Show don’t tell tip: de reiskoffer

Vakantie, tijd om de koffers te pakken en voor het aloude rijmpje: ik ga op reis en ik neem mee… Ja, wat neemt je personage eigenlijk mee? De reiskoffer en de inhoud kunnen je veel vertellen. Niet alleen over de reisbestemming, maar ook over je personage zelf. Zo maak je van de reiskoffer een mooie show don’t tell.

Waarin stopt je personage de bagage?

Heeft je personage de laatste designerkoffer, dezelfde koffer als dertig jaar geleden die nog steeds in topconditie is omdat hij maar eens in de vijftien jaar op reis gaat? Of is dezelfde geliefde rugzak die ieder jaar een ander continent ziet al zo versleten dat die hier en daar al aan elkaar is gestikt om niet uit elkaar te vallen?

Hoeveel stuks bagage?

Is een koffer(tje) genoeg of zit de hele auto vol met koffers? Waar heeft je personage al die koffers voor nodig? Zit het vol met alles waarover je hieronder nog meer kan lezen? Of zijn het lege koffers om lekker op de plaats van bestemming te kunnen shoppen?
Hoewel niet altijd, kan het een aantal dingen over je personage vertellen als er veel koffers in het spel zijn:
* Je personage is materialistisch
* Je personage is bang niet genoeg te hebben van X
* Je personage kiest voor gemak: dan maar een extra koffer kleren mee, als ik de komende twee weken maar niet hoef te wassen.
En als je personage vrijwel niets meeneemt:
* wil het licht reizen, dan wel omdat het minimalistisch is, dan wel vanwege het gemak van een klein koffertje (ga maar eens met drie koffers sjouwen als je drie weken de bergen in gaat hiken.)
* “Ik koop daar wel extra kleren of spullen als het nodig is.” Een andere vorm van praktisch, maar dat betekent ook dat je personage het dus niet erg vindt om een dagje sightseeing op te offeren voor een dagje (gezellig of plichtmatig) winkelen.

De inhoud van de reiskoffer

Kleding

Hoewel er zeker ook een middenweg is, kan je aan de hand van de kleren die je personage meeneemt het vaak in een van twee groepen onderverdelen. Dat zegt dan vaak ook meteen iets over het personage zelf.

Veel kleren in een kofferWeinig kleren in de koffer
een setje voor overdag en bij het uit eten gaan: dit personage is luxer of cultureler ingesteld. Het zal waarschijnlijk niet de bergen in gaan. drie setjes in totaal “Ik was wel wat vaker.” Avontuur is belangrijker dan een modieuze indruk achterlaten bij mensen die het personage tegenkomt.
is veel van plan: je hebt niet zomaar vijftien setjes nodig als je maar vijf dagen weg bent. Je gaat je niet zonder reden meerdere keren per dag verkleden. gaat relatief veel van hetzelfde doen: je hebt nou eenmaal andere kleren nodig voor een concert dan bij het survivallen.
Wil waarschijnlijk altijd netjes voor de dag komen. O help… ga alsjeblieft niet met die naaldhakken op kinderkopjes lopen….!Neemt praktisch soms iets te serieus: O help… laat de afritsbroek alsjeblieft thuis!

Vermaak

Neemt je personage veel boeken of een powerbank en veel opladers mee om eindeloos te kunnen Netflixen? Dat is een heel andere vakantie (waarschijnlijk lekker ontspannen in een resort) als iemand die aan één tijdschrift voor een maand genoeg heeft. Die vakantie staat waarschijnlijk bol van adrenaline, of je personage verstaat onder vermaak: gewoon de omgeving in zich opnemen.

Bestemmingsgerelateerd

Je gaat geen bikini inpakken voor een wintersportvakantie. Maar denk eens aan de dingen die je personage wel kan inpakken die meteen iets over de bestemming of het doel van de reis vertellen, zoals:
* zakwoordenboekjes;
* bepaalde kledij, om een moskee of boeddhistische tempel te mogen betreden;
* toegangskaartjes voor bezienswaardigheden;
* anti-kater middeltjes of condooms (hallo festivalganger!)

Of draai het om: als je weet waar je personage naartoe gaat, maar deze dingen juist thuislaat, wat zegt dat dan? Neem het Japanse zakwoordenboekje thuislaten. Dan is je personage:
* verstrooid: het is iets belangrijks vergeten;
* avontuurlijk: ik ga dat Japans zelf wel uitvogelen en ik zie wel waar het schip strandt. (Ganbate! 😉 )

Voor noodgevallen

Een aantal dingen voor noodgevallen voorbereiden is noodzakelijk. Kopieën maken van je paspoort, bijvoorbeeld. Of extra geld op de bank hebben voor als je net iets meer uitgeeft dan bedoeld. Maar er is een verschil tussen je voorbereiden en zes EHBO dozen, twintig noodnummers en de tien extra voor-het-geval-er-geen-wasmachine-is-onderbroeken meenemen. Of je personage bereidt zich helemaal niet voor op noodgevallen, tot op het punt dat het roekeloos wordt. Waar bevindt je personage zich op deze schaal?
Dat zegt iets over hoeveel het los kan laten, vertrouwt op zijn probleemoplossend vermogen en zijn realiteitszin. Als je personage zich of helemaal niet of overdreven veel op noodgevallen voorbereidt, heeft het niet in de gaten hoe realistisch het al dan niet is dat er iets ongewensts gebeurt op reis.

Hagelslag

Of iets anders van thuis waar je personage geen dag zonder kan ;). Dit kan je vertellen of je personage genot voorop stelt. Als het echt verzot is op hagelslag, waarom zou het dat dan thuislaten als dat de vakantie enorm kan veraangenamen? Het kan je echter ook vertellen dat je personage gevoelig is voor heimwee of, op een dieper niveau, moeite heeft met loslaten.

Extra’s

Natuurlijk kan je personage nog heel andere dingen meenemen die niet per se in een van deze categorieën vallen. Kijk daar eens goed naar. Meestal is het onmiddellijk duidelijk wat voor symboliek het laat zien of waarom het personage dit meeneemt. Maar dat neemt niet weg dat deze show don’t tell vaak redelijk uniek is voor je personage. Neem het dus zeker onder de loep om meer over je personage te leren.

Denk aan een notitieboekje: dat personage is waarschijnlijk een schrijver, journalist, of filosoof! Wat zegt dat over je personage? Een woordenweb maken kan je helpen handige associaties en verbanden te ontdekken.

Foto door Charles Eugene op Unsplash.

Show don´t tell schrijftip: het cadeau

Cadeaus geven wordt met enige regelmaat gedaan. Het gebeurt op verschillende momenten en er komen meerdere elementen bij kijken. Bij een aantal daarvan denk je niet of nauwelijks na. Kijk wat beter naar alles wat er bij cadeaus komt kijken en je leert heel wat meer over het karakter en de waarden van je personage.

Wat zegt een cadeau over je personage?

In deze blogpost komen verschillende aspecten van het geven van cadeaus voorbij. Het eigenlijke cadeau, de prijs, de verpakking, enzovoorts. Voor een duidelijke uitleg zijn de vergelijkingen die ik daarbij geef extreem of zwartwit. Het is aan jou de kunst om het grijze gebied daartussen te vinden dat bij je personage past.

Iemand die altijd dure cadeaus geeft en een ander het winkelen laat doen, is waarschijnlijk een arrogant rijkeluiskindje. Als je merkt dat je personage eendimensionaal lijkt te worden, kijk dan verder naar een ander element van het cadeau geven. Bijvoorbeeld hoe vaak het personage cadeaus geeft. Doet het dat als er echt iets te vieren valt, zodat het een cadeau ook echt een viering symboliseert?
Komt er na het bestuderen van andere invalshoeken nog steeds een stereotype personage uit? Dan moet je de personagebiografie misschien aanpassen of uitbreiden.

Het eigenlijke cadeau

Uit het eigenlijke cadeau kan je opmaken of je personage weet wat de ontvanger leuk vindt. Het kan ook zijn dat hij niet weet wát te geven -wat geef je iemand die alles al heeft wat hij wil?- Maar het maakt een verschil of hij weet waar hij de ander blij mee zou maken, of juist niet. Dat kan aangeven hoe goed hij de ander kent, of hoeveel moeite hij wil doen voor de ontvanger om het perfecte cadeau te vinden. Spendeert je personage uren om een cadeau helemaal passend te maken -letterlijk door te knutselen, of figuurlijk door uren door folders te bladeren-? Of is hij eigenlijk wel makkelijk: met een fles wijn zit je altijd wel goed, want die gaat op een feest toch wel op.

De prijs van het cadeau

De prijs van het cadeau kan grofweg drie dingen zeggen:

* hoe rijk je personage al dan niet is;
* hoeveel geld je personage ervoor overheeft om de ontvanger iets leuks te geven;
* of je personage dure cadeaus gebruikt om op te scheppen over zijn rijkdom, of om te hielenlikken.

De verpakking van het cadeau

Is het cadeau uitgebreid verpakt? Kan je zien dat er een hele verpakkingservice aan te pas is gekomen die de gever tien euro extra kost? Dat kan een teken zijn van aandacht, of juist van snoeverij.
Is het cadeau slordig of niet ingepakt? Dan is de gever gehaast, een slechte knutselaar, of het cadeau wat minder oprecht.
Is het cadeau handmatig en creatief ingepakt? Dan is er aandacht naar het cadeau gegaan en geeft de gever veel om de ontvanger. Waarschijnlijk heb je ook met een Crea Bea te maken 😉

Een verpakking kan veelzeggend zijn. Foto door Olivia Bollen op Unsplash.

De winkel waar het cadeau is gekocht

Een tas van de Hema of van Gucci? Een opschrijfboekje van de Action of van de vulpennenspeciaalzaak? Zodra de winkel wordt genoemd, (in verhalen in ieder geval) kun je er de donder op zeggen dat de gever opschept als hij bij Gucci is binnengestapt of zich schaamt als hij bij de Action cadeautjes heeft gekocht. De prijsklasse van de meeste winkels is wel bekend. Zodra je de noodzaak voelt om dat te benoemen, maak je van de prijs een ding. Waarom zou je personage dat doen? Zeg het maar 🙂

Een gekocht of besteld cadeau

Heeft je personage door winkels gestruind om een cadeau te zoeken of online iets besteld? Online bestellen is makkelijker, sneller en soms ook overzichtelijker dan fysiek winkelen. Als je personage daar de voorkeur aan geeft, is hij waarschijnlijk druk of gesteld op gemak. Dat kan iets zeggen over de relatie met de ontvanger, maar dat kan ook in het karakter van je personage zitten. Zo kan je personage wel een uur in de stad willen zoeken naar een cadeau voor zijn moeder, maar niet voor een vage kennis. Of het gewoon makkelijk vinden om op bol.com binnen vijf minuten alles geregeld te hebben.

Een gemaakt of gekocht cadeau

Het verschil een gemaakt of gekocht cadeau kan te maken hebben met het budget van je personage (zelfgemaakt kan goedkoper zijn), zijn creativiteit – de Crea Bea vindt dat gewoon leuk om te doen- of de aandacht die naar een cadeau gaat: zelf iets maken kost doorgaans neer tijd dan iets kopen.

Hoe vaak geef je een cadeau?

Meent je personage dat het voor het minste of geringste cadeaus moet ontvangen? Dan is de ontvanger vaak verwend of materialistisch ingesteld. Als de ontvanger cadeaus wil krijgen voor elk van de volgende gebeurtenissen:
* verkering krijgen
* een halfjaar samen zijn met een partner – die al dan niet de gever is-
* samenwonen
* verloven
* bruiloft
* huwelijksreis
* zwanger zijn
* de eerste echo
* genderreveal
* de volgende echo
* geboorte
* eenjarig huwelijksjubileum
* kraamvisite
* doop van het kind

En de gever vindt het alleen nodig – of kan het zich alleen veroorloven- om voor twee van deze gebeurtenissen een cadeau te geven, dan is dat een goede show don’t tell dat er waarschijnlijk een onuitgesproken ruzie speelt tussen die twee. Of op zijn minst dat ze niet weten wat ze van elkaar (mogen) verwachten. Dat zal interessante gevolgen hebben voor de relatie.
Als je personage cadeaus koopt of blijft kopen, ondanks dat het dat niet wil, of niet kan betalen, zegt dat iets over hoe gevoelig hij is voor sociale druk, Misschien heeft dit personage een gebrek aan assertiviteit, of is het een pleaser.

Wanneer geef je een cadeau?

Bedenk wanneer je personage een cadeau geeft. Dat zegt iets over wanneer een cadeau verwacht wordt. Wat is de cultuur van je personage? Cadeautjes geven na Ramadan is heel gewoon, maar iemand die niet vast, doet daar dus niet aan.
Wanneer je personage uit eigen beweging een cadeautje koopt, zegt dat iets over wat hij belangrijk vindt.
Geeft niemand anders een cadeau als de ontvanger zijn eerste schilderij heeft afgemaakt? Dan is het voor de gever waarschijnlijk belangrijk om uitingen en voltooiingen van creativiteit van de ontvanger te vieren.

Show don´t tell en jouw unieke personage

Als je al even schrijft, weet je dat show don’t tell een belangrijke schrijftechniek is. Maar als je het te eenvoudig toepast, is de techniek alsnog niet al te effectief. Probeer daarom de techniek zo toe te passen dat je je personages er beter door leert kennen.

Show don’t tell in het kort: matigheid op de loer

In het kort betekent show don’t tell dat je iets laat zien in plaats van dat je ronduit schrijft wat er gaande is. Tell is: ‘hij huilt.’ Show is: ‘er biggelen tranen over zijn wangen.’ Over het algemeen is show een vlottere schrijftechniek dan tell. Maar je kan ook show schrijven zonder dat het echt tot de verbeelding spreekt. Neem bovenstaand voorbeeld. Als je tranen over wangen ziet lopen, spreekt dat meer tot de verbeelding dan wanneer je schrijft dat er iemand huilt. Maar zijn die tranen over de wangen nou echt zo bijzonder? Niet echt: het is de meest standaard manier van huilen beschrijven die je zo ongeveer kan bedenken. Als je dus te standaard bent met je shows, kan er alsnog een matige tekst ontstaan.

Verboden woord: voelen

Als je over gevoelens schrijft, is het woord ‘voelen’ een taboe, omdat het een tell in de hand werkt:
* Ik voel me verdrietig versus: de tranen prikken achter mijn ogen.
* Ik voel me duizelig versus: de wereld om me heen begint te tollen.

Maar ook bij een show ligt ‘voelen’ eerder op de loer dan je misschien denkt.
* Ik voel het bloed in mijn oren bonken.
* Ik voelde mijn hart als een razende tekeer gaan.

Herschrijf de zin zonder ‘voelen’ of probeer een ‘als(of)-zin’ te schrijven:
* Het bloed bonkte in mijn oren.
* Mijn hart ging tekeer als een op hol geslagen pauk.
* Door de spanning was het alsof er een kolonie mieren door mijn bloedbaan racete.

Leer het karakter van je personage kennen

Je hebt nu een aantal manieren gelezen om een standaard manier van show te voorkomen. Als je een show ook echt levendig wil maken, kijk dan ook eens naar wie jouw personage als persoon is. Bij de onderstaande tabel met mogelijke shows horen bepaalde emoties:

Vrolijkheid VerdrietWoede
In de handen klappen van plezierTranen flink de loop laten Een schop tegen de tafelpoot geven
Een vreugdedansje doenNiets (meer) zeggen en in een hoekje kruipenEen woedende kreet slaken
GlimlachenWeglopen van gezelschapMet een rood hoofd zwijgend voor je uit staren
Mogelijke shows bij een aantal basisemoties

Geen van deze voorbeelden is goed of fout. Maar zodra je beter naar je personage kijkt, zou je daar wel van kunnen spreken. Een makkelijk voorbeeld is om een extravert en een introvert personage met elkaar te vergelijken.
Het extraverte personage zal waarschijnlijk een vreugdedansje doen, flink huilen en een schop tegen de tafelpoot geven. De introverte tegenhanger glimlacht, kruipt in een hoekje en staart zwijgend voor zich uit terwijl de woede vanbinnen als een malle door het lijf gaat.
Natuurlijk kan een introvert ook ooit schreeuwen en de extravert rustig glimlachen. Maar als je deze afwegingen maakt in het schrijven van je shows, zal je niet makkelijk meer middelmatig schrijven. Ook al wijk je dan een keer uit naar iets standaards als tranen die over de wangen lopen.

Omstandigheden en medepersonages

Je personage zal net als echte mensen ook anders zal reageren naarmate er andere medepersonages of omstandigheden aan de orde zijn.
Uma heeft liefdesverdriet en huilt de ogen uit haar hoofd. Ze belt haar vriendin Sarah op om te vragen of het aan haar lag dat ze is gedumpt. Had ze zich misschien toch wat vaker sexyer moeten kleden voor deze mooie man, of schatte Hans haar gewoon niet op waarde? Sarah is nog niet zo lang geleden zelf afgewezen en kan zich dus goed in Uma verplaatsten: “Nee, meid, Hans was gewoon een botterik.” Een ideale vriendin, toch?
Maar dan overlijdt Uma’s favoriete tante in een auto-ongeluk. Nu hoeft ze niet te twijfelen of zij wel aantrekkelijk genoeg was om dit verdriet te voorkomen. Dit is domme pech en ze krijgt haar tante nooit meer terug. Uma kan niet terecht bij Sarah, want zij is doodsbang om te praten over alles wat met overlijden en rouw te maken heeft.
In plaats van tranen met tuiten te huilen bij een vriendin, kruipt Uma nu een aantal dagen in een hoekje. Ze durft niet te huilen, uit angst dat ze er nooit meer mee kan stoppen als ze daarmee begint.
Je kan erachter komen wat (op welk moment) goed bij je personage past door de personagebiografie nog eens goed te lezen en daaruit bepaalde conclusies te trekken.

Schreeuwt ze van verdriet achter haar handen of snikt ze zachtjes? Ze is in ieder geval verdrietig, maar welke van de twee opties je kiest, zal afhangen van haar karakter en de omstandigheden.

Spreid de show

Een valkuil van show don’t tell is dat je te veel op zinsniveau gaat denken. Mag je wel ronduit zeggen dat iemand verdrietig kijkt? Natuurlijk: soms is tell nodig voor een fijne tekst. Het gaat er vooral om dat jouw shows in het geheel van het verhaal de overhand hebben.
Als Uma verdriet heeft, kan je een prachtige show-oneliner over haar verdriet bedenken, maar als je het daarbij laat, schiet dat alsnog weinig op. Het kan net zo goed, zo niet beter werken om een heel hoofdstuk aan dat verdriet te wijden. Daarin kan je dan beschrijven hoe ze haar bed niet uitkomt, hoe haar ogen droevig staan als ze tegen iemand praat en haar stem door het verdriet een half octaaf lager lijkt te klinken. Voeg bijvoorbeeld een eetscène toe waarin je laat zien dat Uma niet eet, met haar eten speelt of minder praat dan anders. Zo’n scène schrijf je niet in de enkele zin: Uma had geen eetlust.
Wees niet bang om een show wat langer uit te smeren. Daardoor leer je een personage beter kennen en hoef je ook niet krampachtig op zinsniveau de meest beeldende shows te gaan verzinnen.


Show don’t tell schrijftip: aan tafel!

Show don’t tell kan op vele manieren. Er is geen uitgesproken beste manier, maar over het algemeen geldt wel: hoe subtieler, hoe beter. Dan valt het de lezer minder op dat je iets duidelijk probeert te maken. Een goede subtiele manier is om een eetscène te schrijven en in te gaan op de eetgewoontes en -manieren van je personage. Waar kan je zoal aan denken?

De tafel dekken

Als het tijd wordt om te gaan eten, wordt de tafel gedekt. Hoe gebeurt dat? En wie doet dat?
Als er kristallen glazen worden gebruikt bij de simpelste maaltijd, durf ik er gif op in te nemen dat dat proces heel lang duurt, omdat alle bestek en borden dan op de millimeter recht moeten liggen volgens de etiquette-indeling. Misschien doet een butler dit klusje wel. In andere huishoudens wordt het bestek misschien willekeurig naast de borden neergelegd.
Als de kinderen de tafel moeten dekken, kan dat zijn omdat de ouders dat zien als een onderdeel van opvoeding (”Je moet meehelpen in het huishouden.”) of bij gebrek aan tijd (”Als ik de tafel ook nog moet dekken voor acht man, dan ben ik weer tien minuten verder…”)
Sommige mensen scheppen in de keuken op, in andere huishoudens komen de pannen of tafel te staan. Dat laatste kan vanuit praktisch oogpunt zijn om een huishouden van Jan Steen te vermijden, andere mensen vinden dat een teken van gezelligheid.

Je fantasie zou op hol moeten slaan bij de show don’t tell die deze tafel je biedt. Al is het maar omdat niemand de kat wegjaagt 😉

De regels aan tafel

Iedereen heeft binnen een gezin regels aan tafel. Denk aan bijvoorbeeld:
* We bidden voor het eten.
* Iedereen krijgt een ‘beurt’ om over zijn dag te praten, zodat iedereen zich gehoord voelt.
* Je schept voor jezelf op, of iemand doet dat juist voor iedereen.
* Telefoons zijn verboden onder het eten.
* Tijdens het eten wordt er ontspannende muziek gedraaid.
* Je krijgt alleen een toetje als je je bord leeg eet.

Met deze tafelregels kun je meerdere kanten op. Stel jezelf de volgende vragen:
* Waarom zijn juist deze regels de norm?
* Komt er een discussie of straf als men zich niet aan de regels houdt? Waarom dan? Omdat het gezin streng is in het naleven van regels in het algemeen of omdat deze regels in het bijzonder belangrijk zijn? Wat zegt dat over deze mensen?
* Is iedereen het wel eens met de regels?
Neem de ´hoe was jouw dag-regel?’ Een feest voor iedere puber… Die gaat gewoon de kont tegen de krib gooien: niks zeggen, zuchten, sarcastisch zijn, noem maar op. Dat kan een goede show vormen voor het humeur van de puber, maar ook een goede show don’t tell voor een (beginnende) verandering in de gezinsdynamiek. Die show kan je dan weer gebruiken om ongeforceerd een plotverandering in gang te zetten.

Wat komt er op tafel te staan?

Wat er op tafel komt, kan je op verschillende manieren interpreteren. Is het eten luxe of juist eenvoudig? Dat zegt waarschijnlijk iets over hoeveel het gezin zich kan veroorloven. Wordt er simpel gekookt? Dan is er misschien een gebrek aan tijd of een keukenprins(es) in de familie. Denk ook eens aan hoe uitgebreid het eten (en koken) wordt gedaan. Als er uitgebreid getafeld wordt, kan dat erop wijzen dat er een formeel diner aan de gang is, of dat etenstijd als zeer belangrijke gezinstijd wordt gezien. Wordt er ook vaak (on)gezond gegeten? Misschien kun je daar ook wat mee. Vergeet daarom niet ook een kijkje in de koelkast te nemen. Wat je personage eet, zegt vaak ook veel over hem.

Tafelmanieren

Bij het woord tafelmanieren denk je waarschijnlijk aan bepaalde etiquetteregels. Of je personage zich daar al dan niet aan houdt, zegt veel. Maar je kan dat begrip nog breder interpreteren. Niet zozeer of hij zogezegd netjes eet, maar de hele manier waarop. Vaak heeft dat wel een bepaalde overlap met traditionele tafelmanieren. Kijk dus of je personage met zijn mond dicht eet, maar vergeet je ook niet af te vragen:

* Hoe groot zijn de happen die worden genomen?
* Hoe snel eet je personage?
* Als je personage geniet van zijn eten, laat hij dan elke vierkante centimeter voedsel op de tong smelten of heeft hij in zijn gretigheid dan eerder de neiging alles naar binnen te schrokken?
* Hoe wordt het bestek gebruikt? Wordt er met een mes gesneden of worden de boontjes of gebakken eieren met een vork aan stukken geprikt?
* Prakt je personage zijn eten? Speelt hij er misschien mee?
* Gebruikt je personage een servet? Zo ja, hoe en hoe vaak?
* Eet je personage ooit met zijn handen bij eten waar dat over het algemeen nog redelijk geaccepteerd wordt (boterhammen, hamburgers of frietjes) of moeten er altijd mes en vork aanwezig zijn?

Het interieur van de keuken en de eetkamer

Net zoals het huis van je personage kunnen de grootte en het interieur van de keuken en de eetkamer je een heel eind op weg helpen om je iets over je personage te vertellen. Is de keuken vaak smerig omdat er continu meelresten van de laatst gebakken koekjes op het aanrecht liggen? Of omdat de mensen te lui zijn om af te wassen? Of is hij juist brandschoon omdat Mevrouw Helderder in dit huis woont? Is de eetkamer ruim om zo een huiselijke sfeer te creëren? Of is er net een halve vierkante meter op de salontafel voor de televisie om je bord op te kunnen zetten? (”Eten houdt je in leven, dat is alles…”)
Je kan hier nog eindeloos veel kanten mee op. Kijk eens wat je zelf allemaal nog kan bedenken!

Van dinsdag 25 januari tot en met maandag 31 januari 2022 was dit de wekelijkse schrijfopdracht van Schrijven Online. Ik was de schrijfcoach. Bekijk hier de inzendingen van de lezers en lees ook feedback op de verhalen, zowel die van mij als van medelezers.

Een filmscript schrijven

Als je een filmscript gaat schrijven, schrijf je een tekst die naar beeld vertaald moet worden. Dan moet je met een aantal dingen rekening houden waar je niet meteen bij stilstaat als je het gewend bent om een boek te schrijven.

Boek versus film

Het belangrijkste verschil tussen een boek en een filmscript is dat een film een visueel medium is. Alles moet uiteindelijk zichtbaar zijn. Dat betekent dat je niet in het hoofd van een personage kan kijken. Stel je een romantische scène voor waarin de eerste ‘Ik hou van jou‘ uitgesproken wordt. In het boek ligt de nadruk waarschijnlijk op wat er in het hoofd van het personage omgaat:
Het was alsof Kristens maag opzwol van verwachting, terwijl ze het bloed razendsnel door haar lijf voelde gaan. Haar lippen waren plotseling kurkdroog. Ze raapte haar moed bijeen, telde inwendig tot tien en zei: ‘Ik hou van je.’
Als je deze scène zou kopiëren en plakken naar het beeld, blijft er niets spannends over, want niets hiervan is visueel zichtbaar. Bij een filmscript ben je aangewezen op lichaamstaal, stemvolume, mimiek, en al het andere waarmee een acteur een persoonlijkheid kan neerzetten. Natuurlijk helpt tekst daar ook bij, maar show don’t tell is in de letterlijke zin belangrijker in een filmscript dan in een boek.
Andersom is wat visueel goed werkt in een film, soms nauwelijks of niet te vertalen naar een boek.
Juist omdat je in een boek vaak naar de gedachten van een personage uitwijkt, kan juist de afwezigheid van die gedachten en een gegeven soms gewoon aanschouwen, zeer lastig zijn om in een boek (compact) uit te werken .

Kijk eens naar deze scène uit de film Up. Carl en Ellie kennen elkaar sinds ze een jaar of zeven zijn. Ze raakten bevriend vanwege hun gezamenlijke interesse voor zeppelins, ballonnen en hun bewondering voor het regenwoud in Venezuela. Daar beloofden ze elkaar ooit een zelfgebouwd, veelkleurig huis neer te zetten. In slechts vier minuten, zonder dat er een woord wordt gezegd, komt er zo’n beetje vijftig jaar gelukkig huwelijk voorbij. De scène werkt perfect (houd tissues paraat!), maar hem op deze manier uitwerken in een boek zou vrijwel ondoenlijk zijn.

Schrijf recht voor zijn raap

Een script vormt natuurlijk een basis voor een film, maar dat is niet wat een kijker uiteindelijk te zien krijgt. In vergelijking met een roman moet je voor je gevoel erg staccato schrijven, heel erg tell, voor weinig vrije interpretatie vatbaar. Schrijf bijvoorbeeld niet in een scèneomschrijving: Vader en zoon zitten aan een rommelige tafel, maar: Vader en zoon zitten aan een tafel waar slordige stapels papier op liggen en de ontbijtborden van die ochtend nog opstaan. Een filmscript moet vooral functioneel zijn, niet mooi geschreven. De filmcrew moet er direct mee aan de slag kunnen. Het is niet de bedoeling dat ze nog moeten overleggen hoe rommelig de tafel nog moet zijn. Dat bepaal jij als schrijver, en daarmee geef je meteen een sfeeromschrijving, of een show don’t tell: rommel zoals hierboven is een andere rommel dan de rommel waar de tafel nog vol ligt met knutselspullen van gisteren. Het een duidt al meer naar chaos, waar het andere nog naar bepaalde gezelligheid zou kunnen verwijzen.

Geen tijd meer interpretatie: na het lezen van je tekst moet men meteen kunnen overgaan op: “Lights, camera, action!

Schrijven voor de acteur

Een acteur verstaat zijn vak, dus als je zegt dat hij blij moet zijn, of in tranen uit moet barsten, weet hij wel hoe dat moet. Toch is het ook fijn als je in je schrijven duidelijk bent wat je al dan niet verwacht. Hoe groot is een emotie van je personage op een tienpuntschaal? Hoe uit zich dat (ongeveer)? Je kan acteurs een zetje in de goede richting geven door te bedenken welke acties er bij welke emoties en de bijbehorende tienpuntschaal horen. En zoals gezegd: schrijf als het even kan niet iets waarbij een kijker zou moeten zien wat er in het hoofd van het personage omgaat of welke sfeer jij als schrijver over wil brengen. Enkele voorbeelden:

Dit werkt (beter)Dit werkt niet (zo goed)
Ze opent haar mond en doet hem weer dichtZe wil iets zeggen, maar bedenkt zich
Ze springt op van haar stoel en loopt stampvoetend de kamer uit Ze wordt woedend
Ze haalt diep adem en wacht een paar tellen voor ze begint te pratenZe zet zich schrap: dit wordt het moment van de waarheid.
Ze kucht een paar keerHaar keel wordt droog
Er is een lange stilte waarin niemand praat, of elkaar aankijkt. Zodra Els begint te praten, is dat met een onnatuurlijk hoge stem.De sfeer is om te snijden.

Dialoog als karakterspiegel

Natuurlijk is ook in film dialoog een middel om bepaalde expositie te geven. Maar nog meer dan bij een boek is het in een script makkelijker om in een tell te belanden. Je kan namelijk niet beschrijven wat er in het hoofd van personages omgaat. Dus op de een of andere manier moeten ze dat verwoorden. En al ben je nog zo’n expert in lichaamstaal, van een gefronst voorhoofd of tandenknarsen kan je niet aflezen wat een personage precies denkt of waarom hij een emotie voelt. Dan ligt een dialoog als deze op de loer:

ELS:
Ik ben er zó klaar mee dat Joop nooit meehelpt in het huishouden!
CLARA:
Doet hij echt niks?
ELS:
Eén keer per week ruimt hij de vaatwasser uit. En dan krijg ik de rest van de week te horen: ‘Ik heb de vaatwasser toch al uitgeruimd gisteren? Hoezo moet ik dan nu nog de tafel dekken?’
CLARA:
Pfff… Je hebt gelijk, meid. Wat een luie man heb jij.

Els is boos en Joop is lui. Hoe droog en tell wil je het hebben? Daarom worden dialogen in scripts vooral gebruikt om de karaktertrekken van je personage te beschrijven. Wat zeggen ze precies? Wanneer, waarom, hoe, tegen wie? Of waarom juist al dat voorgaande niet? Daarover kan je in deze blogpost meer lezen.


Show don’t tell schrijftip: het huis van je personage

Met show don’t tell kan je je verhaal levendig maken en zo meer over je personage vertellen. Dat kan door zintuiglijk te schrijven, maar je kan ook naar zijn huis kijken.

Show don’t tell in een notendop

Lees onderstaand citaat eens.

Als je tegen grote mensen zegt: ´Ik heb een prachtig huis gezien van roze baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak… ‘dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: ‘Ik heb een huis van een half miljoen euro gezien. – Dan roepen ze ‘Wat mooi!’

De kleine prins — Antoine de Saint-Exupéry

Zou het toeval zijn dat De kleine Prins volwassenen als mensen zonder fantasie neerzet en zij juist daarom de voorkeur geven aan een typische tell techniek, in plaats van show waar de verbeelding het werk moet doen en iets levendig en mooi maakt? Vrijwel het hele boek geeft af op volwassenen zonder fantasie en een bepaald observatievermogen en het is het op twee na best verkochte fictieboek in de geschiedenis. Dus tja… 😉 Als je het effect van show don’t tell in een notendop wil onthouden, is dit citaat een mooi voorbeeld.

Wat een huis je kan vertellen

Een huis van een half miljoen (of een ‘duur huis’ of een ‘villa’) zegt helemaal niks over hoe het eruit ziet. Kun je je de controversie rondom het huis van Guus Meeuwis nog herinneren? Nog los van of het jouw smaak is of niet: het feit dat veel mensen het eerder een bunker dan een huis vonden, zegt voldoende. Als je wil weten hoe mooi een huis echt is, moet je het omschrijven. En dan ontkom je er niet aan dat je iets over de persoon die erin woont te weten komt, of daar in ieder geval bepaalde aannames over kan maken:
* Het huis van Guus Meeuwis had vrij weinig tot geen ramen. Als bekende zanger is dat vanwege privacy misschien belangrijk voor hem.
* Het huis van de kleine prins wordt omschreven met dieren en bloemen en een zachte kleur. Dat past bij iemand die van rust en de natuur houdt. Dat kan heel goed kloppen, want het prinsje is verzot op een roos en zegt liever in drieënvijftig minuten rustig naar een bron te lopen om te drinken dan een dorstlessende pil te slikken.

De grootte van een huis

De grootte van een huis kan ook wat vertellen over je personage en zijn omstandigheden. Denk aan:

Een groot huisEen klein huis
Je personage woont met een groot gezin in een huis.Je personage woont alleen.
Je personage is rijk.Je personage is arm.
Je personage houdt van luxe.Je personage houdt van eenvoud.

Dit zijn natuurlijk slechts tropes; zoals altijd geldt dat tropes slechts de bouwstenen zijn waar je een begin mee maakt om er vervolgens je eigen draai aan te geven.

De inrichting van het huis

Als het huis is ingericht volgens de laatste woontrends, is je personage iemand die graag meegaat met de mode of iets wil kunnen laten zien. Waarschijnlijk is het banksaldo ook niet onaardig. Steeds opnieuw inrichten kost aardig wat. Oude, versleten meubels kunnen zowel een zekere armoe dan wel een knusse sfeer geven. Een personage dat felle kleuren laat terugkomen, is misschien wat expressief ingesteld. Als er weinig spullen in huis staan, kan dat betekenen dat je personage veel onderweg is: als je huis eerder een hotel is, waarom zou je dan uitgebreide moeite doen voor de inrichting? En als je huis barstensvol hebbedingetjes staat, heeft je personage misschien wel moeite met dingen weggooien (lees: loslaten).

De zuiverheid van het huis

Is je huis een ruimte waar geleefd wordt en het gezellig rommelig is? Of is dat een excuus voor het feit dat je personage te lui is om schoon te maken? Anderzijds: is die spic en spanne ruimte netjes omdat iemand een huis leefbaar wil houden of is dat wellicht een teken van smetvrees of controledwang?

De decoratie in een huis

Kijk eens wat je personage voor decoratie in huis heeft. Meestal weerspiegelt dat waar hij veel (emotionele) waarde aan hecht. Zijn dat vooral foto’s van geliefden? Dan woont er een familiemens. Zie je veel souvenirs? Hallo wereldreiziger! Staat er veel dure kunst? Dan kan je personage van kunst houden of in hoge kringen verkeren. Zie je overal schaalmodellen van sportauto’s? Dan is dit het huis van een racefanaat.

De koelkast

De inhoud van de koelkast is een show don’t tell goudmijntje!
* Geen vlees voor mij, als vegetariër doe ik geen dieren kwaad;
* Vol met magetronmaaltijden: sorry, maar ik heb gewoon geen tijd om te koken…
* Alleen biologische producten: we moeten aan het milieu denken;
* Gevuld met suikervrije, zoutarme en vetvrije producten: ik wil gezond leven/ ik ben op dieet;
* Gepureerde fruithapjes? Hier woont een baby!
* Een karige inhoud wijst erop dat er geen tijd of geen geld is om de koelkast tijdig aan te vullen.

Een verstreken houdbaarheidsdatum

Een verstreken houdbaarheidsdatum kan ook veel dingen zeggen over je personage:
* Hij is niet zo van het opruimen;
* Hij eet wat hij die dag wil eten, niet wat praktisch is qua houdbaarheid (lees: plezier voor efficiëntie);
* Hij is zeker niet arm: als je ieder dubbeltje moet omdraaien, ga je niet zo laks met een eerste levensbehoefte als eten om.
Mix en match met dingen in de koelkast voor een kort en veelzeggend beeld van je personage.

Achter deze deur ligt een schat aan informatie 🙂

Het geheime laatje

Bijna ieder personage heeft wel een geheim. Heeft je personage bepaalde geheimen die hij in een laatje kan verbergen? Zo ja, bedenk dan ook waarom die spullen worden weggemoffeld, want dat kan veelzeggend zijn. Een jong stel dat nog niet aan kinderen wil beginnen zal de condooms binnen handbereik van het bed houden. Een streng gereformeerd opgevoede tienerjongen die nieuwsgierig en verliefd is, zal ze toch echt verstoppen…

Je ziet hoeveel een huis over je personage kan zeggen. Laat je gedachten er eens over gaan. Waarschijnlijk kan je deze blogpost daarna met nog heel wat eigen bevindingen aanvullen.

Zo leest een tekst heel natuurlijk

Als schrijver ben je een god van je eigen geschapen wereld. Je kan dus schrijven wat je wil, totdat je je plot en je lezer in de gaten moet gaan houden.

Je hebt geen eindeloze ruimte voor speling

Als schrijver ben je de baas over hoe het verhaal verloopt. Daarin lijk je dus alles over het verhaal te kunnen bepalen. Hoe het verhaal loopt, hoe de personages zich ontwikkelen… Maar dat heeft zijn grenzen. Je moet denken aan wat past binnen de resultaten van je schrijfonderzoek en je personagebiografieën. Daarbij moet je ook rekening houden met wat natuurlijk overkomt. Een van de dingen waar een verhaal op stuk kan lopen, is dat de gebeurtenissen uit de lucht komen vallen: ineens zijn mensen vrienden, verliefd of woedend op elkaar.

Als dit in een tekst gebeurt, ligt de oorzaak vaak bij de schrijver. Die is al zo in het verhaal verdiept, dat hij vergeet om dingen uit te werken: ‘Leon en Jos moeten verliefd worden.’ Prima, maar hoe komt die verliefdheid tot stand? Je kan niet schrijven: Jos viel in katzwijm, Leon glimlachte een keer terug en nu hebben we de romance van de eeuw. Die kerels hebben elkaar net één keer aangekeken.
Stel je voor dat je een potentiële liefdesrelatie hebt met iedere voorbijganger die je in het voorbijgaan vriendelijk groet. Dat is niet vol te houden! Je zal ofwel voortaan steevast met een chagrijnig hoofd rond moeten rondlopen om je potentiële vrijers op afstand te houden, of je bent de rest van je leven bezig om al je liefjes (lees: voorbijgangers) te versieren.
‘Dit is zo omdat ik als schrijver wil dat het zo is,’ is een uitgangspunt waardoor de logica uit je tekst verdwijnt. Je moet erop kunnen vertrouwen dat de lezer bepaalde signalen kan oppikken, anders resulteert dat in een infodump. Tegelijkertijd moet je ervoor zorgen dat die signalen wel genoeg opvallen.

Unieke en terugkerende details

Hoe zorg je ervoor dat belangrijke details in een verhaal opvallen, bijblijven en vlot leesbaar zijn? Zorg voor een combinatie van uniekheid en herhaling.

  • *herhaling: zorg ervoor dat de details zich herhalen. Laat Leon vaker dan eens naar Jos teruglachen, of andere subtiele seintjes van flirten vertonen.
  • * uniekheid: de details moeten uniek zijn. Dat kun je op twee manieren opvatten:
    – Varieer in de details, zodat niet steeds hetzelfde gebeurt. Als Leon tien keer flirt, laat hem dan geen tien keer glimlachen. Zorg ervoor dat hij ook een keer knipoogt, Jos een complimentje maakt, bloost als hij hem ziet…
    – Maak de details zo min mogelijk clichégevoelig. Kijk of er een mogelijkheid is om een detail passend te maken bij je unieke personages of je specifieke plot. Iedereen kan de hand van de ander pakken als gebaar van affectie. Maar als Jos weet dat Leon dol is op een bepaald kledingmerk, laat hem dan een trui van dat merk dragen als ze op date gaan. Dat maakt het gebaar extra speciaal, en zo voelen Jos en Leon aan als een passend koppel.

Suus gaat reizen en is doodsbang om iets te vergeten. Herhaal dat Suus iedere keer opnieuw haar koffer op de inhoud controleert. Iedere keer ziet zij dat een ander voorwerp is ingepakt. De ene keer ziet zij dat haar gelukssokken gelukkig op de kofferbodem liggen, de volgende keer is ze in de stress omdat haar paspoort misschien wel is verlopen -o nee, toch niet- en weer een andere keer is ze haar reisgids misschien vergeten. Hoe weet Suus dan wat ze op vakantie kan eten? Kortom: gebruik show don’t tell.

“Hoe weet je zonder je reisgidsje of dit spul veilig is om te eten?” Als Suus inktvisjes op een stokje ziet, heeft ze haar bedenkingen…

Show don’t tell bij het schrijven van details

Show don’t tell is belangrijk om relevante details op te laten vallen. Als je ze herhaalt, blijft datgene wat je als geheel duidelijk wil maken in het achterhoofd van je lezer. Varieer je ook nog in de details, dan kan je meer informatie duidelijk maken met een en hetzelfde voorbeeld. Zo komt alle informatie nog duidelijker, én minder geforceerd over.
Neem die inktvisjes op een stokje. Suus controleert eindeloos de inhoud van haar koffer, omdat ze bang is dat ze iets vergeet. Dat geeft aan dat ze zenuwachtig is. Maar als ze uitgerekend bang is haar reisgids te vergeten omdat ze bang is voedselvergiftiging op te lopen, kan dat ook een (eerste) aanwijzing zijn dat ze niet zo avontuurlijk is ingesteld. Iemand die dat wel is, stopt die inktvis gewoon in de mond. Diegene kan zich vervolgens kapot lachen bij de nieuwe ontdekking dat er een kwartelei in het hoofd van zo’n inktvis zit. (Echt waar! 😉 ) Suus zou dat misschien al gelezen hebben in haar reisgids, waarna ze denkt: “Ieuw! Ammenooitniet eet ik een inktvis met een ei in zijn kop!” Een avonturier ziet daar juist de lol van in of wordt nieuwsgierig: “Avontuur zit in het onbekende.” of “Avontuur betekent proberen.”

Stel dat hoofdstuk 1 van Suus’ verhaal het inpakken van haar koffer betreft. Dan duurt het waarschijnlijk nog een aantal hoofdstukken voordat Suus aankomt bij de markt waar ze deze lekkernij ziet liggen. Maar als deze scène zes hoofdstukken later komt, wordt er relatief subtiel verwezen naar Suus’ behoefte aan controle. Dat leest over het geheel al minder geforceerd dan dat Suus in hoofdstuk 1 of 2 ook nog eens vijf uur voor vertrek op het vliegveld aankomt.

Hé Suus, dit is jouw vertrekkende vliegtuig… Over drie-en-een-half uur. Waarom ben je nu al bij je boarding gate?

Dan ligt alles er te dik bovenop en kan de karaktertrek cartoonesk overkomen. Kom je daar in hoofdstuk 7 weer (subtiel) op terug, dan is de lezer hoofdstuk 1 alweer enigszins vergeten. Dan denkt de lezer waarschijnlijk iets als : “O ja, Suus wil graag controle houden. Maar dat past bij haar. De een is nu eenmaal relaxed, de ander wat meer zenuwachtig.’

Kortom: als je details herhaalt, ermee varieert en ze showt komt je tekst al gauw natuurlijk over.

Drie tonen die je verhaal levendig maken

Je verhaal wordt leesbaar en levendig door de toon die je gebruikt. De techniek die onmisbaar is voor levendig schrijven heet ‘show don’t tell.’ De techniek is in theorie redelijk makkelijk te begrijpen, maar er daadwerkelijk mee schrijven kan lastig zijn. Hier volgen drie metaforen die je kan onthouden om een show don’t tell-toon te herkennen.

Wat is show don’t tell?

Om te beginnen: wat is show don’t tell? In het kort is dat het principe dat je in plaats van beschrijft wat er gebeurt, in plaats van dat er iets gebeurt. Je kan schrijven: Ik huil maar als je schrijft: de tranen stromen over mijn wangen ziet de lezer meer voor zich, waardoor het verhaal levendiger wordt. Je kan hier een uitgebreidere toelichting lezen over show don’t tell.

1 De kundige reisgids

Stel je voor dat je een dure, verre en lange reis gaat maken. Dan is het een grote teleurstelling als je reisgids je alleen droge informatie voorschotelt. Als hij alleen feiten opsomt, zal je het gevoel krijgen opgelicht te zijn. Ik had net zo goed een papieren reisgids kunnen lenen bij de bibliotheek.
Dit is de gids met de ‘tell’-toon: “Deze tempel is zevenhonderdvijftig oud, en heel indrukwekkend.” Hij vertelt dat de tempel indrukwekkend is, dat moet je maar geloven. En dat kan een papieren reisgids je ook vertellen. Je hebt dan meer aan de ‘show-gids’: “In deze tempel staan duizend Boeddhabeelden trapsgewijs opgesteld. Als je dáár gaat staan, zie je je ze vanuit een hoek waardoor het lijkt alsof ze allemaal op je af komen lopen.” Deze gids ‘showt’ waarom dezelfde tempel indrukwekkend is. Als je de toon van de ‘show reisgids’ in je achterhoofd houdt kun je bedenken: Ik neem mijn lezer mee op een reis die indrukwekkend moet zijn en die droge feiten tot leven brengt.

2 De kampvuurverteller

Je kent het beeld wel van een mooi of eng verhaal dat rondom een kampvuur wordt verteld. De toon van een goede kampvuurverteller is levendig en neemt je in een verhaal mee. In plaats van: “Het meisje verstijfde van angst, maar rende even daarna alsnog doodsbang weg,” zal hij willen dat jij net zo goed bang wordt van deze enge scène. Dan komt de show om de hoek kijken: “Er ging een rilling over haar rug en ze draaide zich met een schok om toen ze een onverwacht geluid hoorde. Haar benen voelde aan als lood, maar met een enorme krachtinspanning dwong ze haar benen haar te gehoorzamen en sprintte ze met bonzend hart weg.”

3 De blindenbegeleider

Stel dat je een blinde op een wandeling begeleidt. Neem als uitgangspunt dat je de blinde voor even het gevoel wil geven dat die kan zien. Als je dan in het park gaat wandelen en in de tell-stijl vertelt, schiet dat niet veel op: “De mensen zijn blij, het is heerlijk weer en de eendjes zijn in een goed humeur.” De show-stijl helpt dan wel: “Er komt een meisje voorbij gehuppeld en haar lichte lentejurkje wappert in het briesje dat jij waarschijnlijk ook langs je wangen voelt strijken. Ze heeft brood in haar hand. Ze zal misschien nog even geduld moeten hebben met de eendjes voeren, want er is een eend heel druk bezig met kopje onder gaan en in het rond spetteren.”

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Tell: wanneer moet het wel?

Je hoort heel vaak over het belang van show don’t tell. Als je wil leren schrijven is dat een essentiële techniek. Maar het gebruik van show kan worden overschat. Daarom geef ik antwoord op de vraag: “Tell, wanneer moet het wel?”

Show don’t tell

Lees hier mijn introductie over show don’t tell en hier hoe je show optimaal benut. Ik schreef in die laatstgenoemde blogpost over het ‘tell-effect’. Dat is een goede eerste aanwijzing waarom je soms beter tell dan show kan gebruiken.

Gebruik tell bij een tell-effect

Als je show zodanig veel gebruikt dat de verbeelding van je lezer alsnog wordt uitgeschakeld, krijg je een tell-effect. Als je merkt dat je een tell-effect hebt geschreven, ga dan eens na of een tell eigenlijk gerust kan. Bekijk deze zinnen eens:
Toen ik haar het vreselijke nieuws vertelde, zag ik de tranen opwellen in haar ogen (show)
Toen ik haar het vreselijke nieuws vertelde, begon ze te huilen (tell).

Geen van beide opties is per definitie beter. Als je voor de tell kiest, kun je daarna nog met show verder. Schrijf later hoe het personage een dag naderhand nog steeds niet wil eten, nog altijd niet uit bed wil komen…
Deze voorbeeldzinnen moeten duidelijk maken dat je personage verdriet heeft. Beide zinnen slagen daarin. Als opzichzelfstaande zinnen geeft de ene zin niet meer informatie dan de andere. Uiteindelijk bepaalt de verdere context hoe het verdriet van het personage daadwerkelijk overkomt. De lezer weet een pagina later niet meer of je in die ene zin de tranen over de wangen liet rollen of het personage gewoon liet huilen.

Het is belangrijk om te weten dat je over het algemeen show moet verkiezen boven tell. Maar evengoed moet je ook beseffen dat (een enkele) tell niet onmiddellijk getuigt van slecht schrijven.

Tell bij onmiddellijke actie of het moment suprême

Als er sprake is van onmiddellijke actie (al dan niet in de ‘actiescène’ zin van het woord) of als er iets dringends aan de hand is, is tell vrijwel altijd de beste optie. Door kort, bondig en daarmee vlot te schrijven, komt de actie of de urgentie beter over.
Je personage is te laat voor zijn werk:
Martijn zag dat hij te laat was. Hij vloekte, greep zijn sleutels en rende de deur uit.
werkt in dit geval beter dan Martijn keek op de klok en voelde zijn hart sneller kloppen en zijn hoofd rood aanlopen, terwijl hij naar zijn sleutels graaide en met grote stappen richting de deur liep.

Zie je dat het tell voorbeeld nog steeds enige show in zich heeft? Dat komt door de regieaanwijzingen (vloeken, grijpen en rennen). Als je die wijselijk gebruikt, zal je niet snel een gortdroge tell schrijven, zoals: Martijn zag dat hij te laat was. Hij werd boos, pakte zijn sleutels en liep de deur uit. Als je al wat schrijfinzicht hebt, dan voel je waarschijnlijk wel aan dat deze zin de actie laat uitdoven en erg traag leest.

Tell is vaak ook fijn voor een zeer belangrijk moment. Neem een huwelijksaanzoek. De man zit al op zijn knieën en heeft de ring al laten zien. Beschrijf dan alsjeblieft niet hoe ze uit haar ogen kijkt én hoe ze haar handen voor haar mond slaat én op en neer begint te springen. Dan slaapt de knie van de arme man voordat hij eindelijk eens het verlossende antwoord krijgt… Bovendien denkt de lezer dan: dit duurt te lang, ik snap het idee wel hoor!
Uiteindelijk berooft de show de ‘ja!’ dan van zijn gouden randje.
Een van de blije uitingen van de vrouw mag je (nog) best showen, maar een tell is hier ook voldoende: ze sprong dolblij in zijn armen.

Denk alsjeblieft aan zijn knieën 😉

Tell bij snelle observaties

Een plattelandsjongen gaat solliciteren bij een groot bedrijf. Eén ding valt hem meteen op: Iedereen is in pak.
Dat is een snelle observatie van het principe dat hij hoge piefen ziet. Dan is tell ook op zijn plaats. Anders krijg je: iedereen droeg glimmende schoenen, zijde dassen en op maat gemaakte pakken. Tegen de tijd dat jij dat gelezen hebt, is onze held alweer een halve gang verder gelopen. Dan is het geen vluchtige observatie meer.
Gebruik hierbij alleen show wanneer de observatie ook iets teweegbrengt hij het personage: de dure pakken en glimmende schoenen van iedereen die passeerde, maakte dat Piet zich niet op zijn plaats voelde. Hij plukte onzeker aan de mouw van zijn keurige bloes, die een rib uit zijn lijf was geweest.
Ook de tell in dit voorbeeld heeft enige show in zich. Sloebers dragen geen pakken, dus dit zullen wel hoge piefen zijn. Wees niet onnodig bang voor een korte, droog lijkende beschrijving. Er zit vaak al meer show in dan je denkt!

Dit is geen schoonmakersuniform…

Tell bij een cliffhanger

Ken je de afkorting S.O.A.P. voor bij een cliffhanger nog? Let hier nog eens op de S.O. Spectaculair en Ongenuanceerd. Als je spectaculair en ongenuanceerd wil zijn, is tell een ideaal middel. Let eens op deze voorbeelden, allemaal zonder enige vorm van show, maar met een duidelijke tell:

* Toen viel hij dood neer;
* In een klap was het dorp verwoest door de vulkaanuitbarsting;
* Hij viel zo hard op grond dat zijn been brak.

Met show beschrijf je hoe het bloed uit de wond in de borst stroomt, de lava op het dorp afkwam of hoe het akelig krakende geluid de kamer vulde. Deze shows kun je gerust gebruiken, maar ze zijn al minder spectaculair en niet langer ongenuanceerd. Ga dus na wat je beoogde effect is.

Show don’t tell balanceren

Er zijn geen waterdichte trucs voor het gebruik van tell. Hetzelfde geldt voor een show. Nogmaals: over het algemeen is een show beter dan een tell. Maar show don’t tell blijft een schrijftechniek, geen schrijfregel. Je zal zelf een balans moeten vinden. Bij creatief schrijven moet je vooral op inzicht afgaan. Staar jezelf nooit blind op een schrijftechniek. Ook niet op de belangrijkste van allemaal. Lees daar hier meer over.


Show don´t tell optimaal benutten

Show don’t tell is een van de basistechnieken van schrijven. Het is de makkelijkste manier om een verhaal levendig te maken. Als je weet wat het is, ben je er nog niet. Hoe haal je het meeste uit deze schrijftechniek?

Een korte definitie van show don’t tell

In het kort betekent show don’t tell dat je in plaats van iets simpelweg opschrijft, je omschrijft wat er gebeurt, te zien is of wat de emoties van een personage zijn. Bijvoorbeeld de tranen liepen over mijn wangen in plaats van Ik huilde. Of De ketting van de fiets rammelde, de bel was verroest en er zat een deuk in het wiel in plaats van de fiets viel van ellende uit elkaar. Lees hier mijn uitgebreide introductie van show don’t tell.

Show don’t tell als sfeermaker

Over het algemeen kun je show don’t tell zien als de sfeermaker van een scène. Ga maar na:
* Je beschrijft de meubels in een kamer om duidelijk te maken of die modern of ouderwets is.
* Aan de hand van gezichtsuitdrukkingen wordt de sfeer van een gesprek duidelijk. Worden wenkbrauwen gefronst en tanden geknarst? Dan zijn de mensen niet gezellig hun weekendplannen aan het bespreken.
* Als iemand smakkend van genot aan de eettafel zit, is dat waarschijnlijk meer dan een gemiddelde avondmaaltijd. Grote kans dat er uitgebreid gekookt is om iets speciaals te vieren en er dus een feestelijke sfeer hangt.
* Een scène wordt spannend van toon als de lezer merkt dat iemand stiekem een wapen heeft gekocht. Wat zou hij daarmee van plan zijn? Heeft hij vijanden? Zit hij in de illegale wapenhandel?
Een ‘tell’ zou dit meteen verpesten: Sjaak heeft Rafael net uit het niets neergeschoten met zijn nieuwe geweer. Dan blijkt wel dat Sjaak Rafael niet mocht… Maar sfeeropbouw geeft het niet, want Rafael is al dood voor je merkt dat er iets spannends gaat gebeuren.

Als Sjaak onmiddellijk de hoek om komt stormen, is dat geen sfeermaker, maar een sfeerbreker. Show don’t tell is een subtiele manier van sfeeropbouw, waar tell eerder iets meteen duidelijk wil maken.

Als je show don’t tell gebruikt, bedenk dan wat voor sfeer je wil benadrukken. Dan komt de techniek het beste tot zijn recht.

Het ‘tell-effect’ bij overdadige show

Een nadeel van show ten opzichte van tell is dat het een groter woordenaantal heeft. Daardoor kan een teveel aan show verzanden in bloemig taalgebruik. Dat kan tegenstrijdig voelen. Show don’t tell is immers bedoeld om de lezer iets te laten beleven en bloemig taalgebruik haalt de lezer door eindeloos gebabbel uit het verhaal.
Maar als je een verhitte discussie omschrijft door te zeggen dat de één een kloppende ader bij de slaap heeft, de ander een rood aangelopen hoofd heeft, een derde zit te knarsetanden en de vierde persoon de vuisten heeft gebald, dan hoop ik als lezer dat er geen twintig mensen in die vergaderzaal zitten…
Teveel gebruik van show kan een ‘tell- effect’ opleveren. Je show is dan misschien geen echte tell, maar het effect blijft hetzelfde. De verbeelding van de lezer wordt niet aangesproken.
Bij een echte tell gebeurt dat omdat het niet nodig is: Ik huil laat weinig aan verbeelding over. Maar als de lezer van al die heethoofden op de vergadering bij moet houden hoe ze hun frustratie uiten, wordt hij ook uit het verhaal gehaald. Hij is nu boze reacties aan het ontleden en tellen, niet meer die vergadering aan het beleven.
Als je show eerder een optellsom wordt (zie je de woordspeling? 🙂 ) dan heb je een ‘tell-effect’.

Tell-effect voorkomen

Je kan het tell-effect voorkomen zonder meteen toevlucht te zoeken tot tell. De heethoofdenvergadering hoeft niet meteen beschreven te worden als: iedereen was laaiend. Combineer show daarvoor met regieaanwijzingen. Vergelijk
“Dat is niet waar,” zei hij met “Dat is niet waar,” schreeuwde hij. Die man is niet in zijn hum. Dan hoef je niet langer een (uitgebreide) beschrijving van zijn gezichtsuitdrukking te geven. Hoe dan ook, als je de lezer wil laten beleven, blijf dan als vuistregel aanhouden: beleving is belangrijker dan omschrijving/ beschrijving. Óók bij show.

Of iemand nu rood aanloopt of schreeuwt, een van deze dingen maakt al duidelijk dat diegene boos is.

Show don’t tell en zintuigen

Zintuigen zijn een gemeen dingetje bij het gebruik van show don’t tell. Over het algemeen kan je zeggen:
* Proeven en ruiken zijn goudmijntjes.
In het dagelijks leven sta je relatief weinig stil bij deze zintuigen. Als je ze omschrijft werkt dat heel beeldend. Pas op dat je niet letterlijk schrijft ik ruik of ik proef dan wordt het alsnog een tell.
De geur van bijtend plastic brandde in mijn neus of De zoete appeltaart leek op mijn tong te dansen werkt dan beter.
* Zien en voelen zijn gevaarlijk.
Ik zie een mooie stoel in de kamer staan. Ruud zag dat Freddy blij was. Dit zijn duidelijke voorbeelden van tell. Als je veilig wil zitten, gebruik dan Ik zie dat…. en ga dan omschrijven: Ruud zag (dat) Freddy’s ogen straalden.
Maar dit voorbeeld is al redelijk grijs gebied. Ga heel goed na wat voor meerwaarde het heeft om het visuele zintuig expliciet te vermelden.

Hetzelfde geldt voor voelen. Ik voel me misselijk leest vlotter als je schrijft ik proefde braaksel in mijn mond.
Ik voel me verdrietig, kun je vervangen door: ik kon wel in huilen uitbarsten en Ik ben duizelig wordt Mijn hoofd begon te tollen.
Als je personage intern iets voelt, zoals hierboven, is ik voel vrijwel altijd een tell. Als er een externe factor het personage iets laat voelen (Harry voelde de hond tegen zijn benen springen of Piet voelde de wind door zijn haar waaien) dan kom je in hetzelfde grijze gebied zoals beschreven bij ‘zien’.

Je moet afwegen wanneer je deze grijze gebieden al dan niet gebruikt voor een goede balans tussen show en tell. Want hoe belangrijk show ook is, tell is niet altijd de grote boosdoener. Hij kan zelfs soms ontzettend nuttig zijn. Lees daar hier meer over.