Zo schrijf je een interessant verliefd stel

In vrijwel elk verhaal komt een liefdesrelatie voor. Meestal is dat er in het begin van het boek nog niet. Dat betekent dat je de vonk moet laten overslaan en de eerste vlinders in de buik moet beschrijven. Dat lijkt makkelijk, maar vaak mondt dat bij beginnende schrijvers uit tot een eindeloos gezwijmel, dat niet zelden vergezeld wordt door een zekere vorm van hysterie. Dat leest niet altijd interessant, soms eerder irritant. Hoe schrijf je over de welbekende zwerm vlinders zonder dat lezer al met zijn ogen gaat rollen zodra de twee geliefden elkaar in de ogen kijken?

Romantiek als grootste cliché

Verliefd worden komt zo vaak voor in verhalen dat het een van de meest voorkomende tropes is, waardoor het maar al te makkelijk uitgroeit tot een cliché. Vergelijk het met een vriend(in) die helemaal hoteldebotel is en nergens anders meer over kan praten dan de nieuwe vlam. Dat is een tijdje leuk om aan te zien, maar als dat maanden of jaren voort zou duren, zouden er grofweg twee irritaties ontstaan:

* “Ja, we weten het onderhand wel: Chaim is geweldig. Ga je nog een keer verder met je leven?”
* “Wacht maar tot je van je roze wolk afdondert, niet alles is rozengeur en maneschijn.”

Centraal conflict en balans

Bovenstaande citaten slaan de spijker op z’n kop als het gaat om waarom schrijven over romantiek zo makkelijk misgaat. Als je een personage (of stelletje) hebt dat niets anders doet dan verklaren hoe verliefd ze wel niet zijn, dan heb je geen centraal conflict, waardoor het verhaal niet op gang komt of erg afzwakt.
Als je een leven hebt van rozengeur en maneschijn is dat evengoed saai, omdat er dan geen afwisseling van goed en slecht in je verhaal is. Goed en slecht kan betrekking hebben op personages, maar ook op gebeurtenissen, meningen, of vaststaande situaties. Zorg daarin ook voor genoeg ‘afwisseling van soort’. Als het conflict vormt: ‘mogen arm en rijk bij elkaar en gaan ze het samen redden?’ Zorg er dan voor dat er nog iets meer is dan alleen ruzie en weer goedmaken en twijfels die om de hoek komen kijken “Wij zijn voor elkaar gemaakt. O nee, toch niet, want ik haat je. O toch wel, want ik ben dol op je. O, toch niet want onze ouders keuren het af.” Dat geeft een hele magere invulling van save the cat; het is eigenlijk geen echt verhaal waarin personages en het plot kunnen groeien, eerder een herhaling van een en hetzelfde dat snel vervelend of traag leest.

The notebook: als het om niets dan liefde gaat

The Notebook is een goed voorbeeld van het bovenstaande. Het is de bekende onmogelijke liefde tussen arm en rijk, compleet met liefdesdriehoek en het continue vraagstuk: eindigen ze wel of niet met elkaar? Hun liefde krijgt zo letterlijk alle aandacht dat de personages als persoon niet groeien of andere ambities krijgen (zonder weg te kwijnen bij de herinnering aan de ander…) Natuurlijk is dit niet meteen fout (romantische verhalen verkopen zeer goed) maar er zit zoveel meer potentie in een verhaal als het over meer gaat dan alleen de relatie en de vraag of dit stel voorbestemd is of niet.

Hoe hartverwarmend een beeld als dit ook is, als je alleen zoiets te zien krijgt, gaat het uiteindelijk ook vervelen.

Hoe schrijf je over een verliefd koppel?

Als eerst en belangrijkste: hou het gezwijmel en de roze wolk kort en bondig. Schrijf er zoveel over als je wil, maar zorg er wel voor dat die het verhaal niet gaan overheersen. Er moet méér dan die verliefdheid zijn in een verhaal. En als die er is, kijk dan eens of je erachter kan komen waarom de personages verliefd op elkaar worden en ook blijven. (Hier heb je een groot voordeel: je personage zit op een roze wolk naar de ander te kijken, jij niet 😉 ) Daardoor kun je ook neutraal naar de karaktertrekken van de ander kijken en die analyseren. Denk aan dingen als:
* Zelfvertrouwen wordt vergroot;
* De ander laat positieve kanten zien die je personage niet van zichzelf kende;
* De ander helpt om dromen waar te maken en leert hoe obstakels overwonnen kunnen worden;
* Het stel vult elkaar aan (in de nuchtere zin van het woord, waar de slaapkamer niets mee te maken heeft).

Een vriendelijke, vlugge kus getuigt ook van liefde. Er is niet ‘pas’ sprake van liefde als de vonken ervan af spatten.


Laat deze aspecten waar je personages van groeien een belangrijk deel van het plot of misschien zelfs het verhaalthema vormen. Als je personage dolgraag een bepaalde baan wil hebben, kan de partner helpen die dromen waar te maken door te helpen met sollicitatiebrieven schrijven. Dat kan je personage dan zodanig waarderen dat de vlinders in de buik blijven.
Dit is natuurlijk ook iets wat vrienden voor elkaar kunnen doen. Daarom moet je je stel af en toe tot regelmatig kleine, maar duidelijke blijken van affectie laten tonen, zoals een kus of een romantisch gebaar. Erotische of romantische uitspattingen doen het goed op momenten die tekenend zijn voor een belangrijk moment in het plot of wanneer er duidelijk blijkt waarom deze mensen zo dol op elkaar zijn. Je kan beter enkele keren ‘goed uitpakken’ en de subtiele dingen wat vaker laten terugkomen dan alles in de extremen beschrijven. Denk aan het spreekwoord: de boog kan niet altijd gespannen zijn. Dat geldt ook voor de spanningsboog en verliefdheid binnen een verhaal.

Natuurlijk is het het idee van veel romantische verhalen dat de romantiek van de pagina’s af moet spatten en dat het zwijmelgehalte hoog moet zijn. Daardoor komen de meer extreme liefdesverhalen in dat genre aan bod. Als de liefdesrelatie zelf niet het thema van je verhaal is, kan je dit genre beter niet als ‘spiekbrief’ voor het schrijven van een relatie of romantiek gebruiken. Dan doe je er beter aan om de liefde tussen je personages als ‘gewoon’ fijn en vanzelfsprekend te beschouwen (Wat dat dan ook precies voor je betreffende personages betekent) dan als één-op-de-miljoen-worden-zo-verliefd-als-zij.

Het karakter van je personage uitwerken

Als je een personage gaat uitwerken, maak je een personagebiografie. Zo leer je onder andere zijn karaktertrekken kennen. Maar hoe zorg je ervoor dat je die ook geloofwaardig op papier uitwerkt?

Wat vormt een personage?

Ervaringen, verschillende achtergronden en karaktertrekken maken een personage tot wie hij is. Lees mijn blogpost over het schrijven van een personagebiografie voor meer informatie. Maar jij kan die biografie super serieus nemen en zelfs weten wat de favoriete cornflakes van je personage is, je bent er nog niet als je iets over je personage opschrijft. Je moet het uítwerken om je personage realistisch en geloofwaardig te maken. En dat uitwerken doe je telkens weer, niet in een keer.

Ik schreef al eerder in de blogpost zo leest een tekst heel natuurlijk over hoe je een personage realistisch laat overkomen. Laten we twee belangrijke punten uit die post nog eens bekijken, maar nu met de invalshoek van het uitwerken van de karaktertrekken van je personage.

Herhaling geeft bewijs

Dus jouw personage is aardig? Bewijs het maar eens. Je bent niet meteen aardig als je een enkele keer een complimentje geeft; dan dóe je eerder aardig. Je bent pas aardig als je zo vaak een complimentje geeft dat het niet meer als iets incidenteels kan worden gezien. Met echte mensen is dat misschien zwartwit om te stellen, maar voor personages geldt dat wel. In het geval van personages moet je ook goed nagaan of ze alleen maar aardig zijn tegen een enkel persoon of tegen iedereen. In dat eerste geval loop je het risico dat je personage niet als aardig, maar als een hielenlikker wordt gezien. (Nog) meer dan bij mensen in het echte leven liggen de acties van personage constant onder een loep. Alles wat je schrijft moet iets toe te voegen hebben. Daarom zullen personages nooit zomaar eens hoesten. Dan zijn ze meteen ziek. Of gaan ze nooit naar het toilet, tenzij hun pestkop hun hoofd in de wc-pot duwt of ze aan de diarree zijn en een reden hebben om zich de volgende dag ziek te melden op kantoor.. Daarom is elke actie van je personage meteen een ‘bewijs’ van een veronderstelling dat je personage een bepaalde karaktertrek of beweegreden heeft.

Vergelijk herhaling die bewijs geeft als een liefdesverklaring met de bekende liefdesslotjes. Je zegt heel vaak: “Ik hou van je” voordat je bereid bent om ook zo’n slotje op te hangen en te laten zien dat je echt verliefd bent in plaats van het alleen zegt te zijn.

Verschillende vorm, hetzelfde principe

Karaktertrekken kunnen en moeten op verschillende manieren naar voren komen. Het zou raar zijn als een aardig iemand altijd koekjes voor zijn vriend bakt als die examens heeft, maar nooit eens zou glimlachen of zou helpen. Wissel de verschillende uitingen van de karaktertrek dus voldoende af. Het maakt een personage realistischer en je voorkomt ermee dat -zoals hierboven beschreven- een personage slechts situatieafhankelijk in plaats van oprecht door een karaktertrek lijkt te reageren.

Personages veranderen

Om een goed verhaal te schrijven, moet je ervan uitgaan dat ieder personage de hoofdpersoon is van zijn eigen heldenreis. Dat betekent ook dat ieder personage een eigen centraal conflict meemaakt en dus van karakter (kunnen) veranderen. Een geliefd personage kan dus overlopen naar de duistere kant of een slechterik kan bijdraaien. Die verandering kan niet zomaar uit de lucht komen vallen. Afhankelijk van of je een plottwist in de hand wil werken of niet zal je meer of minder hints moeten geven. Maar (subtiele) veranderingen in karaktertrekken doen het vrijwel altijd goed.

Dit kan je op verschillende manieren doen:

  • * Verminder de vertrouwde karaktertrek (Laat die vriend naar verloop van tijd steeds minder vaak koekjes bakken);
  • * Laat het personage een minder verwachte of zelfs een tegengestelde keuze maken: de onzelfzuchtige vriend blijft deze keer thuis in zijn hangmat luieren als zijn vriend wederom om hulp vraagt;
  • * Laat je personage opmerken dat iedere karaktertrek een tegenhanger heeft die misschien niet eens zo slecht is. Je personage kan wel altijd ‘ja’ zeggen en daar prat op gaan, maar als je nooit nee kan zeggen, gaan mensen over je heen lopen. Sandra ging bijvoorbeeld naar bed met Tom om hem een plezier te doen, waarna ze haar maagdelijkheid verloor. Sandra had eigenlijk bedacht haar maagdelijkheid te bewaren voor Younes; ze is al jaren heimelijk verzot op hém.
    Laat je personage zo nu en dan eens ‘experimenteren met de andere kant van de medaille.’

Vooral dat laatste punt is erg nuttig als je je personage wat radicaler van karakter wil laten veranderen. Let er wel op dat je dit langzaam maar zeker doet. Niemand verandert in drie weken van een extremistische aanslagpleger tot een zorgzame Jan met de Pet die blij is als hij elke ochtend zijn krantje en verse jus d’orange heeft. Let erop dat je bepaalde grenzen bewaakt: je personage mag best eens wat anders doen of laten zien, maar dat wil niet zeggen dat hij hoe dan ook radicaliseert. Je kan deze techniek ook gebruiken om te laten zien dat je personage geen Mary Sue is en dus ook zijn mindere kanten heeft.

Als Mary Sue besluit om naar puistjes niet onder de make-up te verstoppen, ziet ze misschien in dat ze niet zo lelijk is als ze denkt. Zo kan het loslaten van ijdelheid ( op langere termijn) voor karakterverandering zorgen.

Laat je personage eens aan zelfreflectie doen

Zelfreflectie is niet voor elk personage weggelegd. Als je mentaal of emotioneel (tijdelijk) instabiel bent, of nog niet volwassen (genoeg), dan wordt dat lastig. Maar als je personage ertoe in staat is, dan kan zelfreflectie een goede manier zijn om je personage een aanleiding en besef te geven dat hij in bepaalde dingen moet veranderen, wat tot verandering van karakter kan leiden. Let er wel op dat je dit niet met slechte expositie doet; hm, ik word buitengesloten, zal ik dan maar eens nagaan wat ik misschien verkeerd heb gedaan? werkt niet.

Schrijversoefening: de gewenste nachtmerrie

Je personage heeft wensen en dromen. Dat is een goed begin van een personage-uitwerking. Je weet dan hoe je een centraal conflict in gang kan zetten: een heldenreis kan beginnen met het doel een droom na te jagen. Maar als je je personage in je opschrijfboekje juist gaat pesten, dan kun je nog meer over je protagonist te weten komen. Uitgangspunt: pas op met wat je wenst, want die wens zou maar eens uitkomen…

Wat zegt een wens over je personage?

Als je je personage wil leren kennen, is het belangrijk om te weten wat zijn wensen en dromen zijn. Zo weet je wat je personage als doel heeft en dus ook wat hij veel zal doen. Als hij dokter wil worden, zal hij gaan studeren. Als ze professioneel turnster wil worden, zal je veel in de sportschool te vinden zijn.
Onze aankomende dokter is dus waarschijnlijk ook slim, onze turnster moet veel met voeding en beweging bezig zijn. Zo heb je een oppervlakkig begin van het doen en laten van je personage. Maar erg diepzinnig worden die bevindingen niet.

De nachtmerrie die een hartenwens blootlegt

Als je de wens van je personage vervult op een manier die je personage niet wil, dan kom je te weten wat de kern van de hartenwens is.
Naoko’s hartenwens is om moeder te worden, te trouwen en een huisje te krijgen voor haar gezinnetje.
Oké, prima, dan doen we het zo:
Je staat op het punt uitgehuwelijkt te worden, maar dan blijk je zwanger van een buitenechtelijk kind. Daarom verstoot je familie jou. Je trouwt met de vader van het kind, maar vrijwel niemand van de familie erkent je huwelijk, omdat het gemengd is. Je krijgt een eigen huis: in een krot in het stadsdeel waar enkel andere uitgestotenen wonen.

(Gedeelte van het plot van de roman: Het meisje in de witte kimono. Een leestip voor als je deze schrijfoefening ‘in de praktijk’ wil zien.) Je wens is vervuld, Naoko, alsjeblieft. Maar dit wilde ze natuurlijk niet. Dit is eerder een nachtmerrie dan een wens.

Je wilde in je eentje een boswandeling maken? Ga je gang…

Wat schiet je hiermee op als schrijver die een personage aan het ontwikkelen is? Het leert je dat concrete wensen van een personage eigenlijk een soort invulling zijn van een breder verlangen.

Neem de wens een moeder te worden. Waarom wil je personage zo graag moeder worden? Daar kunnen veel verschillende redenen voor zijn, bijvoorbeeld:
* Ze is dol op kinderen
* Ze wil een nalatenschap hebben
* Ze vindt dat dat hoort bij vrouw en/of echtgenoot zijn

Laten we zeggen dat jouw personage moeder wil worden omdat ze een nalatenschap wil achterlaten op de wereld. Dat kan door kinderen te nemen, maar ook door bijvoorbeeld:
* een bedrijf te starten
* een boek te schrijven
* een nieuwe politieke visie te verkondigen

Kortom: om de ‘diepliggende wens’ in vervulling te laten gaan, zijn kinderen niet de enige optie. Maar in die behoefte om nalatenschap kan je wel het mogelijke archetype van je personage zien. In dit geval zal deze vrouw een creator kunnen zijn: zelfexpressie staat bij dat archetype hoog in het vaandel. Creativiteit ook. Hé, misschien is zij ook wel een kunstenares…
En wat zal iemand die expressie belangrijk vindt nog meer nastreven, voor meningen hebben of voor afkeuren hebben? Als je de diepliggende wens eenmaal weet, kun je eindeloos verder brainstormen over wat voor iemand je personage nog meer is.

Vaardigheden en omstandigheden van je personage ontdekken

Je personage moet omgaan met deze ‘gewenste nachtmerrie’ die je hebt uitgewerkt. Hoe kan of doet hij dat?
Denk hierbij aan dingen als:

* Onderneemt je personage actie, wordt hij verlamd door angst of blijft hij hangen in een slachtofferrol? (Dit had mij niet mogen overkomen en daar ben ik zo boos over, dat ik nu verbitterd blijf mokken. Van dat mokken maak ik mijn comfortzone.) Dat zegt iets over het algemene karaktertrekken van je personage. Hij is een doorzetter, paniekerig aangelegd of geeft (te) snel op.

* Heeft hij de financiële middelen om uit de problemen te komen? (kan hij een advocaat inschakelen, een nieuwe woning huren, de ziekenhuisrekening betalen?)

* Heeft hij de intelligentie/ kennis of zelfstandigheid om een actie te kunnen ondernemen? (Ga maar iets oplossen als je niet weet wat er aan de hand is. Of als je blut bent en nog nooit een rekening hebt betaald omdat de persoonlijke assistent van je stinkend rijke familie dat altijd deed.)

* Wie kan en durft je personage om hulp te vragen?
Dit zegt iets over het sociale vangnet dat je personage (niet) heeft. Ook vertelt het of je personage voldoende assertief is, of misschien te trots.

Is je personage standvastig of juist flexibel?

Gaat je personage koste wat kost proberen om de oorspronkelijk gekoesterde wens in vervulling te laten gaan? Of geeft ze uiteindelijk op en zoekt ze een manier om geluk te zoeken in de omstandigheden zoals ze nu zijn?

Pak maar vast je post-its erbij: je zal met veel nieuwe en korte inzichten komen als je deze oefening doet.
Schrijf op wat je te binnen schiet, beperk je niet. Het is een oefening: niets hoeft in je boek gebruikt te worden en alles wat je tegenkomt, is een potentieel nuttige bevinding.

Thema bepalen

Als je al het bovenstaande te weten komt, kan je je bevindingen samenvoegen tot een thema. Daar kan je dan andere gebeurtenissen of personages over schrijven. Als je gaat schrijven over ontplooiing, kan je je personage een extra cursus laten volgen. Of een vriend of vriendin in het verhaal schrijven die je protagonist aanspoort om grenzen te verleggen.
Het is het beste om als geheel je personage een verhaal te geven waarin er balans is tussen de nachtmerrie in je opschrijfboekje en de wensvervulling die je personage heeft. Dan is je schema van save the cat uiteindelijk goed in balans. Uiteindelijk zal deze schrijfoefening je als je als het goed is ook kennis over je gehele verhaal moeten geven, niet alleen over je personage.

Een verhaal bedenken vanuit een personage

Als je een verhaal wil schrijven, komt het regelmatig voor dat je al een idee hebt waar het over moet gaan. Maar soms heb je een personage in gedachten, waar je nog geen verhaal bij hebt. Hoe schrijf je dan een verhaal?

Personage of thema: waar begin je mee?

Een verhaalidee ontstaat vaak vanuit een thema. Dan is het relatief makkelijk om een verhaal en het hoofdpersonage verder uit te werken. Wil je schrijven over de muziekwereld? Dan is je hoofdpersonage een componist of musicus die hogerop probeert te komen. Voilà, een verhaal in de dop. Maar als je heel duidelijk een personage voor je ziet, kan het lastiger zijn om daar een verhaal bij te bedenken.
Je ziet een visser voor je. Dat kan een heel uiteenlopend persoon zijn. Is hij een beroepsvisser die dagenlang op zee ronddobbert? Is het een hobbyvisser die elk weekend bij een vijvertje zit? Of reist hij de wereld over voor wereldbekerwedstrijdvissen?

Leer je personage kennen

Als je een verhaal start met een personage, neem dan de tijd om hem goed te leren kennen. Schrijf zijn personagebiografie uit, maar hou het daar niet bij. Hoe uitgebreid je de biografie ook uitwerkt, je zal je personage op deze manier kennen zoals een dokter een patiënt kent waarvan ze alleen het medische dossier heeft gelezen.
Je zal hem oppervlakkig kennen, maar het daadwerkelijke doen en laten van je personage blijft waarschijnlijk nog een raadsel. Schrijf daarom eerst wat losse scènes over je personage. Maak je niet druk over de kwaliteit van deze scènes: ze hoeven absoluut niet hoogstaand te zijn. Schrijf over iets waarvan jij denkt je personage beter te kunnen leren kennen. Is dat zijn ochtendroutine? Dat is normaalgesproken een cliché, maar dat maakt nu niet uit. Sterker nog, het kan zelfs helpen om over de meest ‘saaie’ dingen van het leven je personage te gaan schrijven. Niemand heeft immers een leven met 24/7 spanning, drama of romantiek. Die momenten zijn eerder de uitzondering dan de regel.

Hoe schrijf je kennismakingsscenes?

Kennismakingsscenes zijn makkelijk te schrijven. Je moet er namelijk nauwelijks tot niet bij nadenken. Als je gaat kennismaken met je personage, doe je dat heel intuïtief. Je kan een kennismakingsscene schrijven voordat je de personagebiografie schrijft, of nadat je dat hebt gedaan. Dat is een kwestie van voorkeur. Het belangrijkste is dat je personage ( of zijn omgeving) voor je geestesoog ziet en dan gaat kijken wat er in je opkomt. Meestal werkt het het beste als je voor de kennismaking iets uitkiest dat onlosmakelijk met je personage verbonden is. Als je dus schrijft over een visser, laat de scene zich dan afspelen op zee, bij een meertje of een vijver. Het kan ook helpen om een foto te zoeken van een ijkpersoon of van de omgeving waar je personage vaak is.

Zoek een enkele foto, hou een enkel woord in gedachten, of roep één mentaal beeld op en kijk wat je daarmee kan.

Zodra je enkele houvasten hebt gevonden, kun je daarmee een mindmap maken. Dan ga je nog niet nadenken over wat nuttig is, of dat je associaties zelfs maar logisch zijn. Je brainstormt er gewoon lekker op los!

Laten we de bovenstaande foto als voorbeelduitwerking gebruiken. Je ziet op de foto:

  • * twee mensen die met een hengel bezig zijn
    * een meertje
    * een heuvelachtige omgeving
  • * een aantal fietsen
  • Dat lijkt op het eerste gezicht maar weinig te zeggen, maar je kunt hier al een aantal dingen bij bedenken of zelfs uitsluiten:
  • * twee mensen die met een hengel bezig zijn –> zijn dit vader en zoon? Dan kun je bedenken dat de vader misschien wel het archetype verzorger is.
  • * een meertje –> dit is geen open, woeste zee, dus het gaat hier niet om een beroepsvisser.
  • * een heuvelachtige omgeving –> ons personage woont niet in Nederland. Waar dan wel? Stel dat deze foto in de Verenigde Staten is genomen, dan heeft ons personage dus hoogstwaarschijnlijk Amerikaanse normen en waarden. Wat kun je daar over bedenken? Wat zegt dat over zijn wereldbeeld?
  • * een aantal fietsen –> wonen deze personen vlakbij dit meertje? Of wonen ze een eindje weg en zijn ze sportief aangelegd, omdat ze gerust dertig kilometer willen fietsen om deze plek te bereiken?

Je zal merken dat je je personages heel snel en heel goed leert kennen als je op deze manier gaat mindmappen, zeker als je in combinatie daarmee nog enkele scènes uitschrijft.

Kort voorbeeld kennismakingscene

Naar aanleiding van de foto van de visser, kan er iets uit je pen verschijnen als:

Bob gaat elke zondag met zijn zoon Richard vissen. Ze hebben altijd het mooiste plekje bij het meertje. Met hun geheime aas vangen ze altijd de grootste vissen uit het meertje. Op een dag raakt Bob het doosje met dit speciale aas kwijt. Bon schiet in de stress, omdat hij bang is dat zijn vader-en-zoon-uitje minder speciaal wordt zodra er geen grote joekels meer gevangen worden. Richard vindt dat niet erg: het gaat erom dat hij tijd met zijn vader door kan brengen.

Als je deze tekst verder zou willen uitwerken, dan moet er nog heel wat mee gebeuren voordat je hem in je toekomstige verhaal kan plaatsen.
* De tekst is redelijk staccato van toon
* Geheim aas? Wat is dat nou weer? Aas is meestal zoiets als wormen. Dan zou je het over een geheime wormensoort krijgen. Tuurlijk…

Maar deze simpele scène vertelt je ook een aantal nuttige dingen, die je kan gebruiken om in je personagebiografie te zetten:
* Bob is niet zo stressbestendig
* Bob heeft die viszondagen hoog in het vaandel staan

Wat dat geheime aas betreft: wie weet heb je nu al je centrale conflict te pakken
* Er moet nieuw speciaal aas worden gekweekt
* Er komt een zoektocht naar dat aas

Trouwens: wie zegt dat een geheime worm niet bestaat? Als je een fantasy schrijft, kan dat misschien wel!

Je kent je personage nu al stukken beter. Lees hier hoe je zijn karaktertrekken kan gebruiken om het centraal conflict echt op gang te krijgen.

Met deze vier stappen zorgt je personage voor een sterk conflict

Personage en conflict zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Haal een van beide uit de vergelijking en je hebt geen verhaal. Vaak heb je een conflict of een thema waar je een passend personage bij bedenkt. Maar het kan ook andersom. Waar moet je dan op letten?


1. Kijk naar de ‘slechte kant’ van je personage

Ieder personage heeft een slechte kant, maar die hoeft niet meteen schokkend te zijn. Je personage kan een moordenaar zijn, maar zo moet je ‘slecht’ in dit geval niet interpreten. Chaotisch, klungelig, ongeduldig, onhandig of een flapuit zijn is al genoeg. Zolang het maar iets is wat je als ‘niet handig’ of ‘liever niet’ zou kunnen bestempelen. Uiteindelijk moet die slechte kant iets in gang kunnen zetten. 

2. Wat wordt er precies in gang gezet?

Je klungelige personage stoot een dure vaas om. De chaoot is de code van de kluis vergeten. De flapuit verklapt dat de vrouw van haar gesprekspartner is vreemdgegaan… Daar volgt natuurlijk iets op. Krijg je een hernieuwde ruzie over de erfenis? Staat de familie nu ineens op straat? Loopt een vriendschap ten einde? Meestal is er wel een logisch gevolg te bedenken bij een bepaalde karaktereigenschap. 

3. Wie of wat kan dit oplossen?

Meestal krijgt je personage door zijn blunder op zijn kop: Andere personages zijn boos op hem, of de omstandigheden gaan van kwaad tot erger. Dan is het zeer onwaarschijnlijk dat je personage het probleem zelf recht kan breien. De kans is groot dat hij daar de middelen niet voor heeft of dat de eerste schok van de gevolgen van zijn daden hem belemmert om tot actie over te gaan. Daarom is het verstandig om in de eerste fase van het verhaal/het conflict je protagonist een goede vriend te geven die de eerste rotzooi opruimt. Of je helpt de omstandigheden een (subtiel) handje zodat je held de gelegenheid krijgt weer op zijn benen te gaan staan. 

4. De comfortzone verlaten komt later 

Als je thema het uitgangspunt is om een conflict te bedenken, is het meestal zo dat het conflict begint zodra je personage uit de comfortzone wordt gehaald. Als je personage zelf de aanleiding voor het conflict is, moet je wat langer wachten met het uitdagen van je held. Als hij nog staat te trillen naast de scherven van oma’s oude, kostbare vaas, kan hij de grote uitdaging van de comfortzone verlaten nog niet aan.   

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Zo leest een tekst heel natuurlijk

Als schrijver ben je een god van je eigen geschapen wereld. Je kan dus schrijven wat je wil, totdat je je plot en je lezer in de gaten moet gaan houden.

Je hebt geen eindeloze ruimte voor speling

Als schrijver ben je de baas over hoe het verhaal verloopt. Daarin lijk je dus alles over het verhaal te kunnen bepalen. Hoe het verhaal loopt, hoe de personages zich ontwikkelen… Maar dat heeft zijn grenzen. Je moet denken aan wat past binnen de resultaten van je schrijfonderzoek en je personagebiografieën. Daarbij moet je ook rekening houden met wat natuurlijk overkomt. Een van de dingen waar een verhaal op stuk kan lopen, is dat de gebeurtenissen uit de lucht komen vallen: ineens zijn mensen vrienden, verliefd of woedend op elkaar.
Als dit in een tekst gebeurt, ligt de oorzaak vaak bij de schrijver. Die is al zo in het verhaal verdiept, dat hij vergeet om dingen uit te werken: ‘Leon en Jos moeten verliefd worden.’ Prima, maar hoe komt die verliefdheid tot stand? Je kan niet schrijven: Jos viel in katzwijm, Leon glimlachte een keer terug en nu hebben we de romance van de eeuw. Die kerels hebben elkaar net één keer aangekeken.
Stel je voor dat je een potentiële liefdesrelatie hebt met iedere voorbijganger die je in het voorbijgaan vriendelijk groet. Dat is niet vol te houden! Je zal ofwel voortaan steevast met een chagrijnig hoofd rond moeten rondlopen om je potentiële vrijers op afstand te houden, of je bent de rest van je leven bezig om al je liefjes (lees: voorbijgangers) te versieren.

‘Dit is zo omdat ik als schrijver wil dat het zo is,’ is een uitgangspunt waardoor de logica uit je tekst verdwijnt. Je moet erop kunnen vertrouwen dat de lezer bepaalde signalen kan oppikken, anders resulteert dat in een infodump. Tegelijkertijd moet je ervoor zorgen dat die signalen wel genoeg opvallen.

Unieke en terugkerende details

Hoe zorg je ervoor dat belangrijke details in een verhaal opvallen, bijblijven en vlot leesbaar zijn? Zorg voor een combinatie van uniekheid en herhaling.

  • herhaling: zorg ervoor dat de details zich herhalen. Laat Leon vaker dan eens naar Jos teruglachen, of andere subtiele seintjes van flirten vertonen.
  • Uniekheid: de details moeten uniek zijn. Dat kun je op twee manieren opvatten:
    – Varieer in de details, zodat niet steeds hetzelfde gebeurt. Als Leon tien keer flirt, laat hem dan geen tien keer glimlachen. Zorg ervoor dat hij ook een keer knipoogt, Jos een complimentje maakt, bloost als hij hem ziet…
    – Maak de details zo min mogelijk clichégevoelig. Kijk of er een mogelijkheid is om een detail passend te maken bij je unieke personages of je specifieke plot. Iedereen kan de hand van de ander pakken als gebaar van affectie. Maar als Jos weet dat Leon dol is op een bepaald kledingmerk, laat hem dan een trui van dat merk dragen als ze op date gaan. Dat maakt het gebaar extra speciaal, en voelen Jos en Leon aan als een passend koppel.

Of denk aan iemand die gaat reizen en doodsbang is iets te vergeten. Herhaal dat Suus iedere keer opnieuw haar koffer op de inhoud controleert. Iedere keer ziet zij dat een ander voorwerp is ingepakt. De ene keer ziet zij dat haar gelukssokken gelukkig op de kofferbodem liggen, de volgende keer is ze in de stress omdat haar paspoort misschien wel is verlopen -o nee, toch niet- en weer een andere keer is ze haar reisgids misschien vergeten. Hoe weet Suus dan wat ze op vakantie kan eten? Kortom: gebruik show don’t tell.

“Hoe weet je zonder je reisgidsje of dit spul veilig is om te eten?” Als Suus inktvisjes op een stokje ziet, heeft ze haar bedenkingen…

Show don’t tell bij het schrijven van details

Show don’t tell is belangrijk om relevante details op te laten vallen. Als je ze herhaalt, blijft datgene wat je als geheel duidelijk wil maken in het achterhoofd van je lezer hangen. Varieer je ook nog eens in de details, dan kan je meer informatie duidelijk maken met een en hetzelfde voorbeeld. Zo komt alle informatie nog duidelijker, èn minder geforceerd over.
Neem die inktvisjes op een stokje. Suus controleert eindeloos de inhoud van haar koffer, omdat ze bang is dat ze iets vergeet. Dat geeft aan dat ze zenuwachtig is. Maar als ze uitgerekend bang is haar reisgids te vergeten omdat ze bang is voedselvergiftiging op te lopen, kan dat ook een (eerste) aanwijzing zijn dat ze niet al te avontuurlijk is ingesteld. Iemand die dat wel is stopt die inktvis gewoon in de mond. Diegene kan zich vervolgens kapot lachen bij de nieuwe ontdekking dat er een kwartelei in het hoofd van zo’n inktvis zit. (Echt waar! 😉 ) Suus zou dat misschien al gelezen hebben in haar reisgids, waarna ze denkt: “Ieuw! Ammenooitniet eet ik een inktvis met een ei in zijn kop!” Een avonturier ziet daar juist de lol van inzien of wordt nieuwsgierig: “Avontuur zit in het onbekende.” of “Avontuur betekent proberen.”

Stel dat hoofdstuk 1 van Suus’ verhaal het inpakken van haar koffer betreft. Dan duurt het waarschijnlijk nog een aantal hoofdstukken voordat Suus aankomt bij de markt waar ze deze lekkernij ziet liggen. Maar als deze scène zes hoofdstukken later komt, wordt er relatief subtiel verwezen naar Suus’ behoefte aan controle. Dat leest over het geheel al minder geforceerd dan dat Suus in hoofdstuk 1 of 2 ook nog eens vijf uur voor vertrek op het vliegveld aankomt.

Hé Suus, dit is jouw vertrekkende vliegtuig… Over drie-en-een-half uur. Waarom ben je nu al bij je boarding gate?

Zo ligt alles er te dik bovenop en kan de karaktertrek cartoonesk overkomen. Kom je daar in hoofdstuk 7 weer (subtiel) op terug, dan is de lezer hoofdstuk 1 alweer enigszins vergeten. Dan denkt de lezer waarschijnlijk iets als : “O ja, Suus wil graag controle houden. Maar dat past bij haar. De een is nu eenmaal relaxed, de ander wat meer zenuwachtig.’

Kortom: als je details herhaalt, ermee varieert en ze showt komt je tekst al gauw natuurlijk over.

3 factoren die de stem van je personage bepalen

Als je personage een heel eigen stem(geluid) heeft, maakt hem dat uniek en levendig. Wat maakt een stem tot een persoonlijke manier van uiten? Als voormalig spraak-taaltherapeut geef ik je wat tips, zodat jij het helemaal passend kan maken voor je personage. 


1. De stem van je personage

De stem is de manier waarop je personage spreekt. Hees, laag, zacht, hoog, schor…
Hier heb je veel mogelijkheden. Kijk eerst eens naar je eigen associaties. Denk je bij een hoge stem aan een lieve, zorgzame vrouw of juist aan een schijnheilig, bevoorrecht tienermeisje?

Dan kun je gaan kijken naar hoe bepaalde stemgeluiden tot stand komen. De nuttigste inzichten vanuit de logopedie die jij als schrijver kan gebruiken zijn:

  •  hese of rauwe stemmen ontstaan voornamelijk door veel schreeuwen, roken en/ of drinken
  •  hoe lager de stem, hoe meer ontspannen de stembanden zijn als ze geluid geven. Tenzij de stem alsnog hees of schor is, zijn lagere stemmen door de ontspannen stemgeving vaak prettig om naar te luisteren. 

2. De uitspraak van je personage

Uitspraak is de manier waarop de woorden uit iemands mond komen. Meestal valt uitspraak pas op als die niet helemaal is zoals het hoort te zijn. Denk aan slissen, stotteren of echheelonduilijkallsanekaarpraten. Door te snel praten je woorden in elkaar schuiven en daardoor onverstaanbaar worden, dus.

Het is verstandig hier goed mee op te passen. Uitspraakproblemen worden in boeken vaak als storend cliché gebruikt om aan te geven dat het personage druk of dom is. Hetzelfde geldt voor dialecten en de bijbehorende uitspraken. Een Twents accent maakt je personage misschien niet al te slim en als je kan horen dat iemand in ’t Gooi is opgegroeid, dan is hij vast een rijkeluisjong zonder hart. Je mag uitspraakproblemen en dialecten gerust gebruiken, maar dan is het extra belangrijk om je personage veel diepgang te geven om te voorkomen dat hij stereotiep wordt. 

3. Het taalgebruik van je personage

Hier kun je eindeloos veel mee variëren. Je bent schrijver, dus dit is jouw straatje! Denk aan het principe van de schrijversstem die jij hebt. Je hebt een voorkeur voor een bepaald taalgebruik in je verhaal (formeel of informeel, lange zinnen of korte zinnen…). Maar ook als mens in het dagelijks leven heb je een bepaald eigen taalgebruik. Let er maar eens op. Praat je in korte zinnen, of klets je aan een stuk door met veel voegwoorden omdat je zo veel te vertellen hebt? Vloek je meer dan je zou willen? Heb je stopwoordjes? Zijn er woorden die je gewoon niet zo fijn vindt klinken en daarom altijd een synoniem ervan gebruikt? (Zeg je altijd dat een antwoord goed is, in plaats van dat een antwoord juist is?) 

Kijk eens of je een persoonlijk taalgebruik bij jezelf of anderen kan opmerken. Als dat lukt, ga dan eens puzzelen voor je personage. Hij zal er ongetwijfeld uniek en realistisch van uit de bus komen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Op drie manieren personages laten groeien door te kijken naar zijn medepersonages

Je hoofdpersonage groeit door zijn heldenreis. Binnen die heldenreis groeit hij ook door de omgang met anderen. Zo haal je het beste uit je hoofdpersonage èn elk personage waar hij mee omgaat. 

1. Ken je personage

Als je schrijft, moet je je personage heel goed kennen. Wat is zijn achtergrond betreft plaats in het gezin, cultuur, economisch, religie? Je moet weten wat je personage voor persoon is. Is hij verlegen, of juist brutaal? Is hij doodsbang voor falen en droomt hij van roem? Wat zijn zijn kernwaarden? Kortom, je moet zijn personagebiografie kennen. Zo kan je voorspellen hoe hij op bepaalde zaken gaat reageren en hoe hij groeit in het centrale conflict. Bovendien kan je zo voorspellen hoe hij met andere personen omgaat. Zou hij een drugsverslaafde willen helpen of juist niet? Dat antwoord maakt veel uit voor het verhaalverloop zodra zijn beste vriend wordt opgenomen vanwege een heroïneverslaving. 

2. Maak iedereen de held van zijn eigen verhaal

In een boek is er altijd een hoofdpersoon. Maar je personages weten niet dat ze in een boek leven. Daarom zijn ze zich ook niet bewust van de rolverdeling binnen dat verhaal. 

Harry Potter is de hoofdpersoon van de gelijknamige boekenreeks, maar Hermelien Griffel is zich daar niet bewust van. Het verhaal draait om Harry. Hermelien staat hem bij in zijn heldenreis: ze helpt hem door benarde situaties en is zijn vriendin. Maar vanuit Hermeliens gezichtspunt heeft zij een eigen leven waar juist Harry de beste vriend is. Haar leven draait voornamelijk om goede cijfers halen en haar eigen weg vinden in de toverwereld. Niet om Voldemort verslaan. Anders gezegd: zou de boekenreeks om Hermelien zijn gegaan, dan kreeg je titels als Hermelien Griffel en het doldwaze jaar met de tijdverdrijver, in plaats van Hermelien Griffel en de gevangene van Azkaban.

Als je in je aantekeningenboekje ieder personage de held van zijn eigen verhaal maakt, kom je veel te weten over je andere personages. Daarom moet je ieder belangrijk personage net zo goed kennen als je hoofdpersoon. 

3. Denk: actie-reactie

Zodra je weet hoe elk personage vanuit zijn eigen gezichtspunt handelt, kun je kijken naar het principe van actie-reactie. Stel je een hoofdpersonage voor dat verkering wil vragen. Omdat hij zich ziet als de hoofdpersoon van zijn eigen verhaal, gaat het in zijn fantasie zoals hij wil: hij gaat verder als partner van die droomvrouw. Maar dan loopt hij een blauwtje. De droomvrouw gaat namelijk geen relatie aan met iemand die ze niet zit zitten. Zij is vanuit haar gezichtspunt de hoofdpersoon van haar eigen verhaal, niet een ‘partner van’ in het verhaal van het hoofdpersonage. Zij heeft dus niet als doel om zijn verhaal op gang te houden. Dat heeft gevolgen voor het verhaal van je hoofdpersoon. Hij dacht een verhaal te hebben met hem als charmeur, nu is het een verhaal over een afgewezen man. Zo kan hij groeien. 

Acties-reacties kunnen van alles en nog wat zijn. Van omstandigheden waarop moet worden ingespeeld tot communicatie met een ander. Kijk wat de omgang met anderen met een personage doet en wat dat voor gevolgen heeft betreft zijn handelen, het vormen van een mening of misschien zelfs een levensvisie. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Hoe praat je personage?

Mensen hebben een stem die je kan horen en die hen karakter geeft. Een personage heeft dat niet. Hoe kan je er toch voor zorgen dat je personages een unieke stem krijgen?

Waarom moet je personage een unieke stem hebben?

Je staat er misschien niet zo bij stil, maar een stem bepaalt veel over hoe iemand overkomt. Een kettingroker ontwikkelt na decennia roken een hele raspende en rauwe stem. Dan zal die stem niet langer warm en geruststellend klinken. Iemand die heel snel praat, komt al snel over als chaotisch. En iemand die praat alsof hij standaard meedoet aan het nationale spellingsdictee, komt hij al snel over als een hoogopgeleide snob.
Als je de stem, de manier waarop hij praat en het taalgebruik van je personage uniek maakt, voorkom je dat het roepen, mompelen en roddelen en alle andere regieaanwijzingen een groot pot nat wordt. Dan maakt het al een stuk minder uit of Mariangelez degene is die roddelt of Bianca. Beide vrouwen klinken toch hetzelfde.

Geef je personage een stem: stoomcursus van een voormalig logopediste

Als voormalig logopediste (stem-spraak-taaltherapeut) heb ik professioneel leren kijken naar taal(gebruik), uitspraak en stemgeluid. Hoe kan je die gebruiken voor een unieke stem van je personage? Om verwarring te voorkomen ga ik eerst wat termen afbakenen.
Stem en stemgeluid: het geluid dat uit je mond komt als je praat. Een stem heeft kenmerken als: hoog, laag, hees, helder en schor.
Taalgebruik: De manier waarop iemand praat met woorden en zinnen. Korte zinnen, ingewikkelde woorden, grammaticaal (incorrect) Nederlands…
Uitspraak: de manier waarop de woorden en zinnen uit de mond komen en uitgesproken worden. Slist of stottert iemand? Praat iemand zo snel dat ‘fietsfabriek’ eerder klinkt als fiefubiek’?

Een passende stem voor je personage

Als schrijver kun je natuurlijk je eigen interpretaties geven aan wat jij bij bepaalde stemmen vindt passen. Vanuit logopedisch oogpunt kun je in ieder geval het volgende meenemen:

*Een hese stem ontstaat vaak door veel schreeuwen of vaak (te) hard praten. Misschien iets voor een extravert personage?
* Een rauwe stem ontstaat vaak door veel roken en/of alcohol drinken. Iets voor je ruwe bolster, blanke pit?
* Iemand kan ook met ‘veel lucht’ spreken: veel adem moeten happen tussen woorden en zinnen door. Diegene kan adem en stem niet gelijkmatig verdelen. Dat past best bij een druk personage.
* Hoe hoger je stem, hoe intensiever je stembanden trillen en dus werken. Daarom zou een lage stem bij een relaxed, ontspannen persoon passen.

Hier wordt je uiteindelijk best hees van…

De uitspraak van je personage

Uitspraak wordt meestal niet meegenomen in een verhaal. De keren dat dat gebeurt, zegt dat vaak al iets over het personage. Dialecten (en hun bijbehorende uitspraken) zijn gevoelig voor clichés. Iemand met een Twents accent zal wel een lompe boer zijn, als je kan horen dat iemand uit ’t gooi komt, zal pa wel een rijke zakenman zijn… Daar kun je dus maar beter voorzichtig mee zijn. Tenzij je weet dat je alle ruimte hebt om je personage goed uit te werken en ervoor te zorgen dat je personage niet eendimensionaal wordt.

Stotteren is ook een typisch voorbeeld: de stotteraars zijn in romans vaak heel verlegen mensen. Maar stotteren is geen gevolg van niet uit je woorden komen omdat je iets spannend vindt. (Het is een stoornis in de timing van de spieren die je nodig hebt om klanken te vormen. Weer iets geleerd vandaag 😉 ) Er zijn stotteraars die helemaal niet verlegen zijn. Kijk dus uit dat je stotteren niet als stereotype gaat gebruiken.

Eén van de weinige voorbeelden waarop uitspraak feitelijk iets weerspiegelt van een personage is als je hij veel moeite heeft om zijn woorden te vinden. Dat zie je vaak bij mensen die een afasie, hersenbloeding of andere hersenbeschadiging hebben opgelopen. Hierdoor praten deze mensen vaak ook uitzonderlijk langzaam. Neem dit mee in je onderzoek als je personage dit heeft meegemaakt.

Taalgebruik van je personage

Bij kinderen moet taal zich nog ontwikkelen, dus daar kun je (tenzij je logopediste bent) niet heel veel over zeggen. Dan zou je het over taalontwikkeling(stoornissen) moeten hebben en dat is een vak apart (logopedie om precies te zijn 😉 ).

En hoewel taalontwikkeling op een bepaald moment stopt en kinderen dus ‘als volwassenen’ praten, gebruikt iedere volwassenen taal op een geheel eigen manier.
Net zo’n beetje als schrijvers een schrijversstem hebben, hebben mensen wat taal betreft vaak ook een eigen ‘praatstem.’

Je ziet dat hoogopgeleide mensen naar verhouding langere zinnen maken en ook de neiging hebben om (vaker) moeilijkere woorden te gebruiken.
Maar ook mensen die veel lezen doen dat relatief vaak. Dat komt doordat je door een hoge opleiding en veel lezen een grotere woordenschat krijgt, die je als vanzelf dus ook meer gaat gebruiken.

Mensen met een grote woordenschat zullen doorgaans meer woorden gebruiken om iets te vertellen.

Wat me ook opviel aan taalgebruik zijn de normen en waarden. Er waren ouders van kinderen die voor logopedie kwamen die heel informeel en ontspannen met mij spraken. Anderen zagen mij als de therapeut die als een soort dokter voor hun kind zorgde. Dat resulteerde vaak dat ze geen jij, maar u tegen me zeiden. In gesprekken met de ouders kwam ik er vervolgens achter dat dat vaak ook met bepaalde normen en waarden te maken had, niet zozeer om beleefdheid. Naar verloop van tijd viel het me op dat de kinderen die mij met u moesten aanspreken van hun ouders relatief vaker werden opgevoed volgens een vaststaand uitgangspunt van rust, reinheid en regelmaat. De ouders die wat informeler met mij omgingen, stelden minder grenzen voor hun kinderen en hadden naar verhouding wat meer zelfstandigere (of eigenwijze 😉 ) kinderen. Daar was de waarde in opvoeden dus eerder: ontspannen en zelfstandig.
Dit is slechts een observatie. Of het een echte samenhang heeft, durf ik niet te zeggen. Maar ik geef dit mee als aansporing om op het taalgebruik van mensen te letten. Wie weet wat voor soortgelijke vondsten jij vindt om te gebruiken voor je personage. Zoals altijd zijn mensen goede spiekbriefjes voor personages.

Zo maak je van meerdere verhaallijnen een mooi geheel

Elk verhaal heeft een rode draad, maar ook subplotten. Als je een verhaal tot een mooi geheel wil maken, moet je deze integreren. Dat kun je doen door een subplot in je aantekeningen net zo belangrijk te maken als de rode draad. We gaan eerst kijken hoe je die rode draad stevig maakt. Als je dat kan, kan je dat ook voor de subplots.

Let hierop als je een rode draad schrijft voor een verhaal

Als je een rode draad voor het verhaal bepaalt, moet je een aantal dingen in de gaten houden:

* Wat is mijn protagonist voor iemand? (Gebruik daar je personagebiografie voor)
* Wat is het centraal conflict? Hoe groeit of beweegt mijn hoofdpersoon zich daarin?
* Welke andere mensen komt hij tegen? Wat voor invloed hebben die mensen op hem?

Wat is mijn personage voor iemand?

Je kon in mijn post over de personagebiografie lezen hoe je de kennis van je personage inzet om een wankel plot of niet-passende beslissingen van je personage te voorkomen. Maar ook in een meer basale vorm is je personagebiografie erg belangrijk. Aan schijnbaar heel eenvoudige of vanzelfsprekende dingen kun je al zien hoe bepaalde dingen tot stand komen. Als je personage als favoriete land Frankrijk heeft en dol is op nieuwe talen leren, kan dat verklaren waarom ze docente Frans is geworden. Als docente Frans wordt ze verliefd op een collega, waardoor er een roddel op de school ontstaat….
Kortom, in je personagebiografie kan je vaak tussen de regels door al een mogelijk butterfly-effect (van een verhaal) vinden.
Als je weet dat je personage het fijn vindt om op de voorgrond te staan, hij eerder voor een beroep als zanger zal kiezen dan voor een bestaan als archivaris.
En als je personage niet voor zichzelf op kan komen, zal hij makkelijker over te halen zijn slechte dingen te doen dan iemand die niet bang is zijn mond open te trekken.

Wat doet het centraal conflict met mijn personage?

In het centraal conflict moet je personage obstakels overwinnen, vallen en opstaan en zo leert hij dingen. Dat verandert je personage. Uiteindelijk komt hij zo als een ander persoon uit het verhaal. Als held, als verliezer, als moeder, slimmer, mooier, wraakzuchtiger, verdrietiger… Hoe je verhaal ook loopt, je personage is niet de persoon die hij was voor het verhaal begon. Bekijk goed wat er in dat centraal conflict verandert en wat dat met je personage doet. Wordt hij een dappere grote broer in plaats van een bang klein jongetje? Een klusjesman in plaats van de bankdirecteur?

Wie komt mijn personage tegen?

Mensen zijn sociale wezens die andere mensen om zich heen nodig hebben of willen. Zelfs een afgezonderde monnik in de bergen van Tibet heeft nog collega monniken in zijn klooster. (En mocht hij zich echt 100% afzonderen, dan wordt hij daar of op een bepaald moment gestoord van of heeft hij herinneringen aan mensen die ooit in zijn leven waren). Andere mensen doen iets met je personage. Dat kan iets fijns zijn of iets vervelends, maar de omgang met anderen zorgt ervoor dat het leven, de overtuigingen en de relaties van je hoofpersoon veranderen.
Denk dingen als:

* door de omgang met deze man verandert deze vrouw van een single dame in een getrouwde vrouw
* doordat zijn lerares hem onderwijst, wordt jouw personage slimmer
* een meisje wordt gepest door een ander persoon waardoor haar eigenwaarde verandert.
Kortom: omgang met anderen brengt altijd actie-reactie teweeg. Als jij gaat voetballen en je schopt de bal weg (actie) neemt een ander de bal over (reactie). Welke actie-reactie brengt de omgang met elk ander personage teweeg bij je hoofdpersoon?

Doe nu hetzelfde voor een ander personage

Zo simpel is het eigenlijk. Als je ook voor andere (belangrijke) personages een personagebiografie maakt, leer je ze ook kennen. Dan weet je ook wat hun heldenreis is. Net als je hoofdpersonage hebben andere personages bepaalde gevoelens en doelen. Ook zij hebben actie-reactie op datgene wat om hen heen gebeurt. In je aantekeningenboekje moet je doen alsof elk personage de held van het verhaal is.
Zo maak je elk personage even diepzinnig en zorg je ervoor dat de actie-reactie altijd voor je personages kloppen. Niet alleen dat, zo komen verhaallijnen ook samen.

Stel dat je schrijft over twee generaals in oorlog: Generaal Goedzak en Generaal Gemeen. Als schrijver werk je toe naar een goede afloop voor generaal Goedzak. Maar om Generaal Gemeen realistisch te portretteren, moet je hem laten handelen volgens zijn eigen waarden, overtuigingen en karakter en op basis daarvan zijn actie-reactie bepalen.

Schrijf ‘achter de schermen’ alles zodanig uit dat je aan de hand van je aantekeningen niet ziet wie de hoofdpersoon is.

Gemeen is erop uit ( vanuit het gezichtspunt dat hij de held is van zijn eigen verhaal en niet de ondergeschikte in het verhaal van Goedzak) om macht te vergaren. Je weet dat hij verlies niet zal accepteren, dus zal hij tot doorvechten tot zijn laatste laatste soldaat is gesneuveld. Als je Gemeen op dit punt minder belangrijk maakt dan Goedzak, zal het verhaal erg kort worden: Goedzak moet winnen en dus is het onbelangrijk wat Gemeen denkt of beweegt. Als je Gemeen als de held van zijn eigen verhaal maakt, doe je er alles aan om hem in zijn volle slechtheid als personage naar voren te laten komen: Gemeen is er zo op gebrand dat hij gaat winnen dat hij zijn tegenstander steeds twee stappen vooruit is.
Zo hebben de acties van beiden generaals invloed op elkaar als persoon (hoe ze op de acties van de ander reageren) en daarmee ook invloed op het verhaal, in dit geval de oorlog.

Samengevat: als je verhaallijnen goed in elkaar wil laten overlopen:
* moet je ervoor zorgen dat alle belangrijke personages goed zijn uitgewerkt (in je aantekeningenboekje)
* moet je elk personage laten handelen volgens zijn eigen heldenreis, niet volgens die van de held
* moet je je heel bewust zijn op de actie-reactie die tussen personages ontstaan en wat dat met de verhaallijn doet. Verandert die daardoor? Kunnen verhaallijnen elkaar daardoor doorkruisen?