Deze slechterik haalt het bloed onder de nagels vandaan

Je hebt slechteriken die slecht zijn door de wereld te willen veroveren en slechteriken die het de held lastig maken zijn doel te bereiken. En dan heb je nog de slechterik die het bloed onder de nagels van de lezer vandaan haalt. Die slechterik die het lezerspubliek niet haat omdat het de slechterik van het verhaal is, maar omdat iets in diens karakter extreem frustrerend is. Hoe schrijf je zo’n slechterik?

Wat maakt een goede slechterik?

Een goede slechterik heeft een aantal belangrijke basiseigenschappen. Deze lijken misschen een open deur in te trappen, maar later hebben we die nodig voor een goede nuance. Een goede slechterik:

  • Zit de heldenreis van de held dwars
  • Komt realistisch over: het is geen man met een gleufhoed die met een hinnikende enge lach om zijn dunne snor draait
  • Heeft vervelende normen, waarden en karaktereigenschappen

Met deze basis kan je iedere slechterik beginnen te schrijven. Van degene die de wereld wil overheersen tot, de pestkop op het speelplein, de agressieve echtgenote en alles ertussenin. Maar afhankelijk van de macht van de slechterik, het verhaalthema, het plotverloop en nog allerlei andere zaken, zullen deze slechteriken erg van elkaar verschillen. Het worden daardoor niet meteen degene die we als lezers en filmkijkers massaal maar al te graag haten en afkammen. De Percy Wetmores, Dorothea Ombers en al die andere van wie je kan zeggen: eigenlijk is er in de verhaallijn zelf een slechterik die op papier nog veel erger is. En toch, haat ik deze slechterik nog meer.
Hoe kan dat?

Ik ken zo iemand als deze slechterik

Een slechterik die echt het bloed onder de nagels vandaan haalt, is zo iemand van wie je denkt: jij zou zomaar eens mijn collega, buurman of oudtante kunnen zijn. Dictators kom je in het dagelijks leven niet tegen, maar mensen met karaktertrekken en eigenschappen als extreem egoïstisch, genadeloos, harteloos en koud kom je – al dan niet in een combinatie hiervan wel eens tegen. Nu is een dictator dat ook, maar het verschil zit hem in het principe dat je die niet persoonlijk kent. Harry Potter heeft dan misschien wel altijd te maken met de dreiging van Voldemort, hij komt hem niet dagelijks tegen. Bij Dorothea Omber daarentegen is dat wel zo: zij is in zekere mate realistisch. Om deze slechterik kan je held niet heen, omdat die continu en ook zichtbaar op de voorgrond van het plot staat. En dat gebruikt die slechterik ook om zowel de held als de lezer enorm te ergeren. Door niet de heldenmissie, maar het plot dwars te zitten.

De slechterik die zich met het plot bemoeit: ik zeg nee

Als de held, de dictator en de slechterik aan de tekentafel van je boek mochten zitten om het plot te bepalen, zou het gesprek er ongeveer zo uitzien:
“Held, als jij nu eens op zoek gaat naar de magische gouden beker, dan doe ik dat ook. Ondertussen zaai ik dood en verderf. Dan mag jij mijn slachtoffers opvangen, en mij proberen tegen te houden terwijl je de beker zoekt,” stelt Dictator voor.
“Prima,” zegt de Held. “Slechterik, wat doe jij dan?”
“Dan zorg ik ervoor dat de mentor die jou moet trainen, eerst even flink ziek wordt, zodat er langer mensen lijden. O, en ik kom zelf ook langs om de mensen die lijden, niet te helpen. Sterker, ik ga ze nog meer vernederen. En ik zorg ervoor dat er nog een extra draak is om te verslaan – of twee of drie- , zodat Dictator meer tijd krijgt om zijn plan uit te voeren.”

Met andere woorden: Slechterik vecht niet zozeer direct tegen de acties van Held, maar zorgt ervoor dat het potentieel van Held, het groeiproces, de uitvoering van het plan wordt vertraagd. De acties worden nóg moeilijker om uit te voeren.
Dictator is makkelijker om mee om te gaan, omdat die zich in dat opzicht niet met de held bemoeit. Die blijft zelf ook op zoek naar de gouden beker, of probeert een leger te vergroten. Hij werkt in een groot deel van het verhaal Held niet direct tegen.
Slechterik probeert ‘nee’ te zeggen. Niet tegen Held en de heldenreis, maar tegen het hele plot. Als kers op de taart gebeurt dat met een aantal verdorven motieven. En omdat zowel je held als je lezer vooruit willen met het verhaal, is dat ontzettend frustrerend. Zeker als de situatie er in de tussentijd niet beter op wordt.

De slechterik zonder schuldgevoel en met een megafoon

Dictator heeft nogal eens een achtergrondverhaal dat uitlegt hoe die tot diens verdorven daden of gedachtengang is gekomen. De lezer is het daar misschien niet mee eens, maar accepteert die wel als zodanig. Slechterik heeft misschien wel wat motieven, maar een compleet achtergrondverhaal ontbreekt. Maar er is nog een belangrijk verschil: Dictator heeft een plan en voer dat uit. Slechterik voert dat uit, door zowel de lezer als de held continu voor te houden: ‘Kijk eens hoe slecht ik ben!’ En nee, daar zit geen enkele wroeging of schuldgevoel bij. Sterker nog, Slechterik ziet dat soms zelfs als een sterke, gerespecteerde of een anderszins positieve eigenschap. Dictator doet wat die moet doen. Onsterfelijk worden, volkeren uitmoorden, wat de misdaad ook is, dat is uiteindelijk wel het ultieme einddoel. In dat opzicht kan Dictator in een zekere ‘bescheidenheid’ opereren. De trawanten doen het vieze werk wel, de plannen worden in het geheim bedacht en uitgedeeld en als uiteindelijk iedereen weet wie er de baas is, is dat voldoende voor Dictator.

Slechterik wil niet zozeer — of in ieder geval niet altijd- naar een einddoel toewerken, maar eerder een megafoon en een podium hebben wanneer die al die slechte dingen doet. “Kijk eens hoe ik de slechtste van allemaal ben, in al mijn realisme, verachtelijke waarden en mijn pogingen en resultaten om iedereen te dwarsbomen en te ergeren!’

Kortom: Slechterik is slecht, is daar trots op, voelt geen wroeging en wil daarmee continu op de voorgrond staan.

Als die optelsom geen reden meer is om dit soort slechterik te hekelen…

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Hassan Sherif verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: de ijkpersoon van iedereen

Als je een rijtje van de ‘juiste’ reclames kijkt, lijkt het wel alsof de kijkers volgens de bedrijven allemaal hetzelfde zijn, en heeft iedereen dezelfde zorgen en wensen. Natuurlijk herkennen veel mensen zich in een vrij algemeen beeld, maar dat neemt niet weg dat de ‘gemiddelde kijker’ alsnog niet meteen in dat hokje past. In deze schrijfoefening gaan we kijken wat je daar als schrijver mee kan en moet doen.

Ik stel u voor: iedereen

Als je de meest alledaagse reclames bekijkt, dan heeft de gemiddelde persoon die iedereen zou moeten voorstellen:

  • Een saaie kantoorbaan ‘(‘Stop met werken van 9 tot 5 op kantoor voor een baas en verdien geld met X’)
    • Een veel te druk leven (‘ Ook zo toe aan vakantie?’ ‘Waarom nog koken, als je je eten kan laten bezorgen met X?’)
    • Een gezin (‘Voor het hele gezin!’ ‘Drie keer per week een wasje draaien gaat makkelijk en snel met X’)
    • Een auto (autoreclames zie je regelmatig. En in de politiek hoor je relatief meer over de autobezitter dan over de treinreiziger)
    • Maatje slank, zie de modellen in de meeste reclames

En gemiddeld gezien kunnen de meeste mensen zich wel identificeren met een of meerdere kenmerken van deze zeer globale ijkpersoon. Maar zodra je per punt gaat kijken, dan vergeet je bijvoorbeeld de miljoenen mensen die:
* werken in de zorg, het onderwijs, de horeca, op een boerderij of in de culturele sector
* Wel werk en privé kunnen balanceren, of het juist heerlijk vinden om zelf te koken
* Single zijn, geen kinderen hebben of de pensionado’s wiens kinderen al het huis uit zijn
* fietsen, wandelen, met het openbaar vervoer gaan of een auto huren in plaats van hebben
* een maatje meer hebben

Zo heb jij als schrijver waarschijnlijk ook een beeld bij Jan met de pet. Misschien heeft hij een van deze kenmerken, misschien andere, of nog meer. Schrijf voor we verdergaan eerst eens alles op wat jij meteen associeert met Jan met de pet. Wat komt daar allemaal uit? Alles wat je bedenkt is nuttig voor de oefening: van hobby tot beroep, van leeftijd tot ras en zelfs of deze man (of vrouw) haar heeft of niet en zo ja, welk kapsel of gezichtsbeharing die dan heeft.

Jan met de pet en Sjan met de muts

Je hebt nu je ultieme gemiddelde ijkpersoon opgeschreven met deze Jan met de pet. Maar nu moeten we gaan kijken waar je lezer misschien wel Sjan met de muts is. Oftewel: iemand die misschien in zekere zin ‘gemiddeld genoeg’ is om binnen bepaalde kaders of je doelgroep te vallen, maar die op enkele punten daar toch buiten valt. En dan wel op een manier waar je niet meteen bij stilstaat.

Als Jan, de man jouw boek leest, leest die het waarschijnlijk anders als de vrouw Sjan zodra je over een man schrijft die vreemdgaat terwijl zijn vrouw zwanger is. Een rotstreek, daar zullen ze het allebei over eens zijn. Maar de kans is groter dat Jan ervaring heeft met moeite hebben met zwangerschapsperikelen van zijn/ een vrouw en daar moeite mee heeft. Sjan zal als vrouw eerder het argument hebben: draag jij maar eens verschillende kilo’s aan extra gewicht mee onder het ‘genot’ van een hormonenstorm…

Uiteindelijk zal dit plot van de vreemdganger vallen of staan bij hoe goed het plot, de personagebiografieën en de verhaalthtema’s zijn uitgewerkt. Als de zwangere vrouw niet alleen maar zwanger is, maar haar echtgenoot ook nog eens mishandelt en hij snakt naar wat genegenheid, dan zal ook Sjan niet zo snel haar oordeel klaar hebben.
Maar als je uitgaat van het oppervlakkige clichéscenario dat de vreemdganger gewoon pleziertjes buiten de deur zoekt, terwijl zijn vrouw zwanger is, dan kan je er gif op innemen dat hoe goed het verhaal verder ook is uitgewerkt, Jan en Sjan er andere interpretaties bij hebben door hun eigen persoonlijke bril.

En zo kan jouw ijkpersoon- van-iedereen soms dingen hebben, zijn of denken waarvan je niet beseft dat die helemaal niet zo vanzelfsprekend of gemiddeld zijn.

Jan met de pet onder de loep

Pak je beschrijving van Jan met de Pet er nog eens bij. Kijk nog eens goed naar wat je hebt opgeschreven en vraag je eens af waarom jouw Jan juist dertig jaar oud is in plaats van zestig. Of waarom hij inderdaad (of juist niet) een saaie kantoorbaan heeft. Je zal niet bij alles een ‘reden’ kunnen vinden; Jan kan ook gewoon ‘toevallig’ bruine haren hebben.
Maar zodra je denkt: tja, waarom eigenlijk? Is het de moeite om daar wat langer bij stil te staan. Dan kan je jezelf vragen gaan stellen.

Als Jan een saaie kantoorbaan heeft, reken je er dus in meer of mindere mate op dat iedereen weet hoe het is om ontevreden te zijn met diens baan. Nog los van het feit of dat zo is: wat wil je daarmee zeggen, of hoe kan je daarmee werken?
– Is dat een verhaalthema van ‘ongenoegen met een sleur?’ of juist ‘minderwaardigheidscomplex’? (“meer dan dit stomme baantje kan ik niet”)
– Als je lezer wel dolgelukkig is met diens (kantoor)baan, hoe kan je dan alsnog empathie kweken voor Jan? Worstelt Kantoor Katrien misschien wel met een bepaalde ontevredenheid van een gang van zaken op de school van haar kinderen? Dan zou een scène waarin op kantoor niet naar Jan geluisterd wordt, ook bij haar aan moeten slaan.
– Is Jan ongelukkig met zijn baan omdat hij denkt dat hij er te goed voor is? Het hoeft natuurlijk niet zo te zijn, maar als je doelgroep ook mensen omvat die überhaupt al blij zouden zijn met een baan, komt dat niet goed aan. Dan moet je iets meer aandacht besteden aan een gemene deler die ‘menselijker’ is dan alleen wat je aan de oppervlakte ziet.

Kijk op deze manier nog eens goed naar jouw aannamen van ze zeer algemene, dit-is-iedereen- ijkpersoon van Jan met de pet of Sjan met de muts. Dan zorg je ervoor dat je verhaal interessanter is opgebouwd en nog meer lezer aanspreekt.

Foto door Jonas Kakaroto verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een koppel dat ook echt bij elkaar past

Wat je ook schrijft, als er iets een doodssteek is, is het wel dat de lezer opmerkt dat iets alleen gebeurt omdat de schrijver dat wil. Bij een koppelpoging is dat gevaar misschien wel het allergrootst. Want als een verhaal valt of staat bij de aanwezigheid van een koppel, dan moeten er wel personages bij elkaar komen. Maar als je dat forceert, is je verhaal ook niet interessant meer.  Hoe zorg je ervoor dat een koppel als koppel eindigt omdat het gewoon klopt?

Wat past bij het verhaalthema en de heldenreizen?

In het echte leven passen mensen meestal goed bij elkaar omdat ze bepaalde dingen gemeen hebben. Eenzelfde hobby, karaktereigenschappen, interesses… Dat is in een boek ook zo, alleen is het belangrijk om goed te kijken naar wat het verhaal dient. Dan kan je bepalen wat de belangrijkste ‘koppelfactor’ wordt.

Uiterlijk is in een verhaal nóóit de belangrijkste koppelfactor. In het echte leven kan je kijken naar dingen die relatief oppervlakkig zijn. Houden ze van dezelfde hobby’s? Kennen ze elkaar van een festival, wat eenzelfde muzieksmaak aanduidt? Dan kijk je verder naar: delen ze ook belangrijke levensvisies?

In een boek is dat eerder andersom. Een romance is interessanter als Romeo en Julia allebei een leerproces hebben dat hetzelfde is of in hetzelfde straatje, of liever, verhaalthema valt.  Zelfacceptatie, bijvoorbeeld. Romeo kan zich rot voelen vanwege zijn kippenborstje in een vriendenkring vol wasbordjes en Julia kan ermee worstelen dat ze vmbo volgt als kind van een advocatenfamilie. Uiterlijkheden en opleidingsniveau hebben op de oppervlakte weinig met elkaar gemeen, maar een verhaalthema kan daarin de verbindende, zo niet de koppelende factor vormen.

Twee is een plus een

Een plus een is twee: twee individuen maken een koppel. Een koppel dat vervolgens samen verliefd kan zijn, groeien, elkaar kan aanvullen en zo het plot kunnen vullen. Maar draai het eens om: Twee is een plus een. Oftewel: je hebt twee individuen die op zichzelf al een verhaal in zich hebben, voordat ze een koppel zijn. Een goed koppel kan niet bestaan als de individuen binnen dat koppel de persoonlijkheden hebben van een stuk karton. Zelfs niet als Julia op zo’n persoonlijkheid zou vallen. Je moet de lezer ook nog tevreden houden. Een goede oefening om te controleren of je verliefde personages individueel nog interessant zijn is om in je opschrijfboekje een verhaal te kort verhaal te schrijven. Daarin komen de personages elkaar wel tegen, maar worden ze niet verliefd. Heb je dan nog steeds een verhaal met twee interessante personages, dan ben je op de goede weg.

Waarom eigenlijk romance?

Vraag jezelf eens af waarom Romeo en Julia verliefd zouden moeten worden. Waarom volstaat een goed vriendschap niet in dit verhaal? ‘Omdat ik een romance wil schrijven,’ is hier geen aanvaardbaar antwoord. Denk aan dingen als: ze hebben beide eenzelfde trauma meegemaakt en kunnen zo samen een rouwproces aangaan, Julia zorgt ervoor dat Romeo in een lastige periode jaar normen en waarden niet vergeet als die op de proef worden gesteld. Natuurlijk kan vriendschap zoiets ook bieden. Maar als je een (aanstaande) liefdesrelatie bekijkt met een dieper doel dan alleen: ‘later kinderen krijgen’ of ‘straks naar de slaapkamer!’ wordt het verhaal minder clichégevoelig.

De slaapkamer verdienen

Neem ook eens als uitgangspunt dat de personages seks met de ander moeten verdienen. Niet door met wimpers te wapperen, of door spierballen op te laten bollen, maar door (serieuze) opoffering. Romeo neemt een extra baantje om Julia te helpen haar studiekosten te betalen. Daarvoor moet hij een deel van zijn sociale leven opgeven. Dat heeft hij ervoor over, omdat hij van Julia houdt, maar leuk is het niet.
Laat merken hoe Romeo baalt dat hij bioscoopbezoekjes met vrienden mist omdat hij moet werken. Kortom: schrijf eerder ‘raw and real’ dan dat je de zwijmeltoon kiest – wat romantisch dat hij dat doet!-. Die kan je beter bewaren voor als Romeo en Julia later zoenend op de bank zitten of de slaapkamer hebben gehaald.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Toa Heftiba verkregen via Unsplash.

Het inciting incident als kern voor je hele verhaal

Een goede start van je boek is essentieel om je lezer voor je te winnen en ook te houden. Vooral dat laatste is belangrijk. En het inciting incident kan daarin een grotere rol spelen dan je misschien denkt. Na een goede start van het verhaal kan je daarmee een basis leggen die het hele verhaal verder kan worden uitgewerkt en relevant blijft.

Wat zit er in een goede start van een verhaal?

Een goede introductie van een verhaal laat duidelijk merken wat de regels fictieve wereld zijn en schets een duidelijk beeld van je hoofdpersonage. Vooral in het begin is het belangrijk dat datgene wat je schrijft niet alleen een situatie schetst, maar ook later in het verhaal een gevolg kan hebben. Schrijf niet over een ochtendroutine of een dialoog over het weer, maar over hoe Bob boos is op de secretaresse omdat een bepaalde taak nog niet af is. Dat laat zien dat hij ongeduldig is en anderen makkelijk de schuld geeft. De casus Bob is hier uitgebreid terug te lezen, daar gaan we in deze post verder mee.

Nu gaat het echt beginnen: het inciting incident

In het allereerste begin heb je eigenlijk de lezer alleen maar kennis van een aantal zaken gegeven. Bob heeft een kantoorbaan, is snibbig en gevoelig voor status. Het inciting inncident is het punt waarop je echt aan het verhaal gaat beginnen. Het is het deel in het verhaal waar je held uit de comfortzone moet stappen, of die dat nu wil of niet. Er moet dus iets gebeuren wat de normale gang van zaken op zijn kop zet. Dat kun je interessant maken door middels een show don’t tell iets te laten gebeuren wat een personage tegenstaat. Het liefst maak je ook nog duidelijk waarom, want dan heb je de formule van een pageturner te pakken.

Bob krijgt te horen dat een promotie aan zijn neus voorbij gaat. Frans is de gelukkige. Bob kan dit niet uitstaan en geeft Sonja de secretaresse de schuld: als zij de laatste week sneller had gewerkt, had hij die aantekeningen beter door kunnen kijken en zich beter kunnen voorbereiden op die belangrijke opdracht.

Dat is het ‘wat’ waarmee het inciting incident én het verhaal verder gaan. Bob en zijn temperament kennende, gaat dit een hoop lawaai geven. En is dat niet zo, dan moet je dat ernaar maken. Wat je in het allereerste begin van het verhaal gegeven en aanloop van het verhaal aan de lezer schept bepaalde verwachtingen, waar je niet omheen kunt. Het is als Chekhov’s gun, maar dan voor je hele plot in plaats van voor een detail. Want waarom zou je een geweer in beeld brengen als in het hele verdere verhaal geen geweergeweld of jagers voorkomen?

Waarom is dit een verhaal waard?

Nu je het ‘wat’ hebt duidelijk hebt gemaakt, moet je het waarom nog meenemen. Het antwoord daarop heeft twee ‘lagen’ De eerste is de wat meer oppervlakkige vraag: ‘waarom reageert Bob zo woedend op dit nieuws?’ Op deze vraag heeft de lezer al een gedeeltelijk antwoord: je hebt eerder al een karakterschets van hem gegeven. Maar karakter is méér dan alleen een keer ergens op reageren, daar kan je veel meer mee. Iemand die vaak uit zijn slof schiet, kan nog heel wat vaker in benaderde situaties komen. Welke situaties dat dan (gaan) weet de lezer niet, en dat houd de nieuwsgierigheid naar het verdere verhaalverloop levend.

De meer diepgaande waaromvraag is: ‘Waarom belooft wat er in deze scènes gebeurt een compleet en interessant verhaal te worden en te blijven?’ We weten dat snibbige Bob een promotie heeft misgelopen, dat is op zichzelf nog steeds niet meer dan een gegeven, nog geen verhaal. Daarom moet je ervoor zorgen dat de wereld van Bob op zijn kop komt te staan en de lezer weet of aanvoelt dat je hier nog heel veel aan het zaaien bent en gaat in deze scènes. Doe dat dan ook en zorg voor zoveel mogelijk zaadjes. Je kan het karakter van Bob natuurlijk ook nog meer gaan verkennen met de lezer. Dus hij is snibbig en gevoelig voor status? Misschien is hij wel doodsbang om ergens mee door de mand te vallen. Zo heeft hij Sonja ooit zwijggeld toegestopt toen zij zag dat hij een geheimhoudingsverklaring had geschonden. Dat maakt hem als vanzelf alerter (op wat Sonja zegt en doet.) Maar ja, als hij snel uit zijn slof schiet…

Zo kan je kennismaking met je personage combineren met plotpunten en zo de wat- en waaromvraag combineren. Schrijf bijvoorbeeld een paar regels over hoe Bob wel erg achterdochtig naar Sonja kijkt op het moment dat hij haar een brief ziet lezen die Bob om wat voor reden dan ook verdacht of onbekend voorkomt.
Vergeet ook niet dat Sonja met dat zwijggeld een bepaalde machtspositie over Bob heeft. Als ze tenminste daar het karakter voor heeft. Misschien is ze juist veel te bang om haar mond nog tegen Bob open te trekken. Op deze manier kan je in het inciting indicent heel veel zaaien. Bijna alles tot alles wat vroeg of laat een grotere rol krijgt in het verhaal, kan hier zijn zaadje krijgen. Het is handig om eens goed te kijken hoe je de puzzelstukjes al vast kan plaatsen. In je plottwist, of gewoon in je verhaallijn met de bijbehorende subplots.

Het inciting incident, met de belofte van een comfortzone die verlaten wordt, is meer dan welk punt dan ook in het verhaal het punt dat veelbelovend is. Natuurlijk zijn er ook de clues, maar dan weet de lezer min of meer al wat er komen gaat. In dat opzicht is het inciting indicent dat heerlijke punt van avontuur: riemen vast, maar waarvoor… Daar moet de lezer nog heel eventjes op wachten. Maar als je het goed doet, klikt de lezer de riem vast met plezier, spanning en een glimlach op het gezicht.

Wil je een kennismaking met een boek goed laten verlopen, geef dan je inciting incident de nodige aandacht.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kiana Bosman verkregen via Unsplash.

Zo wordt de knappe romantische held óók de held van het verhaal

“Wat is -ie knap…”  “Zo’n gave huid heb ik nog nooit gezien…” Als personages voor elkaar vallen, zien ze altijd wel iets aan het uiterlijk van de ander wat ze méér dan goed bevalt. Zo goed zelfs, dat de valkuil bestaat om dat de hele basis van het verhaal te maken. Het prachtige uiterlijk, of de roze wolk. Maar die aantrekkingskracht is geen verhaal, maar een gegeven. En van alleen een gegeven kan je geen goed verhaal schrijven. Maar hoe schrijf je dan over de eerste fase van verliefdheid waarin je personages helemaal hoteldebotel zijn?

De roze wolk is tijdelijk

De fase waarin je personages op een roze wolk zitten moet ook echt een fase zijn. Dat is misschien wel de allerbelangrijkste regel die je moet onthouden als je een romantisch koppel in je verhaal hebt. Als je ooit verliefd bent geweest, weet je dat de ander  – of zelfs maar de gedachte aan diegene-  al je tijd, gedachten en acties kunnen bepalen. In een boek is dat niet anders. Het plot komt op de rem te staan, je leert de personages niet kennen… Even zwijmelen is leuk. In een romantisch verhaal moet dat zelfs ook enige tijd. Maar als je de lezer alleen maar laat zwijmelen, zal die uiteindelijk alsnog om een teiltje vragen.

Uiterlijk is het minst van alles

“Uiterlijk is ook niet alles”. Dat heb je in het echte leven vast wel eens gehoord als het gaat om wie een ideale partner vormt. Er zijn ook nog kwaliteiten als gevoel voor humor, een goedaardig karakter en nog veel meer. Waar in het dagelijks leven uiterlijk niet alles is, is het in een goed boek misschien wel het minst belangrijke van alles. Uiterlijk kan geen compleet plot vormen, voor een spanningsboog zorgen of een thema verder uitdiepen. Andere eigenschappen kunnen dat wel. Zelfs een standaard eigenschap als ‘vriendelijkheid’ is stukken dynamischer voor een verhaal. Want voor wie is je personage aardig? En voor wie niet? Waarom wel of niet?

Waak ervoor, zeker in zwijmelverhalen, dat je uiterlijk niet te veel gewicht geeft. Dat gebeurt sneller dan je denkt en schoonheid alleen kan een verhaal zelden tot nooit zelfstandig dragen.

Waar valt je personage op?

Als je jouw Romeo echt voor Julia wil laten vallen, is het een goede eerste stap om te kijken wat hij wil en nodig heeft. Anders gezegd: wat zijn zijn drijfveren? En hoe hebben die betrekking op het centraal conflict en het plotverloop? Als Romeo niet de slimste is, kan hij – afhankelijk van hoe je je verhaal wil invullen –  zich aangetrokken voelen tot iemand met veel hersens. Of juist niet: liever heeft Romeo iemand van zijn zelfde intelligentieniveau, zodat hij zich niet minderwaardig hoeft te voelen.

Op die manier kan Romeo later niet alleen in Julia’s prachtige ogen verdrinken, maar ook een steun en toeverlaat in haar vinden. Of iemand die samen met hem hetzelfde leerproces aan kan gaan. In het zoeken naar de romantische voorkeuren van je personage moet je niet overhaast te werk gaan.

Dit is de perfecte partner voor je papieren held

Als je van begin af aan je personage serieus neemt en naar de unieke wensen luistert, is daar veel origineels te behalen. Laat je beslissing van de wederhelft helemaal aan je papieren held over, dan bestaat de kans dat die met een Mary Sue op de proppen komt. Hou ook je plot in de gaten. Dit proces is wikken en wegen en kost meer tijd en moeite dan je misschien zou denken. Neem die tijd er toch voor, want zo schrijf je uiteindelijk een romantisch koppel dat om de goede redenen niet snel vergeten zal worden door je lezers.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Shamim Nakhaei verkregen via Unsplash

Zo begin je met schrijven aan jouw Romeo en Julia

Het liefdesverhaal. Je vindt het niet alleen terug in het romantische genre, maar het komt in vrijwel ieder verhaal terug, al is het maar als subplot. Daardoor is het misschien wel een van de moeilijkste verhalen om te schrijven. Het is al miljoenen keren verteld. Wil je dat jouw Romeo en Julia dan nog aanspreken, dan moet je het dus goed doen. En dat begint al aan de tekentafel.

Wie is Romeo eigenlijk? En Julia?

Uiteindelijk wil je dat Romeo en Julia met elkaar eindigen, al is het maar omdat dat idee het uitgangspunt van het hele boek vormt. Maar als je nog met de eerste schetsen van het boek bezig bent, kan dat een blinde vlek worden. Je denkt dan misschien al niet meer in Romeo en Julia, maar eerder Romeo-en-Julia, als een verweven begrip, personages die niet meer los van elkaar kunnen of hoeven bestaan. Maar die welbekende valkuil is er meteen een die ervoor zorgt dat je romance gedoemd is om ofwel te mislukken, of de dertiende in het dozijn te worden.

Een eigen persoontje

Vergeet nooit, in het hele schrijfproces niet, dat Romeo en Julia hoe dan ook hun eigen persoontje zijn. Voorbestemd om met elkaar te eindigen? Misschien. Maar waak ervoor dat je ‘voor elkaar gemaakt’ niet te letterlijk gaat nemen. Zorg er dus voor dat – als het even kan –  je de personagebiografie van Romeo uitwerkt voor je aan die van Julia begint. Wees er in ieder geval alert op dat de naam ‘Julia’ daarin niet gaat overheersen.
Verwerk daarin dus dingen als: welke studie wil Romeo volgen? Wat zou hij doen met een miljoen? Dingen waar je je best voor moet doen om daar Julia in te verwerken. ‘Hij wil een studie ‘Julia veroveren’ volgen’. Kom op…

Maar pas ook op bij zaken waarin het (op een bepaald moment) in het plot logisch zou zijn om Julia te vernoemen: zijn grootste angst is om Julia kwijt te raken. Dat kan, schrijf het ook op. Maar zeker bij het schrijven van een romantisch verhaal is het verstandig om ook de pre-Julia angst op te schrijven: hij is bang om zijn leiderspositie in het voetbalteam te verliezen. Dit zijn punten die zowel jou als schrijver als de lezer laten kennismaken met een Romeo die – met of zonder Julia –  een persoonlijkheid heeft. Nog beter: eentje die meer is dan die van een stuk karton.

Gezamenlijke relatie, gezamenlijk plot

Er gaat een moment komen in het plot waarin Romeo en Julia verliefd worden en hun afzonderlijke verhaallijnen met elkaar versmelten. Kijk er in de fase van de tekentafel goed naar hoe je dat kan laten gebeuren zonder dat het voor de lezer duidelijk is dat je alleen maar wil dat er een koppel in het verhaal komt. Romeo mag dus niet op straat tegen Julia botsten en de dure vaas breekt. Kopje koffie om het goed te maken, elkaar diep in de ogen kijken en voilà! Vergeet dat maar. Tenzij… de vaas een erfstuk is van een geliefde oudtante, ze het tijdens het koffiedrinken praten over overleden geliefden die belangrijk voor ze zijn en erachter komen dat ze allebei door gewelddadige ouders zijn opgevoed en er een ander familielid voor hen is opgekomen. Maar dan ben je al een belangrijke stap verder. Dan is er de eerste vonk vanwege herkenning of een interesse naar elkaar vanwege persoonlijke geschiedenis of karakter. Het commando van Cupido gaat dan niet meer op. En als je zonder dat commando kan schrijven, heb je de eerste belangrijke basis van het schrijven van een romantische relatie te pakken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Danie Franco verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: het subplot van het butterfly-effect

Het butterfly-effect is dat verhaal dat gewoonweg belachelijk klinkt als je alleen het begin en het einde ervan benoemt. Als het drie jaar geleden op 5 september niet geregend had, had ik nu geen prijs gewonnen. Er zitten talloze schakels tussen dat begin- en eindpunt in die dat ongelooflijke verhaal alsnog aannemelijk of zelfs realistisch maakt. Maar dan heb je het nog steeds over de rode draad in het verhaal. Zelfs op de achtergrond kunnen er details van groot belang zijn die niet zozeer in het butterfly-effect terugkomen, maar die er wel mee te maken hebben. En dat kan handig zijn om in je opschrijfboekje eens uit te proberen.

Startcasus voor een butterfly-effect

Laten we voor het overzicht eens beginnen met een casus van een butterfly-effect, anders wordt deze oefening een groot zooitje.

Marian gaat naar een sportwedstrijd en ontmoet daar iemand. Na een praatje met de vreemdeling wordt ze geïntroduceerd aan Jonathan, die geschiedenis studeert, omdat de vreemdeling denkt dat ze we iets gemeen hebben. Marian en Jonathan kijken samen een documentaire de zonnekoning en dat inspireert Marian om Frans te leren. Drie jaar later gaat Marian op vakantie naar Zuid-Amerika, krijgt een kamergenoot uit Wallonië in het hostel, ze is verrast daar iemand te ontmoeten die Frans spreekt, een gesprek wordt aangeknoopt de vonk slaat over en voilà: Marian en Guillaume trouwen zes jaar later.

Als Marian als tiener niet naar de sportwedstrijd was gegaan, was ze een klein decennium later niet getrouwd.

Wat zie niet meteen terug?

Het is logisch dat je in dit verhaal bijvoorbeeld niet terugziet hoe Marianne als ze Frans gaat leren, ook een leraar Frans heeft. Of ze die nou mag of niet, maakt niet veel uit, maar in het ‘subplot’ van het butterfly-effect kan het ook weer uitmaken voor het grote effect. Of niet. Kijk maar:

Franse leraarleert Mariandus Marian ‘openingszin’ Marian reactie Guillaume
is goedvlot en goed Frans spreekt makkelijk en vertrouwd Frans een vlot gesprek over de reis in Zuid-AmerikaHé, we gaan gezellig kletsen
is grof in de mondeen arsenaal aan scheldwoordenvloekt voortaan in het Frans‘Merde!’ als ze haar teen tegen haar koffer in de slaapzaal stootHé, spreek jij Frans?
is een romanticusliterair, chic en romantisch Franskomt intellectueel en chic over Lees jij ook Victor Hugo? Ben je al ver?Heb je Franse literatuur gestudeerd?

Maakt dit een verschil voor de hoofdlijnen van het grotere butterfly-effect? Nee. Kan het gevolgen hebben voor het latere plot? Nee. Misschien wordt een enkele dialoog er anders door, of je krijgt een eerste date in een chique restaurant of juist een simpele sportwedstrijd. Maar de grote lijnen van het plot zullen niet zo snel veranderen.

Een kennismaking die je niet dacht nodig te hebben

Wat maken deze details zoals die van het karakter van de Franse leraar dan nog uit? Als je nog een plot in de steigers moet krijgen, schiet je er niet veel mee op. Je kan er waarschijnlijk geen subplot mee maken. Maar deze informatie die achter de schermen duidelijk wordt kan wel degelijk van toegevoegde waarde zijn. Denk aan belangrijke karaktereigenschappen die een personage kan of zelfs moet hebben. Marian heef bijvoorbeeld een bepaalde assertiviteit nodig als ze Frans spreekt, wil ze Guillaume ooit aanspreken. Maar als ze vloekend haar teen stoot, is dat geen show don’t tell die je daarvoor nodig hebt. Dan zou Guillaume evengoed degene kunnen zijn van de twee die het gesprek begint en gaande houdt, terwijl Marian met een hoofd als een biet antwoorden op zijn vragen geeft. Staat er in de personagebiografie dat Marian assertief is van zichzelf, dan is deze scène niet nodig.

Zo kan je het van een subplot butterfly-effect gebruiken om verder te onderzoeken wat je personage kan, moet doen, hoe het zich moet ontwikkelen wat daarbij past. Natuurlijk geldt dat ook voor bepaalde plotpunten. Het kan een diepere duik geven in de vraag: ‘Waarom is iets zoals het is?’

Het is, zo je wil: een omgekeerde infodump 2.0. waar je in de val kan trappen om de overvloed aan informatie uit een personagebiografie allemaal te delen, omdat je wil dat de lezer het weet. Je moet die informatie zeker tot op zekere hoogte delen, maar dan moet die informatie er wel zijn. En soms heb je een bepaalde kennis nodig, zonder dat je ooit verwachte die informatie nodig te hebben. Het kan dan een hele kluif zijn om in het al goed uitgewerkte en soms ingewikkelde plot nog even gauw een karaktereigenschap of een scène te verzinnen.

Kijk dan of je een subplot in een bepaalde schakel van het butterfly-effect in je plot kan vinden. Probeer eens wat opties uit en schrijf ze ook uit, hoe ver je ook afwijken van het originele plot, of hoe nutteloos ze misschien ook lijken, zo niet zijn. Zodra je vastloopt in het schrijven van je plot, of het verkennen van je personage, is het belangrijk om te zoeken naar de oorzaak zonder dat het het doek moet zijn om dat probleem ook meteen op te lossen: je wil geen mentaal writersblock.

De kern van het plot

Deze oefening kan je ook helpen de kern van het plot te bepalen. Er is altijd een rode draad in het plot, net zoals er subplots zijn. Maar soms zijn personages of plots zo verweven of complex dat het lastig kan zijn om te bepalen wat er nu echt de drijvende kracht achter het verhaal is. Hou de regel van actie-reactie dan eens naast je plot en bekijk het eens als een butterfly-effect. Ze je een aantal ‘subbutterfly- effecten?’ Kijk dan eens of je die weg kan laten of de details die je opmerkt kan gebruiken om een scène te verrijken. Achter de schermen of ervoor.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Alfred Schrock on Unsplash

De observerende schrijver: ik zie het licht

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie het licht.

‘Ik heb het licht gezien’

‘En dus ga ik het roer helemaal omgooien!’  Als dat gebeurt, kan dat op twee manieren: het is een ware aha-erlebnis, of iemand wil er wel helemaal voor gaan, maar broedt nog op de manier waarop dat het slimste is om te doen. Of dat nu gaat om de vliegtickets naar het paradijs nog even te vergelijken voordat je boekt, of dat je eerst eens bedenkt waarom je juist in Bali je geluk wil beproeven, als je denkt dat in ook Griekenland te kunnen.  Hoe dan ook: het licht is gezien, het besluit genomen. Maar waar zie je dat aan?

Volle overtuiging

Iemand die het licht heeft gezien, op wat voor manier dan ook, is overtuigd. Heel erg overtuigd. Met dit doel voor ogen weet diegene:

  • ‘dit ga ik hoe dan ook doen!’
  • ineens veel, zo niet alles over dit onderwerp
  • niet van ophouden over het heiligverklaarde besluit
  • niet waar diegene alle energie die vrijkomt, kwijt moet

Hoewel dit eenheidsworst lijkt, hoeft dat niet zo te zijn. Zo kan ‘je energie niet kwijt kunnen’ betekenen dat je op en neer stuitert, maar ook dat je om de haverklap opstaat van je bureaustoel. Kijk eens of je de nuanceverschillen in die overtuiging kan zien en houd je ogen open voor nog meer tekenen ervan. 

De donkere kant van het licht zien

Te veel van het goede is een ding, en dat geldt ook voor iemand die het roer om wil gooien, of een andere heilige overtuiging heeft gekregen. Zo kan dat licht wat je hebt gezien ook donkere kanten krijgen. Zo kan iemand bijvoorbeeld:

  • definitief (Oost- Indisch) doof woorden voor de raad of meningen van anderen
  • irrationeel worden
  • relaties verliezen, omdat die worden verwaarloosd

Waar een aha-erlebnis vrij abrupt kan gaan, is die donkere kant van het licht zien, altijd een proces. Daar moeten kleine veranderingen voor gebeuren. Wees alert op momenten waarvan je denkt: ‘Hè? Sinds wanneer denkt of zegt deze persoon zoiets?’  Maar net als met de momenten waarop je beschrijft je personage het licht ziet, moet je daar subtiel mee omgaan.

Plotseling schrijven in een boek

Een verandering van overtuiging of gedrag kan in het echte leven plotseling lijken, maar in een boek kom je daar niet mee weg, want dan valt het uit de lucht. Zorg ervoor dat je lezer op zijn minst duidelijk heeft dat Harold altijd al een stiekeme drang naar avontuur had als hij plotseling naar Bali wil verhuizen. Of dat Greta andersdenkenden eerst rustig afwimpelt, voordat ze hen definitief uitscheldt voor onwetende boeren die nooit iets van de wereld zullen begrijpen als ze nooit van hun leven de supermoderne megasteden in Azië zullen zien.

Iets plotselings schrijven is in een boek al snel een acht of negen op een tienpuntschaal. Probeer waar je kan dat te vermijden door dit soort subtiele observaties in je tekst mee te verwerken. Tenzij je aan een plottwist werkt, natuurlijk. Maar ook dan geldt: choqueren mag nooit het voornaamste doel zijn van een plottwist.  Dat is een recept voor mislukking. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Dyu – Ha verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… een foto

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… een foto.

Een foto zegt meer dan duizend woorden. Laat duizend woorden nu een mooi woordenaantal zijn voor een compleet verhaal! Met een foto kan je als schrijver altijd wel iets. Hoewel je bij iedere foto wel iets kan bedenken, sluiten deze tips het beste aan bij foto’s waar mensen op staan.

Wat zie je op de foto?

Het is een open deur intrappen, maar kijk eerst eens echt goed naar wat je op de foto ziet. Daarbij kan je zowel oppervlakkig kijken, als wat meer specifiek nadenken over wat je ziet: ‘Het meisje in het zwembad lacht en heeft een roze badpak aan. Op de achtergrond drijft een opblaasflamingo.’ Dat is feitelijk, maar ook dan kan je wat meer nadenken zonder meteen een verhaal daarbij te hoeven verzinnen:
‘De lach van het meisje is meer geposeerd dan spontaan.’
‘Roze staat dat meisje helemaal niet zo mooi.’
Met observeren komen er vaak ook bepaalde interpretaties of meningen kijken. Het is goed om je er bewust van te zijn dat dat ook gebeurt.

Wat is het verhaal achter de foto?

Of je dit nu weet of verzint bij een foto, de ware inspiratie zit natuurlijk in het verhaal achter de foto. Dit is een heel interessante oefening, omdat je hier door de ‘context van aannames’ kan worden geholpen: ‘Deze jongen is zo aan het schaterlachen op deze foto met zijn vader: de twee kunnen goed met elkaar overweg en papa heeft zonet een leuke grap verteld.’ Niets is feitelijk vast te stellen, maar de kans dat je in de buurt zit met je aannames is groot. Schrijf op wat je ziet, maar ook vooral wat je opvalt: ‘Sinds wanneer is het zo dat als ik vader en zoon zie lachen, ik twee gedachtesprongen verder heb ingevuld dat zusje buiten het zicht een ijsje is gaan halen?’ Het maakt niet uit hoe gek of onlogisch die gedachtesprongen zijn. Je kan er vast een leuke scène van maken, voor later in je boek.

Soms komt dat ‘sinds wanneer…?’ op de voorgrond. Door een eenvoudig detail vergeet je de rest van de foto, maar komt er wel een volledig verhaal achter de foto uit. Ook al heeft dat niets meer met de foto zelf te maken, schrijf het op!  Als je schrijft, komen er vaker van die momenten waarvan je niet weet hoe je op een gedachte komt. Maar als die waardevol is, maakt de bron van de inspiratie niet meer uit: gewoon gebruiken!
‘Hier staan mensen te wachten bij de snackbar. Hé, die man heeft dezelfde jas als ik! Verdorie, en ik dacht nog wel dat ik een unieke jas had gevonden… Wat voor type zou die man zijn? Iemand als ik, die lekker expressief is, of juist iemand die iets opvallends aantrekt om maar aandacht te krijgen? Vast dat laatste: z’n kop staat me niet aan. Hij lijkt me iemand de hele week klaagt omdat zijn vrouw hem er één keer op uit heeft gestuurd om de frietjes te halen. Als hij straks thuis komt, dan zal hij wel weer zeuren. Wat zal zijn arme vrouw zeggen?’ Voilà, een scène in wording!

De fotograaf

Kan je bedenken wat de fotograaf deed op het moment van het maken van de foto?
Was die totaal niet aan het nadenken, omdat de zoveelste dronken groepsfoto moest worden gemaakt? Of was het juist een beroeps die bezig was met de lichtinval en compositie? Wat wilde de fotograaf met het maken van de foto wilde vastleggen? Is dat gelukt, of niet?

Een foto zegt inderdaad vaak meer dan duizend woorden, maak daar dan ook op vele, zo niet ook op diezelfde spreekwoordelijke ‘duizend’ manieren gebruik van.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kristyna Squared.one via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… ruzie

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… ruzie.

Kies voor deze observatieoefening een film uit die je al gezien hebt en waar een ruzie in voorkomt. Zo weet je wat er komen gaat in het plot en ken je de personages al. We gaan namelijk kijken naar een ruzie en wat je daarvan kan leren over de personages en het plotverloop.        

De slechtst mogelijke ruzie

In het echte leven is de slechtst mogelijke ruzie er een waar er serieus geweld bij wordt gepleegd, maar in een boek is dat een ruzie waarin je niets méér leert over het plot, of de denkwijze van de personages die de ruzie hebben. Een welles-nietesdiscussie is dus om twee redenen vervelend. Net zoals in het echt gaat het maar heen en weer, maar bovendien kom je dus niet te weten of Ron kwaad is op Olga omdat zijn ego wordt gekrenkt, of juist omdat hij zich niet genoeg voelt op het moment dat het een heen en weer is van: “Je hebt een slechte baan!”
“Niet waar!”
“Echt wel!”
Zo leer je Ron – en Olga – niet beter kennen en heb je ook niets om het plot op voort te bouwen. Een opgeblazen ego en een gebrek aan zelfvertrouwen geven een compleet andere invulling daarvan.  

Een personage in de ruzie

Een personage kiest in een ruzie een bepaalde manier van aanvallen of verdedigen. Kijk of je kan zien of er een ‘stijl’ is die bij het personage past. Zo kan een boekenworm proberen door hoogdravende taal de minder slimme vijand zich dom te laten voelen door met lastige woorden en beledigingen te gaan strooien. En de spierbundel zal zichzelf fysiek schrap zetten, al is het maar omdat dat er dreigend uitziet. In een ruzie staat er ook altijd iets op het spel. Wat is dat op dit moment voor de ruziënde personages?  En hebben ze dat zelf door? Probeer in te schatten wat de vijand zou moeten zeggen – misschien doet die dat ook – om het absolute pijnpunt te raken: “Niemand zou je missen.’” “Jij hebt nooit iets goeds gedaan.” Dat soort harde opmerkingen. Dat geeft een goed beeld van de grootste angst van je personage. De kans is groot dat daar daarna aandacht aan besteed wordt, als een nieuw obstakel in de heldenreis. Let op zo’n moment ook goed op de lichaamstaal van een personage. Doe je voordeel met dit visuele medium en kijk hoe je kan beschrijven wat een personage op dat vlak zoal doet als die een mentaal harde klap krijgt.

Het plotpunt en de ruzie

Iedere ruzie die in een boek of een film zijn naam waard is, stuurt het plot dus een andere kant op, of zorgt ervoor dat het vaart blijft houden. Schrijf eens op waaraan je kan zien of waarom je denkt dat juist nu en ook juist deze ruzie aan de gang is. Moesten de eeuwige tortelduifjes ook eens ruziën om hun romance niet te suikerzoet te maken? Het is wel handig als dat vóór de verloving gebeurt: “Je ként me nauwelijks, het enige wat je echt weet, is dat je me knap vindt!”

De ruzie over de bijdrage in het huishouden komt ook op een narratief goed moment als er achterstallige rekeningen betaald moeten worden en de wederhelft juist de dag ervoor in de lappenmand terecht is gekomen.
Niet alleen gebeurt er dan voldoende om het verhaal in de traditionele zin van het woord spannend te houden – hoe gaan ze zich uit dit lastige parket redden? – , het geeft ook aan dat er iets gaat gebeuren dat de lezer of kijker nieuwsgierig maakt naar de verdere verloop van het plot.  

Dit artikel verscheen eerder opSchrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Afif Ramdhasuma verkregen via Unsplash