Een personage dat zichzelf tegenwerkt

Een perfect personage is nooit interessant. Om vaart te hebben en te houden, vraagt een verhaal dat een personage valt en opstaat. Bij voorkeur leert het daar ook nog van. Maar net als in het echte leven, kunnen personages erg hardleers zijn, of hun eigen grootste vijand. Dat soort personages zijn vaak bijzonder aantrekkelijk om over te lezen. Want je eigen grootste vijand word je niet zomaar, dus valt er met deze papieren persoontjes veel te ontdekken.

Wat drijft je personage?

Als je een personage ontwerpt, kijk je altijd naar diens persoonlijke geschiedenis. Wat heeft het meegemaakt, wat zijn de belangrijkste overtuigingen, grootste angsten…? Dit schrijf je op in de personagebiografie. Aan het eind van de rit heb je altijd een rugzakje waar iets uitkomt om het centrale conflict van te maken. Dat wat je personage aan moet gaat en waar het van kan groeien. Geen enkel fatsoenlijks personage komt deze fase van de tekentafel uit zonder de nodige uitdagingen. Als dat wel zo is, moet je het nog wat meer vormgeven.

Maar zo af en toe komt er een personage langs dat niet zomaar een uitdaging heeft, maar ook echt het spreekwoordelijke rugzakje: Zo niet een compleet koffer. Dat kan een serieus trauma zijn, maar dat hoeft niet per se. Het kan ook relatief ‘simpel’ zijn: je personage is vreselijk koppig. Dat klikt bijna te makkelijk: koppig zijn als een serieus obstakel. Maar een koppig personage kan het verhaal in zijn eentje volledig op slot zetten. Tenzij het de eigen vijand wordt. Wat het ook is dat dit personage zijn eigen vijand laat zijn, dat moet je goed onderzoeken.

Nog meer dan anders een personagepsycholoog spelen

Personagepsycholoog spelen is onvermijdelijk bij ieder personage. Om het veelzijdig maken, moet je bepaalde zaken aan elkaar kunnen koppelen. Dat kan al met iets simpels als: zij wil al haar hele leven moeder worden, dus zij is als moeder ook uitgesproken moederlijk en niet al te streng. Maar bij een personage dat diens eigen grootste vijand is, moet je dat preciezer en uitgebreider doen, omdat je een ander doel wil bereiken. Je wil niet alleen laten zien waarom zo’n personage is wie het is, maar ook hoe het zo geworden is. Daarvoor moet je de spreekwoordelijke laagjes kunnen afpellen. Wat zit hier (onderhuids) nog allemaal achter, en daar weer achter… om vervolgens zo tot de kern van het probleem te komen?
Dat doe je eerst voor jezelf, en vervolgens vertaal je dat naar een verhaalvorm. Gegarandeerd dat de lezer dan op het puntje van de stoel blijft zitten.

Door laagjes heen breken

Een personage dat laagjes heeft waar je als schrijver doorheen moet breken, doet altijd iets excessief De manier waarop het doet of denkt, lijkt wel heilig voor dit personage. En dat overmatige keert zich uiteindelijk tegen het personage. Denk aan dingen als:
– te veel plannen laat geen ruimte voor spontaniteit over als dat moet of andersom.
– een personage dat altijd de baas wil zijn, verliest uiteindelijk de macht, omdat anderen die agressieve houding niet meer pikken.
– Een koppig personage luistert niet naar andermans argumenten en schiet daardoor op een bepaald moment tekort, omdat het uiteindelijk slecht geïnformeerd is.

Maar als deze manier van doen, of denken het personage altijd heeft gediend, gaat het die gewoonte niet zomaar opgeven. Tegelijkertijd is het zo dat iets excessiefs nooit gezond is: het gedrag is dus eigenlijk een show don’t tell dat je personage zich tegen iets beschermt. Om erachter te komen wat dat is ga jij, en later ook de lezer, door stap voor stap de aangeleerde beschermingsmechanismen van je personage ontdekken. Dat doe je door ze een voor een weg te halen. Zorg dat beschermlaagje een niet meer werkt, ga dan naar beschermlaag twee, enzovoort.

Zichtbare verandering?

De verandering is zichtbaar als je deze laagjes af gaat pellen, maar wel heel subtiel. Je personage zal pas bij het allerlaatste laagje een instorting of aha-erlebnis krijgen. Zo houdt je het hele verhaal de lezer in spanning. Welke beschermingslaag is er nog meer? Hoe wordt die doorbroken en lukt dat wel? Hoe gaat de bescherming van het personage het tegen zich keren. Genoeg vragen om een pageturner mee te schrijven!

Komt de redding nog op tijd?

Een personage dat tegen obstakels aanloopt door het aangeleerde gedrag, kan nog veranderen. Als je personage woedebeheersingsproblemen heeft, kan dat bij de baas geroepen worden om er iets aan te doen. Dan krijgt je personage daarvoor training. Maar het kan ook zo zijn dat je personage al te veel mensen heeft beledigd vaker door te schreeuwen dat wat de andere collega’s zeggen, hem ‘geen ene ruk kan schelen, stelletje nutteloze idioten!’ Daardoor heeft hij geen argumenten van collega’s gehoord en staat hij te kijk tijdens de volgende vergadering. Het is soms interessant om daar een (centraal) conflict in het verhaal van te maken, andere keren moet je de conclusie trekken dat je verhaal een andere kant op gaat. Het gaat niet langer over deze driftkop naar woedebeheersingstrainig sturen, maar over het verhaal hoe die zorgvuldig opgebouwde psychologische beschermingslaagjes in elkaar storten.

Wil je je personage nog een kans geven, of wordt het toch einde verhaal voor deze manier van denken handelen? Die afweging is soms wat lastig te maken. Kijk eens naar je verhaalthema of de boodschap van het verhaal, dat biedt wat meer houvast. Wil je laten zien wat er gebeurt als je te standvastig bent en daar voor waarschuwen? Of wil je juist het lezerspubliek laten meeleven in het hoofd van iemand die daarmee worstelt?

De kans is groot dat dit een personage is dat een bepaalde ergernis bij je lezers opwekt, en dat je in plaats van een held een antagost als hoofdpersoon krijgt. Dat lijkt iets onwenselijks, maar dat hoeft niet zo te zijn. Volgende week plaats ik een blogpost waarin we dieper ingaan op een personage dat zichzelf tegenwerkt en ook niet het fijnste personage is. Dan zal je zien dat je daar heel veel mee kan bereiken door ‘af te pellen.’

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Bermix Studio verkregen via Unsplash.

‘As you know Bob’: De draak van een dialoog op de uitlegpreekstoel

Een goede dialoog neemt je lezer helemaal mee in het verhaal. Een slechte dialoog haalt je lezer er helemaal uit. Een van de doodsteken van een dialoog is het verschijnsel dat bekend staat als ‘As you know, Bob’.  Daarin wordt omwille van de uitleg aan de lezer iets besproken, wat zo onnatuurlijk klinkt dat je hele verhaal een lachertje kan worden. Hoe ziet dat er precies uit en hoe kan je dit gesprek met ‘Bob’ voorkomen?

Personages zijn zich bewust van hun publiek

‘As you know Bob’ kan je samenvatten als: personages hebben weet van de lezer als een toeschouwer van hun leven die geïnformeerd moet worden. Want waarom zouden ze dit anders zeggen?

Dat ‘dit’ is iets wat nieuwe informatie is voor de lezer. Maar de personages vergeten deze informatie pas als ze een zodanige klap op het hoofd krijgen dat ze hun hele leven vergeten zijn.
Voorbeelden:

  • Levenslange vrienden die elkaar wekelijks spreken: ‘Zoals je weet, is mijn broer al maanden ziek. Dus ik moet nu naar het ziekenhuis om hem bij te staan voor een controle.’
  •  ‘Hey, broertje, lang niet gezien!’
    Een naam is natuurlijker dan het algemene, alles verklappende ‘broertje’.  Sla holle beleefdheidsfrasen als  ‘Lang niet gezien’ over en begin de scène liever aan de tafel bij het kerstdiner waar blijkt dat broertje niet lekker in zijn vel zit. Dan kan je hoofdpersoon uit eigen beweging vragen wat er scheelt.

Vragen om een ‘as you know Bob’ te voorkomen

Een vuistregel is dat een dialoog al heel wat ‘As you know Bob’ af is als je onthoudt dat informatie delen nooit belangrijker is dan een plot op een natuurlijke manier aan de gang te houden. Om dat te controleren kan je jezelf een paar vragen stellen:

Moet de lezer dit nú weten?

Is het belangrijk dat de lezer op exact dit moment weet dat:
* de personages familieleden zijn, als ze elkaar bij binnenkomst begroeten?
Of kan je de erfenis die tijdens het kerstdiner ter sprake komt, dat duidelijk maken? Dan heb je meteen een spanningsboog.
* De vriend naar het ziekenhuis en de zieke broer gaat?
Wat moet de spanning van deze scène maken? De zieke broer, het feit dat de vriend nu niet beschikbaar is voor je protagonist, het feit dat de vriend iets halsoverkop gaat doen, waardoor hij iets vergeet te doen, dat later belangrijk is voor het plot…?
Kortom: wat maakt dat de gesprekspartner van Bob dit zou zo uitleggen? Waarschijnlijk is er iets ernstigers of anders aan de hand dat zich niet leent voor letterlijke uitleg, als je er wat langer over nadenkt. Zelfs als dit personage er ‘gewoon’ wil zijn voor zijn zieke broer, dan kan het alsnog anders:

“Ik wil er nu zijn voor Jeroen, dus ik ben naar het ziekenhuis.” Punt.  Dan is de echte uitleg aan de lezer er al van af. Dat brengt ons bij vraag twee:

Wat als de lezer ‘dit’ niet weet?

Idealiter schrijf je zo dat de lezer geïnteresseerd blijft, ook al weet hij de details van ‘dit’ niet. Een ‘as you know Bob’  vertelt meestal iets dat in het grote geheel geen verschil maakt, als er sprake zou zijn van een net iets ander detail, of wanneer de lezer dat detail niet weet.

Of je personage het broertje of de oom lang niet gezien heeft, maakt geen verschil meer als er later om een erfenis wordt gevochten. En of Jeroen nu lijdt aan kanker of hartfalen, en of hij nu een vriend of een broer is: iedereen snapt dat je als het niet goed met iemand gaat, je een bezoek wil brengen.

Je kan de kans op een ‘As you know Bob’  verminderen door goed te kijken of informatie in het hier en nu en de details daarvan een verschil maken. Vaak is dat niet zo. Dat maakt het schrappen van deze draak van een dialoog al een stuk makkelijker.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Foto door Thriday via Unsplash

Hoe schrijf je een uniek tropepersonage?

Je hebt personages die op het eerste gezicht slechts een type trope zijn: de nerd, de boze witte man, de onschuldige en lieve moeder. Dan moet je ervoor zorgen dat ze meer worden dan alleen een representatie van die trope. Maar soms gaat dat niet, bijvoorbeeld als je personage een te kleine rol heeft in het verhaal. Dit kan je doen om dit personage alsnog uniek en herinneringswaardig te maken.

De trope onder de loep nemen: zoek het bijvoeglijk naamwoord

Kijk eerst eens met wat voor trope je te maken hebt. Vaak zit er in de omschrijving ervan een bijvoeglijk naamwoord bij. Dat kan je een heel eind op weg helpen. Zo heeft de boze witte man – verrassing- een hoop boosheid in zich en het lelijke eendje is per definitie van de trope vaak onopvallend of verlegen.
Dit bijvoeglijk naamwoord kan je veel vertellen over de mogelijke grootste angst, drijfveer, geheimen, droom of de leidende karaktertrek van je personage. Toevallig of niet is dit ook de achtergrondinformatie van je personage waar je het meest aan hebt om het uniek en interessant te maken.

Neem het lelijke eendje. Misschien komt die neiging om onopvallend te willen zijn van ouders die via hun kind hun niet vervulde wensen in alsnog vervulling willen zien gaan.
“Ik ben nooit schoonheidskoningin geworden, dus nu moet jij uitblinken met je uiterlijk. Gemiddeld zijn is een ramp!”
En net als jij doodongelukkig eindigen, mams? Nee bedankt: ik verdwijn liever in de massa en zorg dat ik gewoon lekker mee kan draaien. Lekker gemiddeld, lekker veilig, niks mis met een ‘gewoon’ leventje…

Als je zo de trope onder de loep kan nemen en die een unieke invulling kan geven is het al stukken lastiger om het personage als cliché te laten eindigen.

Persoonlijk taalgebruik als ultiem onderscheid

Een sjieke advocaat praat heel anders dan een jolige bouwvakker. Als schrijver weet je vast wel dat als deze personages groeten, ze dat niet hetzelfde horen doen. Eerstgenoemde zegt kalm: ‘Goedemorgen’ waar de andere ‘môgge’ in je oor toetert. Het zou bizar zijn om dat om te keren. Met dit simpele voorbeeld kan je al zien hoe belangrijk de taal en de stem van een personage zijn.
Wat jammer is, is dat de meeste schrijvers het hierbij laten als het om kijken naar taalgebruik gaat. Geef ze een ‘goedendag mijnheer,’ in plaats van een ‘goeiemoggel wereld’, nog een stopwoordje et voilà.
Daar valt veel meer uit te halen.

Denk aan dingen als:

  • een sportfanaat gebruikt veel uitdrukkingen die met sport te maken hebben
  • Een puber met een kan-mij-het-schelen-houding mompelt veel
  • Een racist spreekt letterlijk in ‘wij ‘ en ‘zij’ taal
  • een beelddenker beschrijft emoties in plaats van te zeggen wat het voelt: ‘een steek in de rug’ versus ‘ik voel me verraden.’
  • een uitgesproken empathisch persoon checkt regelmatig bij de gesprekspartner: ‘klopt het wat ik zeg?’ Om niemand voor het hoofd te storen met een aanname of omdat diegene weet dat een ander een situatie anders kan beleven dan hijzelf.

Natuurlijk moet je erop letten dat je deze dingen subtiel in de tekst verwerkt, anders komt het alsnog te geforceerd over. Kijk daarvoor hoe je dit taalgebruik , of deze maniertjes, zo je wil kan vertalen naar een show don’t tell als aanvulling op dat wat je personage zegt. Maar ook dan weer in de subtiele zin van het woord.
Als we aannemen dat de sportfanaat niet alleen graag op de tribune zit, maar ook graag meedoet, kan je stellen dat die beweeglijk is. Een show don’t tell is dan bijvoorbeeld: zit altijd te wiebelen op de stoel.

Natuurlijk is wiebelen op een stoel geen duidelijk teken dat iemand van sport houdt. Maar als je meerdere van dit soort maniertjes, gewoonten, uitingen, voorkeuren enzovoorts bij elkaar optelt, dan krijg je wel de sportfanaat die je wil schrijven. Zonder dat die meteen met een toeter in de clubkleuren hoeft rond te lopen en steeds zegt dat er iets ‘gescoord’ in plaats van gekocht gaat worden.
Je lezer hoeft niet per se aan dit soort show don’t tells te zien dat dit ab-so-luut een sportfanaat betreft. Zolang het maar duidelijk is dat de/ een ultieme tegenhanger – de sjieke advocaat, bijvoorbeeld- hier níet aan het woord kan zijn.

Voorbeeld: ik-figuur en oude vrouw

Twee personages geven een voorbeeld geven van al het bovenstaande:

De auto stopt nog maar net op tijd, ik blijf net op tijd op de stoep staan. Even maakt mijn hart een sprongetje, maar dan maak ik een gebaar naar de automobilist: niks aan de hand, we kunnen weer verder. Ik glimlach en wend me tot de oude dame naast mij, die binnensmonds vloekt.
“Dat was even schrikken, hè? Alles in orde met u?”
“Die verdomde wegpiraat zou mijn hartmedicijnen moeten vergoeden!”
“Tja, wie weet waarom hij niet uitkeek.”
“Wat maakt dat nou uit? De jeugd van tegenwoordig ook, altijd maar haast, altijd egocentrisch…”
“Wie weet hoorde hij net dat zijn vrouw met spoed in het ziekenhuis is opgenomen.”
“Ja ja, zo kan je wel smoesjes blijven verzinnen. Als ik in het ziekenhuis was beland, was dat veel erger geweest”

Deze oude vrouw is niet zomaar een bijna-verkeersslachtoffer, maar de trope van een verbitterde bejaarde vrouw. Kijk maar:
– ze is geïrriteerd
– ze zet zich niet snel over iets heen (zo kan verbittering groeien)
– ze is niet objectief meer: (dat doet verbittering met je) hoezo is haar leven per definitie belangrijker dan dat van een ander?
– en ze spreekt zichzelf tegen: de jeugd van tegenwoordig egoïstisch? En haar eigen uitspraken dan?
Dat is misschien geen echt teken van verbittering. Maar fijn is anders. Net zoals verbittering ook niet echt iets prettigs is.

En de ik-figuur, wat is dat voor een tropepersonage? Een lieve verpleegkundige, hoogzwangere vrouw of een gehaaide boekhouder? We zullen het nooit echt zeker weten, maar de laatste optie is wel van tafel, lijkt me.

Kijk eens hoe je zo enkele algemene eigenschappen van trope(personage)s om kunt zetten in unieke tekst. Je verhaaltempo zal ervan omhoog schieten!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door sporlab verkregen via Unsplash



Een interessante romance in een notendop

Romances worden ontzettend vaak geschreven, maar minstens net zo vaak zijn die cliché of blijven ze oppervlakkig. Met dit stappenplan schrijf je een romance van begin tot eind interessant en origineel blijft.

1. Bedenk om wie het gaat

Gemakshalve noemen we de hoofdrolspelers van een romance altijd Romeo en Julia. Maar dat wil niet zeggen dat deze helden zich als die beroemde personages moeten gedragen. Sterker nog, een goede romance begint met personages die verfrissend en hun eigen persoontje zijn. Besteed dus eerst aandacht aan het ontwerpen van je personages. Denk bijvoorbeeld aan hun voorgeschiedenis, voorkeuren en wie ze waren voordat ze verliefd werden. Werk dat laatste ook mee uit om ervoor te zorgen dat ze naast verliefd ook altijd personages blijven. Er is niks zo saai om over te lezen als iemand die alleen maar kwijlend naar een ander kan staren.

Lees meer tips

2. Neem het koppelen serieus

Een koppeltje in een boek is maar al te vaak samen omdat de ander zo knap, lief, stoer, zorgzaam… is. Leuk, zo’n roze wolk, maar die kan het gewicht van een compleet plot niet dragen. Als je een stelletje wil dat een serieuze relatie ook echt samen aan kan gaan, zorg dan dat ze ook echt bij elkaar passen. Uiterlijk is het minst belangrijk van alles. Kijk naar zaken als gezamenlijke interesses, maar ook vooral naar verhaalthema’s en het plotverloop. Wat wil je met jouw verhaal vertellen en wat moet jouw stelletje dus ook kunnen uitdragen? Zijn ze daar met zijn tweeën het goede koppel voor?

3. Hou het groeiproces in de gaten

Goede personages hebben een centraal conflict, waardoor ze aan het eind van het verhaal een beter en ander mens zijn. Zorg ervoor dat je niet vergeet dat iemand een eigen individu blijft, ook binnen een relatie. Laat die hobby of dat levensdoel dus niet zomaar op de achtergrond raken, alleen omdat je personage nu een wederhelft heeft. Gebruik de wederhelft in plaats daarvan als een aanvulling op dat centraal conflict. Kan je nog wat extra spanning oproepen? Of is de wederhelft juist degene die het beste in de ander naar boven haalt, zodat het grotere doel makkelijker bereikt kan worden?

4. Ruzies om van te groeien

Ruzies die onmiddellijk opgelost kunnen worden door een minuut te besteden aan het oplossen van een misverstand, zijn uit den boze. Zorg voor ruzies waar een echt probleem centraal staat. Iets waar een oplossing voor moet worden gevonden en die niet voor de hand ligt. Zo wordt de vindingrijkheid van je personages op de proef gesteld en hun relatie ook echt getest. Als die dat dan overleeft, is de relatie ook stukken geloofwaardiger dan wanneer je beweert dat de romance tegen alles bestand is, totdat er een ongefundeerde roddel in het spel komt. Kijk hoe je deze serieuzere ruzies ook kan laten aansluiten bij het verhaalthema. Zo voorkom je dat ‘lang en gelukkig’ klef, cliché of onverdiend overkomt.

Lees meer tips

5. Lang en gelukkig

Als je lang en gelukkig wil leven met een relatie die ‘alles aankan’, laat dat dan ook zien. Je koppel moet meerdere serieuze conflicten kunnen doorstaan, waarbij het niet voldoende is dat de ander een minpuntje van de wederhelft leert omarmen. Een goed stel helpt elkaar meerdere keren uit een serieuze brand. Om je koppel nog interessanter te maken, zorg je ervoor dat deze branden ook verschillend van aard zijn. Bovendien is het belangrijk om een romance altijd onderdeel van de plot te houden, niet de plot zelf.

Lees meer tips

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Naomi Irons verkregen via Unsplash

Een gouden regel voor het schrijven van expositie: ‘Even wat anders’

Expositie is het bekendmaken van informatie aan de lezer. Doe je het goed, dan valt het niet op en wordt je informatie zelfs een onderdeel van een lopend verhaal. Dat is lastig. Maar als je loslaat dat er een lezer is die informatie moet krijgen en je personages niet weten dat ze van papier zijn, kom je al een heel eind.

Slechte expositie: ‘Heb je al gehoord…?’

Laten we eerst even herhalen waarom expositie zo belangrijk is om goed te doen. Je lezer moet weten wat er speelt in de papieren wereld, maar maak van Hoofdstuk 1 een infodump en je lezer komt niet verder dan dat deel van je boek. ‘Mijn personage werkt in een dierentuin, heeft een vrouw en zijn grootste angst is om ontslagen te worden.’ Dat is een beetje te direct als introductie. Maar dat is slechte expositie ook:
“Hoi Martha, hoe is het met Bert?”
“Hij zit niet zo lekker in zijn vel. Hij hoorde vorige week het gerucht dat de dierentuin gaat bezuinigen…”
“Maar zijn baan zal toch niet in gevaar zijn?”
“Dat weet hij dus niet: hij slaapt de hele week al slecht.”

Hier is het te duidelijk dat de personages iets duidelijk willen maken aan de lezer. Elke zin draagt daar op zijn eigen manier aan bij:

  • Hoe gaat het? –> Dit is een erg lege frase in een boek. Als het antwoord ‘goed’ is, is het een nietzeggende beleefdheidszin. Zo niet, dan schreeuwt het met knipperende neonlichten: ‘Lezer, zet je schrap, er komt een conflict aan!’
  • Hij zit (…) –> dit is een infodump: het is veel te directe informatie.
  • Maar zijn baan (…) –> natuurlijk wel. Als iets zo direct wordt meegedeeld. voelt een lezer aan dat hier iets mee gaat gebeuren. Het voegt geen spanning toe, het voelt alleen maar geforceerd.
  • Dat weet (…) Hier herhaalt Martha zichzelf alleen maar. En dat Bert slecht slaapt, is zo logisch, dat je dat niet extra hoeft uit te leggen.

Kortom: hier zie je alleen maar holle frases en wordt iets uitgelegd wat iedereen kan begrijpen. Er worden in deze expositie dus een aantal grote fouten gemaakt. Dat gaan we op een rijtje zetten.

Dit gaat er mis bij slechte expositieVervelend gevolgJe kan beter…dat doe je door…
je (personage) legt iets (logisch) letterlijk uitje lezer wordt als dom gezienmet het verhaal verder gaande aandacht op iets anders te richten
informatie wordt geforceerdde lezer wordt uit het verhaal gehaaldde aandacht op iets anders richtenmeerdere lagen toe te passen in je tekst
informatie voegt weinig tot niets toede vaart gaat uit de tekstbedenken wat je echt wil zeggenmeerdere lagen toe te passen in je tekst

Zie je de samenhang tussen de uitgangspunten meerdere lagen en de aandacht ergens anders op richten? Als je expositie in de subtekst – dat wat je tussen de regels door kan lezen- kan verstoppen, wordt de expositie een deel van het verhaal. Maar daarvoor moet je de aandacht wel verschuiven. Naar iets (heel) anders dan wat je (aan de oppervlakte) aan het vertellen bent.
Voor de beelddenkers onder jullie: zie goede expositie als een snoepje wat je lezer ongezien wil toestoppen. Dat kan je bereiken met het het aloude trucje van:
“Hé, kijk daar eens, daar loopt je beste vriend!”
“Waar?”
Je luisteraar kijkt even afgeleid achterom en voilà: even later zit er een snoepje in zijn jaszak. Je moet iets anders dan dat eigenlijke snoepje dus belangrijker maken op het moment dat je het introduceert.

Casus: reiziger met bindingsangst?

Tommy komt net terug van een vakantie en laat Joris zijn foto’s op zijn telefoon zien. Joris heeft net de telefoon in handen gekregen om op zijn eigen tempo door de foto’s te kunnen scrollen.

“Als je het over parelwitte stranden hebt, zeg. Wauw! Waar was dit precies?”
“Even goed kijken, hoor, dat was…”
Joris ziet de foto van Puck voor Tommy hem kan tegenhouden op het scherm verschijnen.
“Ik app haar wel als we de foto’s zijn doorgelopen, ” zegt Tommy als hij dat ook ziet.

Even pauzeren. Want dit is het punt waarop het helemaal mis kan gaan, maar waar je het ook goed kan doen.
Als het doel is dat duidelijk moet worden dat Tommy bindingsangst heeft, doet slechte expositie iets als:
” Wie is Puck? Zo’n mooie meid moet je terugbellen! Hoe lang is het nou geleden dat je een date hebt gehad? Vriend, spring je soms steeds maar in een vliegtuig om relaties te ontlopen?”

Of je kan verder gaan met:
“Ik weet het niet meer, ik ben op zoveel stranden geweest,” zegt Tommy.
“Ja, dan wordt het al snel veel van hetzelfde. Wordt dat nooit saai?”
Tommy scrollt verder naar een foto met een spectaculaire zonsondergang op een prachtig strand en trekt een veelbetekenende wenkbrauw op.
“Nou, vooruit dan,” lacht Joris toegeeflijk. “Maar ik zie jou nauwelijks op je vakantiefoto’s.”
“Als je zoveel natuurschoon tegenkomt, denk ik niet aan mezelf.”
Er klinkt een belletje: Puck appt opnieuw.
“Nee?” vraagt Joris
” Nee. Op de schoonheid van de stranden kan je altijd rekenen. Iets mooiers bestaat er niet.”

Ik moet deze scène bijna overdreven subtiel houden. Meestal leunt een expositie als deze meer op gebeurtenissen in het (grotere) plot. Als er in een plot al puzzelstukjes zijn gegeven dat Tommy bindingsangst heeft, zou je Joris’ ‘Nee’ kunnen vervangen door iets als ‘Neem je dan nooit vrienden mee naar het strand?’
Tommy’s reactie zou dan ook weer veranderen, wil het er niet bovenop liggen.

Maar het belangrijke punt is: zie je in deze scène nog dat Tommy bindingsangst heeft? Een hint ernaar misschien, maar als expositie is het onzichtbaar geworden, doordat je de aandacht van wat er echt toe doet hebt afgeleid. En ondertussen heb je ook nog:

  • een scène waarin de vriendschap tussen de mannen aandacht krijgt
  • laten weten dat Tommy bijzonder gek is op stranden
    • laten zien dat Tommy veel reist
    • laten weten dat Joris lichtelijk jaloers is

      Daar kan je in het grotere geheel veel meer mee dan de lezer alles maar voorschotelen!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door by Sean Oulashin verkregen Unsplash

Zo krijgen Romeo en Julia een echt lang en gelukkig

Zodra Romeo en Julia een aantal ruzies hebben gehad en als stelletje zijn gegroeid, zou je kunnen denken dat ze de eindstreep hebben gehaald en het perfecte koppel zijn. Maar dat is niet zo. Als ze echt samen oud willen worden, moeten ze nog een paar dingen doen.  

Leren leven met een rommelkont

Zodra je stelletje een ruzie heeft gehad en weer heeft bijgelegd, laat dat zien hun relatie tegen een stootje kan. Ze weten dat de ander niet alleen maar mooi en lief is, maar ook de neiging heeft om rommel te laten slingeren. Of wel eens vergeet te bellen, zonder dat de ander meteen denkt dat die bedrogen wordt. Dat is een stevige basis, maar daarmee worden Romeo en Julia niet samen oud in een verhaal.
De laatste manier waarop Romeo en Julia samen moeten groeien, is precies dat: blijven groeien. Accepteren dat jouw ware af en toe een rommelkont is en daarmee leren leven is een ding. Maar dat is niet de wrap-up, dat deel vlak vóór: ‘en ze leefden nog lang en gelukkig.’
Het is eerder de fase halverwege een verhaal. Nu je weet wat je aan elkaar hebt, moet je je liefdesverhaal aangaan met de nodige ontwikkelingen en obstakels. En die zijn na twee ruzies nog niet over.

Keer op keer weer groeien

Als je verhaal over een held gaat, moet die zich gedurende het verhaal blijven bewijzen. Zodra de zwakten van de held duidelijk zijn, komen er obstakels die een uitdaging vormen. Zodra die zijn opgelost, komen er volgende obstakels, dan volgt er nog een crisis… Kortom: je held wordt op verschillende manieren getest. Om de titel van de held waardig te blijven, moet die tot aan het einde van het boek blijven groeien en die obstakels blijven aan gaan.

In een fictieve (romantische) relatie geldt eigenlijk hetzelfde. Stel dat Romeo onze welbekende stoere alfaman is.  Dan is het waarschijnlijk een eitje voor hem om Julia uit een benarde situatie te redden waar ze wel een stoere man kan gebruiken. Maar is Romeo ook iemand die een stapje terug kan doen als Julia met een andere mannelijke vriend wil praten?  Waarschijnlijk is dat wat lastiger voor deze Romeo. Het hoeft niet onmogelijk te zijn, maar het gaat hem wel minder makkelijk af. En dus heeft dat meer tijd en groei nodig. Binnen de relatie, maar dus ook om dat goed, gezond en blijvend in de relatie te verankeren.

En zo moet de relatie van Romeo en Julia zich keer op keer bewijzen voor van alles en nog wat bestand te zijn. Niet alleen tegen een ruzie, maar, zo je wil, tegen het verhaal als geheel en alles wat dat op het stelletje afvuurt.

Is ‘lang en gelukkig’ wel mogelijk in een verhaal?  

Als Romeo en Julia zich steeds opnieuw moeten bewijzen, kan je je afvragen of een lang en gelukkig einde wel is weggelegd voor ons fictieve stelletje. Het antwoord is zowel een ja, als een nee.

Laten we beginnen met de nee.

Een goede romance zelf is altijd onderdeel of een invulling van de plot. Nooit de plot zelf. Dus is een verhaal nooit afgelopen als er binnen de eigenlijke romance obstakels zijn overwonnen of voldoende is gegroeid. Zolang het plot zelf nog niet zover, of ‘klaar’ is, is het ‘lang en gelukkig’ daar ook nog niet.  Je hebt dus nog geen lang en gelukkig zolang Romeo en/of Julia:

  • na hun emigratie nog geen stabiel leven in het thuisland hebben opgebouwd en kunnen houden
  • achterom kijken naar het verleden dat ze hebben moeten afsluiten
  • hun stalker nog op de loer ligt, of Romeo daar nog nachtmerries van heeft.
  • Julia nog steeds hechtingsproblemen ervaart, ook al heeft Romeo zich al honderd keer bewezen. Tenzij ze zich daarmee verzoenen. Als je daar nog een extra subplot van maakt, is het moment nog niet daar.

Maar zodra dit soort scenario’s uit de weg zijn en de romance er nog is, dan is ‘lang en gelukkig’ niet alleen mogelijk, maar zelfs al bereikt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Esther Ann verkregen via Unsplash

Deze slechterik haalt het bloed onder de nagels vandaan

Je hebt slechteriken die slecht zijn door de wereld te willen veroveren en slechteriken die het de held lastig maken zijn doel te bereiken. En dan heb je nog de slechterik die het bloed onder de nagels van de lezer vandaan haalt. Die slechterik die het lezerspubliek niet haat omdat het de slechterik van het verhaal is, maar omdat iets in diens karakter extreem frustrerend is. Hoe schrijf je zo’n slechterik?

Wat maakt een goede slechterik?

Een goede slechterik heeft een aantal belangrijke basiseigenschappen. Deze lijken misschen een open deur in te trappen, maar later hebben we die nodig voor een goede nuance. Een goede slechterik:

  • Zit de heldenreis van de held dwars
  • Komt realistisch over: het is geen man met een gleufhoed die met een hinnikende enge lach om zijn dunne snor draait
  • Heeft vervelende normen, waarden en karaktereigenschappen

Met deze basis kan je iedere slechterik beginnen te schrijven. Van degene die de wereld wil overheersen tot, de pestkop op het speelplein, de agressieve echtgenote en alles ertussenin. Maar afhankelijk van de macht van de slechterik, het verhaalthema, het plotverloop en nog allerlei andere zaken, zullen deze slechteriken erg van elkaar verschillen. Het worden daardoor niet meteen degene die we als lezers en filmkijkers massaal maar al te graag haten en afkammen. De Percy Wetmores, Dorothea Ombers en al die andere van wie je kan zeggen: eigenlijk is er in de verhaallijn zelf een slechterik die op papier nog veel erger is. En toch, haat ik deze slechterik nog meer.
Hoe kan dat?

Ik ken zo iemand als deze slechterik

Een slechterik die echt het bloed onder de nagels vandaan haalt, is zo iemand van wie je denkt: jij zou zomaar eens mijn collega, buurman of oudtante kunnen zijn. Dictators kom je in het dagelijks leven niet tegen, maar mensen met karaktertrekken en eigenschappen als extreem egoïstisch, genadeloos, harteloos en koud kom je – al dan niet in een combinatie hiervan wel eens tegen. Nu is een dictator dat ook, maar het verschil zit hem in het principe dat je die niet persoonlijk kent. Harry Potter heeft dan misschien wel altijd te maken met de dreiging van Voldemort, hij komt hem niet dagelijks tegen. Bij Dorothea Omber daarentegen is dat wel zo: zij is in zekere mate realistisch. Om deze slechterik kan je held niet heen, omdat die continu en ook zichtbaar op de voorgrond van het plot staat. En dat gebruikt die slechterik ook om zowel de held als de lezer enorm te ergeren. Door niet de heldenmissie, maar het plot dwars te zitten.

De slechterik die zich met het plot bemoeit: ik zeg nee

Als de held, de dictator en de slechterik aan de tekentafel van je boek mochten zitten om het plot te bepalen, zou het gesprek er ongeveer zo uitzien:
“Held, als jij nu eens op zoek gaat naar de magische gouden beker, dan doe ik dat ook. Ondertussen zaai ik dood en verderf. Dan mag jij mijn slachtoffers opvangen, en mij proberen tegen te houden terwijl je de beker zoekt,” stelt Dictator voor.
“Prima,” zegt de Held. “Slechterik, wat doe jij dan?”
“Dan zorg ik ervoor dat de mentor die jou moet trainen, eerst even flink ziek wordt, zodat er langer mensen lijden. O, en ik kom zelf ook langs om de mensen die lijden, niet te helpen. Sterker, ik ga ze nog meer vernederen. En ik zorg ervoor dat er nog een extra draak is om te verslaan – of twee of drie- , zodat Dictator meer tijd krijgt om zijn plan uit te voeren.”

Met andere woorden: Slechterik vecht niet zozeer direct tegen de acties van Held, maar zorgt ervoor dat het potentieel van Held, het groeiproces, de uitvoering van het plan wordt vertraagd. De acties worden nóg moeilijker om uit te voeren.
Dictator is makkelijker om mee om te gaan, omdat die zich in dat opzicht niet met de held bemoeit. Die blijft zelf ook op zoek naar de gouden beker, of probeert een leger te vergroten. Hij werkt in een groot deel van het verhaal Held niet direct tegen.
Slechterik probeert ‘nee’ te zeggen. Niet tegen Held en de heldenreis, maar tegen het hele plot. Als kers op de taart gebeurt dat met een aantal verdorven motieven. En omdat zowel je held als je lezer vooruit willen met het verhaal, is dat ontzettend frustrerend. Zeker als de situatie er in de tussentijd niet beter op wordt.

De slechterik zonder schuldgevoel en met een megafoon

Dictator heeft nogal eens een achtergrondverhaal dat uitlegt hoe die tot diens verdorven daden of gedachtengang is gekomen. De lezer is het daar misschien niet mee eens, maar accepteert die wel als zodanig. Slechterik heeft misschien wel wat motieven, maar een compleet achtergrondverhaal ontbreekt. Maar er is nog een belangrijk verschil: Dictator heeft een plan en voer dat uit. Slechterik voert dat uit, door zowel de lezer als de held continu voor te houden: ‘Kijk eens hoe slecht ik ben!’ En nee, daar zit geen enkele wroeging of schuldgevoel bij. Sterker nog, Slechterik ziet dat soms zelfs als een sterke, gerespecteerde of een anderszins positieve eigenschap. Dictator doet wat die moet doen. Onsterfelijk worden, volkeren uitmoorden, wat de misdaad ook is, dat is uiteindelijk wel het ultieme einddoel. In dat opzicht kan Dictator in een zekere ‘bescheidenheid’ opereren. De trawanten doen het vieze werk wel, de plannen worden in het geheim bedacht en uitgedeeld en als uiteindelijk iedereen weet wie er de baas is, is dat voldoende voor Dictator.

Slechterik wil niet zozeer — of in ieder geval niet altijd- naar een einddoel toewerken, maar eerder een megafoon en een podium hebben wanneer die al die slechte dingen doet. “Kijk eens hoe ik de slechtste van allemaal ben, in al mijn realisme, verachtelijke waarden en mijn pogingen en resultaten om iedereen te dwarsbomen en te ergeren!’

Kortom: Slechterik is slecht, is daar trots op, voelt geen wroeging en wil daarmee continu op de voorgrond staan.

Als die optelsom geen reden meer is om dit soort slechterik te hekelen…

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Hassan Sherif verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: de ijkpersoon van iedereen

Als je een rijtje van de ‘juiste’ reclames kijkt, lijkt het wel alsof de kijkers volgens de bedrijven allemaal hetzelfde zijn, en heeft iedereen dezelfde zorgen en wensen. Natuurlijk herkennen veel mensen zich in een vrij algemeen beeld, maar dat neemt niet weg dat de ‘gemiddelde kijker’ alsnog niet meteen in dat hokje past. In deze schrijfoefening gaan we kijken wat je daar als schrijver mee kan en moet doen.

Ik stel u voor: iedereen

Als je de meest alledaagse reclames bekijkt, dan heeft de gemiddelde persoon die iedereen zou moeten voorstellen:

  • Een saaie kantoorbaan ‘(‘Stop met werken van 9 tot 5 op kantoor voor een baas en verdien geld met X’)
    • Een veel te druk leven (‘ Ook zo toe aan vakantie?’ ‘Waarom nog koken, als je je eten kan laten bezorgen met X?’)
    • Een gezin (‘Voor het hele gezin!’ ‘Drie keer per week een wasje draaien gaat makkelijk en snel met X’)
    • Een auto (autoreclames zie je regelmatig. En in de politiek hoor je relatief meer over de autobezitter dan over de treinreiziger)
    • Maatje slank, zie de modellen in de meeste reclames

En gemiddeld gezien kunnen de meeste mensen zich wel identificeren met een of meerdere kenmerken van deze zeer globale ijkpersoon. Maar zodra je per punt gaat kijken, dan vergeet je bijvoorbeeld de miljoenen mensen die:
* werken in de zorg, het onderwijs, de horeca, op een boerderij of in de culturele sector
* Wel werk en privé kunnen balanceren, of het juist heerlijk vinden om zelf te koken
* Single zijn, geen kinderen hebben of de pensionado’s wiens kinderen al het huis uit zijn
* fietsen, wandelen, met het openbaar vervoer gaan of een auto huren in plaats van hebben
* een maatje meer hebben

Zo heb jij als schrijver waarschijnlijk ook een beeld bij Jan met de pet. Misschien heeft hij een van deze kenmerken, misschien andere, of nog meer. Schrijf voor we verdergaan eerst eens alles op wat jij meteen associeert met Jan met de pet. Wat komt daar allemaal uit? Alles wat je bedenkt is nuttig voor de oefening: van hobby tot beroep, van leeftijd tot ras en zelfs of deze man (of vrouw) haar heeft of niet en zo ja, welk kapsel of gezichtsbeharing die dan heeft.

Jan met de pet en Sjan met de muts

Je hebt nu je ultieme gemiddelde ijkpersoon opgeschreven met deze Jan met de pet. Maar nu moeten we gaan kijken waar je lezer misschien wel Sjan met de muts is. Oftewel: iemand die misschien in zekere zin ‘gemiddeld genoeg’ is om binnen bepaalde kaders of je doelgroep te vallen, maar die op enkele punten daar toch buiten valt. En dan wel op een manier waar je niet meteen bij stilstaat.

Als Jan, de man jouw boek leest, leest die het waarschijnlijk anders als de vrouw Sjan zodra je over een man schrijft die vreemdgaat terwijl zijn vrouw zwanger is. Een rotstreek, daar zullen ze het allebei over eens zijn. Maar de kans is groter dat Jan ervaring heeft met moeite hebben met zwangerschapsperikelen van zijn/ een vrouw en daar moeite mee heeft. Sjan zal als vrouw eerder het argument hebben: draag jij maar eens verschillende kilo’s aan extra gewicht mee onder het ‘genot’ van een hormonenstorm…

Uiteindelijk zal dit plot van de vreemdganger vallen of staan bij hoe goed het plot, de personagebiografieën en de verhaalthtema’s zijn uitgewerkt. Als de zwangere vrouw niet alleen maar zwanger is, maar haar echtgenoot ook nog eens mishandelt en hij snakt naar wat genegenheid, dan zal ook Sjan niet zo snel haar oordeel klaar hebben.
Maar als je uitgaat van het oppervlakkige clichéscenario dat de vreemdganger gewoon pleziertjes buiten de deur zoekt, terwijl zijn vrouw zwanger is, dan kan je er gif op innemen dat hoe goed het verhaal verder ook is uitgewerkt, Jan en Sjan er andere interpretaties bij hebben door hun eigen persoonlijke bril.

En zo kan jouw ijkpersoon- van-iedereen soms dingen hebben, zijn of denken waarvan je niet beseft dat die helemaal niet zo vanzelfsprekend of gemiddeld zijn.

Jan met de pet onder de loep

Pak je beschrijving van Jan met de Pet er nog eens bij. Kijk nog eens goed naar wat je hebt opgeschreven en vraag je eens af waarom jouw Jan juist dertig jaar oud is in plaats van zestig. Of waarom hij inderdaad (of juist niet) een saaie kantoorbaan heeft. Je zal niet bij alles een ‘reden’ kunnen vinden; Jan kan ook gewoon ‘toevallig’ bruine haren hebben.
Maar zodra je denkt: tja, waarom eigenlijk? Is het de moeite om daar wat langer bij stil te staan. Dan kan je jezelf vragen gaan stellen.

Als Jan een saaie kantoorbaan heeft, reken je er dus in meer of mindere mate op dat iedereen weet hoe het is om ontevreden te zijn met diens baan. Nog los van het feit of dat zo is: wat wil je daarmee zeggen, of hoe kan je daarmee werken?
– Is dat een verhaalthema van ‘ongenoegen met een sleur?’ of juist ‘minderwaardigheidscomplex’? (“meer dan dit stomme baantje kan ik niet”)
– Als je lezer wel dolgelukkig is met diens (kantoor)baan, hoe kan je dan alsnog empathie kweken voor Jan? Worstelt Kantoor Katrien misschien wel met een bepaalde ontevredenheid van een gang van zaken op de school van haar kinderen? Dan zou een scène waarin op kantoor niet naar Jan geluisterd wordt, ook bij haar aan moeten slaan.
– Is Jan ongelukkig met zijn baan omdat hij denkt dat hij er te goed voor is? Het hoeft natuurlijk niet zo te zijn, maar als je doelgroep ook mensen omvat die überhaupt al blij zouden zijn met een baan, komt dat niet goed aan. Dan moet je iets meer aandacht besteden aan een gemene deler die ‘menselijker’ is dan alleen wat je aan de oppervlakte ziet.

Kijk op deze manier nog eens goed naar jouw aannamen van ze zeer algemene, dit-is-iedereen- ijkpersoon van Jan met de pet of Sjan met de muts. Dan zorg je ervoor dat je verhaal interessanter is opgebouwd en nog meer lezer aanspreekt.

Foto door Jonas Kakaroto verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een koppel dat ook echt bij elkaar past

Wat je ook schrijft, als er iets een doodssteek is, is het wel dat de lezer opmerkt dat iets alleen gebeurt omdat de schrijver dat wil. Bij een koppelpoging is dat gevaar misschien wel het allergrootst. Want als een verhaal valt of staat bij de aanwezigheid van een koppel, dan moeten er wel personages bij elkaar komen. Maar als je dat forceert, is je verhaal ook niet interessant meer.  Hoe zorg je ervoor dat een koppel als koppel eindigt omdat het gewoon klopt?

Wat past bij het verhaalthema en de heldenreizen?

In het echte leven passen mensen meestal goed bij elkaar omdat ze bepaalde dingen gemeen hebben. Eenzelfde hobby, karaktereigenschappen, interesses… Dat is in een boek ook zo, alleen is het belangrijk om goed te kijken naar wat het verhaal dient. Dan kan je bepalen wat de belangrijkste ‘koppelfactor’ wordt.

Uiterlijk is in een verhaal nóóit de belangrijkste koppelfactor. In het echte leven kan je kijken naar dingen die relatief oppervlakkig zijn. Houden ze van dezelfde hobby’s? Kennen ze elkaar van een festival, wat eenzelfde muzieksmaak aanduidt? Dan kijk je verder naar: delen ze ook belangrijke levensvisies?

In een boek is dat eerder andersom. Een romance is interessanter als Romeo en Julia allebei een leerproces hebben dat hetzelfde is of in hetzelfde straatje, of liever, verhaalthema valt.  Zelfacceptatie, bijvoorbeeld. Romeo kan zich rot voelen vanwege zijn kippenborstje in een vriendenkring vol wasbordjes en Julia kan ermee worstelen dat ze vmbo volgt als kind van een advocatenfamilie. Uiterlijkheden en opleidingsniveau hebben op de oppervlakte weinig met elkaar gemeen, maar een verhaalthema kan daarin de verbindende, zo niet de koppelende factor vormen.

Twee is een plus een

Een plus een is twee: twee individuen maken een koppel. Een koppel dat vervolgens samen verliefd kan zijn, groeien, elkaar kan aanvullen en zo het plot kunnen vullen. Maar draai het eens om: Twee is een plus een. Oftewel: je hebt twee individuen die op zichzelf al een verhaal in zich hebben, voordat ze een koppel zijn. Een goed koppel kan niet bestaan als de individuen binnen dat koppel de persoonlijkheden hebben van een stuk karton. Zelfs niet als Julia op zo’n persoonlijkheid zou vallen. Je moet de lezer ook nog tevreden houden. Een goede oefening om te controleren of je verliefde personages individueel nog interessant zijn is om in je opschrijfboekje een verhaal te kort verhaal te schrijven. Daarin komen de personages elkaar wel tegen, maar worden ze niet verliefd. Heb je dan nog steeds een verhaal met twee interessante personages, dan ben je op de goede weg.

Waarom eigenlijk romance?

Vraag jezelf eens af waarom Romeo en Julia verliefd zouden moeten worden. Waarom volstaat een goed vriendschap niet in dit verhaal? ‘Omdat ik een romance wil schrijven,’ is hier geen aanvaardbaar antwoord. Denk aan dingen als: ze hebben beide eenzelfde trauma meegemaakt en kunnen zo samen een rouwproces aangaan, Julia zorgt ervoor dat Romeo in een lastige periode jaar normen en waarden niet vergeet als die op de proef worden gesteld. Natuurlijk kan vriendschap zoiets ook bieden. Maar als je een (aanstaande) liefdesrelatie bekijkt met een dieper doel dan alleen: ‘later kinderen krijgen’ of ‘straks naar de slaapkamer!’ wordt het verhaal minder clichégevoelig.

De slaapkamer verdienen

Neem ook eens als uitgangspunt dat de personages seks met de ander moeten verdienen. Niet door met wimpers te wapperen, of door spierballen op te laten bollen, maar door (serieuze) opoffering. Romeo neemt een extra baantje om Julia te helpen haar studiekosten te betalen. Daarvoor moet hij een deel van zijn sociale leven opgeven. Dat heeft hij ervoor over, omdat hij van Julia houdt, maar leuk is het niet.
Laat merken hoe Romeo baalt dat hij bioscoopbezoekjes met vrienden mist omdat hij moet werken. Kortom: schrijf eerder ‘raw and real’ dan dat je de zwijmeltoon kiest – wat romantisch dat hij dat doet!-. Die kan je beter bewaren voor als Romeo en Julia later zoenend op de bank zitten of de slaapkamer hebben gehaald.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Toa Heftiba verkregen via Unsplash.

Het inciting incident als kern voor je hele verhaal

Een goede start van je boek is essentieel om je lezer voor je te winnen en ook te houden. Vooral dat laatste is belangrijk. En het inciting incident kan daarin een grotere rol spelen dan je misschien denkt. Na een goede start van het verhaal kan je daarmee een basis leggen die het hele verhaal verder kan worden uitgewerkt en relevant blijft.

Wat zit er in een goede start van een verhaal?

Een goede introductie van een verhaal laat duidelijk merken wat de regels fictieve wereld zijn en schets een duidelijk beeld van je hoofdpersonage. Vooral in het begin is het belangrijk dat datgene wat je schrijft niet alleen een situatie schetst, maar ook later in het verhaal een gevolg kan hebben. Schrijf niet over een ochtendroutine of een dialoog over het weer, maar over hoe Bob boos is op de secretaresse omdat een bepaalde taak nog niet af is. Dat laat zien dat hij ongeduldig is en anderen makkelijk de schuld geeft. De casus Bob is hier uitgebreid terug te lezen, daar gaan we in deze post verder mee.

Nu gaat het echt beginnen: het inciting incident

In het allereerste begin heb je eigenlijk de lezer alleen maar kennis van een aantal zaken gegeven. Bob heeft een kantoorbaan, is snibbig en gevoelig voor status. Het inciting inncident is het punt waarop je echt aan het verhaal gaat beginnen. Het is het deel in het verhaal waar je held uit de comfortzone moet stappen, of die dat nu wil of niet. Er moet dus iets gebeuren wat de normale gang van zaken op zijn kop zet. Dat kun je interessant maken door middels een show don’t tell iets te laten gebeuren wat een personage tegenstaat. Het liefst maak je ook nog duidelijk waarom, want dan heb je de formule van een pageturner te pakken.

Bob krijgt te horen dat een promotie aan zijn neus voorbij gaat. Frans is de gelukkige. Bob kan dit niet uitstaan en geeft Sonja de secretaresse de schuld: als zij de laatste week sneller had gewerkt, had hij die aantekeningen beter door kunnen kijken en zich beter kunnen voorbereiden op die belangrijke opdracht.

Dat is het ‘wat’ waarmee het inciting incident én het verhaal verder gaan. Bob en zijn temperament kennende, gaat dit een hoop lawaai geven. En is dat niet zo, dan moet je dat ernaar maken. Wat je in het allereerste begin van het verhaal gegeven en aanloop van het verhaal aan de lezer schept bepaalde verwachtingen, waar je niet omheen kunt. Het is als Chekhov’s gun, maar dan voor je hele plot in plaats van voor een detail. Want waarom zou je een geweer in beeld brengen als in het hele verdere verhaal geen geweergeweld of jagers voorkomen?

Waarom is dit een verhaal waard?

Nu je het ‘wat’ hebt duidelijk hebt gemaakt, moet je het waarom nog meenemen. Het antwoord daarop heeft twee ‘lagen’ De eerste is de wat meer oppervlakkige vraag: ‘waarom reageert Bob zo woedend op dit nieuws?’ Op deze vraag heeft de lezer al een gedeeltelijk antwoord: je hebt eerder al een karakterschets van hem gegeven. Maar karakter is méér dan alleen een keer ergens op reageren, daar kan je veel meer mee. Iemand die vaak uit zijn slof schiet, kan nog heel wat vaker in benaderde situaties komen. Welke situaties dat dan (gaan) weet de lezer niet, en dat houd de nieuwsgierigheid naar het verdere verhaalverloop levend.

De meer diepgaande waaromvraag is: ‘Waarom belooft wat er in deze scènes gebeurt een compleet en interessant verhaal te worden en te blijven?’ We weten dat snibbige Bob een promotie heeft misgelopen, dat is op zichzelf nog steeds niet meer dan een gegeven, nog geen verhaal. Daarom moet je ervoor zorgen dat de wereld van Bob op zijn kop komt te staan en de lezer weet of aanvoelt dat je hier nog heel veel aan het zaaien bent en gaat in deze scènes. Doe dat dan ook en zorg voor zoveel mogelijk zaadjes. Je kan het karakter van Bob natuurlijk ook nog meer gaan verkennen met de lezer. Dus hij is snibbig en gevoelig voor status? Misschien is hij wel doodsbang om ergens mee door de mand te vallen. Zo heeft hij Sonja ooit zwijggeld toegestopt toen zij zag dat hij een geheimhoudingsverklaring had geschonden. Dat maakt hem als vanzelf alerter (op wat Sonja zegt en doet.) Maar ja, als hij snel uit zijn slof schiet…

Zo kan je kennismaking met je personage combineren met plotpunten en zo de wat- en waaromvraag combineren. Schrijf bijvoorbeeld een paar regels over hoe Bob wel erg achterdochtig naar Sonja kijkt op het moment dat hij haar een brief ziet lezen die Bob om wat voor reden dan ook verdacht of onbekend voorkomt.
Vergeet ook niet dat Sonja met dat zwijggeld een bepaalde machtspositie over Bob heeft. Als ze tenminste daar het karakter voor heeft. Misschien is ze juist veel te bang om haar mond nog tegen Bob open te trekken. Op deze manier kan je in het inciting indicent heel veel zaaien. Bijna alles tot alles wat vroeg of laat een grotere rol krijgt in het verhaal, kan hier zijn zaadje krijgen. Het is handig om eens goed te kijken hoe je de puzzelstukjes al vast kan plaatsen. In je plottwist, of gewoon in je verhaallijn met de bijbehorende subplots.

Het inciting incident, met de belofte van een comfortzone die verlaten wordt, is meer dan welk punt dan ook in het verhaal het punt dat veelbelovend is. Natuurlijk zijn er ook de clues, maar dan weet de lezer min of meer al wat er komen gaat. In dat opzicht is het inciting indicent dat heerlijke punt van avontuur: riemen vast, maar waarvoor… Daar moet de lezer nog heel eventjes op wachten. Maar als je het goed doet, klikt de lezer de riem vast met plezier, spanning en een glimlach op het gezicht.

Wil je een kennismaking met een boek goed laten verlopen, geef dan je inciting incident de nodige aandacht.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kiana Bosman verkregen via Unsplash.