De observerende schrijver: ik zie… een wereldkaart

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…een wereldkaart.

Waar hangt de wereldkaart?

Waar hangt de wereldkaart die je op dit moment (voor je) ziet? In je huis als decoratie, of is het de wereldkaart van de basisschool? Welke van de twee het ook is, de kans is erg groot dat je associatie van de ene, heel erg verschilt van de andere. De wereldkaart in huis dient als decoratie. Die in de klas doet je eraan herinneren hoe vreselijk het was om op de basisschool topografie te leren en al die landen en hun hoofdsteden erin te moeten stampen.

Dacht je zelfs maar aan de andere optie toen je de titel van dit artikel las? De kans bestaat dat dat niet zo is, omdat een saaie topografieles een wereld van verschil is in vergelijking met de associatie van een fijne reis. Dat is de oefening bij deze observatieles. Soms moet je je bij observeren beseffen dat je beeld compleet vertekend kan zijn vanwege de ruimte die op dat moment van toepassing is (of de sfeer, of het gezelschap of…). Datgene dat jij op dat moment door een bepaalde bril observeert vanwege bepaalde associaties die lastig uit te schakelen zijn.

Je bril afzetten tijdens observeren

Het vervelende van observeren is dat het trekken van bepaalde conclusies of het leggen van bepaalde verbanden zo snel gaat, dat het simpelweg niet te stoppen is; het gebeurt in milliseconden. Helemaal neutraal observeren is dus bijna onmogelijk. Het goede nieuws is dat je als schrijver waarschijnlijk een opschrijfboekje hebt. Dit is een goed moment om dat er eens bij te pakken!

Schrijf het kernwoord boven twee kolommen. In dit geval is dat wereldkaart, maar doe dit gerust met alles wat tot jouw verbeelding spreekt. Schrijf in de eerste kolom: “Plaats” en in de andere “Dit voel ik”.
Schrijf in de kolom plaats niet alleen de vanzelfsprekende dingen (‘klaslokaal’ of ‘aan de muur thuis’), maar bedenk ook één of twee aparte plaatsen (voor een wereldkaart) de supermarkt, of in de onderwatertuin van het zeepaardje in het aquarium, wat er maar in je opkomt. 
Vul daarachter in de bijbehorende kolom wat je daarbij voelt. Ga je giechelen vanwege het idiote idee dat de wereldkaart daar zou hangen? Of word je verdrietig bij het idee dat de wereldkraskaart die jij als fervent reiziger hebt, onder de kast stof ligt te verzamelen?

Natuurlijk kunnen hier complete verhaallijnen uit ontstaan. Schrijf die zeker op, als dat zo is!
Maar voor deze observatieoefening moet je dat niet doen. Sterker nog, je moet er juist afstand van nemen. Waar je in die eerste milliseconden van observeren niet anders kon dan conclusies trekken, ga je die conclusies nu juist loslaten met behulp van je opschrijfboekje.

“Blegh, topoles?” Maar de wereldkaart zelf geeft de les niet, dat doet de juf nog altijd. Met andere woorden: wat zie je nu echt en wat vult je verbeelding in of aan? Je ziet alleen de wereldkaart. En misschien de boekenkasten in het klaslokaal en de lessenaars.

Als je observeert op deze ‘onthechte’ manier, kan je daar de carte blanche mee krijgen die je soms nodig hebt om niet te hard van stapel te lopen met (sfeer)omschrijvingen of associaties met bepaalde voorwerpen. Dat is soms nodig om de lezer mee te kunnen nemen in jouw leefwereld en daarmee die van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding verkregen via Unsplash, fotograaf Jack Stapleton

Woorden met een verborgen waardeoordeel- praktijk

Je hebt een personage met een (karakter)eigenschap waarmee die onrecht al op voorhand met 1-0 achter lijkt te staan. Hoe werk je dit personage uit zonder dat deze eigenschap al het andere wat er speelt compleet overschaduwd?

Niet slecht bedoeld, maar toch…

Vorige week schreef ik al een inleiding over dit principe: het idee dat als een personage arm, lelijk, dom of minder sociaal is, het in meer of mindere mate al afgeschreven is, zonder dat er gekeken wordt naar wat het nog méér is.
‘Afgeschreven’ betekent hier zowel ‘niet meer belangrijk’, maar ook: ‘niet de moeite om nog verder uit te werken’. En allebei de keren vanwege het idee dat die woorden zodanig taboe zijn, dat iedereen – inclusief je lezer- bewust of onbewust in meer of mindere mate denkt dat dat personage niet interessant meer kan zijn of iets belangrijks te vertellen heeft.

Harder knokken

Om dit interessante personage alsnog het welverdiende podium als hoofdpersoon of tijdelijke schijnwerpers als medepersonage in een hoofdstuk of scène mee te kunnen geven, moet het harder knokken. Daar komt het simpel gezegd op neer. Eenvoudig voorbeeld: er zijn twee sollicitanten die allebei even bekwaam zijn en evenveel relevante werkervaring hebben. De werkgever nodigt hen uit om allebei een week mee te draaien om zo de knoop door te hakken. De knappe sollicitant heeft dan toch een streepje voor. De lelijke moet net iets harder moeten werken om die baan te krijgen: net iets meer doorzettingsvermogen laten zien, meer werk gedaan krijgen…

Laat de held echt gewoon lelijk/dom/ sociaal onhandig of arm zijn. Kijk alleen goed wanneer je personage echt last van deze eigenschap heeft en hoe het zich daar alsnog ‘omheen weet te werken’. Dat is niet rechttoe rechtaan een strijd aangaan, maar wel eentje die minstens net zo zwaar is vanwege alle omwegen. Daardoor zal die strijd minstens net zo spannend zijn! De allereerste voorwaarde is dat je nooit gaat overromantiseren: dom of lelijk zijn is niet ineens wenselijk aan het einde van verhaal zodat je personage alsnog een soort medaille krijgt waar dat eerst nog iets ongemakkelijks of zelfs ronduit ongewenst was, dat zou krom zijn.
Kijk vervolgens waar je personage voor moet knokken.

Meer mens dan personage

Nog meer dan anders moet je naar dit personage kijken als een mens. Als schrijver kijk je vaak naar personages die een bepaalde archetype vertegenwoordigen en dus bepaalde dingen moeten vinden, doen of overwinnen. Wel zo overzichtelijk voor je save the cat schema en centraal conflict. Dus, heb je een zorgzaam personage nodig? Dan maak je daar gemakshalve een verpleegkundige van die meer voor zichzelf op moet leren komen. Bij een personage dat een waardeoordeel tegen zich heeft, mag je niet zo simpel denken. Denk nu meer in termen als ‘een mens zich zomaar niet laat kneden’ of ‘je mag niet in hokjes denken’. Dat betekent dat je die eigenschap dus ook niet ergens bovenaan de kenmerken van je personage mag zetten.

Als je een zorgzaam personage bedenkt, denk je waarschijnlijk iets als:
1) zorgzaam
2) geduldig
3) verpleegster

Bij een personage dat met een vervelend waardeoordeel te maken heeft, moet je eerder denken:
1) behulpzaam
2) enthousiast
3) stijve hark
4) gek op dieren
5) Ajaxsupporter
6) achtbaanfanaat
7) dom

Als een kenmerk in je verhaal niet de boventoon mag voeren, mag het dat ook niet doen in je aantekeningen.

Wanneer maakt het uit en waarom?

Een kenmerk met een waardeoordeel is pas belangrijk wanneer het personage er zelf ook daadwerkelijk last van heeft. Stel dat je een personage hebt met een IQ van 65. Het heeft dus moeite met leren, maar kan wel gewoon prima functioneren als ober in een restaurant; in het praktijkonderwijs is dit personage daarvoor is opgeleid en heeft het een certificaat voor oberen gekregen. Verder is het leven goed. Dan maakt het ‘dom zijn’ van dit personage niets uit en kan je het vanwege het waardeoordeel beter niet noemen. Voor je het weet is deze lieve ober of ‘te dom om te ertoe te doen’ of ‘moet die gered worden van het waardeoordeel van dom zijn’ terwijl er niets te redden valt in een verder gelukkig en goedlopend leven.

Heeft dit personage vanwege een lager IQ zodanig veel moeite met dingen onthouden of met hoofdrekenen dat het daardoor als ober in de knel komt met afrekenen of bestellingen rondbrengen, dan is het het noemen waard, omdat het personage er zelf last van heeft. Maar dan heb je dus ook een passend conflict om uit te werken.

Als het dan wel uitmaakt: het Riketeffect

Zodra je personage wel in de knel komt met een minder gewenst kenmerk, moet je als eerst kijken naar de 1-10 schaal waarop het kenmerk daadwerkelijk een hinder vormt. Controleer goed of die schaal nog past in je context. Iemand met een 3 op de schoonheidsschaal moet je geen model proberen te maken, dat komt enkel geforceerd over.
Maar stel dat onze Romeo merkt dat hij met zijn 4 niet mooi genoeg is om indruk te maken op Julia en dat ook echt zo is: Julia vindt hem lelijk en kan zich daar niet overheen zetten. Gelukkig kan je Julia zodanig goed en realistisch uitwerken (hint!) dat ze niet zo’n wicht is dat ze Romeo daardoor geen blik waardig keurt. Als Romeo dan de kans krijgt om te laten zien dat hij wel grappig, behulpzaam, empathisch is. Alles wat Julia’s ex Zacharias die haar zonder pardon dumpte om in New York een modellencarrière na te jagen niet was. Dan kan Julia alsnog op (deze) Romeo vallen. Lekker cliché, zo oud dat die premisse zelfs in een eeuwenoud sprookje voorkomt: dat van Riket met de kuif. Dit ‘Riketeffect’ is een belangrijke les voor je schrijftechniek als je met waardeoordelen gaat werken: als iets wat er echt toe doet en wat wenselijk is uiteindelijk op de voorgrond komt en dat goed uitwerkt, doet het minder wenselijke aspect er niet meer toe, zonder dat je je in allerlei gekke bochten hoeft te wringen, of geforceerd of politiek correct hoeft te schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Zapata op Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… authenticiteit

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…authenticiteit.

Is het wel echt authentiek?

Authentiek is een gek woord, in zoverre dat het begrip authenticiteit iets is wat we in sommige situaties erg belangrijk of mooi vinden, maar dat we als we ‘authentiek’ zeggen, vaak iets anders bedoelen. De Van Dale houdt het eenvoudig: authenticiteit = echt. Maar hoe vaak hoor je niet dat iemand heel ‘authentiek’ is, als diegene extravert, zachtaardig of op een positieve manier anders is dan anderen? Dan bedoelen we meestal dat diegene niet doet wat volgens de (sociale) norm normaal is, maar doet, zegt of zich kleedt zoals die zelf wil: er wordt geen masker opgezet.
Normaalgesproken hoef je je niet zo strak aan de Van Dale te houden: dan wordt praten en schrijven erg vermoeiend. Maar voor de observerende schrijver is er een belangrijke valkuil bij het niet volgen van deze definitie van Van Dale. Neem iemand die zich ‘authentiek’ uit door met weloverwogen woorden te spreken, om zo echt te delen wat die op het hart heeft. Daar zit meteen de crux: dat kan zo lijken, maar zeker weten doe je het niet: wie weet staat diegene wel onder druk om vooral niet snel en ‘lomp’ de gedachten te verwoorden.
Klopt, de kans is klein, maar de kunst van zuiver observeren is dat je opmerkt wat je enkel en alleen ziet. Wat je invulling is, komt daarna pas.

Authenticiteit observeren

Het zal je dan waarschijnlijk ook niet verbazen dat zuivere authenticiteit observeren lastig kan zijn. Iemand kan aan de kant blijven staan en niet meedansen bij een spontane flashmob. Dat maakt diegene die dat wél doet niet meteen authentiek. Het kan gewoon betekenen dat de toeschouwer niet van dansen houdt. Misschien glimlacht diegene bij een compliment, al is dat dan niet meteen van oor tot oor. Voor deze meer verlegen persoon is dat zo authentiek als maar zijn kan.

Net als bij het observeren van liefde is authenticiteit observeren erg specifiek en moeilijk en vergt het tijd om het goed te leren. Voor authenticiteit zelf is er geen echt checklijstje, omdat ook dat observeren alleen gaat als je er een min of meer eigen definitie bij hebt. Om die eigen definitie te vormen, kunnen de volgende vragen je wel op weg helpen:

  • Wanneer vond ik iemand nep of zag ik iets wat ik nep vond? Waarom was dat?
  • Hoe snel komt de ‘authentieke reactie’? Als je intern veel dingen moet overwegen, of bedenkt of iets wel of niet mag of hoort, is het al snel niet meer authentiek, eerder berekenend.
  • Doet/ zegt diegene dit in het openbaar? Dan is de kans groter dat dat ook authentiek is: we doen relatief snel minder authentiek als Jan en alleman ons kan zien, omdat dat niet iets is wat hoort, of waar je je zelfs voor moet schamen.

Langzaam maar zeker kom je er dan achter wat jij het verschil vindt tussen authentiek en spontaan, wijs, extravert, vrijgevochten, of… en dat kan je dan weer met een eigen schrijfstem uitwerken om zo interessante en unieke personages te schrijven.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Brett Jordan verkregen via Unsplash.

Woorden met een verborgen waardeoordeel- theorie

Er is een handjevol woorden die je voor het beschrijven van een persoon kan gebruiken, maar waarbij dat nooit gebeurt, omdat alleen de implicatie daarvan al ongewenst is, is mij opgevallen. Specifieker: je gebruikt hun antoniem met een extra toelichting om te benadrukken wat je zéker niet bedoelt. Daardoor krijgen deze woorden onbedoeld een waardeoordeel. Het is de moeite waard om daar eens naar te kijken, omdat het een accurate beschrijving van een personage en de leeservaring van je lezers in de weg kan zitten.

Wat ben je..!

De woorden waar ik op doel, betreffen allemaal (karakter)eigenschappen van een persoon. En wel van het soort waarvan we het er over eens lijken te zijn dat het ene – in meer of mindere mate- minder gewenst is dan de tegenhanger:

* Arm-rijk
* Dom-slim
* Lelijk- mooi
* Verlegen- sociaal

Om een belangrijk punt te verduidelijken: de eerste eigenschappen in de rijtjes zijn niet per se slecht. Vergelijk ze maar eens met: zachtaardig- kwaadaardig of onzelfzuchtig-egoïstisch. Dat is andere koek, toch? En toch… Als je zou zeggen:
“Zij is arm,” dan is dat een taboe, of erger: dan zou de mening van diegene niet meetellen. Terwijl je waarschijnlijk niet eens weet hoeveel geld diegene precies heeft, of wat de spreker misschien überhaupt onder ‘rijk zijn’ verstaat.
“Ik vind haar niet mooi.” Noemde je haar zonet lelijk? Wat lomp! (Op een schaal van 1-10 vind ik 10-8 mooi en 4-1 lelijk, zij is een 6.)
“Ik vind hem niet slim.” (Nee, ik zeg niet meteen dat hij een IQ van 60 heeft, ik bedoel dat hij niet snel met eigen ideeën komt en eerder vaak die van anderen overneemt.)
“Hij heeft moeite met sociale vaardigheden.” (Ja, dan heeft hij moeite met contact maken, maar dat wil hij dan misschien alsnog heel graag en kan hij dat ook – hetzij met meer moeite-. Hij is niet onmiddellijk een mensenschuwe kluizenaar.)

dan heb je een probleem, want o wee als je iemand niet noemt wat we grofweg allemaal na (moeten) streven te zijn. Natuurlijk zijn de waardeoordelende woorden zelf redelijk direct en kunnen ze dus kwetsend zijn. Maar toch, als men zelfs maar denkt dat je het woord uit het tweede rijtje bedoelt…’We gebruiken het antoniem, of we praten er helemaal niet meer over.’ En dat is het probleem waar ik naar ga kijken: het wel alsof er voor deze woorden niet zozeer een schaal van 1 tot 10 lijkt te zijn, als wel een schaal van 1 of 10. De nuance lijkt weg.

Wat is jouw vriend lelijk, zeg!

En bedankt… Laten we eerlijk zijn, als jouw geliefde inderdaad de eerder genoemde 4 is, zou je misschien willen dat hij een vijfje of misschien zelfs een 7 zou zijn, maar uiteindelijk is het wel je geliefde en dat is niet voor niets zo. Dan scoort hij wel mooi een 8 of 9 op dingen als doorzettingsvermogen, empathie en slimheid. Al met al lijkt me dat dan best een mooie vent ;).
En dat lijkt men bij de vier woorden met waardeoordeel (arm, dom, lelijk en sociaal onhandig) niet meer te beseffen. Dat andere mooie eigenschappen dat kunnen compenseren, of dat -bijvoorbeeld- lelijk zijn je niet meteen een slecht of minderwaardig mens maakt. Maar kijk eens naar Robert Hoge. Je zou hem uitgesproken lelijk kunnen noemen, maar hij heeft ook humor, zelfvertrouwen en iets heel interessants te vertellen. Zou je deze man uit een vriendenkring jagen, alleen vanwege zijn gezicht, als/nu je dat weet? Hopelijk niet…

Maar nu de lezer nog…

Het is maar goed dat je tijdens het schrijven van een verhaal niet zo’n preek af kan of mag steken zoals ik hierboven doe. Dat zou ten koste gaan van de verhaalbeleving in het algemeen: show verdwijnt, tell krijgt de overhand, en de comfortzone en/of het centraal conflict zou van hot naar her gaan:
“Nu moet je oké worden met lelijk zijn. Wat doet dat eigenlijk met je? O God sta je bij, daar komt de draak aan. Snel, pak je schild op, voordat je geroosterd wordt! Zo… nu die draak uit de weg is: hoe voelt het voor je om in de spiegel te kij… O help, daar komt het boze broertje van de draak aanzetten! Je schild, waar is je verdraaide schild ineens gebleven?!”
Maar wat als je je personage dan ‘gewoon’ lelijk, sociaal onhandig of niet zo slim wil maken, zonder dat dat het hele verhaal bepaalt of een eendimensionale trope in de hand werkt? Waarschijnlijk moet je de lezer dan alsnog eerst ervan overtuigen dat deze eigenschappen er ook onvoorwaardelijk mogen zijn, gezien de sterke aanwezigheid van de 1 of 10 schaal.

Om te beginnen werk je daarvoor met het principe van ‘kiezen voor de massa‘ zoals je dat ook gebruikt bij een personage met minderheidskenmerken. Maar in het geval van een kenmerk met een waardeoordeel heb je met nog wat meer mitsen en maren en afwegingen te maken. Volgende week ga ik daar uitgebreider op in, maar in het kort moet je letten op:
* Hoe sterk is het waardeoordeel (in deze setting?)
* In hoeverre heeft je personage er zelf hinder van?
* Laat het kenmerk aan bod komen op het moment dat er iets anders kan ‘afleiden’.
* Ga het kenmerk niet overromantiseren. Iemand die lelijk is, kan dan wel een mooie ziel zijn, maar ga dan niet zover dat je ook de nadruk legt op hoe de vreselijke littekens ineens een visueel prachtige (symbolische) weerspiegeling zijn van alles waar diegene in het leven voor gevochten heeft. Dan zou je vergeten dat lelijkheid, hoewel misschien niet gewenst, van zichzelf niets kwalijks of slechts is. En daar deed je het net voor…

In feite gaat deze theorie niet alleen op voor arm, lelijk, dom, of sociaal onhandig. Het geldt ook voor alles waar een zeker taboe op rust als iemand iets (aangeborens) is of heeft wat die liever niet zou zijn als de keuze aan hen lag. Iets wat je desondanks geen slechter mens maakt, of waar je niets aan kan doen. Ken jij nog zo’n eigenschap waarbij er een schaal van 1 of 10 lijkt te bestaan? Laat het me weten in de reacties!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jane Almon verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… donderwolken en zonneschijn

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… donderwolken en zonneschijn.

Het zonnetje in huis en daarbuiten

Ken je het verschijnsel dat alles en iedereen mooi, lief en goedgemutst is als je vrolijk bent, maar dat de wereld vol lijkt te zijn met gemene, lelijke en chagrijnige mensen als je zelf ook niet in je beste doen bent? Dat effect noem ik het spiegeleffect. 
Wat kan je met het feit dat een vaststaand gegeven (je humeur of het weer) de manier kleurt waarop je dingen observeert?

Heerlijk weertje vandaag, hè?

Het is niet voor niets zo dat in boeken de reünie met de verloren gewaande vriend een fantastisch zonnetje als achtergronddecor heeft. Als het alsnog met bakken uit de lucht valt, dan kan je er de donder op zeggen dat die vriend in de tussenliggende jaren van alles en nog wat uitgevreten heeft en nu ineens komt opdagen om je held iets af te troggelen. Het weer is een effectieve manier om snel een sfeer duidelijk te maken een soort algemeen gereedschap om het spiegeleffect te bewerkstelligen. In het echte leven gaat het ook op.  

Natuurlijk is iedereen vrolijk als de zon schijnt na vier maanden regen en zoekt men massaal een plek om te schuilen bij een plotselinge stortbui. Maar wat zie je bij meer ‘neutrale’ weerdagen, zoals een doodgewoon buitje in het wisselvallige Hollandse weerbeeld? Of bij iets als sneeuw, waarbij kinderen uit hun dak gaan vanwege de sneeuwpret, maar de zure buurman klaagt over de kou? In hoeverre is het weer dan nog van invloed op de algemene gemoedstoestand? Kijk eens wat je opmerkt. Daar kan je een testje aan koppelen: bedenk hoe een willekeurige voorbijganger op straat zou reageren als het plotseling zou gaan waaien of er een regenboog zou verschijnen.

Als je op deze manier het meteorologische weer kan ontleden, helpt dat met het observeren van je eigen buien en zonnige momenten. Of om die van anderen te zien of te raden.  

De donderwolk boven je hoofd

Als je zo’n dag hebt waar het alles en iedereen lelijk, gemeen en vies is, is het een hele kunst om nog iemand te zien lachen in een menigte. En als je dat doet, denk je waarschijnlijk iets als: wat valt er te grijnzen, jolige flierefluiter? De laatste mooie trui in de uitverkoop is net voor mijn neus weggegrist en iemand sneed me op weg naar de parkeerplaats. Dat zal jij wel geweest zijn, allebei de keren…

Of het tegenovergestelde idee, als je supervrolijk bent.

Als je niet vies bent van mindfulness, zijn zowel je slechtste als je mooiste momenten ideale gelegenheid om daarmee te oefenen, vanwege het uitgesproken spiegeleffect wat dan speelt. Is dat niet zo je ding, probeer om dan in een meer neutrale bui in een mensenmassa te ontdekken wie er op dat moment een ‘versterkte spiegel’ heeft. Waar zie je dat aan? Aan iets duidelijks als: ‘het breed grijnzende meisje groet de winkelbediende zeer hartelijk’ of: ‘de boos telefonerende passagier snauwt de buschauffeur af’ of zie je het óók aan iets relatief kleins als de manieren van lopen, lichaamshouding of de gefronste wenkbrauwen waarmee iemand naar diens telefoon kijkt?

Op deze manier oefenen met het spiegeleffect helpt je om neutraler te leren observeren, meer oog voor detail te krijgen en de waarheid van je personage goed op papier te krijgen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Niklas Weiss verkregen via Unsplash.

Een figurant uitwerken: waarom, wanneer en hoe?

De figurant: dat personage dat heel even in een scène opduikt in een bijna onbeduidende rol, en nooit meer terugkomt, of misschien tien hoofdstukken later nog eenmaal terloops genoemd wordt. Inherent aan de figurant is dat die een voorbijganger moet zijn. Maar een boek vol grijze, gezichtsloze voorbijgangers, wordt op den duur ook saai. Dus geef je een figurant een letterlijk en/of figuurlijk gezicht. Waarom, wanneer en hoe doe je dat?

Waarom schrijf je een figurant uit?

De rol van een figurant is zodanig klein dat je je ook kan afvragen waarom je de scène waarin die voorkomt überhaupt uitschrijft. Waarom beschrijf je hoe je personage naar de supermarkt gaat en daar de ingrediënten voor een tomatensoep in het boodschappenmandje stopt, om vervolgens gegroet te worden door een hartelijk kassameisje als je óók : ‘Amina ging naar de supermarkt om ingrediënten voor tomatensoep te koken,’ of zelfs ‘Amina at die avond tomatensoep’ kan schrijven of die hele tomatensoep weg kan laten? Boodschappen doen of de samenstelling van een maaltijd an sich is immers vaak niet noemenswaardig. De afweging daarvoor is iets voor een afzonderlijke blogpost, maar als je besluit om dat supermarktbezoek in detail uit te schrijven, dan heb je daar een reden voor. Schrijf die reden op, want die vormt de basis van wat je figurant moet doen, zeggen of hoe die eruit moet komen te zien. De figurant moet die reden namelijk in levende lijve weerspiegelen.

Details als weerspiegeling van thema en symboliek

Symboliek en verhaalthema’s zijn onmisbaar in goede verhalen. Het lastige eraan is dat ze relatief snel cliché zijn, of zo goed genuanceerd en verweven zijn dat ze voor sommige lezers niet genoeg opvallen. Die balans vinden is soms best lastig. Op zulke momenten zijn details of ‘saaie scènes’ een uitkomst. Niet eindeloos dubben over of je heldin koffie gaat drinken in de Seattle Starbucks of een onafhankelijke koffiezaak, ze gaat naar de supermarkt en ziet daar een hartelijk kassameisje, dat haar er op een vreselijke dag aan herinnert dat er nog goede mensen op de wereld zijn.

Achter zo’n detail als: ‘die dag waarop ze dacht dat de hele wereld vol verdorven mensen zat’, schuilt hoogstwaarschijnlijk een heel groot deel van het plot, verwijst dat naar een belangrijke scène of vormt dat een belangrijk deel van de personagebiografie. Misschien is je heldin de dag daarvoor bijna vermoord, op straat gezet door haar ouders, of… Die gebeurtenis is allesbehalve een detail. Dan kan een vriendelijke caissière een eenvoudige manier zijn om een gemoedstoestand of sfeer helemaal om te keren, zonder dat je lezer het gevoel krijgt dat die verandering geforceerd wordt ingezet. Het is dan een natuurlijke en logische spiegeling van de situatie. Als een detail dat effect kan hebben, is het een goed idee om de figurant iets meer kenmerken te geven dan de gezichts-en naamloze voorbijganger.

De figurant kenmerken geven

Als je ervoor kiest om de figurant uit te werken, geef die dan een aantal kenmerken. Twee of drie is het goede aantal om deze persoon net opvallend genoeg te maken, zonder het potentieel startschot te geven voor de creatie van een personage dat later een belangrijke rol in het verhaal gaat spelen. Het leuke van deze kernmerken kiezen is dat werkelijk alles mag. Van iets simpels als de naam, tot iets als een pimpelpaars broekpak, echt alles kan. Bovendien: niets hoeft. Misschien ligt het voor de hand dat iets persoonlijks én algemeens als een naam zou ‘moeten’, maar dat is niet altijd zo.

Een tiener gaat een halfjaar op uitwisselingsreis gaat naar een high school in Amerika. Een fantastisch avontuur, maar wachtend bij de gate, vlak voor het vertrek van het vliegtuig, zinkt de moed deze jongeman in de schoenen. Waar is hij in godsnaam aan begonnen? Is zijn Engels wel goed genoeg om alle lessen te volgen? Zal hij wel vrienden maken als de ‘outsider’? Misschien wordt hij wel gepest. En wat als zijn gastouders niet zo aardig zijn als ze lijken? Dan zit je daar een halfjaar met een stel tirannen als ouders…
Je besluit om een van de medepassagiers die wachten bij de gate, de sfeer en de gemoedstoestand een handje te laten helpen. Ook wil je van deze persoon een figurant maken: je wil geen toevalsituatie waarin diegene in de buurt van het Amerikaanse adres van de jongen blijkt te wonen, waarna er een vriendschap voor het leven ontstaat. Daarom geef je deze figurant een universiteitssweater aan van dezelfde school waar de gastmoeder gestudeerd heeft. Bovendien heeft diegene net zo’n gekke schaterlach als de beste vriend van de jonge held. Hé, misschien wordt het wel gewoon fantastisch in Amerika! De sfeer is omgeslagen, de figurant heeft diens werk gedaan en we weten niet eens hoe degene heet, of het een man of een vrouw is of hoe die er verder uitziet.

De kenmerken van een figurant kiezen

Je mag bij een figurant dus van alles en nog wat kiezen om die ermee te beschrijven. Het effectiefst is om je daarbij te laten leiden door de kenmerken die op dat moment de waarheid of gemoedstoestand van je personage (symbolisch) weerspiegelen. Wat is op dat moment het ‘seintje’ dat je personage nodig heeft om iets op te merken of dingen anders te zien?
Je kan hierbij hele persoonlijke details kiezen, zoals het voorbeeld van de schaterlach van de figurant hierboven, of je kan je laten leiden door kenmerken die wat meer algemeen zijn en van archetypen uitgaan. Zo kan je figurant tien hoofdstukken later nog een keer genoemd worden in (terloopse) zinnen als: ‘Ik voelde me net zo verrast en opgewerkt als toen ik de schaterlach van die vreemdeling hoorde, tijdens die zenuwachtige momenten bij de gate.’ om weer snel en effectief te kunnen terugblikken of een sfeer te scheppen. Maar dat betekent dus wel dat je die enkele kenmerken van de figurant zeer zorgvuldig moet kiezen: ze moeten opvallen en betekenis hebben, anders verdwijnt de figurant (later in het verhaal) alsnog tussen alle andere details en verhaallijnen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jan Antonin Kolar verkregen via Unsplash

De observerende schrijver: Ik zie… opoffering

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… opoffering.

Opofferen: maar al te graag of omdat het moet?

Opoffering kan op twee manieren voorkomen. Je doet het maar al te graag – je werkt over zodat je dat speciale cadeau voor je geliefde kan kopen – of je doet het omdat je gedwongen wordt en het alternatief alleen maar erger is: je geld of je leven!
Welke van de twee ook van toepassing is, het feit blijft dat:
* als je de keuze had je het liever anders had gezien: liever een hoger salaris of geen beroving 
* het vaak een mate van onzelfzuchtigheid toont of anders moed om met de de vervelende situatie te leven. 

Onzelfzuchtigheid, moed en een keuze om voor iets te staan? Jawel, elementen die bij een held(enreis) niet kunnen ontbreken! 

Opoffering observeren kan je helpen om je held beter te begrijpen en ook uniek en realistisch vorm te geven. 

Wat is opofferen precies?

Om het te kunnen observeren, moet je opofferen zowel erg groot als erg klein kunnen zien. 
Zodra een opoffering klein lijkt, is het vaak iets dat in ons alledaagse leven veel terugkomt. Je associeert het al vaker met ‘maar dat moet nou eenmaal’ of ‘dat doe je gewoon, dat is normaal of je menselijke plicht.’ Is het iets groters, dan is het vaak iets dat we scharen onder iets dat superhelden in films doen en we zelf niet kunnen of durven.

Kleine opofferingen zijn dingen als:

  •    Eerder opstaan zodat je op tijd kan werken, ook al heb je geen zin om je warme, knusse bedje te verlaten.
  •    Die twee euro die je op straat vindt aan een zwerver geven in plaats van er zelf een kaneelbroodje van te kopen.
  •    (Meer) werken zodat je je kinderen kan opvoeden met (iets meer) materiële luxe

Dat lijkt nutteloos om op te merken, tot je je bedenkt dat er mensen zijn die op de zak van hun rijke ouders teren en nooit werken, of met uitkeringen frauderen om dat niet te hoeven en nooit iets aan anderen geven. Kortom: als je meerdere kleinere opofferingen bij elkaar optelt, kan je uitkomen op de normen en waarden van je personage: wat die doet of nooit zou doen, ten koste van iets anders. 

De grote opofferingen zijn bijna altijd tekenen van grote moed. Ook die heeft je held nodig, anders verlaat die de comfortzone nooit en kan een verhaal niet beginnen. 

Zonder normen en waarden en moed – wat dat dan ook specifiek voor je held mag betekenen -, heb je een held op sokken. 

Opoffering en waardering

De opoffering van de een is een waardering van de ander. Heb je ooit in de vroege ochtend van een belangrijke sollicitatie in stromende regen op de bus staan wachten? Dan was je vast blij dat de buschauffeur de kleine opoffering had gemaakt om die dag op tijd op te staan. Zo kwam jij warm en droog op je sollicitatiegesprek aan en heb je nu een geweldige baan. 
Kijk eens op wat voor manieren je deze kleine wisselwerkingen van opoffering en waardering kan opmerken. Dan zie je ook hoe iemand heldhaftig kan zijn zonder meteen een superheld te hoeven zijn. Dat is dan weer erg handig voor het maken van een herkenbaar personage. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Joel Muniz via Unsplash.

Schrijfoefening: dat ene moment

Bijna iedereen heeft wel zo’n onwerkelijk moment gehad waarop iemand je leven heeft veranderd, of andersom. Of nog mooier: allebei.

Hoe schrijf je over ‘dat ene moment’?

Dat ene gesprek, die ene patiënt of medepassagier was als een mentor die uit de lucht kwam vallen en gaf een onverwachte levensles die je zo’n diep gevoel van (mede)menselijkheid liet voelen dat je er jaren later nog van volschiet als je eraan denkt, of dat die ervaring tot je levensmotto heeft geleid. 
Die momenten zijn vreselijk moeilijk om goed te beschrijven. Woorden schieten tekort om te vertellen waarom het niet zomaar een bijzondere ontmoeting was. Behalve dan misschien iets als: ‘de manier waarop wij elkaar aankeken..’. Hoezo cliché? En dan ook nog eens een van het romantische soort, terwijl je jouw levensechte held misschien net een hand hebt gegeven… Hoe schrijf je over dit soort ontmoetingen op zonder dat je lezer om een teiltje vraagt?

Onverwachte kwetsbaarheid

Of je mentor nu iemand is die je een enkele keer hebt ontmoet, of het je vader was die gedurende je hele jeugd een baken van wijsheid was, ‘dat ene moment’

  • zie je niet aankomen. Ook al zegt een van de twee dat er iets belangrijks gezegd moet worden, je kan niet voorzien dat het iets is dat je leven lang bij je blijft. We zien vaker inspirerende citaten in boeken staan, of we voeren vaker diepgaande gesprekken, maar dit gesprek steekt er voor altijd met kop en schouders bovenuit. En dat weet je van tevoren nooit.
  • maakt dat je niets voor de ander kan verbergen, alles ligt open. Denk aan zinnen als: ‘Je keek dwars door mijn ziel’ of ‘mijn masker viel af.’ Of je hebt het gevoel dat als de ander je in een glimp bloot zou zien, dat niets nieuws voor de ander zou zijn, of op een rare manier misschien ook niets geks of vervelends. Eerder zag de ander al iets van je dat vele malen naakter voelde dan jou zonder kleren te zien’. Anders gezegd: deze manier van zien gaat vergezeld van een extreme vorm van (emotionele) kwetsbaarheid. Achteraf zijn de momenten prachtig, maar op het moment zelf voelt het – door die kwetsbaarheid- waarschijnlijk als een van de engste momenten die je hebt meegemaakt.

Opschrijven en afpellen: emotionele kwetsbaarheid onderzoeken

Een moment dat je leven verandert is dus vrijwel altijd emotioneel extreem kwetsbaar, waarvoor alleen clichés beschikbaar lijken om het te beschrijven en die dan alsnog het gewicht van het moment niet dragen. Daarom moet je dat moment heel goed onderzoeken, wil je er een poging toe doen. ‘Het veranderde mijn leven.’ is een holle frase: het zegt technisch gezien veel, maar de voeling erbij ontbreekt nog.

Begin bij het begin. Waarom was dat moment zo onverwacht? Waarschijnlijk omdat de persoon met wie je was wel de laatste was van wie je zo’n gesprek verwachtte, of dat het gesprek deze wending zou nemen. Je ziet je stoïcijnse oom voor het eerst huilen, of de vreemdelinge in de trein vertelt plotseling haar duisterste geheim aan je, dat -jawel!- ook nog eens met jouw duistere geheim overheen komt. Observeer met terugwerkende kracht wat jij al voelde of zag aan jezelf of aan de ander zag dat eraan zat te komen. Denk aan dingen als:

  • Die ander keek me al aan met een blik die mijn nek deed prikken.
  • Ik was ontspannen waar de ander wanhopig leek: misschien was ik de veilige haven die de ander nodig had
  • Ik las een boek over huiselijk geweld. Vandaar dat die ander uiteindelijk vroeg of ik dat net als haar had meegemaakt.

Dan was daar het moment waarop die persoon door je heen keek, of jij door de ander of allebei. Wat zag je in die ogen, die spiegel van de ziel, of hoe werd er door jou harnas heen geprikt? Waarom was er vanaf dat moment geen weg meer terug? Schrijf alles op wat je je nog kan herinneren. Dat is waarschijnlijk heel veel. Het kan helpen om het grofweg zo onder te verdelen:

Wat was er aan de hand?Ik De ander
emotioneelleek uit elkaar te klappen, kon wel schreeuwenkeek doodsbang, begon te huilen
fysiekvoelde mijn benen in lood veranderenstond te trillen als een rietje
gedachtengangWat moet ik hierop zeggen? Hoe weet jij dit? Wat gebeurt hier?ik voel me betrapt (zei jij later/ vertelden je ogen)
specifieke gebeurtenis: de meest doodse stilte ooit, viel tussen ons probeerde een letterlijke uitgang te vinden: ik zocht naar een deurkeek me misschien wel een halve minuut niet meer aan.

Vergis je niet, met een simpel schemaatje ben je er nog lang niet. Dit is een kwestie van (namens je persona(ge)) heel intens doorvoelen wat er toen gebeurde. Keer op keer. Het schema is slechts een hulpmiddel bij een lang en intensief proces. Wees gewaarschuwd: ‘dat ene moment’ is snel verprutst in een verhaal Het is zo intens, zo rauw dat je héél goed moet kunnen schrijven om het te kunnen bedenken en nog authentiek te kunnen laten voelen. Daarom duikt het vaker op in autobiografische verhalen. Als de ander echt bestaat, waak er dan voor dat je veel waargebeurde elementen fictief of anoniem maakt, of flink aanpast: dit soort intieme informatie mag je niet zomaar namens anderen de wereld in sturen!

Geef het de ruimte

Zodra je in ‘dat ene moment’ zit met de ander, hoor je dingen die je nooit verwachtte te horen. Je beseft dan ten volle dat er een medemens naast je staat met angsten en dromen, een verleden en een toekomst. Dat besef kan je niet vangen in het beschrijven van ‘het moment’ alleen. Als je ‘het moment’ eer aan wil doen, zal je van jou persona en het personage van de ander ook diepgaandere elementen van de personagebiografie moeten delen om het echt tot zijn recht te laten komen. Wil je niet dat dat een infodump wordt, dan besteedt je al snel vele scènes of hoofdstukken daaraan. Oftewel: ‘het moment’ wordt een groot deel van het verhaal als je echt wil duidelijke maken hoe belangrijk het echt is geweest. Geef dat moment de ruimte in je verhaal, net als je die voelde toen het zich voordeed.

Deze blogpost is opgedragen aan N.G. en S.T. Dank jullie voor ‘dat moment’ dat jullie met mij hebben gedeeld. Ik ben vele jaren later nog altijd diep onder de indruk en immens dankbaar dat ik jullie zo heb mogen zien. En jullie mij.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Joseph Frank verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie…liefde

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… liefde.

Liefde definiëren

Laten we eerst onderscheid maken tussen romantiek en liefde. Romantiek is namelijk erg makkelijk op te merken. Dat is simpel gezegd alles wat je ziet en vervolgens denkt: verliefd stel. Kussen, hand vasthouden, wijntjes bij de haard… Maar liefde is heel wat moeilijker om concreet te observeren.  Omdat het zich op verschillende manieren uit en omdat er ook niet echt een duidelijke definitie bestaat die alles omvattend is: die is namelijk vreselijk moeilijk te geven (Probeer maar eens…).

Om liefde te kunnen observeren moet je het voor jezelf kunnen definiëren. Niet in de letterlijke zin, want dat is dus vreselijk moeilijk. Maar probeer wel een globaal idee te krijgen van wat jij wel liefde vindt en wat niet. Vind jij dit liefde, of juist niet, omdat het meer naar vriendelijkheid neigt voor je? Of zou je iets eerder ‘moed’ ‘opoffering’ ‘seksuele aantrekkingskracht’ ‘kinderlijk onschuld’ of ‘menselijkheid’ noemen?
Liefde is zo moeilijk te definiëren omdat het vaak eerder een soort optelsom is van meerdere goede en fijne of soms zelfs pijnlijke dingen, dan het van zichzelf duidelijk is afgebakend.

Om je op weg te helpen volgen hier een aantal videoclips. Schrijf eens op waarom je wat je ziet liefde zou noemen of niet en wat het anders/nog meer is. Is het liefde als…

  • je een geliefde ophaalt van het vliegveld met een knuffel of een kus? – Love Actually
  • je jezelf voor schut zet ten behoeve van je dochter/zusje, zodat zij kan blijven dansen op een podium waar ze hard voor geoefend heeft? – Little miss sunshine
  • een psycholoog een patiënt de ruimte geeft om je te omhelzen, op een moment dat een trauma na een leven lang vast te hebben gehouden, eindelijk wordt verwerkt? – Good Will Hunting
  • een gevangenisbewaker als laatste woorden voor een onschuldige gevangene heeft “Wij haten je niet.” voordat de gevangene wordt geëxecuteerd? – The green mile

Zie je dat deze voorbeelden waarschijnlijk niet per se de eerste dingen zijn waar je aan denkt bij het woord liefde? Liefde zit in zekere zin zowel overal als nergens – of in ieder geval op plaatsen waar je het niet meteen verwacht. Goed opmerken en observeren van liefde kost waarschijnlijk tijd, omdat je, wil dat lukken, je iets heel groots en persoonlijks waarschijnlijk moet (her)definiëren.

Liefdestalen

Iedereen heeft een eigen manier om liefde te tonen en te uiten. Die manieren worden liefdestalen genoemd. Het zijn er vijf:

  • positieve woorden
  • aanraking
  • dienstbaarheid
  • cadeautjes geven
  • tijd en aandacht

Het is voor het observeren van liefde handig als je weet van deze talen hebt, zodat je ook kan opmerken wat andere manieren van liefde uiten kunnen zijn, ook al zijn het niet de jouwe. En ook: waarom sommige mensen niet snappen dat hun gebaar van liefde niet wordt gewaardeerd. Maar als je iemand bent die niet van aanraking houdt, terwijl jouw voornaamste liefdestaal aanraking is…?

Dat gaat al verder dan observeren, maar zulke observaties kan je gebruiken voor goed uitgewerkte personages of plotwendingen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Fotoo doorTyler Nix via Unsplash

Keuze tussen moraal en algemene verhaallijn

Je hebt in je verhaal een held en een werkelijk verdorven slechterik. Dan is daar een magisch drankje dat een overleden persoon tot leven kan wekken. Krijgt de slechterik het in handen, dan komt de overleden dictator weer terug. Vindt de held het drankje, dan herrijst de overleden wijze, krachtige mentor. Nee, de vraag is niet hoe je het drankje uit handen van de slechterik houdt. Moet je dat drankje überhaupt in het verhaal schrijven?

Het komt van twee kanten…

Er zijn verhalen die in wezen heel simpel zijn. Goed versus kwaad en de held hoort te winnen. Dan is het motief van de slechterik ook vaak heel oppervlakkig en simpel: hij verlangt naar macht/rijkdom of is gewoon slecht. Maar als je iets genuanceerder bent in je verhaal, zal je algauw scènes hebben die dieper ingaan op de beweegredenen van de vijand. Dan ga je onherroepelijk ook een keer kijken naar de persoonlijke waarheid. En als je daar aan begint, kan je niet meer terug naar dat relatief simpele motief van ‘gewoon’ slecht zijn of macht willen.
Dan zal je al snel zien dat de stelende vader dat doet omdat hij een gokverslaving heeft, niet zozeer omdat hij materialistisch zou zijn. De gokverslaving maakt hem misschien geen rolmodel, maar hij is niet meer slecht omwille van het slecht zijn. Hij heeft begrijpelijke redenen om te doen wat hij doet.

Let wel: er is een héél groot verschil tussen iets begrijpen en iets goedpraten. Maar als je een verhaal met diepere betekenis hebt, kom je op dat punt waar je zowel de held als de slechterik begrijpt en ook moet bedenken dat ze allebei een doel hebben en ook niet weten dat ze alleen op papier bestaan en zich uit eigen wil dus niet aan een plot houden.

En dan is daar dat eerdergenoemde drankje…

Ethische beslissingen nemen

Herken jij je verhaal in het bovenstaande? Dat zowel goed en slecht in een zeker evenwicht zijn, narratief gezien? Dan is deze overweging belangrijk voor je. Schrijf je dat drankje in het verhaal, of laat je het eruit? Je moet dan niet zozeer in een plot gaan denken, want dan wordt het verhaal erg oppervlakkig en saai. Wie is er het eerste bij de plaats waar het drankje verborgen is? Die race vertelt je inhoudelijk weinig tot niets (spannends).
Denk eerder – bij gebrek aan beter woord- ethisch. Vaak heb je bij die wat dieper gelaagde verhalen ook een grijs gebied bij de personages. Zoek daar naar de raakvlakken van de moralen van de personages en in hoeverre die overeenkomen. Dan schrijf je dus bijvoorbeeld hoe de slechterik geldproblemen heeft doordat die te veel uitgeeft, maar de held heeft zo zijn proberen om het geld uit te geven aan zichzelf of anderen: met andere woorden: die persoon heeft moeite met geven, of iemand iets gunnen. Ook al is het dan de held die levens redt, financieel is die niet zo gul.
Dan is het voor je verhaal soms interessanter om de goed versus kwaad trope en het plot daaromheen (wat meer) los te laten en te kijken wat er ‘ethisch’ interessant is om het plot mee te vullen. Wat maakt dat grijze vlak?
Het gaat dan niet meer om wie van de twee het drankje bemachtigt, maar om de vraag hoe gevaarlijk het is in de verkeerde handen, of om de vraag wie er überhaupt zo’n drankje zou maken als je weet dat het in handen van de slechterik het einde van de wereld kan betekenen.

Keuzelijstje

Natuurlijk is het niet zo simpel als: wanneer ga je met je verhaal diepere thema’s ontdekken als het gaat om goed versus slecht, of zo je wil diepere moralen. Je kan ermee aan de oppervlakte blijven (‘wie van de twee wint de race naar het drankje?’) of juist dieper kijken en dat grijze vlak centraal stellen. Om te bedenken wat het beste bij jouw verhaal past, kun je jezelf deze vragen stellen. Als dat lukt, schrijf dan ook waarom, of schrijf ‘verder’ : “Het is voor dit verhaal belangrijk om verder in de thema’s te duiken, want anders is de beweegreden van mijn held niet duidelijk genoeg.” Als je denkt dat een reden om iets al dan niet uit te diepen het benoemen waard is, schrijf dat dan ook op. Je weet nooit wat er aan inzichten boven komen drijven.

  • Wie is mijn doelgroep?
  • Wat is mijn voornaamste doel: de lezer uitdagen of die juist laten ontspannen?
  • Wil ik de lezer overtuigen van een specifiek standpunt of juist beide kanten van een verhaal laten zien?
  • Maak ik van het drankje – wat het dan ook is- het einddoel van het verhaal (Wie het krijgt, is de grote vraag) of maak ik dat drankje een middel om het plot verder uit te diepen?
  • Weet ik genoeg van de setting en de psychologie van de personages om hierover te schrijven? Heb ik het er voor over om daar veel schrijfonderzoek naar te doen? Is de lezer ook geïnteresseerd in dieper ‘psychologisch graven’?

Dat laatste punt heeft wat meer toelichting nodig.
Als je het hebt over een oorlog tussen land A en land B , kan het in theorie zo zijn dat land ‘A’ het ‘verkeerde land’ is, maar ondertussen is soldaat A net zo bezorgd om zijn familie thuis als soldaat B – uit het ‘goede land’. Als je dit verhaal diepzinnig wil maken, in plaats van het gebruikelijke ‘goede land versus slechte land’, dan moet je voor dit verhaal goed en veel onderzoek moeten doen naar het hoe, wat en waarom van oorlogvoering, wat dat met de menselijke psyche doet en dan ook nog hoe jouw unieke personages daarop reageren. Dat doe je niet in een paar uur. Heb je daar de puf of de interesse wel voor? En is je lezer ook iemand die het kan waarderen of heeft die er helemaal geen zin in heeft om via je personages de complexiteit van de menselijke geest te doorgronden?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Tingey Injury Law Firm via Unsplash.