Een tekst van de innerlijke voorlezer herschrijven

De innerlijke voorlezer is een uitdaging in vermomming. Je moet als eerst realiseren dat die in je tekst geslopen is, dan moet je opmerken dat die je tekst schaadt en dan moet je je tekst nog zonder die voorlezer gaan herschrijven. Dat is een moeilijke klus. Deze blogpost helpt je op weg naar een goede tekst als de innerlijke voorlezer die verprutst heeft.

Wat is de innerlijke voorlezer?

De innerlijke voorlezer is de ‘stem’ die je in je hoofd hoort als je een tekst leest. Als je schrijft, heeft deze voorlezer er soms een handje van om bij je eigen tekst:

De innerlijke voorlezer is zo geniepig omdat het jou als schrijver vaak niet (meer) opvalt dat deze voorlezer in het spel is. Sterker nog: het kan lijken op een vlotte schrijfstijl. En als je tekst vlot is, waarom zou je hem dan nog aanpassen?

Waarom schaadt de innerlijke voorlezer zo veel?

Iedereen, schrijver en lezer, heeft een innerlijke voorlezer. Maar je weet nooit zeker of die wel met elkaar overeenkomen. Daarom kan een innerlijke voorlezer voor heel veel misverstanden zorgen:

* Je lezer kan de context (van een woord) anders interpreteren dan jij, waardoor het verhaalthema niet van de grond komt.
* Je kan grammaticaal incorrecte zinnen schrijven, omwille van bepaalde nadruk. Dan kan je verhaal lastig lezen, omdat het taalkundig te veel rammelt.
* Een innerlijke voorlezer kan ongemerkt willen sturen wat de lezer van iets vindt of hoe je over iets denkt. Dat is niet de bedoeling. Een goed verhaal of verhaalthema laat de lezer besluiten aan welke kant van het ‘debat’ het staat. Door middel van goede framing kan je de lezer ergens van proberen te overtuigen. Maar je mag de lezer nooit een letterlijke interpretatie opleggen.
Schrijf dus in plaats van Dat kon geen toeval zijn, liever iets als Dat kwam Gerrie heel toevallig over. waar dat kan. Merk op dat het eerste voorbeeld iets vaststelt, waar het tweede voorbeeld nog de optie openhoudt dat Gerrie iets over het hoofd ziet, of dat iemand anders dit helemaal niet toevallig vindt.

De innerlijke voorlezer in geschreven tekst

Zowel de val als de oplossing van de innerlijke voorlezer zit in de naam verborgen. Het is een voorlezer. Lees: jij schrijft, deze voorlezer leest voor. Dat lijkt een open deur, maar om de innerlijke voorlezer te kunnen wegjagen, moet je eerst beseffen dat voorlezen iets heel anders is dan schrijven, ook al schrijf je met (vrijwel) precies dezelfde tekst.

De valkuil van dit verschil is dat je je tekst niet kunt teruglezen door hem hardop voor te lezen. Want dan lijkt wat er fout is, prima te kloppen. Stel dat je Roodkapje voorleest aan een stel kleuters die helemaal in het verhaal zitten en je het extra spannend wil maken. Als je die extra spannende toon uitschrijft, ziet dat er ongeveer zo uit:
En toen zag Roodkapje, iets groots… Harigs. Dat was… de wólf!
Terwijl er geschreven moet staan:
En toen zag Roodkapje iets groots en harigs. Dat was de wolf.
Anders wordt je tekst op de lange duur of zelfs na enkele zinnen al doodvermoeiend om te lezen.

De oplossing is dat je dus niet moet ‘voorlezen’, maar schrijven. Als het lukt om dat te onthouden, kom je al een heel eind met (her)schrijven. Want waarschijnlijk ziet En toen zag Roodkapje iets groots, iets harigs. Dat was de wolf. Er in geschreven vorm niet zo raar uit als je dat na een herschrijf eenmaal ziet staan.
En als je niemand meer hebt aan wie je moet ‘voorlezen’ of die je moet overtuigen dat je tekst spannend is, waarom zou je dan nog al die extra interpunctie en korte, foutieve zinnen schrijven als een correcte en compacte zin volstaat?

Van voorlezer terug naar schrijver

Het is een ding om te weten dat je weer terug moet van ‘voorleestaal’ naar grammaticaal goed geschreven taal. Maar die voorlezer is er niet voor niets ingeslopen, dus aan ‘schrijf grammaticaal correct’ heb je misschien niet genoeg om de taal van de innerlijke voorlezer recht te trekken. Hier zijn nog wat aanvullende tips:

* Een voorlezer heeft mensen die actief luisteren. Denk aan de kleuter bij het voorlezen:
“En wie stond daar achter de boom?”
“De wolf,” maakt de jongen de voorlezers zin af.

Je hebt als schrijver geen (luisterend) publiek. Schrijven is eenrichtingsverkeer. Je kan daarom niemand iets vragen en je hoeft ook geen antwoord te verwachten. Iets als: ‘Zou dat niet fantastisch zijn?’ wijst buiten een dialoog op een innerlijke voorlezer.

Verwacht geen (inter)actie of weerwoord van je lezer en schrijf er niet naar.

* Wees alert op twee zinnen of woorden achter elkaar die in wezen hetzelfde zeggen, zoals de verlaten, lege kamer.’ Dat is een innerlijke voorlezer, omdat die het belang van de kale kamer wil benadrukken.
Met goede sfeerbeschrijvingen kan je alsnog duidelijk maken waarom het belangrijk is of de sfeer bepaalt. Onderschat je lezer ook niet: die kan met verbeelding of logisch denken al heel wat zelf aanvullen.

* Kijk goed naar verwijzingen. Waar een luisteraar van een voorlezer nog met het hoofd bij een bepaalde scène kan zitten, is een lezer onbewust taalkundig veel meer bezig met wat die in de visuele zin voor het laatst gelezen heeft.
Begin dus niet zomaar een nieuwe alinea of een hoofdstuk met iets algemeens als ‘hij’. Zorg er in ieder geval voor dat er een overgang is tussen de (wit) regels of pagina als je op deze manier over iets of iemand anders schrijft dan voorheen. Vuisregel: na vier regels noem je het personage opnieuw bij de naam om verwarring met algemene verwijzingen te voorkomen.

Het is even werken, maar je kan de innerlijke voorlezen wegjagen. Succes!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan in mijn webshop voor mijn redactiediensten.

Foto door Adam Winger verkregen via Unsplash.


Plaats een reactie