De observerende schrijver: ik zie… nostalgie

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… nostalgie.

Nostalgie: verrijkend of verlammend

Wegdromen over hoe het vroeger was en hoe het toen beter was. We doen het allemaal wel eens. Het interessante eraan is dat nostalgie zowel verrijkend als verlammend kan zijn. Het kan verrijken als je met de vriendengroep van school van vroeger lacht over de avonturen die jullie toen beleefden. En dat het ergens wel jammer is dat grinniken over het gekke kapsel van de lerares Frans niet meer kan: doe dat nu met je baas en je bent ontslagen. Ach, waar is de jeugdige onschuld toch gebleven? Dat is onschuldig en kan leuke en luchtige situaties opleveren.

Maar zodra je zegt dat het vroeger beter was toen de leraren nog met een klap van de liniaal mochten dreigen, gaat er iets mis. Niet alleen omdat de tijden veranderd zijn en we zulk geweld niet meer goedkeuren. Ook omdat je herinnering aan iets naar verloop van tijd verandert of verkleurd raakt door de manier waarop je nu in het leven staat of naar het leven kijkt.

Als je nostalgisch wordt naar de strenge lerares Frans omdat ‘de mensen tegenwoordig zo soft zijn’, dan verblindt je nostalgie je ergens. Want kan je in alle eerlijkheid zeggen dat je het soms fijn vond om een klap met de liniaal te krijgen? Dat moet enorme pijn gedaan hebben! Je herinnering is verkleurd door de tijd of omdat je het vergelijkt met iets anders, in plaats van dat je naar het gegeven zelf kijkt. Nostalgie wordt dan verlammend, omdat je naar iets verlangt wat niet eens is wat het ooit was. Of datgene waar je over moppert, maakt het heden wel degelijk beter of makkelijker, al is het maar in bepaalde opzichten: “Vroeger was alles beter, want toen zat niet iedereen steeds op de telefoon te kijken.” Vervloekt zij de smartphone die je nu gebruikt om online boodschappen te bestellen en te navigeren in een onbekende omgeving!  

Kijken naar nostalgie

Als je iemand nostalgisch hoort spreken, vraag je dan eens af of het verrijkende of verlammende nostalgie betreft. Verrijkende nostalgie observeert iets van vroeger, en accepteert dat het voorbij is, hoe jammer ook. Verlammende nostalgie wil naar die tijd terug, accepteert niet dat de wereld is veranderd en ziet de nadelen van toen ook niet voor wat die waren.

Deze omgangen met nostalgie zijn handig om op te merken bij het schrijven van je personages. In hoeverre zijn ze bereid of zelfs maar in staat om hun comfortzone uit te komen? Als alles moet zoals vroeger, kijk je niet vooruit, terwijl een held juist vooruít moet gaan. En als je verlamd wordt door nostalgie, kan het zover gaan dat je wat anderen (anders) vinden, als harde onwaarheden afdoet. Wil je een held hebben die alleen helpt als die ander het eens is met zijn persoonlijke waarheid…?
Een held die wordt verlamd door nostalgie zal ook (te) veel moeite hebben met het vallen-en-opstaan-proces. Pas dus op dat verlammende nostalgie niet de overhand krijgt.

Nostalgie kan op verschillende momenten opduiken in verschillende vormen en maten. Kijk eens wat nostalgie oproept bij je personage en hoe het wegdroomt over ‘vroegah’. Hoe denkt en handelt je personage daardoor? Daar kan je meer uithalen dan je misschien denkt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Jon Tyson verkregen via Unsplash.

Schrijfoefening: het succes van een archetype

Er zijn boeken, films en series die generaties meegaan en de tand des tijds bijzonder goed doorstaan. Decennia na hun verschijning wordt er nog over gepraat of heeft het nog een trouwe schare fans. Zou het niet fantastisch zijn als jouw boek ook zo geliefd zou worden? Daarvoor moet je de kern van het succes kunnen ontrafelen. Een manier daarvoor is om de archetypen die in het verhaal spelen, eens goed onder de loep te nemen.

Wat is de functie van archetypen?

Archetypen zijn de gezichten en rollen die mensen en personages kunnen aannemen. In een verhaal als geheel, of in een bepaalde scène. Lees daar hier een inleiding over. Archetypen zijn een makkelijker manier om personen te kaderen in hun manier van doen, maar ze hebben nog een andere handige functie. Je kan ze namelijk ook zien als zien als tropes, die twee kanten van de spreekwoordelijke medaille in zich dragen. Zo zal een archetype zorger graag iemand helpen, maar de keerzijde daarvan is dat diegene misschien te veel waarde hecht aan het idee de helper te zijn, of doorslaat in het helpen en daarbij macht wil over de ander: niet langer helpen, maar controle uitoefenen.
Zo kan je archetypen niet alleen als losstaande trope zien, maar ook als bouwsteen om een complete en diepgaande heldenreis mee op poten te zetten. De zorgzame zuster krijgt bijvoorbeeld als centraal conflict mee dat ze moet leren dat ze óók nog (eigen)waarde heeft als ze niet kan helpen.

De ene kant maakt de andere

Het handige van archetypen bekijken als een gegeven met twee kanten, is dat die meestal niet zo vergezocht zijn en je dus relatief makkelijk kan raden wat de kanten (grofweg) zijn. Je intuïtie weet meestal wel waar je het antwoord moet zoeken. Als de ‘onschuldige’ altijd maar het veilige opzoekt, dan zal die in paniek raken bij gebrek aan controle (het bekende is immers veilig). En de Schepper zal wegkwijnen als die de creativiteit niet kwijt kan, of liever: geen veilige plek heeft voor expressie. Dan heb je een (centraal) conflict als die door iemand steevast de mond wordt gesnoerd wordt. Dat hoeft dan niet per se kritiek op de schilderkunst van je personage te zijn. Met die ene én andere kant kun je zo spelen om een sterk plot voor je verhaal te bedenken met genoeg balans tussen ‘goed’ en ‘slecht’ .

De kracht van archetypen

Archetypen zijn ontzettend bruikbaar omdat ze zo universeel zijn. Personages in een boek moeten een (of een klein aantal) archetypen wel extra sterk benadrukken, maar het zijn geen zaken die je als geheel onbekend zijn. Zelfs als je doorgaans braaf bent, en dus zeker niet het archetype Boef, dan heb je ongetwijfeld alsnog ooit het gevoel gehad dat je ergens in beperkt werd, en joeg je een gevoel van vrijheid na.
In dat opzicht zit ieder archetype in ieder mens. Het is dus zoeken naar die eigen ervaringen om ze volgens een soort uitgezoomd ‘own voice‘- principe een universeel verhaal te schrijven. Universele verhalen die zo herkenbaar en dus ook mooi zijn omdat we allemaal het schuitje kennen waar we met zijn allen wel eens in gezeten hebben of zitten. Dat is de kracht van op deze manier kijken naar of werken met archetypen: je schrijft altijd wel iets herkenbaars. Niet omdat je hoopt dat iemand een specifieke gebeurtenis heeft meegemaakt, maar omdat je erop rekent dat iemand zich ooit zo gevoelt heeft (in een bepaalde rol).

Oefening voor het opschrijfboekje

Nu je dit weet, is het een leerzame schrijfoefening om eens te kijken wat dan een ‘echte klassieker’ maakt. Hoogstwaarschijnlijk zitten er in het verhaal een aantal archetypen verstopt die niet alleen universeel zijn, zoals ‘gebruikelijk’, maar omdat daarmee ook grotere levensvragen worden verkend. Het is niet langer alleen een onbeantwoorde liefde, maar het verhaal vertelt ook erg rauw wat het betekent om die liefde te verliezen, of zonder liefde door het leven te gaan. Kijk eens of jij de diepgang van je favoriete klassieker kan ontrafelen aan de hand van de prominente archetypen in het verhaal.
Waarom is dit verhaal of personage zo diepzinnig? Of juist geen dertien in een dozijn, terwijl het dat op het eerste oog wel zo lijkt? Is dat omdat de zorger uit liefde denkt te handelen, terwijl het dat doet met het uitvoeren van controle?

Om je op weg te helpen, zijn hier wat vragen waarop je het antwoord kan zoeken:

  • Waarom worstelt juist de Wijze met zich niet genoeg voelen voor iemand, of een hoger doel?
  • Wat zou er gebeuren als de Held zijn (spreekwoordelijke) superkracht verliest? Hoe kan die dan nog groeien?
  • Waar zoekt de Minnaar écht naar? Lust of connectie? Ziet die dat verschil überhaupt en hoe handelt die ernaar?
  • Waarom wil de Magiër zo graag een stempel op iets drukken met behulp van macht? Wat voor gevolgen heeft dat? (Perkamentus uit Harry Potter is hier een goed voorbeeld van, zie daarvoor: ‘Harry potter en de relieken van de dood’, het laatste deel van de boekenreeks.)
  • Als de Boef naar vrijheid zoekt, breekt hij regels om dat te bereiken. Welke regels en codes zijn hem nog wel heilig? Is dat uit naam van iets niet opgelegd willen krijgen, of schuilt er nog iets achter? Wat dan?
  • Romeo in film X is oppervlakkig omdat hij alleen op uiterlijk valt. Romeo uit film Y doet dat ook, maar krijgt als conflict dat hij op intieme momenten ( nog) steeds aan zichzelf twijfelt. Wat zegt dat over hoe deze Romeo (zelf)liefde ervaart?
  • De Heerser wil diep vanbinnen ergens bij horen. Daarom is hij in boek X zo doodsbang om iemand te verliezen. Hoe compenseert hij dat en hoe prikt een ander personage daar misschien doorheen? En op welk moment?
  • Waarom is deze Held zo heldhaftig? Wat heeft hij voor spreekwoordelijke schaduwen moeten doorstaan om nu zo stevig in de schoenen te staan?

Als je die observaties meeneemt in je eigen verhaal, is de kans groot dat je een echte pageturner neer kan pennen!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Дмитрий Хрусталев-Григорьев via Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… (wan)hoop

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… (wan)hoop.

Hoopvol of vastklampen aan hoop?

Hoop is een vreemd verschijnsel. In een prettige context kan het datgene zijn wat je motiveert om iets te bereiken. In een meer benarde situatie is het nog steeds een houvast, maar dan wordt het gevoel eromheen al een stuk grimmiger: het laatste sprankje hoop is er omdat het er moét zijn om iets vol te houden. Dan voelt het al heel anders dan dat optimistische gevoel dat je binnenkort vast wel een mooie promotie gaat maken.

Hoe dan ook is hoop iets wat je ertoe beweegt om ervoor te gaan of om dóór te gaan, ongeacht de omstandigheden. Let er eens op hoe je hoop bij mensen ziet. Denk aan dingen als:

  • Niet opgeven en blijven proberen.
  • Motiverend blijven praten: “Je/ ik kan het!” “Rome is ook niet in één dag gebouwd.”
  • Iets proberen waarvan de kans van slagen klein is, zoals een loterijlot kopen.
  • Houding: loopt iemand met een (hoopvolle) rechte rug, of gaat diegene gebukt (misschien wel letterlijk) onder een ‘als-dit-niet-lukt-zie-ik-het-niet-meer-zitten-maar-het-moet-wel’-houding?

Zo kan je een personage unieke maniertjes en karaktertrekken geven door te kijken naar hoe diens relatie met hoop is.

Hoop behoud, vergaar of verlies je meestal al naar gelang hoe vaak je iets tegenzit of voor de wind gaat. Daarom kan je spreken van een tienpuntenschaal voor hoop. Het is handig om te weten waar op die schaal je held zich bevindt. Dan weet je ook hoe je de comfortzone realistisch op de heldenreis kan afstemmen: je held moet wel hoop hebben dat iets goed kan komen, anders is het vertrouwde verlaten voor het onbekende vaak te eng.

Wanhopige momenten

Dan is daar de tegenhanger: wanhoop. Die komt iedere held tegen in een verhaal, tijdens de crisis, Dat moment waarop de aarde onder de voeten verdwijnt. De een laat wanhoop blijken door te paniekeren, de ander wordt kwaad of bevriest. Kijk ook eens of die wanhoop zich naar binnen of naar buiten keert: krijgt iets of iemand anders de volle lading: “Het komt door … Als dit nu niet gebeurd was, dan…”  of krijgt je held last van verlammende interne monologen? “Ik weet niet wat ik moet doen?” “Help, ik ben zo onbekwaam!”
Wanhoop is van zichzelf heftig, maar ook dat komt in verschillende gradaties. Van het relatief onschuldige paniek – wanhopig op zoek naar je paspoort rommelen in je tas als je snel naar het vliegveld moet vertrekken –  tot iets extreems als een uitzichtloze depressie, omdat het leven zo wanhopig is dat het uitzichtloos lijkt. Zeker heftigere wanhoop komt in stappen, gaat er een verhaal aan vooraf. Kijk eens goed naar de eerder genoemde tekenen van verdriet, of woede of… zo weet je niet alleen een goede crisis te schrijven, als het moment daar is, maar ook de aanloop daar naartoe. Vergeet niet te bedenken naar welke vrienden je held al dan niet stapt of durft te stappen en wat dat met de beleving en mate van wanhoop doet.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Road Trip with Raj verkregen via Unsplash.

Zo wordt een regieaanwijzing een show don’t tell

Regieaanwijzingen zijn de manieren waarop je beschrijft hoe een personage praat, loopt, eet… Meestal zijn die niet zo veelzeggend en dienen ze vooral om te voorkomen dat je tig keer ‘zei ze’ ‘zei ze’ opschrijft. Maar soms, als de context een handje helpt, kan een goede regieaanwijzing een hele scène aanvullen of bepalen.

De meerwaarde van een regieaanwijzing

Een regieaanwijzing is net zo handig als hij riskant is. Overdaad schaadt, maar gebruik je hem goed, dan kan hij het verschil maken tussen een droge en heel erg levende tekst. De regieaanwijzing heeft hoe dan ook als voornaamste functie om een tekst levendig te maken. Van eindeloos lezen hoe een personage iets zegt, wordt een lezer niet blij. En als die ook eens een keer kan schrokken of knagen in plaats van ‘gewoon’ eten of een hap nemen, is dat wel zo fijn voor de beleving. Dat scheelt namelijk ook in het woordenaantal: ‘Hij schrokte zijn eten op.’ scheelt op den duur nogal met het uitgebreidere: ‘Hij viel hongerig op de boterham aan en at die met grote happen op.’

Show don’t tell in omschrijvingen en regieaanwijzingen

Zoals je hierboven misschien al opgemerkt hebt, heeft een regieaanwijzing van zichzelf ook een bepaalde mate van show don’t tell in zich. Je eten opschrokken gaat met meer intensiteit dan gewoon een hap nemen. Daarom werken ze heel goed om snel iets te verduidelijken. Gebruik je een regieaanwijzing zowat om iedere andere zin, dan wordt het erg vermoeiend om nog door te lezen: als je moet toekijken hoe iemand continu schreeuwt of sprint, is dat geen pretje. Daarom kan je maar beter de vuistregel aanhouden dat een regieaanwijzing geen goede manier is voor een show don’t tell. Tenzij je personage op een kruispunt staat wat betreft hetgeen er gebeurt en de reactie van de held bepalend is voor hoe die de scène of de sfeer ervan beleeft.

Karakter van het moment

Een personage heeft een heel eigen karakter. Zo zal het bijvoorbeeld makkelijk zijn mond opentrekken, of niet. Een meer vocaal personage zal dus niet aarzelen om “En wat dan nog?” te zeggen als het iets niet aanstaat. Die uitspraak getuigt van zichzelf ook al van lef. Toch?
Dat lijkt zo, maar dat hangt af van het moment. Want het kan inderdaad een antwoord zijn dat de held geeft op het moment dat het kritiek krijgt op het feit dat die zo vaak op de bank hangt.
Maar als het al een hoop ellende heeft doorstaan en er iemand naar de held toekomt met de boodschap: “Je moet in actie komen, anders ben je straks te laat voor de bus naar het personeelsuitje.”
Dan kan het personage ook iets denken als: wat kan mij het schelen? Een personeelsuitje dat niet doorgaat versus een geliefde die net ernstig ziek geworden is. Of: ik mag mijn collega’s toch niet.

Met andere woorden: waar iets op het ene moment overduidelijk naar iets lijkt te verwijzen als een show don’t tell, kan het op een ander moment, of in andere omstandigheden iets heel anders betekenen. Op zulke momenten kan een regieaanwijzing een goudmijntje zijn waarin je in een enkel woord een schat aan informatie bloot kan leggen.

Casus: indruk maken

Je schrijft over een verlegen jongen die al een hele tijd indruk wil maken op een meisje. Hij besluit daarom om zich heel anders te kleden dan normaal, in een stijl waarvan hij weet dat zij die mooi vindt, maar hij zich ongemakkelijk in voelt.  Het meisje merkt op dat de jongen zich op een dag in een veel stoerder vestje heeft gehesen:
“Hé, Ralf, wat heb jij ineens voor andere kleren aan?”
In Ralfs hoofd gaan nu tien alarmbellen tegelijk af. Vind ze het mooi? O help, ze praat nu ineens tegen me. Doet ze anders nooit. Is ze geïnteresseerd in mij of is dit toch een manier om mij proberen te jennen? Ze blijft populair, in films  zijn die meiden gemene types…
Wat eruit komt is: “Wat bedoel je daarmee?”
De lezer weet al wat er door Ralfs hoofd gaat, dat heb je net beschreven. Maar een enkele regieaanwijzing kan nu laten zien hoe Ralf daar uiteindelijk mee omgaat.
“Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij behoedzaam.
of: “Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij uitdagend.
Maakt hier een heel groot verschil. Het verschil tussen Ralf die verlegen, doch kwetsbaar is, waardoor een voorzichtige gesprekopening kan ontstaan en een Ralf die snibbig wordt in de hoop maar niet door de mand te hoeven vallen. Dat zou het meisje zomaar eens kunnen afschrikken.

Maar nog buiten hoe het meisje reageert: dit leert je veel over Ralf: als hij een conflict aan moet gaan, durft hij dan zijn comfortzone te verlaten? Welke wapens pakt hij op om dat alsnog niet te hoeven doen?
Als hij het meisje inderdaad afsnauwt, wat zegt dat dan over de verlegen Ralf die de lezer dacht te kennen? Wat schuilt er nog meer achter? Waarschijnlijk genoeg om gedurende de rest van het boek nog veel meer over uit te wijden. En, minstens net zo belangrijk: deze ene regieaanwijzing is waarschijnlijk effectiever dan een scène van honderden woorden, waar je datzelfde misschien eerder dwangmatig met sfeeromschrijvingen duidelijk zou proberen te maken.

Wil je op deze manier het meeste uit je regieaanwijzing halen, kijk dan dus niet alleen naar de gebruikelijke tienpuntenschaal waarin fluisteren 1 is en bulderen 10, maar ook naar woorden die net iets anders betekenen iets vanuit een andere invalshoek benaderen. Wie weet wat jij en de lezer op deze manier te weten komen over een scène of een personage vanuit een onverwachte, maar hele mooie hoek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Mel Lituañas op Unsplash

De observerende schrijver: ik zie… een wereldkaart

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…een wereldkaart.

Waar hangt de wereldkaart?

Waar hangt de wereldkaart die je op dit moment (voor je) ziet? In je huis als decoratie, of is het de wereldkaart van de basisschool? Welke van de twee het ook is, de kans is erg groot dat je associatie van de ene, heel erg verschilt van de andere. De wereldkaart in huis dient als decoratie. Die in de klas doet je eraan herinneren hoe vreselijk het was om op de basisschool topografie te leren en al die landen en hun hoofdsteden erin te moeten stampen.

Dacht je zelfs maar aan de andere optie toen je de titel van dit artikel las? De kans bestaat dat dat niet zo is, omdat een saaie topografieles een wereld van verschil is in vergelijking met de associatie van een fijne reis. Dat is de oefening bij deze observatieles. Soms moet je je bij observeren beseffen dat je beeld compleet vertekend kan zijn vanwege de ruimte die op dat moment van toepassing is (of de sfeer, of het gezelschap of…). Datgene dat jij op dat moment door een bepaalde bril observeert vanwege bepaalde associaties die lastig uit te schakelen zijn.

Je bril afzetten tijdens observeren

Het vervelende van observeren is dat het trekken van bepaalde conclusies of het leggen van bepaalde verbanden zo snel gaat, dat het simpelweg niet te stoppen is; het gebeurt in milliseconden. Helemaal neutraal observeren is dus bijna onmogelijk. Het goede nieuws is dat je als schrijver waarschijnlijk een opschrijfboekje hebt. Dit is een goed moment om dat er eens bij te pakken!

Schrijf het kernwoord boven twee kolommen. In dit geval is dat wereldkaart, maar doe dit gerust met alles wat tot jouw verbeelding spreekt. Schrijf in de eerste kolom: “Plaats” en in de andere “Dit voel ik”.
Schrijf in de kolom plaats niet alleen de vanzelfsprekende dingen (‘klaslokaal’ of ‘aan de muur thuis’), maar bedenk ook één of twee aparte plaatsen (voor een wereldkaart) de supermarkt, of in de onderwatertuin van het zeepaardje in het aquarium, wat er maar in je opkomt. 
Vul daarachter in de bijbehorende kolom wat je daarbij voelt. Ga je giechelen vanwege het idiote idee dat de wereldkaart daar zou hangen? Of word je verdrietig bij het idee dat de wereldkraskaart die jij als fervent reiziger hebt, onder de kast stof ligt te verzamelen?

Natuurlijk kunnen hier complete verhaallijnen uit ontstaan. Schrijf die zeker op, als dat zo is!
Maar voor deze observatieoefening moet je dat niet doen. Sterker nog, je moet er juist afstand van nemen. Waar je in die eerste milliseconden van observeren niet anders kon dan conclusies trekken, ga je die conclusies nu juist loslaten met behulp van je opschrijfboekje.

“Blegh, topoles?” Maar de wereldkaart zelf geeft de les niet, dat doet de juf nog altijd. Met andere woorden: wat zie je nu echt en wat vult je verbeelding in of aan? Je ziet alleen de wereldkaart. En misschien de boekenkasten in het klaslokaal en de lessenaars.

Als je observeert op deze ‘onthechte’ manier, kan je daar de carte blanche mee krijgen die je soms nodig hebt om niet te hard van stapel te lopen met (sfeer)omschrijvingen of associaties met bepaalde voorwerpen. Dat is soms nodig om de lezer mee te kunnen nemen in jouw leefwereld en daarmee die van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Afbeelding verkregen via Unsplash, fotograaf Jack Stapleton

Woorden met een verborgen waardeoordeel- praktijk

Je hebt een personage met een (karakter)eigenschap waarmee die onrecht al op voorhand met 1-0 achter lijkt te staan. Hoe werk je dit personage uit zonder dat deze eigenschap al het andere wat er speelt compleet overschaduwd?

Niet slecht bedoeld, maar toch…

Vorige week schreef ik al een inleiding over dit principe: het idee dat als een personage arm, lelijk, dom of minder sociaal is, het in meer of mindere mate al afgeschreven is, zonder dat er gekeken wordt naar wat het nog méér is.
‘Afgeschreven’ betekent hier zowel ‘niet meer belangrijk’, maar ook: ‘niet de moeite om nog verder uit te werken’. En allebei de keren vanwege het idee dat die woorden zodanig taboe zijn, dat iedereen – inclusief je lezer- bewust of onbewust in meer of mindere mate denkt dat dat personage niet interessant meer kan zijn of iets belangrijks te vertellen heeft.

Harder knokken

Om dit interessante personage alsnog het welverdiende podium als hoofdpersoon of tijdelijke schijnwerpers als medepersonage in een hoofdstuk of scène mee te kunnen geven, moet het harder knokken. Daar komt het simpel gezegd op neer. Eenvoudig voorbeeld: er zijn twee sollicitanten die allebei even bekwaam zijn en evenveel relevante werkervaring hebben. De werkgever nodigt hen uit om allebei een week mee te draaien om zo de knoop door te hakken. De knappe sollicitant heeft dan toch een streepje voor. De lelijke moet net iets harder moeten werken om die baan te krijgen: net iets meer doorzettingsvermogen laten zien, meer werk gedaan krijgen…

Laat de held echt gewoon lelijk/dom/ sociaal onhandig of arm zijn. Kijk alleen goed wanneer je personage echt last van deze eigenschap heeft en hoe het zich daar alsnog ‘omheen weet te werken’. Dat is niet rechttoe rechtaan een strijd aangaan, maar wel eentje die minstens net zo zwaar is vanwege alle omwegen. Daardoor zal die strijd minstens net zo spannend zijn! De allereerste voorwaarde is dat je nooit gaat overromantiseren: dom of lelijk zijn is niet ineens wenselijk aan het einde van verhaal zodat je personage alsnog een soort medaille krijgt waar dat eerst nog iets ongemakkelijks of zelfs ronduit ongewenst was, dat zou krom zijn.
Kijk vervolgens waar je personage voor moet knokken.

Meer mens dan personage

Nog meer dan anders moet je naar dit personage kijken als een mens. Als schrijver kijk je vaak naar personages die een bepaalde archetype vertegenwoordigen en dus bepaalde dingen moeten vinden, doen of overwinnen. Wel zo overzichtelijk voor je save the cat schema en centraal conflict. Dus, heb je een zorgzaam personage nodig? Dan maak je daar gemakshalve een verpleegkundige van die meer voor zichzelf op moet leren komen. Bij een personage dat een waardeoordeel tegen zich heeft, mag je niet zo simpel denken. Denk nu meer in termen als ‘een mens zich zomaar niet laat kneden’ of ‘je mag niet in hokjes denken’. Dat betekent dat je die eigenschap dus ook niet ergens bovenaan de kenmerken van je personage mag zetten.

Als je een zorgzaam personage bedenkt, denk je waarschijnlijk iets als:
1) zorgzaam
2) geduldig
3) verpleegster

Bij een personage dat met een vervelend waardeoordeel te maken heeft, moet je eerder denken:
1) behulpzaam
2) enthousiast
3) stijve hark
4) gek op dieren
5) Ajaxsupporter
6) achtbaanfanaat
7) dom

Als een kenmerk in je verhaal niet de boventoon mag voeren, mag het dat ook niet doen in je aantekeningen.

Wanneer maakt het uit en waarom?

Een kenmerk met een waardeoordeel is pas belangrijk wanneer het personage er zelf ook daadwerkelijk last van heeft. Stel dat je een personage hebt met een IQ van 65. Het heeft dus moeite met leren, maar kan wel gewoon prima functioneren als ober in een restaurant; in het praktijkonderwijs is dit personage daarvoor is opgeleid en heeft het een certificaat voor oberen gekregen. Verder is het leven goed. Dan maakt het ‘dom zijn’ van dit personage niets uit en kan je het vanwege het waardeoordeel beter niet noemen. Voor je het weet is deze lieve ober of ‘te dom om te ertoe te doen’ of ‘moet die gered worden van het waardeoordeel van dom zijn’ terwijl er niets te redden valt in een verder gelukkig en goedlopend leven.

Heeft dit personage vanwege een lager IQ zodanig veel moeite met dingen onthouden of met hoofdrekenen dat het daardoor als ober in de knel komt met afrekenen of bestellingen rondbrengen, dan is het het noemen waard, omdat het personage er zelf last van heeft. Maar dan heb je dus ook een passend conflict om uit te werken.

Als het dan wel uitmaakt: het Riketeffect

Zodra je personage wel in de knel komt met een minder gewenst kenmerk, moet je als eerst kijken naar de 1-10 schaal waarop het kenmerk daadwerkelijk een hinder vormt. Controleer goed of die schaal nog past in je context. Iemand met een 3 op de schoonheidsschaal moet je geen model proberen te maken, dat komt enkel geforceerd over.
Maar stel dat onze Romeo merkt dat hij met zijn 4 niet mooi genoeg is om indruk te maken op Julia en dat ook echt zo is: Julia vindt hem lelijk en kan zich daar niet overheen zetten. Gelukkig kan je Julia zodanig goed en realistisch uitwerken (hint!) dat ze niet zo’n wicht is dat ze Romeo daardoor geen blik waardig keurt. Als Romeo dan de kans krijgt om te laten zien dat hij wel grappig, behulpzaam, empathisch is. Alles wat Julia’s ex Zacharias die haar zonder pardon dumpte om in New York een modellencarrière na te jagen niet was. Dan kan Julia alsnog op (deze) Romeo vallen. Lekker cliché, zo oud dat die premisse zelfs in een eeuwenoud sprookje voorkomt: dat van Riket met de kuif. Dit ‘Riketeffect’ is een belangrijke les voor je schrijftechniek als je met waardeoordelen gaat werken: als iets wat er echt toe doet en wat wenselijk is uiteindelijk op de voorgrond komt en dat goed uitwerkt, doet het minder wenselijke aspect er niet meer toe, zonder dat je je in allerlei gekke bochten hoeft te wringen, of geforceerd of politiek correct hoeft te schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Zapata op Unsplash.

De observerende schrijver: ik zie… authenticiteit

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie…authenticiteit.

Is het wel echt authentiek?

Authentiek is een gek woord, in zoverre dat het begrip authenticiteit iets is wat we in sommige situaties erg belangrijk of mooi vinden, maar dat we als we ‘authentiek’ zeggen, vaak iets anders bedoelen. De Van Dale houdt het eenvoudig: authenticiteit = echt. Maar hoe vaak hoor je niet dat iemand heel ‘authentiek’ is, als diegene extravert, zachtaardig of op een positieve manier anders is dan anderen? Dan bedoelen we meestal dat diegene niet doet wat volgens de (sociale) norm normaal is, maar doet, zegt of zich kleedt zoals die zelf wil: er wordt geen masker opgezet.
Normaalgesproken hoef je je niet zo strak aan de Van Dale te houden: dan wordt praten en schrijven erg vermoeiend. Maar voor de observerende schrijver is er een belangrijke valkuil bij het niet volgen van deze definitie van Van Dale. Neem iemand die zich ‘authentiek’ uit door met weloverwogen woorden te spreken, om zo echt te delen wat die op het hart heeft. Daar zit meteen de crux: dat kan zo lijken, maar zeker weten doe je het niet: wie weet staat diegene wel onder druk om vooral niet snel en ‘lomp’ de gedachten te verwoorden.
Klopt, de kans is klein, maar de kunst van zuiver observeren is dat je opmerkt wat je enkel en alleen ziet. Wat je invulling is, komt daarna pas.

Authenticiteit observeren

Het zal je dan waarschijnlijk ook niet verbazen dat zuivere authenticiteit observeren lastig kan zijn. Iemand kan aan de kant blijven staan en niet meedansen bij een spontane flashmob. Dat maakt diegene die dat wél doet niet meteen authentiek. Het kan gewoon betekenen dat de toeschouwer niet van dansen houdt. Misschien glimlacht diegene bij een compliment, al is dat dan niet meteen van oor tot oor. Voor deze meer verlegen persoon is dat zo authentiek als maar zijn kan.

Net als bij het observeren van liefde is authenticiteit observeren erg specifiek en moeilijk en vergt het tijd om het goed te leren. Voor authenticiteit zelf is er geen echt checklijstje, omdat ook dat observeren alleen gaat als je er een min of meer eigen definitie bij hebt. Om die eigen definitie te vormen, kunnen de volgende vragen je wel op weg helpen:

  • Wanneer vond ik iemand nep of zag ik iets wat ik nep vond? Waarom was dat?
  • Hoe snel komt de ‘authentieke reactie’? Als je intern veel dingen moet overwegen, of bedenkt of iets wel of niet mag of hoort, is het al snel niet meer authentiek, eerder berekenend.
  • Doet/ zegt diegene dit in het openbaar? Dan is de kans groter dat dat ook authentiek is: we doen relatief snel minder authentiek als Jan en alleman ons kan zien, omdat dat niet iets is wat hoort, of waar je je zelfs voor moet schamen.

Langzaam maar zeker kom je er dan achter wat jij het verschil vindt tussen authentiek en spontaan, wijs, extravert, vrijgevochten, of… en dat kan je dan weer met een eigen schrijfstem uitwerken om zo interessante en unieke personages te schrijven.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Brett Jordan verkregen via Unsplash.

Woorden met een verborgen waardeoordeel- theorie

Er is een handjevol woorden die je voor het beschrijven van een persoon kan gebruiken, maar waarbij dat nooit gebeurt, omdat alleen de implicatie daarvan al ongewenst is, is mij opgevallen. Specifieker: je gebruikt hun antoniem met een extra toelichting om te benadrukken wat je zéker niet bedoelt. Daardoor krijgen deze woorden onbedoeld een waardeoordeel. Het is de moeite waard om daar eens naar te kijken, omdat het een accurate beschrijving van een personage en de leeservaring van je lezers in de weg kan zitten.

Wat ben je..!

De woorden waar ik op doel, betreffen allemaal (karakter)eigenschappen van een persoon. En wel van het soort waarvan we het er over eens lijken te zijn dat het ene – in meer of mindere mate- minder gewenst is dan de tegenhanger:

* Arm-rijk
* Dom-slim
* Lelijk- mooi
* Verlegen- sociaal

Om een belangrijk punt te verduidelijken: de eerste eigenschappen in de rijtjes zijn niet per se slecht. Vergelijk ze maar eens met: zachtaardig- kwaadaardig of onzelfzuchtig-egoïstisch. Dat is andere koek, toch? En toch… Als je zou zeggen:
“Zij is arm,” dan is dat een taboe, of erger: dan zou de mening van diegene niet meetellen. Terwijl je waarschijnlijk niet eens weet hoeveel geld diegene precies heeft, of wat de spreker misschien überhaupt onder ‘rijk zijn’ verstaat.
“Ik vind haar niet mooi.” Noemde je haar zonet lelijk? Wat lomp! (Op een schaal van 1-10 vind ik 10-8 mooi en 4-1 lelijk, zij is een 6.)
“Ik vind hem niet slim.” (Nee, ik zeg niet meteen dat hij een IQ van 60 heeft, ik bedoel dat hij niet snel met eigen ideeën komt en eerder vaak die van anderen overneemt.)
“Hij heeft moeite met sociale vaardigheden.” (Ja, dan heeft hij moeite met contact maken, maar dat wil hij dan misschien alsnog heel graag en kan hij dat ook – hetzij met meer moeite-. Hij is niet onmiddellijk een mensenschuwe kluizenaar.)

dan heb je een probleem, want o wee als je iemand niet noemt wat we grofweg allemaal na (moeten) streven te zijn. Natuurlijk zijn de waardeoordelende woorden zelf redelijk direct en kunnen ze dus kwetsend zijn. Maar toch, als men zelfs maar denkt dat je het woord uit het tweede rijtje bedoelt…’We gebruiken het antoniem, of we praten er helemaal niet meer over.’ En dat is het probleem waar ik naar ga kijken: het wel alsof er voor deze woorden niet zozeer een schaal van 1 tot 10 lijkt te zijn, als wel een schaal van 1 of 10. De nuance lijkt weg.

Wat is jouw vriend lelijk, zeg!

En bedankt… Laten we eerlijk zijn, als jouw geliefde inderdaad de eerder genoemde 4 is, zou je misschien willen dat hij een vijfje of misschien zelfs een 7 zou zijn, maar uiteindelijk is het wel je geliefde en dat is niet voor niets zo. Dan scoort hij wel mooi een 8 of 9 op dingen als doorzettingsvermogen, empathie en slimheid. Al met al lijkt me dat dan best een mooie vent ;).
En dat lijkt men bij de vier woorden met waardeoordeel (arm, dom, lelijk en sociaal onhandig) niet meer te beseffen. Dat andere mooie eigenschappen dat kunnen compenseren, of dat -bijvoorbeeld- lelijk zijn je niet meteen een slecht of minderwaardig mens maakt. Maar kijk eens naar Robert Hoge. Je zou hem uitgesproken lelijk kunnen noemen, maar hij heeft ook humor, zelfvertrouwen en iets heel interessants te vertellen. Zou je deze man uit een vriendenkring jagen, alleen vanwege zijn gezicht, als/nu je dat weet? Hopelijk niet…

Maar nu de lezer nog…

Het is maar goed dat je tijdens het schrijven van een verhaal niet zo’n preek af kan of mag steken zoals ik hierboven doe. Dat zou ten koste gaan van de verhaalbeleving in het algemeen: show verdwijnt, tell krijgt de overhand, en de comfortzone en/of het centraal conflict zou van hot naar her gaan:
“Nu moet je oké worden met lelijk zijn. Wat doet dat eigenlijk met je? O God sta je bij, daar komt de draak aan. Snel, pak je schild op, voordat je geroosterd wordt! Zo… nu die draak uit de weg is: hoe voelt het voor je om in de spiegel te kij… O help, daar komt het boze broertje van de draak aanzetten! Je schild, waar is je verdraaide schild ineens gebleven?!”
Maar wat als je je personage dan ‘gewoon’ lelijk, sociaal onhandig of niet zo slim wil maken, zonder dat dat het hele verhaal bepaalt of een eendimensionale trope in de hand werkt? Waarschijnlijk moet je de lezer dan alsnog eerst ervan overtuigen dat deze eigenschappen er ook onvoorwaardelijk mogen zijn, gezien de sterke aanwezigheid van de 1 of 10 schaal.

Om te beginnen werk je daarvoor met het principe van ‘kiezen voor de massa‘ zoals je dat ook gebruikt bij een personage met minderheidskenmerken. Maar in het geval van een kenmerk met een waardeoordeel heb je met nog wat meer mitsen en maren en afwegingen te maken. Volgende week ga ik daar uitgebreider op in, maar in het kort moet je letten op:
* Hoe sterk is het waardeoordeel (in deze setting?)
* In hoeverre heeft je personage er zelf hinder van?
* Laat het kenmerk aan bod komen op het moment dat er iets anders kan ‘afleiden’.
* Ga het kenmerk niet overromantiseren. Iemand die lelijk is, kan dan wel een mooie ziel zijn, maar ga dan niet zover dat je ook de nadruk legt op hoe de vreselijke littekens ineens een visueel prachtige (symbolische) weerspiegeling zijn van alles waar diegene in het leven voor gevochten heeft. Dan zou je vergeten dat lelijkheid, hoewel misschien niet gewenst, van zichzelf niets kwalijks of slechts is. En daar deed je het net voor…

In feite gaat deze theorie niet alleen op voor arm, lelijk, dom, of sociaal onhandig. Het geldt ook voor alles waar een zeker taboe op rust als iemand iets (aangeborens) is of heeft wat die liever niet zou zijn als de keuze aan hen lag. Iets wat je desondanks geen slechter mens maakt, of waar je niets aan kan doen. Ken jij nog zo’n eigenschap waarbij er een schaal van 1 of 10 lijkt te bestaan? Laat het me weten in de reacties!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jane Almon verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… donderwolken en zonneschijn

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… donderwolken en zonneschijn.

Het zonnetje in huis en daarbuiten

Ken je het verschijnsel dat alles en iedereen mooi, lief en goedgemutst is als je vrolijk bent, maar dat de wereld vol lijkt te zijn met gemene, lelijke en chagrijnige mensen als je zelf ook niet in je beste doen bent? Dat effect noem ik het spiegeleffect. 
Wat kan je met het feit dat een vaststaand gegeven (je humeur of het weer) de manier kleurt waarop je dingen observeert?

Heerlijk weertje vandaag, hè?

Het is niet voor niets zo dat in boeken de reünie met de verloren gewaande vriend een fantastisch zonnetje als achtergronddecor heeft. Als het alsnog met bakken uit de lucht valt, dan kan je er de donder op zeggen dat die vriend in de tussenliggende jaren van alles en nog wat uitgevreten heeft en nu ineens komt opdagen om je held iets af te troggelen. Het weer is een effectieve manier om snel een sfeer duidelijk te maken een soort algemeen gereedschap om het spiegeleffect te bewerkstelligen. In het echte leven gaat het ook op.  

Natuurlijk is iedereen vrolijk als de zon schijnt na vier maanden regen en zoekt men massaal een plek om te schuilen bij een plotselinge stortbui. Maar wat zie je bij meer ‘neutrale’ weerdagen, zoals een doodgewoon buitje in het wisselvallige Hollandse weerbeeld? Of bij iets als sneeuw, waarbij kinderen uit hun dak gaan vanwege de sneeuwpret, maar de zure buurman klaagt over de kou? In hoeverre is het weer dan nog van invloed op de algemene gemoedstoestand? Kijk eens wat je opmerkt. Daar kan je een testje aan koppelen: bedenk hoe een willekeurige voorbijganger op straat zou reageren als het plotseling zou gaan waaien of er een regenboog zou verschijnen.

Als je op deze manier het meteorologische weer kan ontleden, helpt dat met het observeren van je eigen buien en zonnige momenten. Of om die van anderen te zien of te raden.  

De donderwolk boven je hoofd

Als je zo’n dag hebt waar het alles en iedereen lelijk, gemeen en vies is, is het een hele kunst om nog iemand te zien lachen in een menigte. En als je dat doet, denk je waarschijnlijk iets als: wat valt er te grijnzen, jolige flierefluiter? De laatste mooie trui in de uitverkoop is net voor mijn neus weggegrist en iemand sneed me op weg naar de parkeerplaats. Dat zal jij wel geweest zijn, allebei de keren…

Of het tegenovergestelde idee, als je supervrolijk bent.

Als je niet vies bent van mindfulness, zijn zowel je slechtste als je mooiste momenten ideale gelegenheid om daarmee te oefenen, vanwege het uitgesproken spiegeleffect wat dan speelt. Is dat niet zo je ding, probeer om dan in een meer neutrale bui in een mensenmassa te ontdekken wie er op dat moment een ‘versterkte spiegel’ heeft. Waar zie je dat aan? Aan iets duidelijks als: ‘het breed grijnzende meisje groet de winkelbediende zeer hartelijk’ of: ‘de boos telefonerende passagier snauwt de buschauffeur af’ of zie je het óók aan iets relatief kleins als de manieren van lopen, lichaamshouding of de gefronste wenkbrauwen waarmee iemand naar diens telefoon kijkt?

Op deze manier oefenen met het spiegeleffect helpt je om neutraler te leren observeren, meer oog voor detail te krijgen en de waarheid van je personage goed op papier te krijgen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Niklas Weiss verkregen via Unsplash.

Een figurant uitwerken: waarom, wanneer en hoe?

De figurant: dat personage dat heel even in een scène opduikt in een bijna onbeduidende rol, en nooit meer terugkomt, of misschien tien hoofdstukken later nog eenmaal terloops genoemd wordt. Inherent aan de figurant is dat die een voorbijganger moet zijn. Maar een boek vol grijze, gezichtsloze voorbijgangers, wordt op den duur ook saai. Dus geef je een figurant een letterlijk en/of figuurlijk gezicht. Waarom, wanneer en hoe doe je dat?

Waarom schrijf je een figurant uit?

De rol van een figurant is zodanig klein dat je je ook kan afvragen waarom je de scène waarin die voorkomt überhaupt uitschrijft. Waarom beschrijf je hoe je personage naar de supermarkt gaat en daar de ingrediënten voor een tomatensoep in het boodschappenmandje stopt, om vervolgens gegroet te worden door een hartelijk kassameisje als je óók : ‘Amina ging naar de supermarkt om ingrediënten voor tomatensoep te koken,’ of zelfs ‘Amina at die avond tomatensoep’ kan schrijven of die hele tomatensoep weg kan laten? Boodschappen doen of de samenstelling van een maaltijd an sich is immers vaak niet noemenswaardig. De afweging daarvoor is iets voor een afzonderlijke blogpost, maar als je besluit om dat supermarktbezoek in detail uit te schrijven, dan heb je daar een reden voor. Schrijf die reden op, want die vormt de basis van wat je figurant moet doen, zeggen of hoe die eruit moet komen te zien. De figurant moet die reden namelijk in levende lijve weerspiegelen.

Details als weerspiegeling van thema en symboliek

Symboliek en verhaalthema’s zijn onmisbaar in goede verhalen. Het lastige eraan is dat ze relatief snel cliché zijn, of zo goed genuanceerd en verweven zijn dat ze voor sommige lezers niet genoeg opvallen. Die balans vinden is soms best lastig. Op zulke momenten zijn details of ‘saaie scènes’ een uitkomst. Niet eindeloos dubben over of je heldin koffie gaat drinken in de Seattle Starbucks of een onafhankelijke koffiezaak, ze gaat naar de supermarkt en ziet daar een hartelijk kassameisje, dat haar er op een vreselijke dag aan herinnert dat er nog goede mensen op de wereld zijn.

Achter zo’n detail als: ‘die dag waarop ze dacht dat de hele wereld vol verdorven mensen zat’, schuilt hoogstwaarschijnlijk een heel groot deel van het plot, verwijst dat naar een belangrijke scène of vormt dat een belangrijk deel van de personagebiografie. Misschien is je heldin de dag daarvoor bijna vermoord, op straat gezet door haar ouders, of… Die gebeurtenis is allesbehalve een detail. Dan kan een vriendelijke caissière een eenvoudige manier zijn om een gemoedstoestand of sfeer helemaal om te keren, zonder dat je lezer het gevoel krijgt dat die verandering geforceerd wordt ingezet. Het is dan een natuurlijke en logische spiegeling van de situatie. Als een detail dat effect kan hebben, is het een goed idee om de figurant iets meer kenmerken te geven dan de gezichts-en naamloze voorbijganger.

De figurant kenmerken geven

Als je ervoor kiest om de figurant uit te werken, geef die dan een aantal kenmerken. Twee of drie is het goede aantal om deze persoon net opvallend genoeg te maken, zonder het potentieel startschot te geven voor de creatie van een personage dat later een belangrijke rol in het verhaal gaat spelen. Het leuke van deze kernmerken kiezen is dat werkelijk alles mag. Van iets simpels als de naam, tot iets als een pimpelpaars broekpak, echt alles kan. Bovendien: niets hoeft. Misschien ligt het voor de hand dat iets persoonlijks én algemeens als een naam zou ‘moeten’, maar dat is niet altijd zo.

Een tiener gaat een halfjaar op uitwisselingsreis gaat naar een high school in Amerika. Een fantastisch avontuur, maar wachtend bij de gate, vlak voor het vertrek van het vliegtuig, zinkt de moed deze jongeman in de schoenen. Waar is hij in godsnaam aan begonnen? Is zijn Engels wel goed genoeg om alle lessen te volgen? Zal hij wel vrienden maken als de ‘outsider’? Misschien wordt hij wel gepest. En wat als zijn gastouders niet zo aardig zijn als ze lijken? Dan zit je daar een halfjaar met een stel tirannen als ouders…
Je besluit om een van de medepassagiers die wachten bij de gate, de sfeer en de gemoedstoestand een handje te laten helpen. Ook wil je van deze persoon een figurant maken: je wil geen toevalsituatie waarin diegene in de buurt van het Amerikaanse adres van de jongen blijkt te wonen, waarna er een vriendschap voor het leven ontstaat. Daarom geef je deze figurant een universiteitssweater aan van dezelfde school waar de gastmoeder gestudeerd heeft. Bovendien heeft diegene net zo’n gekke schaterlach als de beste vriend van de jonge held. Hé, misschien wordt het wel gewoon fantastisch in Amerika! De sfeer is omgeslagen, de figurant heeft diens werk gedaan en we weten niet eens hoe degene heet, of het een man of een vrouw is of hoe die er verder uitziet.

De kenmerken van een figurant kiezen

Je mag bij een figurant dus van alles en nog wat kiezen om die ermee te beschrijven. Het effectiefst is om je daarbij te laten leiden door de kenmerken die op dat moment de waarheid of gemoedstoestand van je personage (symbolisch) weerspiegelen. Wat is op dat moment het ‘seintje’ dat je personage nodig heeft om iets op te merken of dingen anders te zien?
Je kan hierbij hele persoonlijke details kiezen, zoals het voorbeeld van de schaterlach van de figurant hierboven, of je kan je laten leiden door kenmerken die wat meer algemeen zijn en van archetypen uitgaan. Zo kan je figurant tien hoofdstukken later nog een keer genoemd worden in (terloopse) zinnen als: ‘Ik voelde me net zo verrast en opgewerkt als toen ik de schaterlach van die vreemdeling hoorde, tijdens die zenuwachtige momenten bij de gate.’ om weer snel en effectief te kunnen terugblikken of een sfeer te scheppen. Maar dat betekent dus wel dat je die enkele kenmerken van de figurant zeer zorgvuldig moet kiezen: ze moeten opvallen en betekenis hebben, anders verdwijnt de figurant (later in het verhaal) alsnog tussen alle andere details en verhaallijnen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jan Antonin Kolar verkregen via Unsplash