan?

Volle overtuiging

Iemand die het licht heeft gezien, op wat voor manier dan ook, is overtuigd. Heel erg overtuigd. Met dit doel voor ogen weet diegene:

  • ‘dit ga ik hoe dan ook doen!’
  • ineens veel, zo niet alles over dit onderwerp
  • niet van ophouden over het heiligverklaarde besluit
  • niet waar diegene alle energie die vrijkomt, kwijt moet

Hoewel dit eenheidsworst lijkt, hoeft dat niet zo te zijn. Zo kan ‘je energie niet kwijt kunnen’ betekenen dat je op en neer stuitert, maar ook dat je om de haverklap opstaat van je bureaustoel. Kijk eens of je de nuanceverschillen in die overtuiging kan zien en houd je ogen open voor nog meer tekenen ervan. 

De donkere kant van het licht zien

Te veel van het goede is een ding, en dat geldt ook voor iemand die het roer om wil gooien, of een andere heilige overtuiging heeft gekregen. Zo kan dat licht wat je hebt gezien ook donkere kanten krijgen. Zo kan iemand bijvoorbeeld:

  • definitief (Oost- Indisch) doof woorden voor de raad of meningen van anderen
  • irrationeel worden
  • relaties verliezen, omdat die worden verwaarloosd

Waar een aha-erlebnis vrij abrupt kan gaan, is die donkere kant van het licht zien, altijd een proces. Daar moeten kleine veranderingen voor gebeuren. Wees alert op momenten waarvan je denkt: ‘Hè? Sinds wanneer denkt of zegt deze persoon zoiets?’  Maar net als met de momenten waarop je beschrijft je personage het licht ziet, moet je daar subtiel mee omgaan.

Plotseling schrijven in een boek

Een verandering van overtuiging of gedrag kan in het echte leven plotseling lijken, maar in een boek kom je daar niet mee weg, want dan valt het uit de lucht. Zorg ervoor dat je lezer op zijn minst duidelijk heeft dat Harold altijd al een stiekeme drang naar avontuur had als hij plotseling naar Bali wil verhuizen. Of dat Greta andersdenkenden eerst rustig afwimpelt, voordat ze hen definitief uitscheldt voor onwetende boeren die nooit iets van de wereld zullen begrijpen als ze nooit van hun leven de supermoderne megasteden in Azië zullen zien.

Iets plotselings schrijven is in een boek al snel een acht of negen op een tienpuntschaal. Probeer waar je kan dat te vermijden door dit soort subtiele observaties in je tekst mee te verwerken. Tenzij je aan een plottwist werkt, natuurlijk. Maar ook dan geldt: choqueren mag nooit het voornaamste doel zijn van een plottwist.  Dat is een recept voor mislukking. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Dyu – Ha verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een sfeerbepalend detail

Show don’t tell en sfeeromschrijvingen ten spijt: soms ontkom je er niet aan en verandert een detail het beeld wat je probeert te omschrijven compleet. Zo gebruik je een detail om je verhaal op zijn kop en een lezer op het verkeerde been te zetten.

Casus: bewoner van het mooie huis

Laatst liep ik door de stad en zag ik een lieflijk oud huis, wat paste bij de charme van de stad. Het huis had iets onschuldigs en een mooi onderhouden voortuintje met een schattig wit hekje. In mijn verbeelding woonde daar een lief oud vrouwtje, wat in haar jonge jaren een schoonheid en het middelpunt van de sociale hoge kringen van de stad was geweest. Dadelijk zou de deur opengaan en de geur van versgebakken koekjes naar buiten komen drijven. Toen zag ik de echte bewoner in het raam: een oude, goedgeklede en zeer norse man, wiens hele voorkomen de indruk dat hij meteen de politie zou bellen als ik een krasje op zijn lieflijke hekje zou achterlaten.
Daar ging mijn verbeelding van het aardige vrouwtje, maar ook die van het huis moest eraan geloven. Het was niet langer een huis waarin koekjes werden gebakken, maar een fort voor de stadselite, waarin men dagelijks de duurste wijnen drinkt tijdens ego-strelende gesprekken over hoe de hele cultuur van de stad in elkaar zou donderden als zij er niet waren met hun slimme ideeën en bulkende bankrekeningen.

Dag, inspiratie voor een verhaal met een lieflijk huisje in de binnenstad als voornaamste setting…

Roep een sterke verbeelding op voor een goede sfeerbepaling

Als je in een verhaal zo’n sterke draai wil maken met de toon of het plotverloop, moet je eerst zorgen dat de basis die niet lijkt te kloppen, heel stevig staat. Daarvoor is de belangrijkste vraag: wat is er al bewezen?
Kijk daarvoor naar je personage of naar de tropes die je gebruikt.

Als andere personages je hoofdpersoon een held noemen, moet die dus meerdere keren een kat uit een boom gered hebben, of iemand uit een brandend huis hebben gehaald. Met andere woorden: je moet een bewijs hebben van meerdere relatief kleine acties of van een actie die zo groot is dat het die ‘status’ voor eens een voor altijd kan bewijzen.

Voor tropes moet je goed in de gaten houden wat de meer algemene aanname daarvan is. Neem een groot huis. Daar zullen wel rijke mensen in wonen. Theoretisch gezien kan het ook zo zijn dat daar meerdere gezinnen onder een dak wonen, met een heleboel kinderen. Of dat er in dat huis niet een woning, maar misschien wel tien woningen zijn: er zijn meerdere studio’s in gebouwd om meerdere studenten en alleenstaanden te kunnen huisvesten. Maar de eerste, meer logische aanname blijft dat een groot huis bij rijkelui hoort. Zorg ervoor dat in het geval van tropes die een onverwachte wending gaan krijgen, de basis in ieder geval stevig staat. Anders schept dat alleen maar verwarring.

Schrijf een puzzelstukje met een aanloop

Na de stevige basis kan je aan de eerste introductie van het bepalende detail gaan beginnen. Maar doe dat wel achter de schermen: de lezer mag nog niet in de gaten hebben dat je aan een ‘groter plan’ aan het werken bent. Zie het als de aanzet voor een plottwist. Uiteindelijk moet er iets verrassends in het verhaal gebeuren, maar het moet niet te duidelijk worden dat het daarop uitdraait, anders is het effect ervan weg. Een plottwist heeft puzzelstukjes, een bepalend detail heeft dat niet. Tenminste niet in de zin dat er voor de lezer (achteraf) een puzzel te maken is. Er is wel degelijk een puzzel, maar die zit niet zozeer in acties, motieven en uitspraken, zoals bij een moordmysterie. In plaats daarvan moet je het zoeken in waar in het plot je op dat moment de aandacht op vestigt, op de sfeeromschrijving en de aannames en gedachten van je personages op het moment dat het bepalende detail in beeld komt.

In het voorbeeld van het huis kan mijn persona bijvoorbeeld een scène eerder:

  • zich hebben afgevraagd wat geld al dan niet voor status en hebzucht oproept
  • gedroomd hebben van een vakantie in een gebied vol met pittoreske huisjes
  • bij oma op bezoek zijn geweest
  • een woonmagazine hebben doorgebladerd en nieuwe plannen hebben gemaakt voor de inrichting van de tuin, met óók een lieflijk hekje
  • een film hebben gezien waarin een groep elite rijkelui gemeen is tegen minderbedeelden

In die zin heeft je puzzelstukje niet zozeer een echte opbouw, waarna verschillende andere puzzelstukjes volgen. Het is eerder een aanloop, niet groter dan een scène of twee, drie – al dan niet verspreid door je boek-.

Geruststelling of gruwel

In de voorbeelden hierboven zie je twee mogelijkheden. Het sfeerbepalende detail gaat ofwel in op het verknallen van de verwachtingen van de verwachte trope -hier woont een lieve oma- of het gaat verder in op dat zaadje van gemene, hebzuchtige rijkelui dat je eerder plantte. In beide gevallen zal het een schok bij de lezer teweegbrengen en de sfeer laten omslaan. In het eerste geval komt dat omdat je de geruststelling van een zekere voorspelbaarheid wegneemt. Als gewoontedieren hebben mensen er behoefte aan dat alles min of meer loopt zoals we verwachten. En als er dan geen lief omaatje in het lieflijke huis woont…
In het tweede geval wordt het nare onderbuikgevoel van de lezer bevestigd. Dat heb jij teweeg gebracht met het eerdere zaadje. Maar omdat het een bevestiging is van iets naars – arrogantie, hebzucht of iets anders wat je liever niet ziet- lijkt toch te bestaan of in je verhaal mee te spelen. En dan ook nog op een moment dat de lezer dat niet per se verwacht. Dat zet de lezer (onbewust) op scherp: als de schrijver dit huis al kan laten toebehoren aan een boze, rijke man, terwijl het voor oma hoort te zijn, wat voor vervelende of spannende dingen staat me dan nog meer te wachten?

Speel op deze manier met details en je verhaalbasis, spanningsboog en verdere plotverloop worden extra spannend!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door David Tip via Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… een foto

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… een foto.

Een foto zegt meer dan duizend woorden. Laat duizend woorden nu een mooi woordenaantal zijn voor een compleet verhaal! Met een foto kan je als schrijver altijd wel iets. Hoewel je bij iedere foto wel iets kan bedenken, sluiten deze tips het beste aan bij foto’s waar mensen op staan.

Wat zie je op de foto?

Het is een open deur intrappen, maar kijk eerst eens echt goed naar wat je op de foto ziet. Daarbij kan je zowel oppervlakkig kijken, als wat meer specifiek nadenken over wat je ziet: ‘Het meisje in het zwembad lacht en heeft een roze badpak aan. Op de achtergrond drijft een opblaasflamingo.’ Dat is feitelijk, maar ook dan kan je wat meer nadenken zonder meteen een verhaal daarbij te hoeven verzinnen:
‘De lach van het meisje is meer geposeerd dan spontaan.’
‘Roze staat dat meisje helemaal niet zo mooi.’
Met observeren komen er vaak ook bepaalde interpretaties of meningen kijken. Het is goed om je er bewust van te zijn dat dat ook gebeurt.

Wat is het verhaal achter de foto?

Of je dit nu weet of verzint bij een foto, de ware inspiratie zit natuurlijk in het verhaal achter de foto. Dit is een heel interessante oefening, omdat je hier door de ‘context van aannames’ kan worden geholpen: ‘Deze jongen is zo aan het schaterlachen op deze foto met zijn vader: de twee kunnen goed met elkaar overweg en papa heeft zonet een leuke grap verteld.’ Niets is feitelijk vast te stellen, maar de kans dat je in de buurt zit met je aannames is groot. Schrijf op wat je ziet, maar ook vooral wat je opvalt: ‘Sinds wanneer is het zo dat als ik vader en zoon zie lachen, ik twee gedachtesprongen verder heb ingevuld dat zusje buiten het zicht een ijsje is gaan halen?’ Het maakt niet uit hoe gek of onlogisch die gedachtesprongen zijn. Je kan er vast een leuke scène van maken, voor later in je boek.

Soms komt dat ‘sinds wanneer…?’ op de voorgrond. Door een eenvoudig detail vergeet je de rest van de foto, maar komt er wel een volledig verhaal achter de foto uit. Ook al heeft dat niets meer met de foto zelf te maken, schrijf het op!  Als je schrijft, komen er vaker van die momenten waarvan je niet weet hoe je op een gedachte komt. Maar als die waardevol is, maakt de bron van de inspiratie niet meer uit: gewoon gebruiken!
‘Hier staan mensen te wachten bij de snackbar. Hé, die man heeft dezelfde jas als ik! Verdorie, en ik dacht nog wel dat ik een unieke jas had gevonden… Wat voor type zou die man zijn? Iemand als ik, die lekker expressief is, of juist iemand die iets opvallends aantrekt om maar aandacht te krijgen? Vast dat laatste: z’n kop staat me niet aan. Hij lijkt me iemand de hele week klaagt omdat zijn vrouw hem er één keer op uit heeft gestuurd om de frietjes te halen. Als hij straks thuis komt, dan zal hij wel weer zeuren. Wat zal zijn arme vrouw zeggen?’ Voilà, een scène in wording!

De fotograaf

Kan je bedenken wat de fotograaf deed op het moment van het maken van de foto?
Was die totaal niet aan het nadenken, omdat de zoveelste dronken groepsfoto moest worden gemaakt? Of was het juist een beroeps die bezig was met de lichtinval en compositie? Wat wilde de fotograaf met het maken van de foto wilde vastleggen? Is dat gelukt, of niet?

Een foto zegt inderdaad vaak meer dan duizend woorden, maak daar dan ook op vele, zo niet ook op diezelfde spreekwoordelijke ‘duizend’ manieren gebruik van.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kristyna Squared.one via Unsplash.

Schrijven voor kinderen: alles als avontuur

Kinderen ontwikkelen zich in fases, en zo lezen zij ook in fases. Eerst wordt het voorgelezen, dan gaat het zelf de basis voor lezen en spellen leren daarna volgen algauw de ‘echte boeken’. Bij beginnende lezers zijn dit nog eenvoudige verhalen, aan het einde van de basisschool kunnen er al serieuze avonturen worden beleefd. Maar ongeacht de precieze leeftijd is ‘avontuur’ een fijn woord om als houvast te gebruiken als je voor kinderen schrijft.

De wereld in fases ontdekken

Hoewel je dat het best kan zien bij zeer jongere kinderen, zijn kinderen van allerlei leeftijden bezig om de wereld te ontdekken. Dat gaat samen met een zekere honger naar avontuur. Als een kind net leert lopen, is gaan en staan waar je wil het avontuur, voor een peuter is dat naar school gaan en voor een achtste groeper is dat het schoolkamp. Misschien wel voor het eerst in een stapelbed of een slaapzaal en stiekem plannen maken om de jongens of de meisjes ’s avonds te gaan bezoeken als de leiding niet kijkt.

Zo heeft iedere leeftijdsfase in de kindertijd zijn eigen avonturen. Avonturen die, als je er met een volwassen oog naar kijkt niet het noemen of zelfs maar het opmerken waard zijn. Lopen? Daar denken we niet bij na. En naar school? Dat is de kinderlijke versie van werken. Volwassenen met een ‘saaie kantoorbaan’ hebben daar niet vaak zin in: een kleuter staat te springen om naar school te gaan. En die slaapzalen tijdens het schoolkamp in groep 8? Sommige volwassenen vinden een slaapzaal in een hostel tijdens het backpacken nog oké, anderen willen daar nog niet dood gevonden worden….

Gewenning of ontwikkeling

Bovenstaande avontuurlijke instelling van kinderen kan je als schrijver op twee manieren bekijken. Vanuit het oogpunt van gewenning, zoals dat het voor volwassenen niet meer interessant is om je te continu te verwonderen over het feit dat je kan lopen. Maar ook ontwikkeling speelt hierbij een rol. Kinderen kunnen steeds meer dingen bevatten of doen naarmate ze ontwikkelen, maar gedurende de kindertijd is er nog altijd wel iets nieuws om te ontdekken.

Daarbij komt ook nog het punt dat kinderen zich emotioneel relatief langzaam ontwikkelen. Het is niet voor niets zo dat ‘je gedraagt je als een puber’ een belediging is om te zeggen dat iemand te snel zijn slof schiet, niet bij de wensen van anderen stilstaat, of koppig is. En dan is de puberteit de fase ná de kindertijd. Anders gezegd: kinderen kunnen nog niet zoveel emoties voelen of identificeren als volwassenen. Dus daardoor zijn psychologische romans niet voor hen geschikt. Dat is misschien een open deur. Anderzijds moet je je ook bedenken dat je kinderen tekort doet als je doet als ze ‘nog niets snappen’. Want alleen omdat een vierjarige verdrietig is omdat die niet buiten kan spelen en de tienjarige huilt omdat die de sportselectie niet haalt, zouden ze niet begrijpen wat verdriet is…? Kinderen kunnen wel degelijk van alles voelen, maar dat beperkt zich tot een context (van begrip) die relatief beperkt is, omdat hun wereld nog kleiner is.

Als avontuur zich overal verstopt…

Kinderen kijken dus met een blik van avontuur naar hun alledaagse leven. Zodra ze iets ouder zijn, treedt er voor hen ook gewenning op. Waar de zesjarige zich nog over letters en cijfers kan verwonderen, is een kind van tien daar al aan gewend. Maar als het om belevingswereld gaat, zijn ze nog altijd in meer of mindere mate vol verwondering over relatief alledaagse dingen, of staan dromen en fantasieën die volwassenen als naïef kunnen bestempelen nog op de voorgrond. ‘Als ik later groot ben, vlieg ik naar Mars.’ ‘Er moet een einde worden gemaakt aan honger in de wereld.’ Er is nog zoveel te ontdekken, doen of op te lossen in de wereld, dat zien kinderen als een avontuur, zij het misschien niet in de traditionele zin van het woord.

Als je die avontuurlijke instelling samen met de (emotionele) ontwikkeling als uitgangspunt neemt, wordt het een stuk makkelijk om een schrijfstijl te bepalen die gericht is op kinderen:

  • Er is altijd wel iets nieuws te ontdekken
    De ene keer is dat een nieuwe speeltuin, de andere keer is het leren hoe je een boomhut maakt.
  • De meeste dingen die een kind meemaakt vindt het interessant, omdat die helpen zich te ontwikkelen
    Vrienden maken, op vakantie en daarmee het onbekende tegemoet gaan, sporten en daarmee bewegen en je energie kwijtkunnen, iets nieuws leren en je belevingswereld verbreden…
  • Iets hoeft niet ingewikkeld te zijn om interessant te zijn
    Sterker nog: met de relatief ‘simpele’ emoties die een kind wel kan voelen, voelt die ze ook sterker. Dus je hoeft niet over een enge ziekte te schrijven om een kind verdriet te bezorgen: ‘je kan niet mee op schoolkamp nu je je been hebt gebroken’ volstaat.
  • Iets is interessant als het inspeelt op de emotionele beleving
    Daarom is griezelen zo leuk voor wat oudere kinderen. Ze weten echt wel dat spoken niet bestaan, maar daar haal je de emotionele beleving van spanning bij een goed kampvuurverhaal niet mee weg.
  • De situatie moet herkenbaar zijn
    Schrijf daarom liever over de pestkop op het speelplein dan over de onderdrukker in een oorlog. Kinderen kunnen empathie voelen voor anderen, maar daarvoor moet de context van de situatie wel duidelijk voor ze zijn, anders wordt het te hoog gegrepen. Dat wil overigens niet zeggen dat helemaal niet over ingewikkelde zaken mag schrijven. Maar dan moet je er wel voor zorgen dat het ingewikkelde terug wordt gebracht naar een begrijpelijke basis.
    De jongen in de gestreepte pyjama is hier een uitstekend voorbeeld van. De achtjarige Bruno maakt de Tweede Oorlog van heel dichtbij mee. Toch begrijpt hij niet wat er gebeurt. De lezer leest vervolgens hoe hij Hitler maar een schreeuwlelijk vindt en hem daarom niet mag. Of dat hij tegen zijn Joodse vriendje zegt dat hij net als zijn vader soldaat wil worden, omdat hij in zijn onschuld en onbegrip denkt dat vaders nu eenmaal altijd eervol werk doen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Klim Sergeev verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: Ik zie… ruzie

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… ruzie.

Kies voor deze observatieoefening een film uit die je al gezien hebt en waar een ruzie in voorkomt. Zo weet je wat er komen gaat in het plot en ken je de personages al. We gaan namelijk kijken naar een ruzie en wat je daarvan kan leren over de personages en het plotverloop.        

De slechtst mogelijke ruzie

In het echte leven is de slechtst mogelijke ruzie er een waar er serieus geweld bij wordt gepleegd, maar in een boek is dat een ruzie waarin je niets méér leert over het plot, of de denkwijze van de personages die de ruzie hebben. Een welles-nietesdiscussie is dus om twee redenen vervelend. Net zoals in het echt gaat het maar heen en weer, maar bovendien kom je dus niet te weten of Ron kwaad is op Olga omdat zijn ego wordt gekrenkt, of juist omdat hij zich niet genoeg voelt op het moment dat het een heen en weer is van: “Je hebt een slechte baan!”
“Niet waar!”
“Echt wel!”
Zo leer je Ron – en Olga – niet beter kennen en heb je ook niets om het plot op voort te bouwen. Een opgeblazen ego en een gebrek aan zelfvertrouwen geven een compleet andere invulling daarvan.  

Een personage in de ruzie

Een personage kiest in een ruzie een bepaalde manier van aanvallen of verdedigen. Kijk of je kan zien of er een ‘stijl’ is die bij het personage past. Zo kan een boekenworm proberen door hoogdravende taal de minder slimme vijand zich dom te laten voelen door met lastige woorden en beledigingen te gaan strooien. En de spierbundel zal zichzelf fysiek schrap zetten, al is het maar omdat dat er dreigend uitziet. In een ruzie staat er ook altijd iets op het spel. Wat is dat op dit moment voor de ruziënde personages?  En hebben ze dat zelf door? Probeer in te schatten wat de vijand zou moeten zeggen – misschien doet die dat ook – om het absolute pijnpunt te raken: “Niemand zou je missen.’” “Jij hebt nooit iets goeds gedaan.” Dat soort harde opmerkingen. Dat geeft een goed beeld van de grootste angst van je personage. De kans is groot dat daar daarna aandacht aan besteed wordt, als een nieuw obstakel in de heldenreis. Let op zo’n moment ook goed op de lichaamstaal van een personage. Doe je voordeel met dit visuele medium en kijk hoe je kan beschrijven wat een personage op dat vlak zoal doet als die een mentaal harde klap krijgt.

Het plotpunt en de ruzie

Iedere ruzie die in een boek of een film zijn naam waard is, stuurt het plot dus een andere kant op, of zorgt ervoor dat het vaart blijft houden. Schrijf eens op waaraan je kan zien of waarom je denkt dat juist nu en ook juist deze ruzie aan de gang is. Moesten de eeuwige tortelduifjes ook eens ruziën om hun romance niet te suikerzoet te maken? Het is wel handig als dat vóór de verloving gebeurt: “Je ként me nauwelijks, het enige wat je echt weet, is dat je me knap vindt!”

De ruzie over de bijdrage in het huishouden komt ook op een narratief goed moment als er achterstallige rekeningen betaald moeten worden en de wederhelft juist de dag ervoor in de lappenmand terecht is gekomen.
Niet alleen gebeurt er dan voldoende om het verhaal in de traditionele zin van het woord spannend te houden – hoe gaan ze zich uit dit lastige parket redden? – , het geeft ook aan dat er iets gaat gebeuren dat de lezer of kijker nieuwsgierig maakt naar de verdere verloop van het plot.  

Dit artikel verscheen eerder opSchrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Afif Ramdhasuma verkregen via Unsplash

Zo schrijf je een tranentrekker: laat de lezer bijna huilen

Een tranentrekker als doel voor je boek is heel erg link. Je gaat uit van het idee dat je lezer als vanzelf meeleeft als de gebeurtenis maar dramatisch is. Zo houdt je geen rekening met het feit dat iedereen zo zijn eigen belevingen heeft, en dus ook andere dingen heeft die de betreffende persoon aan het huilen maakt. Dus als opzichzelfstaand doel is het niet zo’n goed idee. Je kan beter als uitgangspunt nemen waar de reden om (uiteindelijk) te huilen vandaan komt en dat goed uitwerken.

Waarom komen de tranen?

Laten we eerst eens kijken waarom er uiteindelijk tranen komen. Nee, niet wanneer je ‘emotioneel wordt’ , dat moment waarop je daadwerkelijk huilt. Los van de eigenlijke reden waarom je huilt – verdriet, woede, blijdschap…- De emotie komt eerst, het huilen daarna. Het verschil zit hem in een kantelpunt.

Je huilt omdat je hersens de emoties niet meer aankunnen

Denk eens even na wat je zegt als je zegt ‘emotioneel te worden’. Eigenlijk is het een stom synoniem voor huilen. Niet alleen komt huilen daarmee in een taboehoekje, maar je zegt daarmee ook zoveel als: ‘pas als ik in tranen uitbarst, voel ik de emotie (van verdriet)’, wat natuurlijk niet zo is. Misschien is huilen een 8 of 9 op de tienpuntschaal van verdriet, maar zeker niet het enig mogelijke cijfer daarop. Dat klinkt misschien pietluttig, tot je bedenkt dat er tranen komen op het moment dat je hersens zodanig overweldigd of overprikkeld zijn door de emotie. Dan vormen tranen een manier om de druk van de ketel te halen. Het zou poëtischer zijn om te zeggen dat je hart de emoties niet aankan, maar zet de hersens hier aan het roer, en je leert iets wat je spanningsboog sterk kan maken.

Zorg voor een emotionele spanningsboog

Denk aan een emotioneel heftige scène: de dokter brengt slecht nieuws:
“Het is kanker.”
“Wat is de prognose?”
“Drie maanden, zonder kans op genezing.”

Wel heel erg steriel, nietwaar? Laten we er eens wat meer regieaanwijzingen aan besteden:

“Het is kanker,’ zei de dokter zacht. Hij durfde geen oogcontact te maken.
Amir slikte. “Wat is de prognose?” vroeg hij hakkelend.
“Drie maanden, zonder kans op genezing, ” antwoorde de arts.
Amir barstte in huilen uit.

Dat is ‘m nog steeds niet, hè? En toch is er middels show don’t tell al wat aan emotie beschreven, bij zowel dokter als patiënt. Het zit het hem er natuurlijk in dat dit tempo veel te hoog ligt. Er is geen moment van echte bezinning. Amir is ook maar een mens. Hij gaat echt niet in een paar seconden dit noodlot accepteren, begrijpen of zelfs maar beseffen wat de dokter hier zegt. In een filmscène zou je hier een paar tellen de camera op zijn gezicht gericht zien terwijl dat vreselijke nieuws begint te dagen. Deze momenten van ‘close-ups’ , waarin de dokter aarzelt om de prognose uit te spreken en waarop Amir het nieuws tot zich door laat dringen, vormen een emotionele spanningsboog.

De lezer die bijna huilt is beter dan een die daadwerkelijk huilt

Het is als lezer pijnlijker om met Amir mee te leven in die pijnlijke seconden van opkomend besef dan dat het is om hem te zien huilen als het nieuws echt tot hem doordringt. In die seconden dat Amir bijna huilt – dan wel omdat hij de puzzelstukjes in elkaar past, of omdat hij zich groothoudt in het bijzijn van de arts- leeft de lezer als de opbouw goed geschreven is mee met alles wat op dat moment door Amirs hoofd schiet. Is er echt geen kans op overleving? Wat moeten mijn vrouw en kinderen dan? Had ik dit kunnen voorkomen? Waarom ik?
Dat zijn heel rauwe, pijnlijke vragen. En daarvan vraag je in zekere zin van de lezer dat die die pijn met Amir meevoelt. In dat opzicht is dat dus emotioneel veel heftiger dan het eigenlijke moment van huilen. Dus wordt de lezer daar veel meer door gegrepen. Dit geldt niet alleen voor verdriet, maar ook voor woede, blijdschap, paniek, dankbaarheid, wat het dan ook is waardoor je personage uiteindelijk door gaat huilen.

Daarom is dit moment van bijna-huilen waardevoller voor jou als schrijver dan het effect van het echte huilen. Als is het maar omdat wat in het hoofd van het personage speelt altijd een vraag betreft. Gebeurt deze nachtmerrie echt? Is dit mij echt gegund? Heeft die rotzak dat nou echt gezegd? Bestaat er echt zoiets moois? En die vraag moet jij als schrijver beantwoorden met een ‘ja’. Ja, en dus ga je dood, Ja, en dus komt je droom uit. Ja, en dus wil jij nu waarschijnlijk wraak gaan nemen. Kortom: Ja, en daarom gaat het verhaal hierna nog verder en gebeurt er iets noemenswaardigs. Met andere woorden: de lezer kan zich verheugen op een volgend interessant plotpunt.

Als de tranen komen…

…is dat, vanuit de ‘hersenlogica’ dus het moment van de ontlading. En zo kan je dat ook het best benaderen als je moment met tranen beschrijft. Het hoge woord, hoe goed of kwaad ook, is eruit. Daar mag even bij stilgestaan worden. Je huilt immers niet voor niets: je zit aan een bepaalde emotionele taks. Maar wil je dat moment ook krachtig houden, hou het dan bij het observeren van het moment, niet bij het hoe, wat waar, wanneer of waarom. Dat heb je hiervoor als het goed is al beschreven en de uitwerking daarvan komt in de scènes hierna ook weer terug.

Wees niet bang om je personages te laten huilen. Houd alleen wel voor ogen dat je lezer aan het huilen willen maken, op zichzelf geen doel op zich zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk meer van een ontlading dan van het meeleven in een moment zelf. Als je wil dat je lezer gaat huilen, mik je meer op de pijnpunten van de lezer. “Jij hebt kanker van dichtbij meegemaakt, dus dit gaat jou raken.” Je kan beter mikken op empathie van de lezer. “Ik wil dat je om Amir gaat geven en (bijna) gaat huilen, omdat juist hij een vreselijke diagnose krijgt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Photo door n 🎈 verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… twijfel

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… twijfel.     

Een ijsje of een stroopwafel? Soms kom je op het idee van een stroopwafelijsje, maar andere keren moet je kiezen tussen een aantal vaststaande mogelijkheden en kan de twijfel toeslaan.  Die twijfel kan van korte duur zijn; over een toetje denk je geen week na. Andere keren kan twijfel je een leven lang achtervolgen: ‘Wat als…’ ‘Had ik maar…’ ‘Zal ik toch maar?’  Kortom: twijfel is van korte of lange duur. En als je die goed observeert, kan je een soms tekenende karaktereigenschap van je personage goed neerzetten.

De truc voor de korte twijfel

Nog een keer naar de vraag: ‘Een ijsje of een stroopwafel?’ Voor dit soort kortere en onschuldige twijfels zijn er trucjes om makkelijker de knoop door te hakken.
Denk aan: de smaak in je mond alvast ‘voorproeven’ en zo bedenken waar je het meest zin in hebt. Of je denkt wat meer pragmatisch wat de goedkoopste optie is. Je had jezelf beloofd deze week op de uitgaven te letten.  Ook kan je kleine zusje naast je staan, die gek is op stroopwafels. Dan kies je daarvoor, zodat je makkelijker kan delen.

Bedenk eens of je personage ook zo’n manier heeft om makkelijker te beslissen. Of gaat het juist af op onderbuikgevoel, of tost het een munt?  Wat je ook te weten komt, het kan een aantal zaken over je personage verklappen. Hoe bijgelovig het is, intuïtief, sociaal of pragmatisch. Dat kan je helpen bepalen of, hoe, wanneer of in wat voor situaties je held in de spreekwoordelijk zeven sloten tegelijk loopt. Dat is een goede manier om het proces van vallen en opstaan invulling te geven en de spanningsboog te bepalen. Houd je ogen natuurlijk ook open als je nog een andere ‘twijfeltruc’ ziet.

Twijfel in de houding

Ongeacht wat de beslissing wordt, twijfel kan je ook aan lichaamstaal zien. Het gezicht raakt een beetje verwrongen. Dat is misschien wel het duidelijkste signaal. Maar let ook eens op kleine maniertjes als heen en weer wiegen of op de tafel tikken. Schrijf alles op wat je ziet, dan kan je later makkelijk een paar van deze maniertjes aan je personage meegeven en het zo uniek maken.  

De serieuze twijfel

Natuurlijk zijn er ook momenten waarop de twijfel langer aanhoudt. Dan is de beslissing belangrijker, bedenkt je personage eindeloze ja-maren of speelt er een duivels dilemma.  Op de momenten dat zo’n beslissing wordt genomen is het belangrijk om de eerdere maniertjes rondom twijfel die je personage heeft mee te nemen. Dat is een goede show, don’t tell.  Maar belangrijker is dat je voorwerk doet. Wat heeft het gedaan, doet het, of gaat het doen met het personage dat het zo twijfelt en/ of deze beslissing neemt? Dat heeft ongetwijfeld grote invloed op diens doen en laten, of het algehele plot.

Als er zo’n grote twijfel of beslissing in je verhaal voor gaat komen, wees dan niet bang om even de tijd te nemen om voor personagepsycholoog te spelen. Kijk in de personagebiografie van je personage wat er van invloed is. En spiek gerust een beetje bij mensen welke afwegingen die maken en welke moralen er dan meespelen. Of hoe zenuwachtig ze al dan niet worden als ze flink aan het twijfelen worden gebracht.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jonathan Cosens Photography verkregen via Unsplash.

Wat geeft een goede basis voor zaaien en oogsten bij creatief schrijven?

Als je een verhaal wil schrijven dat zichzelf uitbetaalt, is zaaien en oogsten van het grootste belang. Het geeft de lezer een gevoel dat opletten in verhaal loont en dat er een cirkel rond is. Maar het werkt nog beter als je zaadjes hebt die zo krachtig zijn, dat een keer zaaien eindeloos oogsten oplevert en dat cirkeltje zich blijft herhalen.

De noodzaak van zaaien en oogsten

Zaaien en oogsten is belangrijk in een verhaal. Het laat zien dat het loont voor de held om uit de comfortzone te stappen, iets te leren of ergens voor te gaan. Ook maakt het plottwists mogelijk en het verhaal loopt er vlotter door: het geeft een gevoel dat alles past of klopt. Als je gedurende het verhaal kunt blijven zaaien en oogsten, weet je zeker dat de lezer zowel tevreden blijft met datgene wat al gelezen is, maar ook met datgene wat nog gaat komen. Zo kan je dus heel vaak zaaien en oogsten. Maar er is ook iets voor te zeggen om, met een goede samenhang van personagekarakteristieken, plotverloop en verhaalthema één keer heel goed te zaaien. Daarvoor moet je goed nadenken, goed tussen de regels door kunnen schrijven, met symboliek kunnen spelen en je verhaal goed kennen.

Wat is de basis van zaaien en oogsten?

Om een goede basis te krijgen voor zaaien en oogsten is empathie opwekken voor de hoofdpersoon het toverwoord. Allereerst is het zaak om ervoor te zorgen dat het de lezer iets kan schelen wat er met de held gebeurt. Een van de manieren om dat effectief te doen is door te laten zien waar het personage mee worstelt, of waar het naartoe kan groeien. Maak daar zo snel mogelijk een duidelijke schets van. Je hoeft niet per se met in medias res te beginnen, maar het spreekwoordelijke ‘er was eens…’ mag niet te lang duren. Voor sprookjes werkt het, maar die hebben dan ook maar zelden een format dat spannend wordt door het principe van zaaien en oogsten.

Koppel de heldenreis aan het verhaalthema voor de basis van empathie

Een heldenreis is relatief afgebakend. Die zegt: ´de held moet X leren, deze obstakels overwinnen, dit wordt de crisis en dat is het resultaat. Een verhaalthema daarentegen is een stuk breder en kan je op allerlei manieren invullen. Maak daar gebruik van. Is er een probleem dat je concreet kan laten zien van de eerste pagina´s van het verhaal? Dan kan dat probleem relatief snel worden aangevochten, maar het onderliggende probleem, het thema, kan het hele boek door met zaaien en oogsten de aandacht krijgen.

Casus: The last Samurai

The last Samuari heeft een van de beste manieren van zaaien en oogsten die ik ooit heb gezien. In de eerste paar minuten van de introductie van de held krijg je misschien wel tien zaadjes, die zich gedurende de film dan wel opnieuw zaaien, dan wel geoogst worden. Kijk eens naar die introductiescene. Ik kon vijftien show don’t tell’s/ zaadjes opmerken over hoe de heldenreis van Nathan Algren zich ging ontwikkelen, of hoe het thema vorm zou krijgen. De belangrijkste schrijf ik op. Kijk eens wat je zelf nog meer kan ontdekken.
* Op het exacte moment dat er wordt gezegd dat een ‘ware held’ op het podium komt, zie je hem naar de fles grijpen.
* Dat is überhaupt het eerste wat je Nathan ziet doen.
* Als hij wordt aangekondigd zijnde iemand die ‘wilden’ heeft verslagen, kijkt hij in de camera met een blik die zegt: ‘Donder toch op…’
* Als hij zijn toneelstuk op moet voeren, schakelt hij van het script naar improvisatie. In die improvisatie merk je dat hij het helemaal niet stoer vond om de ‘held’ te zijn die ‘wilden’ af moest schieten. Hij is er letterlijk ziek van.
* Hij schiet in op het publiek: zelfs stomdronken kan hij nog perfect richten. (Een overlevingstechniek die hij heeft geleerd, zo leer je later.)

In wat scènes verderop zie je dat Nathan leidt aan PTSS. Als hij dan nog iets later Japanse boerenpummels moet leren om met een geweer te schieten en een leger te vormen, krijg je deze scène.
“Schiet me verdomme neer!” Daarmee zegt hij (non-verbaal):
* “Als je onder druk staat, moet je heel snel kunnen schieten….”
* “… dat kan deze jongen nog niet, dus ik kan alleen maar bewijzen dat dit zogenaamde ‘leger’ nog helemaal niet getraind is.”
* Maar, misschien wel het belangrijkste punt -dat zie je in zijn blik- “Schiet me maar neer, want ik heb het gehad met dit leven. Al die angsten, het gevoel nutteloos te zijn…”

Dat laatste punt is het belangrijkste. Deze scène is op zichzelf al heftig, maar wordt nog veel erger door die sterke introductiescène en de scènes tussen deze twee momenten in. Er is al veel empathie geoogst. Het is van meet af aan duidelijk dat je met een gekwelde ziel te maken hebt. En niet lang daarna weet je ook dat hij letterlijk en figuurlijk zijn plaats in de wereld niet kent.
Als deze schietscène dan plaatsvindt in de eerste akte, dan weet de kijker er een goed uitgewerkt verhaal aankomt. Er is inmiddels al een cirkeltje van zaaien en oogsten geweest, nog voor het verhaal goed en wel van start is gegaan.

Een van de thema’s van de film is ‘thuiskomen’ en dat wordt op verschillende manieren vertaald. Maar ook heling is een belangrijk punt. In de eerste minuten lijkt dat heling van alcoholisme te zijn. En hoewel dat zeker ook terugkomt, trekt de film dat uiteindelijk thematisch veel breder naar ‘heling van de ziel’.

Probeer zo snel mogelijk empathie te winnen voor je held met de heldenreis en het thema als overkoepelende basis en uitganspunt en je kan een complete graanschuur aan oogst binnenhalen voor je verhaal. Als je een tipje van de sluier weet op te lichten van je verhaalthema en de heldenreis en die symboliek daarachter breed trekt, heb je eindeloze mogelijkheden voor zaaien en oogsten. En dat houdt de lezer aan de pagina’s vastgeplakt.

Foto door Susann Schuster verkregen via Unsplash

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De observerende schrijver: ik zie gewenning

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… gewenning.     

Als je iets voor de eerste keer ziet, of net nieuw hebt gekocht, is dat nieuwe erg leuk, speciaal, mooi of spannend. Maar na verloop van tijd gaat die nieuwigheid weg. Dan is de kans groot dat het even gewoontjes wordt als zoveel dingen in het leven. Of dat nu een nieuwe broek, een mooi uitzicht of een interessante nieuwe hobby is, de eerste ‘glans van nieuwigheid’ gaat er na een bepaalde tijd van af. In dit artikel schrijf ik niet over dat andere uiterste, de sleur. Het gaat over dat moment dat het speciale gewoon wordt of geworden is. 

De eerste nieuwe kriebels

Als iets nieuw en leuk is, dan krijg je daar fijne kriebels van: “Ja, déze broek staat me echt goed!” “Wauw, even genieten van dit unieke uitzicht, hoor!”
Als eerst komt er besef: je merkt op dat het nieuwe iets heeft wat al het andere dat je hebt of kent niet heeft. Van de perfecte pasvorm tot een uitzicht op een vulkaan met een meer ertussen. 
Vervolgens komt een moment van ‘acuut genieten’. Je voelt je niet meer dik in deze nieuwe broek, of je gaat elke hoek van die prachtige kathedraal eens beter bekijken. “Hé kijk, daar zijn engelen te zien en daar juist waterspuwers!”

In de ‘nieuwe kriebelfase’ kan je zonder limiet genieten van dat wat het nieuwe je brengt. Al is het maar omdat je steeds iets nieuws ontdekt, zoals aan de andere kant van de kathedraal.

Vertrouwde herkenning

Als je al bekender met iets bent, is iets niet meer nieuw, maar wel vertrouwd. “Ik ga in die hoek staan voor het beste uitzicht op het meer.’”
“Ik weet precies waar ik mijn favoriete engel op de kathedraal kan vinden.” De verwondering is er nog steeds, maar het nieuwe is er wel van af.

Gewenning

Dan is daar het moment waarop die fijne broek weer net zo vervelend zit als alle andere, of je niet eens meer kijkt naar de details van de kathedraal en er misschien zelfs aan voorbij loopt. Het is gewoon geworden. Niet per se vervelend of stom, maar je bent er aan gewend geraakt.
Precies die reden dat Japanners die in de buurt wonen van Mount Fuji wonen, daar niet meer warm of koud worden of lokale Amerikaanse forenzen niet meer uit het raampje van de trein kijken zodra die een gletsjervulkaan passeert.

Gewenning zien gebeuren—het verhaaltempo

Koop iets nieuws wat je leuk vindt en speciaal is. Of ga eens naar een deel van de stad waar je normaalgesproken niet komt en ga daar dagelijks, of wekelijks, een blokje om: maak van iets nieuws een gewoonte. Houd een klein dagboekje bij waarin je opschrijft wat en waarom je iets nog steeds of niet meer speciaal vindt. Zo zie je gewenning ontstaan.  

Dat observatievermogen is handig voor het bewaken van het tempo van een tekst en de beleving van je hoofdpersonages. Ook zij raken aan zaken gewend. Waar zij eerst nog ondersteboven zijn dat ze in een kasteel studeren, zijn ze halverwege het studiejaar meer bezig met mopperen over de aankomende examens dan met de historie en pracht van het slot.

In het begin zal je dus veel sfeeromschrijving en details van dat kasteel schrijven, waar het daarna op de achtergrond raakt en het plot meer de ruimte krijgt. Als je het moment van gewenning (beter) kan bepalen, kan je niet alleen vloeiender van onderwerp veranderen, maar ook de observaties en belevingen van je personage meenemen. Zo leert je lezer je personage op een natuurlijke manier beter kennen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding van Priscilla Du Preez 🇨🇦 verkregen via Unsplash.

Voelen versus tasten: het verschil tussen een show en een tell

Zintuigelijk schrijven helpt de lezer om op een persoonlijke manier mee te leven met de held van het verhaal. Je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort dan precies wat er in de papieren wereld gebeurt. Het is het verschil tussen het welbekende ‘show’ en ‘tell’ uit het ‘show don’t tell’-principe. Maar in deze context zijn niet alle zintuigen aan elkaar gelijk. In deze post bekijken we het verschil tussen voelen en tasten.

Waarom moet je zintuigelijk schrijven?

Als mens ervaren we de wereld via onze zintuigen: je hoort een vogel zingen, waarna je van zijn zang geniet. En je ziet, ruikt of proeft dat het eten bedorven is, waardoor je het niet meer eet. Zelfs iets simpels als tikken op het toetsenbord kunnen we niet zonder het gebruik van zintuigen, ook al gaat dat minder bewust. Je voelt de vingers op de toetsen, je kijkt op het scherm welke toetsen je hebt ingedrukt. Zintuigen zijn het gereedschap om de wereld te beleven. En zo gaat de poort naar je fictieve wereld steeds verder open voor je lezer als je daar slim gebruik van maakt. Anders blijf je de observeerder van een verhaal, in plaats van de belever. (Let op het gebruik van de cursieve woorden.)

Zintuigen als sfeeromschrijvers

Omdat zintuigelijke omschrijvingen je meenemen in de beleefwereld van je personage, zijn het soms hele sfeeromschrijvers. Met name reuk en smaak lenen zich hier uitstekend voor, omdat de meeste schrijvers er niet aan denken om ze te gebruiken. Dat komt omdat reuk en smaak vrij moeilijk zijn om zodanig specifiek te omschrijven dat het nog beeldend is. We weten immers allemaal dat poep stinkt en dat limonade zoet smaakt, dus wat kan je daar nog mee, zo lijkt de gedachte. Nee, dan wijken we maar uit naar het woord voelen. ‘Want er zijn zo veel emoties die je kan voelen, dus dan is er aan sfeeromschrijving uit die hoek geen gebrek.’ En daar begint een denkfout die ten koste kan gaan van je schrijverskwaliteit.

Het verschil tussen voelen en tasten

Vul de zin: ‘Ik voel me…’ eens aan. Waarschijnlijk kom je na een paar minuten op enkele tientallen mogelijke woorden uit. Als je een personage dus heel veel laat voelen, dan leef je wel met hem mee, toch? Je wil immers weten wat er in het hoofd omgaat en dus ook hoe hij zich voelt. Dat klopt. Maar hier komt het belangrijke verschil in betekenis tussen tasten en voelen. Althans, zoals ik dat verschil in deze blogpost ga gebruiken.

Voelen betreft de emotie op zichzelf. Tast gaat over hoe die emotie zich uit, of hoe het personage dat beleeft.

Dus je personage voelt zich verdrietig, maar voelt met de vingers hoe de natte tranen over de wangen lopen, als hij die aanraakt. ‘Voelen’ betreft in het laatste deel van de zin dan tast. Je moet hier een beetje voor beelddenken, maar vraag je eens af: Als mijn personage diens emoties letterlijk kon aanraken, hoe zou dat dan voelen, in de tastzin van het woord? Je kan vrij letterlijk denken, zoals in het voorbeeld van tranen kunnen aanraken, maar ook meer figuurlijk. Zo kan schuldgevoel bijvoorbeeld aanvoelen als het strijken van schuurpapier langs de huid.

Voelen en tasten binnen ‘show don’t tell’

Je ziet waarschijnlijk nu wel dat het emotionele voelen veel gevoeliger is voor tell dan de tastzin, die van zichzelf wat meer show in zich heeft. Bij het gebruik van het woord ‘voelen’ zijn schrijvers sneller geneigd om (te lang) stil te staan bij de mededeling dat het personage zich blij/ verdrietig/ jaloers/ beschaamd voelt. Je kan de gevolgen daarvan zeker als show don’t tell gebruiken. Dat werkt zelfs heel goed. Het is ontzettend spannend om te zien hoe de jaloerse ex de nieuwe vriendin stalkt. Maar de emotie an sich en de momentopname waarop je die beschrijft, zijn op zichzelf maar kort interessant. Maak je in plaats daarvan gebruik van de tastzin, dan wordt de tekst juist erg beeldend. Vergelijk eens:

‘Valerie voelt zich rot’ met ‘Valerie voelt een monster aan de binnenkant van haar maag knagen.’ Precies het verschil tussen show en tell.

Beeldende tekst met tastzin

Je ziet dat je tastzin kan gebruiken om een tekst beeldender te maken. Maar niet iedere schrijfstijl leent zich daarvoor en bij overmatig gebruik van tastzin als een beleving van een emotie kan een tekst ook weer te bloemig worden. Je hoeft dus zeker niet iedere emotionele beleving te vervangen door meer beeldende tastzin. Maar wees je ervan bewust dat ‘ik voel me’ sneller dan je zou denken een holle frase wordt.

Tastzin in de gebruikelijke zin van het woord blijft echter wel een mooie manier om de zintuigelijke beleving van je personage wat meer kleur te geven. Het feit blijft dat met name zien en (emotioneel) voelen relatief veel vaker gebruikt worden en ook minder zeggend zijn, omdat ze zo recht voor hun raap zijn. Ruiken, proeven en tastzin daarentegen zijn daardoor verfrissend. Ze zijn meer van de show dan van de tell en zijn door hun ‘underdogpositie’ ook extra opvallend als ze worden gebruikt om iets te omschrijven.

Een goed voorbeeld is een intieme of romantische scène. Schrijf je voor de zoveelste keer over die emotionele vlinders in de buik, of wordt je wat creatiever en kijk je wie je voor je hebt? Zo kan je schrijven over de ruwe stoppels van Romeo hoe dat prikt op de huid van Julia. (De buurman heeft geen stoppels, dus die kan (deze) Romeo niet zijn.) Of hoe Romeo met zijn zachte vingers over de blote buik van Julia streelt. Dat leest heel wat intiemer dan een (innerlijke) monoloog van Julia waarin ze beschrijft hoe geliefd, verliefd en geborgen ze zich voelt bij Romeo.

Zoals altijd blijft schrijven maatwerk, dus ook bij het gebruik van voelen en tasten. Maar vergeet dus de volgende keer niet om dat kostbare gereedschap van tastzin aan je schrijversgereeedschapskist toe te voegen als je een scène met letterlijk of figuurlijk veel gevoel wil schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cameron Ahlvers verkregen via Unsplash