Zo maak je een cliché origineel: de minderheidsheld

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: de minderheidsheld.

Het cliché

Je held is in een bepaalde minderheid, waardoor het anders is. Wat betreft seksuele oriëntatie, religie of ras. Of die heeft bijvoorbeeld een handicap, ADHD, een angststoornis of autisme. De schrijver wil laten zien hoe die beleving is ten opzichte van de ‘meerderheidsheld,’ en slaat daarin door. De held krijgt de heldenstatus enkel en alleen omdat die anders is, niet omdat die heldhaftige karaktertrekken of een groeiproces laat zien. Meestal draagt deze held met diens diversiteit wel een thema of een boodschap uit, maar die is dan zo geforceerd of overdreven groot in opzet of uitwerking dat het storend wordt. 

Een voorbeeld van dit cliché

Een van je thema’s is feminisme en je heldin is een lesbienne. De schrijver kan haar die seksuele oriëntatie hebben gegeven om te kunnen zeggen: mannen zijn zo overbodig, dat mijn hoofdpersoon hen niet nodig heeft om het beste uit zichzelf te halen. Ze vindt alle mannen ook vreselijk en zelfs op seksueel gebied zijn de niet interessant voor haar. Leve de vrouw!
En omdat Heldin een voorvechter is van vrouwen is het feit dat ze een (lesbische) vrouw is, genoeg om haar te bewonderen. Volgens deze schrijver dan, want zo werkt het niet. Deze heldin is niets meer dan een doorgeslagen trope.

Waarom stoort dit cliché zo?

Een held moet zijn strepen verdienen. Iedere held heeft iets om voor te vechten. Als je een minderheidspersonage laat strijden voor een betere positie van de gemeenschap waar die toebehoort, kan dat een mooi verhaal opleveren. Ook als er geen sprake is van een conflict in de zin van dat er actief voor iets gestreden moet worden. Het kan ook betekenen: de uitdagingen die het met zich meebrengt om bij een minderheid te horen. Juist omdat het thema of het conflict bij de held staat.
Maar bij dit cliché is dat conflict te globaal. In ons voorbeeld is ‘de man’ het probleem. Oké, dus ook de vader van de heldin? En de vriendelijke marktkoopman?
“Nee, maar mannen hebben te veel macht over of in vergelijking met vrouwen.”
Waaraan merkt Heldin dat in haar eigen leven?
“Dat komt steeds op het nieuws.”

Kortom: dit cliché stoort omdat het een probleem benoemt, maar datzelfde probleem komt nooit daadwerkelijk aan bod in het ‘echte’ leven van je hoofdpersonage. De heldenstatus wordt daarmee te makkelijk uitgereikt.

Het cliché fiksen: maak het conflict concreet

Het conflict concreet maken houdt twee dingen in:

  • Zorg dat je personage ergens concreet last van heeft.
    Dus niet van ‘de man in een hogere positie’, maar een mannelijke leidinggevende die haar continu afblaft omdat ze een vrouw is.
  • Zorg ervoor dat de acties die je personage onderneemt ook effect hebben op het plot.
    Dus laat haar liever niet demonstreren voor vrouwenrechten, als dat betekent dat die hork op kantoor nog steeds kan blijven waar hij zit. Laat haar liever met andere dames op kantoor een gezamenlijk plan maken om die misselijke vent te laten ontslaan.

Tips voor het verminderen van het cliché

  • Noteer in je opschrijfboekje wat er zou veranderen aan het verhaal als je personage niet tot de minderheid behoort. Dat helpt je scherp te krijgen wat de heldenreis van je personage is ómdat het tot die minderheid behoort en in hoeverre dat gegeven een heel conflict kan dragen.
  • Schrijf zo nu en dan ook een scène waarin het minderheidskenmerk van je personage niet op de voorgrond staat. Als het bij vrienden is, bijvoorbeeld. Je minderheidsheld mag niet alleen maar bezig zijn met die ene strijd. Hoewel het kan, is het heel moeilijk om zo’n personage geloofwaardig te schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Zo schrijf je een personage dat je nare kriebels geeft

Personages zijn interessant als ze op de oppervlakte heel leuk en lief lijken, er toch iets achter zit waar je die kriebels van krijgt. En waar je je als lezer en schrijver dan af kan vragen hoe zo’n personage toch die ergernis veroorzaakt.

Schrijven over personages die je nare kriebels geven

Personages waar je de kriebels van krijgt, zonder dat je eerlijk kan zeggen waarom, zonder zelf arrogant of aanstellerig te lijken noem ik  kriebelpersonage. Bedoeld of onbedoeld spelen deze personages slachtoffer, willen ze macht, of hebben ze een persoonlijke geschiedenis of karaktertrekken die haast griezelig is. Ze geven je erg onbehaaglijke kriebels, zowel als schrijver als lezer.
Neem een moeder die denkt dat ze een goede moeder is, maar ondertussen haar kind zodanig klein houdt, in het gareel wil houden en vertroeteld dat het verstikkend is voor het kind. Je kan niet zeggen dat het oneerlijk is van deze moeder dat ze haar tienerzoon lieve briefjes in de lunchtrommel toestopt, maar als Moeder dat doet om maar niet onder ogen te zien dat zoonlief in de puberteit raakt en zo wil voorkomen dat hij haar van zich losmaakt en geïnteresseerd raakt in meisjes, is dat iets heel anders.

Een goed voorbeeld van een kriebelpersonage is de fotoboekenvrouw van Brigitte Kaandorp. Je kan niet zeggen dat het fout is van een moeder om haar kinderen fotoboeken te willen geven, maar als het echt zo’n mens is als Brigitte schetst, dan is het wel iemand waar van alles mis mee is.  

Wat moet er een ongemakkelijk gevoel geven?

De fotoboekenvrouw van Brigitte heeft van alles verkeerd gedaan. Aandacht getrokken, zich opgedrongen, de wensen van de kinderen jarenlang genegeerd… Kijk eerst eens wat voor iemand ‘zo’n mens’ precies is. Het is een verschil of je aandacht trekt, of jezelf op de eerste plaats zet. Dat kan hetzelfde lijken, maar wees alert: dat kan een nuanceverschil zijn dat een enorm verschil kan maken, zoals de near enemies bij emoties.
Op zo’n zelfde manier moet je ook duidelijk krijgen waar jij precies de lezer of andere personages ongemakkelijk mee wil laten voelen. Haalt de moeder altijd alle aandacht naar zich toe, dan kan het kind later uit zijn op wraak, verstikt ze het kind in haar liefde, dan kan dat misschien wel alle contact willen verbreken. Kortom: het kan een heel verschil maken voor je verhaalthema.

Naar de tekentafel

Als je duidelijk hebt wat voor ergernis dit personage precies op moet roepen, kan je het verder gaan ontwerpen. Een paar uitgangspunten die je daarbij aan kan houden zijn:

Wat doet het personage fout?Op het moment dat je denkt alleen maar lief, aardig en attent bent, maar mensen je alsnog irritant vinden, dan gaat er iets fout. Probeer zo goed mogelijk in kaart te brengen wat je personage precies fout doet. Is het uit op aandacht, of juist op controle? Is een bepaald kind het slachtoffer of juist iedereen die te goedhartig is om iets slechts achter anderen te zoeken?

Meestal schrijf je geen personage dat met opzet deze mensen ergert of pijn doet. Schrijf daarom op wat die blinde vlek veroorzaakt waardoor je personage denkt dat het foute juist het goede is om te doen.

Waarom verandert het personage niet?

Deze zin alleen al is interessant bij het ontwikkelen van het personage; dit antwoord is ook de comfortzone. Het kan een combinatie zijn van een blinde vlek en het verlaten van de comfortzone. Dan kan je gaan kijken wat er nog moet gebeuren voordat de eerste stapjes richting het verlaten van de comfortzone worden gezet, hoe de blinde vlek in een klap kan worden weggehaald. Daar kan je dan het verdere plot mee aanvullen.

De blinde vlek en de comfortzone zijn  nog vrij onschuldig: dit personage weet niet beter en bedoelt het goed. Maar het kan nog wat erger: dit personage heeft echt slechte bedoelingen, of op zijn minst weet van het ongemak van anderen die het veroorzaakt, maar weigert daar iets aan te doen. Dan draagt het een masker of een schild.

Hoe belangrijk is het masker of het schild?Een personage draagt een masker als het bang is door de mand te vallen als anderen diens ware aard zien: ik ben niet zo’n goede moeder als ik aan de buitenkant lijk. Hier is het personage zich bewust van.
Een schild is als er iets voorgevallen, zoals een trauma of wanneer het personage weigert om aan zelfreflectie te doen en zo niet meer vatbaar is wat anderen van je denken. Je personage doet dan alles om maar niet onder ogen te zien dat er iets moet gebeuren. Dit gaat zo ver dat je personage zich er niet meer bewust van is.

Probeer vast te stellen wat de schilden en maskers van je personage zijn en in hoeverre die het dagelijks leven van je kriebelpersonage hebben overgenomen.

Wil je het schild of het masker afnemen?

Als er sprake is van een masker of een schild, vraag jezelf dan af of je deze afpakt van je kriebelpersonage of niet. Het levert twee heel andere verhalen op. Bij het een ontdek je grofweg hoe mensen nog met begrip naar elkaar toe kunnen groeien als verdedigingsmechanismen worden afgenomen. Bij het andere laat je zien hoezeer diezelfde middelen ervoor kunnen zorgen dat mensen compleet uit elkaar groeien, of kunnen uitgroeien van kriebelpersonages tot echt verdorven slechteriken.

Pas op voor de valse held

Een kriebelpersonage is er een die makkelijk kan uitgroeien tot een valse held. Wees erop alert dat die het plot op slot zetten. Je personage mag gerust irritant of zeurderig zijn. Maar dat zijn eigenschappen die een plot heel snel op slot kunnen zetten. Een plot is in een verhaal bijna  synoniem voor beweging. Iemand die alle aandacht op zichzelf vestigt om de nadruk te leggen op hoe alles zo zwaar is, niet beweegt, of alle schuld bij anderen legt en het principe van ‘het verlaten van de comfortzone ontwijken’ bijna tot een kunst verheft, kan je hele verhaal uit balans brengen en verstoren.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Anastasiya D, verkregen viaUnsplash.

Zo maak je een cliché origineel: uiterlijke kenmerken

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: uiterlijke kenmerken.

Het cliché

Uiterlijke kenmerken kunnen om meerdere redenen cliché worden. Als je ze meteen samen met het personage zelf introduceert en als de uiterlijke kenmerken zelf cliché-gevoelig zijn. Denk aan: de goedzakken dragen wit, de slechteriken zwart, vanwege de symboliek. En iedere Romeo heeft een sixpack en iedere bolleboos een bril en acne.

Waarom stoort dit cliché zo?

Als je het uiterlijk tegelijk met het personage introduceert, is dat meestal een infodump. De symbolische clichés zijn er gevoelig voor dat de schrijver te zichtbaar maakt welke thema’s belangrijk zijn. En er is een risico op stereotiepen. Maar de kern van deze clichés is hetzelfde: het uiterlijk wordt veel belangrijker gemaakt dan het is.

De oorzaak van het cliché: verkeerd beeld bij ‘uiterlijk’

Een lezer moet een beeld bij een personage kunnen vormen. Soms nemen schrijvers dat uitgangspunt te letterlijk en beschrijven er maar op los. Oogkleur, postuur, gewicht, lengte, schoenmaat…

Nog afgezien van de infodump, is dit niet effectief omdat sommige uiterlijke kenmerken niet zoveel zeggen als ze lijken te doen. Of de aanname die erbij komt kijken is van zichzelf verkeerd.

Neem blauwe ogen. Dat maakt volgens de clichéregel iedere vrouw aantrekkelijk. Maar blauwe ogen zijn van zichzelf niet zo speciaal: niet zoals bijvoorbeeld het hebben van twee verschillende oogkleuren dat is. Bovendien: wat als diezelfde blauwe ogen uitpuilen en scheel staan? Of de vrouw om wat voor reden dan ook alles behalve aantrekkelijk is?

Tenzij je over Quasimodo of een supermodel schrijft, zijn uiterlijkheden zelden tot nooit het belangrijkste kenmerkt van je personage. Behalve als je schrijft over een Romeo of Julia in een romantisch verhaal. Maar dan is die combinatie van schoonheid en romantiek vaak al een cliché op zich.
Kortom: het beeld bij het cliché ‘uiterlijk’ is in beginsel verkeerd. Of dat nu gaat om het belang ervan, of wat bepaalde associaties bij specifieke kenmerken zijn.

Het cliché fiksen: balans tussen feit en verbeeldingskracht

Een personage dat helemaal niet omschreven wordt in uiterlijk, mist duidelijk iets. Maar vanwege het risico op infodumps het is aan jou om het aantal uiterlijke kenmerken in te perken. Je kan en hoeft niet alle details te delen. Sommige details zijn belangrijk. Voor het verhaal, of jij wil als schrijver persoonlijk graag dat een uiterlijk detail van een personage wordt onthouden. Kijk op die manier welke uiterlijkheden je lezer moet weten en onthouden en besteed daar aandacht aan.
Het is ook belangrijk dat je nog ruimte houdt voor de eigen verbeeldingskracht van de lezer. Timmer het uiterlijk niet dicht. Als jij de grootte van de oren bepaalt, mag de lezer de grootte en vorm van de neus bepalen. Bepaal voor jezelf wat jij vastlegt voor de lezer en kijk waarmee je vrede kan hebben als het gaat om waar de lezer het uiterlijk van je personages verder invult.

Tips voor het verminderen van het cliché

  • Laat als het even kan de oog- en haarkleur op de achtergrond, of zet ze in ieder geval niet op de voorgrond. Die zijn zo standaard om te noemen dat die als de twee ‘hoofdkenmerken’ alsnog heel weinig unieks over het uiterlijk zeggen. Bovendien: heeft je personage een zwarte afro, zwarte krullen, of  zwarte vlechten? Kleur zegt relatief weinig: een kapsel al wat meer.
  • Probeer relaties van personages onderling te koppelen aan een (emotioneel) veelzeggend moment. Maak bijvoorbeeld duidelijk dat opa ouderdomsvlekjes op de hand heeft als kleinkind daarover strijkt als het op schoot wordt voorgelezen.
  • Maak een uiterlijk kenmerk onderdeel van een lopende scène. Zo is een personage met  korte benen uitgeput nadat het in alle haast een lange trap is opgerend.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Zo kan je een infodump ontwijken: zet actie in

Alle informatie in een keer delen, de beruchte infodump is geen slimme manier van schrijven. En toch zijn er momenten in een plot waarop het bijna verplicht lijkt om alsnog alle informatie in een keer te delen. Zoals de slechterik die uitlegt wat diens daden drijft. Hoe schrijf je daar omheen? Door niet de nadruk te leggen op de informatie, maar de actie en het bijbehorende effect.

Dit zijn hardnekkige infodumpmomenten

Infodump is een stuk tekst waar alle informatie die een lezer moet weten als een niet te stoppen waterval uit de mond van een personage of uit de inkt van een schrijverspen komt. Na even oefenen met schrijven lukt het de meeste schrijvers wel om de basisfouten te vermijden. Deel bijvoorbeeld niet alle informatie van je personage op bladzijde 1. Maar er zijn momenten in het verhaal waar deze stortvloed aan expositie een stuk moeilijker is om te vermijden of te spreiden. Wanneer je uit de doeken doet wat de slechterik slecht maakt en diens achtergrondverhaal gaat delen, bijvoorbeeld. Of wanneer je uitgebreid moet uitleggen wat een profetie inhoudt. En dan ligt slechte expositie op de loer.

Op zulke momenten is het verstandig om de actie in te gaan.

Actie als een show don´t tell

De eerste manier waarop je tot actie kan overgaan in plaats van een infodump te gebruiken, is informatie te vervangen door een lopende scène die middels show don’t tell de informatie overbrengt. Als de informatie die je wil overbrengen is:
– De slechterik doet ABC aan slechte daden
– Dit is de macht die die heeft
– Deze karaktertrekken versterken de slechte inborst
– De slechte kant komt voort uit XYZ,

is de infodump zoiets als: Slechterik is een genadeloze hebberd die met bruut geweld de absolute macht geeft gegrepen. Omdat Slechterik grootsheidswaanzin heeft, denkt die onkwetsbaar te zijn. Om de burgers onder de duim te houden worden zij bedreigd, bestolen en zijn er spionnen mensen arresteren zodra er maar een vermoeden is dat zij de Heerschappij in twijfel trekken.

Neem je actie als uitgangspunt, krijg je dingen als:
– een scène waarin een burger ‘in de naam van de wet van Slechterik’ zonder reden van diens bezittingen wordt beroofd.
– Slechterik in een confrontatie met de held zegt: “als jij mij in een zwaardgevecht kan verslaan, krijg je het hele koninkrijk.” Als Slechterik helemaal niet handig is met het zwaard, laat dit de grootheidswaanzin zien. De actie is zichtbaar, maar voegt ook nog eens iets toe aan het plot: er volgt een scène met een zwaardgevecht waar iets op het spel staat. Het is veel spannender dan twee personages die zeggen: “Slechterik denkt dat niemand hem kan verslaan.” Dat neigt te veel naar een as you know, Bob.

Deze manier van schrijven vergt aan de tekentafel wat meer werk, omdat je de informatie meer gaat spreiden over je verhaal en je dus ook moet bedenken welke informatie wanneer komt. Maar je infodump verdwijnt erdoor en de kans dat je een betere spanningsboog opbouwt is ook groter.

Schrijf emotionele actie tijdens informatie-overdracht

Dan is daar nog de onontkoombare informatiemonoloog. “Ga zitten, want nu komt er een stort aan worldbuilding of nieuwe informatie aan…”
In plaats van de meer fysiek gerichte actie, gaat je hier met tussenpozen op de emotionele reactie in.
Net als lezer gaat je personage heel wat informatie aanhoren. Dat brengt iets teweeg. Schok, ongeloof, opluchting, blijdschap, verdriet… En die emoties kun je laten zien. Wees er hier alert op dat je die op een schaal van 1-10 meestal relatief klein houdt, anders leest de combinatie van grote emoties en veel informatie te overweldigend.
Probeer hier niet alleen de emoties te omschrijven, zoals een knoop in de maag. Laat je personage ook in lichaamstaal of beweging naar handelen. Denk aan op de achterpoten van de stoel leunen bij verveling, op de lip bijten als het nerveus is of ijsberen bij onrust.

Dit moment is ook zeer geschikt om eens goed in het karakter van het personage te duiken.
We weten dat deze held dapper is, maar zoiets ontstaat niet zomaar en bestaat ook niet in isolatie. Bovendien is het belangrijk dat de karaktereigenschappen van je personages niet alleen op grote schaal bewezen worden.
Natuurlijk is het dapper om met opgeheven zwaard richting de vuurspuwende draak te rennen. Maar het is ook moedig om tijdens een slechtnieuwsgesprek het gesprek uit te zitten, of de ander te laten uitspreken en niet te vervallen in het beschieten van de boodschapper.
Als je het subtiel weet te houden, kan je zo de ‘infodump’ combineren met het verder bewijzen of uitwerken van bepaalde karaktertrekken of geschiedenis van je personage. Denk aan dingen als:
– zodra het woord valt dat je held ‘zal moeten opkomen voor de zwakkeren’ gaat je personage onrustig heen en weer lopen omdat het terugdenkt aan de laatste keer dat die dat deed en die hulp niet mocht baten.
– “Je zal de komende maanden minder mogen sporten: je moet je lijf rust gunnen.”
“Maar ik zie al mijn vrienden tijdens het sporten! Hoe moet dat dan, wijsneus?” snauwt de supersociale held die niet gewend is tegengesproken te worden uit de slof.

Als je moeite hebt met het uitwerken of bepalen van deze onderbreking van de infodump, kijk dan ook eens naar hoe je deze expositie wat meer kan vermommen.

Wees er bij de onontkoombare uitlegmonoloog niet al te bang voor dat deze dodelijk saai wordt. Ga de emotionele reacties van je personage zoals hierboven beschreven niet op de voorgrond zetten. Als het goed is, komt deze monoloog op een punt in het verhaal dat je lezer al zeer betrokken is bij het verhaal, zo niet snakt naar de informatie die je al een tijd lang achter hebt gehouden.

Dat is ook nog een goed punt om in gedachten te houden bij een infodump en informatie delen. Soms is het niet zozeer de hoeveelheid informatie die je deelt die stoort, maar ook het moment waarop. Pas als je lezer betrokken is bij de heldenreis en het plot, zal het flink wat (achtergrond)informatie willen horen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Zo maak je een cliché origineel: het minderheidspersonage

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het minderheidspersonage.

Het cliché

Je held en/of andere personages zijn maar gewoontjes. Maar dan is daar het personage dat dat niet is. Het is in een bepaalde minderheid. Qua seksuele oriëntatie, religie of ras. Of het heeft een handicap of iets anders dat het anders maakt dan anders. Denk aan ADHD, een angststoornis of autisme. Daar is op zich niets mee, totdat dit gegeven een cliché wordt: dat personage is divers om divers te zijn, niet omdat de schrijver daar meerwaarde voor het verhaal in ziet of deze minderheid in de schijnwerpers wil zetten om verschillen in het boek of de maatschappij te weerspiegelen.

Waarom stoort dit cliché zo?

Dit cliché is schijnheiligheid van een schrijver. Met dit personage gaat die mee in de ontwikkeling van de vraag die de laatste jaren is ontstaan om meer diverse personages in romans te krijgen. Die vraag ging om verbeterde representatie van diverse minderheden. Maar hier verwart de schrijver aanwezigheid met representativiteit. Als je dat doet, wordt het alleen maar erger. Want dan leest het verhaal als: ‘wees blij dat minderheid X erin vóórkomt, dat wilde je toch zo graag?’ terwijl de vraag naar diverse personages is ontstaan vanuit het idee dat zij meer zijn dan alleen figuranten van verhalen en/of de maatschappij.

Het gevolg van het cliché: oppervlakkig beeld

Een schrijver die diens diverse personage niet serieus neemt, doet te weinig onderzoek, waardoor het personage veel te oppervlakkig en storend stereotiep of zelfs racistisch wordt.
Denk aan:

  • Mensen van kleur zijn vaker arm, dus is mij personage dat ook en weet die niet hoe die uit armoede moet komen.
  • Autisme, is dat niet dat je sociaal onhandig bent? Hé, ik moest nog een verlegen jongen hebben in mijn verhaal, die is bij deze autistisch.

Over wat voor minderheid of diagnose het ook gaat, je personages moeten meer, zo niet veel meer zijn dan hun diversiteitskenmerk om interessant te zijn.

Het cliché fiksen: kijk naar je setting en thema

Of je een bepaald personage in je verhaal verwerkt, hangt sterk af van je setting en je thema. Dat is met diversiteit niet anders. Wil je voorkomen dat een divers personage oppervlakkig en storend wordt, kijk dan of het wel een plaats in je verhaal heeft. Je kan een divers personage beter helemaal weglaten uit een bepaald verhaal dan het in een verhaal forceren. Want diverse verhalen komen pas goed tot hun recht in de juiste setting en als de thema’s ook daarop aansluiten.
Enkele voorbeelden van geforceerde diversiteit:  
* Bij het thema hebzucht ligt de nadruk op de seksuele oriëntatie van de hebberd, in plaats van de oorzaak van die hebzucht, of wat de gevolgen voor het plot zijn.
*Een Aziaat in het Nederland in het jaar 1000? Dat schreeuwt geforceerde rassendiversiteit.

Tips voor het verminderen van het cliché

Wil je een divers personage schrijven bij een passende setting en thema? Dan is het belangrijk dat je goed onderzoek doet. Ben jij zelf geen minderheid van de groep waar je over schrijft, dan sluipen vooroordelen en aannames sneller in je verhaal dan je misschien zou denken. Denk aan onderzoek doen aan dingen als:

  • Bestudeer de geschiedenis van de mensen in deze groep. Kan je terugvinden hoe zij in de loop van de geschiedenis (in jouw setting) behandeld zijn en hoe dat al dan niet is veranderd? Is er bijvoorbeeld meer acceptatie gekomen, zijn er belangenverenigingen opgericht, weten meer mensen wat een bepaalde diagnose inhoudt?
  • Vraag iemand die tot die minderheidsgroep behoort wat diens ervaringen zijn. Wees niet bang om je eigen aannames en misschien wel vooroordelen in twijfel te trekken en luister met open houding. Besef wel dat je tegen een individu praat. Ga er niet klakkeloos van uit dat iedereen in dezelfde groep dan ook zo denkt; dan is de vooroordeelcirkel weer rond.

    Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Clay Banks verkregen via Unsplash

Schrijfoefening: hoe ver moet je uitwerkingsonderzoek gaan?

Onderzoeken hoe je personage in elkaar zit en wat het ertoe beweegt om bepaalde dingen te doen of te laten is een belangrijk deel van het personageontwerp of je verhaal. Zo kan het bijvoorbeeld handig zijn om te weten wat een trauma voor een effect heeft. Of wat een depressie met iemand doet, in de klinisch-psychologische zin van het woord. Dat maakt je personage of je verhaal realistischer. Maar je moet ook een keer mee stoppen met verklaren en onderzoeken. In deze schrijfoefening gaan we kijken hoe je die afweging maakt.

Casus: de biaslijst

Een bias is een manier van denken of naar de wereld kijken die objectief niet klopt, maar gevormd wordt door een bepaalde factor. De bekendste is misschien wel de cognitieve bias: omdat je een bepaald gedachtepatroon hebt, trek je conclusies die bij dat patroon passen en logisch lijken, maar toch niet kloppen.
Maar die bias is lang niet de enige. Kijk maar eens naar deze lijst. Er zijn zoveel biases dat je kan denken: kan een mens nog iets waarnemen zonder dat dat meteen een label verdient? Die vraag staat centraal in deze blogpost. Wanneer is informatie terecht een ding of is het de moeite om van een bijbehorend label meer te weten en wanneer is iets zo gewoon dat het het noemen niet meer waard is?

Biasen als referentie: Google, Dunning-Kruger, modaliteitseffect

Voor een goede referentie in de rest van de blogpost, pakken we drie soorten bias uit deze lijst.
Het Dunning-Krugereffect: de neiging van ongeschoolde personen om hun eigen kunnen te overschatten en de neiging van deskundigen om hun eigen kunnen te onderschatten.
Het Google-effect: De neiging om informatie te vergeten die gemakkelijk online te vinden is via zoekmachines.
Het modaliteitseffect: Je onthoudt de laatste items van een lijst makkelijker wanneer de items op de lijst via spraak worden doorgegeven dan wanneer ze via schrijven worden overgebracht.

Dunning-Kruger kan daarbij de grote lijnen van het plot bepalen: wat als je iemand hebt die vele malen slimmer denkt te zijn dan die is? Dat gaat de nodige obstakels in het verhaal opleveren.
Het Google-effect geldt daarbij als: houdt deze kennis of dit stukje geschiedenis uit de personagebiografie paraat om misschien te kunnen gebruiken voor een specifieke scene. Uitgangspunt: het gebeurt ons allemaal wel eens, en is niet zo spannend. Maar wat als we te veel Op Google rekenen en het internet wegvalt?
Modaliteitseffect: de ene onthoudt beter door te lezen dan door te luisteren. De ene houdt meer van appels, de andere houdt meer van peren. Als je je personage inmiddels tot deze details aan het ontwerpen bent, is dat een teken dat je ermee moet stoppen. Ga bovendien na of je geen gaten in je plot hebt doordat je door een gebrek aan overzicht details hebt verwerkt die elkaar tegenspreken.

Van groot naar klein

Begin met Dunning Kruger: alles wat zodanig belangrijk is, dat als daar iets aan veranderd, het plot of het karakter van je personage een compleet andere wending krijgt. Veranderingen kunnen optreden in zaken als de heldenreis, wat er op het spel staat, angsten en dromen van de personages en hun willen en nodig hebben. Ook de invulling van je verhaalthema valt hieronder. Als je daar al invulling of zicht op hebt, kijk dan ook naar je afzonderlijke beats van de drieaktenstructuur. Hoe valt alles samen? Wat kan je niet zomaar veranderen?
Vergeet daarbij ook de ‘per definitie’-regel niet: X uit zich bij iedereen/ in iedere situatie anders, maar houdt altijd in dat Y.
Een rijkaard kan gul of gierig zijn, maar heeft altijd geld op de bank. Iemand met een depressie kan soms nog normaal functioneren, soms niet meer, maar iemand met depressie zit niet optimaal in diens vel.
De ‘Dunning Kruger’ van jouw informatie of situatie is als de ‘per definitie’ van je worldbuildingregels, of de geschiedenis of heldenreis van je personage.

Het Google-effect zijn die dingen die een scène interessant kunnen maken, maar niet per se een verhaal kunnen dragen: tegenwoordig doet het internet het vaker wel dan niet. Gebruik die informatie dan ook maar een paar keer, zo niet maar een keer in het verhaal. Zorg er wel voor dat je dat op een belangrijk of spannend moment in het verhaal meeneemt. Dan wordt het een extra pageturner! Bijvoorbeeld:
Je personage heeft een lelijk sieraard van oma geërfd, dat in de kast stof ligt te happen. Dan komt je personage in geldnood en bedenkt het ineens dat het misschien nog iets van waarde heeft. Dat bezoek aan de taxateur is erg spannend: of het nu waardeloos of waardevol is, dit gaat het verhaal een hele belangrijke richting op sturen.
Of je weet dat je personage iets nóóit zou doen, behalve als… En dan is daar dat moment.
Let bij een ‘Google-effect’ erop dat je het verhaal van de afzonderlijke scene in de gaten houdt en het blijft passen bij het grotere geheel. En dat je niets uit de lucht laat komen vallen. Dat kan je voorkomen door details goed uit te werken.

Het modaliteitseffect is informatie die niet in je verhaal thuishoort. Vaak is het een ‘informatiedarling‘ die je tijdens je onderzoek tegenkomt. Om die te identificeren vraag jezelf: moet ik extra scènes en achtergrondinformatie schrijven voordat dit detail relevant wordt?

Bijvoorbeeld: Timmie is dyslectisch, dus pikt hij informatie makkelijker op als die wordt gehoord, in plaats van geschreven. Maar die dyslexie is nog niet vastgesteld. Dus gaat de hele mallemolen van het testen van start, en een paar duizend woorden later klinkt het verlossende woord: “Meneer van den Hout, we hebben vastgesteld dat uw Timmie dyslexie heeft. Hij zal er vanwege het modaliteitseffect baat bij hebben als hij leerstof auditief krijgt aangeboden. Daar houden we vanaf nu rekening mee.”
Die conclusie met dat ene woord was de langere opbouw ernaartoe niet waard. Anders gezegd: ga je dingen extra toevoegen om een ding te verklaren, dan moet je jouw onderzoek en/ of de uitwerkingen daarvan stoppen en niet verder in het verhaal meenemen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Alvarado verkregen via Unsplash.



Zo maak je een cliché origineel: het (echt niet) lelijke meisje

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het (echt niet) lelijke meisje.

Het cliché

Het meisje vindt zichzelf maar gewoontjes, terwijl iedereen haar een regelrecht model vindt. Of zij vindt zichzelf een regelrechte Frankenstein door een klein schoonheidsfoutje als een litteken of een moedervlek. Die anderen overigens vaak niet eens opmerken.

Waarom stoort dit cliché zo?

Het ‘gewone’ meisje waarvan iedere man in katzwijm valt, is vaak een waarschuwingssignaal voor een Mary Sue: het personage dat zo perfect is, dat ze irritant en onherkenbaar voor de lezer wordt. Geef haar dus een gebrek – naïviteit – en ze zou weer herkenbaar zijn voor de gewone vrouw. Maar een enkel eenvoudig gebrek heft de indruk van perfectie niet zomaar op.

Het ‘lelijke’ meisje maakt een gebrek vele malen groter dan het in het echte leven zou zijn. Zo komt er een subplot in het verhaal van ‘onzekerheden overwinnen’ dat net zo goed kon worden weggelaten en het hoofdplot alleen maar vertraagt.

Wat beide clichés gemeen hebben is dat ze schoonheid of het zogenaamde gebrek daaraan een veel groter thema in het verhaal wordt dan dat daarbinnen past. Dat maakt het verhaal oppervlakkig en verhoogt de kans dat lezeressen zich onzeker gaan voelen of zich aan je personages gaan ergeren. “Zeur niet over die ene moedervlek zo groot als een speldenknopje precies onder je bh-bandje. En ik dan, met mijn wijnvlek midden in mijn gezicht? Mag ik volgens jou nog wel over straat?”

De oorzaak van het cliché: doorgeslagen vrouwelijkheid

Vrouwelijkheid wordt traditioneel geassocieerd met zachtheid, schoonheid en een zekere mate van naïviteit en verlegenheid. Dit cliché slaat daarin door. Deze heldin móet simpelweg mooi gevonden worden. Door anderen, zichzelf of de lezer, soms een combinatie daarvan. En anders met het idee worstelen dat ze niet mooi genoeg zijn.
Dat doen ze niet door zichzelf een schop achter hun achterste te geven en actief iets te veranderen aan waarover ze ontevreden zijn, of zelfs door te vechten voor een andere maatschappelijke kijk op het schoonheidsideaal. Nee, ze moet ofwel bescheiden en meisjesachtig complimenten in ontvangst nemen over hoe mooi ze is, of bijna pruilend wachten tot een man zegt: “Maar vrouw, je bent juist práchtig!”

Het cliché fiksen: schoonheid als thema

Worstelen met schoonheid is een interessant thema, maar dan moet het in een verhaal ook als zodanig worden behandeld. Dat kan op allerlei manieren, maar zorg wel dat je daar de nodige uitwerking aan besteedt. Dit cliché wordt storend zodra het als een los en geforceerd conflict in het verhaal wordt meegenomen, om maar een tegenslag voor een heldin te hebben.

Tips voor het verminderen van het cliché

  • Dit cliché komt vaak voort uit de noodzaak van een romantisch subplot. Ga eens goed na of dat wel echt in jouw verhaal past, voordat je die een gaat forceren.
  • Maak het schoonheidsgebrek van het ‘lelijke’ meisje ook iets dat daadwerkelijk opvalt en als lelijk wordt beschouwd. Heeft ze een litteken? Dan mag het niet klein zijn en verscholen worden achter de steevaste pony die je heldin daarvoor speciaal draagt.
    Maak het litteken dan groot en plaats het dwars over haar gezicht. Waak er echter wel voor dat zelfs als dat haar oprecht lelijk maakt, haar onzekerheid daarover niet haar hele karakter mag vormen.

    Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Milada Vigerova verkregen via Unsplash.

Zo laat je een schurk opbloeien in zijn slechtheid

Het is een ding om slechte dingen te willen of om een slecht karakter te hebben. Een schurk in een verhaal heeft ook de mogelijkheid om het slechte naar boven te laten komen. Om dat extra angstaanjagend te manaar ken, kan je kijken naar de wereld en omgeving waarin je verhaal zich afspeelt om zo alles nog spannender en erger te maken.

Wat maakt je schurk slecht?

Begin met vaststellen wat je schurk vooral slecht maakt. Kijk daarvoor vooral naar de persoonlijke eigenschappen, niet zozeer wat het ‘einddoel’ is wat daarmee behaald moet worden. Denk aan: iemand wil ultieme macht. Dan is de kans groot dat die persoon zichzelf heel belangrijk vindt, of een grote controledwang heeft.
En iemand die anderen oplicht is niet eerlijk. Bedenk dan eens waarom, of wat die misschien te verbergen heeft?

Kijk dus niet zozeer naar ‘wereldoverheersing’ als je wil vertalen naar wat je schurk slecht maakt, maar naar ‘woedeaanvallen wanneer iets niet naar de zin gebeurt.’

Hoe zit de wereld in elkaar waar je slechterik in leeft?

Je slechterik wordt een stuk enger als die in meer of mindere mate zijn gang kan gaan. Je kan dat aanpakken door iedereen doodsbang te maken voor de gevolgen als je deze heerser tegenspreekt. Maar het wordt spannender als de schurk niet tegengesproken wordt omdat die zich kan verstoppen achter ‘zo werkt het nu eenmaal in de wereld.’ En dat niemand daar vraagtekens bij zet. Of zelfs verwacht dat iemand zich zo gedraagt binnen een bepaalde hiërarchie of situatie.

Denk aan de middeleeuwen waarin een koning de absolute macht heeft en de troon van vader op zoon doorgaat. Als de koning een goede man is, maar de kroonprins een ware tiran, wat doe je daar als boerenkinkel dan tegen?
Of juist andersom: als de middeleeuwse koning zijn volk al zeven generaties lang onderdrukt, dan zal de zevende of achtste generatie denken dat dat gewoon is zoals het is. Het systeem, koninklijke genen, wat de oorzaak ook mag zijn: het valt te verwachten en daarom wordt er niets meer van gezegd, durft niemand zich ertegen uit te spreken of komt het gewoon niet meer in mensen op om in opstand te komen.

Zoek naar symbolische of thematische overeenkomsten

Als je weet wat je schurk slecht maakt en in wat voor een wereld deze de ruimte krijgt om de gruweldaden uit te voeren, kijk dan hoe je dit thematisch of symbolisch kan aanvullen en combineren. Anders gezegd: maak deze wereld groter.
Geen enkele wereld of maatschappij kan functioneren als er een koning de absolute macht heeft, zonder dat deze koning enigszins weet wat hij wil, tot zijn beschikking heeft aan militaire troepen of hoeveel geld er in de schatkist zit, of desnoods nog bij de bevolking te stelen valt.
Hoe immoreel ook, deze slechte koning moet iets van een plan of doel hebben. ‘Konings wil is wet’ is voor de uitwerking van een verhaal meestal te oppervlakkig.

Kijk daarvoor goed naar je plot en de personagebiografie. Daar zal je de nodige zaken vinden die als vanzelf op elkaar aansluiten. Je begint aan de tekentafel vast niet met een verhaal dat zowel over een bloeddorstig heerser gaat als over een stel kikkertjes dat een vreedzaam leven tussen het riet leidt.

Probeer daarvoor de volgende tabel zo goed mogelijk aan te houden en in te vullen: karakter- wereld- gevolg. ‘Karakter’ mag je op dit punt wat breder interpreteren en vervangen door ‘symboliek’ ‘thema’ ‘of plan’, net wat past.

Kijk eens naar een aantal voorbeelden:

Karakter wereld gevolg
hebzuchtWall streetkeihard zakendoen is normaal
symbolisch: iedereen leeft in de digitale wereld in plaats van de offline wereld en heeft daardoor de waarde van persoonlijke vriendschap uit het oog verloren. iedereen is eenzaam en zoekt heil in allerlei vormen van (digitale) afleiding. je schurk kan zich voordoen als de ‘echte’vriend die iedereen mist en zo iedereen voor het karretje spannen.
thematisch: je held is een tuinier die ergens vruchtbaarheid aan geeft. Schurk is juist een verwoester“Ieder voor zich.”Je schurk zet de tuinier en soortgelijke personages neer als een egoïst, zodat een vicieuze cirkel ontstaat en niemand elkaar nog helpt of vertrouwt, in het voordeel van de slechterik.

Woordenweb als controle of aanvulling

Je kan deze tabel zo ver uitbreiden als je wil. Wat ook kan helpen is op een soortgelijke manier een woordenweb te maken. Kijk eens waar je op uit komt met het ‘karakter’ als uitgangspunt. Is dat hebzucht, dan is de kans groot dat ‘geld’ ook in dat web staat. Kijk dan eens wat voor invloed geld kan hebben in de wereld. Goedschiks, kwaadschiks, of hoe het belastingsysteem van je wereld in elkaar zit.
Misschien is je held wel iemand die onderzoek doet naar grootschalige fraude en is je schurk iemand die dat kan tegenhouden, omdat die een invloedrijke baan heeft bij een grote bank. Maak deze woordenwebben niet te groot. Maak in plaats daarvan liever een paar hele beperkte en kijk welke van de woord er per woordenweb uitspringt. Daarmee kan je ook weer een nieuw thema, symboliek of aanknopingspunt vinden.

Laat je verhaal ook opbloeien

Een schurk die met deze opzet helemaal tot bloei komt, is een uitstekend uitgangspunt om je verhaal een interessant moraal of kijkje in de keuken van een bepaalde (historische) wereld mee te geven. Omdat deze slechterik zowel een speler in als een decorstuk van deze wereld is, wordt die niet zo snel een moraalridder die het lezerspubliek dat het vertelt dat het slecht is om naar macht, hebzucht of… te streven. Een situatie die zichzelf laat zien brengt een boodschap veel makkelijker over dan wanneer je door een overdaad aan conflicten iets koste wat kost duidelijk probeert te maken. Doe er je voordeel mee dat deze schurk die in zijn wereld past zonder veel extra moeite te doen, al laat zien hoe duister de situatie is. Maak het extra eng door te benadrukken hoe weinig ervoor nodig is om iets de verkeerde kant op te laten slaan, of hoe makkelijk enge systemen standhouden.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Daniel Sealey verkregen via Unsplash.

Zo maak je een cliché origineel: de eenzame detective

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en je zelfs nog de goede weg in te slaan als het die kant op gaat. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: de eenzame detective.

Het cliché

Het hele land is bang voor een losgeslagen moordenaar, die de politie met honderden manschappen maar niet kan vangen. Maar een detective met een eenmanszaak die ook nog eens eenzaam en vaak ook dronken is, kan die klus wel klaren.

Waarom stoort dit cliché zo?

Dit cliché is een twee-in-een. Het eerste cliché is de te grote powerfantasy. Het is niet realistisch dat een persoon kan wat een compleet beroepsmatig en getraind team niet kan. Anders was deze detective allang gerekruteerd. Maar ook de detective als persoontje is hier vaak eenheidsworst: hij is depressief, aan de drank, eenzaam, heeft een tragisch achtergrondverhaal of al het bovenstaande. Dan is het niet meer dan logisch dat je niets ‘beters’ te doen hebt dan de casus voor de zoveelste keer te overdenken en dat ene detail te vinden dat voor de doorbraak zorgt.

De oorzaak van het cliché: gebrek aan ‘echt’ plot

In een detective heb je de moord die opgelost moet worden en degene die dat moet doen. Dan is het puzzelstukjes verzamelen. Als je dat goed doet, houd je de lezer daarmee voldoende geïnteresseerd, maar op zichzelf zijn deze voorwaarden gegeven, geen verhalen met een plot. Maar dat mag ook niet de overhand krijgen, want het gaat om het oplossen van de moord. En zo belandt deze detective al snel in het eenzame of anderszins vastgelopen leventje waarin verder niet veel mag gebeuren.

Het cliché fiksen: van de zolderkamer af

Om beide clichés te fiksen, moet jouw detective vooral (vaker) van zijn zolderkamer afkomen. Als hij intensiever met het politiekorps samenwerkt, verminder je de kans op de impressie dat hij alles alleen weet op te lossen. Maar maak hem ook sociaal, of niet door zijn omstandigheden teruggetrokken of lastig in de omgang. Het spreekwoordelijke zolderkamertje waar de detective werkt, is van de buitenwereld afgesloten. En juist daar kom je mensen tegen met wie je interacties hebt die kunnen uitgroeien tot romances, wraakacties, je detective kan er verhalen horen over bedrog, verraad…
Kortom: in de buitenwereld spelen zich de verhaalthema’s af die een verhaal kleur geven. Zorg er vooral voor dat je speurneus die thema’s ook vanuit de eerste hand meemaakt. Dus laat hem niet alleen lezen over een vermeende betrokkene in zijn dossier die op wraak uit is: laat diegene ook op de stoep staan met het dreigement dat: ‘als ik die rotzak te pakken krijg, dan…’  En laat je detective iets van diegene vinden. Maak hem bang of juist geïrriteerd… En niet alleen als deze persoon in zijn kantoor staat: maak die gevoelens onderdeel van een subplot of verhaalthema. De detective mag niet zomaar een papieren casus op proberen te lossen: hij is een mens dat bij een menselijke casus betrokken is.

Tip voor het verlaten van de zolderkamer

Het spreekwoordelijke verlaten van de zolderkamer zoals hierboven beschreven kan je uitwerken met voorbeelden als:
–  werk en privé niet meer kunnen scheiden door een bepaalde gebeurtenis
– een gruwelijk detail kleurt zijn blik op de zaak zodanig dat hij niet meer objectief kan observeren
– zijn opgeblazen ego voorkomt een goede samenwerking met de recherche.

Anders gezegd: de cliché dronken detective heeft al zijn persoonlijkheid en gevoelens weggedronken, zodat hij zich helemaal op de zaak kan storten, zonder betrokken te hoeven raken. Probeer manieren te zoeken waarop hij juist wel betrokken raakt, of in ieder geval zijn menselijke natuur laat zien, met alle voor-en nadelen die daarbij horen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Een gedachtenstroom ordenen als je begint met schrijven

Yes, een idee voor een nieuw boek! Alles dringt zich tegelijkertijd aan je op. Personages, thema’s scènes, symboliek… Je denk meteen in de schrijversflow te komen, maar in plaats daarvan is je hoofd een onoverzichtelijke brei van ideeën geworden. In deze blogpost krijg je wat tips om orde in de enthousiaste chaos te scheppen en tegelijkertijd je ideeën te kunnen laten stromen.

Wat is de schrijversflow en waar gaat het soms mis?

Als je in de schrijversflow zit, gaat het schrijven als vanzelf. Je hoeft niet na te denken over hoe je de scène invulling gaat geven, want die lijkt zichzelf te schrijven. En nadenken over wat een personage zou doen of zeggen is ook niet nodig: je zit in de fase dat je je personage zo duidelijk voor je ziet, dat het bijna een echt persoon lijkt die het je gewoon vertelt: maar dat zou ik dus echt nooit doen, schrap die actie maar!

Als je al wat verder in je verhaal gevorderd bent, kan je meestal wel een manier vinden om die afwegingen en gedachtestromen te reguleren: je hebt immers al wat zaken uitgewerkt of in de grondverf staan. Dat wordt stukken moeilijk als je een ware explosie aan ideeën voor een verhaal hebt, waar je nog geen samenhang in hebt (gevonden). Dan gaat de schrijversflow te hard om bij te houden.

Waar moet je beginnen met uitwerken?

De ene schrijver krijgt een idee bij het bedenken van een thema, de ander ziet iets aparts op straat en weer een ander werkt graag vanuit een personage dat een bepaalde ontwikkeling doormaakt, waarna het verhaal zich daarna eromheen vormt. Wat het ook is, ze hebben gemeen dat het allemaal met dat ene aha- of yesmoment begint: die eerste vonk. Dáár moet je beginnen, zo niet alles omheen gaan bouwen, zoals bij het centrale woord in een woordenweb. Want dat ene idee, dat is waar voor jou als schrijver de kracht van het verhaal zit. Al dat andere: hoe het in elkaar gaat passen, of het lezerspubliek dit wel interesseert, dat komt later wel. Niet alleen omdat je die vonk even vast mag houden, maar ook omdat dat een uitwerkfase is. Als je niet duidelijk hebt en houdt waar je boek in wezen om draait, heb je ook geen broodnodige houvast voor het bepalen van al die andere zaken. Dan is het alsof je een puzzel wil maken, zonder te weten wat de foto op de puzzel is.

Rangschikken van de vonk

Je allereerste flits van inspiratie wordt de bouwsteen van alles wat je uitwerkt. Schrijf al het andere op wat je al aan ideeën of globale uitwerkingen hebt en kijk of je die kan rangschikken ten opzichte van die vonk.

Stel: jouw vonk is een beeld van een zinkend schip. Uit jouw gedachtestroom komen ook nog de volgende elementen:

  • De kapitein geeft de stuurman de schuld. Van iets: al dan niet dat het schip zinkt
  • mensen die verhongeren op het schip
  • een scène waarin een vrouw een rijke man probeert te verleiden om daar een voordeel uit te halen. Of dit op het schip is, weet je nog niet.

Voordat je je zorgen gaat maken of de kapitein de hoofdpersoon is, de arme passagiers of de vrouw, ga je kijken wat de kern van die losse elementen (symbolisch) met een zinkend schip te maken (kunnen) hebben. Of waarom juist deze beelden jou niet loslaten.

  • Iets lijkt te zeggen dat de kapitein niet koosjer is, zoveel als hij schreeuwt. Wat is daar toch gaande?
  • Een leven in armoede lijkt te vergaan met man en muis’
  • De vrouw probeert te verleiden om zo niet aan lager wal te raken: haar rijkdom en faam zijn als een lek schip langzaam aan het vergaan.

Het ene beeld, of de vertaalslag die je maakt, komt sterker over of spreekt je meer aan dan het andere. Probeer zo je losse puzzelstukjes te ordenen en kijk welke er als sterkste uit de bus komen. Kies die stukjes uit waarbij je het gevoel hebt dat die samen iets kunnen vertellen. Als het goed is, komt daar al een soort samenhang uit. Die mag gerust nog vaag zijn, maar in plaats van alleen een zinkend schip heb je al iets als:

Op een zinkend schip houdt iedereen de schijn op en wordt iedereen bedrogen. Alles wat onder de oppervlakte wordt gehouden komt bovendrijven en zorgt ervoor dat iedereen ten onder gaat.

Beginnen met aanvullen en schrappen

Als je de vonken hebt gerangschikt, heb je het basisbeginsel waar je altijd naar terug kan, zo niet moet gaan om je verder niet te stoppen gedachtestroom te kunnen reguleren. Van daar uit kun je vragen gaan stellen en zaken gaan aanvullen. Je hebt dus mensen nodig die de schijn ophouden. Dan zou de rijke vrouw je hoofdpersoon kunnen zijn. Maar hoe ziet het schip er uit waar zij op zou varen? Dat is vast geen simpel sloepje. Zo kan je weer aan een nieuwe ideeënstroom komen. Het het verschil met het allereerste begin is dat je nu een goed basiskader hebt.

Want die arme familie, wat doet die in een verhaal van de schijn ophouden? Hebben zij de belangrijke functie om de tegenpool van de rijken te spelen? Je kan ze op sollicitatiegesprek vragen. Maar misschien heb je toch het gevoel gekregen dat je het anders aan gaat pakken en geen arme mensen nodig hebt voor bepaalde symboliek. Dan moet je ze uit je aantekeningen gaan schrappen. Daarmee voorkom je meteen aan de tekentafel al dat je gaat verzinken in de subplots of een overvloed aan symboliek.

Keer altijd terug naar de vonk

Als je de vonk goed hebt gekaderd, kan je inspiratie blijven stromen, zonder dat je tekentafel een groot zooitje wordt. Ook later in het schrijfproces kan je naar de vonk terugkeren om te zien of je iets aan het verhaal kan toevoegen of dat beter kan laten. Een goed afgestemde vonk geeft niet alleen houvast en schrijfplezier, maar ook leesplezier voor je toekomstige publiek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Tobias Rademacher verkregen via Unsplash.