Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Deze week een toelichting over het kleine genoeglijke geluksmomentje van je personage.
Wanneer kan dit relevant zijn?
Het kleine genoeglijke geluksmomentje op zich is vrijwel nooit relevant voor je verhaal. Hoe vaak schrijf je immers een scène waarin je personage helemaal zen is en dat ook nog vervolg heeft voor het plot? En vrijwel iedereen heeft dat soort geluksmomentjes, of je nu geoefend bent in mindfulness of niet. Het hebben van zo’n geluksmomentje is dus geen bewijs dat je personage een soort verlichte monnik is, of op weg is een zogenaamd spiritueel meesterschap te behalen.
Wat kan je te weten komen?
Desondanks kan het kleine geluksmomentje je tussen de regels door veel nuttige informatie geven.
Waar geniet je personage echt van? Waar haalt het energie uit?
Is dat lekker eten in gezelschap, dan is je personage dol op diens vrienden, of haalt het waarde uit een goed gesprek. Is het een onverwachte zonnestraal, dan is je personage gek op de natuur. Hoe sluit deze informatie aan bij andere zaken die in je personagebiografie? Het kan extra onderstrepen dat je personage meer extravert dan introvert is, of andersom. Of dat het vanwege die liefde voor de natuur ook geen vliegreizen wil maken, vanwege de invloed op het klimaat. Wie weet wat voor invloed dat heeft op andere gebeurtenissen in het verhaal. Wees niet bang om het kleine geluksmomentje aan te grijpen voor een kettingreactie aan conclusies te gebruiken.
Weet je personage wel waar het gelukkig van wordt?
Misschien kan je personage geen antwoord geven op deze vraag. Dan is de kans groot dat het zo druk bezig is met een carrière na te jagen of een bepaalde schijn op te houden, dat het de eigen identiteit is kwijtgeraakt. Met andere woorden: weet je personage prioriteiten te stellen? Kan het voor zichzelf kiezen?
Staat het personage ook echt stil bij het geluksmomentje?
Soms is een personage zo depressief dat het nergens meer blij van wordt. Zelfs als het zegt dat het dolblij wordt bij het zien van een lieveheersbeestje, gaat dit personage gewoon door met zijn dag als het insect dan voorbijkomt gelopen, met de conclusie dat er nooit iets moois gebeurt. Door alle andere ellende ziet het positieve dingen niet meer in, ook al staan ze voor de neus. Zo wordt het geluksmomentje een handige graadmeter om te zien hoe gelukkig je personage over het algemeen is, of in hoeverre het geluk kan omarmen.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Als schrijver wil je graag dat je verhaal met plezier gelezen wordt. Maar je hebt geen invloed op hoe iedere individuele lezer iets interpreteert. Je kan echter wel onderzoeken wanneer, of en waarom je het al dan niet oké vindt dat je lezer je anders kan begrijpen dan je bedoelt. Zo kan je iets bewuster omgaan met wat je expliciet uitschrijft in je boek.
Interpretaties van de lezer over je boek
Als schrijver weet je wat er tussen de regels door gebeurt, of hoe het verhaal verdergaat na de laatste bladzijde, maar leg je niet alles vast. Daardoor kan een lezer eigen conclusies trekken. Soms komen die overeen met wat je zelf altijd hebt bedacht, soms ook niet. Een voorbeeld:
Een stelletje neemt voorgoed afscheid. Het is al dagenlang ongemakkelijk tussen hen: ze weten niet wat ze nog moeten zeggen. De lezer weet dat Bart iets geheim houdt voor Sandra. Dan stapt Sandra op de trein. Bart doet zijn mond open, alsof hij nog iets wil zeggen, maar dat doet hij niet. Dan blijft de brandende vraag: ‘Wat had Bart bijna gezegd?’ Wat speelde daar de hele tijd? In de aantekeningen van de schrijver staat: Bart heeft herhaaldelijk, met kleine beetjes tegelijk, geld van Sandra gestolen. En dan lezen de lezers het verhaal:
Lezer
denktdat
omdat
1
Bart is vreemdgegaan
hij altijd zo schrikachtig was als Sandra de slaapkamer binnenkwam: hij zal in bed wel met zijn minnares hebben geappt als Sandra even in de badkamer was (Maar Sandra’s spaarpotje stond op haar nachtkastje…)
2
Bart hij zich altijd onbekwaam voelde in bed en daarom vooraf altijd zenuwachtig werd.
als Sandra in de badkamer was hij vaak mompelde: heb ik er vandaag de moed voor? Dan wel om zich te bewijzen, of om te zeggen dat hij vandaag geen zin heeft (maar het betekende: durf ik vandaag weer te stelen?)
3
Bart af en toe van Sandra stal
hij altijd zenuwachtig werd aan het einde van de maand, en alleen zenuwachtig werd als Sandra in de badkamer was, niet wanneer ze naast hem zat op de bank.
In dit voorbeeld zouden de conclusies van lezer 1 en 2 logisch kunnen zijn. Dus trek je alles uit de kast trekken om ervoor te zorgen dat de lezer zeker weet dat het hele probleem niets met seks, romantiek of intimiteit te maken heeft. Zo, opgelost. Nu moet het toch wel duidelijk zijn. Maar dan zegt lezer 4: Bart heeft eerder een mysterieus telefoontje gehad en hij vreest dat iemand hem wil neerschieten. Er zit een sluipschutter op het balkon van de overburen, die de trekker overhaalt als Bart alleen in de slaapkamer is. Kortom: met geen mogelijkheid kan je voorkomen dat een lezer het soms ‘mis’ heeft of iets niet oppikt.
De mate van zeggenschap van een schrijver
Er zijn twee termen waar je van moet weten: ‘dood van de auteur’ en ‘autoritaire intentie’ als je wil weten hoe een lezer jouw intenties als schrijver kan interpreteren.
Autoritaire intentie: hier gaat de lezer uit van het principe: een schrijver schrijft een boek en laat bepaalde zaken open. Als je later een interview met de schrijver hebt en over die open zaken opheldering vraagt, is dat antwoord het enige juiste, omdat de schrijver het zo bedoelde, ook al staat het niet expliciet zo opgeschreven. Bart stal dus van Sandra, punt. En daarom is het boek geen romantisch verhaal.
Dood van de auteur: hier doet de lezer als het ware alsof de auteur meteen na het schrijven van het boek dood is neergevallen. Je kan de schrijver niet meer vragen naar hoe iets was bedoeld, dus blijven alle opties open. En als het de bedoeling was geweest dat de lezers zeker wisten dat Bart van Sandra stal, dan had dat uitgeschreven moeten worden. Als achteraf in oude aantekeningen wordt gevonden wordt dat Bart van Sandra stal is dat nog steeds waar, maar niet meer waard dan de mening of de interpretatie van de lezer die iets anders las in de tekst.
Dit zijn uitgangspunten, dus geen feiten die goed of fout zijn. Je lezers kunnen tekst anders lezen en het dus niet altijd met je eens zullen zijn als je -achteraf- verklaart wat en waarom je iets niet expliciet opschrijft in je verhaal, zonder dat ze ‘fout’ zitten. En er zullen mensen zijn die je woord altijd voor de waarheid aannemen.
Hoe ga je als schrijver met deze zeer verschillende standpunten om?
Dode schrijver, vrije lezer
Om het in een zin samen te vatten:
Lees teksten met alle vrijheid voor verschillende interpretaties, maar schrijf ze alsof je elk moment dood kan neervallen.
Dit is een uitganspunt waarmee ik hoop je een aanrijking te geven, maar -net bij als de discussie over interpretaties zelf- is dit echt niet dé manier. Hopelijk wordt je je in ieder geval meer bewust van je eigen hoe en waarom.
Je moet als schrijver aan teksten -zowel die van anderen als je eigen- verschillende interpretaties kunnen geven. Zo leer je over verschillende schrijftechnieken en hoe bepaalde teksten (überhaupt) geïnterpreteerd kunnen worden. Maar als je dichttimmert, kan je complete verhaalthema, of centrale conflict daaronder lijden. Of je boek wordt een ‘snap je wat ik bedoel’-uiteenzetting van een mening, waar geen fatsoenlijk verhaal meer van overblijft, zoals bij de doorgeslagen trope. Dus moet jezelf afvragen of, wanneer en in welke mate je het erg vindt als je verkeerd begrepen wordt. Op zulke momenten moet je gaan schrijven alsof ‘dood van de auteur’ de enige geldige regel is. Waarover wil je absoluut geen misverstanden laten ontstaan? Denk verder dan alleen eigenlijke gebeurtenissen, maar ook hoe je bepaalde tropes uitschrijft, intenties van personages neerzet en wat je al dan niet expliciet(!) over hun dingen als uiterlijk of seksuele identiteit vertelt.
Een aantal dingen om op te letten: * heb je het doel van je verhaal voor jezelf duidelijk? * Schrijf je ‘grijs‘? Is er niet iets wat erg eenzijdig wordt neergezet? * Wijk je niet te ver af van je verhaalthema? * Ben je je bewust van de associaties van bepaalde tropes? Onderzoek die goed, voor je iets gemeens lijkt te zeggen dat je niet zo bedoelt! * Is een diversiteit het thema of een aanvulling? * Heb je weet van het ‘meerderheidsprincipe’?
Het meerderheidsprincipe noem ik het verschijnsel dat je soms, zonder het te beseffen, van een meerderheid uitgaat. Stel: mijn personage werkt bij het leger, heeft een hoge positie en is verloofd. Wat is mijn personage voor iemand? De kans is groot dat je een witte, heteroseksuele man voor je ziet. Omdat er naar verhouding meer mannen dan vrouwen in het leger dienen, er meer mannen in een hoge positie werken en hetero’s in de seksuele meerderheid zijn. En er wonen meer witte mensen in Nederland dan gekleurde mensen. Maar er stond niets dat uit kon sluiten dat het om een biseksuele latina ging die met een vrouw verloofd is. Maar helaas komt dat door het ‘meerderheidsprincipe’ niet zo snel bij je op. Als je zeker wil weten dat er iets over je personage duidelijk is, bedenk dan of er misschien een meerderheid is die je personage kan ‘overschaduwen’, waardoor het niet meteen waarschijnlijk is dat het analfabeet, moslima, vrouw, transgender, lichamelijk of financieel beperkt… wat voor minderheid dan ook is.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel? Deze week een toelichting bij de essentiële kennis over trauma’s.
Waarom is dit belangrijk om dit te weten?
Een trauma blokkeert de groei van je personage en kan dus ook het plotverloop blokkeren. Als je weet wat je personage voor trauma’s heeft, kan je voorkomen dat de verhaallijn stil komt te staan, of dat je je personage sterker wegzet dan het is. Je kan er ook achterkomen dat je personage sterker is dan je dacht, als je van het trauma weet.
Staat dit gegeven vast?
Ten behoeve van dit artikel maak ik onderscheid tussen twee verschillende soorten trauma’s: het klinische trauma en het persoonlijke trauma. Het klinische trauma is ernstig; medicatie en therapie zijn vereist. Het persoonlijke trauma is niet zo ernstig, maar voor het personage kan het wel zo voelen: “Ik heb een trauma van die ene keer dat ik door een hond werd gebeten.” Waarschijnlijk krijgt je personage daar geen PTSS van, maar het zal in nabijheid van een hond nog wel bevriezen en bang worden.
Een klinisch trauma is zodanig ernstig dat het gedurende het verhaal een grote rol zal blijven spelen, een persoonlijk trauma kan worden overwonnen. Natuurlijk kan dat bij PTSS ook het geval zijn, in zoverre dat je personage er op een draaglijke manier mee leert omgaan. Maar dat moet dan wel het overgrote deel van de heldenreis betreffen, niet als een probleem dat tijdens de heldenreis ‘toevallig’ ook nog op het pad komt.
Wat kan je te weten komen?
Bedenk dat je personage in een traumamoment bevriest. Dat betekent dat het -in dat moment (!)- niet op een bepaalde manier kan handelen. Dat heeft bij een persoonlijk trauma de oorzaak in een bepaalde overtuiging of herinneringen. Stel dat je personage vroeger is gepest. De ergste wonden zijn geheeld, maar je personage is daardoor bij nieuwe kennismakingen nog altijd verlegen, terwijl het vrienden de oren van het hoofd kan kletsen. Toch blijft je held bij nieuwe kennismakingen denken: Wat als ik niet aardig gevonden wordt? Ergens weet je personage waarschijnlijk wel dat het niet meteen gepest gaat worden. En toch…
Kijk wat de achterliggende overtuigingen kunnen zijn:
Ik ben niet grappig genoeg
Ik heb niks interessants te vertellen
Ik ben nog steeds het ‘dikkertje’ van de klas
Als ze zouden weten dat ik ben gepest, vinden ze me een watje
Het zou kunnen dat een van deze dingen waar is voor dit ene moment, maar meestal zit het tussen de oren. Het nare is dat er een kip-of-ei-situatie kan ontstaan. Doordat het persoonlijke trauma een eigen leven gaat leiden, kan het je personage uit angst niet interessant genoeg te zijn, dan maar niet meer naar kennismakingbijeenkomsten gaat. Dan is het op den duur niet moeilijk om te denken dat nieuwe mensen je niet zien zitten…
Of het nu bang is om door de mand te vallen, aangevallen te worden, uitgescholden te worden of… De redenen dat je personage blijft bevriezen is iets om mee te nemen voor de groei van de heldenreis.
Moet je dit in je verhaal laten terugkomen?
Een heldenreis draait om groei. Zodra jou een mogelijk trauma opvalt als je het personage aan het ontdekken bent, moet je het dus in het verhaal uitwerken. Houd wel in de gaten dat je het persoonlijke trauma niet groter maakt dan het hoeft te zijn en het klinische trauma niet onderschat.
Een personage groeit gedurende een verhaal, dus kan het ook dingen leren. Toch zal het een aantal dingen nooit kunnen of willen. Niet zozeer omdat het dom of zwak is, maar omdat iets niet in het karakter van je personage zit. Dat kan op verschillende manieren grote gevolgen hebben voor je plot. Let daarom heel goed op welke karaktereigenschappen je een personage toebedeelt en van welke zaken je het plot laat afhangen.
Een geloofwaardig karakter van een personage schrijven
Het is een open deur intrappen, maar het karakter van je personage is ontzettend belangrijk. Als je van een goedzak de antagonist maakt, rammelt er iets aan de basisstructuur van het verhaal. Maar een goed geschreven personage is niet zwart-wit. Het moet dus zowel goede als slechte dingen in zich hebben. Daar wordt je personage geloofwaardig van. Sla je echter door in je streven om je personage grijs te maken, dan is het om andere redenen ongeloofwaardig. Zelfs personages die er prat op gaan altijd ‘beide kanten van het verhaal’ te willen weten voor ze een oordeel vellen, hebben ergens een uitgesproken mening over, of bepaalde principes waar ze naar leven.
‘Dat zou ik echt nóóit doen!’
Het is iets dat zo vaak wordt gezegd, dat het soms niet meer geloofwaardig lijkt: ‘Dat zou ik echt nóóit doen!’ Misschien omdat je het meestal hoort in de context van: ‘Liegen dat ik ziek ben om een dagje stiekem de bloemetjes buiten te zetten? Dat zou ik *ahum* nooit doen!’ Maar toch zijn er dingen die je personage echt nooit zou doen. Denk aan een dierenrechtenactivist die op vakantie in Spanje echt nooit naar het stierenvechten zou gaan kijken. Dit is een oppervlakkig en duidelijk voorbeeld, maar als je je meer in je personage verdiept, zal je zien dat als je personage om wat voor reden dan ook iets nooit zou doen, dat ook grote gevolgen heeft voor het plot. Denk aan: * een Duitse jongeman ten tijde van het Derde Rijk, zal die met een Jodin trouwen? (nóóit!) * als ik moest kiezen tussen het redden van het leven van mijn ene kind en het andere (dan schieten ze mij maar dood!)
Om te zien hoeveel en waarom dat gevolgen heeft voor het plot, kan je jezelf twee vragen stellen: * Waarom gebeurt het alsnog? Het leven is nooit volledig te sturen. Waar heeft je personage gewoon geen invloed op? * Waarom gebeurt het inderdaad nooit? Welke (karakter)eigenschap van je personage is zo sterk dat het plot er zich naar vormt, in plaats van andersom?
Als het toch gebeurt
Het is makkelijk om te zeggen dat je iets nooit zou doen als de kans dat het gebeurt maar tweehonderd-nullen-achter-de-komma-punt-een-procent is. En dan gebeurt het toch. Schrijvers denken dat ze creatief zijn, maar het leven zullen ze op dat gebied nooit verslaan. Onthoud dat jij als nederige schrijver nooit zo groots, onvoorspelbaar, slim en onwaarschijnlijk zal kunnen schrijven als het leven soms is: waak voor Deus,Pixie en te grote butterfly-effects. Maar als je een poging wil wagen, kijk dan goed naar hoe je een bepaalde creatieve vrijheid invult en waarom. Dan weet je als het goed is ook hoe je personage gaat reageren. Het wordt met een omstandigheid geconfronteerd die het nooit had verwacht en waar het zich doorheen moet slaan. Schrijf op in je opschrijfboekje wat er dan gebeurt. Het kan zomaar gebeuren dat je personage razendsnel wegrent, terwijl je dacht dat hij zich vol in de strijd zou storten. Of andersom, natuurlijk. Het spreekt voor zich dat een verhaal heel anders loopt wanneer een laf personage de held is dan wanneer een dapper personage dat is. Maar zo zijn er nog talloze andere factoren waarbij het karakter van de held het verhaal kan bepalen.
Het gebeurt niet dankzij het personage
Het kan ook zo zijn dat iets inderdaad nooit plaatsvindt, juist omdat een personage iets weigert te doen. Ik blijf het voorbeeld van soldaat Pleva prachtig vinden, dus ik gebruik het nog eens. Je kan in de clip zien wat voor gevolgen het heeft dat hij als SS-soldaat een Joods kindje weigert de doden. Zestig jaar later vertelt Ruth haar verhaal aan een documentairemaker en inspireert het talloze mensen. Zo je wil is dit een omgekeerd butterfly effect: omdat er een schakeltje niet wordt voortgezet, komt er niets terecht van het verhaal wat had kunnen zijn. Maar daarvoor moet je het karakter van je personage wel erg goed doorgronden en beslissen welke eigenschap onverwoestbaar is. In het verhaal van soldaat Pleva zegt Ruth nog iets heel moois: “Hoe kun je vooraf weten of je op zo’n belangrijk, alleszeggend moment de moed hebt om te doen wat juist is? Dat kan niet, daar zijn die momenten te heftig voor. Het is ook een vraag die niemand voor een ander beantwoorden kan. Maar die vraag moet wel worden gesteld.” Precies die vraag moet je als schrijver stellen: hoe kan het dat mijn personage iets weigert dat zo belangrijk is dat mijn verhaal erdoor verandert? Is het moed, een ijzersterk principe, een moment waarop hij door God wordt gedragen? – de daadwerkelijk hogere macht, niet de god die jij als schrijver soms kan zijn!-
Het moge duidelijk zijn: dit is een lastige opgave. Kijk daarom eens goed in je personagebiografie wat je allemaal hebt opgeschreven. Zijn er zaken die elkaar aanvullen? Misschien vind je wel wat tegenstrijdigheden. Een goed moment om daar nog eens goed naar te kijken. Vergeet ook niet dat je personage een archetype(rol) heeft. Pak dat schema er ook nog eens bij, het kan een zetje geven. Zo zal je zien dat het – in ieder geval op papier- makkelijker is voor een ‘wijze’ om zich op te offeren, omdat die staat voor empathie. Een magiër, die naar macht streeft, zal dat minder snel kunnen.
Tenzij je heel erg cliché schrijft, zal het niet vaak voorkomen dat de karaktereigenschappen van je personages het plot bepalen. Maar als dat wel zo is: weet wat je doet en neem je tijd om alles goed uit te werken. Dan krijg je een verhaal dat heel stevig staat!
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel? Je kan opschrijven waar je personage wakker van ligt. Zo kom je te weten waar het bang voor is, waar het zich machteloos over voelt of wat het mentaal achtervolgt.
Wanneer kan dit relevant zijn?
Het kan erg handig zijn om te weten waar je personage niet van kan slapen zodra je weet waar de uitdagingen in de heldenreis van je personage gaan liggen. In ieder verhaal zijn er momenten waarop je personage even vastloopt. Bij dat vastlopen hoort ook een zekere mate van bevriezen. Maar hoe zich dat kan uiten, is niet altijd even duidelijk. Als je je kan inbeelden waar je personage ’s nachts over ligt te woelen, kan dat een stap in de goede richting zijn om dat uit te vinden.
Wat kan je te weten komen?
Je personage zou als een roosje slapen als het kon oplossen waar het nu wakker van ligt. Dat betekent dus dat er een bepaalde machteloosheid in het spel is. Kijk eens hoe die machteloosheid tot stand is gekomen. Wat ontbreekt je personage? Moed, middelen, vaardigheden, verstand, mentale veerkracht of is het simpelweg het slachtoffer van een reeks ongelukkige toevallen? Deus ex Machina kan ook nadelig werken voor je personage… Zodra je weet wat er speelt, weet je ook hoe je iets in gang kan zetten om het plot van slot te halen. Je weet dan namelijk wat je personage nodig heeft om te kunnen groeien.
Staat dit gegeven vast?
Een heldenreis is dynamisch, dus je personage zal zelden tot nooit over hetzelfde piekeren. In het begin van het boek moet het de comfortzone nog verlaten. Als het dat in hoofdstuk 7 al gedaan heeft, dan is diezelfde horde aan het einde van het verhaal helemaal niet zo eng meer. De enige belangrijke uitzondering daarop is een trauma. Traumaverwerking is erg complex en is niet zomaar opgelost. Negen van de tien keer is een trauma overwinnen niet onderdeel van een plot, maar vormt dat het volledige verhaalthema. Dat is niet voor niets; als je een trauma minder erg maakt dan het is, komt het verhaal als geheel al gauw als slecht geschreven over.
Wanneer is dit belangrijk genoeg om uit te schrijven?
Meestal is dit gegeven het benoemen waard, maar hoef je er geen uitgebreide toelichting op te geven. Als het goed is, blijkt door het plot heen al wat er in het hoofd van je personage rondspookt. Daar kan show, don’t tell bij helpen. Als je personage een trauma heeft, kan het juist helpen om een (flashback)scène te wijden aan een van die vreselijke slapeloze nachten om te laten zien dat hier serieuze mentale problemen in het spel zijn, niet slechts wat zenuwen voor een aankomende vergadering of een belangrijk examen.
Ieder personage heeft vreselijke onzekerheden, die het zal proberen te verbergen. Als iemand daar doorheen prikt, zal je held waarschijnlijk eerst stekels op gaan zetten. Maar wat gebeurt er na die eerste primitieve reactie? Deze schrijfoefening gaat verder in op die vraag.
Je personage als bedrieger
Het gevoel hebben ieder moment door de mand te vallen, omdat je denkt dat je iets niet kan of goed genoeg doet, terwijl het tegendeel waar is. Je eigen prestaties niet kunnen erkennen of op waarde schatten. Dit is een beschrijving van het oplichterssyndroom. Hoewel de term anders doet vermoeden, is dit geen psychologische stoornis. Bovendien hebben veel meer mensen dan je wellicht denkt hier in meer of mindere mate wel eens last van.
In deze schrijfoefening zegt iemand iets wat de vinger op de zere plek legt, precies op het moment dat je personage dit soort kwetsbare gedachten heeft. Met andere woorden: het personage lijkt als bedrieger ontmaskerd te worden. Let wel: ik heb het hier niet over het betrappen van iemand die daadwerkelijk iets op zijn kerfstok heeft. Er wordt dus geen moordenaar betrapt of een leugen ontkracht.
Wat gebeurt er als je personage betrapt wordt op een fout of gedachte die menselijk is, terwijl hij denkt dat ieder ander zoiets ‘idioots’ nooit zou overkomen?
Het akelige moeten
Als je erachter wil komen hoe je personage zich een bedrieger kan voelen, bedenk dan wat het kan of moet kunnen. Dat moeten is vooral belangrijk, want daar gaat het pijnpunt zitten. Van wie en waarom moet het eigenlijk iets kunnen? * Moet de held iets kunnen (of hebben) vanwege een bepaalde sociale of culturele verwachting of druk? * Moet het personage zichzelf bewijzen voordat het vindt dat het ‘erbij hoort’ en heeft het de lat veel te hoog gelegd? *Moet er bepaalde kennis paraat zijn om een beroep goed uit te oefenen?
Het akelige moeten van het bedriegerssyndroom is dat het dit ‘moeten’ volledig opblaast, totdat je gelooft dat iedereen ter wereld (of al jouw vrienden of collega’s) een Mary Sue is die alles foutloos en moeiteloos doet, en jij als enige fouten makende sterveling op de aardkloot rondloopt. Dus áls je dan een keer door de mand valt of een fout(je) maakt, dan lijkt dat een bevestiging dat je de mislukkeling bent die je altijd al vreesde te zijn. Dus een advocaat die de naam van een bepaalde wet nogal eens vergeet, terwijl de collega’s die altijd zonder problemen benoemen, kan ervoor zorgen dat hij denkt dat hij waardeloos is. Wat voor advocaat ben ik als ik niet eens de naam van een wet kan onthouden? Terwijl zijn summa cum laude diploma recht voor zijn neus ingelijst aan de muur hangt.
Kijk eens waar je personage (stiekem) trots op is, wat het goed kan en/of waar het hard voor heeft moeten werken. De kans dat daarover bedriegergedachten op de loer liggen, is groot.
De confrontatie
Ik schreef niet voor niks het woord ‘idioot’ in de beschrijving van de oefening. Het is niet fijn om jezelf als idioot te zien en als iemand het tegen je zegt, ervaar je dat als scheldwoord. Dus uit woede, schaamte, verdriet, wanhoop of… zal je personage de ander tegenspreken als hij ook maar denkt dat hij als idioot wordt gezien. De advocaat uit het voorbeeld kan dus al stekelig worden als de collega zegt: “Ben je de naam van die wet vergeten?” Ook al wilde ze haar zin voltooien met: “Jij ook al? Wat een rotnaam heeft die ook hè?” of “Heb jij even mazzel dat je alleen díe naam niet kan onthouden. Ik worstel soms wel eens met meerdere benamingen van belangrijke wetten.”
Maar zoiets rationeels als een uitspraak helemaal afwachten doet het bedriegerssyndroom niet. Dus als de collega halverwege haar opmerking is, zijn de stekels al opgezet. Nu is de grote vraag: en dan? Of liever: wat schuilt er achter die stekels? Welke onderliggende emotie wordt ‘ontmaskerd’ bij je personage?
Emoties, heldenreis en motief ineen
Als je weet welke emoties worden aangesproken de ervaring geven als een zogenaamde idioot ontmaskerd te zijn, kan dat heel veel zeggen over je personage: hoe dat moet groeien in het plot en hoe hij dat zelf voor elkaar denkt te krijgen. Om te beginnen is het handig als je weet wat de kernemotie is van je personage op dat moment, zodat je je ook niet vergist in de ‘near enemy’ daarvan. Dan weet je zeker dat je de emotie goed identificeert en dus ook correct kan uitschrijven.
Stel dat je personage onmiddellijk ontploft als hij alleen al denkt dat hij een idioot wordt genoemd. Hij zegt niet eerst: “Pardon?!” of “Moet dat nou zo?” maar loopt meteen rood aan en begint meteen te schreeuwen en te schelden. Je komt erachter dat je personage niet gefrustreerd, maar boos is. Dan zou ik hem naar woedebeheersingstraining sturen. Blijkt er frustratie in het spel te zijn en er iets buiten de macht van het personage om zijn persoonlijke omstandigheden vervelender te maken (de advocaat wordt door zijn vrouw ook dagelijks een idioot genoemd) dan moet niet hijzelf, maar iemand anders veranderen. Je zal de advocaat eerder moeten helpen dan afstraffen, wil je hem in zijn heldenreis verder helpen.
Als je weet waar de ‘zwakke plek’ van je personage zit en hoe het reageert als je hem daarop pakt, kom je er dus achter wat het gaat doen om die aanval af te weren of te overleven. Dat kan ervoor zorgen dat je achter informatie komt die eerst nog verborgen voor je was. Schrijf die op in de personagebiografie! Zodra je al je (nieuwe) informatie op een rijtje hebt, kijk je naar het einde van de heldenreis – of je verhaal, zo je wilt-. Wat moet er vóór het einde nog gebeuren of veranderen, wil je personage daar uitkomen? Bedenk dat je personage altijd vanuit een eigen motief handelt. Het weet niet dat het alleen op papier bestaat en trekt zich dus niets van jouw plan aan. De bevindingen uit deze schrijfoefening kunnen je wat meer trucjes geven om je te helpen jouw personage net iets meer jouw kant op te duwen.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel? Deze week een toelichting over ‘De eerste keer dat…’
Deze aanvulling voor je personagebiografie kan je pas noteren als je in de fase bent dat je je personage zo goed kent, dat je het kan ‘interviewen’. Je personage is dan al zodanig realistisch voor je dat je er rechtstreeks dingen aan kan vragen. Het kan er net als een echt mens eigen, unieke antwoorden op geven.
De vraag die je je personage stelt is: “Wat was voor jou een belangrijke eerste keer?”
Wat kan je te weten komen?
Het onderwerp dat je personage benoemt zegt wat je personage meerdere keren heeft meegemaakt en wat erg belangrijk is geweest in diens hele leven. Of het laat zien dat die eerste keer heeft een keerpunt heeft ingeluid. Ik geef een voorbeeld om dit te verduidelijken: Als je het personage specifiek vraagt naar de eerste keer, dan is dat iets wat je personage zich zal herinneren. Maar hoe vaak is het verliezen van je maagdelijkheid iets wat je leven bepaalt? Het is memorabel, maar vaak niet tekenend voor de rest van een leven. Die carte blanchevraag naar ‘de eerste keer dat…’ is iets waarvan je aan kan voelen dat er naar iets speciaals wordt gevraagd. Daarom zal je personage over iets vertellen wat ertoe doet of heeft gedaan voor hem of haar.
Enkele voorbeelden:
De eerste keer dat de professionele pianist een kleinschalig concert hield.
De eerste keer dat een naaste overleed, bij iemand die (mede daardoor) doodsbang is om te sterven.
De eerste keer dat een alcoholist dronk(en werd).
De eerste keer dat iemand een blauwtje liep en diegene na nog talloze afwijzingen de hoop op romance heeft opgegeven.
Wanneer kan dit relevant zijn?
‘De eerste keer dat…’ kan handig zijn als je met veel flashbacks werkt. Dan kan je het gebruiken als verklarende scène en uitschrijven waar de angst, passie of het trauma vandaan komt. Of je nu met of zonder flashbacks schrijft: je hoeft dit moment niet per se expliciet te vermelden. Maar het is wel altijd handig om te weten welke eerste keer je personage aanhaalt om over te vertellen. Iets dat zo belangrijk voor het leven van je personage is (geweest) komt direct of indirect ergens je plot terug. Al is het maar omdat het je personage heeft gevormd en daar bepaalde drijfveren uit ontstaan.
Staat dit gegeven vast?
De eigenlijke gebeurtenis van een eerste keer is natuurlijk onveranderlijk. Maar je personage kan wel anders naar dit moment gaan kijken. Dat proces is vaak een groot onderdeel van de heldenreis. Het kan twee kanten op: iets wat klein leek, bleek erg groot en kreeg een vlindereffect, zoals het eerste drankje van een alcoholist. Of iets wat het leven bepaalde kan worden afgesloten door een ruzie uit te praten, in therapie te gaan, enzovoorts. Daardoor kan het weer wat meer op de achtergrond verdwijnen.
Wanneer is dit belangrijk genoeg om uit te schrijven?
Negen van de tien keer schrijf je ‘de eerste keer dat…’ niet expliciet uit. Maar het komt wel terug in belangrijke zaken die je personage vormen of bepalen. Denk aan zaken als grote angsten, doelen in het leven, redenen om (niet) op te geven en zelfbeeld. Je schrijft het indirect dus altijd uit, maar het is een kwestie van aftasten welke manier het beste bij je verhaal past.
Je verhaal begint natuurlijk bij een begin. Maar een verhaal is niet het begin van alles. Er is al een wereld met een bepaalde geschiedenis, een familiekroniek duurt al jaren voort, een talent zit in de genen van je personage… Er zijn talloze manieren waarop jouw fictieve wereld wordt gevormd tot wat die is of gaat zijn. Als je deze geschiedenis bestudeert, kan je heel wat informatie over je wereld, personage en het plot ontdekken.
De familiekroniek
De familie van je personage geeft een schat aan informatie weer. Bedenk wat je personage erft, in de brede zin van het woord: * geld * normen en waarden * bepaalde genen en talenten of aanleg voor ziekten als gevolg daarvan * eventuele lusten en lasten die horen bij de familienaam. Als je personage kind is van een belangrijk historisch figuur, zal de rest van de wereld ergens geloven dat het kind dezelfde of soortgelijke overtuigingen heeft. Dat kan je personage als voordeel gebruiken om de comfortzone extra knus te maken, maar het kan ook een reden zijn om zich van de familie te willen distantiëren. Of het kind krijg een torenhoge lat van verwachtingen mee waar het nooit aan kan voldoen, met alle gevolgen van dien.
De optelsom van alles dat je personage kan erven, kan een groot deel van de personagebiografie bepalen.
Vergeet ook de verhoudingen tussen je personage en specifieke familieleden niet. Als er een engel van een oom aan vaderskant is, maar een tirantante aan moederskant, raad eens bij welke kant van de familie je personage dan liever op bezoek gaat? Zorgt die afstand met de familie aan moederskant voor een verwijdering? Wat heeft dat voor gevolgen?
Algemene geschiedenis in je boek
Natuurlijk zijn er ook gebeurtenissen waarmee je personage persoonlijk op geen enkele manier een verband mee heeft. Desondanks zou je personage niet leven (zoals het gewend is) als iets in de geschiedenis anders was gelopen, door toedoen van een bepaald persoon of moment.
* Hoe zou de hedendaagse wereld eruit hebben gezien als Alan Turing er niet was geweest? Deze man wist in de Tweede Wereldoorlog Enigma te kraken door de eerste versie van een computer te bouwen. Had de baan die jij nu hebt dan bestaan? Kun je je een wereld voorstellen zonder smartphone? * Of nog heftiger: als Stanislav Petrov er niet was geweest, was jij er waarschijnlijk ook niet (meer). Hij schatte tijdens de Koude Oorlog goed in dat een melding van een nucleaire aanval van de VS vals alarm was en besloot die melding stil te houden. Had hij zijn meerderen geïnformeerd, dan was de nucleaire oorlog een feit geworden.
Dit zijn grote voorbeelden, maar dit butterfly-effect kan je ook kleiner inzetten; een onbekende heeft ooit de jurk ontworpen waar jij zelfvertrouwen van krijgt.
Waarvoor kan je deze geschiedenis gebruiken?
Van algemene (fictieve) geschiedenis kan je veel leren als je die in de context van je verhaalthema plaatst. Je moet hiervoor wel een beetje ‘achteruit denken.’ De heren Petrov en Turing moesten onder tijdsdruk enorme beslissingen nemen en hebben de geschiedenis bepaald. Dit zijn helden in de meest zuivere zin van het woord. Heeft jouw personage iets met deze mannen gemeen dat je kan gebruiken voor diens heldenreis? Jouw personage moet immers ook een held worden en een geschiedenis bepalen of maken, zij het in iets bescheidener zin. Als jouw personage ook met computercodes werkt, doe je schrijfonderzoek naar coderen. Zoals we zagen bij Turing en Petrov kan presteren onder druk daar een onderdeel van zijn. Dan zou stressbestendigheid zomaar het verhaalthema kunnen vormen.
Kijk eens of er in de geschiedenis (van jouw verhaal) iemand is die wat betreft thema, karaktertrekken, vaardigheden of belangrijke elementen uit de personagebiografie overeenkomsten heeft met je personage. Dat kan helpen om jouw personage realistisch te portretteren en kan het op eerdere gebeurtenissen en ervaringen van anderen voortbouwen. Zo vindt een historisch personage een/het wiel uit, waardoor je personage kan bedenken dat je met dat wiel een kar kan maken. En daarmee schrijft je personage geschiedenis. Of liever gezegd: kan jij diens heldenreis schrijven.
Alternatieve geschiedenis
Alternatieve geschiedenis is de ‘Wat als?-versie’ van geschiedenis. Om de heldenreis, plottwisten en verhaalthema nog verder te kunnen verduidelijken voor jezelf kan je bepaalde keerpunten in de geschiedenis (van je verhaal) in je opschrijfboekje een alternatieve versie geven. Net als bij de echte geschiedenis kan het butterfly-effect dat de gang van zaken in de alternatieve geschiedenis verandert zowel groot als klein zijn. Ga eens graven en speuren en verander alles wat van waarde lijkt: karaktertrekken van personages, plotpunten zoals beslissingen of het niet nemen van een vervoersmiddel, het vertellen van een geheim… Je zal merken dat je van sommige dingen te weten komt dat ze het hele verhaal bepalen, terwijl jij dacht dat het een detail was.
Tante Marietje is de zure, verbitterde oudtante van de familie die op feestjes altijd moppert. Hoeveel verschil kan dat maken? Nichtje Gerda krijgt daardoor nooit een liefdevolle levenspartner. Marietje was het oudste en meest gezaghebbende lid van de familie en is teleurgesteld in de liefde. Het cynisme over de liefde dat Marietje had is een familiethema geworden, waardoor Gerda aanleerde de partner in een relatie altijd te wantrouwen. Geef Marietje een wat meer open en vertrouwend karakter en de heldin van het verhaal, haar nichtje Gerda, eindigt wél met een blijvende, liefhebbende partner.
Of andersom. Je dacht dat het bovenstaande het geval was: alles rondom liefde was Groot en Dramatisch met hoofdletters. Maar nu laat je Gerda in een alternatieve geschiedenis die ene, schijnbaar onbelangrijke liefdesbrief die ze zowat voor de lol schreef, wel naar Olivier sturen. Ze eindigen als gelukkig getrouwd stel. Oudtante Marietje bleek niet de schakel die het verhaal liet (spaak)lopen… Juist een detail blijkt allesbepalend.
Je kan van grote en kleine dingen in de (fictieve) geschiedenis ontzettend veel leren en verborgen informatie vinden, zeker als je ermee durft te spelen of de spreekwoordelijke radartjes van de grote machine gaat (onder)zoeken.
Veel plezier en succes daarmee!
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel? Deze week een toelichting over datgene waarvan je personage van slag raakt.
Wanneer kan dit relevant zijn?
Het is altijd handig om te weten waarvan je personage van slag raakt. Ga maar na wat er dan gebeurt: je personage raakt in paniek en weet even niet wat het moet doen. Of verdriet, angst of woede neemt het voortouw. Je leert hiermee niet alleen wat de zwakke plekken zijn van je personage, maar ook wat het doet als het door emoties geen controle meer heeft of kan nemen over de situatie. Dat gegeven kan je gebruiken om belangrijke keerpunten in je plot te bedenken.
Is dit altijd hetzelfde?
Je personage kan van slag raken om twee redenen. De eerste reden is in essentie simpel: je personage is op dit exacte moment bang (voor het onweer buiten, om te laat te komen, dat het inderdaad de slechte ouder is die het vreesde te zijn…) Maar het kan ook zijn dat je personage niet in diens beste toestand verkeerd. Dat kan zo klein zijn als snibbig worden als je te lang niets gegeten hebt, of om het minste in tranen uitbarsten omdat je personage aan een mentale taks zit en het tijd wordt om een psycholoog op te zoeken. Kijk dus goed of dit een tijdelijke, kleine uitbarsting van verlies van geduld betreft, er een grotere angst in het spel is of dat er meer aan de hand is. Dan weet je zeker dat de mate van de uitbarsting ook aansluit bij de situatie en kan je er ook realistischer over schrijven.
Wat kan je te weten komen?
Een kenmerk van de narratieve held is dat die vrijwel altijd controle moet hebben over zijn eigen verhaal – al is het maar om een pixie-personage te voorkomen. Als de held van slag is, gaat dat niet. Je krijgt op zo’n moment te weten wie of wat het van je personage kan overnemen en wat moet gebeuren om je held weer op de rit te krijgen. Je leert zo wie de spreekwoordelijke echte vrienden zijn, en ook waar je personage nog mogelijkheden heeft om te groeien in zijn heldenrol.
Wanneer is dit belangrijk om uit te schrijven?
Vroeg of laat gaat je personage een keer van slag raken. Het ideale moment hiervoor is als ‘het harnas uit gaat’: dat moment waarop je personage zich niet groot kan of hoeft te houden en iets of iemand door datgene heen kan prikken dat die stoere titel van held heeft opgeleverd. De succesvolle CEO heeft net een telefoontje gehad over een geliefde die ziek is geworden. Je kan al het geld van de wereld hebben, gezondheid koop je er niet mee af. De docent vertelt dat hij weet dat de populairste jongen op school stoer doet omdat hij niet weet hoe hij om moet gaan met zijn vader die zijn moeder slaat. Natuurlijk kan je personage ook op andere momenten van slag raken, maar als je personage gedwongen wordt het harnas uit te doen, kan dat een mooi keerpunt voor je plot zijn, in plaats van alleen maar (dramatische) opvulling. Je scène krijgt er in ieder geval wel meer diepgang van.
Expositie is de manier waarop je informatie deelt met de lezer. Vaak is daar een voorwerp bij betrokken. Maar je kan ook je personage aan het woord laten, door vanuit diens perspectief te vertellen wat het weet. Dat kan een struikelblok zijn, maar als je het goed doet, hangt de lezer aan je lippen.
De basis van expositie
Ik schreef al eerder over de basistechnieken en valkuilen van expositie. Samenvatting van de valkuilen die de blogpost benoemt:
Je personage vertelt letterlijk aan een ander wat er in het verhaal gebeurt: een gevaarlijke mix van infodump en tell.
Er is een enkel personage dat alles weet: het personage komt op de preekstoel
Een voorwerp wordt als cliché gebruikt om een aankomende onthulling te verklappen. Een voorbeeld is de verstopte liefdesbrief op zolder.
De paradox van expositie
Expositie kan erg lastig zijn om goed te schrijven. Het is immers broodnodig om bepaalde informatie met je lezer te delen, zodat die kan leren over relaties tussen personages onderling, nieuwswaardige gebeurtenissen in je fictieve wereld, enzovoorts. Maar als je personages altijd die informatie delen of daar zelf achter komen op het exacte moment dat de lezer die informatie ook hoort te weten, dan gaat dat erg geforceerd overkomen. Zo kan je al snel in een paradox belanden: je moet informatie delen op het moment dat je lezer het hoort te weten, maar niet op dat exacte moment dat je niets anders kan doen dan informatie delen op het moment dat het plot met informatie aangevuld moet worden.
Het perspectief van een personage bij expositie
Als je expositie niet geforceerd wil laten overkomen, helpt het uitgangspunt : ‘Zie het feit dat je personage überhaupt iets aan een ander uitlegt als een cliché’ en ga het dan clichébestendig maken. Het uitgangspunt en resultaat draaien dan om de intrinsieke motivatie van je personage om die krant aan te geven waar het verschrikkelijke nieuws in staat, om nu alle kaarten op tafel te leggen, een geheim te verklappen waardoor een mysterie wordt opgelost…
Je kan jezelf verschillende vragen stellen die je helpen om te bepalen hoe je personage de expositie kan inzetten en waarom. * Waarom besluit je personage uitgerekend nu iets te vertellen? – Heeft het eindelijk voldoende informatie verzameld om te delen? – Kan het het gewicht van een geheim niet meer dragen? – Voelt het zich in dit moment enorm eenzaam en zegt je personage dus iets om maar gehoord te worden? – Is er sprake van acute noodzaak?
Bij de vraag: ‘Waarom nu?’ is het belangrijk dat je het antwoord een aanloopje geeft of dat het wat ‘aangekleed’ wordt in de scène, soms zelfs in de meerdere scènes die eraan voorafgaan. De mate daarvan is afhankelijk van hoe belangrijk de expositie is. Denk bij ‘aankleding en aanloopjes’ aan dingen als:
Als je personage een geheim gaat vertellen, laat dan in eerdere scènes wat geruchten gonzen, geef hints naar het geheim en maak het personage een paar momenten voor het vertellen van het geheim bloednerveus.
Een goede sfeeromschrijving. Dat doet wonderen: is de kamer al bedompt of donker voordat het eenzame personage de kamer betreedt?
Andere belangrijke medepersonages wachten met smart op de informatie die ze gaan krijgen van de hoofdpersoon. Dan voorkom je dat vergadervoorzitter op een slaapverwekkende infodumppreekstoel komt te zitten. Als andere personages horen of ze ontslagen worden of promotie krijgen -lees: als er voor hen iets persoonlijk op het spel staat– is de informatie geen droge kost meer.
Vraag jezelf ook af met welk personage je te maken hebt en welke karaktertrekken het heeft. Die vind je in de personagebiografie. Stel dat de partner van je hoofdpersoon een rommelige chaoot is. Dan kan je personage het wereldnieuws van die dag horen op het achtuurjournaal. Maar ’s ochtends vroeg is de partner bij het ontbijt rustig de krant aan het lezen, kijkt vervolgens op de klok, schrikt zich dood en vertrekt in alle haast, waarbij de krant op de grond valt. Je hoofdpersoon ziet de schreeuwende kop dan al als die de krant op wil rapen. Dit trucje is wel een grijs gebied; als je het te vaak toepast of het er duimendik bovenop legt, dan kan het alsnog een deus ex machina lijken. Maar het is sowieso genuanceerder dan het recht voor zijn raap cliché: “Heb je het al gehoord?!”
De overbodige schrijver
In zekere zin gaan deze tips voor vlotte expositie uit van het principe dat de schrijver overbodig zou moeten zijn. Als jij een plot hebt wat ergens heen gaat of heen moet, en je personages hebben eigen drijfveren en willetjes, dan gaan zowel het plot als de personages niet ‘wachten’ tot de lezer iets snapt. Het plot moet verder en de personages gaan ook verder met hun leven, want die hebben niet door dat ze geschreven worden, dat ze fictief zijn. Probeer het verhaal en de personages visueel voor je te zien als een film die zich als vanzelf ontvouwt. Wat zou er dan gebeuren als jij als schrijver niet ingrijpt of iets stopzet omwille van verduidelijking voor de lezer? Probeer dingen die je daar als een ‘show don’t tell’ ziet gebeuren te gebruiken als middel voor expositie.
Spreid de informatie
Soms ontkom je er niet aan en moet je veel informatie delen. Probeer die zoveel mogelijk over je boek te verspreiden. Mocht het dan zo zijn dat je bij de onvermijdelijke ‘verklarende expositiemonoloog’ beland, waar alle informatie op een rijtje komt te staan, dan voelt het niet meer als een grote brok aan informatie, maar als een hoop puzzelstukjes die ineens in elkaar passen. Dat leest heel fijn voor de lezer en als schrijver is het heel bevredigend: daar komt al je harde werk mooi bij elkaar op een rijtje: dat heb je toch maar goed voor elkaar gekregen!
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.