De observerende schrijver: ik zie het licht

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie het licht.

‘Ik heb het licht gezien’

‘En dus ga ik het roer helemaal omgooien!’  Als dat gebeurt, kan dat op twee manieren: het is een ware aha-erlebnis, of iemand wil er wel helemaal voor gaan, maar broedt nog op de manier waarop dat het slimste is om te doen. Of dat nu gaat om de vliegtickets naar het paradijs nog even te vergelijken voordat je boekt, of dat je eerst eens bedenkt waarom je juist in Bali je geluk wil beproeven, als je denkt dat in ook Griekenland te kunnen.  Hoe dan ook: het licht is gezien, het besluit genomen. Maar waar zie je dat aan?

Volle overtuiging

Iemand die het licht heeft gezien, op wat voor manier dan ook, is overtuigd. Heel erg overtuigd. Met dit doel voor ogen weet diegene:

  • ‘dit ga ik hoe dan ook doen!’
  • ineens veel, zo niet alles over dit onderwerp
  • niet van ophouden over het heiligverklaarde besluit
  • niet waar diegene alle energie die vrijkomt, kwijt moet

Hoewel dit eenheidsworst lijkt, hoeft dat niet zo te zijn. Zo kan ‘je energie niet kwijt kunnen’ betekenen dat je op en neer stuitert, maar ook dat je om de haverklap opstaat van je bureaustoel. Kijk eens of je de nuanceverschillen in die overtuiging kan zien en houd je ogen open voor nog meer tekenen ervan. 

De donkere kant van het licht zien

Te veel van het goede is een ding, en dat geldt ook voor iemand die het roer om wil gooien, of een andere heilige overtuiging heeft gekregen. Zo kan dat licht wat je hebt gezien ook donkere kanten krijgen. Zo kan iemand bijvoorbeeld:

  • definitief (Oost- Indisch) doof woorden voor de raad of meningen van anderen
  • irrationeel worden
  • relaties verliezen, omdat die worden verwaarloosd

Waar een aha-erlebnis vrij abrupt kan gaan, is die donkere kant van het licht zien, altijd een proces. Daar moeten kleine veranderingen voor gebeuren. Wees alert op momenten waarvan je denkt: ‘Hè? Sinds wanneer denkt of zegt deze persoon zoiets?’  Maar net als met de momenten waarop je beschrijft je personage het licht ziet, moet je daar subtiel mee omgaan.

Plotseling schrijven in een boek

Een verandering van overtuiging of gedrag kan in het echte leven plotseling lijken, maar in een boek kom je daar niet mee weg, want dan valt het uit de lucht. Zorg ervoor dat je lezer op zijn minst duidelijk heeft dat Harold altijd al een stiekeme drang naar avontuur had als hij plotseling naar Bali wil verhuizen. Of dat Greta andersdenkenden eerst rustig afwimpelt, voordat ze hen definitief uitscheldt voor onwetende boeren die nooit iets van de wereld zullen begrijpen als ze nooit van hun leven de supermoderne megasteden in Azië zullen zien.

Iets plotselings schrijven is in een boek al snel een acht of negen op een tienpuntschaal. Probeer waar je kan dat te vermijden door dit soort subtiele observaties in je tekst mee te verwerken. Tenzij je aan een plottwist werkt, natuurlijk. Maar ook dan geldt: choqueren mag nooit het voornaamste doel zijn van een plottwist.  Dat is een recept voor mislukking. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Dyu – Ha verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… een foto

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… een foto.

Een foto zegt meer dan duizend woorden. Laat duizend woorden nu een mooi woordenaantal zijn voor een compleet verhaal! Met een foto kan je als schrijver altijd wel iets. Hoewel je bij iedere foto wel iets kan bedenken, sluiten deze tips het beste aan bij foto’s waar mensen op staan.

Wat zie je op de foto?

Het is een open deur intrappen, maar kijk eerst eens echt goed naar wat je op de foto ziet. Daarbij kan je zowel oppervlakkig kijken, als wat meer specifiek nadenken over wat je ziet: ‘Het meisje in het zwembad lacht en heeft een roze badpak aan. Op de achtergrond drijft een opblaasflamingo.’ Dat is feitelijk, maar ook dan kan je wat meer nadenken zonder meteen een verhaal daarbij te hoeven verzinnen:
‘De lach van het meisje is meer geposeerd dan spontaan.’
‘Roze staat dat meisje helemaal niet zo mooi.’
Met observeren komen er vaak ook bepaalde interpretaties of meningen kijken. Het is goed om je er bewust van te zijn dat dat ook gebeurt.

Wat is het verhaal achter de foto?

Of je dit nu weet of verzint bij een foto, de ware inspiratie zit natuurlijk in het verhaal achter de foto. Dit is een heel interessante oefening, omdat je hier door de ‘context van aannames’ kan worden geholpen: ‘Deze jongen is zo aan het schaterlachen op deze foto met zijn vader: de twee kunnen goed met elkaar overweg en papa heeft zonet een leuke grap verteld.’ Niets is feitelijk vast te stellen, maar de kans dat je in de buurt zit met je aannames is groot. Schrijf op wat je ziet, maar ook vooral wat je opvalt: ‘Sinds wanneer is het zo dat als ik vader en zoon zie lachen, ik twee gedachtesprongen verder heb ingevuld dat zusje buiten het zicht een ijsje is gaan halen?’ Het maakt niet uit hoe gek of onlogisch die gedachtesprongen zijn. Je kan er vast een leuke scène van maken, voor later in je boek.

Soms komt dat ‘sinds wanneer…?’ op de voorgrond. Door een eenvoudig detail vergeet je de rest van de foto, maar komt er wel een volledig verhaal achter de foto uit. Ook al heeft dat niets meer met de foto zelf te maken, schrijf het op!  Als je schrijft, komen er vaker van die momenten waarvan je niet weet hoe je op een gedachte komt. Maar als die waardevol is, maakt de bron van de inspiratie niet meer uit: gewoon gebruiken!
‘Hier staan mensen te wachten bij de snackbar. Hé, die man heeft dezelfde jas als ik! Verdorie, en ik dacht nog wel dat ik een unieke jas had gevonden… Wat voor type zou die man zijn? Iemand als ik, die lekker expressief is, of juist iemand die iets opvallends aantrekt om maar aandacht te krijgen? Vast dat laatste: z’n kop staat me niet aan. Hij lijkt me iemand de hele week klaagt omdat zijn vrouw hem er één keer op uit heeft gestuurd om de frietjes te halen. Als hij straks thuis komt, dan zal hij wel weer zeuren. Wat zal zijn arme vrouw zeggen?’ Voilà, een scène in wording!

De fotograaf

Kan je bedenken wat de fotograaf deed op het moment van het maken van de foto?
Was die totaal niet aan het nadenken, omdat de zoveelste dronken groepsfoto moest worden gemaakt? Of was het juist een beroeps die bezig was met de lichtinval en compositie? Wat wilde de fotograaf met het maken van de foto wilde vastleggen? Is dat gelukt, of niet?

Een foto zegt inderdaad vaak meer dan duizend woorden, maak daar dan ook op vele, zo niet ook op diezelfde spreekwoordelijke ‘duizend’ manieren gebruik van.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kristyna Squared.one via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… ruzie

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… ruzie.

Kies voor deze observatieoefening een film uit die je al gezien hebt en waar een ruzie in voorkomt. Zo weet je wat er komen gaat in het plot en ken je de personages al. We gaan namelijk kijken naar een ruzie en wat je daarvan kan leren over de personages en het plotverloop.        

De slechtst mogelijke ruzie

In het echte leven is de slechtst mogelijke ruzie er een waar er serieus geweld bij wordt gepleegd, maar in een boek is dat een ruzie waarin je niets méér leert over het plot, of de denkwijze van de personages die de ruzie hebben. Een welles-nietesdiscussie is dus om twee redenen vervelend. Net zoals in het echt gaat het maar heen en weer, maar bovendien kom je dus niet te weten of Ron kwaad is op Olga omdat zijn ego wordt gekrenkt, of juist omdat hij zich niet genoeg voelt op het moment dat het een heen en weer is van: “Je hebt een slechte baan!”
“Niet waar!”
“Echt wel!”
Zo leer je Ron – en Olga – niet beter kennen en heb je ook niets om het plot op voort te bouwen. Een opgeblazen ego en een gebrek aan zelfvertrouwen geven een compleet andere invulling daarvan.  

Een personage in de ruzie

Een personage kiest in een ruzie een bepaalde manier van aanvallen of verdedigen. Kijk of je kan zien of er een ‘stijl’ is die bij het personage past. Zo kan een boekenworm proberen door hoogdravende taal de minder slimme vijand zich dom te laten voelen door met lastige woorden en beledigingen te gaan strooien. En de spierbundel zal zichzelf fysiek schrap zetten, al is het maar omdat dat er dreigend uitziet. In een ruzie staat er ook altijd iets op het spel. Wat is dat op dit moment voor de ruziënde personages?  En hebben ze dat zelf door? Probeer in te schatten wat de vijand zou moeten zeggen – misschien doet die dat ook – om het absolute pijnpunt te raken: “Niemand zou je missen.’” “Jij hebt nooit iets goeds gedaan.” Dat soort harde opmerkingen. Dat geeft een goed beeld van de grootste angst van je personage. De kans is groot dat daar daarna aandacht aan besteed wordt, als een nieuw obstakel in de heldenreis. Let op zo’n moment ook goed op de lichaamstaal van een personage. Doe je voordeel met dit visuele medium en kijk hoe je kan beschrijven wat een personage op dat vlak zoal doet als die een mentaal harde klap krijgt.

Het plotpunt en de ruzie

Iedere ruzie die in een boek of een film zijn naam waard is, stuurt het plot dus een andere kant op, of zorgt ervoor dat het vaart blijft houden. Schrijf eens op waaraan je kan zien of waarom je denkt dat juist nu en ook juist deze ruzie aan de gang is. Moesten de eeuwige tortelduifjes ook eens ruziën om hun romance niet te suikerzoet te maken? Het is wel handig als dat vóór de verloving gebeurt: “Je ként me nauwelijks, het enige wat je echt weet, is dat je me knap vindt!”

De ruzie over de bijdrage in het huishouden komt ook op een narratief goed moment als er achterstallige rekeningen betaald moeten worden en de wederhelft juist de dag ervoor in de lappenmand terecht is gekomen.
Niet alleen gebeurt er dan voldoende om het verhaal in de traditionele zin van het woord spannend te houden – hoe gaan ze zich uit dit lastige parket redden? – , het geeft ook aan dat er iets gaat gebeuren dat de lezer of kijker nieuwsgierig maakt naar de verdere verloop van het plot.  

Dit artikel verscheen eerder opSchrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Afif Ramdhasuma verkregen via Unsplash

Zo schrijf je een tranentrekker: laat de lezer bijna huilen

Een tranentrekker als doel voor je boek is heel erg link. Je gaat uit van het idee dat je lezer als vanzelf meeleeft als de gebeurtenis maar dramatisch is. Zo houdt je geen rekening met het feit dat iedereen zo zijn eigen belevingen heeft, en dus ook andere dingen heeft die de betreffende persoon aan het huilen maakt. Dus als opzichzelfstaand doel is het niet zo’n goed idee. Je kan beter als uitgangspunt nemen waar de reden om (uiteindelijk) te huilen vandaan komt en dat goed uitwerken.

Waarom komen de tranen?

Laten we eerst eens kijken waarom er uiteindelijk tranen komen. Nee, niet wanneer je ‘emotioneel wordt’ , dat moment waarop je daadwerkelijk huilt. Los van de eigenlijke reden waarom je huilt – verdriet, woede, blijdschap…- De emotie komt eerst, het huilen daarna. Het verschil zit hem in een kantelpunt.

Je huilt omdat je hersens de emoties niet meer aankunnen

Denk eens even na wat je zegt als je zegt ‘emotioneel te worden’. Eigenlijk is het een stom synoniem voor huilen. Niet alleen komt huilen daarmee in een taboehoekje, maar je zegt daarmee ook zoveel als: ‘pas als ik in tranen uitbarst, voel ik de emotie (van verdriet)’, wat natuurlijk niet zo is. Misschien is huilen een 8 of 9 op de tienpuntschaal van verdriet, maar zeker niet het enig mogelijke cijfer daarop. Dat klinkt misschien pietluttig, tot je bedenkt dat er tranen komen op het moment dat je hersens zodanig overweldigd of overprikkeld zijn door de emotie. Dan vormen tranen een manier om de druk van de ketel te halen. Het zou poëtischer zijn om te zeggen dat je hart de emoties niet aankan, maar zet de hersens hier aan het roer, en je leert iets wat je spanningsboog sterk kan maken.

Zorg voor een emotionele spanningsboog

Denk aan een emotioneel heftige scène: de dokter brengt slecht nieuws:
“Het is kanker.”
“Wat is de prognose?”
“Drie maanden, zonder kans op genezing.”

Wel heel erg steriel, nietwaar? Laten we er eens wat meer regieaanwijzingen aan besteden:

“Het is kanker,’ zei de dokter zacht. Hij durfde geen oogcontact te maken.
Amir slikte. “Wat is de prognose?” vroeg hij hakkelend.
“Drie maanden, zonder kans op genezing, ” antwoorde de arts.
Amir barstte in huilen uit.

Dat is ‘m nog steeds niet, hè? En toch is er middels show don’t tell al wat aan emotie beschreven, bij zowel dokter als patiënt. Het zit het hem er natuurlijk in dat dit tempo veel te hoog ligt. Er is geen moment van echte bezinning. Amir is ook maar een mens. Hij gaat echt niet in een paar seconden dit noodlot accepteren, begrijpen of zelfs maar beseffen wat de dokter hier zegt. In een filmscène zou je hier een paar tellen de camera op zijn gezicht gericht zien terwijl dat vreselijke nieuws begint te dagen. Deze momenten van ‘close-ups’ , waarin de dokter aarzelt om de prognose uit te spreken en waarop Amir het nieuws tot zich door laat dringen, vormen een emotionele spanningsboog.

De lezer die bijna huilt is beter dan een die daadwerkelijk huilt

Het is als lezer pijnlijker om met Amir mee te leven in die pijnlijke seconden van opkomend besef dan dat het is om hem te zien huilen als het nieuws echt tot hem doordringt. In die seconden dat Amir bijna huilt – dan wel omdat hij de puzzelstukjes in elkaar past, of omdat hij zich groothoudt in het bijzijn van de arts- leeft de lezer als de opbouw goed geschreven is mee met alles wat op dat moment door Amirs hoofd schiet. Is er echt geen kans op overleving? Wat moeten mijn vrouw en kinderen dan? Had ik dit kunnen voorkomen? Waarom ik?
Dat zijn heel rauwe, pijnlijke vragen. En daarvan vraag je in zekere zin van de lezer dat die die pijn met Amir meevoelt. In dat opzicht is dat dus emotioneel veel heftiger dan het eigenlijke moment van huilen. Dus wordt de lezer daar veel meer door gegrepen. Dit geldt niet alleen voor verdriet, maar ook voor woede, blijdschap, paniek, dankbaarheid, wat het dan ook is waardoor je personage uiteindelijk door gaat huilen.

Daarom is dit moment van bijna-huilen waardevoller voor jou als schrijver dan het effect van het echte huilen. Als is het maar omdat wat in het hoofd van het personage speelt altijd een vraag betreft. Gebeurt deze nachtmerrie echt? Is dit mij echt gegund? Heeft die rotzak dat nou echt gezegd? Bestaat er echt zoiets moois? En die vraag moet jij als schrijver beantwoorden met een ‘ja’. Ja, en dus ga je dood, Ja, en dus komt je droom uit. Ja, en dus wil jij nu waarschijnlijk wraak gaan nemen. Kortom: Ja, en daarom gaat het verhaal hierna nog verder en gebeurt er iets noemenswaardigs. Met andere woorden: de lezer kan zich verheugen op een volgend interessant plotpunt.

Als de tranen komen…

…is dat, vanuit de ‘hersenlogica’ dus het moment van de ontlading. En zo kan je dat ook het best benaderen als je moment met tranen beschrijft. Het hoge woord, hoe goed of kwaad ook, is eruit. Daar mag even bij stilgestaan worden. Je huilt immers niet voor niets: je zit aan een bepaalde emotionele taks. Maar wil je dat moment ook krachtig houden, hou het dan bij het observeren van het moment, niet bij het hoe, wat waar, wanneer of waarom. Dat heb je hiervoor als het goed is al beschreven en de uitwerking daarvan komt in de scènes hierna ook weer terug.

Wees niet bang om je personages te laten huilen. Houd alleen wel voor ogen dat je lezer aan het huilen willen maken, op zichzelf geen doel op zich zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk meer van een ontlading dan van het meeleven in een moment zelf. Als je wil dat je lezer gaat huilen, mik je meer op de pijnpunten van de lezer. “Jij hebt kanker van dichtbij meegemaakt, dus dit gaat jou raken.” Je kan beter mikken op empathie van de lezer. “Ik wil dat je om Amir gaat geven en (bijna) gaat huilen, omdat juist hij een vreselijke diagnose krijgt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Photo door n 🎈 verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… twijfel

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… twijfel.     

Een ijsje of een stroopwafel? Soms kom je op het idee van een stroopwafelijsje, maar andere keren moet je kiezen tussen een aantal vaststaande mogelijkheden en kan de twijfel toeslaan.  Die twijfel kan van korte duur zijn; over een toetje denk je geen week na. Andere keren kan twijfel je een leven lang achtervolgen: ‘Wat als…’ ‘Had ik maar…’ ‘Zal ik toch maar?’  Kortom: twijfel is van korte of lange duur. En als je die goed observeert, kan je een soms tekenende karaktereigenschap van je personage goed neerzetten.

De truc voor de korte twijfel

Nog een keer naar de vraag: ‘Een ijsje of een stroopwafel?’ Voor dit soort kortere en onschuldige twijfels zijn er trucjes om makkelijker de knoop door te hakken.
Denk aan: de smaak in je mond alvast ‘voorproeven’ en zo bedenken waar je het meest zin in hebt. Of je denkt wat meer pragmatisch wat de goedkoopste optie is. Je had jezelf beloofd deze week op de uitgaven te letten.  Ook kan je kleine zusje naast je staan, die gek is op stroopwafels. Dan kies je daarvoor, zodat je makkelijker kan delen.

Bedenk eens of je personage ook zo’n manier heeft om makkelijker te beslissen. Of gaat het juist af op onderbuikgevoel, of tost het een munt?  Wat je ook te weten komt, het kan een aantal zaken over je personage verklappen. Hoe bijgelovig het is, intuïtief, sociaal of pragmatisch. Dat kan je helpen bepalen of, hoe, wanneer of in wat voor situaties je held in de spreekwoordelijk zeven sloten tegelijk loopt. Dat is een goede manier om het proces van vallen en opstaan invulling te geven en de spanningsboog te bepalen. Houd je ogen natuurlijk ook open als je nog een andere ‘twijfeltruc’ ziet.

Twijfel in de houding

Ongeacht wat de beslissing wordt, twijfel kan je ook aan lichaamstaal zien. Het gezicht raakt een beetje verwrongen. Dat is misschien wel het duidelijkste signaal. Maar let ook eens op kleine maniertjes als heen en weer wiegen of op de tafel tikken. Schrijf alles op wat je ziet, dan kan je later makkelijk een paar van deze maniertjes aan je personage meegeven en het zo uniek maken.  

De serieuze twijfel

Natuurlijk zijn er ook momenten waarop de twijfel langer aanhoudt. Dan is de beslissing belangrijker, bedenkt je personage eindeloze ja-maren of speelt er een duivels dilemma.  Op de momenten dat zo’n beslissing wordt genomen is het belangrijk om de eerdere maniertjes rondom twijfel die je personage heeft mee te nemen. Dat is een goede show, don’t tell.  Maar belangrijker is dat je voorwerk doet. Wat heeft het gedaan, doet het, of gaat het doen met het personage dat het zo twijfelt en/ of deze beslissing neemt? Dat heeft ongetwijfeld grote invloed op diens doen en laten, of het algehele plot.

Als er zo’n grote twijfel of beslissing in je verhaal voor gaat komen, wees dan niet bang om even de tijd te nemen om voor personagepsycholoog te spelen. Kijk in de personagebiografie van je personage wat er van invloed is. En spiek gerust een beetje bij mensen welke afwegingen die maken en welke moralen er dan meespelen. Of hoe zenuwachtig ze al dan niet worden als ze flink aan het twijfelen worden gebracht.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jonathan Cosens Photography verkregen via Unsplash.

Wat geeft een goede basis voor zaaien en oogsten bij creatief schrijven?

Als je een verhaal wil schrijven dat zichzelf uitbetaalt, is zaaien en oogsten van het grootste belang. Het geeft de lezer een gevoel dat opletten in verhaal loont en dat er een cirkel rond is. Maar het werkt nog beter als je zaadjes hebt die zo krachtig zijn, dat een keer zaaien eindeloos oogsten oplevert en dat cirkeltje zich blijft herhalen.

De noodzaak van zaaien en oogsten

Zaaien en oogsten is belangrijk in een verhaal. Het laat zien dat het loont voor de held om uit de comfortzone te stappen, iets te leren of ergens voor te gaan. Ook maakt het plottwists mogelijk en het verhaal loopt er vlotter door: het geeft een gevoel dat alles past of klopt. Als je gedurende het verhaal kunt blijven zaaien en oogsten, weet je zeker dat de lezer zowel tevreden blijft met datgene wat al gelezen is, maar ook met datgene wat nog gaat komen. Zo kan je dus heel vaak zaaien en oogsten. Maar er is ook iets voor te zeggen om, met een goede samenhang van personagekarakteristieken, plotverloop en verhaalthema één keer heel goed te zaaien. Daarvoor moet je goed nadenken, goed tussen de regels door kunnen schrijven, met symboliek kunnen spelen en je verhaal goed kennen.

Wat is de basis van zaaien en oogsten?

Om een goede basis te krijgen voor zaaien en oogsten is empathie opwekken voor de hoofdpersoon het toverwoord. Allereerst is het zaak om ervoor te zorgen dat het de lezer iets kan schelen wat er met de held gebeurt. Een van de manieren om dat effectief te doen is door te laten zien waar het personage mee worstelt, of waar het naartoe kan groeien. Maak daar zo snel mogelijk een duidelijke schets van. Je hoeft niet per se met in medias res te beginnen, maar het spreekwoordelijke ‘er was eens…’ mag niet te lang duren. Voor sprookjes werkt het, maar die hebben dan ook maar zelden een format dat spannend wordt door het principe van zaaien en oogsten.

Koppel de heldenreis aan het verhaalthema voor de basis van empathie

Een heldenreis is relatief afgebakend. Die zegt: ´de held moet X leren, deze obstakels overwinnen, dit wordt de crisis en dat is het resultaat. Een verhaalthema daarentegen is een stuk breder en kan je op allerlei manieren invullen. Maak daar gebruik van. Is er een probleem dat je concreet kan laten zien van de eerste pagina´s van het verhaal? Dan kan dat probleem relatief snel worden aangevochten, maar het onderliggende probleem, het thema, kan het hele boek door met zaaien en oogsten de aandacht krijgen.

Casus: The last Samurai

The last Samuari heeft een van de beste manieren van zaaien en oogsten die ik ooit heb gezien. In de eerste paar minuten van de introductie van de held krijg je misschien wel tien zaadjes, die zich gedurende de film dan wel opnieuw zaaien, dan wel geoogst worden. Kijk eens naar die introductiescene. Ik kon vijftien show don’t tell’s/ zaadjes opmerken over hoe de heldenreis van Nathan Algren zich ging ontwikkelen, of hoe het thema vorm zou krijgen. De belangrijkste schrijf ik op. Kijk eens wat je zelf nog meer kan ontdekken.
* Op het exacte moment dat er wordt gezegd dat een ‘ware held’ op het podium komt, zie je hem naar de fles grijpen.
* Dat is überhaupt het eerste wat je Nathan ziet doen.
* Als hij wordt aangekondigd zijnde iemand die ‘wilden’ heeft verslagen, kijkt hij in de camera met een blik die zegt: ‘Donder toch op…’
* Als hij zijn toneelstuk op moet voeren, schakelt hij van het script naar improvisatie. In die improvisatie merk je dat hij het helemaal niet stoer vond om de ‘held’ te zijn die ‘wilden’ af moest schieten. Hij is er letterlijk ziek van.
* Hij schiet in op het publiek: zelfs stomdronken kan hij nog perfect richten. (Een overlevingstechniek die hij heeft geleerd, zo leer je later.)

In wat scènes verderop zie je dat Nathan leidt aan PTSS. Als hij dan nog iets later Japanse boerenpummels moet leren om met een geweer te schieten en een leger te vormen, krijg je deze scène.
“Schiet me verdomme neer!” Daarmee zegt hij (non-verbaal):
* “Als je onder druk staat, moet je heel snel kunnen schieten….”
* “… dat kan deze jongen nog niet, dus ik kan alleen maar bewijzen dat dit zogenaamde ‘leger’ nog helemaal niet getraind is.”
* Maar, misschien wel het belangrijkste punt -dat zie je in zijn blik- “Schiet me maar neer, want ik heb het gehad met dit leven. Al die angsten, het gevoel nutteloos te zijn…”

Dat laatste punt is het belangrijkste. Deze scène is op zichzelf al heftig, maar wordt nog veel erger door die sterke introductiescène en de scènes tussen deze twee momenten in. Er is al veel empathie geoogst. Het is van meet af aan duidelijk dat je met een gekwelde ziel te maken hebt. En niet lang daarna weet je ook dat hij letterlijk en figuurlijk zijn plaats in de wereld niet kent.
Als deze schietscène dan plaatsvindt in de eerste akte, dan weet de kijker er een goed uitgewerkt verhaal aankomt. Er is inmiddels al een cirkeltje van zaaien en oogsten geweest, nog voor het verhaal goed en wel van start is gegaan.

Een van de thema’s van de film is ‘thuiskomen’ en dat wordt op verschillende manieren vertaald. Maar ook heling is een belangrijk punt. In de eerste minuten lijkt dat heling van alcoholisme te zijn. En hoewel dat zeker ook terugkomt, trekt de film dat uiteindelijk thematisch veel breder naar ‘heling van de ziel’.

Probeer zo snel mogelijk empathie te winnen voor je held met de heldenreis en het thema als overkoepelende basis en uitganspunt en je kan een complete graanschuur aan oogst binnenhalen voor je verhaal. Als je een tipje van de sluier weet op te lichten van je verhaalthema en de heldenreis en die symboliek daarachter breed trekt, heb je eindeloze mogelijkheden voor zaaien en oogsten. En dat houdt de lezer aan de pagina’s vastgeplakt.

Foto door Susann Schuster verkregen via Unsplash

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De observerende schrijver: ik zie gewenning

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… gewenning.     

Als je iets voor de eerste keer ziet, of net nieuw hebt gekocht, is dat nieuwe erg leuk, speciaal, mooi of spannend. Maar na verloop van tijd gaat die nieuwigheid weg. Dan is de kans groot dat het even gewoontjes wordt als zoveel dingen in het leven. Of dat nu een nieuwe broek, een mooi uitzicht of een interessante nieuwe hobby is, de eerste ‘glans van nieuwigheid’ gaat er na een bepaalde tijd van af. In dit artikel schrijf ik niet over dat andere uiterste, de sleur. Het gaat over dat moment dat het speciale gewoon wordt of geworden is. 

De eerste nieuwe kriebels

Als iets nieuw en leuk is, dan krijg je daar fijne kriebels van: “Ja, déze broek staat me echt goed!” “Wauw, even genieten van dit unieke uitzicht, hoor!”
Als eerst komt er besef: je merkt op dat het nieuwe iets heeft wat al het andere dat je hebt of kent niet heeft. Van de perfecte pasvorm tot een uitzicht op een vulkaan met een meer ertussen. 
Vervolgens komt een moment van ‘acuut genieten’. Je voelt je niet meer dik in deze nieuwe broek, of je gaat elke hoek van die prachtige kathedraal eens beter bekijken. “Hé kijk, daar zijn engelen te zien en daar juist waterspuwers!”

In de ‘nieuwe kriebelfase’ kan je zonder limiet genieten van dat wat het nieuwe je brengt. Al is het maar omdat je steeds iets nieuws ontdekt, zoals aan de andere kant van de kathedraal.

Vertrouwde herkenning

Als je al bekender met iets bent, is iets niet meer nieuw, maar wel vertrouwd. “Ik ga in die hoek staan voor het beste uitzicht op het meer.’”
“Ik weet precies waar ik mijn favoriete engel op de kathedraal kan vinden.” De verwondering is er nog steeds, maar het nieuwe is er wel van af.

Gewenning

Dan is daar het moment waarop die fijne broek weer net zo vervelend zit als alle andere, of je niet eens meer kijkt naar de details van de kathedraal en er misschien zelfs aan voorbij loopt. Het is gewoon geworden. Niet per se vervelend of stom, maar je bent er aan gewend geraakt.
Precies die reden dat Japanners die in de buurt wonen van Mount Fuji wonen, daar niet meer warm of koud worden of lokale Amerikaanse forenzen niet meer uit het raampje van de trein kijken zodra die een gletsjervulkaan passeert.

Gewenning zien gebeuren—het verhaaltempo

Koop iets nieuws wat je leuk vindt en speciaal is. Of ga eens naar een deel van de stad waar je normaalgesproken niet komt en ga daar dagelijks, of wekelijks, een blokje om: maak van iets nieuws een gewoonte. Houd een klein dagboekje bij waarin je opschrijft wat en waarom je iets nog steeds of niet meer speciaal vindt. Zo zie je gewenning ontstaan.  

Dat observatievermogen is handig voor het bewaken van het tempo van een tekst en de beleving van je hoofdpersonages. Ook zij raken aan zaken gewend. Waar zij eerst nog ondersteboven zijn dat ze in een kasteel studeren, zijn ze halverwege het studiejaar meer bezig met mopperen over de aankomende examens dan met de historie en pracht van het slot.

In het begin zal je dus veel sfeeromschrijving en details van dat kasteel schrijven, waar het daarna op de achtergrond raakt en het plot meer de ruimte krijgt. Als je het moment van gewenning (beter) kan bepalen, kan je niet alleen vloeiender van onderwerp veranderen, maar ook de observaties en belevingen van je personage meenemen. Zo leert je lezer je personage op een natuurlijke manier beter kennen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding van Priscilla Du Preez 🇨🇦 verkregen via Unsplash.

Voelen versus tasten: het verschil tussen een show en een tell

Zintuigelijk schrijven helpt de lezer om op een persoonlijke manier mee te leven met de held van het verhaal. Je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort dan precies wat er in de papieren wereld gebeurt. Het is het verschil tussen het welbekende ‘show’ en ‘tell’ uit het ‘show don’t tell’-principe. Maar in deze context zijn niet alle zintuigen aan elkaar gelijk. In deze post bekijken we het verschil tussen voelen en tasten.

Waarom moet je zintuigelijk schrijven?

Als mens ervaren we de wereld via onze zintuigen: je hoort een vogel zingen, waarna je van zijn zang geniet. En je ziet, ruikt of proeft dat het eten bedorven is, waardoor je het niet meer eet. Zelfs iets simpels als tikken op het toetsenbord kunnen we niet zonder het gebruik van zintuigen, ook al gaat dat minder bewust. Je voelt de vingers op de toetsen, je kijkt op het scherm welke toetsen je hebt ingedrukt. Zintuigen zijn het gereedschap om de wereld te beleven. En zo gaat de poort naar je fictieve wereld steeds verder open voor je lezer als je daar slim gebruik van maakt. Anders blijf je de observeerder van een verhaal, in plaats van de belever. (Let op het gebruik van de cursieve woorden.)

Zintuigen als sfeeromschrijvers

Omdat zintuigelijke omschrijvingen je meenemen in de beleefwereld van je personage, zijn het soms hele sfeeromschrijvers. Met name reuk en smaak lenen zich hier uitstekend voor, omdat de meeste schrijvers er niet aan denken om ze te gebruiken. Dat komt omdat reuk en smaak vrij moeilijk zijn om zodanig specifiek te omschrijven dat het nog beeldend is. We weten immers allemaal dat poep stinkt en dat limonade zoet smaakt, dus wat kan je daar nog mee, zo lijkt de gedachte. Nee, dan wijken we maar uit naar het woord voelen. ‘Want er zijn zo veel emoties die je kan voelen, dus dan is er aan sfeeromschrijving uit die hoek geen gebrek.’ En daar begint een denkfout die ten koste kan gaan van je schrijverskwaliteit.

Het verschil tussen voelen en tasten

Vul de zin: ‘Ik voel me…’ eens aan. Waarschijnlijk kom je na een paar minuten op enkele tientallen mogelijke woorden uit. Als je een personage dus heel veel laat voelen, dan leef je wel met hem mee, toch? Je wil immers weten wat er in het hoofd omgaat en dus ook hoe hij zich voelt. Dat klopt. Maar hier komt het belangrijke verschil in betekenis tussen tasten en voelen. Althans, zoals ik dat verschil in deze blogpost ga gebruiken.

Voelen betreft de emotie op zichzelf. Tast gaat over hoe die emotie zich uit, of hoe het personage dat beleeft.

Dus je personage voelt zich verdrietig, maar voelt met de vingers hoe de natte tranen over de wangen lopen, als hij die aanraakt. ‘Voelen’ betreft in het laatste deel van de zin dan tast. Je moet hier een beetje voor beelddenken, maar vraag je eens af: Als mijn personage diens emoties letterlijk kon aanraken, hoe zou dat dan voelen, in de tastzin van het woord? Je kan vrij letterlijk denken, zoals in het voorbeeld van tranen kunnen aanraken, maar ook meer figuurlijk. Zo kan schuldgevoel bijvoorbeeld aanvoelen als het strijken van schuurpapier langs de huid.

Voelen en tasten binnen ‘show don’t tell’

Je ziet waarschijnlijk nu wel dat het emotionele voelen veel gevoeliger is voor tell dan de tastzin, die van zichzelf wat meer show in zich heeft. Bij het gebruik van het woord ‘voelen’ zijn schrijvers sneller geneigd om (te lang) stil te staan bij de mededeling dat het personage zich blij/ verdrietig/ jaloers/ beschaamd voelt. Je kan de gevolgen daarvan zeker als show don’t tell gebruiken. Dat werkt zelfs heel goed. Het is ontzettend spannend om te zien hoe de jaloerse ex de nieuwe vriendin stalkt. Maar de emotie an sich en de momentopname waarop je die beschrijft, zijn op zichzelf maar kort interessant. Maak je in plaats daarvan gebruik van de tastzin, dan wordt de tekst juist erg beeldend. Vergelijk eens:

‘Valerie voelt zich rot’ met ‘Valerie voelt een monster aan de binnenkant van haar maag knagen.’ Precies het verschil tussen show en tell.

Beeldende tekst met tastzin

Je ziet dat je tastzin kan gebruiken om een tekst beeldender te maken. Maar niet iedere schrijfstijl leent zich daarvoor en bij overmatig gebruik van tastzin als een beleving van een emotie kan een tekst ook weer te bloemig worden. Je hoeft dus zeker niet iedere emotionele beleving te vervangen door meer beeldende tastzin. Maar wees je ervan bewust dat ‘ik voel me’ sneller dan je zou denken een holle frase wordt.

Tastzin in de gebruikelijke zin van het woord blijft echter wel een mooie manier om de zintuigelijke beleving van je personage wat meer kleur te geven. Het feit blijft dat met name zien en (emotioneel) voelen relatief veel vaker gebruikt worden en ook minder zeggend zijn, omdat ze zo recht voor hun raap zijn. Ruiken, proeven en tastzin daarentegen zijn daardoor verfrissend. Ze zijn meer van de show dan van de tell en zijn door hun ‘underdogpositie’ ook extra opvallend als ze worden gebruikt om iets te omschrijven.

Een goed voorbeeld is een intieme of romantische scène. Schrijf je voor de zoveelste keer over die emotionele vlinders in de buik, of wordt je wat creatiever en kijk je wie je voor je hebt? Zo kan je schrijven over de ruwe stoppels van Romeo hoe dat prikt op de huid van Julia. (De buurman heeft geen stoppels, dus die kan (deze) Romeo niet zijn.) Of hoe Romeo met zijn zachte vingers over de blote buik van Julia streelt. Dat leest heel wat intiemer dan een (innerlijke) monoloog van Julia waarin ze beschrijft hoe geliefd, verliefd en geborgen ze zich voelt bij Romeo.

Zoals altijd blijft schrijven maatwerk, dus ook bij het gebruik van voelen en tasten. Maar vergeet dus de volgende keer niet om dat kostbare gereedschap van tastzin aan je schrijversgereeedschapskist toe te voegen als je een scène met letterlijk of figuurlijk veel gevoel wil schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cameron Ahlvers verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: Ik zie… een AI- gegenereerde tekst

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… AI-gegenereerde tekst.     

Gebruik je AI al vaak of nog helemaal niet? Binnen enkele seconden krijg je antwoorden op je vragen of wordt er een tekst voor je geschreven. Er is een hele discussie over het hoe of wat rondom het gebruik van AI. Daar gaan we niet ethisch op in; ik wil je schrijfinzicht vergroten. Het uitgangspunt dat in dit artikel wordt gebruikt: AI is zielloos. Kun je dat uit de tekst opmaken?

Even snel opzoeken

AI kan je heel direct en specifiek antwoord geven waar je eerder nog antwoord van verschillende websites op een rij moest zetten. ‘Wat zijn de vijf leukste historische uitjes in Amsterdam?’  Je hoeft niet langer alle uitjessites te doorspitten – deze uitjes zijn shows en restaurants, niet historisch!-. Het antwoord wordt onmiddellijk uitgespuugd, inclusief iets afsluitends en beleefds als: ‘ wil je meer uitjes in Amsterdam, laat het me gerust weten’. Alsof er een mens tegen je praat.

Hier start het observatie-experiment: praat terug tegen het zielloze programma dat AI is. Als je geholpen wordt door een mens, ga je na die niet afsnauwen met: “nee, sufkop, meer vroeg ik toch niet?” Doe dat nu eens wel en rek dat ‘gesprek’ ook nog wat verder.  Wanneer merk je aan de respons van de AI dat het menselijke stuk eruit gaat? Schrijf eens op wat je opvalt en wanneer dat precies gebeurt.

Waarschijnlijk ga je opmerken dat AI in zijn respons vastloopt in een patroon van vrij letterlijk tot letterlijk hetzelfde herhalen. Niet zoals mensen dat  doen, omdat ze niet weten wat ze anders moeten zeggen, maar in de meer mechanische, taalkundige manier van het woord. De zinsstructuren zijn of blijven grofweg hetzelfde: een deel van jouw vraag wordt herhaald, er wordt een antwoord gegeven en weer een afsluitend aanbod gegeven dat je altijd een vraag mag stellen.

Anders gezegd: als AI een mens was geweest, zou die de tactiek gebruiken van: ik zeg gewoon wat je wil horen, maar echt luisteren doe ik niet. Die manier van op slot zetten of voet bij stuk houden is in een echt gesprek irritant, in een boek is dat de doodsteek van elke dialoog.

De clichéradar bij grotere teksten

Vraag AI nu eens om in 500 tot 750 woorden te schrijven waarom Parijs leuk is om te bezoeken, inclusief de suggesties voor wat uitjes. Druk op enter en zet je clichéradar aan! En nee, niet het cliché van de aanwezigheid van de Eiffeltoren in de aanbevelingen. Denk aan woorden of zinstructuren die je zou gebruiken als iemand je vraagt een mooie stad te bezoeken. Vast en zeker zie je zaken als ‘adembenemend’ ‘betoverend’ ‘uniek’  en ‘mag je niet missen’ terugkomen. En ook zo’n beetje in elke nieuwe alinea, of zodra er iets anders wordt beschreven. Dat geeft een tekst die leest als een combinatie van: ‘jij hebt een spoedcursus ‘hippe marketingtermen gevolgd’ en  ‘Jij hebt de Lonely Planet’  woord voor woord ingeslikt.’ Precies, ja!

Schrijf ook hier weer op wat je opvalt en welke zinnen zou je veranderen of weglaten zodat de tekst leest als menselijk enthousiasme in plaats van een rits mechanische clichés.

Hoe helpen deze observaties je schrijfinzicht te verbeteren?

Als je op tekstueel zins- of alineaniveau ziet wanneer de ziel ontbreekt, krijg je ook een beter besef wat je wél moet doen om ziel – of vaart- in je tekst te houden. Met AI kan je oefenen met  het speuren naar waar nog werk te doen is. Je plot, personages, de woordkeuze? Laat AI zo een hulpje zijn om makkelijk bij te kunnen spieken waar het in de (taalkundige) basis goed zit, maar wel beter kan of moet om een tekst echt levendig en interessant te maken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Andrea De Santis verkregen via Unsplash.

Wedstrijduitslag ‘allerlei soorten liefde’

Iedere keer als ik een schrijfwedstrijd organiseer, wordt het aantal deelnemers en het enthousiasme groter. Dank aan iedereen die aan de wedstrijd heeft meegedaan.
Door het grote aantal deelnemers duurde het iets langer om een winnaar te kiezen, maar er is nu een winnaar: ‘Ik en de gopnik’ van Dominique Heuff. Gefeliciteerd, Dominique!

Het verhaal van Dominique heeft een mooie schrijfstijl, en bijzondere personages die elkaar ontmoeten in een setting die je bij hen niet zou verwachten. Buiten die bijzondere omstandigheden weet Dominique ook liefde in een uniek daglicht te zetten en tussen de regels door er een heel sprekende boodschap over mee te geven. Veel plezier met lezen!

Ik en de gopnik — Dominique Heuff

Die zondagavond deed zich een zeldzaam moment voor in een land dat bekend staat om zijn gure klimaat. Tijdens het gouden uur waren de wolken compleet weggetrokken. Zonlicht danste op de golven van de rivier die, nu eens niet voortgejaagd door de wind, tegen de boten kabbelde. De scheepjes lagen voor anker, hun eigenaren waren thuis, bij de familie, voordat ze morgenvroeg weer het water op zouden gaan. Aan de andere kant van het water lagen de heuvels, de grillige toppen waarvoor we waren gekomen. Het zonlicht onthulde hoeveel tinten groen hen bedekten.
De heldere lucht had mij naar buiten gestuwd. Hoewel mijn kuiten nog zuur waren van de inspanning van die dag, had het licht een aantrekkingskracht op mij die sterker was dan mijn spierpijn. Ik had sowieso amper de tijd gehad om dit stadje te verkennen, ik was vooral in de omringende natuur geweest. Morgen zouden we alweer doorreizen. Mijn echtgenoot had bedankt voor nog een avondwandeling, die had zijn heil gezocht in drie halve liters die het verzuringsproces stevig hadden versneld.
Ik liep stroomopwaarts met de rivier mee. Hoewel ik wist dat het een rivier was, was hij zo breed dat het net zo goed een meer had kunnen zijn. Vanuit mijn hotelkamer had ik er uitzicht op, inclusief het visrestaurant aan het eind van de pier waar ik nog geen mens had gezien. De verf bladderde van de kozijnen en een handschreven vel papier voor het raam kondigde aan dat de eigenaar zijn geluk op een andere locatie wilde beproeven. Als je het centrumpje van de stad uitliep, langs de twee restaurants die nog wel na negenen maaltijden serveerden en die je volgens onze hoteluitbater te allen tijde moest zien te vermijden, kwam je uit bij een lange straat huizen met vrijstaande kamers voor de nacht. Ik gaf de eigenaren geen ongelijk. Je zou gek zijn als je geen graantje meepikte van de toeristen die naar deze stad kwamen om de natuur te verkennen. Waar zij vandaan kwamen was die ver te zoeken, en de lokale bevolking had geen tijd zich erin onder te dompelen. Zij moesten werken op de vissersboten of in de mijnbouwindustrie om hun brood op de plank te krijgen.
In een kromming van de rivier ontvouwde zich een kiezelstrand. Het waren niet de stenen waarover ik vandaag was geklommen en weer afgedaald. Niet de potentiële moordwapens waarop ik bij gladheid kon uitglijden en mijn schedel zou splijten op hun puntige uitsteeksels. Nee, het waren fijne kiezels, waar kinderen op waterschoentjes konden spelen. Als het niet zo koud was geweest, had ik overwogen mijn wandelschoenen uit te trekken en pootje te baden.
Water heeft me altijd aangetrokken. Ik houd van het geluid. Ik houd ervan om op warme dagen mijn voeten onder te dompelen in de koelte en te voelen hoe het natte zand ze opzuigt, alsof ik wortel schiet. Ik houd ervan hoe het stroomt, hoe het water nooit hetzelfde is, waar en wanneer je er ook naar kijkt. Het is onmogelijk gespannen te blijven als je het ruisen van golven hoort.
Het kiezelstrand ging over in een grasveld, wat een mooie plek zou zijn voor de ouders van de hypothetische kinderen om op een picknickkleed een toegeknepen oogje in het zeil te houden. Het was verbazingwekkend netjes bijgewerkt voor deze stad. Er stonden een aantal bankjes gericht naar de rivier. Ze waren leeg. Iedereen zat in de bar of het restaurant of bij zijn familie. Toch moeten deze bankjes ooit zijn geplaatst om mensen die net als ik de charme van deze plek hebben erkend.
Ik nam plaats op het bankje dat het verst bij mij vandaan stond. Ik keek uit over het water, waar nog meer boten voor anker lagen. Hoe komen de eigenaren bij hun boten, zo ver op het water? Ik zag roeiboten voor me in dezelfde staat als het visrestaurant. Het was een zorg voor morgen. Deze avond was het tijd om te rusten, voor iedereen. Ik voelde de warmte van de avondzon op mijn gezicht, zo warm dat ik mijn jas van The North Face uittrok en naast me op het bankje legde. Wie had dat gedacht, in dit land, in deze tijd van het jaar? Ik hoorde het krijsen van de meeuwen, en ik luisterde hoe mijn interne maalstroom aan gedachten langzaam tot stilstand kwam, totdat er niets meer over was dan mijn ademhaling.
Het was in deze status van ontspanning dat ik hem zag. De gopnik.
Hij was tientallen meters bij me vandaan en liep over het kiezelstrand. Maar hij was onmiskenbaar een gopnik; ik herkende de drie Adidasstrepen op zijn zwarte trainingsbroek van meters ver. Het merk was hét statussymbool onder de lokale straatschoffies. Hij maakte zijn verschijning compleet door de capuchon van zijn donkerblauwe hoodie over zijn hoofd te hebben getrokken. Op zijn rug droeg hij een stoffen rugzakje dat bijna op zijn kont bungelde. Er kon niet heel veel in zitten.
Ik was de afgelopen dagen alert geweest op deze types. We waren gewaarschuwd: ze rolden je portemonnee waar je bij stond, ze hadden voor niemand respect. Ze hingen vaak in groepen rond bij metrostations of in de grote flatgebouwen waar de gemiddelde burger woonde. Plekken die je als bezoeker diende te vermijden. Soms liep je langs tunneltjes waar het trottoir bezaaid lag met schilletjes van zonnebloempitten, een teken dat de gopniks hier terrein hielden. Je liep dan snel door, met je blik naar de grond. Zelfs met mijn echtgenoot aan mijn zijde voelde ik hun neerbuigende blik. Als ik ze zag kijken, werd ik me pijnlijk zelfbewust. Wie was ik wel niet, dat ik veel geld had neergelegd om in landschappen te geraken die de gemiddelde inwoners van het land zich zelf niet eens konden veroorloven? De straat, die was van hen. Daar konden wij bovenmodalen maar beter op onze tellen passen.
Daar, op dat bankje aan het water, was er geen alarmgevoel. Mijn hoofd was leeg. Was het de zon die me loom had gemaakt, of de vertraging in mijn gedachten? Ik bleef zitten op mijn plek en sloeg de gopnik gade.
Hij was niet alleen. Hij had een hond bij zich. Zo’n stevige vechthond, een Stafford of iets dergelijks, ik kon het ras niet precies duiden. Deze had zijn staart nog, die heen en weer kwispelde. De hond besprong de gopnik, waarna die een balletje of een steen weggooide om te apporteren. Soms bleef de hond langer weg, dan had hij iets geroken dat interessanter was dan wat hij moest halen. Toch kwam hij steeds terug bij zijn baasje, nog harder kwispelend.
Opeens voelde ik aan alles: deze gopnik ging mij aanspreken.
Er stonden nog drie andere bankjes op het grasveld. Ze waren alle nog steeds leeg. Toch wist ik: hij zou mijn bankje uitkiezen. Het enige bankje met gezelschap. Ik zat aan de linkerkant, naast mij was plek voor nog een aanbidder van het tafereel. In de metro in de hoofdstad had ik een heuptasje onder mijn jas gedragen om mijn kostbaarheden uit grijpgrage handen te houden. Het heuptasje lag nu onderaan in mijn koffer, in de veronderstelling dat ik die in dit rustige gebied niet nodig zou hebben. Nu zat mijn portemonnee gewoon in mijn jaszak, van de jas die naast mij voor het grijpen lag. Ik zou zonder jas en geld terugkeren naar het hotel, waar mijn man stampij zou maken bij de politie en alles op alles zou zetten om mij mijn spullen terug te bezorgen.
Opeens wenste ik vurig dat de gopnik mij zou aanspreken.
Hij had geen haast. Hij bleef aan de waterkant dralen, totdat de hond het grasveld op rende. Ik draaide mijn blik niet af zoals ik was gewend. Ik wist dat we daar alle drie waren om dezelfde reden. Het licht en de rivier hadden ons aangetrokken. Wij waren nu deel van deze plek en dit moment.
De hond rende op me af.
Ik ben niet bang voor honden, ook niet voor grote exemplaren, dus ik verroerde me niet. Hij duwde een natte snuit tegen mijn hand en ik aaide het dier. Hij antwoordde door mijn panty onder te kwijlen.
‘Kolja, laat die vrouw met rust!’
Daar was hij, het moment waarvan ik had aangevoeld dat het onvermijdelijk was. De gopnik was achter zijn hond aangerend en zat nu op enkele meters van mij in zijn typerende hurkpositie. De hond, Kolja dus, rende kwispelend om hem heen.
‘Dat geeft niet. Ik vind honden leuk,’ stelde ik hem gerust.
Ik kon zijn gezicht zien, al was het geen opmerkelijk gezicht. Het was precies het gezicht dat je in een hoodie zou verstoppen. Jonger dan ik. Ik werd me ineens bewust van mijn nette rok die ik na de wandeling had aangetrokken voor het diner. Nergens voor nodig geweest. Mijn echtgenoot was in het zweet van zijn inspanning in de bar gaan zitten.
‘Ja, maar hij kwijlt je helemaal onder als je niet uitkijkt. Sorry daarvoor.’
Ik glimlachte. De gopnik bleef zitten, aaide de hond die om hem heen sprong.
‘Hij is nog maar een pup.’
‘Een pup?’ De hond had het formaat van een volwassen geit. ‘Hoe groot wordt hij dan wel niet?’
De gopnik gebaarde tot hoog boven zijn gehurkte positie uit. ‘Enorm.’
‘Gelukkig heb je een mooie plek om hem los te laten,’ knikte ik naar het strand.
‘Dit is zijn eerste keer aan het water.’
Net als ik. ‘Het is een schitterende plek.’ Mooier dan de natuurreservaten waarvoor ik hier naartoe was gereisd. Ik besefte het met licht in mijn hart.
De gopnik volgde mijn blik naar het water. ‘Ik kom hier eigenlijk nooit.’
‘Als ik hier zou wonen, zou ik hier vaak wandelen. Zeker met een hond.’
Mijn man en ik hebben geen hond. Hij zou wel heel graag willen, maar het past gewoon niet in ons leven dat een van ons, of beide, elke dag wel gebiedt ergens onze opwachting te maken. Zo vaak dat zelfs de leuke dingen veranderen in het volgende punt op mijn takenlijst, en dat terwijl ik nog aan tafel zit bij dat bevriende stel, ik al in gedachten bij de lunchafspraak met mijn ouders de volgende dag ben.
‘Ik woon hier nog niet zo lang,’ zei de gopnik. ‘Ik heb in het visrestaurant gewerkt, maar de eigenaar betaalde me niet op tijd. Nu werk ik in de supermarkt, maar het is zwaar. Vroeg opstaan.’
Mijn interne commentaarstem, door licht en water verdoofd, schoot wakker en had direct haar oordeel klaar. Als een echte gopnik die niet van werken houdt, zei ze. Het vooroordeel deed de binnenkant van mijn wangen opflakkeren. Wat zat ik mezelf hier verheven te voelen. Ik werd me opnieuw bewust van mijn sociale positie, mijn nette kleding, de North Face-jas die ik achteloos naast me neer had gegooid. Ik had gelezen dat die jas even duur was als het gemiddelde maandsalaris in dit land.
Gopnik keek er geen moment naar. Hij bleef op zijn respectabele afstand zitten. Kolja rende af en toe weg om aan de lavendel te snuffelen die in een bloemperk bloeide. De gopnik hield hem met een schuin oog in de gaten, maar bleef zitten waar hij zat.. We kletsten ondertussen wat, over zijn huis, over mijn wandelingen en het vervolg van mijn reis. Over het hotel waar we sliepen, waar hij ook een maand een kamer had gehuurd. Het bleek de kamer tegenover die van ons te zijn, waar mijn echtgenoot nu ongetwijfeld in zijn ondergoed op bed door zijn socials lag te scrollen. Zou hij zich afvragen waar ik bleef?
‘Het is fijn om met iemand te praten,’ zei de gopnik toen. ‘Ik praat eigenlijk alleen met Kolja.’
Mijn borstkas begon te gloeien. Ik had het al geweten toen ik hem op het strand had gezien, het onvermijdelijke gesprek dat wij zouden voeren, ik en de gopnik. Nu wist ik het zeker dat wij waren voorbestemd hier samen te zijn. Ik houd zielsveel van mijn man, maar hij zou de schoonheid van deze plek niet begrijpen. Hij zou mij als een schild voor deze jongen hebben afgeschermd en me dit moment hebben ontnomen. Bij dat idee ervoer ik een hevig gemis.
Ik dankte de jongen dat ik dit moment met hem mocht delen.
Hij stond op uit zijn hurkende positie. Schoorvoetend liep hij op me af en nam naast mij plaats op het bankje. Mijn jas met mijn portemonnee interesseerde hem nog steeds niets.
We keken toe hoe de zon wegzakte achter de grillige toppen. Ik voelde zijn stralen in mij, en ik wist dat mijn metgezel dat ook voelde. We keken totdat Kolja aan zijn eigen riem te trekken, die de jongen in zijn hand had. Hoe ironisch dat het uitgerekend de hond was die ons weer terug naar het leven sleurde. Net als de rivier moesten wij ook met de stroom mee gaan, verder, naar onze bestemmingen, waar wij als wij aan zouden komen al niet meer dezelfde zouden zijn als wij nu waren.
Toen ik bij mijn man terugkeerde, zei hij dat ik straalde.



Foto doorAaron Burden verkregen via Unsplash.