De persona van je personage: de praktijk

Als je personage een masker heeft dat het hele verhaal mee moet gaan, moet je goed kijken naar de invulling van de drie-aktenstructuur en hoe vlot je held de heldenreis kan voltooien. In hoeverre bepaalt een persona de het tempo waarin je held zich door het verhaal beweegt?

De reis van twee helden?

In de inleiding op deze post kon je al lezen dat een personage met een persona bijna twee verschillende levens lijkt te leiden. Als je de heldenreis dan uit wil werken, is de vraag: in hoeverre moet je het leven van de persona, dat masker uitwerken? Wordt je verhaal een verslag van een façade met twee verhaallijnen, waarin elk hoofdstuk de naam van ofwel je personage ofwel van het persona krijgt? Hou je het masker als geheim achter voor de lezer, of verklap je dat juist meteen, zodat de lezer weet wat er voor je personage op het spel staat?
Dat zijn allemaal mogelijkheden en creatieve keuzes waar jouw voorkeur bepalend is.

Let op: het uitgangspunt blijft dat je over één held schrijft en dat die ook centraal blijft staan. Je schrijft dus altijd met Cythia uit de inleiding als leidraad voor de basis. Niet over Cynthia en Cindy als afzonderlijke personen: dat zijn ze immers niet. Daar wordt je verhaalstructuur alleen maar rommelig van. Maar nog steeds is Cindy onlosmakelijk verbonden met Cynthia: dat vormt het centrale conflict, of op zijn minst een zeer belangrijk subplot. Waar en hoe geef je dat dan vorm?

Geef voorrang aan het masker

Als je personage een zeer hardnekkige persona heeft, moet je ongeacht je creatieve keuze in ieder geval het masker zelf introduceren en daar de nodige aandacht aan te besteden. Uiteindelijk bestaat de heldenreis in dit geval voornamelijk uit het principe van afpellen, dus dan moet de lezer wel weten wat er voor het personage af te pellen valt.
Neem dus de tijd om dat masker te introduceren en doe het ook goed.
In termen van de drie-aktenstructuur: als het proces van afpellen het verlaten van de comfortzone is, dan moet je daarvóór het personage al heel goed hebben uitgewerkt.

Maar dan is daar het probleem dat de comfortzone stap twee van de vijftien is. Je krijgt een enorm dikke pil als je eerst uitgebreid op je personage in moet gaan zoals het zich voordoet met het masker op en je daarna pas obstakels en clues mag introduceren… In dit verhaal is de drie-aktenstructuur dus niet zo strak als gewoonlijk. Of liever: het heeft een heel apart tempo en zelf ook meerdere laagjes.

Het eerste, langzame laagje

Als eerst werk je het masker zelf uit. Schrijf dus over hoe ‘Cindy’ zichtbaar is: wat doet Cynthia om zich uit de vuurlinie te houden? Welke vrienden verzamelt ze om zich heen? Wat zegt ze? En wat vreest ze dat ontdekt wordt?
Neem dat als apart drie-aktenstructuurschema mee en neem daar relatief alle tijd van de wereld voor. Laat in die periode zien hoe Cynthia zegt dat ze van haar lang zal ze leven niet in een hostel zou willen overnachten. Beneden haar stand, natuurlijk. In een stapelbed slapen met vreemden in dezelfde zaal? Nee! Terwijl ze dat eigenlijk dolgraag wil: wat een avontuur! Het is belangrijk om dat wel degelijk tussen de regels door te laten blijken, anders maak je van Cynthia en Cindy twee personen, in plaats van een vrouw met een masker op.
Werk op deze manier een complete, maar compacte structuur uit. Laat de clues terugkomen, zorg voor obstakels, de crisis.. Maar werk het dus zodanig kort en klein uit dat de situatie als geheel dan wel ongemakkelijk mag zijn, hij is voor Cynthia nog wel in stand te houden. Denk bijvoorbeeld aan een mogelijkheid voor Cynthia om te gaan backpacken. Diep in haar hart schreeuwt ze van ja, maar het nee zeggen is alsnog relatief makkelijk: dat is nu eenmaal de gang van zaken en ze gaat er niet dood van als die trip niet doorgaat. Zo je wil: dat masker draagt ze al zo lang dat op die manier liegen niet moeilijk meer is.

De razendsnelle hoofdlaag

Maar er komt een moment dat het masker definitief van het gezicht van je personage valt en het geen mogelijkheid heeft om zich nog te verstoppen. Het nieuwe begin, tijd voor een nieuw drie-aktenschema.
Op dit moment valt de grond onder de voeten van je personage vandaan. Vergelijkbaar met het moment waarop je personage de grootste leugen eindelijk onder ogen ziet. Dan is de situatie voor je personage even niet meer te overzien, omdat die zo overweldigend is. Vertaald naar de aktenstructuur betekent dat zoiets als: nog voor je personage weet waar en hoe het zo ooit heeft kunnen beginnen, krijgt het meerdere obstakels te verduren en valt het alweer als het nog maar half lijkt te zijn opgestaan. Dit gaat in vergelijking met het eerste laagje dus razendsnel.

Waak ervoor dat alles duidelijk blijft: houd de structuur wel (enigszins) aan. In de acending action mag het ene obstakel wel vliegensvlug op het andere volgen, maar zorg wel dat ze niet door elkaar heen gaan lopen. Ook hier: zorg ervoor dat het geheel geen rommeltje wordt. Verwar snelheid ook zeker niet met een klein(er) woordenaantal. Denk eerder iets als: waar het tempo in het eerste laagje relatief voortkabbelde, moet ik nu een pageturner schrijven, waar de wet van actie-reactie de hoogste stand bereikt.
In dit gedeelte verdwijnt Cindy volledig uit beeld. Dat zou ergens een opluchting moeten zijn voor Cynthia, maar dat betekent waarschijnlijk ook dat ze vrienden gaat verliezen, misschien wel noodgedwongen en halsoverkop een nieuw huis moet zoeken (op een krappe huizenmarkt), haar baan kwijtraakt… dus er zijn genoeg obstakels, cues en dieptepunten te bedenken.

Maar als de climax van deze structuur dan is geweest, geef de lezer (en Cynthia) dan genoeg tijd om uit te drijven in de descending action. Zo kunnen zowel de lezer als Cynthia aan het einde opgelucht ademhalen dat aan het einde van de strijd er een ton aan gewicht van de schouders afvalt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Julio Rionaldo verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… iets vertrouwds

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… iets vertrouwds.

Dat vertrouwde van…

Iedereen heeft wel een voorwerp, ritueel, beeld of herinnering waarvan je vanbinnen heerlijk warm wordt. Dat ene kopje waar oma altijd uit dronk, je gezin dat op zondag altijd ging wandelen in het bos, of dat stuk speelgoed dat voor jou op zichzelf symbool staat voor je kindertijd.
Maar als je datzelfde simpelweg omschrijft als ‘oma´s kopje’ ‘een boswandeling’ of ‘Gameboy’ dan ziet een ander niet méér dan dat. Een kopje, een activiteit, speelgoed.
Als je iets vertrouwds niet toelicht, verliest het onmiddellijk zijn glans. Die glans kunnen vangen is essentieel om de ‘vertrouwde’ sfeer te kunnen beschrijven. Dus moet je dat abstracte eraan ook kunnen opmerken en observeren.  Waar zit hem dat dan in?

Gewenst en geborgen

Iets vertrouwds is iets gewensts, dus wat je graag doet of meemaakt. De factor die het plaatje afmaakt, is geborgenheid. Iets of iemand aan dit vertrouwde aspect gaf je een gevoel dat je welkom was, erbij hoorde. Bezoekjes aan oma die uitmonden in een kopje koffie, zijn niet vertrouwd meer op het moment dat oma bij de deur al commentaar geeft op wat je nou weer voor stoms hebt gedaan. De boswandeling is iets van het gezin, waar jij als volwaardig lid ook je plek of rol in hebt. En ja, die Gameboy was leuk vanwege de spelletjes, maar vooral omdat je je vrienden kon uitdagen wie het snelst de hoogste score kon halen: een wedstrijd tussen vrienden onderling. Vriendschap: datgene waar je je door een ander gezien en gehoord voelt.

Observeren van iets vertrouwds

Iets vertrouwds kan dus overduidelijk zijn – het is voor jou niet moeilijk om dat ene kopje van oma aan te wijzen te midden van alle andere kopjes. Andere keren is het in zekere zin onzichtbaar. Hoe weet jij nou of een boswandeling maken voor de ander vertrouwd is, of ‘gewoon’ een prettig tijdverdrijf?
Als het om voorwerpen gaat, kijk dan eens hoe voorzichtig diegene ermee omgaat. Oma’s kopje mag dus écht niet breken! Let ook vooral op de vertederde glimlach, die is vaak niet ver weg. Let ook op hoe iemand over het vertrouwde praat. Welke vele liefhebbende woorden worden ervoor gebruikt? De kans is groot dat diegene lang door blijft praten over wat vertrouwd is: er is per slot van rekening zoveel moois over te vertellen. (Lees: de emotionele waarde is groot.)
De reactie op iets vertrouwds kan ook veelzeggend zijn. Op een eng moment is iemand in paniek, maar zodra daar de vertrouwde vriend verschijnt, daalt de hartslag onmiddellijk. Dit soort reacties  brengt ons weer bij geborgenheid. Soms wéét je gewoon dat iets vertrouwd is voor een ander, omdat de geborgenheid (of liefde, zo je wil) ervan afstraalt. Wordt er (met elkaar) gelachen? Hoor je: “Wat heerlijk je weer eens te zien?” Doet de boswandelaar de ogen dicht om die onverwachte zonnestraal tot zich te nemen? Die voelt zich dan (tijdelijk) erg geborgen in deze omgeving.

Denk bij het observeren van geborgenheid en het vertrouwde vooral aan het ‘grote plaatje’. Jij weet misschien niet hoe het is om als ouder je kind in het weekend naar de sportwedstrijden te rijden. Die vertrouwde gezelligheid van kwebbelende kinderen op de achterbank is jou dan vreemd. Maar als je iedere week met je vaste vriendengroep gaat borrelen, zal je waarschijnlijk op de weg daarnaartoe hetzelfde, vertrouwde, verlangen voelen om snel bij het café te zijn. Daar kijk je ook naar uit: de geborgenheid van (die) vriendschap.   

Als je een blijdschap ziet die lijkt te zeggen: “hier heb ik naar uitgekeken,” of “Hier hoor ik thuis,”  dan observeer je waarschijnlijk iets vertrouwds.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Catalin Pop verkregen via Unsplash


Het masker en het conflict: de persona van je personage

Ieder personage heeft een confict: zelfvertrouwen krijgen, roem vergaren… Maar een personage dat vooral moet leren om zijn masker af te zetten, garandeert een mooie diepgang.

Een masker dragen

Iedereen, mens of personage, draagt in meer of mindere mate maskers. Dat bepaalt de manier waarop je je gedraagt omdat je denkt dat anderen en/of de maatschappij dat van je verwacht. Vaak, zo niet altijd, gebeurt dat omdat je wordt gegijzeld door het bedriegerssyndroom, of de angst dat het laten zien van de ware ik de grootste angst bewaarheid laat worden. Voor het schrijven van een personage is het erg interessant om te bedenken hoe hardnekkig dat masker is. Een heldenreis is nu eenmaal veel interessanter als die leest: Held moet zijn ketenen verbreken om zo in zijn eigen kracht te staan in plaats van het meer algemene en het minder sprekende Held moet uitgroeien tot een beter mens.

De beperkingen van een groot masker

Als je doet alsof je sinaasappelsap lekkerder vindt dan mangosap, omdat je niet degene wil zijn die ‘moeilijk doet’ door naar iets specifiekers te vragen op een sapjeskaart van een terras, is dat niet zo spannend. Dat is anders wanneer je dat soort maskers vrijwel altijd opzet om maar in de gratie van anderen te blijven. Als dat zo is, kan je jezelf af gaan vragen in hoeverre het naar verhouding nog spannend of zelfs belangrijk is of je personage wordt aangenomen op de universiteit of niet. Want wil je personage eigenlijk wel naar de universiteit, of wil dat masker dat? En als dat zo is, wat is dan nog meer schijn? Daar kan je een heel boek mee vullen, terwijl je beschrijft hoe je je personage - al dan niet uit ‘vrije wil’ – zich aanmeldt voor de universiteit. Daarmee sla je twee vliegen in een klap. Je hebt een centraal conflict, zoals altijd, maar je biedt ook een continue pageturner als het gaat om kennismaking met je personage. Dat is heel wat interessanter dan feitelijke informatie delen. Voor je personage biedt een goot masker een hoop beperkingen, voor jou als schrijver is het een goudmijntje!

De persona van je personage

Als je personage van maskers aan elkaar lijkt te hangen, dan kan je stellen dat het een persona heeft. Vrijwel niemand krijgt het authentieke karakter van je personage ooit te zien, omdat het persona stukken veiliger, leuker of gewenster is om aan de wereld te presenteren. Dan krijg je een personage als dit:

Cynthia komt uit welgestelde kringen, maar de poeha van het rijkeluiswereldje heeft ze nooit begrepen en ze voelt zich er ook erg ongemakkelijk bij. Ze heeft echter wel in de gaten dat goed voor de dag komen er een belangrijk onderdeel van is. Dus zet ze het masker op van ‘uiterlijk’: ze loopt in de duurste kleren, heeft de meest exclusieve tassen en natúúrlijk zijn haar, make-up en nagels te allen tijden onberispelijk verzorgd en onderhouden. De persona van Cynthia, Cindy, bepaalt daarmee haar hele leven. Soms kan het zover gaan dat zelfs Cynthia niet meer weet of bepaalde gedachten van haarzelf zijn, of dat ze Cindy hoort in haar hoofd. Of, iets wat minder klinkt als een psychologische stoornis en waarschijnlijk wat meer herkenbaar is: “Is mijn intuïtie (Cynthia) of mijn ego (Cindy) aan het woord?”

In theorie is Cynthia’s centrale conflict relatief eenvoudig en kan je dat ook zo laten: laat haar het spreekwoordelijke licht zien, vrienden maken buiten de rijkeluiswereld die niets om uiterlijk vertoon geven en voilà: Cynthia overwint haar heldenreis. Misschien zie je het eerste probleem al: dit verhaal is flinterdun en cliché. Maar heb je het tweede probleem al gespot? Als het zo simpel was, waarom heeft Cynthia dan niet eerder de stap gezet om de wereld van uiterlijk vertoon te verlaten? Natuurlijk, je moet een comfortzone durven te verlaten en obstakels uit de weg ruimen. En dat is niet zomaar gebeurd. Maar dan staat wel steeds Cynthia aan het roer. Als Cynthia zo bang is dat als ze Cindy uit haar leven verliest, omdat ze dan oprecht denkt dat ze geen leven meer hééft, dan is dat een gevalletje van: het risico van de comfortzone verlaten is gewoonweg te eng voor je personage: “Groeien? Ammehoela! Als ik er dood van ga…”

Oftewel: een masker dat zo groot is dat er een persona uit voortkomt is veel interessanter – en schrijftechnisch gezien ook handiger en overzichtelijker- als het niet een déél van het centrale conflict vormt, maar het dat ís.

Starten maar….?

Of je nu besluit om er uitgebreid over te schrijven of niet, het feit blijft dat de eerdergenoemde comfortzone voor Cynthia hoe dan ook (te) lastig is om te verlaten. En omdat dat essentieel is én die stap ver vooraan in de drie-aktenstructuur zit, blijft de vraag: hoe start je Cynthia’s verhaal dan?
Het simpele antwoord is: zoals altijd, alleen gaat het tempo van de heldenreis (let wel, je heldenreis, niet meteen je schrijfstijl of het verhaal zelf!) een stuk lager liggen.

Om een besef te krijgen van hoe hardnekkig de maskers zijn en hoe hard Cindy in Cynthia’s oor tettert, moet je lezer eerst weten wat Cynthia’s wereld is en erachter komen dan wel hints krijgen dat Cindy een (groot) deel van Cynthia’s leven bepaalt. Vervolgens moet ook nog duidelijk worden wat authentiek Cynthia is en wat de façade van Cindy en hoe zich dat tot elkaar verhoudt. Dat is nogal wat, toch? Nu hoeft dat niet allemaal vóór het verlaten van de comfortzone te gebeuren: Cynthia’s verhaal is wat dat betreft minder aan de vaste structuur onderhevig. Je zal vast begrijpen dat een obstakel overwinnen niet echt een overwinning is voor Cynthia als Cindy haar twee tellen later wijsmaakt dat dat geen overwonnen obstakel was, maar een sluwe val. Maar alsnog blijft Cynthia’s conflict er een van vallen en opstaan, zoals ze dat allemaal zijn.Dat gegeven kan je aanhouden als leidraad in een verder chaotisch lijkende structuur.

Volgende week gaan we de opzet van Cynthia’s verhalenstructuur wat van dichterbij bestuderen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Hush Naidoo Jade Photography verkregen via Unsplash.


De observerende schrijver: ik zie… nostalgie

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… nostalgie.

Nostalgie: verrijkend of verlammend

Wegdromen over hoe het vroeger was en hoe het toen beter was. We doen het allemaal wel eens. Het interessante eraan is dat nostalgie zowel verrijkend als verlammend kan zijn. Het kan verrijken als je met de vriendengroep van school van vroeger lacht over de avonturen die jullie toen beleefden. En dat het ergens wel jammer is dat grinniken over het gekke kapsel van de lerares Frans niet meer kan: doe dat nu met je baas en je bent ontslagen. Ach, waar is de jeugdige onschuld toch gebleven? Dat is onschuldig en kan leuke en luchtige situaties opleveren.

Maar zodra je zegt dat het vroeger beter was toen de leraren nog met een klap van de liniaal mochten dreigen, gaat er iets mis. Niet alleen omdat de tijden veranderd zijn en we zulk geweld niet meer goedkeuren. Ook omdat je herinnering aan iets naar verloop van tijd verandert of verkleurd raakt door de manier waarop je nu in het leven staat of naar het leven kijkt.

Als je nostalgisch wordt naar de strenge lerares Frans omdat ‘de mensen tegenwoordig zo soft zijn’, dan verblindt je nostalgie je ergens. Want kan je in alle eerlijkheid zeggen dat je het soms fijn vond om een klap met de liniaal te krijgen? Dat moet enorme pijn gedaan hebben! Je herinnering is verkleurd door de tijd of omdat je het vergelijkt met iets anders, in plaats van dat je naar het gegeven zelf kijkt. Nostalgie wordt dan verlammend, omdat je naar iets verlangt wat niet eens is wat het ooit was. Of datgene waar je over moppert, maakt het heden wel degelijk beter of makkelijker, al is het maar in bepaalde opzichten: “Vroeger was alles beter, want toen zat niet iedereen steeds op de telefoon te kijken.” Vervloekt zij de smartphone die je nu gebruikt om online boodschappen te bestellen en te navigeren in een onbekende omgeving!  

Kijken naar nostalgie

Als je iemand nostalgisch hoort spreken, vraag je dan eens af of het verrijkende of verlammende nostalgie betreft. Verrijkende nostalgie observeert iets van vroeger, en accepteert dat het voorbij is, hoe jammer ook. Verlammende nostalgie wil naar die tijd terug, accepteert niet dat de wereld is veranderd en ziet de nadelen van toen ook niet voor wat die waren.

Deze omgangen met nostalgie zijn handig om op te merken bij het schrijven van je personages. In hoeverre zijn ze bereid of zelfs maar in staat om hun comfortzone uit te komen? Als alles moet zoals vroeger, kijk je niet vooruit, terwijl een held juist vooruít moet gaan. En als je verlamd wordt door nostalgie, kan het zover gaan dat je wat anderen (anders) vinden, als harde onwaarheden afdoet. Wil je een held hebben die alleen helpt als die ander het eens is met zijn persoonlijke waarheid…?
Een held die wordt verlamd door nostalgie zal ook (te) veel moeite hebben met het vallen-en-opstaan-proces. Pas dus op dat verlammende nostalgie niet de overhand krijgt.

Nostalgie kan op verschillende momenten opduiken in verschillende vormen en maten. Kijk eens wat nostalgie oproept bij je personage en hoe het wegdroomt over ‘vroegah’. Hoe denkt en handelt je personage daardoor? Daar kan je meer uithalen dan je misschien denkt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Jon Tyson verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: het succes van een archetype

Er zijn boeken, films en series die generaties meegaan en de tand des tijds bijzonder goed doorstaan. Decennia na hun verschijning wordt er nog over gepraat of heeft het nog een trouwe schare fans. Zou het niet fantastisch zijn als jouw boek ook zo geliefd zou worden? Daarvoor moet je de kern van het succes kunnen ontrafelen. Een manier daarvoor is om de archetypen die in het verhaal spelen, eens goed onder de loep te nemen.

Wat is de functie van archetypen?

Archetypen zijn de gezichten en rollen die mensen en personages kunnen aannemen. In een verhaal als geheel, of in een bepaalde scène. Lees daar hier een inleiding over. Archetypen zijn een makkelijker manier om personen te kaderen in hun manier van doen, maar ze hebben nog een andere handige functie. Je kan ze namelijk ook zien als zien als tropes, die twee kanten van de spreekwoordelijke medaille in zich dragen. Zo zal een archetype zorger graag iemand helpen, maar de keerzijde daarvan is dat diegene misschien te veel waarde hecht aan het idee de helper te zijn, of doorslaat in het helpen en daarbij macht wil over de ander: niet langer helpen, maar controle uitoefenen.
Zo kan je archetypen niet alleen als losstaande trope zien, maar ook als bouwsteen om een complete en diepgaande heldenreis mee op poten te zetten. De zorgzame zuster krijgt bijvoorbeeld als centraal conflict mee dat ze moet leren dat ze óók nog (eigen)waarde heeft als ze niet kan helpen.

De ene kant maakt de andere

Het handige van archetypen bekijken als een gegeven met twee kanten, is dat die meestal niet zo vergezocht zijn en je dus relatief makkelijk kan raden wat de kanten (grofweg) zijn. Je intuïtie weet meestal wel waar je het antwoord moet zoeken. Als de ‘onschuldige’ altijd maar het veilige opzoekt, dan zal die in paniek raken bij gebrek aan controle (het bekende is immers veilig). En de Schepper zal wegkwijnen als die de creativiteit niet kwijt kan, of liever: geen veilige plek heeft voor expressie. Dan heb je een (centraal) conflict als die door iemand steevast de mond wordt gesnoerd wordt. Dat hoeft dan niet per se kritiek op de schilderkunst van je personage te zijn. Met die ene én andere kant kun je zo spelen om een sterk plot voor je verhaal te bedenken met genoeg balans tussen ‘goed’ en ‘slecht’ .

De kracht van archetypen

Archetypen zijn ontzettend bruikbaar omdat ze zo universeel zijn. Personages in een boek moeten een (of een klein aantal) archetypen wel extra sterk benadrukken, maar het zijn geen zaken die je als geheel onbekend zijn. Zelfs als je doorgaans braaf bent, en dus zeker niet het archetype Boef, dan heb je ongetwijfeld alsnog ooit het gevoel gehad dat je ergens in beperkt werd, en joeg je een gevoel van vrijheid na.
In dat opzicht zit ieder archetype in ieder mens. Het is dus zoeken naar die eigen ervaringen om ze volgens een soort uitgezoomd ‘own voice‘- principe een universeel verhaal te schrijven. Universele verhalen die zo herkenbaar en dus ook mooi zijn omdat we allemaal het schuitje kennen waar we met zijn allen wel eens in gezeten hebben of zitten. Dat is de kracht van op deze manier kijken naar of werken met archetypen: je schrijft altijd wel iets herkenbaars. Niet omdat je hoopt dat iemand een specifieke gebeurtenis heeft meegemaakt, maar omdat je erop rekent dat iemand zich ooit zo gevoelt heeft (in een bepaalde rol).

Oefening voor het opschrijfboekje

Nu je dit weet, is het een leerzame schrijfoefening om eens te kijken wat dan een ‘echte klassieker’ maakt. Hoogstwaarschijnlijk zitten er in het verhaal een aantal archetypen verstopt die niet alleen universeel zijn, zoals ‘gebruikelijk’, maar omdat daarmee ook grotere levensvragen worden verkend. Het is niet langer alleen een onbeantwoorde liefde, maar het verhaal vertelt ook erg rauw wat het betekent om die liefde te verliezen, of zonder liefde door het leven te gaan. Kijk eens of jij de diepgang van je favoriete klassieker kan ontrafelen aan de hand van de prominente archetypen in het verhaal.
Waarom is dit verhaal of personage zo diepzinnig? Of juist geen dertien in een dozijn, terwijl het dat op het eerste oog wel zo lijkt? Is dat omdat de zorger uit liefde denkt te handelen, terwijl het dat doet met het uitvoeren van controle?

Om je op weg te helpen, zijn hier wat vragen waarop je het antwoord kan zoeken:

  • Waarom worstelt juist de Wijze met zich niet genoeg voelen voor iemand, of een hoger doel?
  • Wat zou er gebeuren als de Held zijn (spreekwoordelijke) superkracht verliest? Hoe kan die dan nog groeien?
  • Waar zoekt de Minnaar écht naar? Lust of connectie? Ziet die dat verschil überhaupt en hoe handelt die ernaar?
  • Waarom wil de Magiër zo graag een stempel op iets drukken met behulp van macht? Wat voor gevolgen heeft dat? (Perkamentus uit Harry Potter is hier een goed voorbeeld van, zie daarvoor: ‘Harry potter en de relieken van de dood’, het laatste deel van de boekenreeks.)
  • Als de Boef naar vrijheid zoekt, breekt hij regels om dat te bereiken. Welke regels en codes zijn hem nog wel heilig? Is dat uit naam van iets niet opgelegd willen krijgen, of schuilt er nog iets achter? Wat dan?
  • Romeo in film X is oppervlakkig omdat hij alleen op uiterlijk valt. Romeo uit film Y doet dat ook, maar krijgt als conflict dat hij op intieme momenten ( nog) steeds aan zichzelf twijfelt. Wat zegt dat over hoe deze Romeo (zelf)liefde ervaart?
  • De Heerser wil diep vanbinnen ergens bij horen. Daarom is hij in boek X zo doodsbang om iemand te verliezen. Hoe compenseert hij dat en hoe prikt een ander personage daar misschien doorheen? En op welk moment?
  • Waarom is deze Held zo heldhaftig? Wat heeft hij voor spreekwoordelijke schaduwen moeten doorstaan om nu zo stevig in de schoenen te staan?

Als je die observaties meeneemt in je eigen verhaal, is de kans groot dat je een echte pageturner neer kan pennen!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Дмитрий Хрусталев-Григорьев via Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… (wan)hoop

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… (wan)hoop.

Hoopvol of vastklampen aan hoop?

Hoop is een vreemd verschijnsel. In een prettige context kan het datgene zijn wat je motiveert om iets te bereiken. In een meer benarde situatie is het nog steeds een houvast, maar dan wordt het gevoel eromheen al een stuk grimmiger: het laatste sprankje hoop is er omdat het er moét zijn om iets vol te houden. Dan voelt het al heel anders dan dat optimistische gevoel dat je binnenkort vast wel een mooie promotie gaat maken.

Hoe dan ook is hoop iets wat je ertoe beweegt om ervoor te gaan of om dóór te gaan, ongeacht de omstandigheden. Let er eens op hoe je hoop bij mensen ziet. Denk aan dingen als:

  • Niet opgeven en blijven proberen.
  • Motiverend blijven praten: “Je/ ik kan het!” “Rome is ook niet in één dag gebouwd.”
  • Iets proberen waarvan de kans van slagen klein is, zoals een loterijlot kopen.
  • Houding: loopt iemand met een (hoopvolle) rechte rug, of gaat diegene gebukt (misschien wel letterlijk) onder een ‘als-dit-niet-lukt-zie-ik-het-niet-meer-zitten-maar-het-moet-wel’-houding?

Zo kan je een personage unieke maniertjes en karaktertrekken geven door te kijken naar hoe diens relatie met hoop is.

Hoop behoud, vergaar of verlies je meestal al naar gelang hoe vaak je iets tegenzit of voor de wind gaat. Daarom kan je spreken van een tienpuntenschaal voor hoop. Het is handig om te weten waar op die schaal je held zich bevindt. Dan weet je ook hoe je de comfortzone realistisch op de heldenreis kan afstemmen: je held moet wel hoop hebben dat iets goed kan komen, anders is het vertrouwde verlaten voor het onbekende vaak te eng.

Wanhopige momenten

Dan is daar de tegenhanger: wanhoop. Die komt iedere held tegen in een verhaal, tijdens de crisis, Dat moment waarop de aarde onder de voeten verdwijnt. De een laat wanhoop blijken door te paniekeren, de ander wordt kwaad of bevriest. Kijk ook eens of die wanhoop zich naar binnen of naar buiten keert: krijgt iets of iemand anders de volle lading: “Het komt door … Als dit nu niet gebeurd was, dan…”  of krijgt je held last van verlammende interne monologen? “Ik weet niet wat ik moet doen?” “Help, ik ben zo onbekwaam!”
Wanhoop is van zichzelf heftig, maar ook dat komt in verschillende gradaties. Van het relatief onschuldige paniek – wanhopig op zoek naar je paspoort rommelen in je tas als je snel naar het vliegveld moet vertrekken –  tot iets extreems als een uitzichtloze depressie, omdat het leven zo wanhopig is dat het uitzichtloos lijkt. Zeker heftigere wanhoop komt in stappen, gaat er een verhaal aan vooraf. Kijk eens goed naar de eerder genoemde tekenen van verdriet, of woede of… zo weet je niet alleen een goede crisis te schrijven, als het moment daar is, maar ook de aanloop daar naartoe. Vergeet niet te bedenken naar welke vrienden je held al dan niet stapt of durft te stappen en wat dat met de beleving en mate van wanhoop doet.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Road Trip with Raj verkregen via Unsplash.

Zo wordt een regieaanwijzing een show don’t tell

Regieaanwijzingen zijn de manieren waarop je beschrijft hoe een personage praat, loopt, eet… Meestal zijn die niet zo veelzeggend en dienen ze vooral om te voorkomen dat je tig keer ‘zei ze’ ‘zei ze’ opschrijft. Maar soms, als de context een handje helpt, kan een goede regieaanwijzing een hele scène aanvullen of bepalen.

De meerwaarde van een regieaanwijzing

Een regieaanwijzing is net zo handig als hij riskant is. Overdaad schaadt, maar gebruik je hem goed, dan kan hij het verschil maken tussen een droge en heel erg levende tekst. De regieaanwijzing heeft hoe dan ook als voornaamste functie om een tekst levendig te maken. Van eindeloos lezen hoe een personage iets zegt, wordt een lezer niet blij. En als die ook eens een keer kan schrokken of knagen in plaats van ‘gewoon’ eten of een hap nemen, is dat wel zo fijn voor de beleving. Dat scheelt namelijk ook in het woordenaantal: ‘Hij schrokte zijn eten op.’ scheelt op den duur nogal met het uitgebreidere: ‘Hij viel hongerig op de boterham aan en at die met grote happen op.’

Show don’t tell in omschrijvingen en regieaanwijzingen

Zoals je hierboven misschien al opgemerkt hebt, heeft een regieaanwijzing van zichzelf ook een bepaalde mate van show don’t tell in zich. Je eten opschrokken gaat met meer intensiteit dan gewoon een hap nemen. Daarom werken ze heel goed om snel iets te verduidelijken. Gebruik je een regieaanwijzing zowat om iedere andere zin, dan wordt het erg vermoeiend om nog door te lezen: als je moet toekijken hoe iemand continu schreeuwt of sprint, is dat geen pretje. Daarom kan je maar beter de vuistregel aanhouden dat een regieaanwijzing geen goede manier is voor een show don’t tell. Tenzij je personage op een kruispunt staat wat betreft hetgeen er gebeurt en de reactie van de held bepalend is voor hoe die de scène of de sfeer ervan beleeft.

Karakter van het moment

Een personage heeft een heel eigen karakter. Zo zal het bijvoorbeeld makkelijk zijn mond opentrekken, of niet. Een meer vocaal personage zal dus niet aarzelen om “En wat dan nog?” te zeggen als het iets niet aanstaat. Die uitspraak getuigt van zichzelf ook al van lef. Toch?
Dat lijkt zo, maar dat hangt af van het moment. Want het kan inderdaad een antwoord zijn dat de held geeft op het moment dat het kritiek krijgt op het feit dat die zo vaak op de bank hangt.
Maar als het al een hoop ellende heeft doorstaan en er iemand naar de held toekomt met de boodschap: “Je moet in actie komen, anders ben je straks te laat voor de bus naar het personeelsuitje.”
Dan kan het personage ook iets denken als: wat kan mij het schelen? Een personeelsuitje dat niet doorgaat versus een geliefde die net ernstig ziek geworden is. Of: ik mag mijn collega’s toch niet.

Met andere woorden: waar iets op het ene moment overduidelijk naar iets lijkt te verwijzen als een show don’t tell, kan het op een ander moment, of in andere omstandigheden iets heel anders betekenen. Op zulke momenten kan een regieaanwijzing een goudmijntje zijn waarin je in een enkel woord een schat aan informatie bloot kan leggen.

Casus: indruk maken

Je schrijft over een verlegen jongen die al een hele tijd indruk wil maken op een meisje. Hij besluit daarom om zich heel anders te kleden dan normaal, in een stijl waarvan hij weet dat zij die mooi vindt, maar hij zich ongemakkelijk in voelt.  Het meisje merkt op dat de jongen zich op een dag in een veel stoerder vestje heeft gehesen:
“Hé, Ralf, wat heb jij ineens voor andere kleren aan?”
In Ralfs hoofd gaan nu tien alarmbellen tegelijk af. Vind ze het mooi? O help, ze praat nu ineens tegen me. Doet ze anders nooit. Is ze geïnteresseerd in mij of is dit toch een manier om mij proberen te jennen? Ze blijft populair, in films  zijn die meiden gemene types…
Wat eruit komt is: “Wat bedoel je daarmee?”
De lezer weet al wat er door Ralfs hoofd gaat, dat heb je net beschreven. Maar een enkele regieaanwijzing kan nu laten zien hoe Ralf daar uiteindelijk mee omgaat.
“Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij behoedzaam.
of: “Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij uitdagend.
Maakt hier een heel groot verschil. Het verschil tussen Ralf die verlegen, doch kwetsbaar is, waardoor een voorzichtige gesprekopening kan ontstaan en een Ralf die snibbig wordt in de hoop maar niet door de mand te hoeven vallen. Dat zou het meisje zomaar eens kunnen afschrikken.

Maar nog buiten hoe het meisje reageert: dit leert je veel over Ralf: als hij een conflict aan moet gaan, durft hij dan zijn comfortzone te verlaten? Welke wapens pakt hij op om dat alsnog niet te hoeven doen?
Als hij het meisje inderdaad afsnauwt, wat zegt dat dan over de verlegen Ralf die de lezer dacht te kennen? Wat schuilt er nog meer achter? Waarschijnlijk genoeg om gedurende de rest van het boek nog veel meer over uit te wijden. En, minstens net zo belangrijk: deze ene regieaanwijzing is waarschijnlijk effectiever dan een scène van honderden woorden, waar je datzelfde misschien eerder dwangmatig met sfeeromschrijvingen duidelijk zou proberen te maken.

Wil je op deze manier het meeste uit je regieaanwijzing halen, kijk dan dus niet alleen naar de gebruikelijke tienpuntenschaal waarin fluisteren 1 is en bulderen 10, maar ook naar woorden die net iets anders betekenen iets vanuit een andere invalshoek benaderen. Wie weet wat jij en de lezer op deze manier te weten komen over een scène of een personage vanuit een onverwachte, maar hele mooie hoek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Mel Lituañas op Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… een wereldkaart

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…een wereldkaart.

Waar hangt de wereldkaart?

Waar hangt de wereldkaart die je op dit moment (voor je) ziet? In je huis als decoratie, of is het de wereldkaart van de basisschool? Welke van de twee het ook is, de kans is erg groot dat je associatie van de ene, heel erg verschilt van de andere. De wereldkaart in huis dient als decoratie. Die in de klas doet je eraan herinneren hoe vreselijk het was om op de basisschool topografie te leren en al die landen en hun hoofdsteden erin te moeten stampen.

Dacht je zelfs maar aan de andere optie toen je de titel van dit artikel las? De kans bestaat dat dat niet zo is, omdat een saaie topografieles een wereld van verschil is in vergelijking met de associatie van een fijne reis. Dat is de oefening bij deze observatieles. Soms moet je je bij observeren beseffen dat je beeld compleet vertekend kan zijn vanwege de ruimte die op dat moment van toepassing is (of de sfeer, of het gezelschap of…). Datgene dat jij op dat moment door een bepaalde bril observeert vanwege bepaalde associaties die lastig uit te schakelen zijn.

Je bril afzetten tijdens observeren

Het vervelende van observeren is dat het trekken van bepaalde conclusies of het leggen van bepaalde verbanden zo snel gaat, dat het simpelweg niet te stoppen is; het gebeurt in milliseconden. Helemaal neutraal observeren is dus bijna onmogelijk. Het goede nieuws is dat je als schrijver waarschijnlijk een opschrijfboekje hebt. Dit is een goed moment om dat er eens bij te pakken!

Schrijf het kernwoord boven twee kolommen. In dit geval is dat wereldkaart, maar doe dit gerust met alles wat tot jouw verbeelding spreekt. Schrijf in de eerste kolom: “Plaats” en in de andere “Dit voel ik”.
Schrijf in de kolom plaats niet alleen de vanzelfsprekende dingen (‘klaslokaal’ of ‘aan de muur thuis’), maar bedenk ook één of twee aparte plaatsen (voor een wereldkaart) de supermarkt, of in de onderwatertuin van het zeepaardje in het aquarium, wat er maar in je opkomt. 
Vul daarachter in de bijbehorende kolom wat je daarbij voelt. Ga je giechelen vanwege het idiote idee dat de wereldkaart daar zou hangen? Of word je verdrietig bij het idee dat de wereldkraskaart die jij als fervent reiziger hebt, onder de kast stof ligt te verzamelen?

Natuurlijk kunnen hier complete verhaallijnen uit ontstaan. Schrijf die zeker op, als dat zo is!
Maar voor deze observatieoefening moet je dat niet doen. Sterker nog, je moet er juist afstand van nemen. Waar je in die eerste milliseconden van observeren niet anders kon dan conclusies trekken, ga je die conclusies nu juist loslaten met behulp van je opschrijfboekje.

“Blegh, topoles?” Maar de wereldkaart zelf geeft de les niet, dat doet de juf nog altijd. Met andere woorden: wat zie je nu echt en wat vult je verbeelding in of aan? Je ziet alleen de wereldkaart. En misschien de boekenkasten in het klaslokaal en de lessenaars.

Als je observeert op deze ‘onthechte’ manier, kan je daar de carte blanche mee krijgen die je soms nodig hebt om niet te hard van stapel te lopen met (sfeer)omschrijvingen of associaties met bepaalde voorwerpen. Dat is soms nodig om de lezer mee te kunnen nemen in jouw leefwereld en daarmee die van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding verkregen via Unsplash, fotograaf Jack Stapleton

Woorden met een verborgen waardeoordeel- praktijk

Je hebt een personage met een (karakter)eigenschap waarmee die onrecht al op voorhand met 1-0 achter lijkt te staan. Hoe werk je dit personage uit zonder dat deze eigenschap al het andere wat er speelt compleet overschaduwd?

Niet slecht bedoeld, maar toch…

Vorige week schreef ik al een inleiding over dit principe: het idee dat als een personage arm, lelijk, dom of minder sociaal is, het in meer of mindere mate al afgeschreven is, zonder dat er gekeken wordt naar wat het nog méér is.
‘Afgeschreven’ betekent hier zowel ‘niet meer belangrijk’, maar ook: ‘niet de moeite om nog verder uit te werken’. En allebei de keren vanwege het idee dat die woorden zodanig taboe zijn, dat iedereen – inclusief je lezer- bewust of onbewust in meer of mindere mate denkt dat dat personage niet interessant meer kan zijn of iets belangrijks te vertellen heeft.

Harder knokken

Om dit interessante personage alsnog het welverdiende podium als hoofdpersoon of tijdelijke schijnwerpers als medepersonage in een hoofdstuk of scène mee te kunnen geven, moet het harder knokken. Daar komt het simpel gezegd op neer. Eenvoudig voorbeeld: er zijn twee sollicitanten die allebei even bekwaam zijn en evenveel relevante werkervaring hebben. De werkgever nodigt hen uit om allebei een week mee te draaien om zo de knoop door te hakken. De knappe sollicitant heeft dan toch een streepje voor. De lelijke moet net iets harder moeten werken om die baan te krijgen: net iets meer doorzettingsvermogen laten zien, meer werk gedaan krijgen…

Laat de held echt gewoon lelijk/dom/ sociaal onhandig of arm zijn. Kijk alleen goed wanneer je personage echt last van deze eigenschap heeft en hoe het zich daar alsnog ‘omheen weet te werken’. Dat is niet rechttoe rechtaan een strijd aangaan, maar wel eentje die minstens net zo zwaar is vanwege alle omwegen. Daardoor zal die strijd minstens net zo spannend zijn! De allereerste voorwaarde is dat je nooit gaat overromantiseren: dom of lelijk zijn is niet ineens wenselijk aan het einde van verhaal zodat je personage alsnog een soort medaille krijgt waar dat eerst nog iets ongemakkelijks of zelfs ronduit ongewenst was, dat zou krom zijn.
Kijk vervolgens waar je personage voor moet knokken.

Meer mens dan personage

Nog meer dan anders moet je naar dit personage kijken als een mens. Als schrijver kijk je vaak naar personages die een bepaalde archetype vertegenwoordigen en dus bepaalde dingen moeten vinden, doen of overwinnen. Wel zo overzichtelijk voor je save the cat schema en centraal conflict. Dus, heb je een zorgzaam personage nodig? Dan maak je daar gemakshalve een verpleegkundige van die meer voor zichzelf op moet leren komen. Bij een personage dat een waardeoordeel tegen zich heeft, mag je niet zo simpel denken. Denk nu meer in termen als ‘een mens zich zomaar niet laat kneden’ of ‘je mag niet in hokjes denken’. Dat betekent dat je die eigenschap dus ook niet ergens bovenaan de kenmerken van je personage mag zetten.

Als je een zorgzaam personage bedenkt, denk je waarschijnlijk iets als:
1) zorgzaam
2) geduldig
3) verpleegster

Bij een personage dat met een vervelend waardeoordeel te maken heeft, moet je eerder denken:
1) behulpzaam
2) enthousiast
3) stijve hark
4) gek op dieren
5) Ajaxsupporter
6) achtbaanfanaat
7) dom

Als een kenmerk in je verhaal niet de boventoon mag voeren, mag het dat ook niet doen in je aantekeningen.

Wanneer maakt het uit en waarom?

Een kenmerk met een waardeoordeel is pas belangrijk wanneer het personage er zelf ook daadwerkelijk last van heeft. Stel dat je een personage hebt met een IQ van 65. Het heeft dus moeite met leren, maar kan wel gewoon prima functioneren als ober in een restaurant; in het praktijkonderwijs is dit personage daarvoor is opgeleid en heeft het een certificaat voor oberen gekregen. Verder is het leven goed. Dan maakt het ‘dom zijn’ van dit personage niets uit en kan je het vanwege het waardeoordeel beter niet noemen. Voor je het weet is deze lieve ober of ‘te dom om te ertoe te doen’ of ‘moet die gered worden van het waardeoordeel van dom zijn’ terwijl er niets te redden valt in een verder gelukkig en goedlopend leven.

Heeft dit personage vanwege een lager IQ zodanig veel moeite met dingen onthouden of met hoofdrekenen dat het daardoor als ober in de knel komt met afrekenen of bestellingen rondbrengen, dan is het het noemen waard, omdat het personage er zelf last van heeft. Maar dan heb je dus ook een passend conflict om uit te werken.

Als het dan wel uitmaakt: het Riketeffect

Zodra je personage wel in de knel komt met een minder gewenst kenmerk, moet je als eerst kijken naar de 1-10 schaal waarop het kenmerk daadwerkelijk een hinder vormt. Controleer goed of die schaal nog past in je context. Iemand met een 3 op de schoonheidsschaal moet je geen model proberen te maken, dat komt enkel geforceerd over.
Maar stel dat onze Romeo merkt dat hij met zijn 4 niet mooi genoeg is om indruk te maken op Julia en dat ook echt zo is: Julia vindt hem lelijk en kan zich daar niet overheen zetten. Gelukkig kan je Julia zodanig goed en realistisch uitwerken (hint!) dat ze niet zo’n wicht is dat ze Romeo daardoor geen blik waardig keurt. Als Romeo dan de kans krijgt om te laten zien dat hij wel grappig, behulpzaam, empathisch is. Alles wat Julia’s ex Zacharias die haar zonder pardon dumpte om in New York een modellencarrière na te jagen niet was. Dan kan Julia alsnog op (deze) Romeo vallen. Lekker cliché, zo oud dat die premisse zelfs in een eeuwenoud sprookje voorkomt: dat van Riket met de kuif. Dit ‘Riketeffect’ is een belangrijke les voor je schrijftechniek als je met waardeoordelen gaat werken: als iets wat er echt toe doet en wat wenselijk is uiteindelijk op de voorgrond komt en dat goed uitwerkt, doet het minder wenselijke aspect er niet meer toe, zonder dat je je in allerlei gekke bochten hoeft te wringen, of geforceerd of politiek correct hoeft te schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Zapata op Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… authenticiteit

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…authenticiteit.

Is het wel echt authentiek?

Authentiek is een gek woord, in zoverre dat het begrip authenticiteit iets is wat we in sommige situaties erg belangrijk of mooi vinden, maar dat we als we ‘authentiek’ zeggen, vaak iets anders bedoelen. De Van Dale houdt het eenvoudig: authenticiteit = echt. Maar hoe vaak hoor je niet dat iemand heel ‘authentiek’ is, als diegene extravert, zachtaardig of op een positieve manier anders is dan anderen? Dan bedoelen we meestal dat diegene niet doet wat volgens de (sociale) norm normaal is, maar doet, zegt of zich kleedt zoals die zelf wil: er wordt geen masker opgezet.
Normaalgesproken hoef je je niet zo strak aan de Van Dale te houden: dan wordt praten en schrijven erg vermoeiend. Maar voor de observerende schrijver is er een belangrijke valkuil bij het niet volgen van deze definitie van Van Dale. Neem iemand die zich ‘authentiek’ uit door met weloverwogen woorden te spreken, om zo echt te delen wat die op het hart heeft. Daar zit meteen de crux: dat kan zo lijken, maar zeker weten doe je het niet: wie weet staat diegene wel onder druk om vooral niet snel en ‘lomp’ de gedachten te verwoorden.
Klopt, de kans is klein, maar de kunst van zuiver observeren is dat je opmerkt wat je enkel en alleen ziet. Wat je invulling is, komt daarna pas.

Authenticiteit observeren

Het zal je dan waarschijnlijk ook niet verbazen dat zuivere authenticiteit observeren lastig kan zijn. Iemand kan aan de kant blijven staan en niet meedansen bij een spontane flashmob. Dat maakt diegene die dat wél doet niet meteen authentiek. Het kan gewoon betekenen dat de toeschouwer niet van dansen houdt. Misschien glimlacht diegene bij een compliment, al is dat dan niet meteen van oor tot oor. Voor deze meer verlegen persoon is dat zo authentiek als maar zijn kan.

Net als bij het observeren van liefde is authenticiteit observeren erg specifiek en moeilijk en vergt het tijd om het goed te leren. Voor authenticiteit zelf is er geen echt checklijstje, omdat ook dat observeren alleen gaat als je er een min of meer eigen definitie bij hebt. Om die eigen definitie te vormen, kunnen de volgende vragen je wel op weg helpen:

  • Wanneer vond ik iemand nep of zag ik iets wat ik nep vond? Waarom was dat?
  • Hoe snel komt de ‘authentieke reactie’? Als je intern veel dingen moet overwegen, of bedenkt of iets wel of niet mag of hoort, is het al snel niet meer authentiek, eerder berekenend.
  • Doet/ zegt diegene dit in het openbaar? Dan is de kans groter dat dat ook authentiek is: we doen relatief snel minder authentiek als Jan en alleman ons kan zien, omdat dat niet iets is wat hoort, of waar je je zelfs voor moet schamen.

Langzaam maar zeker kom je er dan achter wat jij het verschil vindt tussen authentiek en spontaan, wijs, extravert, vrijgevochten, of… en dat kan je dan weer met een eigen schrijfstem uitwerken om zo interessante en unieke personages te schrijven.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Brett Jordan verkregen via Unsplash.