Zo wordt de knappe romantische held óók de held van het verhaal

“Wat is -ie knap…”  “Zo’n gave huid heb ik nog nooit gezien…” Als personages voor elkaar vallen, zien ze altijd wel iets aan het uiterlijk van de ander wat ze méér dan goed bevalt. Zo goed zelfs, dat de valkuil bestaat om dat de hele basis van het verhaal te maken. Het prachtige uiterlijk, of de roze wolk. Maar die aantrekkingskracht is geen verhaal, maar een gegeven. En van alleen een gegeven kan je geen goed verhaal schrijven. Maar hoe schrijf je dan over de eerste fase van verliefdheid waarin je personages helemaal hoteldebotel zijn?

De roze wolk is tijdelijk

De fase waarin je personages op een roze wolk zitten moet ook echt een fase zijn. Dat is misschien wel de allerbelangrijkste regel die je moet onthouden als je een romantisch koppel in je verhaal hebt. Als je ooit verliefd bent geweest, weet je dat de ander  – of zelfs maar de gedachte aan diegene-  al je tijd, gedachten en acties kunnen bepalen. In een boek is dat niet anders. Het plot komt op de rem te staan, je leert de personages niet kennen… Even zwijmelen is leuk. In een romantisch verhaal moet dat zelfs ook enige tijd. Maar als je de lezer alleen maar laat zwijmelen, zal die uiteindelijk alsnog om een teiltje vragen.

Uiterlijk is het minst van alles

“Uiterlijk is ook niet alles”. Dat heb je in het echte leven vast wel eens gehoord als het gaat om wie een ideale partner vormt. Er zijn ook nog kwaliteiten als gevoel voor humor, een goedaardig karakter en nog veel meer. Waar in het dagelijks leven uiterlijk niet alles is, is het in een goed boek misschien wel het minst belangrijke van alles. Uiterlijk kan geen compleet plot vormen, voor een spanningsboog zorgen of een thema verder uitdiepen. Andere eigenschappen kunnen dat wel. Zelfs een standaard eigenschap als ‘vriendelijkheid’ is stukken dynamischer voor een verhaal. Want voor wie is je personage aardig? En voor wie niet? Waarom wel of niet?

Waak ervoor, zeker in zwijmelverhalen, dat je uiterlijk niet te veel gewicht geeft. Dat gebeurt sneller dan je denkt en schoonheid alleen kan een verhaal zelden tot nooit zelfstandig dragen.

Waar valt je personage op?

Als je jouw Romeo echt voor Julia wil laten vallen, is het een goede eerste stap om te kijken wat hij wil en nodig heeft. Anders gezegd: wat zijn zijn drijfveren? En hoe hebben die betrekking op het centraal conflict en het plotverloop? Als Romeo niet de slimste is, kan hij – afhankelijk van hoe je je verhaal wil invullen –  zich aangetrokken voelen tot iemand met veel hersens. Of juist niet: liever heeft Romeo iemand van zijn zelfde intelligentieniveau, zodat hij zich niet minderwaardig hoeft te voelen.

Op die manier kan Romeo later niet alleen in Julia’s prachtige ogen verdrinken, maar ook een steun en toeverlaat in haar vinden. Of iemand die samen met hem hetzelfde leerproces aan kan gaan. In het zoeken naar de romantische voorkeuren van je personage moet je niet overhaast te werk gaan.

Dit is de perfecte partner voor je papieren held

Als je van begin af aan je personage serieus neemt en naar de unieke wensen luistert, is daar veel origineels te behalen. Laat je beslissing van de wederhelft helemaal aan je papieren held over, dan bestaat de kans dat die met een Mary Sue op de proppen komt. Hou ook je plot in de gaten. Dit proces is wikken en wegen en kost meer tijd en moeite dan je misschien zou denken. Neem die tijd er toch voor, want zo schrijf je uiteindelijk een romantisch koppel dat om de goede redenen niet snel vergeten zal worden door je lezers.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Shamim Nakhaei verkregen via Unsplash

Zo begin je met schrijven aan jouw Romeo en Julia

Het liefdesverhaal. Je vindt het niet alleen terug in het romantische genre, maar het komt in vrijwel ieder verhaal terug, al is het maar als subplot. Daardoor is het misschien wel een van de moeilijkste verhalen om te schrijven. Het is al miljoenen keren verteld. Wil je dat jouw Romeo en Julia dan nog aanspreken, dan moet je het dus goed doen. En dat begint al aan de tekentafel.

Wie is Romeo eigenlijk? En Julia?

Uiteindelijk wil je dat Romeo en Julia met elkaar eindigen, al is het maar omdat dat idee het uitgangspunt van het hele boek vormt. Maar als je nog met de eerste schetsen van het boek bezig bent, kan dat een blinde vlek worden. Je denkt dan misschien al niet meer in Romeo en Julia, maar eerder Romeo-en-Julia, als een verweven begrip, personages die niet meer los van elkaar kunnen of hoeven bestaan. Maar die welbekende valkuil is er meteen een die ervoor zorgt dat je romance gedoemd is om ofwel te mislukken, of de dertiende in het dozijn te worden.

Een eigen persoontje

Vergeet nooit, in het hele schrijfproces niet, dat Romeo en Julia hoe dan ook hun eigen persoontje zijn. Voorbestemd om met elkaar te eindigen? Misschien. Maar waak ervoor dat je ‘voor elkaar gemaakt’ niet te letterlijk gaat nemen. Zorg er dus voor dat – als het even kan –  je de personagebiografie van Romeo uitwerkt voor je aan die van Julia begint. Wees er in ieder geval alert op dat de naam ‘Julia’ daarin niet gaat overheersen.
Verwerk daarin dus dingen als: welke studie wil Romeo volgen? Wat zou hij doen met een miljoen? Dingen waar je je best voor moet doen om daar Julia in te verwerken. ‘Hij wil een studie ‘Julia veroveren’ volgen’. Kom op…

Maar pas ook op bij zaken waarin het (op een bepaald moment) in het plot logisch zou zijn om Julia te vernoemen: zijn grootste angst is om Julia kwijt te raken. Dat kan, schrijf het ook op. Maar zeker bij het schrijven van een romantisch verhaal is het verstandig om ook de pre-Julia angst op te schrijven: hij is bang om zijn leiderspositie in het voetbalteam te verliezen. Dit zijn punten die zowel jou als schrijver als de lezer laten kennismaken met een Romeo die – met of zonder Julia –  een persoonlijkheid heeft. Nog beter: eentje die meer is dan die van een stuk karton.

Gezamenlijke relatie, gezamenlijk plot

Er gaat een moment komen in het plot waarin Romeo en Julia verliefd worden en hun afzonderlijke verhaallijnen met elkaar versmelten. Kijk er in de fase van de tekentafel goed naar hoe je dat kan laten gebeuren zonder dat het voor de lezer duidelijk is dat je alleen maar wil dat er een koppel in het verhaal komt. Romeo mag dus niet op straat tegen Julia botsten en de dure vaas breekt. Kopje koffie om het goed te maken, elkaar diep in de ogen kijken en voilà! Vergeet dat maar. Tenzij… de vaas een erfstuk is van een geliefde oudtante, ze het tijdens het koffiedrinken praten over overleden geliefden die belangrijk voor ze zijn en erachter komen dat ze allebei door gewelddadige ouders zijn opgevoed en er een ander familielid voor hen is opgekomen. Maar dan ben je al een belangrijke stap verder. Dan is er de eerste vonk vanwege herkenning of een interesse naar elkaar vanwege persoonlijke geschiedenis of karakter. Het commando van Cupido gaat dan niet meer op. En als je zonder dat commando kan schrijven, heb je de eerste belangrijke basis van het schrijven van een romantische relatie te pakken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Danie Franco verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een sfeerbepalend detail

Show don’t tell en sfeeromschrijvingen ten spijt: soms ontkom je er niet aan en verandert een detail het beeld wat je probeert te omschrijven compleet. Zo gebruik je een detail om je verhaal op zijn kop en een lezer op het verkeerde been te zetten.

Casus: bewoner van het mooie huis

Laatst liep ik door de stad en zag ik een lieflijk oud huis, wat paste bij de charme van de stad. Het huis had iets onschuldigs en een mooi onderhouden voortuintje met een schattig wit hekje. In mijn verbeelding woonde daar een lief oud vrouwtje, wat in haar jonge jaren een schoonheid en het middelpunt van de sociale hoge kringen van de stad was geweest. Dadelijk zou de deur opengaan en de geur van versgebakken koekjes naar buiten komen drijven. Toen zag ik de echte bewoner in het raam: een oude, goedgeklede en zeer norse man, wiens hele voorkomen de indruk dat hij meteen de politie zou bellen als ik een krasje op zijn lieflijke hekje zou achterlaten.
Daar ging mijn verbeelding van het aardige vrouwtje, maar ook die van het huis moest eraan geloven. Het was niet langer een huis waarin koekjes werden gebakken, maar een fort voor de stadselite, waarin men dagelijks de duurste wijnen drinkt tijdens ego-strelende gesprekken over hoe de hele cultuur van de stad in elkaar zou donderden als zij er niet waren met hun slimme ideeën en bulkende bankrekeningen.

Dag, inspiratie voor een verhaal met een lieflijk huisje in de binnenstad als voornaamste setting…

Roep een sterke verbeelding op voor een goede sfeerbepaling

Als je in een verhaal zo’n sterke draai wil maken met de toon of het plotverloop, moet je eerst zorgen dat de basis die niet lijkt te kloppen, heel stevig staat. Daarvoor is de belangrijkste vraag: wat is er al bewezen?
Kijk daarvoor naar je personage of naar de tropes die je gebruikt.

Als andere personages je hoofdpersoon een held noemen, moet die dus meerdere keren een kat uit een boom gered hebben, of iemand uit een brandend huis hebben gehaald. Met andere woorden: je moet een bewijs hebben van meerdere relatief kleine acties of van een actie die zo groot is dat het die ‘status’ voor eens een voor altijd kan bewijzen.

Voor tropes moet je goed in de gaten houden wat de meer algemene aanname daarvan is. Neem een groot huis. Daar zullen wel rijke mensen in wonen. Theoretisch gezien kan het ook zo zijn dat daar meerdere gezinnen onder een dak wonen, met een heleboel kinderen. Of dat er in dat huis niet een woning, maar misschien wel tien woningen zijn: er zijn meerdere studio’s in gebouwd om meerdere studenten en alleenstaanden te kunnen huisvesten. Maar de eerste, meer logische aanname blijft dat een groot huis bij rijkelui hoort. Zorg ervoor dat in het geval van tropes die een onverwachte wending gaan krijgen, de basis in ieder geval stevig staat. Anders schept dat alleen maar verwarring.

Schrijf een puzzelstukje met een aanloop

Na de stevige basis kan je aan de eerste introductie van het bepalende detail gaan beginnen. Maar doe dat wel achter de schermen: de lezer mag nog niet in de gaten hebben dat je aan een ‘groter plan’ aan het werken bent. Zie het als de aanzet voor een plottwist. Uiteindelijk moet er iets verrassends in het verhaal gebeuren, maar het moet niet te duidelijk worden dat het daarop uitdraait, anders is het effect ervan weg. Een plottwist heeft puzzelstukjes, een bepalend detail heeft dat niet. Tenminste niet in de zin dat er voor de lezer (achteraf) een puzzel te maken is. Er is wel degelijk een puzzel, maar die zit niet zozeer in acties, motieven en uitspraken, zoals bij een moordmysterie. In plaats daarvan moet je het zoeken in waar in het plot je op dat moment de aandacht op vestigt, op de sfeeromschrijving en de aannames en gedachten van je personages op het moment dat het bepalende detail in beeld komt.

In het voorbeeld van het huis kan mijn persona bijvoorbeeld een scène eerder:

  • zich hebben afgevraagd wat geld al dan niet voor status en hebzucht oproept
  • gedroomd hebben van een vakantie in een gebied vol met pittoreske huisjes
  • bij oma op bezoek zijn geweest
  • een woonmagazine hebben doorgebladerd en nieuwe plannen hebben gemaakt voor de inrichting van de tuin, met óók een lieflijk hekje
  • een film hebben gezien waarin een groep elite rijkelui gemeen is tegen minderbedeelden

In die zin heeft je puzzelstukje niet zozeer een echte opbouw, waarna verschillende andere puzzelstukjes volgen. Het is eerder een aanloop, niet groter dan een scène of twee, drie – al dan niet verspreid door je boek-.

Geruststelling of gruwel

In de voorbeelden hierboven zie je twee mogelijkheden. Het sfeerbepalende detail gaat ofwel in op het verknallen van de verwachtingen van de verwachte trope -hier woont een lieve oma- of het gaat verder in op dat zaadje van gemene, hebzuchtige rijkelui dat je eerder plantte. In beide gevallen zal het een schok bij de lezer teweegbrengen en de sfeer laten omslaan. In het eerste geval komt dat omdat je de geruststelling van een zekere voorspelbaarheid wegneemt. Als gewoontedieren hebben mensen er behoefte aan dat alles min of meer loopt zoals we verwachten. En als er dan geen lief omaatje in het lieflijke huis woont…
In het tweede geval wordt het nare onderbuikgevoel van de lezer bevestigd. Dat heb jij teweeg gebracht met het eerdere zaadje. Maar omdat het een bevestiging is van iets naars – arrogantie, hebzucht of iets anders wat je liever niet ziet- lijkt toch te bestaan of in je verhaal mee te spelen. En dan ook nog op een moment dat de lezer dat niet per se verwacht. Dat zet de lezer (onbewust) op scherp: als de schrijver dit huis al kan laten toebehoren aan een boze, rijke man, terwijl het voor oma hoort te zijn, wat voor vervelende of spannende dingen staat me dan nog meer te wachten?

Speel op deze manier met details en je verhaalbasis, spanningsboog en verdere plotverloop worden extra spannend!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door David Tip via Unsplash

Schrijven voor kinderen: alles als avontuur

Kinderen ontwikkelen zich in fases, en zo lezen zij ook in fases. Eerst wordt het voorgelezen, dan gaat het zelf de basis voor lezen en spellen leren daarna volgen algauw de ‘echte boeken’. Bij beginnende lezers zijn dit nog eenvoudige verhalen, aan het einde van de basisschool kunnen er al serieuze avonturen worden beleefd. Maar ongeacht de precieze leeftijd is ‘avontuur’ een fijn woord om als houvast te gebruiken als je voor kinderen schrijft.

De wereld in fases ontdekken

Hoewel je dat het best kan zien bij zeer jongere kinderen, zijn kinderen van allerlei leeftijden bezig om de wereld te ontdekken. Dat gaat samen met een zekere honger naar avontuur. Als een kind net leert lopen, is gaan en staan waar je wil het avontuur, voor een peuter is dat naar school gaan en voor een achtste groeper is dat het schoolkamp. Misschien wel voor het eerst in een stapelbed of een slaapzaal en stiekem plannen maken om de jongens of de meisjes ’s avonds te gaan bezoeken als de leiding niet kijkt.

Zo heeft iedere leeftijdsfase in de kindertijd zijn eigen avonturen. Avonturen die, als je er met een volwassen oog naar kijkt niet het noemen of zelfs maar het opmerken waard zijn. Lopen? Daar denken we niet bij na. En naar school? Dat is de kinderlijke versie van werken. Volwassenen met een ‘saaie kantoorbaan’ hebben daar niet vaak zin in: een kleuter staat te springen om naar school te gaan. En die slaapzalen tijdens het schoolkamp in groep 8? Sommige volwassenen vinden een slaapzaal in een hostel tijdens het backpacken nog oké, anderen willen daar nog niet dood gevonden worden….

Gewenning of ontwikkeling

Bovenstaande avontuurlijke instelling van kinderen kan je als schrijver op twee manieren bekijken. Vanuit het oogpunt van gewenning, zoals dat het voor volwassenen niet meer interessant is om je te continu te verwonderen over het feit dat je kan lopen. Maar ook ontwikkeling speelt hierbij een rol. Kinderen kunnen steeds meer dingen bevatten of doen naarmate ze ontwikkelen, maar gedurende de kindertijd is er nog altijd wel iets nieuws om te ontdekken.

Daarbij komt ook nog het punt dat kinderen zich emotioneel relatief langzaam ontwikkelen. Het is niet voor niets zo dat ‘je gedraagt je als een puber’ een belediging is om te zeggen dat iemand te snel zijn slof schiet, niet bij de wensen van anderen stilstaat, of koppig is. En dan is de puberteit de fase ná de kindertijd. Anders gezegd: kinderen kunnen nog niet zoveel emoties voelen of identificeren als volwassenen. Dus daardoor zijn psychologische romans niet voor hen geschikt. Dat is misschien een open deur. Anderzijds moet je je ook bedenken dat je kinderen tekort doet als je doet als ze ‘nog niets snappen’. Want alleen omdat een vierjarige verdrietig is omdat die niet buiten kan spelen en de tienjarige huilt omdat die de sportselectie niet haalt, zouden ze niet begrijpen wat verdriet is…? Kinderen kunnen wel degelijk van alles voelen, maar dat beperkt zich tot een context (van begrip) die relatief beperkt is, omdat hun wereld nog kleiner is.

Als avontuur zich overal verstopt…

Kinderen kijken dus met een blik van avontuur naar hun alledaagse leven. Zodra ze iets ouder zijn, treedt er voor hen ook gewenning op. Waar de zesjarige zich nog over letters en cijfers kan verwonderen, is een kind van tien daar al aan gewend. Maar als het om belevingswereld gaat, zijn ze nog altijd in meer of mindere mate vol verwondering over relatief alledaagse dingen, of staan dromen en fantasieën die volwassenen als naïef kunnen bestempelen nog op de voorgrond. ‘Als ik later groot ben, vlieg ik naar Mars.’ ‘Er moet een einde worden gemaakt aan honger in de wereld.’ Er is nog zoveel te ontdekken, doen of op te lossen in de wereld, dat zien kinderen als een avontuur, zij het misschien niet in de traditionele zin van het woord.

Als je die avontuurlijke instelling samen met de (emotionele) ontwikkeling als uitgangspunt neemt, wordt het een stuk makkelijk om een schrijfstijl te bepalen die gericht is op kinderen:

  • Er is altijd wel iets nieuws te ontdekken
    De ene keer is dat een nieuwe speeltuin, de andere keer is het leren hoe je een boomhut maakt.
  • De meeste dingen die een kind meemaakt vindt het interessant, omdat die helpen zich te ontwikkelen
    Vrienden maken, op vakantie en daarmee het onbekende tegemoet gaan, sporten en daarmee bewegen en je energie kwijtkunnen, iets nieuws leren en je belevingswereld verbreden…
  • Iets hoeft niet ingewikkeld te zijn om interessant te zijn
    Sterker nog: met de relatief ‘simpele’ emoties die een kind wel kan voelen, voelt die ze ook sterker. Dus je hoeft niet over een enge ziekte te schrijven om een kind verdriet te bezorgen: ‘je kan niet mee op schoolkamp nu je je been hebt gebroken’ volstaat.
  • Iets is interessant als het inspeelt op de emotionele beleving
    Daarom is griezelen zo leuk voor wat oudere kinderen. Ze weten echt wel dat spoken niet bestaan, maar daar haal je de emotionele beleving van spanning bij een goed kampvuurverhaal niet mee weg.
  • De situatie moet herkenbaar zijn
    Schrijf daarom liever over de pestkop op het speelplein dan over de onderdrukker in een oorlog. Kinderen kunnen empathie voelen voor anderen, maar daarvoor moet de context van de situatie wel duidelijk voor ze zijn, anders wordt het te hoog gegrepen. Dat wil overigens niet zeggen dat helemaal niet over ingewikkelde zaken mag schrijven. Maar dan moet je er wel voor zorgen dat het ingewikkelde terug wordt gebracht naar een begrijpelijke basis.
    De jongen in de gestreepte pyjama is hier een uitstekend voorbeeld van. De achtjarige Bruno maakt de Tweede Oorlog van heel dichtbij mee. Toch begrijpt hij niet wat er gebeurt. De lezer leest vervolgens hoe hij Hitler maar een schreeuwlelijk vindt en hem daarom niet mag. Of dat hij tegen zijn Joodse vriendje zegt dat hij net als zijn vader soldaat wil worden, omdat hij in zijn onschuld en onbegrip denkt dat vaders nu eenmaal altijd eervol werk doen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Klim Sergeev verkregen via Unsplash

Zo schrijf je een tranentrekker: laat de lezer bijna huilen

Een tranentrekker als doel voor je boek is heel erg link. Je gaat uit van het idee dat je lezer als vanzelf meeleeft als de gebeurtenis maar dramatisch is. Zo houdt je geen rekening met het feit dat iedereen zo zijn eigen belevingen heeft, en dus ook andere dingen heeft die de betreffende persoon aan het huilen maakt. Dus als opzichzelfstaand doel is het niet zo’n goed idee. Je kan beter als uitgangspunt nemen waar de reden om (uiteindelijk) te huilen vandaan komt en dat goed uitwerken.

Waarom komen de tranen?

Laten we eerst eens kijken waarom er uiteindelijk tranen komen. Nee, niet wanneer je ‘emotioneel wordt’ , dat moment waarop je daadwerkelijk huilt. Los van de eigenlijke reden waarom je huilt – verdriet, woede, blijdschap…- De emotie komt eerst, het huilen daarna. Het verschil zit hem in een kantelpunt.

Je huilt omdat je hersens de emoties niet meer aankunnen

Denk eens even na wat je zegt als je zegt ‘emotioneel te worden’. Eigenlijk is het een stom synoniem voor huilen. Niet alleen komt huilen daarmee in een taboehoekje, maar je zegt daarmee ook zoveel als: ‘pas als ik in tranen uitbarst, voel ik de emotie (van verdriet)’, wat natuurlijk niet zo is. Misschien is huilen een 8 of 9 op de tienpuntschaal van verdriet, maar zeker niet het enig mogelijke cijfer daarop. Dat klinkt misschien pietluttig, tot je bedenkt dat er tranen komen op het moment dat je hersens zodanig overweldigd of overprikkeld zijn door de emotie. Dan vormen tranen een manier om de druk van de ketel te halen. Het zou poëtischer zijn om te zeggen dat je hart de emoties niet aankan, maar zet de hersens hier aan het roer, en je leert iets wat je spanningsboog sterk kan maken.

Zorg voor een emotionele spanningsboog

Denk aan een emotioneel heftige scène: de dokter brengt slecht nieuws:
“Het is kanker.”
“Wat is de prognose?”
“Drie maanden, zonder kans op genezing.”

Wel heel erg steriel, nietwaar? Laten we er eens wat meer regieaanwijzingen aan besteden:

“Het is kanker,’ zei de dokter zacht. Hij durfde geen oogcontact te maken.
Amir slikte. “Wat is de prognose?” vroeg hij hakkelend.
“Drie maanden, zonder kans op genezing, ” antwoorde de arts.
Amir barstte in huilen uit.

Dat is ‘m nog steeds niet, hè? En toch is er middels show don’t tell al wat aan emotie beschreven, bij zowel dokter als patiënt. Het zit het hem er natuurlijk in dat dit tempo veel te hoog ligt. Er is geen moment van echte bezinning. Amir is ook maar een mens. Hij gaat echt niet in een paar seconden dit noodlot accepteren, begrijpen of zelfs maar beseffen wat de dokter hier zegt. In een filmscène zou je hier een paar tellen de camera op zijn gezicht gericht zien terwijl dat vreselijke nieuws begint te dagen. Deze momenten van ‘close-ups’ , waarin de dokter aarzelt om de prognose uit te spreken en waarop Amir het nieuws tot zich door laat dringen, vormen een emotionele spanningsboog.

De lezer die bijna huilt is beter dan een die daadwerkelijk huilt

Het is als lezer pijnlijker om met Amir mee te leven in die pijnlijke seconden van opkomend besef dan dat het is om hem te zien huilen als het nieuws echt tot hem doordringt. In die seconden dat Amir bijna huilt – dan wel omdat hij de puzzelstukjes in elkaar past, of omdat hij zich groothoudt in het bijzijn van de arts- leeft de lezer als de opbouw goed geschreven is mee met alles wat op dat moment door Amirs hoofd schiet. Is er echt geen kans op overleving? Wat moeten mijn vrouw en kinderen dan? Had ik dit kunnen voorkomen? Waarom ik?
Dat zijn heel rauwe, pijnlijke vragen. En daarvan vraag je in zekere zin van de lezer dat die die pijn met Amir meevoelt. In dat opzicht is dat dus emotioneel veel heftiger dan het eigenlijke moment van huilen. Dus wordt de lezer daar veel meer door gegrepen. Dit geldt niet alleen voor verdriet, maar ook voor woede, blijdschap, paniek, dankbaarheid, wat het dan ook is waardoor je personage uiteindelijk door gaat huilen.

Daarom is dit moment van bijna-huilen waardevoller voor jou als schrijver dan het effect van het echte huilen. Als is het maar omdat wat in het hoofd van het personage speelt altijd een vraag betreft. Gebeurt deze nachtmerrie echt? Is dit mij echt gegund? Heeft die rotzak dat nou echt gezegd? Bestaat er echt zoiets moois? En die vraag moet jij als schrijver beantwoorden met een ‘ja’. Ja, en dus ga je dood, Ja, en dus komt je droom uit. Ja, en dus wil jij nu waarschijnlijk wraak gaan nemen. Kortom: Ja, en daarom gaat het verhaal hierna nog verder en gebeurt er iets noemenswaardigs. Met andere woorden: de lezer kan zich verheugen op een volgend interessant plotpunt.

Als de tranen komen…

…is dat, vanuit de ‘hersenlogica’ dus het moment van de ontlading. En zo kan je dat ook het best benaderen als je moment met tranen beschrijft. Het hoge woord, hoe goed of kwaad ook, is eruit. Daar mag even bij stilgestaan worden. Je huilt immers niet voor niets: je zit aan een bepaalde emotionele taks. Maar wil je dat moment ook krachtig houden, hou het dan bij het observeren van het moment, niet bij het hoe, wat waar, wanneer of waarom. Dat heb je hiervoor als het goed is al beschreven en de uitwerking daarvan komt in de scènes hierna ook weer terug.

Wees niet bang om je personages te laten huilen. Houd alleen wel voor ogen dat je lezer aan het huilen willen maken, op zichzelf geen doel op zich zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk meer van een ontlading dan van het meeleven in een moment zelf. Als je wil dat je lezer gaat huilen, mik je meer op de pijnpunten van de lezer. “Jij hebt kanker van dichtbij meegemaakt, dus dit gaat jou raken.” Je kan beter mikken op empathie van de lezer. “Ik wil dat je om Amir gaat geven en (bijna) gaat huilen, omdat juist hij een vreselijke diagnose krijgt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Photo door n 🎈 verkregen via Unsplash.

Voelen versus tasten: het verschil tussen een show en een tell

Zintuigelijk schrijven helpt de lezer om op een persoonlijke manier mee te leven met de held van het verhaal. Je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort dan precies wat er in de papieren wereld gebeurt. Het is het verschil tussen het welbekende ‘show’ en ‘tell’ uit het ‘show don’t tell’-principe. Maar in deze context zijn niet alle zintuigen aan elkaar gelijk. In deze post bekijken we het verschil tussen voelen en tasten.

Waarom moet je zintuigelijk schrijven?

Als mens ervaren we de wereld via onze zintuigen: je hoort een vogel zingen, waarna je van zijn zang geniet. En je ziet, ruikt of proeft dat het eten bedorven is, waardoor je het niet meer eet. Zelfs iets simpels als tikken op het toetsenbord kunnen we niet zonder het gebruik van zintuigen, ook al gaat dat minder bewust. Je voelt de vingers op de toetsen, je kijkt op het scherm welke toetsen je hebt ingedrukt. Zintuigen zijn het gereedschap om de wereld te beleven. En zo gaat de poort naar je fictieve wereld steeds verder open voor je lezer als je daar slim gebruik van maakt. Anders blijf je de observeerder van een verhaal, in plaats van de belever. (Let op het gebruik van de cursieve woorden.)

Zintuigen als sfeeromschrijvers

Omdat zintuigelijke omschrijvingen je meenemen in de beleefwereld van je personage, zijn het soms hele sfeeromschrijvers. Met name reuk en smaak lenen zich hier uitstekend voor, omdat de meeste schrijvers er niet aan denken om ze te gebruiken. Dat komt omdat reuk en smaak vrij moeilijk zijn om zodanig specifiek te omschrijven dat het nog beeldend is. We weten immers allemaal dat poep stinkt en dat limonade zoet smaakt, dus wat kan je daar nog mee, zo lijkt de gedachte. Nee, dan wijken we maar uit naar het woord voelen. ‘Want er zijn zo veel emoties die je kan voelen, dus dan is er aan sfeeromschrijving uit die hoek geen gebrek.’ En daar begint een denkfout die ten koste kan gaan van je schrijverskwaliteit.

Het verschil tussen voelen en tasten

Vul de zin: ‘Ik voel me…’ eens aan. Waarschijnlijk kom je na een paar minuten op enkele tientallen mogelijke woorden uit. Als je een personage dus heel veel laat voelen, dan leef je wel met hem mee, toch? Je wil immers weten wat er in het hoofd omgaat en dus ook hoe hij zich voelt. Dat klopt. Maar hier komt het belangrijke verschil in betekenis tussen tasten en voelen. Althans, zoals ik dat verschil in deze blogpost ga gebruiken.

Voelen betreft de emotie op zichzelf. Tast gaat over hoe die emotie zich uit, of hoe het personage dat beleeft.

Dus je personage voelt zich verdrietig, maar voelt met de vingers hoe de natte tranen over de wangen lopen, als hij die aanraakt. ‘Voelen’ betreft in het laatste deel van de zin dan tast. Je moet hier een beetje voor beelddenken, maar vraag je eens af: Als mijn personage diens emoties letterlijk kon aanraken, hoe zou dat dan voelen, in de tastzin van het woord? Je kan vrij letterlijk denken, zoals in het voorbeeld van tranen kunnen aanraken, maar ook meer figuurlijk. Zo kan schuldgevoel bijvoorbeeld aanvoelen als het strijken van schuurpapier langs de huid.

Voelen en tasten binnen ‘show don’t tell’

Je ziet waarschijnlijk nu wel dat het emotionele voelen veel gevoeliger is voor tell dan de tastzin, die van zichzelf wat meer show in zich heeft. Bij het gebruik van het woord ‘voelen’ zijn schrijvers sneller geneigd om (te lang) stil te staan bij de mededeling dat het personage zich blij/ verdrietig/ jaloers/ beschaamd voelt. Je kan de gevolgen daarvan zeker als show don’t tell gebruiken. Dat werkt zelfs heel goed. Het is ontzettend spannend om te zien hoe de jaloerse ex de nieuwe vriendin stalkt. Maar de emotie an sich en de momentopname waarop je die beschrijft, zijn op zichzelf maar kort interessant. Maak je in plaats daarvan gebruik van de tastzin, dan wordt de tekst juist erg beeldend. Vergelijk eens:

‘Valerie voelt zich rot’ met ‘Valerie voelt een monster aan de binnenkant van haar maag knagen.’ Precies het verschil tussen show en tell.

Beeldende tekst met tastzin

Je ziet dat je tastzin kan gebruiken om een tekst beeldender te maken. Maar niet iedere schrijfstijl leent zich daarvoor en bij overmatig gebruik van tastzin als een beleving van een emotie kan een tekst ook weer te bloemig worden. Je hoeft dus zeker niet iedere emotionele beleving te vervangen door meer beeldende tastzin. Maar wees je ervan bewust dat ‘ik voel me’ sneller dan je zou denken een holle frase wordt.

Tastzin in de gebruikelijke zin van het woord blijft echter wel een mooie manier om de zintuigelijke beleving van je personage wat meer kleur te geven. Het feit blijft dat met name zien en (emotioneel) voelen relatief veel vaker gebruikt worden en ook minder zeggend zijn, omdat ze zo recht voor hun raap zijn. Ruiken, proeven en tastzin daarentegen zijn daardoor verfrissend. Ze zijn meer van de show dan van de tell en zijn door hun ‘underdogpositie’ ook extra opvallend als ze worden gebruikt om iets te omschrijven.

Een goed voorbeeld is een intieme of romantische scène. Schrijf je voor de zoveelste keer over die emotionele vlinders in de buik, of wordt je wat creatiever en kijk je wie je voor je hebt? Zo kan je schrijven over de ruwe stoppels van Romeo hoe dat prikt op de huid van Julia. (De buurman heeft geen stoppels, dus die kan (deze) Romeo niet zijn.) Of hoe Romeo met zijn zachte vingers over de blote buik van Julia streelt. Dat leest heel wat intiemer dan een (innerlijke) monoloog van Julia waarin ze beschrijft hoe geliefd, verliefd en geborgen ze zich voelt bij Romeo.

Zoals altijd blijft schrijven maatwerk, dus ook bij het gebruik van voelen en tasten. Maar vergeet dus de volgende keer niet om dat kostbare gereedschap van tastzin aan je schrijversgereeedschapskist toe te voegen als je een scène met letterlijk of figuurlijk veel gevoel wil schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cameron Ahlvers verkregen via Unsplash

Personage en paradox: zo gaan ze samen in een boek

Als je een clichépersonage wilt vermijden, is de paradox een goed uitgangspunt. Die laat zien dat niemand eenzijdig is en dus ook niet voorspelbaar of als een uitgesproken typetje reageert. Maar er komt een moment in dat zoeken naar diepgang waarbij je niet meer weet of iets paradoxaal is, of gewoon niet meer klopt. Zo kun je te werk gaan om dat probleem op te lossen.

Welke emoties spelen er en wanneer spelen ze?

Een paradox speelt als er twee dingen tegelijk gebeuren die los van elkaar, elkaar lijken uit te sluiten. Dankbaarheid en verdriet, bijvoorbeeld. Dankbaarheid maakt je blij, verdriet juist niet. Maar toch kan je na een mooie vakantie zowel blij of dankbaar zijn dat je hem heb gehad en ook verdrietig zijn dat hij over is.
Dat moment in het vliegtuig is een heel specifieke momentopname: je zweeft tussen twee bestemmingen in. Niet meer thuis, maar ook niet meer op de vakantieplaats. Dat tussen twee momenten of gevoelens inzweven is wat de paradox mogelijk maakt.

Was je nog aan het strand een cocktail aan het drinken, dan was je waarschijnlijk alleen maar blij of dankbaar. En thuis als de eerste keer de wekker voor de werkdag gaat, neemt verdriet (of een mopperbui) die dankbaarheid waarschijnlijk wel weer weg. Bij een paradox spelen dus twee dingen tegelijk spelen die zo verschillend van elkaar zijn dat het onmogelijk is om te beweren dat je de bijbehorende emoties zowel zwartwit als los van elkaar kan zien. Wat op ieder ander moment, tijd, of plaats of emotionele setting, wel had gekund, als de omstandigheden net iets anders waren. Verander een van deze factoren en je ziet dat de paradox verdwijnt. Als je dus met een paradox in je verhaal wil werken, moet je dus eerst een heel duidelijk beeld krijgen van het ‘wanneer/ waar’ en het (emotionele) ‘wat’.

Toen, in die situatie…

Een paradox kijkt dus als het ware terug op een moment of een situatie die op dat moment niet speelt, maar die herinnering eraan wel oproept. Je zit in het vliegtuig van vakantie terug naar huis niet langer aan het strand met de cocktail, maar je denkt daaraan terug. Dat mengt zich met de emotie van van nu of straks. “Als ik weer aan het werk moet…” waardoor de paradox ontstaat.

Dat vergelijken met het gevoel dat hier en nu speelt en het terugblikken op of een gevoel hebben bij een andere situatie kan ook paradoxen opleveren bij meer morele scenario’s. Zo kan iemand met engelengeduld onmiddellijk diens geduld verliezen als die een persoon tegenkomt die grotere, vervelende emoties oproepen. Dat rechtvaardigt dus uitspraken als: “Ik heb engelengeduld, behalve als ik mensen onrechtvaardig behandeld zie worden. Dan schiet ik meteen uit mijn slof!” De vervelende woede die de ‘herinnering’ of de situatie van onrechtvaardigheid oproept, staat dan in contrast met het meer fijne geduld.

Tegenstrijdigheden en paradox

Bovenstaande voorbeelden helpen je om makkelijker te zien wanneer iets echt niet kan en tegenstrijdig is, en wanneer iets paradoxaal kan zijn. Neem het voorbeeld van ‘deze milieubewuste chauffeur heeft drie auto’s, waaronder een Hummer’. Een Hummer is geen milieuvriendelijk voertuig. Nooit, hoe de situatie ook verandert of hoe emotioneel je er ook bij betrokken bent. Ook al noem je hem liefkozend Hummie, hij gaat echt niet eens op gras lopen als je hem een extra wasbeurt geeft. De mogelijkheid om in emoties veranderlijkheid te zien, laat zien dat er een paradox mogelijk is.

Hoe maak en vind ik paradoxen in mijn personage?

Paradoxen zijn dus complex: hoera, complexe personages zijn meestal de meest interessante om over te lezen! Als je een diepzinnig personage wil schrijven, helpt het dus om je personage zodanig divers te maken dat er tegenstrijdigheden lijken te zijn als je ze opgesomd in de personagebiografie zou lezen. Bijvoorbeeld
– Is dol op haar Romeo en zegt niet zonder hem te kunnen
– Kan Romeo niet luchten of zien wanneer hij weer eens over ijshockey begint

“Ik kan niet met en niet zonder jou”, is grammaticaal een tegenstrijdigheid. Maar waarschijnlijk kennen we allemaal wel zo’n stelletje. Maar dat kan dus omdat er emotie en gevoel bij deze paradox komt kijken. Ik voel me helemaal op mijn gemak bij jou als ik bij je ben, maar ik kan je wel schieten -woede en dus emotie- als je je rotzooi weer eens laat slingeren.

Je kan proberen paradoxen te maken als je een personage gaat ontwerpen, of je kan ze proberen te bespeuren als je al een biografie met de bullet points hebt gemaakt. Zodra je een paradox opmerkt, ga dan eens na welke emotie achter dit gegeven of in deze situatie (op)speelt.
– Ze is gek op Romeo ( ze voelt liefde)
– Als Romeo over ijshockey begint, berg je dan maar.
* Julia kan zich tekortgedaan voelen, omdat ze dan minder aandacht krijgt
* Julia denkt terug aan die keer dat ze gewond raakte tijdens ijshockey en daar zit nog een onverwerkt trauma achter
* Julia kan zich eenzaam voelen: Romeo heeft een heel stel ijshockeyvrienden, maar Julia heeft geen hechte vriendengroep waarmee ze eenzelfde hobby kan delen

enzovoorts.

Zodra je weet wat er tussen de regels door staat over een relatief simpel gegeven, kan je daar allerlei kanten mee op of nieuwe vragen bij stellen. Denk aan: weet Romeo van Julia’s ijshockeyongeluk of is dat haar grote geheim? Wat doet dat met hun relatie? Of: als Julia zo eenzaam is: in hoeverre moet je dat in het centrale conflict meenemen, of kan je er misschien een of het verhaalthema van maken?

Je ziet dat je zo vragen krijgt die dieper op de personage ingaan. Dat is iets wat de paradox afdwingt. Als je dus een personage hebt met de nodige paradoxen, moet je er haast je best voor doen om dat nog cliché te maken.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 愚木混株 cdd20 verkregen via Unsplash

Is mijn personage cliché? Test het met de paradox

Een van de eerste voorwaarden van een goed personage is dat het echt moet lijken. Dat het iemand is waarvan je gelooft dat die in het echt ook zou kunnen bestaan. Toch kan het voelen alsof je personage een cliché is zodra het een of meerdere specifieke kenmerken heeft. Met de paradox als uitgangspunt kan je peilen of je personage levensecht lijkt, of misschien toch nog meer als een cliché of trope.

Wat maakt clichés in personages zo lastig te vermijden?

Een wandelend cliché herken je met de ogen dicht. Een overdreven popperig meisje heeft natuurlijk vlechtjes met róze strikjes en lakschoentjes. Hup, schoentjes en vlechten uit, regenlaarsjes aan en de vrolijke glimlach houden. Klaar met het cliché: het meisje is nog steeds schattig, maar niet overdreven lieflijk. Clichés zijn echter zelden zo makkelijk te verminderen. Al is het maar omdat je denkt: o jee, mag mijn personage nu geen boekenworm meer zijn? Dan is het meteen een nerd en dus cliché. Zo zwartwit is het niet: een boekenworm blijft een trope. Maar als je eenmaal alert bent op clichés kan je wel zo gaan overdenken, hopend om die clichés toch maar te vermijden. Daar komt de truc van de paradox om de hoek kijken.

De pracht van de paradox bij het schrijven van personages

Je vraagt een personage een karaktertrek te omschrijven. Het zegt:
“Ik heb engelengeduld, behalve als ik mensen onrechtvaardig behandeld zie worden. Dan schiet ik meteen uit mijn slof!”
“Dat is niet echt geduldig dan…”
“Ja, maar in iedere andere situatie ben ik zó geduldig dat andere mensen zeggen dat ik wat meer van me af zou moeten bijten, voor mezelf op moet komen, of in de actie moet overgaan…”

Dit personage liegt niet: die laatste bewering geeft blijk van engelengeduld. Tegelijkertijd is het niet echt geduldig om meteen kwaad te worden, ongeacht de situatie. Beide beweringen zijn waar: dat is de paradox. Het is een situatie waarin schijnbaar tegenovergestelde dingen tegelijkertijd waar zijn. Onthoud ‘schijnbaar’, want dat geeft een belangrijk nuanceverschil aan.
De ‘ja maar’ die je hier ziet, is wat je kan gebruiken om te paradox bloot te leggen. Als je personage met de ‘ja maar’ niet in de verdedigingsmodus schiet: – Ja maar, ik ben echt wel een engeltje hoor, wat wil je dan? Dat ik alles maar slik?- , maar oprecht kan aanstrepen waarom het een het ander niet uitsluit, is dat het eerste teken dat je personage niet zo cliché is als je misschien denkt. Mensen (en levensechte personages) zijn namelijk nooit makkelijk in één hokje te stoppen en reageren anders aan de hand van verschillende situaties.

Paradox als emotie

Brené Brown is een sociale wetenschapster die emoties onderzoekt. In een van haar boeken stelt ze een paar dingen die interessant zijn voor het onderzoeken van wanneer iets cliché is of niet:

  • Er zijn 87 verschillende emoties
  • ‘Paradox’ is geen emotie, maar heeft daar wel een sterke samenhang mee.
  • Gemiddeld kunnen mensen van die 87 emoties er maar drie (!) benoemen: blij, verdrietig en boos.
  • Als je een emotie niet kan benoemen, kan je het ook niet zo makkelijk ‘los’ voelen, of überhaupt begrijpen.

Wat heeft dat met ons ‘clichéprobleem’ te maken? Als jij of de lezer niet inziet dat iets paradoxaal kan zijn, doe je – zou je kunnen stellen- een bepaalde emotionele beleving tekort. Vanwege een paradox is de kans groot dat iets tegenstrijdigs heel goed kan bestaan, maar dat je door te weinig begrip van de situatie of emotie je gewoon er de vinger niet op kan leggen waarom dat niet kan. Maar dat is wel belangrijk om het cliché te kunnen omzetten naar een oprechte belevenis, anders blijft het aan de oppervlakte waar diepgang nodig is. Anders zou ons geduldige personage ofwel altijd en overal geduld voor moeten hebben, of altijd onmiddellijk in de aanvalmodus moeten gaan als iets niets meteen naar behoren verloopt.

Verschillen in emoties opmerken

Het belang van het begrijpen van verschillende emoties -of brillen van waarheid of beleving– en daar onderscheid in kunnen maken, zie je terug in dit heftige, maar duidelijke voorbeeld. Als een geliefde een lang en vreselijk ziekbed heeft gehad, ben je natuurlijk verdrietig als die uiteindelijk overlijdt. Maar die andere emotie van de paradox? Als je slechts die drie basisemoties begrijpt, dan zou je zeggen dat je blij bent dat je geliefde gestorven is. Dat klinkt bijna alsof je nu met een feestmuts op rondloopt. Natuurlijk is ‘opluchting’ hier passender: er is een einde aan een lijden. Maar als ‘opluchting’ niet in je (emotionele) woordenboek staat, dan wordt een broodnodige paradox onmogelijk om te omschrijven. Dan moet je alsnog je toevlucht zoeken tot iets oppervlakkigs en wordt je personage cliché. Of je schrijft iets wat gewoon echt niet kan. Blij en verdrietig dat iemand overlijdt… Dat klopt gewoon niet. Waar ‘blij’ schijnbaar eerst nog lijkt te kloppen, zolang het alternatief ‘opgelucht’ nog niet is genoemd, past ‘blijdschap’ echt niet meer zodra ‘opluchting’ – als beter alternatief- voorbij gekomen is of wel in het woordenboek van een lezer staat.

Dat ‘betere alternatief’ zoeken is essentieel voor het schrijven van iets paradoxaals. Niet alleen worden je verhaal en je personage er diepgaander van, het voorkomt ook dat je gaat schrijven over dingen die elkaar (duidelijk) tegenspreken. Denk aan dingen als:
– deze milieubewuste chauffeur heeft drie auto’s, waaronder een Hummer.
– ik let op mijn gewicht: daarom eet ik alles waar ik zin in heb.
– hij blijft het liefst in Nederland: daarom gaat hij ieder jaar op vakantie naar Azië.

Deze voorbeelden zijn natuurlijk overduidelijk geen paradoxen, maar gewoon tegenstrijdig. Maar in de praktijk is het onderscheid tussen een paradox en een tegenstrijdigheid soms moeilijk te zien, laat staan te schrijven.

Daarom volgt er volgende week een blogpost die hier verder op ingaat. Als je alvast aan de slag wil gaan met deze tips, kan je het volgende doen:

  • Schrijf alle emoties op die je kan benoemen. Neem rustig de tijd 😉
  • Schrijf een aantal paradoxen op en noem daarbij welke emoties er spelen. Noteer ook waarom er sprake is van juist die emoties en waarom de situatie nog steeds kan bestaan of ‘klopt’.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 愚木混株 cdd20 verkregen via Unsplash.

Zo kan je infodumps makkelijker schrappen: de praktijk

Een infodump ontstaat als je informatie wil delen voor een bepaalde context, maar daarin uiteindelijk doorslaat. De kunst is om te weten waar die scheidingslijn zit tussen nodige en overbodige informatie. Daarvoor moet je het doel van de scène kennen, in kunnen schatten waar de interesse van je lezer op dat moment ligt en of en hoe eventuele andere zaken tussen de regels door (al) iets duidelijk maken.

De laagjes van een infodump

Een infodump bestaat als het ware uit een stel laagjes informatie. De eerste informatie is belangrijk voor beeldvorming, maar hoe meer laagjes je tegenkomt, hoe groter de kans is dat je in details verzandt. Er is geen vuistregel voor een cijfer dat aangeeft wanneer iets van informatie naar een dump overgaat. Uitzondering daarop zijn opsommingen met bijvoeglijke naamwoorden: houd idealiter twee, maximaal drie stukjes informatie aan in een lopende tekst: De jonge, blonde, slanke, vrouw. Rijk, lomp, wat er dan nog meer achter mag komen, moet je dan maar voor een volgende beschrijving bewaren.

Vertel eens wat je de lezer wil laten beleven…

Wat je bij de laagjes van een infodump moet bedenken is wat je ermee wil vertellen, in plaats van wat je wil laten zien of bewijzen. Daarbij moet je het grote plaatje van je verhaal in het achterhoofd kunnen houden Kijk eens naar de tabel:

Bewijs/ laat zien dat…ResultaatVertel eens…Resultaat
Dit een mooie man isHij had vrolijke ogen, een zelfverzekerde uitstraling een goede bouw en gespierde armenWaarom je personage deze man mooi vindt (schoonheid is subjectief!)Zijn vrolijke ogen leken op die van zijn opa en die spieren… Kreeg Arnoud maar zo’n resultaat van al die uren in de sportschool!
Dit huis oud isDe planken kraakten als je erover liep, de ramen waren kapot, en het behang was gescheurdWaarom je personage in dit oude huis moet zijnDie krakende vloer en al die spinnenwebben…Valerie zou blij zijn als ze de mysterieuze brief had gevonden
Een douche verkwikkend isJe huid is zacht, je ruikt fris, en je bent weer alertwaarom je personage zich zo vies voelt of extra fris wil zijn en de douche daardoor een uitgesproken verkwikkend moment wordt, in plaats van een routineHeerlijk, die zachte huid na wat luxe douchegel. Erika was benieuwd of Freddy de geur ervan lekker zou vinden en of hij zou merken hoe zacht haar huid was als hij die zou aanraken
deze oorlog gruwelijk isEr waren duizenden doden, overal was paniek en geweld was aan de orde van de daghoe de gruwelen van deze oorlog je personage persoonlijk rakenAlex voelde zijn maaginhoud naar boven komen na het zien van de stapel lijken. Toen hij dichtbij een geweerschot hoorde, maakte hij zich uit de voeten.

Merk op dat je een aantal schrijftechnieken in de ‘vertelkolom’ kan terugvinden, zoals show don’t tell en sfeeromschrijvingen. Maar het kan je ook iets vertellen over dingen die je in de personagebiografie hebt staan, zoals de doelen of angsten van je personage. Arnoud is misschien bang om slap te zijn, of anders heeft hij gewoon als doel om spieren te kweken en als vrolijke ogen hem aan opa doen denken, is zijn grootvader waarschijnlijk belangrijk voor hem. Andere keren worden dingen uit het plot duidelijk: Valerie heeft een mysterie op te lossen en Erika is verliefd en/of verheugd zich op een romantische dag. Met dit uitgangspunt schrijf je meer over een belevenis dan over feiten, en dat leest altijd prettiger.

Vergis je niet: je hoeft niet alle ‘droge informatie’ meteen in een show don’t tell te gieten of weg te laten. Stukjes informatie zijn ook gewoon nodig om een snel beeld van de situatie te schetsen. Zie je dat die er nog steeds staan bij de resultaten van de vertelkolom? Maar als je gaat nadenken waarom je informatie überhaupt opschrijft is het makkelijker te herkennen wanneer je van info naar dump gaat.

‘Dump’ voorkomen

Vul de bovenstaande tabel zelf eens in voor je scène of je zin. Stel jezelf daarbij de volgende vragen:

* Waarover moet deze informatie vooral iets zeggen: het plot, het personage, de omgeving, de omstandigheden…?
Probeer de informatie uit de categorieën die niet gelden in deze zin of scène te verwijderen of te verminderen.
* Wat weet de lezer al? Lees: heb je al vaker genoemd dat deze held mager is? Of misschien is je informatie gewoon algemene kennis: ‘de hoofdstad Amsterdam’. Tenzij echt benadrukt moet worden dat Amsterdam de hoofdstad van Nederland is, mag ‘hoofdstad’ weg.
* Moet de lezer dit per se weten? Is het essentieel dat de lezer weet dat je held zwarte haren heeft, of mag de haarkleur aan de verbeelding van de lezer worden overgelaten? Is het niet belangrijk, schrap het dan, of zorg ervoor dat je de informatie zoveel mogelijk spreidt. Is het wel belangrijk, bedenk dan:
– Moet de lezer dit ook (allemaal) nú weten? (Lees: in deze zin?) Zo ja, zet die informatie dan vooraan in je opsomming. Zo niet, spreid de informatie dan in je tekst of zet de informatie verder achteraan.
– Hoeveel context is er nog nodig of heb je al gegeven?
* Wat is belangrijk vanuit de beleving van je personage op dit moment? Je lezer kijkt door de ogen van je personage naar de wereld in het boek. Als het personage dan iets niet (meer) registreert, of opmerkt, hoeft de lezer dat meestal ook niet te weten. Als ik jou vraag om je bank te beschrijven, doe je dat waarschijnlijk ook met twee of drie bijvoeglijke naamwoorden. Personages zijn geen magische wezens wiens zintuigen zes keer meer registeren dan die van echte mensen. Dus ook daarom hoef je een bank niet met zeven kenmerken te omschrijven. Zie het zo:


Infodump op papier voor de lezer is hetzelfde als zintuigelijke overprikkeling in het hoofd van een personage

Zo zou je een heel eind moeten komen met het herkennen en zelfstandig schrappen van infodumps. Succes!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Clarissa Watson verkregen via Unsplash.

Zo kan je infodumps makkelijker schrappen: introductie

Infodumps zetten de tekst op slot, omdat er informatie blijft komen die helemaal niet belangrijk is voor de tekst. Soms is infodump makkelijk te herkennen, maar andere keren is het wat lastiger. Heb je een infodump voor je neus, of is het toch nog belangrijke informatie? Deze blogpost geeft een introductie over een manier die je kan gebruiken om de relevantie van de informatie in je tekst te peilen.

Korte uitleg over infodumps

Een uitgebreide introductie over infodump vindt je hier, maar kort gezegd is een infodump: informatie die niet nodig is in een tekst, omdat die te veel op details ingaat. Een makkelijk voorbeeld is het beschrijven van het uiterlijk van een personage. Je kan simpelweg zeggen dat je personage een haviksneus heeft en een magere lichaamsbouw. Je kan ook nog de oog-en haarkleur, sproetjes op de armen, lengte, gewicht, donkerte van de wenkbrauwen meenemen. Maar dan is de lezer bezig met informatie te sorteren, in plaats van een beeld te vormen van het uiterlijk. Op die manier kan een infodump je tekst helemaal verpesten. Maar soms is het lastig om te zien of een stukje informatie een infodump is of iets wat je wel moet melden voor die beeldvorming. Om dat te weten, moet je vooral beseffen wat de informatie is die je wil delen en die je moet delen. Een handig middel daarbij is om het doel van je tekst goed in de gaten te houden.

Casus: dure kersenbloesemdouchemousse

Ik ben helemaal ondersteboven van kersenbloesems. Mijn moeder heeft een tas voor me gemaakt met dat patroontje, er zit kersenbloesem in mijn bedrijfslogo verwerkt en ik word warm vanbinnen als ik ook maar één kerselaar in bloei zie staan. Dus toen ik van een vriendin een luxe kersenbloesemdouchemousse cadeau kreeg, was ik helemaal blij.

Ik had geen marketingpraatjes nodig om me erop te verheugen de eerste keer te douchen met die mousse. Het zou een ‘goedkope imitatie’ van een kersenbloesembeleving zijn. Maar hé, als ik al vrolijk word bij het zien van een centimeter knutseltape waar een kersenbloesempatroon op staat, dan was een goedkope imitatie ook vast genoeg om blij van te worden, toch? Gek genoeg niet. De mousse zelf was heerlijk zacht op de huid, maar dat kersenbloesemgedeelte, daar was niks bijzonders aan. Ik was er zelf verbaasd over. Ik besloot daarom eens te kijken wat die fles mij allemaal beloofde. Het kwam neer op: ‘Zenjapan’ uit een fles: ultieme rust en wijsheid en de majesteit van de Fujiberg, onder het genot van zacht strelende kersenbloesemgeur’.

Vriend… Het ging mij om die bloesem. Ik weet niet wat je allemaal uit de Fujiberg hebt proberen te schrapen, maar ergens is dat blijkbaar – voor mij in ieder geval- ten koste gegaan van de bloesems. Dat was genoeg geweest: die opsmuk heb ik niet nodig. Bloesems zijn van zichzelf al tof genoeg!

Op de fles van mijn minder speciale douchegel zonder kersenbloesemgeurtje staat: ‘Voor een voelbaar zachte huid en een verfrissend gevoel.’ Een beetje marketingtaal misschien, maar niet overdreven veel. Klanten moeten natuurlijk wel zeker weten dat deze douchegel in ieder geval je huid reinigt en dat je niet stinkt na het gebruik ervan ;).

Wat maakt info? Wat maakt dump?

Als je van een redacteur hoort dat er infodump in je tekst staat, of je bij je eigen tekst opmerkt dat je veel feitelijke informatie deelt of uitzonderlijk veel woorden gebruikt om een sfeer te omschrijven dan moet je dus gaan schrappen met die informatie. Maar wat is het infogedeelte van je schrijfsel en wanneer is het een dump? Mijn douchegels zijn een goede spiekbrief. Laten we het eens in stappen doorlopen. Stel dat je ongelooflijk vies bent: je bent in je badkleding een modderpoel gevallen, en die modder is nu opgedroogd. Denk aan Jochem Meijer: je bent een ‘stinkende bastognekoek’. Dan wil je je wassen en maakt het niet uit hoe luxe de zeep is. Sterker nog: douchemousse is dan misschien luxe, maar daar kan je je niet echt goed mee schrobben en dat is vast wel nodig. Dan is een ouderwets stuk zeep nog wel het handigst. Dat brengt ons bij de vraag Wat moet zeep nou eigenlijk doen, en in welke volgorde? Zeep moet:

  1. schoonmaken / hygiëne bieden
  2. je niet meer laten stinken
  3. de huid zacht achterlaten. Als die Bastognekoek weg moet, zal je huid misschien wel rood en geïrriteerd zijn na flink schrobben. Niet fijn, maar je bent tenminste schoon.
  4. je lekker laten ruiken. Lees: naar kersenbloemens, of gewoon fris.
  5. eventueel nog de majesteit van Mount Fuji kunnen oproepen. Lees: met deze zeep voelt douchen als een uitgesproken luxe momentje, om wat voor reden dan ook.

Deze ‘opbouw’ werkt ook in het schrijven van scènes. Waar de scène ook over gaat, of uiteindelijk naartoe gaat, de basis van de informatie die je deelt, is vrijwel altijd hetzelfde.

Het verschil tussen info en dump is niet altijd even makkelijk te zien. Waar het de ene keer gewoon belangrijk is dat je schoon uit de douche komt, is het voor een avondje uit ook fijn als je uitgesproken lekker fris ruikt voor je de deur uit gaat.

Dat is met een scène schrijven net zo. Is het belangrijk om te weten waarom deze Julia zo mooi is in de ogen van onze held? Je moet wel íets van vlinders laten zien, want je wordt niet zomaar verliefd. Op zijn allerminst zijn er mooie ogen in het spel. Daar kan je het in theorie bij laten, dan heb je de basis ‘info’. (Vrijwel) alles daarna wordt een ‘dump’ als het doel van de scène moet zijn dat Cupido schijnbaar willekeurig een voltreffer heeft gemaakt. Maar als Julia de eerste is die onze held een blik waardig keurt nadat hij door zijn vriendengroep is uitgespuugd om een misverstand en zich vreselijk eenzaam voelt, dan zal Julia als vanzelf nog mooier lijken en vallen ook haar mooie lippen en zachte handen op.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

In deze post kijken we naar praktijkvoorbeelden voor het bepalen of iets ‘info’ is, en wanneer iets een ‘dump’ wordt.

Foto door ian dooley via Unsplash