Schrijfoefening: show, don’t speak

Show don’t tell is zo’n beetje dé basisregel van creatief schrijven. Zonder deze regel wordt een verhaal erg langdradig, of komt de tekst niet tot leven. Er zijn verschillende manieren om show don’t tell toe te passen, waarvan een er vaak wordt vergeten.

De basis van show don’t tell: terecht tegenprotest?

‘Schrijf ‘de tranen lopen over mijn wangen’ in plaats van ‘ik huil’.’ Voilà: show don’t tell in een notendop. Iedere schrijfcoach hamert erop hoe belangrijk die regel is en geeft verschillende manieren en redenen om show don’t tell toe te passen. Maar theoretische regels zijn nooit heilig, al wordt show don’t tell soms wel zo gezien. Zodanig zelfs dat er ook een tegenbeweging voor deze schrijftechniek is ontstaan. Onterecht, maar daar moet wel een kanttekening bij geplaatst worden. Show don’t tell wordt alleen onterecht heilig als je die notendopregel als enige interpretatie van de regel ziet.

Nu gaan we praten…

Beginnende schrijvers schrijven vaak dat de tranen over de wangen rollen, om vervolgens alsnog in een overdaad aan tell te belanden, vaak in de vorm van een as you know Bob. Zo raken sfeeromschrijvingen en dialogen met elkaar verweven op een manier die het allebei die schrijfvormen alleen maar teniet doet. Daarom kijken we tijdens deze schrijfoefening naar een nieuwe regel/ term: show, don’t speak. Je beschrijft iets zonder een dialoog. Als je van lichaamstaal uitgaat, kan je namelijk show don’t tell toepassen zonder alsnog in een dialoog of ergens anders compleet de mist in te gaan met een overdaad aan ‘tell’.

Show don’t speak: start met een voorspelbare trope

Voor deze schrijfoefening ga je observeren. In het openbaar of een wat meer vertrouwde setting, dat is aan jou. Zorg er wel voor dat je weet wat je grofweg kan verwachten of wat er gaat gebeuren: je moet gaan werken met een enigszins voorspelbare of vertrouwde trope. Denk daarbij aan:
* Een treinreiziger
* Een verliefd stel
* Een verjaardag
Kortom: iets wat je al zo vaak hebt gezien dat je kunt wachten op het moment dat de reiziger ongeduldig op zijn horloge gaat kijken, de conducteur langskomt, het stelletje koosnaampjes gaat gebruiken of gaat kussen, of er iemand lang-zal-ze-leven gaat zingen. Tante Sjaan natuurlijk, want tante Bep is een minuut daarvóór de taart gaan halen.

Bepaalde dingen lopen volgens een bepaald stramien dat je ziet aankomen als je grofweg tien jaar of meer aan levenservaring hebt. Probeer nu eens te bepalen waarom je dat nu precies aan ziet komen. Want die treinreiziger gaat echt niet zeggen: ‘ik word hier altijd zo ongeduldig van, als de trein weer eens drie minuten te laat komt en ik moet hollen voor mijn overstap.’ Nou vooruit, sommige mensen zijn levende as you know Betty’s ( ;)) maar die zijn zeldzaam. We zijn meestal bang dat mensen denken dat we gek zijn als we hardop in onszelf praten. Daar kan je je voordeel mee doen.

Schrijf om te beginnen op waaraan je de ‘start van de trope’ ziet:
* Die twee mensen houden handen vast, dat is een verliefd stel
* Die man in pak in de trein is een zakenman op weg naar een vergadering
* Een groep tienermeiden steekt de koppen bij elkaar: er komt een roddel aan

Wat gebéurt er nu?

Omdat we er zo gericht zijn om naar inhoudelijke spraak te luisteren, vergeten we te kijken naar wat er gebéurt. Dat is de volgende fase: goed opletten. Houd je ogen en oren open en probeer als er sprake is van gesproken taal, die weg te filteren. Dat kan aanvoelen als een focus op detail. Het kan zo uitpakken, maar dat hoeft niet zo te zijn.
Kijk eens naar deze tabel. Je zal zien dat er non-verbale, maar duidelijke dingen zijn die geen extra verbale uitleg meer nodig hebben, en details zijn die al zo veelzeggend zijn dat het geforceerd over zou komen als je personage nog zou zeggen: ‘dus ik voel me…’ of ‘dus ik bedoel maar:…’

Opvallende zakenDetails
iemand loopt met open armen op de ander af iemand speelt met de haren, terwijl die de geliefde aankijkt
diepe zucht en fronsend voorhoofdiemand schuift subtiel een eindje weg van de ander op een stoel, of keert de rug wat meer naar de ander toe
rennen in plaats van lopenEen stem breekt wanneer iemand start met praten
een stel dat je naar een hotelkamer wil stureniemand blijft een paar tellen voor een deur staan vóór het binnenlopen

Kijk vooral naar de kolom met details. Waarschijnlijk lijken dat geen details meer op het moment dat je ze zo afzonderlijk ziet staan. Want als dat verliefde meisje dat met de haren speelt geen (heimelijke) kus wenst of probeert te stelen… En als de stem op het punt staat te breken, volgt er geen leuk nieuws. Dan hóef je niet te weten wat er inhoudelijk gezegd gaat worden om het beeld te snappen. Dat vormt het uitgangspunt van deze schrijfoefening: probeer een (niet zo subtiel) detail of iets opvallends te vinden en schrijf dat uit in een korte sfeeromschrijving, zonder dat je terugvalt op dialoog. Je zal zien dat deze ‘show don’t speak’- scène heel interessant kan zijn zonder gesproken tekst.

Iemand wil opbiechten hoeveel de ander voor hen betekent, maar dat mislukt.

‘Show and speak’ wordt:
Het bloed racete door haar aderen toen ze hem aankeek. Ze slikte. Precies die blik deed haar geloven dat ze meerwaarde had.
“Je moest eens weten hoeveel…”
“Ja?” vroeg hij geduldig.
Maar haar stem wilde niet meer.

‘Show don’t speak’ wordt:
Haar handen trilden terwijl ze hem aankeek. Haar blik hield de zijne vast. Ze deed haar mond open en weer dicht. Ze merkte dat haar hand ongemerkt naar de zijne was opgeschoven, alsof die die van hem had willen pakken. Ze schudde verwoed haar hoofd en draaide van hem weg, hopend dat hij de opkomende tranen niet had gezien.

Zoals altijd zijn toepassingen van schrijftechnieken slechts richtlijnen. Maar voeg ‘show don’t speak’ zeker toe aan je arsenaal van schrijftechnieken als een mogelijke vervaging van ‘show dont tell’.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 青 晨 verkregen via Unsplash

Taalgebruik in dialoog: wie praat er eigenlijk?

Praten doen we allemaal, mens en personage. En iedereen heeft zo zijn eigen spreekstijl. Bij mensen kan dat al opvallen. Bij personages kan het gebruik van een slimme eigen stem een verhaal op zichzelf vertellen.

Liefje of schatje, de vent en dames en heren

Het kunnen aanspreekvormen, koosnaampjes of gewone woorden zijn, maar we hebben allemaal een bepaalde voorkeur voor woorden.
Vind je het fijn om ‘schatje’ genoemd te worden, maar is ‘liefje’ je te klef? Iemand anders denkt precies het tegenovergestelde. En zo kan ‘vent’ het perfecte woord zijn om stoere mannelijkheid te benadrukken. De ander ziet het als een belediging, omdat die dat eerder vindt klinken als ‘slijmerige gladjakker’.

Zo zijn er ook nog woorden die als vanzelf al iets aangeven. Noem iemand een dame of een heer en je weet dat het van respect betuigt, of dat het om iemand in welgestelde kringen gaat. Zo iemand noem je nooit een gozer of een griet.

Bedenk eens of en waarom je personage zo voorkeuren voor een bepaald taalgebruik of woorden heeft en waarom. Wisselt het ook met taalgebruik aan de hand van de setting? Of is het zo authentiek of asociaal dat het ook ‘effe’ zegt als de koning voor de neus staat? Roept het een vriend met ‘Gast!’ ‘Maat!’ of de voornaam?

Kijk zo naar woordgebruik en de kans is al kleiner dat al je personages (letterlijk) hetzelfde klinken.

Waarom praat je personage (terug)?

Vroeg of laat gaan je gedachten afdwalen of probeer je het gesprek te eindigen als een gesprek saai is. Dat zou je personage ook moeten doen als de dialoog saai wordt…
 Zorg ervoor dat je personage een reden heeft om te luisteren en/of terug te praten. Dat hoeft niet meteen een stuitende reden te zijn.  Je personage kan ook een ander argument willen geven in een discussie, of het gesprekonderwerp of de gesprekspartner prettig vinden.  
Stel dat de gesprekspartner over een pretparkbezoek vertelt. Redenen voor je personage om te blijven luisteren zijn bijvoorbeeld: willen weten of dat park een bezoek waard is, interesse in het leven van de gesprekspartner of interesse tonen als versiertruc. Maar je personage kan precies datzelfde onderwerp met dezelfde partner vreselijk vinden, omdat de gesprekspartner alleen maar over de eigen belevenissen praat, dat pretparkverhaal al honderd keer is langsgekomen, of omdat je personage een deadline heeft en jolige Pardoes van de Efteling nu geen plaats heeft in de emotionele toestand van stress.

Hoe dan ook heeft die reden in het hier en nu van je held invloed op wat die zegt, hoe die het zegt en waarom het gesprek al dan niet langer doorgaat. Gebruik dat om een dialoog sfeer te geven. Het is het verschil tussen:
“Ik verheug me erop om morgen de blije snoetjes van mijn eigen kleinkinderen in de Efteling te zien. Weer een oma-doel bereikt!” Of: “Morgen naar de Efteling? Whatever.” Allebei is het een ja op de vraag of iemand morgen naar de Efteling gaat, maar met een wereld aan verschil van beleving en manier van uiten.

Kijk altijd wat er nog meer schuilgaat achter de letterlijk gesproken teksten. Zo kunnen dialogen erg waardevolle show don’t tells zijn. Over de geschiedenis van je personage, de setting van een scène, wat er komen gaat, wat geweest is…
Je kan in een dialoog zo enkel de sfeer van het moment weergeven, maar ook een compleet verhaalthema uitdiepen. Als je de dialoog gebruikt voor meer dan alleen ‘praten’, heb je een schat aan mogelijkheden te pakken om je verhaal kleur en vaart te geven.

Deze tip verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Trung Thanh verkregen via Unsplash

Zo schrijf je een personage dat zichzelf tegenwerkt

Er zijn vele redenen waarom een personage zichzelf tegenwerkt. Dat kon je in de vorige blogpost al lezen. Ieder personage heeft iets paradoxaals in zich om interessant te zijn, anders wordt diens persoonlijkheid dat van een stuk karton. Een personage dat zichzelf tegenwerkt, heeft heel vaak iets wat het niet laat zien. Maar zodra het aan de oppervlakte komt, is het niet meer te stoppen.

Wat wordt er weggestopt?

Een personage dat zichzelf tegenwerkt, moet iets weg te stoppen of te compenseren hebben. Dat kan onschuldig zijn: als je held een houten Klaas is, zal het niet snel naar de sportschool gaan en ontwijkend gedrag vertonen als de vriendengroep het daar een keer voor uitnodigt. Dat kan een ongemakkelijk moment opleveren. Er zullen eindeloos veel smoesjes volgen en als de held dan toch een keer wordt overgehaald, zal het op talloze manieren zichzelf voor schut zetten door de onhandige manier van doen.
Hier kan je al zien dat er meerdere ‘laagjes’ zijn. Om de niet-atletische kant te verstoppen, worden er smoesjes verzonnen en zodra daardoorheen wordt geprikt, eindigt dat in gestuntel: het tripje naar de sportschool is onvermijdelijk en eindigt op de eerstehulppost met een gekneusde teen.

Maar het weggestopte probleem kan ook een complete scène of een heel verhaal dragen. Denk dan in termen van de grootste angst of grote schaamte. Dan gaat een personage zich echt niet zomaar gewonnen geven. Maar als je de zwakke plekken kent – die je in de personagebiografie hebt staan- kan je ervoor zorgen dat dit personage zich in de eigen voet schiet.

Casus: jurylid #3 Twelve angry men

In de film twelve angry men moet een jury bepalen of een 18-jarige die terecht staat voor de moord op zijn vader, schuldig is of niet. Bij de geringste twijfel moeten ze hem vrijspreken. In het begin van de film is er een jurylid dat ervoor pleit om de jongeman niet schuldig te pleinen, in eerste instantie gewoon om zijn zaak te bespreken. “Je kan niet zomaar iemand ter dood veroordelen zonder daarover gepraat te hebben,” is zijn gedachtegang. Uiteindelijk gaan de andere juryleden een voor een overstag, maar jurylid #3 is bijzonder koppig. Of eigenlijk: gewoon boos. Hij luistert niet naar argumenten: hij wil gewoon dat de jongen wordt veroordeeld. Dat komt omdat hij zijn zoon op de jongeman projecteert. #3 heeft een 22-jarige zoon met wie hij geen contact meer heeft. De film impliceert dat dat komt omdat de vader te agressief was naar zijn zoon.
Maar zo ziet vader dat niet. “Je doet altijd alles voor die verwende jongeren en dan kunnen ze je van alles flikken: ze hebben geen respect meer voor hun vaders.” Hij kijkt niet verder dan zijn eigen blinde vlek en daarom moet de jongen die terechtstaat hoe dan ook veroordeeld worden, als wraak naar zijn zoon. Maar in die blinde woede nemen andere juryleden hem op een bepaald moment minder serieus. Of #3 delft zijn eigen graf, met bijvoorbeeld:
“Wat maakt mij het uit of dát bewijs klopt? Dít bewijs is waterdicht, al het andere mag het raam uit!”
Om twee minuten later te horen, als hij op ander bewijs terugvalt: “Maar dat andere bewijs mochten we toch het raam uitgooien?”

Koppig of diepgaand?

Je kan het hoe en wat achter een koppig personage niet onthullen. Dat leest niet prettig. Maar een personage dat zichzelf tegenwerkt, zoals jurylid #3, kan ontzettend interessant zijn. Tot op het allerlaatst, als hij instort en al heel wat nare en kromme dingen heeft gezegd, is het lastig sympathie voor hem te voelen. De reden dat hij toch interessant blijft, is omdat datgene wat hem tegenwerkt – zijn eigen woede- consistent is in gedrag, maar niet in gevolgen. Langzaamaan keren steeds meer juryleden zich tegen zijn argumenten, manier van doen of ‘debatteren’. Bovendien wordt er uitstekend gebruik gemaakt (subtiel) van zaaien en oogsten.
Als een personage zo gedreven door één enkel motief, denkt het publiek: triggert zelfs dít jou? Kun je hier óók al boos om worden?
Blijkbaar wel. Als je het daarbij laat, gaat je personage mislukken en irritant worden. Geef een reden waarom die houding dat personage blijft dienen (of dat lijkt te doen!) en dan heb je ineens een heel interessante personagegroei om in de gaten te houden. Want als iets negatief is, dan kan iets jou niet alleen maar blijven dienen. Er komen scheurtjes in die tactiek. Het personage heeft dat zelf niet door, omdat die iets anders ziet gebeuren, of anders naar de situatie kijkt. ‘Maar wáárom dan?’ is wat het publiek geïnvesteerd houdt.
Jury #3 zou bijvoorbeeld kunnen denken: het gaat er mij niet om dat ik boos moet zijn, het gaat er mij om dat mijn gezag geldt, want daar hecht ik waarde aan. Dat boos zijn heeft daarvoor altijd gewerkt, dus dat heb ik tot mijn emotionele schild gemaakt.
Als er dan een moment komt waarop dat niet meer werkt, een personage dat te laat inziet en dus langzaam maar zeker het eigen graf delft, vraagt een toekijker zich af wat er nog meer komt, achter zit of gaat gebeuren: pageturner gegarandeerd.

Zoeken naar de ultieme trigger

Een ultieme trigger dwingt je personage tot uiteindelijke overgave. Wat dat is lees je in je personagebiografie. Geef het vorm alsof het een verhaalthema is: een en hetzelfde gegeven dat je op meerdere manieren kan verpakken. Als afbrokkelen van het gezag de ultieme trigger is, denk dan aan tegenspreken, niet luisteren, onbeleefd antwoord geven of negeren. Zo kan je voldoende variëren met een personage dat steeds opnieuw in de aanval gaat, maar voelt het wat minder alsof die steeds om hetzelfde (kleine) ding het hoofd stoot. Geef ondertussen ook hints naar de kern van het probleem, in plot taalgebruik, of sfeeromschrijvingen. Als de trigger dan maar blijft komen en de aanvalstactiek niet verandert, kost dat je personage vroeg of laat de kop. Tot dat moment aanbreekt of op het moment zelf kan je hints geven naar wat het eigenlijke probleem precies is om het verhaal spannend te houden.

Foto door Dmytro Tolokonov via Unsplash.

Wat is een realistische dialoog?

Een dialoog schrijven waarbij het lijkt alsof de personages van vlees en bloed zijn. Het klinkt als iets wat niet moeilijk is, maar er zit een zekere paradox in het begrip ‘realistisch’ zodra het om dialogen gaat. Wat realistisch is voor mensen en voor personages scheelt meer van elkaar dan je misschien zou denken.

Mensen: tja, dus…Eh, lekker weertje, hè?

Tenzij mensen een toespraak voorbereiden, zijn we niet zulke vlotte praters als we denken, als het om grammatica of het onderwerp gaat. In onze gesprekken hoor je eindeloze ‘uh’tjes, stopwoordjes en de onderwerpen zijn vrij vaak nogal eenvoudig. Of we praten relatief veel van hak op de tak.  Schrijf maar eens een gesprek van tien minuten extreem precies uit, dus inclusief alle ‘zeg maar’ ‘uhm’ en grammaticale fouten. Je zal merken dat zelfs iemand die iets interessants vertelt, echt niet zo vloeiend praat als het lijkt…

En dan heb je nog de ‘hoeishetmetjes’ en de ‘lekkerweertjevandaags.’ Beleefdheidszinnetjes die zelfs in het echte leven geen oprecht antwoord verwachten of die het ijs willen breken, maar verder nietszeggend zijn.  

Denk eens aan het verhaaltempo als je je door zes van zulke bladzijdes heen moet worstelen, gewoon om erachter te komen: die zijn verliefd, of proberen een datum te prikken…
Oftewel: neem ‘een realistisch klinkende dialoog’ vooral niet te letterlijk, daar wordt hij alleen maar onleesbaar en traag van.

Personages zijn slimme gedachtelezers

Is het je al eens opgevallen dat personages in een goede dialoog altijd een weerwoord klaar hebben? Soms in de context van een ruzie, maar soms ook gewoon in een vriendschappelijk gesprek. Dat komt omdat je geen papier mag  ‘verspillen’ aan de ‘lekkerweertjes’.
 Personages snappen bovendien in zekere zin bijna altijd wat de ander onuitgesproken zegt of voor boodschap heeft. Bijna alsof ze gedachten kunnen lezen. Dit houdt de vaart in een dialoog.

De filmklassieker ‘Jurassic Park’ heeft een scène die dit heel goed laat zien.
Een rijke investeerder heeft door DNA-onderzoek dinosaurussen opnieuw kunnen creëren en heeft daar een attractiepark bij gemaakt: ‘kom naar de dino’s kijken!’ De wetenschappers die bij hem aan tafel zitten vertellen waarom dat dat evolutionair gezien een slecht idee is. Dát zeggen ze hardop. Niet letterlijk, maar nog wel onsubtiel zeggen ze ook: jij bent ontzettend dom bezig. Tussen de regels door en iets subtieler zeggen ze ook: jij hebt een veel te groot ego.

Dat is ook nog duidelijk, maar het feit dat het niet wordt uitgespeld voor de kijker en die boodschap toch overkomt, laat de kwaliteit van de dialoog zien: tussen de regels door wordt er nog extra informatie duidelijk gemaakt. Er zitten meerdere lagen in.   
De personages hebben dat zelf ook in de gaten: O, dus jij noemt me dom en egoïstisch? Hier is een tegenargument: “Wat als ik een met uitsterven bedreigd diersoort zou redden met deze kennis? Daar zou jij als bioloog niets op tegenhebben.” (Lees: alsof ik alleen maar slecht ben! En ook:  jouw argument valt ook in duigen wanneer…)

Personages: vaart met meerdere lagen maakt een dialoog realistisch

In de scène van Jurassic Park leert de kijker met de dialoog ook dat de wetenschappers de natuur hoger in het vaandel hebben staan dan de vooruitgang van de wetenschap. En dat de investeerder liever wegkijkt in plaats van zijn eigen falen toe moet geven.

Een goede dialoog is dan misschien niet realistisch in de letterlijke zin van het woord, maar het voelt wel zo, omdat die nergens stokt en de vaart erin houdt. Met argumenten over en weer, of omdat je als lezer tussen de regels door meer over de personages te weten komt op een manier die niet geknutseld of dramatisch overkomt.

Wil je een dialoog realistisch houden, kijk dan naar meerdere motieven en de snelheid waarin die elkaar opvolgen en laat wat meer los wat iemand letterlijk zou zeggen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Azzadiva Sawungrana on Unsplash.

Een personage dat zichzelf tegenwerkt

Een perfect personage is nooit interessant. Om vaart te hebben en te houden, vraagt een verhaal dat een personage valt en opstaat. Bij voorkeur leert het daar ook nog van. Maar net als in het echte leven, kunnen personages erg hardleers zijn, of hun eigen grootste vijand. Dat soort personages zijn vaak bijzonder aantrekkelijk om over te lezen. Want je eigen grootste vijand word je niet zomaar, dus valt er met deze papieren persoontjes veel te ontdekken.

Wat drijft je personage?

Als je een personage ontwerpt, kijk je altijd naar diens persoonlijke geschiedenis. Wat heeft het meegemaakt, wat zijn de belangrijkste overtuigingen, grootste angsten…? Dit schrijf je op in de personagebiografie. Aan het eind van de rit heb je altijd een rugzakje waar iets uitkomt om het centrale conflict van te maken. Dat wat je personage aan moet gaat en waar het van kan groeien. Geen enkel fatsoenlijks personage komt deze fase van de tekentafel uit zonder de nodige uitdagingen. Als dat wel zo is, moet je het nog wat meer vormgeven.

Maar zo af en toe komt er een personage langs dat niet zomaar een uitdaging heeft, maar ook echt het spreekwoordelijke rugzakje: Zo niet een compleet koffer. Dat kan een serieus trauma zijn, maar dat hoeft niet per se. Het kan ook relatief ‘simpel’ zijn: je personage is vreselijk koppig. Dat klikt bijna te makkelijk: koppig zijn als een serieus obstakel. Maar een koppig personage kan het verhaal in zijn eentje volledig op slot zetten. Tenzij het de eigen vijand wordt. Wat het ook is dat dit personage zijn eigen vijand laat zijn, dat moet je goed onderzoeken.

Nog meer dan anders een personagepsycholoog spelen

Personagepsycholoog spelen is onvermijdelijk bij ieder personage. Om het veelzijdig maken, moet je bepaalde zaken aan elkaar kunnen koppelen. Dat kan al met iets simpels als: zij wil al haar hele leven moeder worden, dus zij is als moeder ook uitgesproken moederlijk en niet al te streng. Maar bij een personage dat diens eigen grootste vijand is, moet je dat preciezer en uitgebreider doen, omdat je een ander doel wil bereiken. Je wil niet alleen laten zien waarom zo’n personage is wie het is, maar ook hoe het zo geworden is. Daarvoor moet je de spreekwoordelijke laagjes kunnen afpellen. Wat zit hier (onderhuids) nog allemaal achter, en daar weer achter… om vervolgens zo tot de kern van het probleem te komen?
Dat doe je eerst voor jezelf, en vervolgens vertaal je dat naar een verhaalvorm. Gegarandeerd dat de lezer dan op het puntje van de stoel blijft zitten.

Door laagjes heen breken

Een personage dat laagjes heeft waar je als schrijver doorheen moet breken, doet altijd iets excessief De manier waarop het doet of denkt, lijkt wel heilig voor dit personage. En dat overmatige keert zich uiteindelijk tegen het personage. Denk aan dingen als:
– te veel plannen laat geen ruimte voor spontaniteit over als dat moet of andersom.
– een personage dat altijd de baas wil zijn, verliest uiteindelijk de macht, omdat anderen die agressieve houding niet meer pikken.
– Een koppig personage luistert niet naar andermans argumenten en schiet daardoor op een bepaald moment tekort, omdat het uiteindelijk slecht geïnformeerd is.

Maar als deze manier van doen, of denken het personage altijd heeft gediend, gaat het die gewoonte niet zomaar opgeven. Tegelijkertijd is het zo dat iets excessiefs nooit gezond is: het gedrag is dus eigenlijk een show don’t tell dat je personage zich tegen iets beschermt. Om erachter te komen wat dat is ga jij, en later ook de lezer, door stap voor stap de aangeleerde beschermingsmechanismen van je personage ontdekken. Dat doe je door ze een voor een weg te halen. Zorg dat beschermlaagje een niet meer werkt, ga dan naar beschermlaag twee, enzovoort.

Zichtbare verandering?

De verandering is zichtbaar als je deze laagjes af gaat pellen, maar wel heel subtiel. Je personage zal pas bij het allerlaatste laagje een instorting of aha-erlebnis krijgen. Zo houdt je het hele verhaal de lezer in spanning. Welke beschermingslaag is er nog meer? Hoe wordt die doorbroken en lukt dat wel? Hoe gaat de bescherming van het personage het tegen zich keren. Genoeg vragen om een pageturner mee te schrijven!

Komt de redding nog op tijd?

Een personage dat tegen obstakels aanloopt door het aangeleerde gedrag, kan nog veranderen. Als je personage woedebeheersingsproblemen heeft, kan dat bij de baas geroepen worden om er iets aan te doen. Dan krijgt je personage daarvoor training. Maar het kan ook zo zijn dat je personage al te veel mensen heeft beledigd vaker door te schreeuwen dat wat de andere collega’s zeggen, hem ‘geen ene ruk kan schelen, stelletje nutteloze idioten!’ Daardoor heeft hij geen argumenten van collega’s gehoord en staat hij te kijk tijdens de volgende vergadering. Het is soms interessant om daar een (centraal) conflict in het verhaal van te maken, andere keren moet je de conclusie trekken dat je verhaal een andere kant op gaat. Het gaat niet langer over deze driftkop naar woedebeheersingstrainig sturen, maar over het verhaal hoe die zorgvuldig opgebouwde psychologische beschermingslaagjes in elkaar storten.

Wil je je personage nog een kans geven, of wordt het toch einde verhaal voor deze manier van denken handelen? Die afweging is soms wat lastig te maken. Kijk eens naar je verhaalthema of de boodschap van het verhaal, dat biedt wat meer houvast. Wil je laten zien wat er gebeurt als je te standvastig bent en daar voor waarschuwen? Of wil je juist het lezerspubliek laten meeleven in het hoofd van iemand die daarmee worstelt?

De kans is groot dat dit een personage is dat een bepaalde ergernis bij je lezers opwekt, en dat je in plaats van een held een antagost als hoofdpersoon krijgt. Dat lijkt iets onwenselijks, maar dat hoeft niet zo te zijn. Volgende week plaats ik een blogpost waarin we dieper ingaan op een personage dat zichzelf tegenwerkt en ook niet het fijnste personage is. Dan zal je zien dat je daar heel veel mee kan bereiken door ‘af te pellen.’

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Bermix Studio verkregen via Unsplash.

‘As you know Bob’: De draak van een dialoog op de uitlegpreekstoel

Een goede dialoog neemt je lezer helemaal mee in het verhaal. Een slechte dialoog haalt je lezer er helemaal uit. Een van de doodsteken van een dialoog is het verschijnsel dat bekend staat als ‘As you know, Bob’.  Daarin wordt omwille van de uitleg aan de lezer iets besproken, wat zo onnatuurlijk klinkt dat je hele verhaal een lachertje kan worden. Hoe ziet dat er precies uit en hoe kan je dit gesprek met ‘Bob’ voorkomen?

Personages zijn zich bewust van hun publiek

‘As you know Bob’ kan je samenvatten als: personages hebben weet van de lezer als een toeschouwer van hun leven die geïnformeerd moet worden. Want waarom zouden ze dit anders zeggen?

Dat ‘dit’ is iets wat nieuwe informatie is voor de lezer. Maar de personages vergeten deze informatie pas als ze een zodanige klap op het hoofd krijgen dat ze hun hele leven vergeten zijn.
Voorbeelden:

  • Levenslange vrienden die elkaar wekelijks spreken: ‘Zoals je weet, is mijn broer al maanden ziek. Dus ik moet nu naar het ziekenhuis om hem bij te staan voor een controle.’
  •  ‘Hey, broertje, lang niet gezien!’
    Een naam is natuurlijker dan het algemene, alles verklappende ‘broertje’.  Sla holle beleefdheidsfrasen als  ‘Lang niet gezien’ over en begin de scène liever aan de tafel bij het kerstdiner waar blijkt dat broertje niet lekker in zijn vel zit. Dan kan je hoofdpersoon uit eigen beweging vragen wat er scheelt.

Vragen om een ‘as you know Bob’ te voorkomen

Een vuistregel is dat een dialoog al heel wat ‘As you know Bob’ af is als je onthoudt dat informatie delen nooit belangrijker is dan een plot op een natuurlijke manier aan de gang te houden. Om dat te controleren kan je jezelf een paar vragen stellen:

Moet de lezer dit nú weten?

Is het belangrijk dat de lezer op exact dit moment weet dat:
* de personages familieleden zijn, als ze elkaar bij binnenkomst begroeten?
Of kan je de erfenis die tijdens het kerstdiner ter sprake komt, dat duidelijk maken? Dan heb je meteen een spanningsboog.
* De vriend naar het ziekenhuis en de zieke broer gaat?
Wat moet de spanning van deze scène maken? De zieke broer, het feit dat de vriend nu niet beschikbaar is voor je protagonist, het feit dat de vriend iets halsoverkop gaat doen, waardoor hij iets vergeet te doen, dat later belangrijk is voor het plot…?
Kortom: wat maakt dat de gesprekspartner van Bob dit zou zo uitleggen? Waarschijnlijk is er iets ernstigers of anders aan de hand dat zich niet leent voor letterlijke uitleg, als je er wat langer over nadenkt. Zelfs als dit personage er ‘gewoon’ wil zijn voor zijn zieke broer, dan kan het alsnog anders:

“Ik wil er nu zijn voor Jeroen, dus ik ben naar het ziekenhuis.” Punt.  Dan is de echte uitleg aan de lezer er al van af. Dat brengt ons bij vraag twee:

Wat als de lezer ‘dit’ niet weet?

Idealiter schrijf je zo dat de lezer geïnteresseerd blijft, ook al weet hij de details van ‘dit’ niet. Een ‘as you know Bob’  vertelt meestal iets dat in het grote geheel geen verschil maakt, als er sprake zou zijn van een net iets ander detail, of wanneer de lezer dat detail niet weet.

Of je personage het broertje of de oom lang niet gezien heeft, maakt geen verschil meer als er later om een erfenis wordt gevochten. En of Jeroen nu lijdt aan kanker of hartfalen, en of hij nu een vriend of een broer is: iedereen snapt dat je als het niet goed met iemand gaat, je een bezoek wil brengen.

Je kan de kans op een ‘As you know Bob’  verminderen door goed te kijken of informatie in het hier en nu en de details daarvan een verschil maken. Vaak is dat niet zo. Dat maakt het schrappen van deze draak van een dialoog al een stuk makkelijker.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Foto door Thriday via Unsplash

Hoe schrijf je een uniek tropepersonage?

Je hebt personages die op het eerste gezicht slechts een type trope zijn: de nerd, de boze witte man, de onschuldige en lieve moeder. Dan moet je ervoor zorgen dat ze meer worden dan alleen een representatie van die trope. Maar soms gaat dat niet, bijvoorbeeld als je personage een te kleine rol heeft in het verhaal. Dit kan je doen om dit personage alsnog uniek en herinneringswaardig te maken.

De trope onder de loep nemen: zoek het bijvoeglijk naamwoord

Kijk eerst eens met wat voor trope je te maken hebt. Vaak zit er in de omschrijving ervan een bijvoeglijk naamwoord bij. Dat kan je een heel eind op weg helpen. Zo heeft de boze witte man – verrassing- een hoop boosheid in zich en het lelijke eendje is per definitie van de trope vaak onopvallend of verlegen.
Dit bijvoeglijk naamwoord kan je veel vertellen over de mogelijke grootste angst, drijfveer, geheimen, droom of de leidende karaktertrek van je personage. Toevallig of niet is dit ook de achtergrondinformatie van je personage waar je het meest aan hebt om het uniek en interessant te maken.

Neem het lelijke eendje. Misschien komt die neiging om onopvallend te willen zijn van ouders die via hun kind hun niet vervulde wensen in alsnog vervulling willen zien gaan.
“Ik ben nooit schoonheidskoningin geworden, dus nu moet jij uitblinken met je uiterlijk. Gemiddeld zijn is een ramp!”
En net als jij doodongelukkig eindigen, mams? Nee bedankt: ik verdwijn liever in de massa en zorg dat ik gewoon lekker mee kan draaien. Lekker gemiddeld, lekker veilig, niks mis met een ‘gewoon’ leventje…

Als je zo de trope onder de loep kan nemen en die een unieke invulling kan geven is het al stukken lastiger om het personage als cliché te laten eindigen.

Persoonlijk taalgebruik als ultiem onderscheid

Een sjieke advocaat praat heel anders dan een jolige bouwvakker. Als schrijver weet je vast wel dat als deze personages groeten, ze dat niet hetzelfde horen doen. Eerstgenoemde zegt kalm: ‘Goedemorgen’ waar de andere ‘môgge’ in je oor toetert. Het zou bizar zijn om dat om te keren. Met dit simpele voorbeeld kan je al zien hoe belangrijk de taal en de stem van een personage zijn.
Wat jammer is, is dat de meeste schrijvers het hierbij laten als het om kijken naar taalgebruik gaat. Geef ze een ‘goedendag mijnheer,’ in plaats van een ‘goeiemoggel wereld’, nog een stopwoordje et voilà.
Daar valt veel meer uit te halen.

Denk aan dingen als:

  • een sportfanaat gebruikt veel uitdrukkingen die met sport te maken hebben
  • Een puber met een kan-mij-het-schelen-houding mompelt veel
  • Een racist spreekt letterlijk in ‘wij ‘ en ‘zij’ taal
  • een beelddenker beschrijft emoties in plaats van te zeggen wat het voelt: ‘een steek in de rug’ versus ‘ik voel me verraden.’
  • een uitgesproken empathisch persoon checkt regelmatig bij de gesprekspartner: ‘klopt het wat ik zeg?’ Om niemand voor het hoofd te storen met een aanname of omdat diegene weet dat een ander een situatie anders kan beleven dan hijzelf.

Natuurlijk moet je erop letten dat je deze dingen subtiel in de tekst verwerkt, anders komt het alsnog te geforceerd over. Kijk daarvoor hoe je dit taalgebruik , of deze maniertjes, zo je wil kan vertalen naar een show don’t tell als aanvulling op dat wat je personage zegt. Maar ook dan weer in de subtiele zin van het woord.
Als we aannemen dat de sportfanaat niet alleen graag op de tribune zit, maar ook graag meedoet, kan je stellen dat die beweeglijk is. Een show don’t tell is dan bijvoorbeeld: zit altijd te wiebelen op de stoel.

Natuurlijk is wiebelen op een stoel geen duidelijk teken dat iemand van sport houdt. Maar als je meerdere van dit soort maniertjes, gewoonten, uitingen, voorkeuren enzovoorts bij elkaar optelt, dan krijg je wel de sportfanaat die je wil schrijven. Zonder dat die meteen met een toeter in de clubkleuren hoeft rond te lopen en steeds zegt dat er iets ‘gescoord’ in plaats van gekocht gaat worden.
Je lezer hoeft niet per se aan dit soort show don’t tells te zien dat dit ab-so-luut een sportfanaat betreft. Zolang het maar duidelijk is dat de/ een ultieme tegenhanger – de sjieke advocaat, bijvoorbeeld- hier níet aan het woord kan zijn.

Voorbeeld: ik-figuur en oude vrouw

Twee personages geven een voorbeeld geven van al het bovenstaande:

De auto stopt nog maar net op tijd, ik blijf net op tijd op de stoep staan. Even maakt mijn hart een sprongetje, maar dan maak ik een gebaar naar de automobilist: niks aan de hand, we kunnen weer verder. Ik glimlach en wend me tot de oude dame naast mij, die binnensmonds vloekt.
“Dat was even schrikken, hè? Alles in orde met u?”
“Die verdomde wegpiraat zou mijn hartmedicijnen moeten vergoeden!”
“Tja, wie weet waarom hij niet uitkeek.”
“Wat maakt dat nou uit? De jeugd van tegenwoordig ook, altijd maar haast, altijd egocentrisch…”
“Wie weet hoorde hij net dat zijn vrouw met spoed in het ziekenhuis is opgenomen.”
“Ja ja, zo kan je wel smoesjes blijven verzinnen. Als ik in het ziekenhuis was beland, was dat veel erger geweest”

Deze oude vrouw is niet zomaar een bijna-verkeersslachtoffer, maar de trope van een verbitterde bejaarde vrouw. Kijk maar:
– ze is geïrriteerd
– ze zet zich niet snel over iets heen (zo kan verbittering groeien)
– ze is niet objectief meer: (dat doet verbittering met je) hoezo is haar leven per definitie belangrijker dan dat van een ander?
– en ze spreekt zichzelf tegen: de jeugd van tegenwoordig egoïstisch? En haar eigen uitspraken dan?
Dat is misschien geen echt teken van verbittering. Maar fijn is anders. Net zoals verbittering ook niet echt iets prettigs is.

En de ik-figuur, wat is dat voor een tropepersonage? Een lieve verpleegkundige, hoogzwangere vrouw of een gehaaide boekhouder? We zullen het nooit echt zeker weten, maar de laatste optie is wel van tafel, lijkt me.

Kijk eens hoe je zo enkele algemene eigenschappen van trope(personage)s om kunt zetten in unieke tekst. Je verhaaltempo zal ervan omhoog schieten!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door sporlab verkregen via Unsplash



Een interessante romance in een notendop

Romances worden ontzettend vaak geschreven, maar minstens net zo vaak zijn die cliché of blijven ze oppervlakkig. Met dit stappenplan schrijf je een romance van begin tot eind interessant en origineel blijft.

1. Bedenk om wie het gaat

Gemakshalve noemen we de hoofdrolspelers van een romance altijd Romeo en Julia. Maar dat wil niet zeggen dat deze helden zich als die beroemde personages moeten gedragen. Sterker nog, een goede romance begint met personages die verfrissend en hun eigen persoontje zijn. Besteed dus eerst aandacht aan het ontwerpen van je personages. Denk bijvoorbeeld aan hun voorgeschiedenis, voorkeuren en wie ze waren voordat ze verliefd werden. Werk dat laatste ook mee uit om ervoor te zorgen dat ze naast verliefd ook altijd personages blijven. Er is niks zo saai om over te lezen als iemand die alleen maar kwijlend naar een ander kan staren.

Lees meer tips

2. Neem het koppelen serieus

Een koppeltje in een boek is maar al te vaak samen omdat de ander zo knap, lief, stoer, zorgzaam… is. Leuk, zo’n roze wolk, maar die kan het gewicht van een compleet plot niet dragen. Als je een stelletje wil dat een serieuze relatie ook echt samen aan kan gaan, zorg dan dat ze ook echt bij elkaar passen. Uiterlijk is het minst belangrijk van alles. Kijk naar zaken als gezamenlijke interesses, maar ook vooral naar verhaalthema’s en het plotverloop. Wat wil je met jouw verhaal vertellen en wat moet jouw stelletje dus ook kunnen uitdragen? Zijn ze daar met zijn tweeën het goede koppel voor?

3. Hou het groeiproces in de gaten

Goede personages hebben een centraal conflict, waardoor ze aan het eind van het verhaal een beter en ander mens zijn. Zorg ervoor dat je niet vergeet dat iemand een eigen individu blijft, ook binnen een relatie. Laat die hobby of dat levensdoel dus niet zomaar op de achtergrond raken, alleen omdat je personage nu een wederhelft heeft. Gebruik de wederhelft in plaats daarvan als een aanvulling op dat centraal conflict. Kan je nog wat extra spanning oproepen? Of is de wederhelft juist degene die het beste in de ander naar boven haalt, zodat het grotere doel makkelijker bereikt kan worden?

4. Ruzies om van te groeien

Ruzies die onmiddellijk opgelost kunnen worden door een minuut te besteden aan het oplossen van een misverstand, zijn uit den boze. Zorg voor ruzies waar een echt probleem centraal staat. Iets waar een oplossing voor moet worden gevonden en die niet voor de hand ligt. Zo wordt de vindingrijkheid van je personages op de proef gesteld en hun relatie ook echt getest. Als die dat dan overleeft, is de relatie ook stukken geloofwaardiger dan wanneer je beweert dat de romance tegen alles bestand is, totdat er een ongefundeerde roddel in het spel komt. Kijk hoe je deze serieuzere ruzies ook kan laten aansluiten bij het verhaalthema. Zo voorkom je dat ‘lang en gelukkig’ klef, cliché of onverdiend overkomt.

Lees meer tips

5. Lang en gelukkig

Als je lang en gelukkig wil leven met een relatie die ‘alles aankan’, laat dat dan ook zien. Je koppel moet meerdere serieuze conflicten kunnen doorstaan, waarbij het niet voldoende is dat de ander een minpuntje van de wederhelft leert omarmen. Een goed stel helpt elkaar meerdere keren uit een serieuze brand. Om je koppel nog interessanter te maken, zorg je ervoor dat deze branden ook verschillend van aard zijn. Bovendien is het belangrijk om een romance altijd onderdeel van de plot te houden, niet de plot zelf.

Lees meer tips

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Naomi Irons verkregen via Unsplash

Een gouden regel voor het schrijven van expositie: ‘Even wat anders’

Expositie is het bekendmaken van informatie aan de lezer. Doe je het goed, dan valt het niet op en wordt je informatie zelfs een onderdeel van een lopend verhaal. Dat is lastig. Maar als je loslaat dat er een lezer is die informatie moet krijgen en je personages niet weten dat ze van papier zijn, kom je al een heel eind.

Slechte expositie: ‘Heb je al gehoord…?’

Laten we eerst even herhalen waarom expositie zo belangrijk is om goed te doen. Je lezer moet weten wat er speelt in de papieren wereld, maar maak van Hoofdstuk 1 een infodump en je lezer komt niet verder dan dat deel van je boek. ‘Mijn personage werkt in een dierentuin, heeft een vrouw en zijn grootste angst is om ontslagen te worden.’ Dat is een beetje te direct als introductie. Maar dat is slechte expositie ook:
“Hoi Martha, hoe is het met Bert?”
“Hij zit niet zo lekker in zijn vel. Hij hoorde vorige week het gerucht dat de dierentuin gaat bezuinigen…”
“Maar zijn baan zal toch niet in gevaar zijn?”
“Dat weet hij dus niet: hij slaapt de hele week al slecht.”

Hier is het te duidelijk dat de personages iets duidelijk willen maken aan de lezer. Elke zin draagt daar op zijn eigen manier aan bij:

  • Hoe gaat het? –> Dit is een erg lege frase in een boek. Als het antwoord ‘goed’ is, is het een nietzeggende beleefdheidszin. Zo niet, dan schreeuwt het met knipperende neonlichten: ‘Lezer, zet je schrap, er komt een conflict aan!’
  • Hij zit (…) –> dit is een infodump: het is veel te directe informatie.
  • Maar zijn baan (…) –> natuurlijk wel. Als iets zo direct wordt meegedeeld. voelt een lezer aan dat hier iets mee gaat gebeuren. Het voegt geen spanning toe, het voelt alleen maar geforceerd.
  • Dat weet (…) Hier herhaalt Martha zichzelf alleen maar. En dat Bert slecht slaapt, is zo logisch, dat je dat niet extra hoeft uit te leggen.

Kortom: hier zie je alleen maar holle frases en wordt iets uitgelegd wat iedereen kan begrijpen. Er worden in deze expositie dus een aantal grote fouten gemaakt. Dat gaan we op een rijtje zetten.

Dit gaat er mis bij slechte expositieVervelend gevolgJe kan beter…dat doe je door…
je (personage) legt iets (logisch) letterlijk uitje lezer wordt als dom gezienmet het verhaal verder gaande aandacht op iets anders te richten
informatie wordt geforceerdde lezer wordt uit het verhaal gehaaldde aandacht op iets anders richtenmeerdere lagen toe te passen in je tekst
informatie voegt weinig tot niets toede vaart gaat uit de tekstbedenken wat je echt wil zeggenmeerdere lagen toe te passen in je tekst

Zie je de samenhang tussen de uitgangspunten meerdere lagen en de aandacht ergens anders op richten? Als je expositie in de subtekst – dat wat je tussen de regels door kan lezen- kan verstoppen, wordt de expositie een deel van het verhaal. Maar daarvoor moet je de aandacht wel verschuiven. Naar iets (heel) anders dan wat je (aan de oppervlakte) aan het vertellen bent.
Voor de beelddenkers onder jullie: zie goede expositie als een snoepje wat je lezer ongezien wil toestoppen. Dat kan je bereiken met het het aloude trucje van:
“Hé, kijk daar eens, daar loopt je beste vriend!”
“Waar?”
Je luisteraar kijkt even afgeleid achterom en voilà: even later zit er een snoepje in zijn jaszak. Je moet iets anders dan dat eigenlijke snoepje dus belangrijker maken op het moment dat je het introduceert.

Casus: reiziger met bindingsangst?

Tommy komt net terug van een vakantie en laat Joris zijn foto’s op zijn telefoon zien. Joris heeft net de telefoon in handen gekregen om op zijn eigen tempo door de foto’s te kunnen scrollen.

“Als je het over parelwitte stranden hebt, zeg. Wauw! Waar was dit precies?”
“Even goed kijken, hoor, dat was…”
Joris ziet de foto van Puck voor Tommy hem kan tegenhouden op het scherm verschijnen.
“Ik app haar wel als we de foto’s zijn doorgelopen, ” zegt Tommy als hij dat ook ziet.

Even pauzeren. Want dit is het punt waarop het helemaal mis kan gaan, maar waar je het ook goed kan doen.
Als het doel is dat duidelijk moet worden dat Tommy bindingsangst heeft, doet slechte expositie iets als:
” Wie is Puck? Zo’n mooie meid moet je terugbellen! Hoe lang is het nou geleden dat je een date hebt gehad? Vriend, spring je soms steeds maar in een vliegtuig om relaties te ontlopen?”

Of je kan verder gaan met:
“Ik weet het niet meer, ik ben op zoveel stranden geweest,” zegt Tommy.
“Ja, dan wordt het al snel veel van hetzelfde. Wordt dat nooit saai?”
Tommy scrollt verder naar een foto met een spectaculaire zonsondergang op een prachtig strand en trekt een veelbetekenende wenkbrauw op.
“Nou, vooruit dan,” lacht Joris toegeeflijk. “Maar ik zie jou nauwelijks op je vakantiefoto’s.”
“Als je zoveel natuurschoon tegenkomt, denk ik niet aan mezelf.”
Er klinkt een belletje: Puck appt opnieuw.
“Nee?” vraagt Joris
” Nee. Op de schoonheid van de stranden kan je altijd rekenen. Iets mooiers bestaat er niet.”

Ik moet deze scène bijna overdreven subtiel houden. Meestal leunt een expositie als deze meer op gebeurtenissen in het (grotere) plot. Als er in een plot al puzzelstukjes zijn gegeven dat Tommy bindingsangst heeft, zou je Joris’ ‘Nee’ kunnen vervangen door iets als ‘Neem je dan nooit vrienden mee naar het strand?’
Tommy’s reactie zou dan ook weer veranderen, wil het er niet bovenop liggen.

Maar het belangrijke punt is: zie je in deze scène nog dat Tommy bindingsangst heeft? Een hint ernaar misschien, maar als expositie is het onzichtbaar geworden, doordat je de aandacht van wat er echt toe doet hebt afgeleid. En ondertussen heb je ook nog:

  • een scène waarin de vriendschap tussen de mannen aandacht krijgt
  • laten weten dat Tommy bijzonder gek is op stranden
    • laten zien dat Tommy veel reist
    • laten weten dat Joris lichtelijk jaloers is

      Daar kan je in het grotere geheel veel meer mee dan de lezer alles maar voorschotelen!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door by Sean Oulashin verkregen Unsplash

Zo krijgen Romeo en Julia een echt lang en gelukkig

Zodra Romeo en Julia een aantal ruzies hebben gehad en als stelletje zijn gegroeid, zou je kunnen denken dat ze de eindstreep hebben gehaald en het perfecte koppel zijn. Maar dat is niet zo. Als ze echt samen oud willen worden, moeten ze nog een paar dingen doen.  

Leren leven met een rommelkont

Zodra je stelletje een ruzie heeft gehad en weer heeft bijgelegd, laat dat zien hun relatie tegen een stootje kan. Ze weten dat de ander niet alleen maar mooi en lief is, maar ook de neiging heeft om rommel te laten slingeren. Of wel eens vergeet te bellen, zonder dat de ander meteen denkt dat die bedrogen wordt. Dat is een stevige basis, maar daarmee worden Romeo en Julia niet samen oud in een verhaal.
De laatste manier waarop Romeo en Julia samen moeten groeien, is precies dat: blijven groeien. Accepteren dat jouw ware af en toe een rommelkont is en daarmee leren leven is een ding. Maar dat is niet de wrap-up, dat deel vlak vóór: ‘en ze leefden nog lang en gelukkig.’
Het is eerder de fase halverwege een verhaal. Nu je weet wat je aan elkaar hebt, moet je je liefdesverhaal aangaan met de nodige ontwikkelingen en obstakels. En die zijn na twee ruzies nog niet over.

Keer op keer weer groeien

Als je verhaal over een held gaat, moet die zich gedurende het verhaal blijven bewijzen. Zodra de zwakten van de held duidelijk zijn, komen er obstakels die een uitdaging vormen. Zodra die zijn opgelost, komen er volgende obstakels, dan volgt er nog een crisis… Kortom: je held wordt op verschillende manieren getest. Om de titel van de held waardig te blijven, moet die tot aan het einde van het boek blijven groeien en die obstakels blijven aan gaan.

In een fictieve (romantische) relatie geldt eigenlijk hetzelfde. Stel dat Romeo onze welbekende stoere alfaman is.  Dan is het waarschijnlijk een eitje voor hem om Julia uit een benarde situatie te redden waar ze wel een stoere man kan gebruiken. Maar is Romeo ook iemand die een stapje terug kan doen als Julia met een andere mannelijke vriend wil praten?  Waarschijnlijk is dat wat lastiger voor deze Romeo. Het hoeft niet onmogelijk te zijn, maar het gaat hem wel minder makkelijk af. En dus heeft dat meer tijd en groei nodig. Binnen de relatie, maar dus ook om dat goed, gezond en blijvend in de relatie te verankeren.

En zo moet de relatie van Romeo en Julia zich keer op keer bewijzen voor van alles en nog wat bestand te zijn. Niet alleen tegen een ruzie, maar, zo je wil, tegen het verhaal als geheel en alles wat dat op het stelletje afvuurt.

Is ‘lang en gelukkig’ wel mogelijk in een verhaal?  

Als Romeo en Julia zich steeds opnieuw moeten bewijzen, kan je je afvragen of een lang en gelukkig einde wel is weggelegd voor ons fictieve stelletje. Het antwoord is zowel een ja, als een nee.

Laten we beginnen met de nee.

Een goede romance zelf is altijd onderdeel of een invulling van de plot. Nooit de plot zelf. Dus is een verhaal nooit afgelopen als er binnen de eigenlijke romance obstakels zijn overwonnen of voldoende is gegroeid. Zolang het plot zelf nog niet zover, of ‘klaar’ is, is het ‘lang en gelukkig’ daar ook nog niet.  Je hebt dus nog geen lang en gelukkig zolang Romeo en/of Julia:

  • na hun emigratie nog geen stabiel leven in het thuisland hebben opgebouwd en kunnen houden
  • achterom kijken naar het verleden dat ze hebben moeten afsluiten
  • hun stalker nog op de loer ligt, of Romeo daar nog nachtmerries van heeft.
  • Julia nog steeds hechtingsproblemen ervaart, ook al heeft Romeo zich al honderd keer bewezen. Tenzij ze zich daarmee verzoenen. Als je daar nog een extra subplot van maakt, is het moment nog niet daar.

Maar zodra dit soort scenario’s uit de weg zijn en de romance er nog is, dan is ‘lang en gelukkig’ niet alleen mogelijk, maar zelfs al bereikt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Esther Ann verkregen via Unsplash