Creatief schrijven in het AI-tijdperk: een experiment

Er zijn eindeloze discussies gaande over het gebruik van AI. Op kantoor, op school en ook binnen de schrijverskringen. Gaat AI creatieve schrijvers ooit vervangen? Mag je AI gebruiken en zo ja, waarvoor en hoeveel? Maar ook: waar blijft het menselijke (nog) als AI het straks ‘overneemt’ of zonder pardon wordt ingezet? Op dat laatste ga ik in deze en de volgende blogpost verder in. Om schrijvers te helpen en een hart onder de riem te steken als ze in een dip zitten en denken dat hun creativiteit er (straks) niet meer toe doet.

Startpunt: mijn visie over AI

Ik heb een bloedhekel aan AI bij creatief schrijven. Naar mijn mening rammelt dat aan alles wat het schrijver zijn inhoudt. De creativiteit, het uitdenken van personages, plots en thema’s, zoeken naar dat ene woord wat de perfecte nuance uitdrukt. Schrijven is een kunst: het cliché is echt waar. Ik vind het niet oké dat de waarheid achter dat cliché steeds meer onder druk komt te staan. Er is op zoveel manieren al een gebrek aan menselijkheid in de wereld, laten we dan iets als creativiteit en kunst dan alsjeblíeft niet (ook al) aan machines uitbesteden…

Maar goed, dat is en blijft mijn mening. En of er nu tachtig of tachtig miljoen mensen diezelfde mening delen, het feit blijft dat AI steeds meer in gebruik wordt genomen en steeds geavanceerder wordt.
Toch kan AI mij en jouw niet zomaar iets afnemen en dat is het vermogen om alsnog zelf te schrijven. En daarom gaan we nu een experiment uitvoeren, voor als je het gevoel hebt dat AI creatiever is dan jij. Want dat zal het nooit worden. Kop op! Je bent een schrijver en een mens, en daar mag je trots op zijn.

AI, vertel eens:

… een verhaal van 450 woorden over een stel dertigers die elkaar tegenkomen op een fietstocht aan de andere kant van de wereld en de rest van hun leven vrienden blijven door elkaar fysieke post te sturen? Ze ontmoeten elkaar na de fietstocht nooit meer.
Dit schreef de AI-bot van Ecosia *

De zon stond laag boven de Andes, toen Lisa en Thomas elkaar kruisten op de laatste etappe van de Pan-American Highway. Ze waren beiden dertig, op dat moment diep verzonken in de eenzaamheid van een reis die ze hadden genomen om ontsnapping te vinden. Lisa uit Berlijn, net uit een relatie gestapt; Thomas uit Sydney, op de vlucht voor een carrière die hem verstikte. Hun fietsen, zwaar beladen met tenten en blikjes bonen, raakten elkaar bijna toen ze een bocht namen. Een glimlach, een knik, geen woorden nodig. Die avond deelden ze een kampvuur met twee andere fietsers, lachten om de mislukte probeersels om te koken op lage temperaturen, en luisterden naar het kraken van de aarde.

Het was een vluchtig moment, typisch voor de weg: intens, echt, maar vergankelijk. De volgende ochtend scheidden hun wegen. Thomas ging noordwaarts, Lisa zuidwaarts. Ze wisselden e-mailadressen uit, niet wetend dat het internet hun verbinding snel zou vergeten. Terug in hun respectieve werkelijkheden, waar de tijd niet stilstaat voor reflectie, dreigde de magie van die bergpas te vervagen. De dagelijkse strijd van het leven nam weer steken. E-mails werden zeldzamer, dan stopten ze helemaal.

Twee jaar later, op een willekeurige dinsdag, ontving Lisa een pakje. Geen e-mail, geen bericht, gewoon een zwaar enveloppe van karton, met een postzegel uit Australië. Er zat een ansichtkaart in, met een foto van de Great Barrier Reef. Op de achterkant stond: “Deze vis zag eruit alsof hij jou kende. Groet, Thomas.” Geen lange brief, geen verklaring van vriendschap. Gewoon een teken dat hij nog bestond, en dat hij aan haar dacht.

Lisa voelde iets in haar borstkas loskomen, een knoop die ze niet wist dat ze droeg. Ze pakte haar pen, schreef geen verontschuldiging voor het stilzwijgen, maar een korte reactie op de kaart, en stuurde hem terug. Zo begon het spel.

Het werd een ritueel. Eens per maand, soms twee, stuurden ze iets. Geen digitale berichten, geen likes, geen snelle reacties. Fysieke post. Thomas stuurde een steen uit de woestijn van Utah, een gedroogd blad uit het bos van Kyoto, een briefje opgewikkeld in een rol wc-papier uit een camping in Peru. Lisa stuurde een theezakje uit Marokko, een foto van een kat uit Barcelona, een schets van een gebouw uit Rome.

Het was geen intensieve vriendschap. Ze deelden geen diepe geheimen, geen trauma’s, geen toekomstplannen. Het was iets anders, iets zachters. Een bevestiging dat de ander doorging met leven, doorging met reizen, doorging met bestaan. In een wereld van verdwijnende berichten en vergankelijke social media-posts, was hun verbinding tastbaar. Je kon het vasthouden, ruiken, bewaren.

Ze ontmoetten elkaar nooit meer. Geen video-calls, geen afspraken om elkaar te bezoeken. Het was een bewuste keuze. Door de afstand en de stilte tussen de brieven in, behielden ze de essentie van hun ontmoeting intact. Het was een vriendschap die leefde in de ruimte tussen hen, niet in de drukte van het dagelijks contact.

Vijftien jaar later ligt Lisa’s kast vol met dozen, gevuld met de post van Thomas. Steentjes, kaartjes, briefjes. Ze leest ze niet meer, maar ze weet dat ze er zijn. Een anker in een wereld die te snel draait. En soms, als de wind door het raam slaat, denkt ze aan die bergpas, aan het kampvuur, en aan de vreemde, prachtige manier waarop twee mensen elkaar kunnen vinden, en dan, voor altijd, kunnen missen.

Gatver, wat zit ik hier als schrijfcoach te gruwelen. Er wordt veel te letterlijk verteld wat de situatie is “Het was geen intensieve vriendschap” (ooit van show don’t tell gehoord?) en de dramatische komma’s van nadruk zijn er ook genoeg ( bijvoorbeeld: Een glimlach, een knik, geen woorden nodig.) En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Ga eens voor zover je dat kan op mijn redacteursstoel zitten. Schrijf alles op waarvan je objectief weet dat het slecht geschreven is, creatief of taalkundig. Maar zeker ook waar je je inhoudelijk aan stoort. Zint een bepaalde trope je niet, of vindt je het verhaal te veel over de brieven gaan en te weinig over de fietstocht? Noteer álles. Dan gaan we volgende week verder met onze experiment. Ik beloof je: ook als AI snel of straks beter wordt, zal je met dit experiment nog steeds het gevoel krijgen dat jij als menselijke schrijver onmisbaar of of zijn minst nog hartstikke creatief bent.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van manuscriptredactie. Daarbij gebruik ik – zoals je vast al kon raden- Ab-so-luut- geen AI.

* Nog een andere reden waarom ik AI zo naar vindt, is de enorme schade die het aan het milieu aanricht. Daarom gebruik ik Ecosia voor mijn zoekopdrachten, een zoekmachine die bij elke zoekopdracht een boom plant. Nee, dit is niet gesponsord, maar gewoon mijn eigen extra tegenaanval op AI als ik het van opdrachtgevers moet gebruiken. Voor degene die dan ook liever iets goeds met hun AI willen doen als het gebruik ervan onvermijdelijk is. 🙂

Foto door BoliviaInteligente verkregen via Unsplash.

Geef een reactie