Ik ben schrijfster en redactrice en narrative designer. Als logopediste heb ik kinderen met taalproblemen geholpen. ´Verhaal en taal´ zijn dus mijn twee grote passies. Kijk eens rond voor schrijftips en neem contact op als je graag persoonlijke begeleiding wilt met het schrijven van je eigen verhaal.
Vanaf vandaag kan je mijn schrijfcursus ‘de perfect afgestemde dialoog bestellen en volgen. Maar je kan deze cursus ook proberen te winnen. Doe daarvoor mee aan de schrijfwedstrijd ´Het geheime gesprek.´
In dialogen schrijf je wat mensen zeggen, maar laat je ook doorschemeren wat ze juist niet zeggen, zodat het verhaal spannend blijft. Schrijven Online organiseert samen met mij de schrijfwedstrijd ‘Het geheime gesprek’. We dagen jullie dus uit om aan de slag te gaan met deze onderhuidse spanning.
De opdracht
Schrijf een verhaal van maximaal 500 woorden waarin de dialoog centraal staat. Belangrijk is dat één of meerdere personages iets níet zeggen, ze houden iets verborgen voor de ander. Wat dit geheim is? Dat is aan jou! De jury (Schrijven Online en ikzelf) is op zoek naar creatieve verhalen, dus leef je uit.
Belangrijke toevoegingen:
Het geheim mag uitkomen in 500 woorden, maar dat hoeft niet. Misschien blijven vragen onbeantwoord…
Niet je volledige verhaal hoeft een dialoog te zijn. Je mag ook beschrijven en actie weergeven, maar je verhaal moet draaien om de dialoog.
Alle drie de winnende verhalen worden gepubliceerd in Alice, het literaire katern van Schrijven Magazine. De eersteprijswinnaar ontvangt de cursus ‘de perfect afgestemde dialoog’. De tweede en derde beste inzendingen ontvangen het boek Dialogen schrijven van Don Duyns.
Ieder verhaal heeft een held nodig die besluit in actie te komen. Dat is het verlaten van de comfortzone. Je kan het simpelweg zien als een noodzaak om de actie van je verhaal mee te starten. Maar kijk er op een andere manier naar en de comfortzone kan je veel bruikbaars over je held en de boodschap en moralen van je verhaal vertellen.
Wat moet de comfortzone doen?
De comfortzone is het moment in het verhaal waarop de held de bekende routine van diens alledaagse leven achter zich laat om het avontuur aan te gaan. Maar voor een goede spanningsboog en een interessant verhaal doet je personage dat nooit uit verveling. Je moet het bedreigen en bang maken. Dat is de taak die jij als schrijver te doen hebt vanuit het perspectief dat jij de regie in handen hebt. Maar als schrijver heb je niet alleen je eigen willetje op te leggen. Daar laat je namelijk een hoop mee liggen.
Het comfortabele leventje van je personage
Je maakt tijdens het ontwerpen van je personage een personagebiografie: daar komen de achtergrond en karaktereigenschappen in te staan. Zodra je daar een basis van hebt, kun je niet zomaar verwachten dat je personage precies denkt of doet wat jij wil. Als je een student hebt die er om meerdere reden op gericht is om hoge cijfers te halen, gaat die echt niet zomaar omwille van het plot al het huiswerk verwaarlozen. En van die wil en waarden van je personage kan je veel leren. Stel jezelf de vraag wat je personage al dan niet zou doen om de comfortzone te verlaten. Meestal mag je in de narratieve zin de comfortzone niet verwarren met een comfortabele situatie, maar nu moet je dat wel doen. wat zou je personage ervoor over hebben om dat fijne, rustige leventje achter zich laten, om een stap richting het onbekende te zetten, waar niets zeker is, er verliezen dreigen en misschien wel regelrecht gevaar lonkt?
Het karakter van je personage
Begin eenvoudig en schrijf alle karaktereigenschappen van je personage optellen tot een manier van doen en laten. Zo zal een zorgzaam en gehoorzaam iemand vaak de regels volgen en de uiterste best doen om niemand kwaad te doen. En een hebzuchtig, egocentrisch personage zal er juist helemaal niet om malen dat anderen worden teleurgesteld als dat betekenkt dat de eigen wensen worden vervuld.
De moralen van je personage
Het doen en laten van je personage vertaalt zich makkelijk naar bepaalde moralen: Denk aan jezelf voor je aan anderen denkt, bijvoorbeeld. Of juist: je eigen dromen en zelfbehoud komen voor het welzijn van anderen. Zo heeft je personage diverse moralen. Schrijf die op en probeer voor zover dat kan, ze te rangschikken naar relevantie. Bijvoorbeeld: 1) Doe anderen geen kwaad 2) Kom je beloften altijd na 3) Jaag je dromen na
Deze rangschikking is belangrijk voor de volgende stap: de persoonlijke ethiek van je personage vaststellen. Want die bepaalt uiteindelijk die grote stap voor het verlaten van de comfortzone.
De ethiek van je personage
Ethiek gaat over beweegreden die je hebt tijdens een duivels dillema. Wil je een goede ethische discussie aangaan, dan moet – zo niet mág- je niet zeggen dat een beslissing van de ander fout is omdat jij diezelfde beslissing niet zou nemen. Het gaat er meer om hoe de ander tot een beslissing komt en of het gedachteproces dat daartoe leidt ergens op slaat.
Stel dat het de bedoeling van het verhaal is dat je personage als hospik gaat werken in tijden van oorlog, maar dat je personage in het begin nog bang is voor bloed. Dan gaat je personage zich niet vrijwillig melden. Tenzij de norm ‘denk eerst aan jezelf, dan aan anderen’ bovenaan de lijst met normen staat. Lekker veilig thuis blijven terwijl anderen hun leven wagen, zou daarmee niet rijmen. Maar toch zal je personage nog steeds bang zijn of iets niet willen. Dat is het moment waarop je dieper op de ethische waarden en beweegredenen van je personage in kan gaan. Wat maakt dat je personage tóch wordt overgehaald? Zeker, je kan dreigen, maar dreigen alleen is niet altijd effectief en angst alleen is zelden een drijfveer die het hele verhaal overeind blijft. Ga je uit van ethiek en meer diepgaande drijfveren, dan kan je daarmee ook het verhaalthema versterken. Neem dus de tijd om die goed uit te werken.
Verhaalthema en de comfortzone
Dus jouw bloedvrezende held meldt zich toch aan voor hospiktraining, omdat die altijd anderen op de eerste plaats zet? Knap gedaan, de comfortzone is verlaten. Maar die bereidwilligheid om anderen vóór zichzelf te plaatsen, kan nog op andere momenten terugkomen. Zeker in het leger. Want wat nou als de held diens eigen moralen in de steek moet laten, omwille van de veiligheid van anderen? Of als de eigen veiligheid op een bepaald belangrijker is dan die van een ander? En betekent jezelf op de tweede plaats zetten bijvoorbeeld ook dat je als de gezonde rekruut je laatste eten moet geven aan de verzwakte collega die de volgende dag waarschijnlijk niet meer haalt? Een ethische vraag, dus daar is niet meteen een goed of fout. Maar als je al weet hoe je held tot etische conclusies komt, kan je die gebruiken om ook later in het verhaal en op belangrijke en spannende momenten je verhaal interessanter en diepzinniger te maken en je verhaalthema te verstevigen zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Je hoeft dus ook zeker niet meteen een super filosofische roman te schrijven. Deze bevindingen kan je heel goed kwijt in je opschrijfboekje. Bedenk dat je held nooit om één (simpele) reden de comfortzone verlaat, of die zich nu daarvan bewust is of niet. Gebruik al deze (verborgen) redenen om je verhaal te starten in je voordeel en je hebt meteen vanaf het begin een stevige houvast voor jezelf. Om nog maar te zwijgen over alle mooie ontdekkingen voor mogelijkheden voor je verhaalthema die daar nog uit voort kunnen komen.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het was maar een droom.
Het cliché
Je held maakt de meest interessante avonturen mee of verlaat eindelijk de comfortzone die al tijden lang te eng leek om te verlaten. Complete scènes, hoofdstukken of soms het hele boek wordt eraan gewijd en dan blijkt het maar een droom te zijn.
Waarom stoort dit cliché zo?
Iedere lezer weet dat als je fictie leest, het verhaal niet echt is. Maar een goed verhaal voelt wel zo aan. Dus gaat de lezer er emotioneel in investeren. Een gevolg daarvan is dat de personages zo echt gaan aanvoelen dat ze als levensechte vrienden kunnen voelen. Als alles maar een droom was, dan is het alsof de schrijver zegt: maar die vriend waarmee je een emotionele band bent aangegaan, bestaat niet. Dat was maar schijn. De echte vriend in het boek is te laf, niet in staat om of bereid om tot actie over te gaan. Met andere woorden: die vriend is niet wie ik heb gezegd heb dat hij is. Een lezer weet dat het verhaal niet echt is, maar zodra die emotioneel investeert in het verhaal, is dat bijzaak of raakt dat op de achtergrond. En een lezer kan het hebben dat de fictieve wereld alleen op papier bestaan, maar niet dat datgeen waar hij zich emotioneel mee verbindt, verspilde moeite blijkt te zijn. Dat voelt als regelrecht belazeren.
De oorzaak van het cliché: te kort schrijversonderzoek
Ieder personage heeft een willen en nodig hebben: iets waarnaar het zelf wil streven en iets waarvan die schrijver wil dat het naartoe groeit. Dat willen en nodig hebben komt zelden overeen. Als schrijver moet je daar even aan puzzelen om daar een evenwicht in te vinden en alles te laten passen in het plot en het verhaalthema. Maar soms duurt dat ‘even puzzelen’ toch wel iets langer. ‘Het was maar een droom’ is dan vaak de schrijver aan de tekentafel die zichtbaar wordt: “Phoe, het wordt allemaal wel ingewikkeld. Ik laat gewoon alle wensen of angsten van het personage uitkomen, laat het als droom eindigen en dan sluit ik met boek af met het moraal dat de held van die droom moet leren.” Kortom: dit cliché is een resultaat van lui schrijfonderzoek.
Het cliché fiksen: denk kleiner
Dromen zijn in fictie vaak momenten waarin alles (overdreven) groots en symbolisch wordt. Er hoeft maar een eend in voorbij te waggelen, of de lezer weet dat er impliciet wordt gevraagd op te letten: later komt die eend ergens terug! Of om een droomwoordenboek erbij te pakken om te ontdekken waar een eend symbool voor staat, om de thema’s van het boek maar te kunnen doorgronden. Hoewel dromen daar een goed middel voor kunnen zijn, worden ze een cliché als dat je enige gereedschap is als schrijver om symboliek te verwerken of een puzzelstukje van een plottwist aan te duiden. Maak de droom minder belangrijk en hou de symboliek en foreshadowing relatief klein. Besef dat een droom niet genoeg draagkracht heeft om het hele verhaal mee te kunnen dragen.
Tips voor het verminderen van het cliché
Als je af en toe dromen of symboliek in je verhaal wil gebruiken, is dat prima. Maar kijk als je dat doet ook kritisch of je verhaal niet van dromen en symboliek aan elkaar hangt. Er moet ook nog een plot overblijven.
Als je je personage iets wil laten ‘uitproberen’ zonder dat de gevolgen al te groot zijn, probeer in plaats van een droom in te zetten, het doel van de uitdaging wat meer behapbaar te maken.
Zintuiglijk schrijven is erg belangrijk om je boek levendig te maken. Zien is daarbij, samen met voelen een van de gevaarlijkste twee. Ze zijn allebei gevoelig voor tell, dat maakt alsof je als lezer maar een beetje aanhoort wat er gebeurt, waar je juist in het verhaal meegenomen wil worden. Maar dat komt vooral omdat de meeste schrijvers verkeerd kijken naar het begrip ‘zien’.
Zien is geen droge observatie
De reden dat zien zo vaak een tell met zich meebrengt, is omdat het zintuig ‘zien’ heel vaak wordt gebruikt om alleen maar iets visueel te registereren. Denk bijvoorbeeld aan: hij zag haar hopeloos snikken. Je mag er dan misschien wel op rekenen dat dat iets doet met dit personage, maar als je dat niet uitwerkt, komt dat niet over. Je lezer heeft geen ‘bewijs’ dat je personage iets voelt, als je dat niet laat doorschemeren, door op zijn minst een gevoel van ongemak te beschrijven als je personage een ander ziet huilen. En dat gebeurt bij het gebruik van het visuele zintuig erg vaak. Met andere woorden: er wordt te makkelijk gerekend op empathie van de lezer. En als je jezelf op dat gebied te snel rijk rekent, wordt de kans erg groot dat je tekst gortdroog wordt.
Zien moet gelijk staan aan beleven in een tekst
De eenvoudige oplossing voor dit probleem is om je personage iets te laten voelen bij datgene wat het ziet, bijvoorbeeld afschuw, of blijdschap. Laat je personage niet passief toekijken terwijl het zelf een rol heeft op het toneel en bij machte is om de sitatie te veranderen, of aan de gebeurtenis die je beschrijft deel te nemen. Er staat als het goed is altijd iets op het spel voor je held, hoe klein ook. Anders kan je je afvragen wat de waarde is van de scène die je schrijft. De eerste stap om zien meer te maken dan een loze observatie is om ervoor te zorgen dat je personage iets bij de gebeurtenis voelt. Maar de valkuil daarbij is dat je daarmee bij het andere zintuig bent beland dat zich óók heel makkelijk laat vertalen naar een ‘tell’: Hij zag haar vreselijk snikken en voelde zich rot. Zelfs als zou je dat rotgevoel vertalen naar een show en hij kreeg een knoop in zijn maag dan is de kans dat de tekst alsnog droog leest naar verloop van meerdere hoofdstukken alsnog aanwezig.
Wat zie ik nu eigenlijk? – Onder de stolp
Om zien naar een hoger niveau te tillen, kijk je wat het personage ziet en bekijk je dat voorwerp of dat andere personage eerst op een onpersoonlijke, maar heel gedetailleerde manier. Alsof je het onder een stolp zet en in een museum plaatst, met de bedoeling om te bedenken: wat is er nu zo bijzonder aan dat ik dit voorwerp onder een stolp leg? Als die stolp er niet was geweest, had je waarschijnlijk niet op zulke details gelet, maar nu die er wel is, ga je kijken wat die stolp rechtvaardigt. Ook al moet je dat misschien nog ontdekken. Maak je niet druk om het feit dat sommige dingen nooit onder een stolp zouden passen. Een aantal voorbeelden:
Dit ligt onder de stolp
dit kan je plotseling opmerken
een huis in de avondschemering waar het licht net aangaat
Dat er in dat huis mensen wonen die een leven hebben en daar eten, televisie kijken, vrijen, kinderen opvoeden…
een strandbal met wat zand eraan
Hoe een kind zonet weer een paragraaf heeft toegevoegd aan het hoofdstuk jeugdherinneringen: ‘met opa naar het strand’
een versleten bloesje
hoe de stof gerafeld is. Het onderschrift van de stolp meldt:mijn enige nette kledingstuk waarschijnlijk is dit de sollicitatiebloes van een arm persoon die solliciatie na sollicitatie is afgegaan in de hoop met een nieuwe baan de armoede te ontvluchten.
Zoek ‘het verhaal’ achter wat je ziet
Als je van zien echt iets beeldends wil maken, moet je dus gaan zoeken naar het ‘verhaal achter’ zoals dat in een bepaald cliché wordt gebruikt. Denk aan de uitgangspunten als:
– Iedereen in deze trein is ergens naar onderweg. Maar naar wie of wat? Oma, werk, kraamvisite, een netwerkborrel… Waar gaan we toch allemaal heen? – Achter deze deur woont een gezin. Wat voor een? Twee kinderen? Een pasgetrouwd stel met een hond? Een alleenstaande met een bankrekening met zes nullen? Wat zullen die voor eten lekker vinden? Wat zou hun ideale vakantiebestemming zijn? – Deze teddybeer is helemaal vies, groezelig en mist een oog. Die is letterlijk kapotgeknuffeld. Hoeveel liefde heeft hij gekregen van zijn eigenaar?
Zelfs als je visueel niets bijzonders ziet, kan je je dat nog inbeelden door je bedenken hoe iets hier komt of kwam. Zo heeft een hele dikke, oude boom oorlogen overleefd en mensen onder zijn bast zien sneuvelen, maar zijn er misschien ook wel talloze mensen onder zijn takken verloofd. En de doodgewone asfaltweg waar je op rijdt onderweg naar het werk is ooit aangelegd door iemand met een uitzonderlijk schattige kat met een knikje in zijn oor.
Details naar voren halen
Zodra je het ‘verhaal achter’ hebt gevonden, kan je je gaan concentreren op een enkel belangrijk detail dat je uit deze observatie hebt gehaald. Ga die niet in ellenlange zinnen uitschrijven: dat is het recept voor bloemig taalgebruik. Haal in plaats daarvan een sprekend kenmerk naar voren. Denk daarbij aan de manier waarop iets of iemand op een bepaalde manier beweegt, hoe een kleur eruit springt of hoe een ‘stilleven’ de hele sfeer van het moment kan samenvatten. Zoals een halfleeggedronken kopje koffie dat nog altijd op de koffietafel staat nadat de gast na een plotselinge fikse ruzie halsoverkop is vertrokken.
Kortom: houd in je achterhoofd dat je een schrijver bent die een heel verhaal te vertellen heeft, geen vakantieganger die vluchtig een foto schiet om een indruk te geven van ‘een van de tien restaurantjes waar ik op vakantie heb gegeten, maar welke dit is, weet ik al niet meer.’
Dan ben je al een eind op weg.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het zwarte schaap.
Het cliché
In de fictiefamilie heb je het lievelingskind, maar ook het zwarte schaap. Dat zwarte schaap is de rare van de familie, op een van twee manieren. Dit personage is daadwerkelijk een vreemde vogel, of het is iemand die het veel beter weet dan de kortzichtige familie en gewoon verkeerd begrepen wordt.
Waarom stoort dit cliché zo?
Omdat het cliché zwarte schaap ofwel de rare is, ofwel de onbegrepen held, ga je uit van een situatie die heel erg zwart-wit is. Daarbij loop je het risico dat ook jouw zwarte schaap als held in een van twee uitersten valt. In het geval van de verkeerd begrepen persoon kan die eindigen als een arrogante Mary Sue van de bovenste plank. Het rare figuur kan een valse held worden: iemand die beweert verkeerd begrepen te zijn en daardoor alleen maar klaagt en zeurt. Klagen en zeuren is passief, dus dodelijk voor een plot waar altijd een zekere actie-reactie moet zitten.
De oorzaak van het cliché: makkelijk drama
Je familie is de kring van mensen die traditioneel wordt gezien als de mensen die onvoorwaardelijk van je houden. In fictie wordt dat bijna gezien als een vaststaand feit. Als je dat doorbreekt, heb je vrij snel de empathie van de lezer én een belofte aan drama en intriges. Er moet per slot van rekening wel iets heel ergs gebeurd zijn om die magische onvoorwaardelijke familieliefde te laten wankelen. Dat lijkt een formule voor een automatisch goed geschreven pageturner vol drama. Drama? Jazeker, maar goed geschreven is iets anders.
Het cliché fiksen: het zijn maar mensen met waarden
Om het cliché te fiksen, zoek je naar een objectieve reden waarom het zwarte schaap niet in de familie past. Denk aan: het is iemand die over emoties kan en wil praten, terwijl dat in de familie taboe is. Of dat in een rijke artsenfamilie jouw held tevreden is met een sober bestaan en een baan die niet hoog in aanzien staat. Kijk vervolgens per familielid in de personagebiografie en wat diegene aan persoonlijke waarden of geschiedenis heeft die voor de botsing met het zwarte schaap zorgen. Je kan ook een ‘familiebiografie’ maken voor een meer algemeen overzicht om zo de rode draad te ontdekken. Vergeet even dat deze personages familie zijn en daardoor aan elkaar verwant of gebonden zijn. Wat maakt dat zij als mensen met elkaar botsen? Maak dáár het conflict van. Dat kan je versterken door het feit dat je als familie soms dingen moet oplossen of uitvechten, zoals de welbekende erfenis. Maar waak ervoor dat je zwarte schaap te veel in het middelpunt van de hele familiekroniek komt te staan. Als je voor het thema ‘onbegrepen voelen’ wil gaan, kan dat ook op andere manieren. Een familie heeft vaak te veel personages die uitgewerkt moeten worden om het zwarte schaap de aandacht te geven die het in die rol verdient, wil het verhaal daar niet alsnog van uit balans raken.
Nu jij!
Schrijf een scène van maximaal 100 woorden. Het zwarte schaap gaat hierin op een genuanceerde manier om met de botsende familiewaarden.
Tips voor het verminderen van het cliché
Laat het zwarte schaap in de spiegel kijken: wordt het inderdaad om ‘verkeerde redenen’ vreemd aangestaard? Een held met zelfreflectie is interessant om over te lezen.
Als het zwarte schap verkeerd begrepen wordt, laat het dan niet koste wat kost een plaatsje in de familie willen houden of verwerven. Voorkom onnodig drama en laat je held (ook) elders heil zoeken. Trap niet in de val dat drama en wijzende vingers een verhaal kunnen blijven dragen: daar valt het eerder bij stil.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching. Foto door Jose Francisco Morales verkregen via Unsplash.
Iemand vergeven is in een boek een belangrijk moment en voor het personage een afsluiting van een belangrijk hoofdstuk. Maar als je het verkeerd doet, kan vergiffenis je hele verhaal afzwakken of cliché laten overkomen. Vergeven is niet altijd makkelijk, dus schrijven erover ook niet. Wat komt daar allemaal bij kijken?
Moet je personage vergeven?
De vraag alleen al of je personage moet vergeven of recht heeft op wraak, is een belangrijk startpunt. Want hiermee wordt meteen een invulling van het verhaal en een bijbehorend verhaalthema bepaald. Het hangt van de inhoud van je verhaal en van jouw persoonlijke mening omtrent wraak en vergiffenis af wat je daarmee wil doen. Neem die overwegingen ook goed mee: wraak en vergiffenis vertalen zich heel slecht naar een verhaal als je dat schrijft omdat dat zo ‘hoort’ in een bepaald genre of een plotverloop. Als dat je uitganspunt vormt, schrijf je bijna gegarandeerd een storend cliché als resultaat. Vergeven betekent dat er iets naars of vreselijks aan vooraf is gegaan. Dat is dus ook niet eenvoudig op te lossen. Doe er je voordeel mee dat je te maken hebt met een lastige situatie.
Als je ervoor kiest om vergeving te schrijven
Als je wil dat je personage vergeeft, is het belangrijk om te beseffen wat het personage is overkomen en hoe groot die invloed van dat trauma is. Onderschat niet hoe moeilijk vergeven kan zijn. Evengoed: het is ook niet makkelijk om te doen. Als je niet kan vergeven, kan je in een slachtofferrol belanden die je helemaal op slot zet: waarom ik? Hoe moet ik nu verder? Dat kan ervoor zorgen dat je zelfs in cirkel van agressie kan belanden, waarmee je anderen pijn gaat doen, zoals psychiater Olga Botcharova in een diagram heeft omschreven.
Deze cirkel is lastig te ontsnappen. Het is moeilijk om te vergeven als je je maar blijf afvragen waarom je iets is aangedaan of overkomen. Daarvoor moet je volgens dit schema rouwen, iets wat vreselijk lastig kan zijn en de nodige moed vergt.
Moed + rouw = vergeven
Moed en rouw zijn vanuit verhaalperspectief zaken waar je zowel veel mee kan als mee moet, als je over vergiffenis schrijft. Maar die gelukkig ook meteen een sterk verhaal met zich meebrengen als je de moeite neemt die goed uit te werken.
Moed is belangrijk omdat het het centrale conflict van het verhaal vertegenwoordigt of moet dragen. Voor een centraal conflict is moed zichtbaar in: – Je personage wordt uit diens comfortzone gehaald. – De situatie is voor je personage ongemakkelijk, gevaarlijk, naar of eng. – Je personage heeft iets te verliezen als het actie onderneemt of iets zegt. – De omstandigheden dwingen je personage om het conflict zelf aan te gaan.
Dat is dus nooit makkelijk. En dan komt daar ook nog eens rouw bij. Om te kunnen vergeven, moet een personage zichtbaar rouwen om datgene waarmee het worstelt of geworsteld heeft. En ook voor rouw is er moed nodig. Laat je dit uit de vergelijking, dan zal het voor de lezer lijken alsof je personage zegt: “Ach ja, ik vergeef wel. Het was mijn trauma maar.” Daar heb je dan meteen een Mary Sue te pakken.
Vergiffenis als rode draad in het verhaal
Hoewel vergiffenis richting of op het einde van je chronologische verhaal voorkomt, moet het als uitgangspunt als een rode draad door je verhaal lopen. Dat hoeft niet per se als verhaalthema. Maar wil je het einde en die vergeving het nodige gewicht geven, dan moet je dus het heftige dat vergeven moet worden en de bereidheid tot die vergeving komt, in het verhaal meenemen. En dat doe je niet in twee hoofdstukken. Als houvast voor jezelf kan het wel overzichtelijk zijn om vergeving als (sub)thema in je verhaal mee te nemen Al is het maar om te voorkomen dat het te veel op de achtergrond raakt.
Dit moet je weten over je personage bij vergiffenis
De personagebiografie is bij schrijven over vergiffenis onmisbaar. Iedereen heeft een eigen geschiedenis of een eigen karakter dat ervoor zorgt dat het moeilijker of makkelijker maakt om te vergeven. Denk hierbij aan dingen als: als het personage uitzonderlijk empathisch en een hoog emotioneel IQ heeft, dan is vergeven relatief makkelijk. Maar iemand die keer op keer op heer in de steek is gelaten, zal dat moeilijker vinden, omdat vergeven naar verloop van de tijd niet meer voelt als iets dat nut heeft of emotioneel heeft. Maar ook: wat vindt je personage belangrijk? Stel dat je personage het erg belangrijk vindt dat vrienden aanwezig zijn op een verjaardag. Die heeft dan iets te vergeven als vrienden dan meerdere keren afwezig zijn bij verjaardag. Dat terwijl een ander personage de schouders ophaalt en denkt: als ik je maar regelmatig zie, kan (de exacte dag van) mijn verjaardag mij niet zo veel schelen. De liefdestaal kennen kan helpen bepalen waar je personage pijn gedaan kan worden en dus ook moet gaan vergeven.
Als er vergeven kan worden
Als je personage in staat is om te vergeven, dan kan het verder met het leven. Dat klinkt cliché, maar in dit geval is dat gerechtvaardigd, zoals je in het cirkel van agressie en verzoening kon zien. Dat betekent dus ook dat als je personage een heftige gebeurtenis kan vergeven, het een nieuw begin betekent. Een nieuw begin aan het eind van een boek, vraagt om de juiste toon bij je einde. Kies je voor een bitterzoet of gevoelvol einde. En die einden hangen dan weer samen met de juiste willen versus nodig hebben voor je held in het verhaal.
Kortom: schrijven over vergiffenis is niet zomaar iets wat je nog als een laatste extraatje in een subplot kan toevoegen. Voor of achter de schermen is het een gigantische drijfveer voor zowel je personage en het plot. Gaan we vergeven of niet? En zo ja, dan moet er hard gewerkt worden, door zowel schrijver als personage. Maar dat maakt een verhaal met of over vergevig wel een verhaal dat een unieke en diepgaande plotlijnen en personages met zich meebrengt.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het lievelingskind.
Het cliché
In een familiekroniek is er van alles gaande en wordt er regelmatig ook ruzie gemaakt. Maar iemand die het nooit fout gedaan heeft of kan hebben is het favoriete (klein)kind. Want dat doet alles perfect en heeft nooit iets verkeerd gedaan. Dit kind is in sommige gevallen zelfs blind voor een familiedynamiek die aan alle kanten rammelt: wij hebben toch een fijne familie, want ík kan toch met iedereen overweg?
Waarom stoort dit cliché zo?
Om te zorgen dat er vaart in de plot blijft, moeten je personages er ‘ja tegen zeggen.’ Als je een plot schrijft, is er iets gaande. Daar reageert een personage op, met een ja, of een nee. Kijk eens naar wat voorbeelden:
Het favoriete kind is door de manier waarop het op handen gedragen wordt, een echte ‘nee-zegger’ voor het plot. “Nee, in onze familie gaat alles prima, kijk maar eens hoe goed Roderick alles voor elkaar heeft.” Of, als je het Roderick zelf vraagt: “Als iedereen mij goed behandeld, nee, dan doe ik geen moeite om te bedenken wat er mis zou kunnen zijn.
De oorzaak van het cliché: het begrip ‘ruzie’ verkeerd begrepen
In een familieruzie is er niets zo erg voor de buitenstaanders dat zij (‘altijd’) dingen verkeerd doen en het lievelingskind dat niet zou kunnen. Natuurlijk wel, dat is ook maar een mens. Maar ruzies die hieruit ontstaan, creëren wel degelijk conflict: die bijbehorende gevoelens schreeuwen om wijzende vingers: “Ja, maar jij kan ook nooit iets verkeerd doen!” “ En jij dan, overal een drama van maken van iets waar niet eens iets aan de hand is!”
Het klopt dat ruzie een plot gaande kan houden en de relaties van de personages onderling bloot kan leggen, maar de typische wijzende vingertjes zijn daar allesbehalve behulpzaam voor. In een verhaal gaat het er niet zozeer om wie er de discussie ‘wint’ of wie er ‘gelijk’ heeft, maar dat de lezer de personages en omstandigheden beter leert kennen. Dat is bijna onmogelijk met het cliché lievelingskind, omdat het zelf en vele familieleden liever hun gelijk bewijzen, dan dat ze zich aan de lezer blootgeven en het plot liever in rondjes laat draaien dan dat ze willen dat het daadwerkelijk ergens naartoe gaat.
Het cliché fiksen: waarom hij/zij?
Er is een reden waarom uitgerekend dit kind de lieveling van de familie is en dat er überhaupt een lieveling heeft kunnen ontstaan in de familie. Wat zijn die redenen en wat zegt over de familie? Maak van dat antwoord een verhaalthema en zet dat in de schijnwerpers, niet zozeer dit personage zelf. Een verhaalthema geeft ruimte, een door voorrecht verblind personage niet zo veel.
Nu jij!
Schrijf een scène van maximaal 150 woorden waarin het lievelingskind verblind is door diens eigen voorrecht, zonder dat er sprake is van wijzende vingertjes.
Tip voor het verminderen van het cliché
Zet het lievelingskind niet zoveel in de schijnwerpers van het plot als de rest van de familie dat doet. Hou de scènes waarin deze voorkeursbehandeling duidelijk wordt relatief kort en krachtig.
Ik heb iets te vertellen, dus ik trek mijn mond open. Zo beginnen gesprekken en dialogen. Maar dan moet het hoge woord er nog uit…
“Dus uhm, ja, hoe zeg ik dat…” “Gaat alles wel goed?” “Nu je het vraagt, eigenlijk niet echt. Uhm, mijn vrouw is ziek.” “Ach jee, is het bij jou ook al raak? Mijn zoontje heeft vorige week…” “Dus ja…” “O wacht, mijn telefoon gaat” “En nu is het afwachten…” “Sorry, hoor. Hoe is het met je broer, zei je?”
Deze personages zijn niet goed op het gesprek afgestemd. Wil je leren hoe je een dialoog beter op papier krijgt? Dan kan je mijn nieuwe schrijfcursus volgen: De perfect afgestemde dialoog.
Daarin leer je hoe je een vlotte dialoog schrijft. Niet alleen dat: je leert ook over de menselijke stem, waarom mensen en personages willen praten en hoe dat van elkaar verschilt. En hoe je met behulp van een dialoog je plot kan versterken en je personages onvergetelijk kan maken. Ik combineer daarbij mijn ervaringen als logopediste en schrijfcoach zodat spreken, communiceren en dialogen schrijven geen geheimen meer hebben voor je. Kortom: je gaat het begrip ‘dialoog’ uitgebreid (her)ontdekken en er alles over leren, zodat je dialogen van de bladzijden af gaan spatten.
Les 1 van de cursus: het verschil tussen gesprek en dialoog
Lekker weertje, hè?” “Vind je? Ik ga echt dood van de hitte…” In een gesprek tussen mensen kan dit gesprek nog rustig een paar minuten doorgaan, maar in een geschreven dialoog gaat het eerder verder als:“O. Nou, ik niet hoor.” Punt. Einde verhaal. Soms vrij letterlijk. Tenzij je de dialoog uitschrijft alsof het een gesprek is tussen mensen, maar dan legt je lezer het boek alsnog weg. En is er nog steeds geen echt verhaal. Want een gesprek over koetjes heeft geen conflict, geen spanningsboog.
In de eerste les van de cursus ‘De perfect afgestemde dialoog’ leer je waarom gesprekken tussen echte mensen niet hetzelfde is als een dialoog tussen twee personages en hoe een dialoog soms heel anders lijkt te klinken dan hoe hij op papier staat. Ook leer je welke rol de menselijke stem daar in kan spelen. Je gaat dus ook kennismaken met de stem. En wist je al een dialoog meer moet zijn dan alleen twee personages die gezellig babbelen? In deze eerste les leer je ook wat de functie is van een dialoog en hoe je die voor het plot en de spanningsboog in kan zetten. Met vijf opdrachten om te maken, zet deze les je meteen flink aan het werk.
Les 2: ‘Ik heb iets te vertellen’ waarom praat je personage?
Waarom praat je personage eigenlijk?
Die vraag staat centraal in les 2 van de schrijfcursus: ‘de perfect afgestemde dialoog’. Je personage heeft iets te zeggen, zoveel is duidelijk. Maar is het boos, of blij en wil het daarom een woordenstroom op papier loslaten? En waarom heeft het juist deze gesprekspartner uitgezocht? Is de geliefde alweer het slachtoffer van geklaag over een lange werkdag, of is er juist iets te halen bij een klasgenoot? Dit zijn zaken die aan bod komen in een dialoog, maar ze hebben effect op je algehele plot en de spanningsopbouw daarvan. Daar ga je in deze tweede les van de cursus naar kijken. Ken je een spraakwaterval van wie je wel eens zou willen dat er een timer op de spreektijd zat? Verrassing: een personage heeft die een, want als een personage op ieder moment en eindeloos zou mogen praten, is er niets meer van een plot over. Het moet zijn ‘two minutes of fame’ goed uitkiezen: spreken is voor een personage een voorrecht. Hoe dat zit, leer je ook in deze tweede les.
Les 3: komt dat uit jouw mond? Uniek taalgebruik van een personage
“Aju paraplu, Harry!” Je zou er wel even van staan te kijken als dat uit de mond van Perkamentus zou komen. Terwijl het juist perfect past bij je jolige buurman Cor. Ieder personage heeft dus een eigen figuurlijke stem. Aan het taalgebruik kan je vaak al merken wat voor type het is. Maar je kan daarmee veel meer dan alleen een type neerzetten. Je kan met het taalgebruik zelfs duidelijk maken aan de lezer hoe je personage door anderen gezien wil worden.
En dan is daar de letterlijke stem nog: de reden dat deze cursus aan zijn naam komt. In les 3 krijg je ook een handjevol logopedische inzichten mee, zodat je op een realistische manier een spreekstem voor je personage kan kiezen. Kan je daar iets mee, dan? Jazeker! Bij bepaalde stemmen hebben mensen associaties. Zo kun je een symboliek versterken zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Bovendien een unieke stem kan ervoor zorgen dat je personage opvalt tussen alle andere inwoners van de papieren wereld die allemaal hetzelfde praten, omdat de meeste schrijvers weinig tot geen aandacht aan besteden. Een stem van een personage kan dus helpen je hele verhaal memorabel te maken. In deze les kan je met vier opdrachten ook weer lekker aan de slag.
Les 4: de drie mogelijke lagen van een dialoog: haal het beste uit je plot en je personages
Zeg jij altijd precies wat je denkt? Dan zou je het als personage in een boek niet zo goed doen… Personages verschillen in meerdere opzichten van mensen. Een van de belangrijkste verschillen is dat ze altijd een agenda hebben. Nee, ze werken niet allemaal voor de geheime dienst. Maar waar jij en ik gewoon ons leven kunnen leiden, moeten personages er altijd voor zorgen dat het plot draaiende wordt gehouden en spannend blijft. En dat bepaalt hun manier van praten volledig. Personages praten op drie mogelijke manieren. Een enkele keer recht voor zijn raap, meestal houden ze informatie achter of bedoelen ze meer dan ze zeggen. En soms praten ze op een manier die lijkt alsof ze inderdaad voor de geheime dienst werken. In deze laatste les van de cursus leer je met behulp van vijf opdrachten wanneer je personage op een bepaalde manier praat en hoe je dat goed uitwerkt in een dialoog. En ook wat voor invloed dat heeft op de rest van je verhaal. Want zoals je op dit punt van de cursus al zal weten: een dialoog staat nooit helemaal los van de rest van je boek. Ben je klaar met deze les? Dan wacht er nog een eindopdracht waarin je je schrijverskunsten kan bewijzen.
Lees hier ook de inzendingen van de schrijfwedstrijd ‘Het geheime gesprek’, waarmee de winnares de cursus won.
Goed om te weten over de cursus ‘de perfect afgestemde dialoog’
De cursus kost 199 euro, inclusief btw.
Je krijgt de eerste les opgestuurd zodra aan de betaling is voldaan. Voor een vlotte afhandeling van de administratie is het fijn als je samen met je aanmelding je naam en (factuur)adres doorstuurt. In overleg is betalen in termijnen mogelijk.
Om je niet te overweldigen en de feedback ook ten volle te kunnen benutten, krijg je een volgende les toegestuurd zodra je met de huidige les klaar bent.
Feedback op de inleveropdrachten krijg je binnen maximaal 10 dagen opgestuurd.
Je kan de cursus op ieder moment starten en helemaal op eigen tempo volgen. Je bent aan geen enkele deadline gebonden.
Je krijgt geen (erkend) diploma met deze cursus: in plaats daarvan ontvang je een leesrapport van je eindopdracht.
Mocht je na het volgen van de cursus een boek in de maak hebben en nog behoefte hebben aan een redacteur, dan wil ik je natuurlijk graag helpen. Rond de cursus succesvol af en je krijgt 20% korting op je eerste bestelling uit de webshop. Proost op je schrijverschap.
‘Het was maar een droom’. Het is zowel een cliché als een einde dat je hele verhaal teniet kan doen. Want als het maar een droom was, waarom moest de lezer dan alle moeite doen om tijd en emoties in je boek te investeren? Je kan dat einde dus beter mijden. Maar als schrijfoefing kan je dit uitgangspunt gebruiken om je verhaal op de tekentafel een goede basis te geven.
Het was maar een droom… Dus het lezen niet waard
Laten we eerst eens kijken naar dit cliché en wat het zo cliche maakt. Er is een opbouw van een compleet verhaal, en uiteindelijk wordt het afgekapt. Net voor een spannend moment, waar het personage wakker schrikt. Dat werkt een anticlimax in de hand. Maar ook als je personage het hele verhaal in diens droom doorlopen heeft, blijft er met ‘het was maar een droom’ een gevoel van onbehagen achter bij de lezer.
Bij het lezen van een boek neemt de lezer als symboliek van een droom of nachtmerrie aan dat daarin precies en alleen maar gebeurt wat het personage hoopt of vreest. Maak je van alles dus een droom, dan kan dat voor de lezer aanvoelen dat de held van het verhaal ook de God is van diens verhaal en dat het dus alles zelf mocht bepalen. Zoveel macht mag je een personage niet geven. Een schrijver is de God van de papieren wereld van een personage en zelfs die heeft zich aan bepaalde regels te houden. De het-was-maar-een-droom, is daardoor dus niet genuanceerd genoeg. Het is niet af. Of zo voelt het. Voor de lezer als het om het personage gaat (Wat doet de held met diens leven nu die alles maar gedroomd heeft?) en voor de schrijver als het om het schrijfwerk gaat: hoe eindig ik een verhaal met opgedane kennis die in zekere zin niet echt is opgedaan, slechts vanaf een soort afstandje bekeken? – De droom-persona van de held heeft obstakels overwonnen, dus de held zelf deed dat niet.
Verder kijken dan dromen
Met een gedroomd plot zijn een paar van de belangrijkste zaken al uitgewerkt: de grootste angst en de grootste droom van je personage. Alleen moet je dus nog iets doen aan dat knagende gevoel dat je held zijn eigen conflict dus niet echt aangaat. Kijk eerst eens wat je personage door zijn verhaal te dromen niet hoeft te ondergaan en schrijf dat op. Maak gebruik van het cliché dat je dromen je altijd iets willen vertellen, of dat je misschien zelfs nog een onverwerkt trauma hebt. Dus Jan met de Pet droomt dat zijn vrouw vreemdgaat en dat hij vervolgens op allerlei manieren wraak neemt? Voelt hij zich dan: – makkelijk bedrogen? – beroofd van mannelijke trots omdat hij de broek niet aanheeft in de relatie? – onzeker over zijn relatie? – onderdrukt door gevoelens van onkunde of verboden gevoelens die in deze droom alle ruimte krijgen?
Zeg het maar, waarom droomt Jan dit? En net zo belangrijk: waarom is Jan teleurgesteld, of opgelucht als hij uiteindelijk beseft dat alles maar een droom was?
Van slechts een droom naar een beter verhaal
Zet nog eens op een rij wat je al weet: de grootste droom, angst en waarom je held zich teleurgesteld of opgelucht voelt dat het verhaal niet echt is gebeurd. Daar kan je ook weer een aantal belangrijke zaken uit opmerken. Waar ligt bijvoorbeeld de comfortzone, en wat zijn de mogelijkheden om daar weer uit te komen? Ook is de kans groot dat je een verhaalthema kan ontdekken.
Jan droomt van zijn vrouw die vreemdgaat, omdat dat voor hem een verboden verlangen is om zelf vreemd te gaan. Hij voelt zich al jaren (seksueel) ontevreden in zijn huwelijk, zo niet compleet onzichtbaar. Zijn vrouw handelt steeds meer naar haar eigen wil. Hoewel zij geen minnaar heeft, zou zij als ze die een zou willen, brutaal genoeg zijn om die een te zoeken.
Verhaalthema’s zoeken
Verhaalthema’s die hierbij zouden passen zijn: worstelen met je onzichtbaar voelen en onderdrukte gevoelens. Dat kan op nog veel meer manieren in een verhaal worden verwerkt dan in Jans dromen gebeurt. Zo kan Jan een baan hebben die door de maatschappij onbelangrijk wordt geacht, of die vooral achter de schermen plaatsvindt. Of Jan heeft eenzijdige vriendschappen; hij wordt er moe van dat hij steeds degene is die vraagt hoe het met zijn vrienden gaat, andersom gebeurt dat niet. De onderdrukte seksuele gevoelens zou je in combinatie hiermee ook thematisch kunnen vertalen naar bijvoorbeeld een verslaving, van welke soort dan ook, omdat Jan er in ieder geval op kan rekenen dat zijn middel er in ieder geval wel altijd voor hem is en waar de onderdrukking in een verslaving wordt gekanaliseerd.
De comfortzone bepalen
Kijk dan nog eens naar de comfortzone. Jan was in zijn droom erg opgelucht dat hij zijn vrouw geen klap had verkocht omdat ze vreemd was gegaan. Normaalgesproken hoeft Jan daar niets meer mee: de droom is voorbij. Maar jij spaart Jan niet: het verhaal gaat verder en moet een heel boek kunnen dragen. Dus, Jan, jij moet er iets mee doen dat je de neiging had om tegen je vrouw uit te varen. Wat dan? In woedebeheerstingstherapie gaan? Een scheiding overwegen? Die onderdrukte wilde kant eens loslaten en brave Jantje eindelijk eens aan de kant schuiven? Wat dat precies moet zijn, kan je afwegen aan de hand van de verhaalthema’s die je al verduidelijkt hebt. Of je kijkt in de personagebiografie wat daar (tussen de regels door) nog voor bruikbaars staat geschreven.
“Het was maar een droom.” Als je dat overweegt voor een deel van je plot, dan is dat een aanwijzing dat je je personage ergens te makkelijk mee weg laat komen. Juist op het moment dat er veel spannends of interessants te halen valt. Je hoeft je personages niet altijd te sparen. Sterker nog: van de nodige uitdaging worden ze er meestal een die je lezer ook nog na het dichtslaan van het boek onthoudt.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: onrealistisch romantisch.
De clichés
Liefde op het eerste gezicht, het schattigste ‘en zo ontmoetten wij elkaar’-verhaal, de lange knappe man die er exact als er in de dromen van de heldin of lezeres uitziet. Tot slot is dit koppel goddelijk goed in bed. Zeg ‘het ultieme romantisch verhaal’ en deze clichés volgen elkaar op. Samen vormen zij Het Romantische Verhaal dat zelfs mensen die niet schrijven of lezen van voor tot achter kunnen opdreunen. Je ziet iemand en vanaf seconde een is de rest van de geschiedenis niet alleen rozengeur en maneschijn, maar ook romantisch op een schaal die de gewone sterveling nooit ervaart.
Waarom stoort dit zo?
Wat deze clichés naast de voorspelbaarheid en oppervlakkigheid zo naar maakt, is de dat grens tussen werkelijkheid en fictie hiermee vervaagt. Deze gezamenlijke clichés zijn zo hardnekkig dat we in het echte leven in meer of mindere mate van romantiek of romantische relaties verwachten dat ze zo verlopen. Zo niet, dan gaan we twijfelen. Natuurlijk begrijpt iedereen dat alleen papieren Romeo dagelijks rozen meeneemt, een bubbelbad voor Julia laat vollopen en eens per maand een liedje voor haar componeert. Maar de grens tussen fictie en werkelijkheid wordt vager zodra je dit hele overdreven voorbeeld langzaam maar zeker wat meer afzwakt. Dan krijg je uiteindelijk uitspraken als:
Hij geeft mij gemiddeld twee keer per jaar een spontaan cadeautje; hij geeft weinig om mij.
Onze gezamenlijke intimiteit is prima, maar niet meer dan dat. Is er iets mis met ons?
Ik heb haar pas bij de derde keer dat ik haar in de vriendengroep ontmoete serieus aangesproken. Is mijn aantrekkingskracht naar haar dan wel oprecht (geweest)?
Anders gezegd: in boeken is romantiek zo groots en zo alom aanwezig, dat de gemiddelde romantiek in het echte leven erbij verbleekt. Daardoor herkennen we het soms niet eens meer als zodanig. Al is het maar omdat als we één keer kibbelen met onze wederhelft dat het startsein zou zijn van het over en uit. Als je net als in een boek constant in elkaars ogen verdrinkt, denk je niet aan ruziemaken. Zo wordt romantiek – niet liefde!- veel groter gemaakt dan het is en overgeromantiseerd.
De oorzaak van het cliché: één universele en grote liefdestaal
Boeken en films doen ons graag geloven dat iedereen een en dezelfde kijk of liefde en romantiek heeft, maar dat is niet zo. Iedereen heeft een eigen liefdestaal; de manier waarop diegene liefde uit en ontvangt. Er zijn vijf verschillende soorten:
Positieve woorden
Aanraking
Dienstbaarheid
Cadeautjes geven
Tijd en aandacht
In overgeromantiseerde verhalen worden al deze talen tot de macht tien uitgeoefend. Terwijl bijna iedereen ook een liefdestaal heeft die helemaal niet zo gewaardeerd wordt: “Hou eens op met die kleffe kusjes de hele tijd!”
Het cliché fiksen: kijk naar persoonlijke details
Jouw personages hebben elkaar ontmoet op een feest, zonder dat er meteen sprake was van Cupido’s voltreffer of dat er een weldoordachte koppelpoging aan vooraf ging. En toch is er iets goed gegaan, want ze zijn nog steeds samen. Kijk nog eens goed naar de verschillende details die samen het grote en belangrijke geheel vormde voor een romance. Kijk vanuit de beleving van je personage hierop terug en werk dat zo verder uit. De persoonlijke liefdestaal kan hierbij een goede houvast geven.
Nu jij!
Schrijf in maximaal 100 woorden een scène die romantisch is, zonder het te overdrijven.
Tip voor het verminderen van de clichés
Laat een van de vier clichés, of hoogstens twee in mindere mate de leidraad zijn voor de romance van je personages. Beschouw de rest als bonuspunten die je ze (af en toe) gunt.