Het plot van een verhaal uitdenken

Het plot is een van de belangrijkste dingen in een verhaal. Daarom moet je het goed uitwerken. Maar voor je het kan uitwerken, moet je het uitdenken. Dat voorkomt een hoop schrapwerk en zorgt ervoor dat je een plottwist tijdig goed in de steigers hebt staan.

Wat voor plotschrijver ben je?

Er is geen perfecte manier om te beginnen met schrijven. Sommige schrijvers plannen alles tot in de puntjes voordat ze beginnen met schrijven. Anderen schrijven de grote lijnen uit en zien wel waar het schip strandt zodra ze met schrijven beginnen. Maar zelfs de schrijvers van de laatste categorie doen er goed aan om het een en ander uit te werken voor ze starten met een verhaal neerpennen. Het is een ding om aan versie negentien van hoofdstuk een te beginnen omdat je alwéér een geniale ingeving hebt gekregen. Het motiveert een stuk minder als versie twintig van hoofdstuk een voor je ligt omdat je opnieuw alles in je plot moest bijschaven…

Wat maakt een plot?

Personages, subplots, verhaalthema’s, interpersoonlijke relaties, heldenreizen, wetten van je worldbuilding… eigenlijk maakt alles wat deel uitmaakt van je verhaal deel uit van je plot. Dat zou in ieder geval moeten, want alles wat niet bijdraagt aan het plot – in grote of kleine vorm- is vrijwel altijd verspilling van woorden. Die soort zaken moet je dus schrappen. Maar als je nog niet weet wat er komen gaat, hoe weet je dan wat er in ieder geval zeker moet worden uitgedacht, uitgewerkt en opgeschreven?

Verhaalthema of moraal

Je kan met een verhaalidee beginnen waar je maar wil. Misschien zie je mooie bergen voor je en is dat de plaats waar je jouw nieuwe verhaal wil laten afspelen. Of ben je geïnteresseerd in de luchtvaart en wil je daarom van je hoofdpersonage een piloot maken. Maar zodra je je gaat bedenken wat belangrijk is om globaal uit te werken, kijk dan niet verder dan je verhaalthema of moraal. Dit is namelijk het kort en krachtige: als het erop aankomt, gaat mijn boek over X. Bijvoorbeeld:
* liefde
* familie is belangrijker dan vrienden ( of andersom)
* reizen maken
* iemand die vanuit armoede in de Quote 500 belandt

enzovoorts, enzovoorts. Waarom is dit het belangrijkste? Omdat een thema of moraal een verhaal aan elkaar breidt en een logisch geheel van allerlei losse elementen maakt. Het verhaalthema is een soort butterfly-effect, maar dan zonder de chaos. (Het butterfly-effect wordt ook wel de chaostheorie genoemd.)
Waar een ‘traditioneel butterfly-effect’ over oorzaak en gevolg, gevolg en nog meer gevolg gaat, is een verhaalthema als het ware datgene waar alles terug naar toe gaat. Terug naar de oorzaak. Een voorbeeld:

Je schrijft over een gebroken gezin. Het eerste waar je aan denkt is misschien een scheiding. Maar als een gezin gebroken is -al dan niet door een scheiding- kom je onherroepelijk ook zaken als verdriet, verwarring, ruzie en eenzame momenten tegen. Zodra je weet wat er aan de basis van je verhaalthema ligt, kan je vandaaruit van alles en nog wat verzinnen. Of liever, dan is de kans groot dat het als vanzelf komt bovendrijven.

Het hoofdpersonage en de heldenreis

Als je weet dat je over een gebroken gezin gaat schrijven en weet wat onderliggende subthema’s zijn, komt het hoofdpersonage vaak in ruwe schetsen al naar voren. Het moet ellende meemaken. En, omdat een held een centraal conflict nodig heeft om te groeien, blijft dat altijd in hetzelfde straatje van het verhaalthema. Je personage zal bijvoorbeeld een groeiproces doorgaan wat betreft omgaan met verdriet. Dat is een logisch voortvloeisel uit het thema van een gebroken gezin. Misschien bedenk je dan als vanzelf ook dat het personage eerder introvert is dan extravert. Zo kan je langzaam maar zeker een personagebiografie beginnen te maken.

Subplots en medepersonage als spiegels

Je subplots en medepersonages zijn sterk op het moment dat ze als een spiegel werken van het verhaalthema en/of je hoofdpersonage. Bijvoorbeeld:
* is je held verlamd door schaamte over een gebroken gezin? Laat zijn beste vriend zijn baan verliezen. (Lees: er is ook iets gebroken, en er komt ook verlies, verdriet en verwarring bij kijken.)
* Als je held moet leren om met verdriet om te gaan, komt hij mensen tegen die ook verdriet hebben gehad. Deze mensen zijn ook aan het leren om met verdriet om te gaan, of kunnen dat al.
* Als je thema verslaving is, kan je hoofdpersonage aan de drugs zijn. Een ander personage is ook verslaafd, maar wel aan iets wat minder opvalt, omdat de maatschappij die verslaving wat meer accepteert. Denk aan werkverslaafd, of verslaafd aan de smartphone.

Plottwist: zo kan het ook

Omdat een plottwist hints moet geven om goed te werken, moet je die vooraf in je opschrijfboekje goed uitwerken. Bedenk tijdens het uitdenken van een plottwist dat die het thema naar voren moet laten komen in een vorm die de lezer niet verwacht. De twist moet een gevoel opleveren dat zegt: ‘zo kan het ook’. Deze zin betreft dan wederom het verhaalthema of het moraal. Wat voorbeelden:
* Het thema is ouderschap:
Je hoofdpersonage heeft al heel lang problemen met zijn vader en heeft daardoor nooit een echt vaderfiguur gehad. Plottwist: uiteindelijk vindt je personage het langverwachte vaderfiguur in zijn nieuwe baas, met wie hij een fijne band opbouwt. Nee, de baas is niet de biologische vader, maar hij vervult wel een vaderrol. “Zo kan het ook.”
* Het thema is liefde:
Iemand doet alle moeite om de ware te vinden, maar dat lukt maar niet. Dan gaat diegene in een kinderdagverblijf werken, waar er eindeloze liefde voor en van de kinderen aanwezig is. Het is geen romantische liefde, maar het is liefde in een andere vorm. “Zo kan het ook.”

Dit is óók liefde. Als je je laat beperken tot gebruikelijke definitie van liefde die naar romantiek verwijst, kan je jezelf en daarmee je verhaal enorm beperken. Bedenk bij een verhaalthema wat het nog meer kan betekenen dan het eerste beeld dat in je opkomt. Dan zijn subplots en plottwists een stuk makkelijker te bedenken.
Foto door Kateryna Hliznitsova op Unsplash.

Als je deze zaken in het achterhoofd houdt, wordt de kans dat je je complete verhaal om moet gooien een stuk kleiner. Ga zelf maar eens aan de slag met deze tips om zo ook te knutselen met je worldbuilding, subplots, scènes en karakterrtrekken van je personages.

Veel plezier en succes!

De gouden wet voor een vlot plot: actie-reactie

Er zijn verschillende manieren om je plot interessant te houden. Je kan plottwists of subplots introduceren, of gewoon aan een scène verder schrijven. Wat je ook kiest om je scène uit te werken, er is een gouden regel, zo niet een gouden wet die bij al deze opties toe te passen is. Houd je aan actie-reactie.

De derde wet van Isaac Newton

De naam van Isaac Newton laat vast wel een belletje rinkelen als ‘Een van de belangrijke wetenschappers ooit’. Zo kan jij zijn derde wet als een van de belangrijkste in de wetenschap van plot- of scèneontwikkeling beschouwen. Geen zorgen, ik ga niet verder in op de wetenschappelijke wet. Ik begin al te zweten bij het zien van het symbool voor worteltrekken ;). Maar de derde wet van Newton houdt in:

Op iedere actie volgt een reactie.

Zo simpel is het in beginsel. Kijk maar eens naar wat hele simpele voorbeelden:

ActieReactie
Ik stoot mijn teen.Ik begin te vloeken van de pijn.
Ik krijg honger.Ik ga wat eten maken
Ik krijg een extra zakcentje.Ik ga lekker uit eten.

Ik ga bij deze regel een kanttekening plaatsen, als het verhaalontwikkeling betreft. Je zou ook kunnen zeggen dat de derde wet van Newton stelt: na iedere oorzaak komt een gevolg. Maar die stelling gaat voor een plot of een scène niet helemaal op.
Kijk eens naar de onderstaande tabel met oorzaak-gevolg en dezelfde voorbeelden als hierboven.

OorzaakGevolg
Ik heb mijn teen gestoten.Mijn teen doet pijn.
Ik heb honger.Mijn maag knort.
Ik krijg een extra zakcentje.Ik ben vijftig euro rijker.

Het komt misschien pietluttig over om dit als verschil aan te merken, maar er is wel degelijk een verschil. Bij actie-reactie doet een personage daadwerkelijk iets, waar er bij oorzaak-gevolg niet per se iets actief verandert. In dat laatste geval staat een lopende tekst op de pauzestand.

Oneindige actie-reactie

Actie-reactie moet elkaar telkens opnieuw opvolgen. Is er een reactie geweest, dan komt er daarop een nieuwe actie in het plot. Daar komt dan weer een reactie op, enzovoorts. Kijk eens naar dit voorbeeld:
Noor heeft een tante in Marokko en die komt. Als je actie en reactie elkaar laat opvolgen, ziet dat er zo uit:

ActieReactie
Tante Amina belt dat ze op bezoek komt.Noor springt een gat in de lucht.
Noor vraagt Amina wanneer ze komt.Amina zegt over drie dagen bij Noor op de stoep te staan.
Noor wil de logeerkamer in orde maken.Noor begint met stofzuigen in de logeerkamer.
De stofzuiger begeeft het na een minuut.Noor gaat naar de winkel om een nieuwe stofzuiger te kopen.

Als je actie-reactie zou vervangen door oorzaak-gevolg, krijg je iets als:
‘De stofzuiger begeeft het plotseling. Nu blijft de kamer vies.’ Dat zorgt ervoor dat de scène abrupt stopt omdat Noor geen nieuwe stofzuiger koopt, of lieve tante Amina kan in een stofnest slapen. Geen van die twee opties zijn de bedoeling.

Je moet de actie-reactieregel redelijk streng volgen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je reactie op reactie (op reactie…) laat volgen:
Noor springt een gat in de lucht, draait nog zes keer in het rond en begint te zingen als tante Amina het fijne nieuws vertelt. Als ze daarmee door blijft gaan, staat Amina straks al voor de deur. Oftewel: dat duurt gewoon te lang en het voegt op een bepaald moment niets meer toe.
En als je een reactie weglaat:
Noor vraagt Amina wanneer ze komt. De stofzuiger begeeft het.
dan is dat een te plotselinge overgang. Je mist nu informatie die het verhaal bij elkaar houdt. Er valt immers niet alleen een actie, maar ook een bijbehorende reactie weg.

De spanningsboog en actie-reactie

Ieder verhaal heeft een spanningsboog. En zoals het spreekwoord zegt, kan die boog niet altijd gespannen zijn. Maar hoe zit het dan met actie-reactie in een scène?
Denk bij het woord actie in dit geval niet te snel aan iets als ‘Max Verstappen vliegt bijna uit de bocht in de Formule 1’. Eerder als iets dat plaatsvindt en waar iets of iemand vervolgens op reageert. De actie-reactie kan dus ook een gedachtestroom zijn:

Actie Reactie
Ik wilde dat Cas me zag staan….…maar ik ben niet knap genoeg voor hem
Moet ik misschien mijn haar kleuren? Hij valt op brunettes…Ach, hou toch op! Laat ik me nu ook al gek maken door opgelegde schoonheidsidealen?
Nee, ik ben een sterke vrouw!Maar dan mag ik mezelf toch alsnog wel van mijn beste kant laten zien?

De lezer leert hier dat het personage over zichzelf twijfelt.
Het belangrijkste van een scène is dat die iets toevoegt aan het verhaal. De lezer moet iets nieuws te weten komen.
Zolang als een scène de lezer iets nieuws leert en hij volgens de actie-reactieregel is geschreven, kan je er allerlei kanten mee op, zonder meteen met een sneltreinvaart door het verhaal te gaan.

Nog een voorbeeld van actie-reactie:

Actie Reactie
Gijs doet het slecht op school.Gijs komt angstig met zijn slechte rapport thuis.
Gijs’ vaders schrikken zich ongeluk.Gijs krijgt een huiswerkbegeleider, maar het botert niet tussen hen.
Gijs weigert nog huiswerk te maken.Gijs krijgt straf van zijn vaders.

Je ziet hier misschien wel dat de actie-reactie in dit voorbeeld redelijk steriel is: het leest niet als een interessante scène, maar als losse feiten. Dat betekent dat je tussen de regels van de tabel door een nieuwe reeks van actie-reactie toe moet voegen. Bijvoorbeeld hoe Gijs door het ontvangen van zijn slechte rapport begint te zweten, met als reactie dat zijn vaders zich zorgen maken als hij doodsbleek thuiskomt. Je moet dus actie-reactie toevoeggen om een show don’t telleffect aan de scène te geven. Hoeveel je precies moet toevoegen is een kwestie van uitproberen en je hebt er ook wat schrijfinzicht voor nodig. Maar met de ‘schrijfwet’ van actie-reactie in het achterhoofd, kan je er in ieder geval van op aan dat je scène- of plotverloop stabiel en logisch blijft.

Afbeelding Isaac Newton via Pixabay.

Koppelen in een verhaal: een absolute doodsteek

Of het nu een liefdesverhaal is of niet, in bijna elk boek komt er wel een romantisch koppel voor. Het lijkt bijna een ongeschreven regel dat er mensen verliefd moeten worden. Daarom kan je de aandrang voelen om personages te gaan koppelen, ook al passen ze misschien niet bij elkaar. Waarom is dat het laatste wat je moet doen?

Ko en Koosje Koppel

Om makkelijker te kunnen uitleggen (en ook omdat het lekker maf klinkt 😉 ) noem ik de slachtoffers van een geforceerde koppelpoging in deze blogpost Ko en Koosje Koppel.
Ik heb ze in mijn fictieve verhaal op een feestje aan elkaar voorgesteld en de koppelaar loopt om de tien minuten van de een naar de ander:
“En Koosje, vind je niet dat Ko een indrukwekkende baan heeft?”
“Ko, wist je al dat Koosje ontzettend bekwaam is in handboogschieten? Jij houdt toch van dames met talent?”

In het echte leven zou je als toeschouwer – ook bij subtielere voorbeelden- van plaatsvervangende gêne in elkaar krimpen en bij een verhaal is dat niet veel anders. Maar waarom niet?

Liefdesdriehoek

Iedereen die ooit een romantisch drama heeft gelezen kent de liefdesdriehoek. Die kan een heel verhaal opslokken. Hoewel dat niet altijd het geval is bij een geforceerd koppel, gaat daarbij ook aandacht naar romance, terwijl die ergens anders naartoe hoort te gaan. Niet alleen komt koppelen over als iets dat overbodig is voor het eigenlijke verhaal, het leidt ook nog eens af van belangrijke(re) zaken in het plot. En dan ook nog eens afleiding in de vorm van het thema verliefdheid. Goh, dat hebben we nog nooit gelezen… Een cliché ligt hier op de loer.

Eigenschappen van personages

Koosje is een fervent handboogschutster, maar Ko is een no-nonsense zakenman die stiekem geïntimideerd wordt door vrouwen die niet meteen traditioneel zacht zijn. Geef Koosje dan maar een hobby die te maken heeft met een mogelijk wapen… Dat gaat hem niet worden. Ko en Koosje Koppel zijn als het goed is (enigszins) belangrijke personages voor het verhaal. Zelfs de schrijvers die koste wat kost liefdespaartjes schrijven, weten dat de lezer Ko en Koosje meer dan oppervlakkig moet kennen, wil het hem überhaupt wat kunnen schelen of ze met elkaar eindigen of niet.

Als je geforceerd gaat koppelen, riskeer je dat alles wat je geschreven hebt over Ko’s succesvolle bedrijf of Koosjes weg naar de kwalificatie voor het WK handboogschieten wordt afschildert als onbelangrijk. Waarom zou je in de rest van het boek dan nog zoveel moeite doen om dat nauwkeurig uit de doeken te doen?
Goede koppeltjes werken omdat hun karaktertrekken, interesses en persoonlijkheden gedurende het verhaal zichtbaar op elkaar aansluiten. Als je pretendeert dat die elementen van je personages onbelangrijk zijn, doe je je personages vreselijk tekort.

De eigenschappen van je personage negeren tijdens het vormen van een potentieel koppel, is net zoiets als iemands cv uit het raam gooien tijdens een sollicitatiegesprek: het slaat nergens op en het kan het verdere proces vermoeilijken. Foto door Van Tay Media op Unsplash

Verhaalthema

Ko en Koosje Koppel zijn doorgaans belangrijke subpersonages, maar niet de hoofdpersonen in een verhaal.
Ook al is je verhaalthema liefde of romance, dan nog zijn Ko en Koosje niet de voornaamste personages om dat thema uit te dragen, maar de hoofdpersonen. Als je thema iets anders dan liefde of romance is, is het al helemaal misplaatst om Ko en Koosje (nog) per se te gaan koppelen. Stel dat je thema verslaving is. Wat heeft dat nog met liefde(skoppeltjes) te maken? Dat zou net zo gek zijn als wanneer je in een verhaal over een onderzeeër nog een subthema over dinosauriërs in je verhaal zou verwerken.

Centraal conflict

Hoewel Ko en Koosje Koppel als subpersonages niet het gewicht van het hele verhaal op hun schouders dragen, zijn ze wel belangrijk genoeg om als driedimensionale personages uit te werken en als zodanig aan je lezer voor te stellen. Hier komen twee belangrijke regels om de hoek kijken:
* Subpersonages voelen zich de held van hun eigen verhaal, niet een subpersonage in het verhaal van de held.
* Iedere held heeft een eigen centraal conflict.

Voor Ko en Koosje betekent dat dus dat zij als belangrijke subpersonages ook eigen worstelingen hebben. Die komen niet zo duidelijk naar voren als die van de held, maar je zal wel de nodige tijd moeten besteden aan het feit dat Ko zich voorbereidt op een belangrijke vergardering. Of dat Koosje in paniek schiet als ze net voor een belangrijke handboogwedstrijd een blessure oploopt. Dat is nodig om ze driedimensionale personages te maken, in plaats van figuranten.
Stel je nu eens voor dat je het centrale conflict van de held van je verhaal volledig aan de kant schuift om hem maar gekoppeld te krijgen. Dan houd je niet veel van een (interessant) verhaal over… Datzelfde principe gaat op voor Ko en Koosje Koppel.

Ko en Koosje Koppel denken dat ze hun eigen spreekwoordelijke verhaal schrijven, niet dat ze spelen in dat van een ander. Dat principe moet jij aanhouden in hun uitwerking. Foto door Content Pixie op Unsplash.

Wrap up

De wrap up is het punt in het schema van save the cat waarop je je verhaal afrondt. Hier worden vaak nog mensen gekoppeld. Dat geeft dan nogal eens een toon die leest als: ‘Trouwens, Ko en Koosje worden ook nog verliefd.’ ‘Trouwens’ vat samen waarom dat dat niet wenselijk is voor een goedlopend verhaal. Een goede wrap up geeft namelijk een soort samenvattende oorzaak-gevolg aan van het hele verhaal. Denk aan en ze leefden nog lang en gelukkig in sprookjes. De hoofdpersonages kunnen lang en gelukkig verder leven, omdat ze samen al gelukkig waren, maar het gevaar is geweken nu de boze wolf dood is.
Voeg een ‘trouwens’ toe in de wrap up en je benoemt iets uit het subplot, terwijl je in die laatste pagina’s het hoofdplot dient af te sluiten.
Soms kan je een element uit het subplot benoemen, zonder dat het storend is: Het jongste van de zeven geitjes werd later een klokkenmaker. Hier zou het werken, omdat gedurende het verhaal er (symbolische) verwijzingen zijn naar het jongste geitje en diens band met klokken. Maar als Ko en Koosje Koppel toch al niet op de voorgrond stonden in het verhaal en hun (gebrek aan) romance inhoudelijk weinig aan het hoofdplot toevoegde, komt hun ‘trouwens-verliefdheid’ erg geforceerd over.

Soms ontkom je er niet aan en moet je personages koppelen. Hier lees je hoe je dat op een goede manier kan doen.

Wat en waarom: twee woorden voor een pageturner

Een pageturner schrijven klinkt als een droom. Maar wel een die moeilijk te verwezenlijken is. Toch kom je met de vragen: ‘Wat?’ en ‘Waarom?’ al een heel eind. Als je lezer een van deze twee vragen kan stellen, zit die op het puntje van de stoel.

Wat moet een goed boek bieden?

Iedere lezer wil met een fictief verhaal mee op ontdekkingstocht worden genomen. Komt de lezer erachter wie de moord heeft gepleegd? Of het stel met elkaar zal eindigen? Wat die buitenaardse wezens van plan zijn met onze planeet? Het kan zelfs zo simpel zijn als: ‘krijgt het personage zijn droombaan?’ Maar hoe dan ook moet je je lezer samen met het hoofdpersonage laten ontdekken hoe het verhaal zich ontvouwt. Een lezer leest om achter een bepaald verloop van zaken te komen. Dat belooft een verhaal dat zich langzaam ontvouwt, in plaats van een feit. Als jij simpelweg zegt: “De butler heeft het gedaan!” is daar niets leuks aan. Het wordt pas leuk als je als lezer langzaam maar zeker die puzzelstukjes kan verzamelen, de butler leert kennen, de geschiedenis van de rijke oude dame die is vermoord, enzovoort.
Verhalend en verhaal lijken qua woorden niet voor niets zoveel op elkaar. Al ‘verhalend’ wil je lezer achter een verhaal komen. Die ontdekkingsreis moet dus in gang worden gezet en voort blijven duren om tot een mooi verhaal te komen.

De ontdekkingsreis gaande houden

Bij een pagetuner is de lezer zo bij je verhaal betrokken dat die niet kan wachten om de reis voort te blijven zetten. Vergelijk het met het beklimmen van een berg, waarbij de top bereiken het einde van je boek is. Bij een pageturner maak je het vooruitzicht om de bergtop te bereiken zo aanlokkelijk voor de lezer dat die zonder pauze naar de top blijft lopen. ‘Die boterhammen die ik voor een pauze had ingepakt, wachten maar: die eet ik op de top wel op. Ik ben veel te benieuwd naar die top om dat moment nog een extra kwartier uit te stellen, alleen omdat ik mijn bammetjes wil eten…’

Ja, dit is een geweldige picknickplek. Maar kijk die bergtop eens…. Je wil toch liever de top van de wereld staan? Inpakken die bammetjes en doorlopen 😉

De top van de metaforische kan berg soms nog ver lijken (bij de bovenstaande foto zou je echt nog heel wat uurtjes moeten lopen…) Een boek uitlezen is net zo: je hebt nog meerdere honderden pagina’s en meerdere uren te gaan. Je moet er dan voor zorgen dat die honderden pagina’s geen lange of zware opgave lijken. Dat doe je door de lezer altijd met een vraag bezig te laten zijn. Om nog een laatste keer de bergmetafoor te gebruiken: zorg voor een afwisselend en interessant uitzicht om de (lange) weg naar de top ook onderweg dragelijk en leuk te houden.

De vragen achter ‘wat?’ en ‘waarom?’

Wat en waarom zijn toverwoorden, omdat ze je lezers altijd bij de les houden en hen laat uitkijken naar een nieuwe onthulling. ‘Wat?’ is belangrijk, want daarmee vraagt de lezer zich af dan af: ‘Wat is er aan de hand?’ en dat antwoord wil hij weten!

Een echtpaar komt thuis en ziet chaos. De vaas met bloemen is kapot gevallen. Glasscherven en tulpen liggen over de vloer verspreid. Er ligt een stoel naast waarvan de poot is afgebroken en alle keukenkastjes zijn opengetrokken. Her en der liggen er voedselresten en verpakkingen op de grond.
Dit is geen normale situatie, dus de lezer vraagt zich dan af: “Wat is er aan de hand?”
En omdat de lezer (nog) van niks weet, kan er van alles en nog wat aan de hand zijn:
* Was een dronken puberdochter afgelopen nacht aan het feesten?
* Heeft de oppas haar baan niet goed gedaan en hebben jonge kinderen deze chaos aangericht?
* Is er een -hetzij onvoorzichtige- inbreker in huis geweest?

Omdat de situatie ongewoon is en er meerdere opties mogelijk zijn, zal je lezer verder willen lezen om op zoek te gaan naar het antwoord op de wat-vraag. Dan heb je je lezer alweer een pagina laten omdraaien (the page has been turned 😉 )
Na die ene bladzijde komt je lezer erachter dat er sprake was van de dronken puberdochter. Maar ja, je eigen huis slopen en dan de boel de boel laten tot je ouders dat zien… Die zullen een rolberoerte krijgen. Dus dan komt het waarom: waarom ruimt de dochter die troep niet op? Ook daar zijn verschillende oorzaken voor te bedenken:
* Ze was te dronken om nog zo rationeel na te denken;
* Ze is een verwend nest dat van de huishoudster verwacht dat ze die rotzooi binnen een minuut voor haar opruimt.

Het boeketje staat er niet meer zo mooi bij als op deze foto, dus dan vraag je jezelf vanzelf af: Wat? en Waarom?

Met deze openstaande waarom-vraag zal je lezer weer verder willen lezen. Dat antwoord komt niet veel later: ze was echt te ver heen om nog fatsoenlijk na te kunnen denken.

Op dit moment is het de truc om je lezer nog steeds in afwachting te laten. Stel opnieuw een wat-vraag of een waarom-vraag. Hier is geen goed of fout. Maar stel een van de vragen en weet dat je keuze verder bepaalt welke richting je verhaal neemt.
Stel je de wat-vraag: ‘Wat voor straf gaat ze nu krijgen?’ dan maak je je klaar voor een gezinsruzie die waarschijnlijk relatief kort duurt. De waarom-vraag is vaak al diepzinniger: waarom zuipt deze meid zich zo klem? Omdat ze nou eenmaal een puber is, of omdat ze haar verdriet wegdrinkt over de slechte relatie die ze met haar ouders heeft? Als dat laatste het geval is, heb je weer een wat-vraag: ‘Wat is er dan aan de hand dat de situatie zo erg is?’

Het is inschatten wanneer je dieper moet gaan met ‘waarom?’ en wanneer je het even eenvoudig moet houden met ‘wat?’ maar als je je lezer altijd een van deze vragen te stellen geeft, zal die je verhaal interessant blijven vinden.

God van je personage: zijn er regels?

Als schrijver van je verhaal bepaal jij volledig wat er in je verhaal en met je personages gebeurt. Maar naarmate je met schrijven vordert, kom je een aantal bezwaren tegen. Wat zijn die bezwaren en hoe ga je daarmee om?

Jij bepaalt waar je boek over gaat

Als je ruwweg een idee hebt van een plot en de personages voor een nieuw verhaal, is het makkelijk schrijven.
Klaas heeft net te horen gekregen dat hij ongeneeslijk ziek is. Daar is het verhaal: vechten voor je leven. En Klaas is een man die zijn zaakjes graag op orde heeft, dus hij gaat naar zijn testament kijken. Zo, genoeg voor een opzetje. Je kan in dit vroege stadium makkelijk bepalen hoe snel de ziekte vordert, of de artsen aardig zijn en of Klaas snel over zijn testament kan beslissen. Als god van deze zelfgeschapen, fictieve wereld heb jij alle touwtjes in handen. Jij bepaalt nog volledig hoe je verhaal verloopt.

Je personage wordt eigenwijs

Vroeg of laat komt daar het moment dat zowel een vloek als een zegen is. Je personage wordt levensecht. Dan wordt jouw goddelijke status deels afgepakt. Je personage heeft nu een mening die zodanig sterk is dat het niet meer zomaar met je verhaal meegaat:
“Spring eens in de sloot.”
“Waarom?”
“Dat moet volgens de plotontwikkeling van het verhaal.”
“Dat zal best, maar ik heb geen zin in natte voeten.”

Dan kan je hoog of laag springen, het gaat niet zomaar meer gebeuren. Je zal nu met je personage moeten gaan overleggen. Klik hier voor een uitgebreide toelichting en een voorbeeld daarvan. Maar soms gaat dat onderhandelen alsnog zeer moeizaam. Kijk in dat geval naar wat ik de Bruce Almightyregels noem.

De Bruce Almightyregels

In de film Bruce Almighty is Bruce de tegenslagen in zijn leven helemaal beu. Als hij God daarvan de schuld geeft, geeft Hij gehoor aan zijn geraas. Bruce mag dan Zijn baan tijdelijk overnemen. Er zijn echter wel twee regels. De tweede is de belangrijkste, maar de eerste heeft ook een belangrijke schrijfhint in zich.

Regel 1: Je mag niet vertellen dat je God bent

Laat deze regel je er even aan herinneren hoe slecht Deus ex machina voor een verhaal is. 😉

Regel 2: Je mag niet sollen met vrije wil

Ik benoemde deze regel al een keer eerder in de blogpost over wat je personage wil en nodig heeft. Als god van je verhaal is er een aantal dingen waar je als schrijver op moet letten als je van deze ‘goddelijke regel’ uitgaat:

* Je personage moet altijd intrinsieke motivatie houden die losstaat van de richting die jij graag ziet voor het verhaal;
* Jij mag vinden dat je personage iets niet al te handig, fout of vervelend doet, maar je hebt dat te respecteren voor wat het is. Je mag het personage niet ineens leuker of beter maken om zo makkelijker een plot te kunnen schrijven;
* Jij moet het verhaalthema en het doel en de boodschap van het verhaal waarborgen. Daar ben je ten slotte de god voor. Het is al dan geen meeval voor je personage of je hem dan nog in zijn ‘willen’ tegemoet kan komen.
* Je personage mag veranderen, maar de blauwdruk waarmee je hem op aarde hebt gezet, blijft hetzelfde. Dat is de personagebiografie. De vrije wil heet niet voor niets zo. Je personage kan wel willen dat zijn wieg ergens anders had gestaan, of hij een andere geaardheid had gehad, maar jij hebt hem nu eenmaal zo geschapen. Hier heeft je personage niets te willen. Als je merkt dat je vastloopt met elementen uit de personagebiografie, dan moet je eromheen gaan werken. Verander het niet meer, want daarmee valt de basis van je personage en de fundering van je verhaal in duigen.

Wees een lieve god. Behandel je personage niet als een slaaf. Ook personages hebben recht op een vrije wil.

Als overleggen moeilijk gaat

Als je met je verhaal in de knoop komt omdat je de basis van de Bruce Almightyregels niet kan volgen, dan zit je in een lastig parket. Je probeert te overleggen met je personage over wat zowel voor hem als voor het verhaal werkt en daar kom je maar niet uit. Een mentaal writersblock ligt dan op de loer. Kijk eerst eens of je dat op kan lossen en je misschien onbewust bepaalde verwachtingen hebt bij je verhaal. Verwachtingen die misschien te hoog zijn of niet zo bij dit verhaal passen. Dat kan al een hoop schelen in deze worsteling. Helpt dat niet of is de kern van je probleem nog steeds niet duidelijk? Kijk dan naar een aantal basiselementen van je verhaal. Misschien moet je die dan wel helemaal opnieuw schrijven. Dat zijn nogal rigoureuze stappen. Wat kan je zoal veranderen en wat verandert er grofweg bij een bepaalde aanpassing?

Dit pas je aan Dit verandert in het verhaal
je personage(biografie)het centraal conflict. Afhankelijk van hoe ver je je personage al hebt uitgedacht, kan het verhaal in zijn geheel volledig veranderen of nog een bepaalde fundering behouden
de comfortzone van je personagehet centraal conflict en daarmee vaak ook veel van het verhaalverloop
het verhaalthema het gebruik van symboliek, de invulling van subplotten en het karakter van medepersonages
het moraal het archetype van je hoofdpersonage, het verhaalthema, de toon van je verhaal
het centrale conflict het verhaalthema, de (archetype) rol van je (hoofd)personages

Je ziet dat dit soort veranderingen erg radicaal zijn en veel teweeg brengen. Wees daar dus voorzichtig mee. Je moet een goede kennis hebben van je verhaalelementen. Zowel van wat je verandert als van wat je behoudt. Anders loop je het risico op een ongewenst domino-effect. Verandering van een thema zonder aandacht voor de verandering van subplotten kan zo bijvoorbeeld resulteren in plotseling oninteressante medepersonages.

Wat ook nog kan helpen is controleren of je geen ingewikkeld web geweven hebt voor je personage. Kijk ook eens of je in je enthousiasme niet drie aparte verhalen in een boek aan het proppen bent.

Overromantiseren: zo wordt een verhaal schadelijk

Veel verhalen hebben liefde als belangrijk thema. Dat kan een prachtig verhaal opleveren, maar ook gevaarlijk worden als je liefde vanuit een verkeerde invalshoek bekijkt.

Teken van liefde: de roos en doorns

Een bekend symbool van liefde is de roos. Het is me opgevallen dat die vaak wordt afgebeeld zonder doorns, of dat die er -symbolisch!- afsneden zijn als het bosje bloemen aan de geliefde wordt overhandigd. Niets aan liefde kan nog pijn doen: het is slechts rozengeur en maneschijn. Anders is het toch niet meer romantisch? Wat moet er dan met de boottochtjes bij volle maan en de passievolle vrijscènes?
Deze versimpelde insteek gebruik ik voor de rest van deze blogpost: de doorns van de roos worden te vaak afgesneden om de aandacht maar bij de rozengeur en maneschijn te houden. Zo hoeft de lezer ten behoeve van vermaak er niet aan dat liefde ook vreselijk pijn kan doen. De ander kan verdriet hebben dat je niet op kan lossen, bijvoorbeeld.
Als je iets eerlijk wil schetsen, dan ontkom je er niet aan om de doorns gewoon aan de roos te laten zitten.
Dit betekent niet dat je geen oude vertrouwde zwijmelroman mag schrijven. Vooral doen, want het is heerlijk om op zijn tijd lekker te kunnen wegdromen. Deze blogpost is er vooral voor bedoeld om je bewust te maken van bepaalde blinde vlekken die rondgaan in de schrijverswereld. Dan kan je altijd nog je eigen afwegingen maken. Bovendien gaat het principe van de roos zonder doorns helaas niet enkel op voor het romantische genre…

‘Tenminste’ en ‘alles-is-mooi’

Als je iets onterecht gaat romantiseren, zijn er twee pijlers in het spel. Het begrip tenminste wordt op een gevaarlijke manier gebruikt. En iets onprettigs wordt gezien als iets moois, of wat dat uiteindelijk oplevert. Deze pijlers kunnen worden gecombineerd of afzonderlijk een nare boodschap met zich meebrengen. Uiteindelijk wordt er iets wat gevaarlijk of gemeen is op die manier als iets onschuldigs of gewensts neergezet.

Tenminste

In het geval van ‘tenminste’ wordt de huidige situatie met een andere vergeleken. Vervolgens wordt er geconcludeerd dat het allemaal niet zo erg is. Relativeren kan goed zijn, maar niet als je daardoor een dringend probleem niet oplost of een hachelijke situatie niet uit de weg gaat of -nog erger- wenselijk gaat vinden.
* Ja, mijn kind groeit op in armoede en heeft daardoor soms geen eten, maar ik zie het tenminste nog. Dat is beter dan het kind zijn van een rijk gezin dat geen aandacht krijgt omdat pa en ma te druk zijn met de zaak. Ik geef mijn kind nog liefde. (Maar dat verandert niets aan het feit dat je kind niet altijd te eten heeft. Vind je dat oké dan….?)
* Ja, ik word af en toe hard geslagen door mijn vriend. Maar wij hebben tenminste nog wekelijks fantastische seks. Ik hoor van jou dat jullie het hoogstens nog maar eens per maand doen. (Ik zou liever wat minder seks hebben dan continu rondlopen met pijnlijke blauwen plekken, schat…)
‘Tenminste’ is als blind zijn voor de doorns terwijl je erdoor wordt geprikt.

Niet zo erg hè? Tuurlijk…

Alles-is-mooi

Alles-is-mooi is de pijler die iets naars vanuit een hele enge invalshoek benadert: dat het eigenlijk iets moois is. Vanuit het principe van ”Wat romantisch!” of ”Zo is het toch nog mooi” worden er dingen verheerlijkt of zelfs aangemoedigd terwijl er in werkelijkheid talloze -luide- alarmbellen zouden moeten afgaan en er onmiddellijke actie vereist zou zijn.
* Hij verlangt zo naar me dat hij zelfmoord zou plegen als ik op iemand anders zou vallen. Dan zou zijn leven geen nut meer hebben, zei hij! (Waarschijnlijk zware depressie, chantage en iemand dreigt een (zelf)móórd te plegen. Iemand moet 113 bellen!)
* Hij belt me zes keer per dag om te vragen waar ik ben als hij niet bij me is, hij kan niet zonder mij (stalkeralarm!)
* Oh, ik heb ooit een zware burn-out gehad. Maar nu heb ik het licht gezien en ben ik een ander mens en geniet ik van het leven. (Maar je bent niet voor jezelf opgekomen en hebt waarschijnlijk geen grenzen aangegeven. Als je dat wel had gedaan, had je niet maandenlang een hoopje ellende hoeven zijn. Een burn-out krijgen is geen schande, doen alsof dat een welverdiende medaille is, is dat wel. Een burn-out is iets vreselijks, dus doe niet alsof dat een laatste en noodzakelijke stap is naar een gelukkig leven. Zo moedig je een bepaalde vorm van passiviteit aan bij een serieuze en ernstige situatie.)

Alles-is-mooi is alsof je doet alsof de doorns van de roos zijn gemaakt van donzige veren die iedereen zou moeten willen aanraken, ook al haal je daarmee je vingers open.

Echte doorns

Om een verhaal een stevige basis te geven en spannend te houden, moet je de doorns niet voor iets anders aan gaan zien, of ze helemaal afknippen, zodat je niet gewond kan raken. Je moet ze zien als een mogelijke manier om je te verwonden om vervolgens een manier te vinden om die doorns af te snijden. Met andere woorden: laat je personage zoeken naar oplossingen, laat hem een paar keer falen en vervolgens groeien: ziedaar het centraal conflict, een randvoorwaarde voor een goed verhaal.

Dit is een echte roos: met doorns en al!

”Zonder jouw liefde zie ik geen andere uitweg dan zelfmoord plegen…”
”Goeie genade, ik bel onmiddellijk een psycholoog!”
Bedenk wat er vervolgens allemaal gebeurt: een intensief therapeutisch traject, waarbij trauma’s uit het verleden moeten worden verwerkt. Dat levert de nodige spanning binnen de relatie op. Ongetwijfeld sneuvelt er eens een vaas in alle emoties en vraagt het stel zich af of ze wel samen verder moeten. Als ze dat uiteindelijk lukt, is dat einde veel meer belonend en het verhaal veel spannender dan wanneer iemand geen actie onderneemt en ‘romantisch’ toekijkt hoe een van de twee naar de verdoemenis wordt geholpen.
Iets overromantiseren komt erop neer dat je personages laat toekijken vanaf de zijlijn (bij iets ernstigs), terwijl die dan juist middenin het verhaal horen te staan.













Willen en nodig hebben deel 2: de toon van je einde

Er is veel te schrijven over willen en nodig hebben. Daarom volgt hier deel 2 van willen en nodig hebben, over hoe je na de climax de toon van je verhaal bepaalt. Lees hier deel 1.

Willen en nodig hebben: een opfrisser

Je personage streeft ernaar te bereiken wat hij wil, maar meestal is het iets anders dat hij eigenlijk nodig heeft. Dat kan je zien in deze tabel:

Je personage wil Je personage heeft nodig
een stroopwafelvoedsel
een flink aantal likes op zijn facebookberichtde bevestiging dat mensen geïnteresseerd zijn in haar doen en laten
een zonvakantie op een tropisch eilandtijd om even bij te komen van maandenlang hard werken

Jij kan als schrijver zelf bepalen wat je personage krijgt of niet krijgt. Je hebt daarbij vier mogelijkheden:
* Je personage krijgt wat hij wil, maar niet wat hij nodig heeft. Dat geeft het einde een onbehaaglijk gevoel van iets onvoltooids.
* Je personage krijgt wat hij wil en wat hij nodig heeft. Dat is het traditionele ‘en hij leefde nog lang en gelukkig’.
* Je personage krijgt wat hij nodig heeft, maar niet wat hij wil. Dan is het einde bitterzoet of gevoelvol.
* Je personage krijgt niet wat hij nodig heeft en ook niet wat hij wil: Dat geeft het verhaal een zeer somber einde.

Het begin van het einde

Zoals je in deel 1 van deze blogpost hebt kunnen lezen, wordt het einde van het verhaal in gang gezet na de climax. Dat is ook het moment waarop je het personage (niet) gegeven hebt wat hij wil of nodig heeft. Daarna rest in het schema van save the cat nog een laatste obstakel, de wrap up en het eigenlijke einde. In de context van ‘willen en geven’ kun je die fases als volgt zien:
* Laatste obstakel: een terugblik op wat het personage nu eigenlijk wilde en nodig had.
* Wrap up: hoe ziet het leven van het personage er nu uit, nu willen en nodig hebben zijn ‘uitgedeeld’?
* Het einde: hoe voelt het personage/ mijn lezer zich daarbij?
Geen twee verhalen zijn hetzelfde. Toch zal je in deze verschillende einden een bepaald patroon terugzien. Binnen deze patronen blijft er een vergelijkbaar gevoel hangen bij verhalen met eenzelfde soort einde.

Het onvoltooide einde

* Laatste obstakel: als het personage anders had gehandeld, was hij gelukkiger geweest.
* Wrap up: je personage heeft ergens spijt van, of voelt zich bedonderd door een hogere macht.
* Het einde: een knagend gevoel van pijn of onbehagen.

Bij een onvoltooid einde moet je er gedurende je verhaal vooral op letten dat je je personage voldoende kansen geeft om te krijgen wat hij nodig heeft. Vervolgens mag je personage die kansen níet grijpen.
Let op: een onvoltooid einde is niet hetzelfde als een open einde!

Het gelukkige einde

* Laatste obstakel: het personage heeft gehandeld zoals hij dat moest doen en is gegroeid als persoon.
* Wrap up: het beste leven mogelijk.
* Het einde: tevreden, voldaan, gelukkig.

Zorg er bij een gelukkig einde vooral voor dat je personage duidelijk en vaak beloond wordt voor het feit dat hij vaak is gevallen en weer is opgestaan.

Het gelukkige einde geeft een algemeen gevoel van terechte overwinning.

Het bitterzoete einde

* Laatste obstakel: het had anders gekund, maar het is goed zo, want er is toch nog iets moois uitgekomen voor het personage.
* Wrap up: je personage zal als motto hebben: Dat is het leven in al zijn facetten, met eb en vloed.
* Het einde: verdrietig, maar tevreden. Een bitterzoet einde kan het verhaal als diepzinnig labelen.

Let bij een bitterzoet einde extra goed op of je een balans hebt tussen fijne en vervelende gebeurtenissen. Uiteindelijk moet het goede net wat meer overheersen, maar dat mag het vervelende niet naar de achtergrond drijven.

Het gevoelvolle einde

* Laatste obstakel: het had anders gekund, maar het is goed zo, want er is toch nog iets moois uitgekomen voor het personage.
* Wrap up: je personage zal op haar leven terugkijken alsof zij de schrijfster van haar eigen verhaal is. Zij ziet alles wat er in is gebeurd en observeert simpelweg. Als je personage nog iets zou kunnen zeggen over haar leven, zal zij waarschijnlijk zeggen: ‘Als ik mijn jongere zelf iets zou kunnen vertellen dan…’ ze zou die zin dan afmaken met een bepaalde opgedane wijsheid.
* Het einde: een bepaalde berusting of verwondering over de manieren waarop een leven kan lopen.

Oude, wijze oma in de schommelstoel die terugkijkt op haar leven is een goed beeld bij een gevoelvol einde.

Let bij het gevoelvolle einde vooral op de uitwerkingen van de relaties tussen je personages. Overweeg om op belangrijke punten een butterfly-effect toe te voegen om je personage makkelijker te kunnen laten terugkijken op ‘de wonderlijke samenhang van het leven’.

Het sombere einde

* Laatste obstakel: je personage krijgt nog een laatste klap.
* Wrap up: alles is nog steeds even slecht, nog slechter of je personage gaat dood.
* Het einde: een flink rotgevoel.

Bereid je gedurende je hele verhaal voor op verdriet en een algemeen rotgevoel. Misgun je personage gedurende het verhaal al van alles en nog wat, anders werk je een anticlimax in de hand. Wees gewaarschuwd: een verhaal waarin je personage niet krijgt wat hij wil en ook niet wat nodig heeft, is extreem moeilijk om te schrijven. Het morrelt namelijk aan de basisstructuur van elke andere verhaalvorm. Vallen en opstaan zoals in het centrale conflict? Vergeet het maar; als je je personage niet eens de kans geeft om op te staan en hem blijft trappen als hij nog op de grond ligt…
Een zuiver somber verhaal/einde is niet per se slecht, zoals de film Grave of the fireflies bewijst. Maar je lezer zal uiteindelijk wel denken: Wat een vreselijk naar boek is dit, zeg. Dit ga ik dus echt niet herlezen…
Ook als is het een kwalitatief meesterwerk, je lezer zal dit verhaal nooit tot zijn favorieten rekenen.
Als je net begint met schrijven, raad ik je aan om nog even te wachten met dit soort verhalen.

Willen en nodig hebben deel 1: de heldenreis inhoud geven

In een centraal conflict -ook wel de heldenreis genoemd- beleeft je personage een bepaald groeiproces. Dat proces bestaat uit twee belangrijke elementen. Wat je personage wil en wat je personage nodig heeft. Wat is het verschil en wat betekent de uitwerking ervan voor je verhaal in het algemeen?

De heldenreis als groeiproces

Het centrale conflict of de heldenreis is wat je verhaal inhoud geeft. Het proces van vallen en opstaan is een belangrijk onderdeel daarvan. Maar waar struikelt je personage dan steeds over? Vaak heeft dat te maken met wat je personage wil en wat hij daadwerkelijk nodig heeft. Enkele duidelijke voorbeelden hiervan zijn:

Je personage wil Je personage heeft nodig
een stroopwafelvoedsel
een flink aantal likes op haar facebookberichtde bevestiging dat mensen geïnteresseerd zijn in haar doen en laten
een zonvakantie op een tropisch eilandtijd om even bij te komen van maandenlang hard werken
Probeer zo zwartwit mogelijk te denken in wat je personage wil versus wat hij nodig heeft. Dat maakt het uitwerken van de heldenreis een stuk makkelijker.

Je personage mag in het begin van het verhaal niet in de gaten hebben wat hij nodig heeft. Die ontdekking is deel van de heldenreis. Maar hij heeft vrijwel altijd heel goed in de gaten wat hij wil. Dat is namelijk waarvoor hij zijn comfortzone verlaat.

Zie het verschil tussen willen en nodig hebben als de volgende dialoog:
”Hé personage, waar kan ik je voor wakker maken? Eten?”
”Alsjeblieft niet, zeg, laat me dan maar lekker slapen…”
”En als ik warme stroopwafels met vanille-ijs heb?”
‘Dan kom ik metéén mijn bed uit!”

Een stroopwafel is ook iets te eten, maar je personage wíl iets heel specifieks. De achterliggende, algemene gedachte van voedsel is voor hem nog niet zo interessant als hij (spreekwoordelijk) nog niet wakker is geschud.

God van je personage

Ik scheef al eerder dat je als schrijver een soort god bent voor je personage: jij kan veel over zijn leven bepalen en jij weet waar het naartoe moet gaan. Voor deze blogpost kan je Bruce Almighty in gedachten houden. In deze film mag Bruce tijdelijk Gods ‘baan’ overnemen. Een van de twee voorwaarden is dat hij niet met vrije wil mag sollen. Oftewel: je personage moet nog steeds zelf dingen kunnen willen, vinden, bedenken en zijn eigen kijk op de wereld houden.
Jij mag als schrijver bepalen hoe je bepaalde wensen al dan niet vervult, maar je personage moet een eigen mening/ intrinsieke motivatie houden. Dat is het principe van de eerdergenoemde tabel. Jij mag weten of vinden dat je personage bevestiging nodig heeft, dat neemt niet weg dat je personage nog steeds verlangt naar veel facebooklikes, hoe slecht -of beter gezegd oppervlakkig- dat in eerste instantie ook lijkt van je personage.

De wil van je personage in het centrale conflict

Je personage heeft een doel voor ogen: iets wat hij wil. Een baan, een relatie, een goedlopende carrière, meer rijkdom… Daarvoor heeft hij bepaalde middelen tot zijn beschikking. Dit kunnen dingen zijn die buiten hemzelf liggen zoals een bepaalde opleiding, connecties of geld op de bank. Andere keren is het iets dat uit hemzelf komt zoals karaktertrekken of vaardigheden. Als je personage iets wil, zal hij alles aanspreken wat hij heeft, of dat nu iets is wat binnen of buiten hemzelf ligt. Experimenteer met alles wat er voorhanden is, dat maakt het makkelijker om tijdens het vallen en opstaan-proces niet in herhaling te vallen over de manier van aanpak. Als je personage wat dat betreft vindingrijk is, zal je lezer harder voor hem juichen.

Wat je personage nodig heeft

Als je duidelijk wil maken wat je personage nodig heeft, is het belangrijk om vooral uit te lichten wat uit hemzelf komt. Dat is de daadwerkelijke wil, waar de buitenkant eerder het middel is om iets voor elkaar te krijgen.
Bovendien helpt de ‘binnenkant’ om duidelijk te krijgen hoe een eventuele vervulling van datgene wat je personage nodig heeft kan gebeuren.
Als je personage beseft dat zijn willen en nodig hebben niet hetzelfde zijn, dan zal hij een moment van bezinning hebben. Meestal zit hier deels een uitwerking van een gewenste nachtmerrie in, hoewel het ook goedschiks kan gaan. In beide gevallen krijgt je personage een spiegel voorgehouden.

Het aha-moment voor je personage

Het moment waarop je personage beseft dat wat hij nodig heeft verschilt van wat hij wil, is het grote aha-moment voor je personage en de climax in het save the cat schema voor je verhaal of hoofdstuk. Als het een climax van een hoofdstuk of een scène betreft, kan de spiegel die dan wordt voorgehouden redelijk onschuldig van aard zijn. Een voorbeeld daarvan is als je personage beseft dat hij helemaal niet naar Thailand hoeft te vliegen om er even tussenuit te zijn. Een weekje wadlopen is net zo goed een andere omgeving als je in de drukke Randstad woont.
Dit kan een giechelbui bij de personage oproepen, waarna hij zijn schouders ophaalt en eens gaat kijken hoeveel een weekje Schiermonnikoog kost. Aan het eind van de dag, als de reis is omgeboekt, ziet hij dat de hele vakantie ineens vijfduizend euro goedkoper uitvalt. Hé, de nieuwe auto is nu plotseling stukken dichterbij… Ha!
Als het aha-moment relatief kleine gevolgen heeft, geeft dat je personage meestal een voldaan en trots gevoel.

Kom maar hier met die nieuwe wagen! 🙂

Maar als er meer op het spel staat of het probleem groter is, knapt er meestal iets in je personage. Neem de likes-obsessieve persoon. Als die plotseling beseft dat de likes waardevol voor haar zijn omdat het haar aan eigenwaarde ontbreekt, dan kan je een mentale instorting verwachten die grote gevolgen gaat hebben in de trant van: ”Waar ben ik al die tijd in godsnaam mee bezig geweest?”
Als dat moment is geweest, wordt het verhaal verder afgerond. Dan ga je verder met een laatste obstakel, de ‘wrap-up’ en het einde. In deze laatste fases wordt ook de toon van het einde van je boek bepaald. Daarover hier meer.

De doorgeslagen trope

Tropes zijn essentieel voor een verhaal. Werk ze goed uit om clichés te voorkomen. Maar soms valt een trope verkeerd, zonder dat het per se een cliché is. Of zelfs zonder dat een schrijver dat zelf wil. Hoe kan dat en hoe kan je dat voorkomen?

Tropes door de tijd heen

Wat belangrijk is om te onthouden is dat een trope zelf geen standaard invulling heeft. Een vrouw die carrière maakt is een trope. Of ze dat doet door hard te werken of door het aan te leggen met de hoge heren van het bedrijf, dát is de invulling ervan. De invulling van een trope is aan populariteit onderhevig. Neem de trope van het lelijke eendje.
Verschillende decennia geleden kon je talloze films kijken en boeken lezen over het onaantrekkelijke, nerdy meisje dat plotseling de knapste jongen van de school kon krijgen, zodra ze haar bril en beugel thuisliet en een hippere garderobe uitkoos. Die trope zal nu bij de meeste mensen niet meer in goede aarde vallen. Maar de lelijke-eendje-trope is daarmee niet verdwenen: het nerdy meisje zal nu misschien toch met de knappe populaire jongen aan kunnen pappen als zij hem bijles geeft. Dan komt hij erachter dat een goed stel hersens ook best aantrekkelijk kan zijn.

Wie weet waarover zij met haar knappe vriend aan het chatten is… 😉 Foto door Andrea Piacquadio op Pexels.com

Een oude trope onderuit gehaald

Wat je de laatste jaren veel ziet, is dat de ‘nieuwste standaarden’ van bepaalde tropes zich vooral ontwikkelen om de ‘oude standaarden’ onderuit te halen. Dat gebeurt omdat de oude tropes vaak storend zijn: ze botsen vaak met de huidige algemeen maatschappelijke overtuigingen. Neem het lelijke eendje: de boodschap dat een meisje zich voor een jongen mooi hoort te maken alvorens ze ‘recht’ heeft op sjans is niet meer van deze tijd. Dus wordt de trope als het ware omgedraaid: de populaire jongen valt uiteindelijk toch voor het nerdy meisje en haar uiterlijk is daar uitgesproken niet de oorzaak van: dat is haar intelligentie. Zo kan een trope een nieuwe associatie oproepen, of kunnen er totaal nieuwe tropes ontstaan.

Nieuwe tropes, nieuwe problemen

Waar het met nieuwe tropes mis kan gaan, is dat ze teveel aandacht vestigen op hoe nieuw (en daarmee hoe verademend) ze zijn. Ze zijn zo bezig met afstand nemen van de oude moraal, dat er twee dingen vaak voorkomen:
* Ze worden hypocriet;
* Ze worden gedegradeerd tot irritante moraalridders in plaats van van mogelijk inspirerende middelen om een discussie te starten of gaande te houden. De trope wordt het daarmee het belangrijkste van het verhaal, in plaats van het bouwsteentje voor een verhaal dat een trope hoort te zijn.

De hypocriete trope

Het duidelijkste voorbeeld van een hypocriete trope is een bepaalde invulling van de ‘sterke vrouw’: Ze heeft geen man nodig om de held van het verhaal te zijn en leidt een internationaal bedrijf. De gedachte achter deze trope is vaak: ‘Het werd wel eens tijd dat sterke vrouwen meer op de voorgrond komen, want de jaren vijftig en het aanrecht als enige recht van de vrouw is nog niet zo lang geleden. Vrouwen kunnen ook stoer en sterk zijn.’
Tot zover is alles oké. Maar dan wil de trope té graag bewijzen dat de vrouw – in tegenstelling tot de ‘oude rol’ van de vrouw- zich niet laat definiëren door een man en vooral niet zwak is. De vrouw krijgt een hoge positie, blaft alle mannen af en geeft ze nooit het woord in de vergaderingen: ‘want jullie mannen zijn nog niet zover vooruit in het maatschappelijk gedachtegoed als vrouwen; jullie bijdrage is onbelangrijk.’
Uh… wat was er ook alweer zo storend aan de oude trope waarin een man een hogere positie bekleedde dan een vrouw…?

Als dit het vereiste voor een vrouwelijke baas zou zijn, werk ik liever voor een man…

Nog een voorbeeld is de ‘beste vriend’ die geen relatie heeft met een vriendin en zegt dat ze zich goed door mannen moet laten behandelen. Dan valt de vriendin op Joe Sixpack. Beste Vriend blijft maar doorgaan over hoe ‘dat soort mannen’ vrouwen slecht behandelen en dat ze een domme tut zou zijn om met ‘zo’n type’ te daten.
Toevallig is deze Joe lief voor zijn vriendin: hij mag dan wel een wasbordje hebben, hij zegt in ieder geval niet dat ze een domme tut is als ze met een bepaald type zou daten…

De moraalridder

Een ‘nieuwe trope’ kan zo overweldigend worden ingezet ten opzichte van het verhaal dat die niet langer een boodschap overbrengt, maar een moraalridder wordt. Als jij zegt dat je een vrouw als de slechterik-schoppende held niet per se een interessant verhaal vindt, kan je worden beschuldigt van ‘sociaal maatschappelijk achterlopen’, omdat je vrouwen niet de voorgrond wil geven. Terwijl dat het punt helemaal niet was: jij vond het gewoon niet oké dat de trope het verhaal ging overnemen. Je wil een vrouw zien die een centraal conflict aangaat. Niet een vrouw die als Mary Sue met pistolen uitgerust een hele terroristenbende stopt.

De hypocriete trope voorkomen

Je kan de hypocriete trope vrij eenvoudig voorkomen: vergelijk het oude niet met het nieuwe. Concentreer je op wat jouw trope volledig zelfstandig uit moet dragen. Als je iets uitwerkt op zo’n manier dat je lezers ermee weglopen, is er geen noodzaak om beter te zijn dan een ander verhaal, trope of personage. Dan heb je je doel namelijk al bereikt: dat je tekst je lezers raakt. Bovendien kan je de trope zo creatief blijven invullen. Ja, je vrouw mag nog steeds de superheldin zijn. Maar hoezo is ze dat niet meer als ze als huisvrouw met één doodziek kind en nog drie andere kinderen een huishouden draaiende kan houden? Dat is ook sterk! Maar dat zou volgens de ‘nieuwe trope’ bijna niet meer mogen, want de vrouw moet immers nooit (financieel) afhankelijk zijn van een man…
Als je tropes niet meer met elkaar vergelijkt, zal jouw trope ook geen moraalridder worden, omdat die niet als doel heeft om te overtuigen, maar om te inspireren.



Een verhaal bedenken vanuit een personage

Als je een verhaal wil schrijven, komt het regelmatig voor dat je al een idee hebt waar het over moet gaan. Maar soms heb je een personage in gedachten, waar je nog geen verhaal bij hebt. Hoe schrijf je dan een verhaal?

Personage of thema: waar begin je mee?

Een verhaalidee ontstaat vaak vanuit een thema. Dan is het relatief makkelijk om een verhaal en het hoofdpersonage verder uit te werken. Wil je schrijven over de muziekwereld? Dan is je hoofdpersonage een componist of musicus die hogerop probeert te komen. Voilà, een verhaal in de dop. Maar als je heel duidelijk een personage voor je ziet, kan het lastiger zijn om daar een verhaal bij te bedenken.
Je ziet een visser voor je. Dat kan een heel uiteenlopend persoon zijn. Is hij een beroepsvisser die dagenlang op zee ronddobbert? Is het een hobbyvisser die elk weekend bij een vijvertje zit? Of reist hij de wereld over voor wereldbekerwedstrijdvissen?

Leer je personage kennen

Als je een verhaal start met een personage, neem dan de tijd om hem goed te leren kennen. Schrijf zijn personagebiografie uit, maar hou het daar niet bij. Hoe uitgebreid je de biografie ook uitwerkt, je zal je personage op deze manier kennen zoals een dokter een patiënt kent waarvan ze alleen het medische dossier heeft gelezen.
Je zal hem oppervlakkig kennen, maar het daadwerkelijke doen en laten van je personage blijft waarschijnlijk nog een raadsel. Schrijf daarom eerst wat losse scènes over je personage. Maak je niet druk over de kwaliteit van deze scènes: ze hoeven absoluut niet hoogstaand te zijn. Schrijf over iets waarvan jij denkt je personage beter te kunnen leren kennen. Is dat zijn ochtendroutine? Dat is normaalgesproken een cliché, maar dat maakt nu niet uit. Sterker nog, het kan zelfs helpen om over de meest ‘saaie’ dingen van het leven je personage te gaan schrijven. Niemand heeft immers een leven met 24/7 spanning, drama of romantiek. Die momenten zijn eerder de uitzondering dan de regel.

Hoe schrijf je kennismakingsscenes?

Kennismakingsscenes zijn makkelijk te schrijven. Je moet er namelijk nauwelijks tot niet bij nadenken. Als je gaat kennismaken met je personage, doe je dat heel intuïtief. Je kan een kennismakingsscène schrijven voordat je de personagebiografie schrijft, of nadat je dat hebt gedaan. Dat is een kwestie van voorkeur. Het belangrijkste is dat je personage (of zijn omgeving) voor je geestesoog ziet en dan gaat kijken wat er in je opkomt. Meestal werkt het het beste als je voor de kennismaking iets uitkiest dat onlosmakelijk met je personage verbonden is. Als je dus schrijft over een visser, laat de scène zich dan afspelen op zee, bij een meertje of een vijver. Het kan ook helpen om een foto te zoeken van een ijkpersoon of van de omgeving waar je personage vaak is.

Zoek een enkele foto, hou een enkel woord in gedachten, of roep één mentaal beeld op en kijk wat je daarmee kan.

Zodra je enkele houvasten hebt gevonden, kun je daarmee een mindmap maken. Dan ga je nog niet nadenken over wat nuttig is, of dat je associaties zelfs maar logisch zijn. Je brainstormt er gewoon lekker op los! Laten we de bovenstaande foto als voorbeelduitwerking gebruiken. Je ziet op de foto:
* twee mensen die met een hengel bezig zijn;
* een meertje;
* een heuvelachtige omgeving;
* een aantal fietsen.
Dat lijkt op het eerste gezicht maar weinig te zeggen, maar je kunt hier al een aantal dingen bij bedenken of zelfs uitsluiten:
* twee mensen die met een hengel bezig zijn –> zijn dit vader en zoon? Dan kun je bedenken dat de vader misschien wel het archetype verzorger is;
* een meertje –> dit is geen open, woeste zee, dus het gaat hier niet om een beroepsvisser;
* een heuvelachtige omgeving –> ons personage woont niet in Nederland. Waar dan wel? Stel dat deze foto in de Verenigde Staten is genomen, dan heeft ons personage dus hoogstwaarschijnlijk Amerikaanse normen en waarden. Wat kun je daar over bedenken? Wat zegt dat over zijn wereldbeeld?
* een aantal fietsen –> wonen deze personen vlakbij dit meertje? Of wonen ze een eindje weg en zijn ze sportief aangelegd, omdat ze gerust dertig kilometer willen fietsen om deze plek te bereiken?
Je zal merken dat je je personages heel snel en heel goed leert kennen als je op deze manier gaat mindmappen, zeker als je in combinatie daarmee nog enkele scènes uitschrijft.

Kort voorbeeld kennismakingscene

Naar aanleiding van de foto van de visser, kan er iets uit je pen verschijnen als:
Bob gaat elke zondag met zijn zoon Richard vissen. Ze hebben altijd het mooiste plekje bij het meertje. Met hun geheime aas vangen ze altijd de grootste vissen uit het meertje. Op een dag raakt Bob het doosje met dit speciale aas kwijt. Bob schiet in de stress, omdat hij bang is dat zijn vader-en-zoon-uitje minder speciaal wordt zodra er geen grote joekels meer gevangen worden. Richard vindt dat niet erg: het gaat erom dat hij tijd met zijn vader door kan brengen.
Als je deze tekst verder zou willen uitwerken, dan moet er nog heel wat mee gebeuren voordat je hem in je toekomstige verhaal kan plaatsen:
* De tekst is redelijk staccato van toon;
* Geheim aas? Wat is dat nou weer? Aas is meestal zoiets als wormen. Dan zou je het over een geheime wormensoort krijgen. Tuurlijk…
Maar deze simpele scène vertelt je ook een aantal nuttige dingen, die je kan gebruiken om in je personagebiografie te zetten:
* Bob is niet zo stressbestendig;
* Bob heeft die viszondagen hoog in het vaandel staan.
Wat dat geheime aas betreft: wie weet heb je nu al je centrale conflict te pakken
* Er moet nieuw speciaal aas worden gekweekt;
* Er komt een zoektocht naar dat aas.

Trouwens: wie zegt dat een geheime worm niet bestaat? Als je een fantasy schrijft, kan dat misschien wel!

Je kent je personage nu al stukken beter. Lees hier hoe je zijn karaktertrekken kan gebruiken om het centraal conflict echt op gang te krijgen.