De observerende schrijver: Ik zie… geloof

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… geloof.

De uitkomst van geloven en religie

Iets geloven en religie hebben een overlap, ook al zijn het niet dezelfde dingen. Je gaat bij iets geloven namelijk uit van een bepaalde uitkomst, al dan niet  door toedoen van een hogere macht. Tegelijkertijd heb je daar niet altijd bewijs voor. Van een god weten we immers niet zeker of die bestaat en van na een proefwerk zeg je ook “Ik geloof dat dat wel goed is gegaan.”  Je kan wel zeggen dat je weet dat het goed is verlopen, maar zolang je het cijfer nog niet terug hebt gekregen, weet je het nooit echt zeker.

Dat is ‘geloven’ zoals het in dit artikel wordt bedoeld: uitgaan van een bepaalde uitkomst, zonder dat daar echt bewijs voor is.

Voor observatiedoeleinden is er een groot verschil tussen religie en geloven. Maar ze zijn beide nuttig en leveren elk unieke vondsten op.

Religie observeren

Iemand die een bepaalde religie aanhangt, gelooft dat er dingen van kloppen. Maar waaraan kan je dat concreet merken? Denk aan de kledij die iemand draagt, of dat iemand een ‘wees gegroet’ bidt in plaats dat die van zich tot Allah richt. Maar ook dat een moslim bijvoorbeeld niet drinkt, omdat die gelooft dat hij daarvoor gestraft zal worden. Met andere woorden: de regels en richtlijnen van een religie kunnen het denken en handelen van iemand bepalen. Je kan dit per religie observeren, of juist lijken wat de gemene deler is van alle grote religies in de wereld.

Bedenk vervolgens eens hoe jouw/ een personage heel anders zou zijn als deze religie niet werd aangehangen. Moet je veel in de personagebiografie veranderen? Dat zegt ook heel wat over wie je personage ten diepste is.

Geloven observeren

“Ik geloof dat alles altijd goed komt.” “Ik geloof in liefde op het eerste gezicht.” Spits je oren extra goed als je iemand iets hoort zeggen dat begint met “Ik geloof…”, want daar kan je soms het principe oorzaak en gevolg aan koppelen. Zo zou de romanticus het best lastig kunnen krijgen op Tinder. Want als je meteen als een blok voor iemand ‘moet’ vallen, swipe je waarschijnlijk heel vaak naar links. En dan zullen er ook relatief veel meer eerste dates dan tweede dates komen. Want als het niet onmiddellijk klikt…
Met nog een beetje meer observeren van deze persoon ( of met wat extra fantasie) kan je daar nog meer bij bedenken. Als alles meteen moet kloppen in de liefde, heb je dan bijvoorbeeld ook een perfectionist voor je, die sowieso geen fouten of onvolmaaktheden tolereert?
Kijk eens wat je met die ‘Ik geloof…’-uitingen associeert en welk gedrag je dan óók -of niet- terugziet in de ander.

Of het nu om religie of om een overtuiging gaat, als je kijkt waar iemand in gelooft en (dus) ook naar handelt, kan je daar al een grote opzet voor een personage van maken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Pedro Lima verkregen via Unsplash

Uiterlijke kenmerken in een tekst verweven

Uiterlijke kenmerken van een personage zijn belangrijk om in een verhaal te noemen. Maar als je daarvoor de tekst moet afremmen, komt dat erg geforceerd over. Je kan er beter voor zorgen dat het beschrijven van het uiterlijk als een onderdeel van de scène voelt. Hoe krijg je dat voor elkaar?

Welke uiterlijke kenmerken beschrijf je?

Als je uiterlijke kenmerken van je personage beschrijft, doe dat dan met zorg. Voor je het weet, heb je een infodump te pakken. Het is niet alleen veel informatie om alles te delen over het uiterlijk van je personage, je moet er ook voor zorgen dat je nog iets aan de verbeelding van de lezer kan overlaten. Dat is een eerste stap om te beslissen welke uiterlijke kenmerken je met je lezer deelt: wat moet die echt weten? Als je personage zwart haar en blauwe ogen heeft, kan je schrijven dat hij zwarte haren heeft als dat belangrijk is. Als de oogkleur dan bruin wordt in de verbeelding van de lezer, dat is dan maar zo.

Bedenk wel dat haar- en oogkleur zo’n beetje de meest standaard dingen zijn om over een uiterlijk te delen. Ook zeggen die vrij weinig over het totale plaatje van het uiterlijk. Kijk maar eens hoe verschillend deze vrouwen zijn, hoewel haar- en oogkleur hetzelfde zijn:

Foto door Good Faces verkregen via Unsplash

AI- gegenereerde afbeelding, verkregen via Pixabay.

Om deze vrouwen van elkaar te onderscheiden, zouden huidskleur, kapsel, de aan-/ afwezigheid van sproeten en hoogte van de jukbeenderen veel effectiever zijn. Onderschat daarbij ook schoonheidsidealen niet. Blond haar en blauwe ogen worden normaliter als aantrekkelijk beschouwd, maar als ogen waterig en fletsblauw van kleur zijn, in plaats van het helderblauw dat je voor je ziet… En als diegene dan ook nog eens vele littekens in het gezicht heeft, gemeen uit de ogen kijkt en ook nog eens krijst in plaats van praat, is er van dat beeld van het perfecte, lieve model weinig over…

In plaats daarvan kies je liever voor iets dat ook een verschil gaat maken in het plot. Of dat nu lengte, lichaamsbouw, ras, kledingstijl, neus-of gezichtsvorm of toch haarkleur is, scheelt per verhaal en per personage. Je personagebiografie kan je helpen hierin beslissingen te nemen.

Wat is er in de scène (aan de hand)?

Als je weet welke uiterlijke kenmerken van een personage je wil delen, kijk je naar de scène waarin je hen introduceert. Doe dat vrij letterlijk: kijk bijvoorbeeld of het buiten onweert. Een bliksemflits die oplicht kan duidelijk licht werpen op de forse neus van je personage. Of het felle licht van de zon kan het glanzende haar van je personage nog meer doen opvallen. Of is er misschien een lange trap? Dan kan je personage hijgend aan komen rennen, buiten adem omdat de korte beentjes een uitdaging hebben aan die trap.

Je kan ook kijken wie er in de scène nog meer aanwezig zijn en/ of wat die personages op dat moment doen of denken. De relatie die je personage met de ander(en) heeft, kan ook een aanleiding zijn om iets van het uiterlijk of een karaktertrek te delen.

Denk aan iets als: de gerimpelde handen met de ouderdomsvlekken van opa waren zo vertrouwd, dat ik ze stuk voor stuk kende. Het was alsof ik een kaart had waarvan ik de route uit mijn hoofd wist. Die grote vlek vlak voor de middelvinger en de kleine, in de ruimte tussen duim en wijsvinger. Het was als een veilige thuishaven, nu de rest van mijn leven op zijn kop stond, zo vlak na de vechtscheiding. Met mijn blik op die handen gericht, voelde ik mijn hartslag dalen.
Zo deel je niet alleen uiterlijkheden, maar geef je ook meteen mee dat opa:
– vanwege de ouderdomsvlekken hoogstwaarschijnlijk ouder is dan zestig
– een goede band heeft met het kleinkind: details van handen onthoud je niet als je elkaar uit de weg gaat of niet vaak ziet.

Wanneer deel je uiterlijke kenmerken?

Het is handig om een of twee uiterlijke kenmerken over een personage meteen te delen, zodat de lezer meteen een beeld daarvan kan vormen. Pas daarbij wel op dat je niet dezelfde afweging maakt als bij het beschrijven van een figurant. Waar die een typerend sweatshirt kan dragen ten behoeve van (tijdelijke) symboliek, is het voor een personage belangrijk dat die ‘blijvende kenmerken’ heeft, die dus niet van het moment afhankelijk zijn. Anders komt dat al gauw cliché over. Gebruik dat eerste moment van beschrijven voor een goede kennismaking met je personage.
Als je personage uiterlijke kenmerken heeft waar later een plottwist van komt (denk aan de groene ogen van Harry Potter en de relatie die Sneep met zijn moeder had) of waar een groot deel van het plot op verdergaat, geef het dan niet te veel nadruk: dat komt geforceerd over. Het is echter wel handig om te benoemen, anders komt het later weer uit de lucht vallen.

Wees je ook bewust van het feit dat je lezer eerst moet investeren in een personage, voordat er daadwerkelijk meegeleefd wordt met diens verhaal. Stel dat iemand met uitzonderlijk veel rimpels zegt dat iedere rimpel is verdiend, val dan niet met de deur in huis met iets als: tantes gezicht zat vol rimpels, maar wat wil je ook? Ze was het ouderlijk huis uit gevlucht in haar tienerjaren, had een kind verloren en jarenlang in armoede geleefd. Met andere woorden: waak voor slechte expositie.

Als uiterlijkheden op zichzelf een verhaal vertellen in plaats van een simpel zichtbaar feit, overhaast dan niets en geef dat uiterlijke kenmerk dan ook het verhaal dat het verdient. Behandel het dan niet als een detail dat je ‘toevallig’ moet delen om de verbeelding van de lezer een zetje te geven. Zie de benoeming van dat kenmerk dan als een startsein voor een subplot, in plaats van iets dat je snel moet melden. Noem het wel meteen, maar schrijf het als het even kan niet in dezelfde zin of dezelfde situatie als iets wat wel als ‘visueel detail’ kan worden gezien.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De observerende schrijver: ik zie…een ander medium

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… een ander medium.

Boek versus film

Het is de eeuwige discussie: is het boek altijd beter dan de verfilming? Het eerlijke antwoord is: dat is appels met peren vergelijken. Je kan in een twee uur durende film nu eenmaal niet de eindeloze subplots van een boek in beeld brengen. Andersom geldt ook: wat een filmkijker in een enkele tel kan zien, kost de lezer langer om te bevatten: in de sjieke kamer was de sfeer om te snijden werkt in theorie, maar het is beter als je omschrijft wat voor meubels die kamer dan zo luxe maken en hoe ongemakkelijk iedereen zich beweegt. Dat kost al gauw meerdere regels en gaat dus trager.

Probeer in plaats van te denken welk medium beter is, wat de andere technieken zijn die je moet gebruiken als je voor iets anders schrijft dan een boek. Zolang er een verhaal in het medium voorkomt, kan je het gebruiken. Denk aan een film, maar zeker ook aan reclamespotjes met een grapje erin, videogames of zelfs een hoorspel.

Schrijftechnieken observeren

Een ander medium is bij uitstek een manier om te zien hoe een schrijftechniek er in de praktijk uitziet. Of liever: kan jij zien hoe die techniek is gebruikt in het schrijven van dit script? En waarom dat hier (niet) werkt of beter zou werken bij een ander medium?
Een voorbeeld: show, don’t tell is een belangrijke schrijftechniek voor in een boek.
Als je zegt: “Ik heb verdriet,” spreekt dat minder tot de verbeelding dan wanneer je schrijft dat de tranen over de wangen lopen. Het woordelijk uitspreken van verdriet is in een boek al op het randje. Stel je nu eens een filmscène voor waarin je de acteur zíet huilen en hij deze tekst ook nog eens zegt. Dat is óver het randje, want nu is het dubbelop. Aan de tekst verandert er niets, maar omdat je met een ander medium van doen hebt, moet je dus ook dingen anders (om)schrijven.

Denk aan dingen als:

  • In een film kan je niet woordelijk de gedachten van je personage weergeven.
  • In een videogame kan je niet één lineair verhaal vertellen. Geef de gamer de controller en die gaat linksaf waar jij hoopte dat die rechts zou gaan…
  • In een boek kan de verbeelding de overhand krijgen. Een film betreft beeld en stuurt daarmee ook de aandacht en verbeelding  enigszins.
  • Een reclame voor een voetbalwedstrijd werkt niet als je nog gaat uitleggen hoe fantastisch de sport zelf is. (Lees: hier ligt de focus op verkopen, niet op beschrijven van een voetbalwedstrijd zelf.)

Schrijf eens op in je opschrijfboekje wat je zoal opvalt aan deze verschillende manieren van schrijven voor verschillende media.

Klaar om anders te schrijven

Nu je weet waarom en hoe er andersp moet worden geschreven bij verschillende media, kan je dat in je voordeel gebruiken. Weet je dat je sfeeromschrijving vooral abstract op te schrijven bij een filmscript? Kijk dan eens welke woorden je dacht nodig te hebben voor een boek. Misschien kan je er heel wat schrappen. Dat komt dan ten goede van je schrijfstijl in je boek: zo ben je al alerter op wollig taalgebruik.

Het op deze manier observeren van schrijftechnieken kan je helpen de jouwe te verbeteren.   

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Erik Mclean verkregen via Unsplash.

Nadruk en kennis van een verhaal

In je enthousiasme kan je als schrijver je tekst nogal eens interessanter lezen dan hij eigenlijk is. Een gevolg daarvan is dat je met nadruk gaat schrijven, zonder dat dat nodig is. Maar soms is nadruk wel degelijk van toegevoegde waarde.

Waarom zou je met nadruk schrijven?

Je schrijft met nadruk omdat de lezer echt. Moet. Beseffen. Dat dit belangrijk is! Je sluit de mogelijkheid uit dat de lezer over dit gedeelte heen leest, door extra hoofdletters, punten, komma’s of cursieve of vetgedrukte woorden toe te voegen Onbedoeld of niet, als je schrijft met extra nadruk, denk je dat je lezer niet genoeg geïnvesteerd heeft in je verhaal. Bedenk maar eens: zou je drie keer achtereen een scène schrijven waarin er iemand wordt gemarteld als je niet héél duidelijk wilde maken dat deze slechterik echt verdorven is? Of drie keer in een hoofdstuk een seksscène toevoegen als het al overduidelijk is dat de vonken er van afspatten? Waarschijnlijk zou je verder gaan met het plot.
Als je als schrijver nadruk gaat leggen op iets in de tekst is er een van deze drie dingen gaande:
* De innerlijke voorlezers van jezelf en de lezer komen niet overeen.
* Je hebt gelijk: je lezer weet nog te weinig van je verhaal of personage om op het puntje van de stoel te zitten.
* Dit is het spannendste moment in het boek, wat extra context nodig heeft om die spanning écht te kunnen bevatten.

Over de innerlijke voorlezer schreef ik vorige week al uitgebreid, nu ga ik op de twee andere punten in.

Over wie gaat dit eigenlijk?

Voordat een lezer echt in het verhaal gezogen kan worden, moet die weten over wie het verhaal gaat. “Jantje de groenteboer’ is dan niet genoeg. Je moet weten wie Jantje als volwaardig persoon/ personage is. Anders gezegd: tenzij je lezer een redelijk beeld heeft van de personagebiografie van de held, kan het je lezer niet tot nauwelijks iets schelen wat die overkomt. Het is moeilijk meeleven met iemands problemen als je weet dat er honderden, zo niet duizenden anderen met soortgelijke problemen rondlopen. Daar zou je hoofd overvol van raken.
Maar zodra je een beeld of een gevoel hebt bij iemand, speelt het andere uiterste vrij snel mee. Denk aan je moeder die vroeger op de camping zei dat je dat lieve katje op de camping géén naam mocht geven, omdat je het anders niet meer zou kunnen ‘achterlaten’ in Zuid-Frankrijk. We nemen geen afscheid van een katje, maar van Blanche! Hetzelfde idee gaat op voor een personage, alleen is het proces van ‘een naam geven’ uitgebreider.

Het gaat over Blanche!

Als je het dan voor elkaar hebt gekregen dat je lezer met het campingkatje Blanche meeleeft, moet je goed inschatten (en ook zeker niet onderschatten!) hoe gehecht de lezer aan een personage raakt.
Lieve Blanche is niet zomaar een leuk katje, maar eentje die het verschil maakte tussen een vervelende en een fantastische vakantie. Want de trip was compleet verregend, maar Blanche kwam iedere dag naar de tent getrippeld om kopjes te geven en op schoot te komen zitten. Zo ongelooflijk schattig!

Dan breekt Blanche een poot en schrijf je: Het arme beest had een poot gebroken. Het liep er zielig bij. Echt heel zielig. Langzaam, langzaam kwijnde Blanche weg. Zoals dat pootje…

Dan gaat de lezer je onderbreken:
* Denk je dat ik geen empathie heb of zo?
* Het gaat over Blanche, de kopjeskampioenkat! Túúrlijk is dit zielig! In de tijd dat je benadrukte, had je de dierenarts moeten bellen!

Als je goed schrijft over een personage, is de empathie van een lezer onderschatten een manier om die snel en onherroepelijk te verliezen. Empathie opwekken doe je in de loop van (de) scène(s), niet met nadruk met behulp van een aantal losse woorden of leestekens.

Nadruk op een groot moment

Hoewel je het zeker niet overdadig moet gebruiken, kan je nadruk gebruiken om te laten zien waarom er onder de oppervlakte nog meer speelde dan de lezer vermoedde. Dat doe je op een belangrijk moment. Zo gebruik je nadruk niet om de lezer iets door de strot te duwen, maar juist meer te ontdekken over iets waar niets meer te ontdekken leek.

De campingbaas vertelt dat Blanche ooit aan kwam lopen als verwaarloosd en gewond katje. Nu, een paar jaar later, laat ze zich graag knuffelen. Maar soms schrikt Blanche uit het niets als iemand op haar toe loopt. Wijd dan eens een scène waarin Blanche terugblikt op haar slechte ervaringen met mensen. Vertel dat ze bijzonder alert is op mensen die ze als boeren inschat. Ze woonde vroeger op een boerderij. Het is verstandig om die informatie prijs te geven in bijvoorbeeld hoofdstuk 3 (en nog een keertje terug te laten komen in hoofdstuk 6) op het moment dat het ‘grote moment’ in hoofdstuk 10 komt. Zo je informatie geven en spreiden geeft de lezer voldoende houvast, zonder dat je het risico loopt dat de nadruk erg geforceerd overkomt.

Blanche ontmoet een campinggast bij wie ze graag komt knuffelen. Maar dan draagt die ineens klompen. Stapje voor stapje komt de kat alsnog naar de campinggast toe:

Ik weet dat dit mens te vertrouwen is, maar toch sta ik te trillen op mijn poten. Dat typische geluid van dat vreselijke schoeisel blijft gewoon doodeng. Langzaam strekt de hand zich naar me uit en aait me voorzichtig en liefdevol over mijn rug. Het doet geen pijn. De gast droeg klompen. Klompen. En toch durfde ik mezelf te laten aaien.

De lezer wist nog niet dat het geluid van klompen Blanche op scherp zet. Wat blijkt nu? Niet het ‘bredere begrip’ boeren, maar ‘klompen’ associeerde Blanche met gevaar. Nu weet de lezer een belangrijk detail dat de basis vormt van de ellende die al duidelijk was, maar gruwelijker wordt omdat die daar nu een heel specifiek beeld bij heeft. Met een nadruk die als vanzelf ook een show don’t tell heeft dat er nu eindelijk een vervelend hoofdstuk in Blanches leven is afgesloten.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Max Sandelin verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… reclame

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… reclame.

Je gaat dit dus echt wel kopen!

Reclames hebben een overduidelijk doel: koop. Dit. Product. Vaak zijn reclames recht voor zijn raap: nú is er een aanbieding of: ‘dit wasmiddel wast het schoonst’. Maar er zijn ook reclames die gebruikmaken van slimme psychologische trucjes die ervoor zorgen dat het product veel belangrijker lijkt dan het is. Zo kan die auto je niet alleen van A naar B vervoeren, maar ook vrijheid geven. Of een reclame zorgt ervoor dat je onbewust wordt aangesproken op iets groters dan iets wat je kan kopen of zelfs maar aanraken. Tijdens een WK voetbal bijvoorbeeld: al die reclames van oranje hebbedingetjes zetten niet in op die sjaal of toeter, want het reclamebureau weet dat die producten eigenlijk te simpel zijn om reclame over te maken. (Hoe vaak zie je een reclame voor een simpel sjaaltje?) In plaats daarvan spelen ze in op een gevoel van saamhorigheid: “Wij Nederlanders met zijn allen in het oranje tegen de Duitsers!” En ja, daar heb je dan ‘toevallig’ dat oranje sjaaltje voor nodig…

Kijk de volgende keer eens goed naar een reclame en noteer, als je het ziet, welk psychologisch trucje gebruikt is om jou ervan te overtuigen dat je dit product echt móet hebben. Je gaat dat oranje sjaaltje dus echt wel kopen als je daarmee wordt gezien als de meest sympathieke, vaderlandslievende persoon van de straat. Ook al heb je normaalgesproken een hekel aan die kriebeldingen om je nek.

Willen en nodig hebben

Als een reclame zijn werk goed doet, denkt de kijker niet alleen meer dat die het product wil, maar zelfs nodig heeft. Daar zijn die psychologische trucjes voor. Willen en nodig hebben zijn ook zeer belangrijke drijfveren voor een held in een boek. Dat onderscheid moet je kennen. Gebruik reclames dus eens in je voordeel en maak er een oppervlakkige personageschets mee! Dus die auto geeft ook vrijheid? Wie zou daar nou echt naar hunkeren?
Iemand in een sleur misschien. Hoe ziet die sleur eruit en hoe is die zo gekomen? Ga maar eens brainstormen!
Of als het iemand is die zich ronduit gevangen voelt: waar komt dat door? Heeft die bepaalde middelen niet om die vrijheid te verkrijgen? Hoe komt dat? Een laag inkomen, misschien? Komt er dan wel genoeg eten op tafel? Nee? Hé, een personage in armoede. Daar valt heel wat over te schrijven.

Wie koopt het dan?

Kijk eens naar de acteurs in reclames en behandel ze als personages. Waarom is er juist een jonge vrouw gecast om de nieuwe telefoon aan te prijzen en is het de gemoedelijk uitziende middelbare man die de zonnepanelen komt installeren? Deze acteurs zijn, net zoals de held in je verhaal, vaak ijkpersonen van de doelgroep. Bedenk in hoeverre de reclame anders over zou komen of misschien niet meer zou werken als je een compleet andere acteur in zou zetten. Dat is een goede oefening om kleinschalig te bedenken hoe makkelijk een algemeen beeld van een verhaal al dan niet meer ‘klopt’. Het idee van een zonvakantie is niet meer geloofwaardig als een verwilderd uitziend persoon die aan gaat prijzen: die wil eerder survivallen, of ziet er misschien zelfs uit alsof die zo’n  vakantie niet kan betalen…

Dus als je de volgende keer een reclame ziet: klik of zap niet weg, maar pak je opschrijfboekje erbij!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door Florian Wehde verkregen via Unsplash.


De innerlijke voorlezer en nadruk van woorden

De innerlijke voorlezer is de stem in je hoofd die je tekst voorleest om zo het ritme en de toon van je tekst te proeven. Die is onmisbaar om te controleren of je tekst wel overkomt zoals jij dat wilt. Maar hij kan ook dingen verknallen. Een van de grootste valkuilen van de innerlijke voorlezer is de te grote nadruk die die soms op woorden legt.

De innerlijke voorlezer: emoties en stembuigingen

De innerlijke voorlezer is onmisbaar voor zowel het reviseren en het schrijven van je tekst. Je wilt immers dat je lezers in het verhaal worden meegezogen en daarvoor is er iets nodig dat je tekst – vrij letterlijk- interessant laat klinken .Je leest dus in je hoofd niet voor als een robot, maar met de nodige emoties en stembuigingen. Waarschijnlijk ga je als vanzelf vrolijker ‘praten’ als je personage een gat in de lucht springt en krijgt het archetype wijze tovenaar eerder een diepe trage stem dan een hoog en snel spreektempo, omdat je dat beter bij hem vindt passen.
Als je goed schrijft, is de kans groot dat je lezer een innerlijke voorlezer krijgt bij jouw tekst die die emoties en stembuigingen grofweg hetzelfde interpreteert.

Het gevaar van nadruk in een tekst

Wat de innerlijke voorlezers van de lezer en jou echter meestal niet delen, is een bepaalde nadruk. Kijk eens naar deze tabel:

Je innerlijke voorlezer lijkt te zeggenDit staat daadwerkelijk op papier
De kus was zo zacht en zoet, dat zij nog nooit zoiets fijns had gevoeld.De kus was heerlijk zacht en zoet.
Hij was woest en kon hem wel wurgen. Hij bedacht al wat de beste manier daarvoor zou zijn.Hij was zo kwaad, dat hij hem wel kon wurgen.
De smerige vleespastei deed hem al kokhalzen bij de geur alleen.De vleespastei was vreselijk smerig.

Jij ziet als schrijver soms meer in de tekst dan er daadwerkelijk staat. De eerdere blogpost van de innerlijke voorlezer gaat in op hoe dat oorzaak kan hebben in de manier waarop je schrijft, maar nu ga ik uit van principe dat je de tekst heel anders beleeft. Dat heeft dus niet met geschreven taal te maken, maar wel met die film over je verhaal die je voor je geestesoog ziet afspelen.

Zie je hoe de teksten hierboven van de innerlijke voorlezer extra (‘grote’) woorden heeft? Dat is het resultaat van een verlangen om nadruk te geven aan datgene wat je voor je ziet: “Lezer, snap je wel dat die kus echt super speciaal is? Snap je het echt? Zie je het voor je? Want als je dat niet doet voeg ik die nadruk wel toe, hoor!” Met de voorbeelden in de tabel als resultaat, of zinnen als:
* Het was donker. Echt donker.
* Ze sprong een gat in de lucht, gelukkig als ze was. Zo gelukkig was ze nog nooit geweest.
Van de in totaal achttien woorden in die zin wordt er drie keer herhaald hoe gelukkig de vrouw is. Een keer met een spreekwoord en twee keer met het expliciete woord ‘gelukkig’ wat slechts vier woorden tussen de herhaling heeft zitten.

Het resultaat: de tekst leest drammend of als het cliché overdreven verliefd en klef stelletje:
Ik hou van jou.”
“Ik hou anders meer van jou, schattebout.”
“Echt waar? Hihi, hoeveel hou je dan van mij?”
(Het soort stelletje waarvan je denkt: mag ik een teiltje?)

Om te voorkomen dat dit gebeurt kun je een innerlijke voorlezer die met teveel nadruk lijkt te lezen, zien als dat kleffe stel.

De kleffe voorlezer

Heb je gezien wat dat kleffe stel voor effect heeft? Naast een zekere ergernis van dat drammerige, zou je ook kunnen zeggen: “Alsof ik dat zelf niet kon bedenken. Ik wéét dat jullie verliefd zijn, dus dan is een keer de liefde verklaren voldoende. Ik lees niet voor het eerst over een verliefd stel, dus die ‘ verdere uitleg’ heb ik niet nodig.

Nu is een verliefd stelletje iets wat een lezer misschien al honderd keer heeft gelezen, versus de eerste keer ‘tiener wil een goed doel oprichten’ waar jij over schrijft. Maar er is een veel ‘diepere basis’ die ieder verhaal deelt, ongeacht de invulling van het plot of genre: de menselijke beleving. Ook al is een trope gloednieuw, je lezer is wel bekend met een gemene deler die personages en mensen delen: het leven van een leven, weten hoe het is om mens te zijn.
Dat klinkt erg filosofisch, maar zo zwaar hoef je er niet aan te tillen. Denk aan simpele dingen als:

* Als je bang bent, kan dat als donkerte voelen (Het was donker. Echt donker. )
* Van blijdschap kan je vreugdedansjes gaan maken (Ze sprong een gat in de lucht, gelukkig als ze was. Zo gelukkig was ze nog nooit geweest.)
De doorgehaalde extra zinnen met nadruk kunnen weg, omdat dat in wezen al voor zich spreekt, gezien hetgeen waar je over vertelt.

Er zijn momenten waarop herhaling of nadruk echter werken als een tierelier. Maar daarvoor is het nodig dat de lezer:
* zich maar moeilijk voor kan stellen hoe verregaand de gevolgen zijn. ( Lees: als schrijver moet je het echt uitleggen, in plaats van benadrukken)
* je personage door en door kennen.

Volgende week schrijf ik uitgebreider over, maar om af te sluiten over het onderwerp van de voorlezer zelf:
Als je jezelf erop betrapt dat je innerlijke voorlezer iets benadrukt, of tekst leest die er niet staat, ga dan eens na:
* is mijn voorlezer klef (wordt die te veel meegesleept door mijn verbeelding lijkt het doodnormale onterecht vreselijk speciaal)?
* is dat ‘kleffe aspect’ mijn eigen invulling, of misschien een darling?
* voegt het benadrukken echt iets toe, of mag je erop vertrouwen dat je lezer slim genoeg is, of voldoende in het verhaal geïnvesteerd heeft om zelf conclusies te trekken?

Vaak is nadruk het resultaat van enthousiasme, maar dat hoef je niet in een enkel woord of een enkele zin te zoeken. Je lezer deelt dat enthousiasme vanzelf als je goed en interessant schrijft 🙂

Foto door hosein ashrafosadat verkregen via Unsplash

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De observerende schrijver: ik zie… mijn telefoon

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… mijn telefoon.

Telefoon als zondebok

De telefoon is tegenwoordig een makkelijke zondebok voor het argument dat we een korte aandachtspanne hebben gekregen en alleen maar naar een schermpje turen. Natuurlijk is dat niet zo zwartwit, maar dat maakt telefoon wel een goede metafoor voor de observatietip van deze week. Want hoe ga je nog observeren als je zelfs al niet meer om je heen kijkt?

Voor observatiedoeleinden is het voldoende om in je achterhoofd te houden: iets (aan je telefoon) is interessanter of dringender om je aandacht aan te besteden of bij te houden.
Als je goed wil observeren, moet je je daar bewust van zijn en er zo mogelijk iets aan doen.

De volgende keer dat je met je opschrijfboekje rondloopt en merkt dat je aandacht naar iets anders uitgaat- je telefoon of iets anders- stel jezelf dan als eerst eens de vraag:
‘Wat was er nu dringender, leuker of mooier aan [mijn telefoon] dan aan het bestuderen van die mooie vlinder, of het bedenken waarom die man in de trein een pak draagt?

Wat heb ik gemist?

Als het om de telefoon gaat, is de kans groot dat het algoritme je concentratie heeft gekaapt. Maar dat antwoord zit voor deze oefening in de verkeerde ‘hoek’.
Het fijne is dat als je je beseft dat je jouw aandacht bent kwijtgeraakt, je die weer opnieuw kan herpakken. Vraag jezelf niet af wat je – terecht of onterecht- heeft afgeleid, maar eerder wat je tijdelijk hebt gemist aan observatie, omdat je gedachten afdwaalden.
Wat was er nou zo mooi aan die vlinder dat ik die wilde bestuderen? De kleuren of de vorm van de vleugels? En die man in pak, waarom trok juist hij mijn aandacht ten opzichte van alle andere treinpassagiers? Viel hij uit de toon door zijn kleren? Keek hij uitzonderlijk chagrijnig en had ik al bedacht dat deze directeur op het punt stond tegenover de raad van bestuur iedereen toe te schreeuwen? Ik wilde al een tijdje goed observeren hoe ingehouden woede die net onder de oppervlakte sluimert eruit ziet…

Wat ik nu toch zie…

Als je je aandacht hebt teruggevonden en weet wat je aansprak om te starten met observeren, kan je dat verder uitbreiden. Wat zie je nu nog méér?
Meneer de directeur kijkt dus chagrijnig en dat hoopte je al een tijdje te kunnen observeren. Maar zie  je nu ook iets méér of anders aan deze man wat je ook kan gebruiken? Zijn ongeduldig tikkende voeten, bijvoorbeeld? Of de manier waarop hij met zijn vingers op zijn telefoon zit te rammen in plaats van te tikken?
Dat had je niet over het hoofd gezien: natuurlijk is iemand met een rood hoofd en een ongeduldig tikkende voet niet blij. Maar nu je heel bewust aan het kijken bent, kan je het net iets beter ontleden. Een nadeel van ‘observeren in het wild’ is dat je niet de deur uit kan gaan met idee: nu ga ik naar de bibliotheek en daar zit een chagrijnige man. Die ga ik eens goed bekijken.
Als je iets vindt dat het observeren waard is, kan je soms in dat grotere beeld blijven hangen, omdat iets onverwacht verschijnt.

Gebruik je herziene observatieconcentratie dus in je voordeel om nog eens goed naar de details te kijken die het opmerken waard zijn. Wie weet hoe je daarmee je sfeer-of personagebeschrijvingen nog levendiger van kan maken!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door camilo jimenez verkregen via Unsplash.

De persona van je personage: de praktijk

Als je personage een masker heeft dat het hele verhaal mee moet gaan, moet je goed kijken naar de invulling van de drie-aktenstructuur en hoe vlot je held de heldenreis kan voltooien. In hoeverre bepaalt een persona de het tempo waarin je held zich door het verhaal beweegt?

De reis van twee helden?

In de inleiding op deze post kon je al lezen dat een personage met een persona bijna twee verschillende levens lijkt te leiden. Als je de heldenreis dan uit wil werken, is de vraag: in hoeverre moet je het leven van de persona, dat masker uitwerken? Wordt je verhaal een verslag van een façade met twee verhaallijnen, waarin elk hoofdstuk de naam van ofwel je personage ofwel van het persona krijgt? Hou je het masker als geheim achter voor de lezer, of verklap je dat juist meteen, zodat de lezer weet wat er voor je personage op het spel staat?
Dat zijn allemaal mogelijkheden en creatieve keuzes waar jouw voorkeur bepalend is.

Let op: het uitgangspunt blijft dat je over één held schrijft en dat die ook centraal blijft staan. Je schrijft dus altijd met Cythia uit de inleiding als leidraad voor de basis. Niet over Cynthia en Cindy als afzonderlijke personen: dat zijn ze immers niet. Daar wordt je verhaalstructuur alleen maar rommelig van. Maar nog steeds is Cindy onlosmakelijk verbonden met Cynthia: dat vormt het centrale conflict, of op zijn minst een zeer belangrijk subplot. Waar en hoe geef je dat dan vorm?

Geef voorrang aan het masker

Als je personage een zeer hardnekkige persona heeft, moet je ongeacht je creatieve keuze in ieder geval het masker zelf introduceren en daar de nodige aandacht aan te besteden. Uiteindelijk bestaat de heldenreis in dit geval voornamelijk uit het principe van afpellen, dus dan moet de lezer wel weten wat er voor het personage af te pellen valt.
Neem dus de tijd om dat masker te introduceren en doe het ook goed.
In termen van de drie-aktenstructuur: als het proces van afpellen het verlaten van de comfortzone is, dan moet je daarvóór het personage al heel goed hebben uitgewerkt.

Maar dan is daar het probleem dat de comfortzone stap twee van de vijftien is. Je krijgt een enorm dikke pil als je eerst uitgebreid op je personage in moet gaan zoals het zich voordoet met het masker op en je daarna pas obstakels en clues mag introduceren… In dit verhaal is de drie-aktenstructuur dus niet zo strak als gewoonlijk. Of liever: het heeft een heel apart tempo en zelf ook meerdere laagjes.

Het eerste, langzame laagje

Als eerst werk je het masker zelf uit. Schrijf dus over hoe ‘Cindy’ zichtbaar is: wat doet Cynthia om zich uit de vuurlinie te houden? Welke vrienden verzamelt ze om zich heen? Wat zegt ze? En wat vreest ze dat ontdekt wordt?
Neem dat als apart drie-aktenstructuurschema mee en neem daar relatief alle tijd van de wereld voor. Laat in die periode zien hoe Cynthia zegt dat ze van haar lang zal ze leven niet in een hostel zou willen overnachten. Beneden haar stand, natuurlijk. In een stapelbed slapen met vreemden in dezelfde zaal? Nee! Terwijl ze dat eigenlijk dolgraag wil: wat een avontuur! Het is belangrijk om dat wel degelijk tussen de regels door te laten blijken, anders maak je van Cynthia en Cindy twee personen, in plaats van een vrouw met een masker op.
Werk op deze manier een complete, maar compacte structuur uit. Laat de clues terugkomen, zorg voor obstakels, de crisis.. Maar werk het dus zodanig kort en klein uit dat de situatie als geheel dan wel ongemakkelijk mag zijn, hij is voor Cynthia nog wel in stand te houden. Denk bijvoorbeeld aan een mogelijkheid voor Cynthia om te gaan backpacken. Diep in haar hart schreeuwt ze van ja, maar het nee zeggen is alsnog relatief makkelijk: dat is nu eenmaal de gang van zaken en ze gaat er niet dood van als die trip niet doorgaat. Zo je wil: dat masker draagt ze al zo lang dat op die manier liegen niet moeilijk meer is.

De razendsnelle hoofdlaag

Maar er komt een moment dat het masker definitief van het gezicht van je personage valt en het geen mogelijkheid heeft om zich nog te verstoppen. Het nieuwe begin, tijd voor een nieuw drie-aktenschema.
Op dit moment valt de grond onder de voeten van je personage vandaan. Vergelijkbaar met het moment waarop je personage de grootste leugen eindelijk onder ogen ziet. Dan is de situatie voor je personage even niet meer te overzien, omdat die zo overweldigend is. Vertaald naar de aktenstructuur betekent dat zoiets als: nog voor je personage weet waar en hoe het zo ooit heeft kunnen beginnen, krijgt het meerdere obstakels te verduren en valt het alweer als het nog maar half lijkt te zijn opgestaan. Dit gaat in vergelijking met het eerste laagje dus razendsnel.

Waak ervoor dat alles duidelijk blijft: houd de structuur wel (enigszins) aan. In de acending action mag het ene obstakel wel vliegensvlug op het andere volgen, maar zorg wel dat ze niet door elkaar heen gaan lopen. Ook hier: zorg ervoor dat het geheel geen rommeltje wordt. Verwar snelheid ook zeker niet met een klein(er) woordenaantal. Denk eerder iets als: waar het tempo in het eerste laagje relatief voortkabbelde, moet ik nu een pageturner schrijven, waar de wet van actie-reactie de hoogste stand bereikt.
In dit gedeelte verdwijnt Cindy volledig uit beeld. Dat zou ergens een opluchting moeten zijn voor Cynthia, maar dat betekent waarschijnlijk ook dat ze vrienden gaat verliezen, misschien wel noodgedwongen en halsoverkop een nieuw huis moet zoeken (op een krappe huizenmarkt), haar baan kwijtraakt… dus er zijn genoeg obstakels, cues en dieptepunten te bedenken.

Maar als de climax van deze structuur dan is geweest, geef de lezer (en Cynthia) dan genoeg tijd om uit te drijven in de descending action. Zo kunnen zowel de lezer als Cynthia aan het einde opgelucht ademhalen dat aan het einde van de strijd er een ton aan gewicht van de schouders afvalt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Julio Rionaldo verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… iets vertrouwds

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… iets vertrouwds.

Dat vertrouwde van…

Iedereen heeft wel een voorwerp, ritueel, beeld of herinnering waarvan je vanbinnen heerlijk warm wordt. Dat ene kopje waar oma altijd uit dronk, je gezin dat op zondag altijd ging wandelen in het bos, of dat stuk speelgoed dat voor jou op zichzelf symbool staat voor je kindertijd.
Maar als je datzelfde simpelweg omschrijft als ‘oma´s kopje’ ‘een boswandeling’ of ‘Gameboy’ dan ziet een ander niet méér dan dat. Een kopje, een activiteit, speelgoed.
Als je iets vertrouwds niet toelicht, verliest het onmiddellijk zijn glans. Die glans kunnen vangen is essentieel om de ‘vertrouwde’ sfeer te kunnen beschrijven. Dus moet je dat abstracte eraan ook kunnen opmerken en observeren.  Waar zit hem dat dan in?

Gewenst en geborgen

Iets vertrouwds is iets gewensts, dus wat je graag doet of meemaakt. De factor die het plaatje afmaakt, is geborgenheid. Iets of iemand aan dit vertrouwde aspect gaf je een gevoel dat je welkom was, erbij hoorde. Bezoekjes aan oma die uitmonden in een kopje koffie, zijn niet vertrouwd meer op het moment dat oma bij de deur al commentaar geeft op wat je nou weer voor stoms hebt gedaan. De boswandeling is iets van het gezin, waar jij als volwaardig lid ook je plek of rol in hebt. En ja, die Gameboy was leuk vanwege de spelletjes, maar vooral omdat je je vrienden kon uitdagen wie het snelst de hoogste score kon halen: een wedstrijd tussen vrienden onderling. Vriendschap: datgene waar je je door een ander gezien en gehoord voelt.

Observeren van iets vertrouwds

Iets vertrouwds kan dus overduidelijk zijn – het is voor jou niet moeilijk om dat ene kopje van oma aan te wijzen te midden van alle andere kopjes. Andere keren is het in zekere zin onzichtbaar. Hoe weet jij nou of een boswandeling maken voor de ander vertrouwd is, of ‘gewoon’ een prettig tijdverdrijf?
Als het om voorwerpen gaat, kijk dan eens hoe voorzichtig diegene ermee omgaat. Oma’s kopje mag dus écht niet breken! Let ook vooral op de vertederde glimlach, die is vaak niet ver weg. Let ook op hoe iemand over het vertrouwde praat. Welke vele liefhebbende woorden worden ervoor gebruikt? De kans is groot dat diegene lang door blijft praten over wat vertrouwd is: er is per slot van rekening zoveel moois over te vertellen. (Lees: de emotionele waarde is groot.)
De reactie op iets vertrouwds kan ook veelzeggend zijn. Op een eng moment is iemand in paniek, maar zodra daar de vertrouwde vriend verschijnt, daalt de hartslag onmiddellijk. Dit soort reacties  brengt ons weer bij geborgenheid. Soms wéét je gewoon dat iets vertrouwd is voor een ander, omdat de geborgenheid (of liefde, zo je wil) ervan afstraalt. Wordt er (met elkaar) gelachen? Hoor je: “Wat heerlijk je weer eens te zien?” Doet de boswandelaar de ogen dicht om die onverwachte zonnestraal tot zich te nemen? Die voelt zich dan (tijdelijk) erg geborgen in deze omgeving.

Denk bij het observeren van geborgenheid en het vertrouwde vooral aan het ‘grote plaatje’. Jij weet misschien niet hoe het is om als ouder je kind in het weekend naar de sportwedstrijden te rijden. Die vertrouwde gezelligheid van kwebbelende kinderen op de achterbank is jou dan vreemd. Maar als je iedere week met je vaste vriendengroep gaat borrelen, zal je waarschijnlijk op de weg daarnaartoe hetzelfde, vertrouwde, verlangen voelen om snel bij het café te zijn. Daar kijk je ook naar uit: de geborgenheid van (die) vriendschap.   

Als je een blijdschap ziet die lijkt te zeggen: “hier heb ik naar uitgekeken,” of “Hier hoor ik thuis,”  dan observeer je waarschijnlijk iets vertrouwds.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Catalin Pop verkregen via Unsplash


Het masker en het conflict: de persona van je personage

Ieder personage heeft een confict: zelfvertrouwen krijgen, roem vergaren… Maar een personage dat vooral moet leren om zijn masker af te zetten, garandeert een mooie diepgang.

Een masker dragen

Iedereen, mens of personage, draagt in meer of mindere mate maskers. Dat bepaalt de manier waarop je je gedraagt omdat je denkt dat anderen en/of de maatschappij dat van je verwacht. Vaak, zo niet altijd, gebeurt dat omdat je wordt gegijzeld door het bedriegerssyndroom, of de angst dat het laten zien van de ware ik de grootste angst bewaarheid laat worden. Voor het schrijven van een personage is het erg interessant om te bedenken hoe hardnekkig dat masker is. Een heldenreis is nu eenmaal veel interessanter als die leest: Held moet zijn ketenen verbreken om zo in zijn eigen kracht te staan in plaats van het meer algemene en het minder sprekende Held moet uitgroeien tot een beter mens.

De beperkingen van een groot masker

Als je doet alsof je sinaasappelsap lekkerder vindt dan mangosap, omdat je niet degene wil zijn die ‘moeilijk doet’ door naar iets specifiekers te vragen op een sapjeskaart van een terras, is dat niet zo spannend. Dat is anders wanneer je dat soort maskers vrijwel altijd opzet om maar in de gratie van anderen te blijven. Als dat zo is, kan je jezelf af gaan vragen in hoeverre het naar verhouding nog spannend of zelfs belangrijk is of je personage wordt aangenomen op de universiteit of niet. Want wil je personage eigenlijk wel naar de universiteit, of wil dat masker dat? En als dat zo is, wat is dan nog meer schijn? Daar kan je een heel boek mee vullen, terwijl je beschrijft hoe je je personage - al dan niet uit ‘vrije wil’ – zich aanmeldt voor de universiteit. Daarmee sla je twee vliegen in een klap. Je hebt een centraal conflict, zoals altijd, maar je biedt ook een continue pageturner als het gaat om kennismaking met je personage. Dat is heel wat interessanter dan feitelijke informatie delen. Voor je personage biedt een goot masker een hoop beperkingen, voor jou als schrijver is het een goudmijntje!

De persona van je personage

Als je personage van maskers aan elkaar lijkt te hangen, dan kan je stellen dat het een persona heeft. Vrijwel niemand krijgt het authentieke karakter van je personage ooit te zien, omdat het persona stukken veiliger, leuker of gewenster is om aan de wereld te presenteren. Dan krijg je een personage als dit:

Cynthia komt uit welgestelde kringen, maar de poeha van het rijkeluiswereldje heeft ze nooit begrepen en ze voelt zich er ook erg ongemakkelijk bij. Ze heeft echter wel in de gaten dat goed voor de dag komen er een belangrijk onderdeel van is. Dus zet ze het masker op van ‘uiterlijk’: ze loopt in de duurste kleren, heeft de meest exclusieve tassen en natúúrlijk zijn haar, make-up en nagels te allen tijden onberispelijk verzorgd en onderhouden. De persona van Cynthia, Cindy, bepaalt daarmee haar hele leven. Soms kan het zover gaan dat zelfs Cynthia niet meer weet of bepaalde gedachten van haarzelf zijn, of dat ze Cindy hoort in haar hoofd. Of, iets wat minder klinkt als een psychologische stoornis en waarschijnlijk wat meer herkenbaar is: “Is mijn intuïtie (Cynthia) of mijn ego (Cindy) aan het woord?”

In theorie is Cynthia’s centrale conflict relatief eenvoudig en kan je dat ook zo laten: laat haar het spreekwoordelijke licht zien, vrienden maken buiten de rijkeluiswereld die niets om uiterlijk vertoon geven en voilà: Cynthia overwint haar heldenreis. Misschien zie je het eerste probleem al: dit verhaal is flinterdun en cliché. Maar heb je het tweede probleem al gespot? Als het zo simpel was, waarom heeft Cynthia dan niet eerder de stap gezet om de wereld van uiterlijk vertoon te verlaten? Natuurlijk, je moet een comfortzone durven te verlaten en obstakels uit de weg ruimen. En dat is niet zomaar gebeurd. Maar dan staat wel steeds Cynthia aan het roer. Als Cynthia zo bang is dat als ze Cindy uit haar leven verliest, omdat ze dan oprecht denkt dat ze geen leven meer hééft, dan is dat een gevalletje van: het risico van de comfortzone verlaten is gewoonweg te eng voor je personage: “Groeien? Ammehoela! Als ik er dood van ga…”

Oftewel: een masker dat zo groot is dat er een persona uit voortkomt is veel interessanter – en schrijftechnisch gezien ook handiger en overzichtelijker- als het niet een déél van het centrale conflict vormt, maar het dat ís.

Starten maar….?

Of je nu besluit om er uitgebreid over te schrijven of niet, het feit blijft dat de eerdergenoemde comfortzone voor Cynthia hoe dan ook (te) lastig is om te verlaten. En omdat dat essentieel is én die stap ver vooraan in de drie-aktenstructuur zit, blijft de vraag: hoe start je Cynthia’s verhaal dan?
Het simpele antwoord is: zoals altijd, alleen gaat het tempo van de heldenreis (let wel, je heldenreis, niet meteen je schrijfstijl of het verhaal zelf!) een stuk lager liggen.

Om een besef te krijgen van hoe hardnekkig de maskers zijn en hoe hard Cindy in Cynthia’s oor tettert, moet je lezer eerst weten wat Cynthia’s wereld is en erachter komen dan wel hints krijgen dat Cindy een (groot) deel van Cynthia’s leven bepaalt. Vervolgens moet ook nog duidelijk worden wat authentiek Cynthia is en wat de façade van Cindy en hoe zich dat tot elkaar verhoudt. Dat is nogal wat, toch? Nu hoeft dat niet allemaal vóór het verlaten van de comfortzone te gebeuren: Cynthia’s verhaal is wat dat betreft minder aan de vaste structuur onderhevig. Je zal vast begrijpen dat een obstakel overwinnen niet echt een overwinning is voor Cynthia als Cindy haar twee tellen later wijsmaakt dat dat geen overwonnen obstakel was, maar een sluwe val. Maar alsnog blijft Cynthia’s conflict er een van vallen en opstaan, zoals ze dat allemaal zijn.Dat gegeven kan je aanhouden als leidraad in een verder chaotisch lijkende structuur.

Volgende week gaan we de opzet van Cynthia’s verhalenstructuur wat van dichterbij bestuderen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Hush Naidoo Jade Photography verkregen via Unsplash.