Hyperrealistische personages: een ingewikkeld web

Als je gaat schrijven, is het belangrijk dat je je personages goed uitwerkt, anders komen ze niet tot leven voor je lezer. Soms kan deze uitstekende voorbereiding in je nadeel gaan werken: je kent je personage zo ontzettend goed, dat je niet meer weet wat je nu moet uitschrijven in je verhaal en wat je als achtergrondinformatie moet houden. Hoe maak je deze afweging?

Een goede voorbereiding voor het schrijven van je personage

Als je je personage uitwerkt en leert kennen, is de neiging bij beginnende schrijvers groot om in een infodump te belanden. Zodra je wat meer ervaring met schrijven hebt, lijkt het alsof je je daar geen zorgen meer om hoeft te maken. Je weet inmiddels dat je niet hoeft te delen dat de lievelingskeuken van je personage de Mexicaanse is. Door je schrijverservaring en schrijfonderzoek weet je hoe je je personage meerdimensionaal moet maken.

Dit is een goede basis van een verhaal

Je schrijft over een alleenstaande moeder die diep in de schulden zit en daar uit probeert te komen. Je hebt al bepaald dat ze een doorzetter is, haar kinderen op de eerste plaats zet en af en toe een grote mond heeft, waardoor niet iedereen (vriend of professionele hulpverlener) het geduld kan opbrengen om haar te helpen. Daarmee maak je van haar geen Mary Sue. Als je de volgende elementen ook al (deels) hebt uitgewerkt, heb je de basis voor een goed verhaal al gelegd:

* het centraal conflict;
* het verhaalthema;
* het archetype van je personage;
* het save the cat schema.

Een uitstekende voorbereiding is het halve werk.

Toch kan het zijn dat je na het uitwerken van een goede personagebiografie alsnog beseft dat je jezelf in een hoek hebt geschreven. Je hebt het concept van het verhaal zodanig geschreven dat bepaalde karaktertrekken van je personage alsnog door een infodump ondergesneeuwd lijken worden, omdat je niet genoeg woorden hebt om alles goed tot zijn recht te laten komen.

Infodump in vermomming

Zo weet je bijvoorbeeld ook dat je alleenstaande moeder vroeger is misbruikt. Dat heeft haar gevormd tot wie ze is en zorgt er ook voor dat ze soms overbezorgd is naar haar kinderen toe. In sommige dagelijkse situaties leidt haar verleden ertoe dat ze angstig reageert op dingen waar dat helemaal niet nodig is. Deze informatie is absoluut niet hetzelfde als het delen van een favoriete keuken. Het is informatie die onlosmakelijk verbonden is met je personage. Het heeft dus niet zozeer te maken met het thema of het centrale conflict over haar schulden, maar je zou je personage eendimensionaal maken als je dit afdoet als een onbelangrijk detail. Dan moet je dus iets over het verleden gaan delen. Maar zoals je waarschijnlijk weet, kun je informatie niet te pas en te onpas delen.
Als vuistregel kun je aanhouden dat je informatie pas mag delen als je de ruimte hebt om die ook naar behoren uit te werken. Maar als daar vanwege het centrale thema geen ruimte voor is, kun je een ‘infodump in vermomming’ krijgen. Je benoemt dan iets zeer belangrijks net zo kort als een irrelevant detail, waardoor het belangrijke aspect alsnog -onbedoeld- leest als een infodump: Mijn alleenstaande moeder is vierendertig, woont in Den Haag, heeft bruin krullend haar en ze is misbruikt als kind. Dan komt het laatste bijna als een ‘o ja, trouwens…’ En laten we het er over eens zijn dat misbruik niet als een ‘trouwens- feitje’ mag worden beschouwd…

Een aanleiding voor zo’n reactie mag je je lezer niet geven als het om belangrijke (achtergrond)informatie gaat…

Pas op voor de onterechte plottwist

De belangrijke achtergrond van je personage kan je gebruiken als een puzzel gedurende het verhaal, waar je later de oplossing van geeft. Laat het gedrag van de moeder wat de oorzaak heeft in haar verleden her en der op passende momenten naar voren komen en geef later aan waar de oorzaak van dat gedrag ligt. Ik gebruik hier bewust niet het woord plottwist, omdat die is bedoeld om een onthulling te geven waar het hele verhaal om draait of hij wordt gebruikt om het verhaal een heel andere kant op te sturen. In dit geval geef je een gedoseerde verklaring van iets dat verklaard moet worden, maar waar niet het hele verhaal om draait of door verandert. Een plottwist werkt alleen als het te maken heeft met het thema of het centraal conflict.

Onthoud: één thema, één conflict

Als je moet kiezen tussen thema/ centraal conflict of belangrijke achtergrondinformatie, kies dan voor het eerste. Het thema en het centraal conflict zijn de basis voor het verhaal waar je personage zich in bevindt en beweegt. Waak ervoor dat je jouw verhaal meer dan een centraal thema of conflict toekent, om deze keuze niet te hoeven maken. Je mag kiezen welk van de twee thema’s (misbruik of schulden) voorrang krijgt, maar je moet die keuze wel maken, anders krijg je een rommelige structuur. In het geval van onze alleenstaande moeder kun je je afvragen: gaat het thema hier om het verleden (misbruik) of het heden (schulden)? Als ze zich vooral bezig houdt met het verleden, zal haar centrale conflict vooral om therapie draaien, als het gaat om het heden (schulden) houdt ze zich meer bezig met de nodige centen bij elkaar te schrapen. Je uiteindelijke thema bepaalt dus waar jouw personage het meest mee bezig is en waaraan het leeuwendeel van je woordenaantal aan besteed wordt.

Je kan zeer verschillende gebeurtenissen laten gebeuren in hetzelfde verhaal, maar je moet wel een stevige basis hebben om naar terug te keren. Anders wordt het plot en/of het doen en laten van je personage vroeg of laat te ingewikkeld om nog te kunnen volgen. Jammer van het schrijftalent dat je ongetwijfeld hebt als je in deze situatie verzeilt raakt…

Hulp nodig om een ingewikkeld web van je verhaal te ontwarren? Kijk eens in mijn webshop.

Wat als je personage rijk is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage rijk is?

Rijk zijn en geld hebben

In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen rijk zijn en veel geld hebben. Veel geld hebben is een fortuin op de bank hebben staan of in een huis wonen ter grootte van een klein stadspark, zonder dat dat invloed heeft op het verhaal. (Veel geld hebben is in de kringen van je personage doodnormaal of hij is te nuchter om van zijn banksaldo iets belangrijks te maken, bijvoorbeeld.) Als je personage rijk is, schept je personage daarover op, zet zijn nieuw vergaarde fortuin zijn leven op zijn kop, is hij lid van de miljonairsclub, bepaalt zijn overdreven gierigheid zijn karakter of zorgt het familiefortuin voor een hele rits vijanden. 

Is je personage aan zijn rijkdom gewend?

Het maakt nogal een verschil of een bijstandsmoeder plotseling een miljoen wint of dat de erfgename van een oliemagnaat al haar hele leven met diamanten sieraden rondloopt. Dit is belangrijk om te beseffen, omdat de een waarschijnlijk meer weet heeft van privileges dan de ander. Blut zijn betekende voor de voormalig bijstandsmoeder geen eten op de tafel. De rijke erfgename verstaat onder datzelfde begrip misschien dat ze in plaats van met een privéjet met de KLM op haar maandelijkse shoptrip naar Parijs moet vliegen. Het ene is niet per se beter dan het ander, maar je moet het wel weten; dan begrijp je met welke bril of persoonlijke geschiedenis je personage naar de wereld (van geld) kijkt. 

Wat doet je personage met zijn geld?

Geef je personage het geld uit om er luxe van te leven, zijn schulden af te betalen, macht te vergaren, of wordt hij een filantroop? Je kan veel met geld en je kan veel als je geld hebt. Bedenk goed wat je personage met deze mogelijkheden doet en waarom. Dan kan je al een deel van zijn karakter verklaren. Geld weggeven maakt hem onzelfzuchtig, gierigheid staat dan eerder voor egoïsme of (overdreven) angst (om arm te worden). 

Hoe gaat de omgeving met rijkdom om?

Je omgeving kan voor een groot deel bepalen wat je doet of laat. Zeker als er geld in het spel is. Denk maar eens aan alle adviezen die mensen vaak zullen geven. (“Ga in ontroerend goed.” “Koop aandelen.” “Los je hypotheek af” “Bouw een raket naar Mars.” “Geef een deel aan mij, ik ben je zoon…”) Of die adviezen nu worden opgevolgd of niet, als je personage rijk is, heeft dat wel altijd een gevolg. Krijgt je personage opeens een hoop ‘vrienden’ die het alleen om het geld te doen is? Zit de maffia ineens achter hem aan? Moet hij continu opboksen tegen zijn even rijke vrienden? Als je dat weet, heb je waarschijnlijk een goed aanknopingspunt voor je verhaalthema of centraal conflict. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Kijk eens in mijn webshop voor mijn schrijfcoachdiensten als je wil weten of je personage rijk is of veel geld heeft.

Je innerlijke voorlezer: hoe komt je tekst écht over?

Je herinnert je het misschien nog uit je jeugd, of je bent het door het luisterboek nooit vergeten, maar een goede voorlezer kan een verhaal nog mooier maken dan het al was. Tijdens het schrijven heb je ook een innerlijke voorlezer, die het je helaas erg lastig kan maken om objectief naar je eigen tekst te kijken. Hoe komt dat zo?

De innerlijke voorlezer en de toon van je tekst

Als je begint met schrijven, heb je meestal al het nodige onderzoek gedaan en ken je je personages ook al redelijk goed. Daardoor kan er al een denkbeeldige film van je verhaal in je hoofd gaan draaien. In die film zie en hoor je het nodige al haarscherp. Je verhaal -of beter gezegd je tekst- wordt zo voor jou al levendig voor die goed en wel geschreven is. Daardoor krijgt de tekst een bepaalde toon. Vaak is dit een vrij letterlijke toon: in je hoofd lees je je tekst al voor, om zo de cadans van je zinnen te proeven om te zien hoe of zelfs óf je tekst een beetje lekker loopt. Zo komt je innerlijke voorlezer tot stand.

Kun je je nog herinneren hoe een tekst tot leven kwam als je werd voorgelezen? Een goede voorlezer doet een verhaal veel goed.

Een fantastische voorlezer: de tekst zoals hij hoort te zijn

Een goede voorlezer merkt (subtiele) veranderingen in de tekst en past daar zijn toon op aan. Dit kan door elk personage een andere stem te geven en de bijbehorende emotie goed weer te geven. Ook kan een subtiele stembuiging de betekenis van een zin extra nadruk geven. Jan Meng is daar een meester in. Hij is een veelbekroond voorlezer. Hij krijgt het volgende voor elkaar.

* “Als je niet zorgt dat die uit haar snavel houdt, vliegt ze eruit!”
Regieaanwijzingen
zijn hier overbodig. ‘Vliegt ze eruit’ klinkt boos genoeg.
* “Lijk ik soms achterlijk?” snauwde oom Herman, die stukjes gebakken ei in zijn borstelige snor had zitten.
In de toon hoor je tussen neus en lippen door: “Ja, eigenlijk wel…” ?
* Dirk, die zo dik was dat zijn achterwerk over de keukenstoel puilde
Het woord ‘puilde’ krijgt daar een zodanige vocale nadruk, waar jij als schrijver nog een woord als ‘vreselijk’ of ‘ontzettend’ zou gebruiken om het achterste van Dirk te omschrijven: zijn vreselijk dikke achterste of zijn ontzettend grote achterwerk .

Jouw innerlijke voorlezer

Waarschijnlijk leest jouw innerlijke voorlezer het verhaal net zo levendig en divers voor als in bovenstaande voorbeelden. Dat is normaal, omdat jij als schrijver al helemaal in het verhaal gezogen bent. Misschien heeft je personage zelfs al een eigen stem, waardoor jouw innerlijke voorlezer nog interessanter klinkt. Maar helaas is het zelden zo dat de innerlijke voorlezer van jouw lezer net zo getalenteerd is als Jan Meng. Je kan je eigen tekst redelijk makkelijk overschatten of de manier waarop die overkomt verkeerd inschatten. Dan kan je tekst stukken minder indrukwekkend zijn dan hij voor jouw persoonlijk lijkt. Enkele voorbeelden:

Je innerlijke voorlezer lijkt te zeggen Dit staat daadwerkelijk op papier
De kus was zo zacht en zoet, dat zij nog nooit zoiets fijns had gevoeld.De kus was heerlijk zacht en zoet.
Hij was woest en kon hem wel wurgen. Hij bedacht al wat de beste manier daarvoor zou zijn. Hij was zo kwaad, dat hij hem wel kon wurgen.
De smerige vleespastei deed hem al kokhalzen bij de geur alleen. De vleespastei was vreselijk smerig.
Merk op hoe groot het verschil in beleving is tussen de interpretatie van de innerlijke voorlezer en de daadwerkelijke tekst.

In wezen is een fantastische voorlezer een extra aanvulling op het show don’t tell principe. Met slechts enkele woorden en een passende stembuiging zie je veel meer voor je dan daadwerkelijk wordt verteld. Als schrijftechniek is dat principe onmisbaar, maar niet als interpretatie van een daadwerkelijk geschreven tekst. Als je erop inzet dat een lezer met zijn innerlijke voorlezer de ‘extra interpretatie’ aan de tekst kan geven, sla je vroeg of laat de plank mis door te weinig te omschrijven. Onthoud dat niet iedereen gezegend is met een persoonlijke Jan Meng tijdens het lezen van een boek.

Kritisch kijken naar je innerlijke voorlezer

Je innerlijke voorlezer zal je tekst vrijwel altijd mooier laten klinken dan hij eigenlijk is. Dat is niet erg, maar je moet je er wel bewust van zijn. Er is een aantal dingen die je kan doen om ervoor te zorgen dat je wat neutraler naar de intonaties van je innerlijke voorlezer luistert:
* Proeflezers inschakelen: zij hebben geen innerlijke voorlezer die vooraf al een beeld bij het verhaal heeft. Die van hen is nog neutraal. Hierdoor lezen ze makkelijker wat er daadwerkelijk staat dan wat er ‘hoort te staan’.
* Hardop en neutraal voorlezen. Lees je eigen tekst daadwerkelijk voor en doe dat expres met een toon die saai aanvoelt. Je hoeft niet per se monotoon te gaan lezen, maar let er wel op dat je niet voorleest om leuk of ‘goed’ te klinken. Ga dus niet mee in de stembuiging die passen bij bepaalde woorden. Ga niet lager en somberder praten als iemand verdrietig is, bijvoorbeeld.
* Wees extra alert op betekenis van woorden op een tienpuntschaal. Stel dat je personage boos is. Het kan gebeuren dat je schrijft: Hij riep kwaad naar zijn moeder. Terwijl je innerlijke voorlezer het voorleest met een intensiteit die overkomt als: Hij schreeuwde kwaad naar zijn moeder. Schreeuwen is een tandje erger dan roepen. Als er woorden zijn die een bepaalde intensiteit met zich meebrengen, let dan goed op of je tekst en je innerlijke voorlezer wel overeenkomen met elkaar.

Wil je weten of een innerlijke voorlezer bij jou aan het roer staat? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Wat als je personage iets niet kan?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage iets niet kan?

Het is voor je personage frustrerend als hij iets niet kan wat hij graag zou willen kunnen. Je eerste zorg als schrijver is echter niet om die frustratie weghalen en je personage kundig maken. Kijk in plaats daarvan wat het voor het verhaal betekent dat je personage iets niet kan. 

Waarom kan je personage iets niet?

Als je personage iets niet kan, moet je eerst nagaan waarom dat zo is. Is zes boeken lezen in een maand tijd ondoenlijk? Dat kan dyslexie zijn. Naar een feest gaan en sociaal zijn is lastig als je zwaar depressief bent. En een tien halen voor Frans gaat ook niet al te makkelijk als je de taal vindt klinken als een wirwar van lelijke klanken en er daardoor geen interesse in hebt. Ongeacht wat de reden is en of die ‘diepgaand’ is of niet, probeer eerst duidelijk te krijgen wat de oorzaak is dat je personage iets niet kan. Dat helpt je om zowel de gevolgen van het probleem als de (mogelijke) oplossing ervan beter uit te werken. 

Wat heeft het voor gevolg?

Als Rien voor elk vak een 10 haalt en voor Frans een 4 omdat hij overhoop ligt met meneer de Zwart van Frans… au revoir, monsieur Lenoir: Rien haalt zijn diploma en gaat gewoon lekker naar Duitsland op vakantie. Probleem opgelost. In zo’n geval kun je je personage even lekker laten mopperen en met een beetje humor over het probleem schrijven. Je verhaal valt of staat er immers niet mee. 
Maar als het probleem wel degelijk iets met het algemene plot of verhaalthema te maken heeft, moet je op gaan passen. Stel jezelf dan de volgende vragen:
* Is deze onkunde een probleem of het conflict?
* Is het belangrijk genoeg voor het verhaal(thema)? 
* Lost het personage het probleem wel zelf op?

Probleem versus conflict

In dit geval moet je conflict zien als het centrale conflict: het conflict waar het hele verhaal en/of de heldenreis om draait. Dan is het doel om door vallen en opstaan iets te leren en daardoor alsnog iets te kunnen. Een probleem is iets dat makkelijk(er) kan worden opgelost. Waak ervoor dat je van een probleem geen conflict maakt. Het is ontzettend vervelend dat iemand door een depressie niet sociaal kan zijn op een feestje. Voor dat personage zal dat als een conflict aanvoelen. Maar als het verhaal verder draait om hoe hij zijn jeugd, die bol stond van mishandelingen, de oorzaak is van die depressie, is dat vervelende feestje slechts een probleem. Een probleem kan een onderdeel van een conflict zijn, maar niet andersom. 

Hoe belangrijk is de onkunde?

Als je verhaalthema ‘lichamelijke beperking’ is, is de bijbehorende fysieke onkunde iets dat elk personage mee mag en kan maken. Het hoort bij je thema, dus het mag in meerdere vormen terugkomen. Dan maakt het niet uit hoe groot de rol van de betreffende personages zijn die een bepaalde vaardigheid missen. Maar als een minder belangrijk personage iets niet kan, of als dat probleem niet zoveel met het algemene thema te maken heeft, werk het dan niet al te uitgebreid uit. Zo voorkom je een rommelig centraal conflict en/of verhaalthema. 

Zelf oplossen

Er is niets zo saai als een personage dat iets niet kan en vervolgens anderen alles voor hem op laat lossen. Je kan je personage beter laten leven met het feit dat er iets niet kan (worden opgelost) dan de oplossingen naar anderen door te schuiven, zonder dat hij zelf iets doet. De zogenoemde Magic pixie dream girl is een doodsteek voor iedere heldenreis. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig om je personage te laten groeien? Kijk eens mijn webshop voor mijn schrijfcoachdiensten.

Schrijfoefening: de dag die later weer verdwijnt

Je personage heeft altijd wel een heimelijke wens of iets waarvan hij denkt: wat als dit zou gebeuren?
Als je dat uitwerkt met deze schrijfoefening, kom je veel over je personage te weten.

Uitgangspunt van de schrijfoefening

Je personage krijgt een bijzondere dag cadeau. Op deze dag mag je personage alles doen wat hij of zij wil. Na deze vierentwintig uur wordt elke herinnering en bewijslast aan deze dag volledig gewist. Niets of niemand weet nog van deze dag af. Behalve je personage zelf…

Je personage mag echt alles ongestraft doen:
* wraak nemen en iemand in elkaar slaan of vermoorden;
* zijn heimelijke geliefde de liefde verklaren en daarmee de klok rond vrijen zonder dat iemand daar ooit achter komt;
* inbreken in een villa van tien miljoen euro, doen alsof hij daar de baas is en zich laten bedienen door het personeel;
* zich voordoen als een rijke miljardair en in diens plaats met een ruimteschip meegaan.

Wat zou je personage doen met zo’n uniek cadeau?

Je kan deze oefening twee verschillende regels geven:
* Alles loopt zoals je personage hoopt of wil: ‘De ultieme wensvervulling’;
* Je personage heeft de wens als uitgangspunt, maar moet daarna maar zien wat er gebeurt: ‘Wat als?’

Hoe dan ook zegt het heel wat over je personage: waarom kiest hij uitgerekend voor deze ‘daginvulling’ uit alle mogelijke dingen die hij kan uitproberen? Je weet dan meteen iets van bepaalde prioriteiten.

Voorbeelduitwerking

Clichés zijn makkelijke voorbeelden, dus ik werk een heimelijke liefde uit.
Tom is heimelijk verliefd op Elise, een vriendin uit zijn studententijd. Tom is een jaar na het behalen van zijn diploma gaan backpacken en daardoor is het contact enigszins verwaterd. Al is er geen dag geweest waarop Tom niet aan Elise dacht. En niet alleen aan hun vriendschap. Zijn fantasie heeft regelmatig de overhand genomen…

In het geval van de ultieme wensvervulling gaat Tom bij Elise langs, slaat de vonk over en laten de voormalige vrienden elkaar iedere hoek van iedere kamer in het huis zien.
In het ‘wat als?’- scenario kan hetzelfde gebeuren. Maar Elise kan ook de deur opendoen met een dikke buik, blij zijn dat er eindelijk een vriend aanklopt bij wie ze kan smeken om geld te lenen omdat ze diep in de schulden zit, doen alsof ze Tom niet meer kent, omdat ze boos is dat hun contact verwaterd is…
In beide gevallen heb je opties te over. Alleen al het verkennen van al die opties kan erg interessant zijn.

Maar dat is slechts het begin. Vergeet het belangrijkste punt van de oefening niet. Tom weet de dag erna wat er gebeurd is, maar de rest van de wereld niet. (In dit geval betreft dat vooral Elise.) Wat doet of kan hij met die kennis? Laten we eens kijken naar wat mogelijke uitwerkingen.

Ultieme wensvervulling

De meer dan fantastische dag van Tom met Elise is voorbij. Na een tijdje nagenieten gaat Tom zich onherroepelijk een aantal dingen afvragen. Op zijn perfecte dag stond hij zomaar voor Elises huis, maar in werkelijkheid heeft hij de moed niet om haar op te bellen. Durft hij dat nu wel, nu hij weet wat de mogelijke beloning is? Of denkt hij:
* Ik heb genoeg aan deze fijne herinnering. Het ging me erom dat het (nog) ‘één keer kon;
* Dat was het best mogelijke scenario, als het slechter uitpakt dan dit, verpest ik mogelijk een herinnering die prachtig was.
Dat zegt iets over hoe snel Tom ergens tevreden mee is en hoeveel en wat voor risico’s hij durft te nemen om zijn ultieme droom na te jagen. En of hij emotioneel of wat meer rationeel is ingesteld. Dat zijn handige dingen om over je personage te weten, want dat kan de invulling van je centraal conflict en comfortzone bepalen.

‘Wat als?’-scenario

Bij het ‘wat als?’-scenario weet Tom wat er daadwerkelijk zou gebeuren. Die dag is op waarheid gebaseerd. Dan krijgt hij niet slechts voorgeschoteld wat hij hoopt te krijgen. Dat geeft Tom misschien nog wel meer om over na te denken:

* Elise wil hem ook! –> Yes! Welke stappen moet hij nu ondernemen? Tijdens de bijzondere dag werd hij naar Elises huis geteleporteerd. In werkelijkheid woont ze een oceaan verderop. Hoe kan en gaat Tom de middelen vinden om haar op te zoeken?
* Elise blijkt zwaar drugsverslaafd te zijn –> Durft Tom zich dan in haar leven te mengen om haar te helpen? Zo ja, hoe ver wil hij dan voor haar gaan? Zo nee, kan hij leven met de wetenschap dat zij eenzaam en alleen wegkwijnt?
* Elise blijkt hem alleen als goede vriend te zien –> Kan Tom dan vriendschappelijk met Elise verder of breekt hij alle banden en kwijnt hij weg omdat hij weet dat zijn grote liefde voor altijd onbeantwoord blijft?

Het ‘wat als’- scenario heeft evenveel mogelijkheden als er sterren aan de hemel staan.

In het ‘wat als?’- scenario zijn er eindeloos veel mogelijkheden te bedenken en kun je dus ook eindeloos veel over je personage leren. Je zal hoogstwaarschijnlijk tegenkomen hoeveel ruggengraat en verantwoordelijkheidsgevoel je personage heeft en hoe zelfverzekerd hij is.
Dat is handig om te weten om te zien wat voor jouw personage een daadwerkelijk conflict gaat vormen, in plaats van slechts een probleem. Dat is essentieel voor een goede spanningsboog en een goede opbouw het schema van save the cat.
In theorie kan je het ‘wat als?’-scenario talloze keren uitwerken. Zo vaak zelfs, dat je er een hele boekenreeks van zou kunnen schrijven. Met afzonderlijke (sub)titels als:
* Tom en Elise als gelukkig gezinnetje;
* De schuldencrisis van Tom en Elise;
* Tom breekt de platonische vriendschap vanwege onhoudbaar vleselijke verlangens.

Een hele boekenreeks bedenken is wat overdreven, maar het is wel erg interessant om in het achterhoofd te houden: Ongeacht wat hij meemaakt, wat zou Tom altijd blijven vinden of doen? Wat maakt Tom tot Tom? Die absolute basis van wat je personage maakt tot wie hij is, is altijd belangrijk om te weten.

Deze schrijfoefening is deels geïnspireerd door het boek De middernachtbibliotheek van Matt Haig.

Heb je nog een logisch plot na deze schrijfoefening? Laat het me controleren: kijk in mijn webshop voor mijn diensten.

Wat als je personage pijn heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage pijn heeft?

Je wil pijn liever vermijden, maar dat lukt niet altijd. Als het er dan toch is, wat kan je dan over je personage te weten komen?

Pijngrens en ruggengraat

Begint je personage al te piepen zodra hij zich aan papier heeft gesneden en houdt hij daar een week zijn mond niet over? Of loopt hij de marathon nog uit, ook al heeft hij drie blaren ter grootte van een ei op zijn voeten? De pijngrens zegt vaak veel over de ruggengraat van je personage. Als je je personage pijn moet doen, kijk dan eens goed of hij dat wel aankan. Voor je het weet zet je je plot op slot, omdat je personage geen pijn kan verdragen. Of maakt de pijn door de stevige ruggengraat zo weinig indruk dat je personage daardoor misschien net iets meer op Superman gaat lijken dan de Jan-met-de-pet die hij moet zijn. 

Fysieke pijngrens en mentale grens

Soms heeft je personage een enorme ruggengraat, al dan niet in combinatie met een hoge pijngrens. Dan maakt fysieke pijn vaak (te) weinig indruk. Kijk dan eens of je een mentale pijngrens aan kan spreken. Als je over een sporter schrijft die het gewend is om iets te breken, zal die daardoor heel wat gewend zijn en zal dat niet zo belangrijk zijn voor het plot. Kijk dan eens hoe je zijn mentale (pijn)grens kan overschrijden om pijn alsnog in je voordeel als plotwending te gebruiken. Een arm breken is niet erg voor een sporter. Maar als hij daardoor niet mee kan als begeleidende ouder op schoolreisje, waar vader en zoon al maanden naar uitkijken, kan je de sporter daarmee pijn doen. Of hem in ieder geval de nodige voorzichtigheid in acht laten nemen. 

Opoffering

Een personage kan vrijwillig helse pijn ondergaan. Dan is er vrijwel altijd opoffering in het spel. Denk aan het bekende voorbeeld van iemand die zichzelf in elkaar laat slaan zodat de ander kan vluchten. Of iemand die een zeer (mentaal of fysiek) pijnlijke (medische) behandeling ondergaat om maar weer te kunnen lopen, van de pleinvrees af te komen en zo weer een sociaal leven te ontwikkelen, te kunnen blijven leven en de kinderen zo geen vader te ontnemen. 
Dat soort opofferingen zeggen veel over de normen en waarden, veerkracht en moed van je personage. Neem dus de tijd om daar goed naar te kijken, want dat is waardevolle informatie.

Wegrennen

Het kan zijn dat je personage niet de mentale (veer)kracht heeft om mentale pijn aan te kunnen. Pas goed op met deze personages, want die zetten je plot erg makkelijk op slot, omdat ze hun narratieve comfortzone niet uit kunnen komen. Zorg er bij deze personages dus voor dat ze een vriend of familielid hebben dat ze op tijd een schop onder hun achterste geeft. Als je dat niet doet, dan is je enige optie om van de mentale strijd om iets in gang te zetten het thema van je plot te maken. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Rent je personage te snel weg, of bijt het te veel door om nog interessant te zijn? Ik kan het controleren: kijk in mijn webshop.

Own voice: schrijven over iets dat je kent

Own voice betekent: schrijven over iets dat je kent. Tegenwoordig wordt de term echter vaak gebruikt om aan te geven dat je niet mag schrijven waarmee je niet bekend bent. Denk aan: schrijven over het leven van zwarte mensen als je zelf wit bent, of schrijven over een homoseksuele relatie als je zelf hetero bent. Wat zijn de voordelen van own voice en wanneer slaan die voordelen om in nadelen?

Het schrijverscredo: schrijf wat je kent

‘Schrijf wat je kent’ is misschien wel een van de bekendste schrijverscredo’s die er zijn. Dat is niet voor niets. Als je een personage realistisch wil portretteren, is het erg belangrijk om je in je personage in te kunnen leven. En het is nu eenmaal makkelijker om je in te leven en/of over iets te schrijven wat je zelf hebt meegemaakt. Je kan je misschien heel goed voorstellen hoe spannend het is om op het vliegveld te staan, minuten voordat je vliegtuig vertrekt en het startschot voor je wereldreis wordt gegeven. Maar als je het zelf hebt meegemaakt, is het stukken eenvoudiger om te beschrijven hoe bewust je je was van alle verschillende talen om je heen, wetend dat je veel ervan nog vaak zou horen. En ergens op de vluchthaven is er misschien wel een Mexicaans restaurant, maar jij proefde op dat moment het échte Mexicaanse eten al op je tong. Over drie maanden zou je het ook kunnen kauwen…
Dat is het principe waar own voice om draait: je kan nooit écht goed over iets schrijven, tenzij je het zelf hebt meegemaakt.

Als het niet in je dagboek zou kunnen staan, kan je het niet schrijven. Zo kan je de redenering van own voice ongeveer samenvatten.

Voordelen van own voice als leidraad

Own voice heeft een enorm voordeel ten opzichte van ervaringen of verhalen die je niet uit de eerste hand schrijft. Omdat je alles zelf hebt meegemaakt, is het veel makkelijker om over bepaalde details te schrijven en ze te ontwarren waar ze anders een onoverzichtelijk zooitje lijken. Show don’t tell gebruiken gaat eenvoudiger omdat jij het hebt zien gebeuren, niemand heeft het je moeten vertellen. (De gekozen naam voor show don’t tell als techniek klinkt nu opeens een stuk logischer, of niet? 😉 )

Ook als je niet vanuit eigen beleving kan schrijven (daarover later meer) is het handig om own voice als een soort techniek te beschouwen, met als uitgangspunt: ‘Ik moet proberen om zoveel mogelijk over dit personage te weten te komen, alsof ik hem of haar zou kunnen zijn geweest’. Dat geeft je namelijk veel meer inzicht in belangrijke zaken als:
* de personagebiografie;
* de comfortzone;
* het mogelijke centraal conflict;
* de eerste opzet voor het save the cat schema.

Ook helpt het je om dingen in perspectief te zien. Stel dat je in een rolstoel zit en je weet niet beter. Als je dan own voice schrijft, hoef je je niet druk te maken over hoe je bepaalde clichés van mensen in een rolstoel ontwijkt. Je schrijft over je eigen ervaringen. Die zullen niet zo snel cliché zijn, want jij weet als ervaringsdeskundige maar al te goed wat je daadwerkelijk voor beperkingen hebt en wat door het grote (lezers)publiek vaak verkeerd wordt begrepen.
“Wat is normaal?” wordt zo, hoe dan ook – own voice of niet- een hele interessante vraag…

Doorslaan in own voice

Het is begrijpelijk waarom own voice een opmars heeft gehad aan populariteit. Zoals je al las, zijn er goede redenen voor. Maar je kan ook doorslaan in own voice. En daar moet je echt mee oppassen, want je loopt zo het risico om bekrompen of zelfs racistisch te worden. Bovendien kan je er je broodnodige neutrale bril (voorgoed!) mee verliezen…
Enkele voorbeelden van doorgeslagen own voice beweringen (met bijbehorende voorbeelden van verweer) zijn:
* “Jij bent geen man, dus jij kan niet weten hoe het is om je een slap watje te voelen als je daarvoor wordt uitgemaakt.”
(Ik was als meisje zo slecht in gym dat waar iedereen tot aan het plafond in de touwen kon klimmen, ik me nog niet eens aan die touwen vast kon houden of me van de grond af zetten. Ik ben voor slap watje uitgemaakt en nooit harder uitgelachen dan toen.)
* Jij bent geen zwart persoon in een voornamelijk witte maatschappij, dus je kan niet weten niet hoe het is om je de hele tijd aangekeken te worden als ‘die ander’.
(Ik heb een tijd als enige niet-moslima op een islamitische school gewerkt. Ik was vrijwel de enige vrouw zonder hoofddoek.)
Dat contrast heb ik daadwerkelijk meegemaakt. Daarom wil ik melden dat mijn oud-collega’s en de ouders van de kinderen me altijd zeer welkom hebben laten voelen en ik me nooit ‘die andere’ heb gevoeld. 🙂

Als je doorslaat in de own voice beredenering, vinden mensen je al snel een irritante betweter…

Het voorbeeld uit mijn privéleven deel ik vanwege het volgende: besef dat je er niet van uit kan gaan wat voor de een een nare ervaring is, voor de ander een soortgelijke situatie hetzelfde aanvoelt. En iets wat jij oké vindt, vind een ander weer naar: er zijn meerdere factoren die een uitkomst bepalen. Bovendien is er nog iets anders erg belangrijk:

Zoek een gemene deler als je volgens own voice schrijft

Om niet door te slaan in own voice, is het verstandig om een gemene deler te zoeken.
Nee, ik zal als blanke vrouw nooit echt weten hoe het is om zwart te zijn (in Nederland). Maar ik kan nog steeds met de nek aangekeken worden, of door anderen worden gediscrimineerd (al dan niet vanwege mijn ras). Daar hoef ik niet zwart voor te zijn.
Een aantal onderliggende emoties die je kan voelen als je wordt gediscrimineerd zijn bijvoorbeeld verdriet, ongemak, of boosheid. En die emoties zijn bij iedereen bekend. Probeer dat vast te houden tijdens het schrijven (van own voice). Anders blijf je beperkt tot het schrijven van een autobiografie of kan je zelfs niet over andere personages schrijven dan je persona (want jij hebt hun leven niet meegemaakt…) Dat schiet niet echt op als je een roman wil schrijven… 😉

Schrijf je te veel met own voice? Schakel mij in voor manuscriptredactie, dan kijk ik ernaar voor je.

Wat als je personage tegenslagen te verduren krijgt?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage tegenslagen te verduren krijgt?

Tegenslagen heb je in alle soorten en maten en er zijn evenveel manieren om je daarover te uiten. Boosheid komt dan vaak voor. Boosheid over tegenslag kan je grofweg in drie groepen onderverdelen. Zodra je weet in welke groep de boosheid thuishoort, kan je dat handig toepassen in je verhaal. 

Mokken

Dit is de meest ‘onschuldige’ vorm van boosheid. Mokken gebeurt als je personage zijn dag niet heeft, of zich ergert aan kleine dingen. Denk aan dingen als:
* “hé verdorie, de koekjes zijn alweer op…”; 
* “O, jippie, alweer regen vandaag… Ik heb al drie weken geen fatsoenlijke zon gezien.”; 
* naar de supermarkt gaan en je portemonnee vergeten;
* een lange rij voor de achtbaan in het pretpark.

Mokken kan goed werken voor je verhaal, of helemaal niet. 
Als je personage af en toe eens mokt, maak je een personage op een eenvoudige manier realistisch(er). Als je hoofdpersonage iemand is die te pas en te onpas loopt te mokken, maak je het jezelf onnodig moeilijk. Iemand die steeds mokt, zal niet snel in actie komen om iets te veranderen. Een held van een verhaal kan niet te passief zijn, want daarmee zet je geen centraal conflict in gang. 
Hoe dan ook, wees zuinig met ‘mokbuien’ van een personage. 

Terechte woede

Boosheid is een vervelende emotie, maar daarmee niet altijd onterecht. Als je personage door zijn wederhelft geslagen wordt – omdat zijn vrouw zijn salaris te laag vindt, bijvoorbeeld – dan is het juist goed dat je personage boos wordt: dat getuigt van een bepaalde eigenwaarde. (“Ik verdien misschien geen ton per jaar, maar dat geeft je niet het recht om me te mishandelen!”)
Gebruik die eigenwaarde in je voordeel om te laten zien wat voor ‘verborgen krachten’ je personage nog meer heeft: wat kan en durft hij in gang te zetten zodra er onrecht of onraad is? Waarschijnlijk schuilt er iets in je personage dat verandering in gang wil zetten. En verandering is altijd goed, want het zet een verhaal in gang, of houdt een verhaal aan de gang. 

Woekerende woede/ verbittering

Woekerende woede of verbittering treedt op wanneer je personage iets vervelends is overkomen en hij zich er niet overheen kan zetten. Dat kan iets kleins zijn (een vriend die een verjaardag vergeet) of iets groots (je personage heeft in een Duits concentratiekamp gezeten en wordt nog steeds kwaad als hij een Duitser ziet.) Maar of het iets groots is of iets kleins, de woede terecht is of niet, doet eigenlijk niet ter zake. Dit soort woede is namelijk vooral handig om je personage beter te leren kennen. Wat zijn de karaktertrekken, omstandigheden en gebeurtenissen die op je personage van toepassing zijn die ervoor zorgen dat je personage in die verbittering blijft hangen en het verleden maar niet achter zich kan laten? De informatie die je krijgt als je naar deze antwoorden op zoek gaat, zijn waardevol gedurende het hele schrijfproces, niet alleen als deze verbittering boven komt drijven. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Laat mij controleren of je tegenslagen goed uitgewerkt zijn: kijk eens in mijn webshop.

Schrijfoefening: de schijnheilige engel

Schrijven over een personage waar je fan van bent, is natuurlijk leuk. Maar schrijven over een personage dat je niet mag, is niet altijd makkelijk. Deze oefening kan je daarbij helpen.

Kill your darlings, maar dan andersom

Kill your darlings is het principe dat je moet schrappen wat je graag schrijft en soms als verlengde, leuk vindt om te lezen. Maar het kan ook andersom. Denk aan:
* Je favoriete personage heeft zijn ten minutes of fame, die je moet schrappen omdat het niet in de scène past.
* Je moet je darling daadwerkelijk vermoorden;
* Je moet je slechterik zijn slechte dingen laten doen. Dingen waar je zelf niet goed van wordt zoals neerkijken op anderen, arrogant zijn, mensen afblaffen, moorden…

Ik gebruik hier bewust het woord moeten. Net zoals je er niet onderuit kan dat je soms iets moet schrappen wat je eigenlijk mooi vindt, moet je soms iets schrijven waar je eigenlijk liever niets mee te maken zou willen hebben. Maar het is nodig voor de broodnodige balans van goed en slecht in je verhaal, anders wordt je verhaal uiteindelijk oninteressant.

Speel voor de (schijnheilige) engel

Een manier die kan helpen om je over de ergernissen heen te zetten, is om een rol van een (schijn)heilige engel aan te nemen tijdens het schrijven. Daarvoor moet je je gevoel voor moraal wel tijdelijk kunnen uitschakelen.
Onze engel heeft als uitgangspunt dat alles wat er op deze aardkloot in een mensenleven gebeurt, helemaal niet zo belangrijk of spannend is. Uiteindelijk gaan we toch allemaal dood, belanden we met z’n allen in de hemel en mogen we voor eeuwig aan de melk en honing en is er alleen nog maar liefde, nooit meer haat.
Op zich verkondigt de engel een mooi verhaal, maar de clou van deze oefening is dat deze engel moet denken dat we ook op aarde ook allemaal engeltjes zijn, ongeacht wat we doen. Daardoor heeft deze engel overtuigingen als:
“Ach, wat maakt het uit dat Frenkie andere kinderen pest? Hij is net als iedereen een bron van licht, maar kan daar (met zijn hart en hoofd) nog niet bij.”
“Het is irrelevant dat Geertje haar eten steelt, want als ze straks in de hemel is, doet geld er niet meer toe.”

Mensen mogen engelen gerust aanbidden. Andersom lijkt mij een minder goed idee…

Met andere woorden: ga alle acties zó schijnheilig goedpraten dat je er onpasselijk van wordt. Het voorbeeld van de engel vertaalt zich waarschijnlijk wat moeilijker naar wat meer alledaagse, aardse situaties. Daarom volgen hier wat meer concrete voorbeelden:
* Ach, hij mag mensen in elkaar slaan. Hij had een slechte jeugd en het is zijn schuld niet dat hij niet fatsoenlijk is opgevoed.
* Zij heeft altijd zo hard gewerkt en nooit tijd voor zichzelf gehad. Laat haar dan gewoon eens voor haarzelf kiezen en laat haar nou eens een klein cadeautje voor zichzelf kopen. Dat haar kinderen dan vervolgens een dag niet te eten hebben… Daar gaan ze niet dood van. Als het nou een week zou zijn…
Het principe van de engel noem ik alsnog, omdat als je per se moet, je kan doorredenen tot je een ons weegt als het gaat om waarom iemand nog niet zo slecht is. Zoals de engel dat doet die het aardse leven sowieso als niet zo belangrijk beschouwt.

Deze stap kan lastig zijn, maar hij is nodig voor de volgende stap van:

Het interessante achtergrondverhaal

Zodra je het punt hebt bereikt waarop je schijnheilig naar je personage kan kijken, kan je de personagebiografie waarschijnlijk een enorm zetje geven. Het centraal conflict vanuit het oogpunt van jouw gehekelde personage en de comfortzone worden zo een stuk duidelijker. Kortom: je personage wordt als geheel een stuk begrijpelijker of duidelijker. Dan zie je een stuk beter wat zijn plaats in het verhaal is. Daar wordt je verhaal als geheel een stuk beter van.
Een leuke bijkomstigheid is dat je dan in de schrijversflow terecht zal komen. Uiteindelijk zal je je personage niet meer zo’n vervelend persoon vinden (om over te schrijven), omdat je inziet wat zijn plaats in het grotere geheel is en dat hij er moet zijn voor de broodnodige balans in je verhaal. Waak er wel voor dat je in deze stap alsnog niet doorslaat en de schijnheilige engel niet meer als schrijfoefening, maar als schrijfmethode gaat gebruiken. Je moet je antagonist begrijpen, maar er is een heel groot verschil tussen slechte daden, vervelende karaktertrekken en irritante gewoonten begrijpen en goedpraten. Hier lees je daar meer over.

Als voorbeeld:
Een steenrijke man logeert in een hotel. Bij de incheck loopt het systeem even vast, waardoor de receptionist de man pas na vijf minuten naar zijn kamer kan wijzen.
Je weet dat de rijke man zijn hele leven rijk is geweest en dus niet beter weet of alles wat hij wil wordt voor hem gedaan zodra hij maar met zijn vingers knipt. Eventuele tegenslagen duren daarom hoogstens twee minuten. Je kan je dan voorstellen dat vijf minuten vertraging een reden voor hem is om kwaad te worden.
Hij verliest dan ook zijn geduld. Zo erg zelfs, dat hij zo hard begint te schreeuwen dat de manager van het hotel meent dat de receptionist de rijkaard groot onrecht heeft aangedaan en de baliemedewerker daardoor zijn baan verliest.
Dat gaat ver, maar dat zou in theorie kunnen gebeuren. Maar als de hotelgast later nog zelfingenomen is ‘omdat die nietsnut dankzij hem ontslagen wordt’ en hij de receptionist bij het uitchecken nog even snel een klap verkoopt… Ergens moet dat begrip ook weer ophouden.

Als dit hotel het oké vindt dat de gaten hun personeel mishandelen en het personeel vervolgens ook nog eens de schuld daarvan krijgt, hoeven ze mij niet meer als gast te verwachten…

Zorg dus dat je de ‘voors-en tegens’ van je personage kent en er uiteindelijk met een neutrale bril naar kijkt. Dan hoef je je tijdens er het schrijven niet meer zo aan te ergeren.

Behoefte aan een schrijfcoach die niet schijnheilig is? 😉 Kijk eens in mijn webshop.

Wat als je personage macht heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage macht heeft? 

Macht heeft vele gezichten en je kan er talloze verhalen over bedenken. Maar om te beginnen moet er voor deze tips een ding duidelijk zijn: macht hebben is niet meteen slecht. Niet alleen dictators hebben macht: ook een verzorgende in de gehandicaptenzorg heeft dat, want die bepaalt wanneer de cliënt opstaat, eet en gewassen wordt. Bedenk eerst eens of je personage macht heeft over een ander, zonder dat je dat misschien beseft. 

Wil je personage macht?

Je personage kan dus macht – of misschien beter gezegd zeggenschap – over iemand hebben, zonder dat dat het doel is. De verzorger of ouder heeft zeggenschap over cliënt of een kind, maar is daar niet trots op, pocht daar niet over en heeft die taak ook niet op zich genomen om diegene vervolgens als volgelingen of dienaren te beschouwen. Als je personage macht heeft, maar niet per se wil, zegt dat erg veel over je personage. Denk aan: hoe gevoelig hij is voor omkoperij of hoe sterk zijn ethisch kompas is.

Wat zijn de middelen die je personage heeft?

Of het nu een diploma in de gehandicaptenzorg is, ouderlijk gezag of een heel leger compleet met nucleair arsenaal, je personage heeft middelen tot zijn beschikking die de macht in stand houden. Wat voor troef geeft je personage dat? Dwingt het angst of respect af? Geeft het bepaalde connecties?
Maakt je personage daar gebruik van om zelf beter van te worden door nog meer gebieden te veroveren of carrière te maken? Of vindt je personage, ondanks alle mogelijkheden alles wel goed zoals het is? 
Neem die middelen ook eens mee in je opschrijfboekje: wat gebeurt er als het volk in opstand komt, of je personage zijn baan verliest? Draait je personage dan door of blijft hij kalm? Zo weet je hoe vindingrijk en stressbestendig hij is. 

Waarom houdt je personage de macht?

Of je personage nu machtslustig is of het hebben van macht nu eenmaal bij de omstandigheden hoort: je personage heeft macht en wil die houden. Anders koos hij wel een andere baan, of wilde hij geen kinderen die hij op moest voeden waar hij verantwoordelijk over heeft. Wat zit er achter de reden om die macht te krijgen of te behouden? Onzekerheid? Een diagnose ‘sociopaat’ of naasten- of moederliefde?
Als je weet waarom je personage zich –plat gezegd– met het doen en laten van anderen bezig wil houden, heb je weer heel wat kennis over je personage die je kan gebruiken om hem verder uit te werken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online

Heb jij het thema ‘macht’ goed uitgeschreven in je boek? Ik kan het controleren: kijk eens in mijn webshop.