Drie tips voor een fantastische spanningsboog

Een verhaal is en blijft spannend als je spanningsboog goed in elkaar zit. Daarvoor kan je de three act structure gebruiken. Dit schema leert je over een goede opbouw van begin, midden en eind en waar je een conflict moet schrijven. Er is een aantal dingen die het schema niet duidelijk meldt, maar toch is het een goed uitgangspunt voor de opbouw van je verhaal. 

Wat is de three act structure?

De three act structure is een schema waarin je kan zien wat het begin, midden en eind van een verhaal vormt. Die delen van het verhaal zijn weer onderverdeeld in fragmenten. Elk fragment laat zien wat je wanneer moet schrijven. 

three act strucure

Dit geeft antwoord op vragen als: 
* Wanneer en hoe rond je de inleiding van een verhaal af?
* Is het al tijd voor een confrontatie of moet er nog een obstakel komen?
* Kan het verhaal al stoppen of is er nog een afronding nodig? Enzovoorts. 
Zo helpt de three act structure een goede spanningsboog te waarborgen. Maar je kan er nog meer mee. 

1 Balans van medepersonages

Kijk eens naar de vorm van de grafiek van de three act structure en merk op dat er om de zoveel tijd confrontaties zijn in de vorm van ‘explosietekens’. Dit kan een goede visuele herinnering zijn voor het feit dat niet alleen je plot, maar ook je personages dynamisch en divers moeten zijn. Met andere woorden: als je personages te veel van hetzelfde zijn (qua karakter, overtuigingen, of achtergrond) ,dan krijg je geen conflict. Als je personages over alles hetzelfde denken, kunnen ze heel gezellig koffiedrinken, maar daar krijg je geen verhaal van. Je hoofdpersonage kan een autocoureur zijn, zijn beste vriend een milieuactivist die het niet oké vindt dat er voor de lol zoveel benzine wordt gebruikt in een autorace. Dan zijn ze het ergens niet over eens. Zo volgt er een discussie en uiteindelijk een conflict (niet per se een ruzie!) waardoor je hoofdpersonage anders over iets gaat denken. Zo wordt er een verhaal of een centraal conflict gestart. Conflicten moeten worden uitgelokt en daar zijn personages voor nodig die van elkaar verschillen. 

2 In medias res 

Als je in medias res schrijft (je start je verhaal bij het chronologische midden) dan kan de three act structure houvast bieden. Zo zie je duidelijk welke elementen van het begin je later nog in verhaal moet verwerken. 

3 Three act structure per hoofdstuk

Three act structure gaat als schema uit van het volledige verhaal. Toch zul je merken dat ook binnen een verhaal soms meerdere verhalen schuilen. Dit zijn de spreekwoordelijke (en soms letterlijke) hoofdstukken. Neem een mensenleven. Als je dat volledig zou uitschrijven, dan heb je ‘hoofdstukken’ als bijvoorbeeld: 
* de kindertijd;
* de studententijd;
* de huwelijksperiode;
* het werkbare leven.
Laten we kijken naar de studententijd. Die heeft ook een begin, midden en een eind. Je begint een studie, daar krijg je te maken met conflicten (je zakt voor toetsen, je kan geen stage vinden, je weet niet hoe je na een kroegentocht zonder kater colleges bij kan wonen…) en uiteindelijk krijg je je diploma. 
Als je merkt dat je met je verhaal als geheel in de knoop raakt, kijk dan eens of het schema van de three act structure nog klopt per ‘hoofdstuk’. Meestal kun je aardig wat rechtbreien als je je tekst van net iets dichterbij bekijkt. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Op verhaalentaal.blog wordt over the three act structure geschreven onder de term save the cat.

Hulp nodig bij het schrijven van je spanningsboog? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Wat kan reizen je leren over schrijven?

Reizen kan een onverwachte manier zijn om beter te leren schrijven. Als je je oren en ogen goed openhoudt, kan een andere omgeving je leren om een beter verhaal te schrijven, of het nu gaat om een verre reis of een weekendje weg dicht bij huis.

Een opsteker voor je opschrijfboekje

Als je op reis gaat (of dat nu een half jaar naar de andere kant van de wereld is, of van de Randstad een dagje naar het platteland) zie je dingen die anders zijn dan je gewend bent. Dingen die anders zijn, moet je als schrijver noteren in je opschrijfboekje om je observatievermogen scherp te houden. Nergens merk je zoveel op als als in een nieuwe omgeving, dus dat maakt reizen al een goede schrijfoefening op zichzelf.

De fotoavond na een vakantie

Vakanties lopen zelden volledig in de soep en vrienden zijn meestal niet de mensen die het leuk vinden om te zeggen dat zij lekker naar Australië kunnen vliegen. Zeker niet als jij alleen een weekendje Schiermonnikoog kan betalen. (Zeg tegen hen dat Aussies lekker niet kunnen wadlopen….)
Vaak volgt op een vakantie een gezellige ‘foto-avond’ om foto’s te laten zien en bij te kletsen.
Omdat ik graag reis, het voorrecht heb dat elk jaar te kunnen doen en dat ook geldt voor veel mensen om me heen, heb ik deze ‘foto-avonden’ vaak meegemaakt. Het is me opgevallen dat een aantal uitspraken vaak terugkomen, bijna als clichés. En als een schrijfster/tekstredactrice cliché hoort, is het wachten op nieuwe observaties en bijbehorende mini-schrijfoefeningen ;). Ik hoop dat ze je helpen om meer schrijfinzicht te krijgen!

“Wat hebben we het in Nederland toch goed.”

Als je naar landen op reis gaat waar je niet om de armoede heen kan, is dit na thuiskomst een veel gehoorde uitspraak. Armoede is voor de meeste Nederlanders gelukkig niet aan de orde van de dag. Maar zodra we het van dichtbij zien, is het altijd slikken. Maar we weten dat armoede er is. Waarom zeggen we bovenstaande uitspraak pas zodra we armoede zien? Omdat armoede dan een letterlijk gezicht krijgt. Je hebt mensen gezien die moeten bedelen, een huis hebben dat uit weinig meer dan wat houten palen en golfplaten bestaat. Het raakt je meer omdat je in deze mensen hebt ‘geïnvesteerd’. Hoe oppervlakkig ook, je kent ze nu een beetje, dus nu wil je dat het goed met ze gaat. Ditzelfde gaat op voor een gouden regel bij het gebruik van plottwists: eerst investeren, dan omkeren. Je kan pas verrassen met een verhaal zodra de lezer bij een (persoonlijk) verhaal betrokken is geraakt.

“Rare jongens die….”

Romeinen, Randstedelingen, Amerikanen, Groningers of toch de Japanners?
In welke andere, vreemde omgeving je ook komt, mensen zullen dingen waarschijnlijk anders doen dan jij gewend bent. Dat kan vreemd op je overkomen: dan ervaar je een cultuurschok. Maar wat voor jou normaal is, is voor de ander juist weer vreemd. Hier zie je hoe een personagebiografie een persoon en diens overtuigingen of kijk op de wereld kan vormen. De Amsterdammer pakt een trammetje naar het werk. Dat komt niet in de plattelandsbewoner op; in die omgeving rijdt geen tram. Het doodnormale voor de Amsterdammer is vreemd voor de plattelandsbewoner.

Eten Japanners rijst bij het ontbijt? Wat apart, dat eet je toch ’s avonds?
Wat denkt diezelfde Japanner misschien over Nederlanders?
Hoezo strooien zij kleine stukjes chocola op brood en eten ze dat ’s ochtends? Hoe komen ze daar nou bij? Chocoladestrooisel is toch taartdecoratie? Hagelslag, zeg je? Oké dan…

Wees even eerlijk, mensen… 😉
Door Amin – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=70552546

“Maar die persoon maakte de reis echt onvergetelijk!”

Het lijkt wel het lijfmotto van elke backpacker: “Het mooiste van de reis was niet de bestemming, maar de toffe mensen die ik heb ontmoet.” Hier zie je hoe mensen elkaar beïnvloeden en hoe dat een reis (of een verhaal, zo je wil) en daarmee een mens kan veranderen. Als je Katie niet had ontmoet, had niemand jou overgehaald om te gaan abseilen en zo heb je geleerd je grenzen wat te verleggen. Zo maak je van meerdere verhaallijnen een mooi geheel als je een verhaal gaat schrijven. Je kan er ook alert op zijn wat voor archetypen je medereizigers zijn en hoe jij vervolgens na de reis (anders) in het leven staat.

“Je gelooft toch niet dat mensen dat kunnen maken?”

Of het nu eeuwenoude gebedshuizen of piramides zijn of moderne (veel te hoge) gebouwen, soms kijk je naar bouwsels en denk je alleen maar: hoe dan? Kijk voor een mogelijk antwoord eens naar het schema van save the cat. Tijdens de bouw zijn er misschien hindernissen, vertragingen of problemen geweest. Kun je (met een beetje fantasie) het schema helemaal invullen? Hoe dan ook is er een begin, midden en een eind (de bouwplannen, de bouw en de voltooiing) anders stond je nu niet met open mond ergens naar te koekeloeren.

“Toch ben ik blij dat ik weer thuis ben…”

De foto-avond heeft deze uitspraak vaak als slotconclusie. Dat geeft aan dat mensen vaak gehecht zijn aan hun comfortzone, hoe avontuurlijk ze ook zijn, of hoe gaaf ze de vakantie ook vonden. Wat zegt die comfortzone over de dingen die je personage op reis heeft gezien of meegemaakt? Is er ergens stiekem een gevoelige snaar geraakt en wil ze dat niet toegeven? Is het verhaal nu afgerond nu er nieuwe ervaringen zijn opgedaan? Of is dit juist aanleiding voor weer een nieuw verhaal of een nieuwe reis? (Bedenk: elke nieuwe situatie kan naar verloop van tijd een nieuwe comfortzone worden.) Misschien is het tijd om een doos hagelslag in je koffer te stoppen, een vlucht naar Japan te boeken en daar aan de eerder genoemde Japanner uit te leggen waarom hagelslag toch echt niet zo raar is…
Wie weet kom jij dan op jouw beurt wel terug met het idee dat een okonomiyaki de meest normale pannenkoek op de wereld is. Zo kan reizen een eindeloze inspiratie voor verhalen vormen!

Een nieuwe definitie van de doodnormale pannenkoek: okonomiyaki

Schrijfcoaching nodig bij het schrijven van reisverhalen? Kijk eens in mijn webshop.

Drie tips om beter te leren observeren

Zeg schrijver en je zegt pen. Maar een schrijver kan ook niet zonder opschrijfboekje om allerlei verhaalideeën in te noteren. Ideeën voor een plot bijvoorbeeld, maar je kan er zelfs kleine voorwerpen inplakken. Er zijn wat dat betreft geen regels. Als het je maar inspiratie geeft. Deze tips voor je opschrijfboekje kunnen je niet alleen inspiratie geven, maar ook beter leren schrijven. 

1. Kies een kleur om op te speuren

In je dagelijkse leven zie je bepaalde dingen steeds opnieuw terugkomen. Dezelfde auto voor de deur, dezelfde meubels in je huis. Daardoor raak je in een soort ‘sleur van observatie’. Je let niet meer op bepaalde details of kenmerken en daardoor let je niet meer op wat je nu eigenlijk ziet. Het is belangrijk dat je je observatievermogen scherp houdt: hoe wil je anders een fictieve wereld boeiend omschrijven? Deze oefening kan je helpen om goed te blijven observeren: 
Kies een kleur uit en schrijf gedurende de dag alles op wat je ziet met die kleur. Dit kun je het beste doen op een dag dat je thuis bent. Omdat je in de vertrouwde omgeving bent, zie er je niets speciaals meer aan. Totdat je ineens beseft hoeveel rode dingen je in huis hebt. Je had toch niets roods in huis? Jawel: er liggen rode appels in de fruitschaal en de chipszak in de kast is ook rood. 

Je kan deze oefening natuurlijk ook doen met vormen of materialen.


2. Noteer details van gezichtsuitdrukkingen

Bij de schrijftechniek show, don’t tell omschrijf je dingen en emoties. Zo schrijf je: de tranen lopen over mijn wangen in plaats van: ik ben verdrietig. Zodra je met emoties te maken krijgt die minder makkelijk te omschrijven zijn, kan dit soms leiden tot een klein writersblock. Hoe kijkt iemand die teleurgesteld is eigenlijk? De mondhoeken gaan wat naar beneden of de ogen worden groot. Train jezelf in het opschrijven van de kleine details en veranderingen die je ziet in verschillende gezichtsuitdrukkingen. Op de lange termijn scheelt dat een writersblock als je emoties gaat omschrijven. 

3. Schrijf kleine, lieve gebaren op

Een verhaal gaat over je hoofdpersoon, ook wel de held genoemd. Soms kan het lijken alsof je held veel gemeen moet hebben met een superheld: hij moet superkrachten hebben, overal de beste in zijn en alleen grootse gebaren en acties uitvoeren. Dat is niet zo: dan krijg je een Mary Suepersonage. Maar als je de goedheid of vrolijkheid van een personage beter niet kan portretteren door die dertig uur per week vrijwilligerswerk laten te doen, hoe doe je dat dan subtieler? 
Schrijf kleine, lieve gebaren op die je elke dag ziet. Die zijn er meer dan genoeg. Net als dat het geval is bij de kleuren in de eerste tip, zijn ze zo vanzelfsprekend dat ze niet meer opvallen. Heb je een opzetje nodig? Denk eens aan: 

* iemand verrassen met een klein cadeautje of een kaartje;
* een kind een high-five geven;
* een complimentje geven;
* boodschappen doen voor een zieke vriend;
* iemand opbellen als je weet dat diegene eenzaam is.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Schrijfcoaching nodig? Kijk in mijn webshop.

Hoe voorkom je dat je een anticlimax schrijft?

Je kent een anticlimax vast wel. Het is dat moment waarop er een onthulling komt waarvan je denkt: is dat alles? Of erger nog: je verwacht het hele boek om een onthulling te krijgen, zonder dat die er überhaupt komt.
De anticlimax kan al het goede van je verhaal tenietdoen. Dat is vreselijk jammer. Hoe kun je een anticlimax voorkomen?

Waar schrijf je een climax in het verhaal?

Een climax komt vrijwel aan het einde van een verhaal. Dat kun je zien in het schema van save the cat.

Er zit een stijgende lijn in het schema. Dat is als het ware de aanloop naar de climax. Vanaf dat punt wordt alles wat ‘rustiger’ en schrijf je langzaam naar het einde toe. Je kan zien dat de climax in het schema een explosief tekentje heeft. Dat betekent dat er iets belangrijks of spectaculairs moet gebeuren.

Wat is een anticlimax?

Een anticlimax is een climax waarin het bovenstaande save the cat schema op twee mogelijke manieren anders uitpakt:
* In plaats van een lijn naar beneden in te zetten stopt de lijn vrij abrupt.
* De verhaallijn zet door, maar is slechts vlak: er zit geen dynamiek meer in.

De verhaallijn stopt abrupt

Ik gebruik voor deze voorbeelden een sprookje om het simpel te houden.

Assepoester past het glazen muiltje en…
* het muiltje past plotseling niet meer;
* de prins dacht dat een andere mysterieuze vrouw bij het muiltje hoorde. “Sorry Assepoes, maar ik trouw niet met jou, want jij bent mijn droomvrouw niet.”

De verhaallijn verliest aan dynamiek

Het muiltje past Assepoester! Maar dan:
“Ik dacht al dat jij degene was die bij het schoentje paste,” zei de prins.
“Ja, dat was ik,” glimlachte Assepoester.
“Nu ik er eens goed over nadenk… Is het wel slim om te trouwen met een vrouw waar ik precies drie uur mee gedanst heb?” De prins keek Assepoester aarzelend aan.
“Tja, daar heeft u een punt, majesteit…” zei Assepoester zacht.
“Zullen we dan eerst gaan daten voordat we de knoop doorhakken?”

Vervolgens volgt een verslaglegging van het datingleven van Assepoes en Prins, dat niet veel spectaculairder is dan dat van de gewone sterveling. Daar is letterlijk en figuurlijk niets sprookjesachtigs meer aan.

Als Assepoesters verhaal hierop uitdraait, ben je ver afgedwaald van het oorspronkelijke plan…

Een abrupt einde van een verhaal

Een abrupt einde werkt meestal niet, omdat er vragen onbeantwoord blijven. Meestal is dat een van de volgende vragen: ‘En toen?’ of ‘Hoezo?’

En toen?

Het muiltje past Assepoester niet meer. Daar kan het verhaal niet zomaar stoppen. Assepoester gaat waarschijnlijk nog proberen te bewijzen dat er iets van oplichting of een misverstand in het spel is. Dat kan je in theorie laten, maar dat zwakt je verhaal af. Je verandert er namelijk het centraal conflict mee. Het verhaal gaat niet langer (alleen maar) over het grote bal waar het hele verhaal naartoe werkt. Het gaat nu ook nog om het zoeken van bewijslast. Als je op het allerlaatst het verhaal nog een nieuw conflict geeft, wordt de structuur rommelig. Daarover later meer.

Hoezo?

Assepoester is toch niet de droomvrouw van de prins. Hoezo niet? Ze hebben elkaar steeds zwijmelend in de ogen gekeken, en belangrijk nog: daar draaide uiteindelijk het hele verhaal om… Plottwist, daarom! Je kan in mijn desbetreffende blogpost lezen dat een van de belangrijkste regels van een plottwist is: de reden voor een plottwist mag nooit choqueren zijn.
Een andere regel bij een plottwist is: investeren en dan omkeren. Je hebt het hele verhaal in de heldenreis van Assepoester geïnvesteerd en vervolgens gebeurt er iets wat daar totaal niet binnen past. Alles wat ze heeft geleerd en gedaan als heldin van het verhaal wordt uit het raam gegooid. De emotionele mishandeling waar ze jarenlang aan is blootgesteld? Het feit dat ze werd beloond met het bal en aan zichzelf kon bewijzen dat ze wel degelijk iets waard of mooi was? Vergeet dat maar, want de prins is plotseling kieskeurig…. Op deze manier pak je de heldenreis van Assepoester af.
Niet elk verhaal hoeft goed af te lopen, maar de afloop moet wel aansluiten op de heldenreis: de groei die je personage heeft meegemaakt. Stel dat je de prins inderdaad niet voor Assepoester kiest. Dan moet ze op zijn minst:
* met zijn broer kunnen trouwen en zo alsnog een prinses worden;
* verbitterd als huisslaaf voor haar gestoorde familie blijven werken in de wetenschap dat zij meer waard is, omdat de prins haar die ene avond hoe dan ook wel degelijk respecteerde.
Dat laatste voorbeeld is vrij extreem, maar zo zie je dat hoe slecht het verhaal ook afloopt, het groeiproces van de heldenreis niet zomaar genegeerd mag worden.

Een saaie dynamiek bij een anticlimax

Als je anticlimax een vlakke dynamiek in de hand werkt, komt de volledige verhaalopbouw op zijn kop te staan. Een climax is ervoor om het verhaal na een spannend slotstuk langzaam maar zeker af te ronden. Als je dan een heel nieuw conflict (lees: verhaallijn) in dat verhaal verwerkt, wordt alles wat je vooraf hebt geschreven, nogal snel ontkracht of leest het minder vlot.
Als je Assepoester en Prins inderdaad eerst maandenlang laat daten, dan heb je er zo weer een heel verhaal bij. Bedenk: zodra dat verhaal af is, heb je nog steeds één verhaal (het is alleen langer geworden). Wat is in dat langere verhaal het centrale conflict? Assepoester die het hart van de prins moet winnen op het bal, of de prins die uiteindelijk het hart van Assepoester moet winnen in een aantal dates? Allebei de opties zijn mogelijk. Maar als je op het laatste moment in je verhaal van centraal conflict wisselt, dan is de basis waarop de rest van het verhaal staat niet stevig meer.
Als je over koninklijk datingleven wil schrijven, begint het verhaal eerder bij het schoentje passen dan dat het daar eindigt. Zo krijg je een heel ander save the cat schema.
Zorg ervoor dat je weet hebt van je centrale conflict, pak goed uit bij de climax en rond het verhaal daarna af.

Van een anticlimax een goed einde maken? Ik help je: kijk in mijn webshop.

Het opschrijfboekje: de gereedschapskist van een schrijver

Verhalen schrijven: je bedenkt de meest interessante plotwendingen en boeiende personages. Soms heb je het geluk dat de inspiratie uit het niets lijkt te komen. Dan kun je misschien wel een heel verhaal bedenken en uitwerken. Vaak is dat echter niet het geval. Als je van schrijven een serieuze(re) hobby wil maken en ten alle tijden inspiratie wil kunnen oproepen, ontkom je niet aan het opschrijfboekje.

Waarom heb je een opschrijfboekje nodig?

Mensen beginnen soms te schrijven omdat ze plotseling inspiratie krijgen voor een verhaal. Dan gaan ze aan de slag en zien ze dat schrijven een erg leuke hobby kan zijn. De een laat het bij dat ene verhaal, maar een ander wil dan een ‘serieuze schrijver’ worden. Dat enthousiasme is veelbelovend, tenzij dat betekent dat diegene – net als bij dat eerste verhaal- wacht op inspiratie. Je kan er namelijk niet van op aan dat inspiratie zomaar komt. Die moet je opdoen, gedurende je dagelijkse leven. Zodra je iets opvallends ziet, doe je er verstandig aan om dat op te schrijven.

Stel dat je bovenstaande foto hebt gemaakt. De goudachtige kleur van de karper in combinatie met de manier waarop die kleur steeds doffer van toon wordt naarmate je meer richting de staart kijkt, doet je denken aan een begraven schat met gouden munten. Dan heb je een basis voor een verhaal met een verborgen schat.
Maar- en dat is het essentiële punt- je had niet aan die schat gedacht als je de deze karper niet had gezien, die deze associaties bij je opriep. Op deze manier kun je op een dag tientallen, zo niet honderden indrukken opdoen. Als je dan geen opschrijfboekje bij de hand hebt om die indrukken op te schrijven, loop je de kans dat je door de andere indrukken of gebeurtenissen van de dag die flits van inspiratie kwijtraakt.

Je kan alles wat je ziet noteren in je telefoon, maar persoonlijk raad ik dat af: als je iets moet opschrijven met een pen, doe je daar langer over, waardoor het moment van inspiratie langer blijft hangen.

Wat schrijf je op in je opschrijfboekje?

Je schrijft alles (of op zijn minst 80%) in je opschrijfboekje op dat je opvalt, wat je bijzonder, apart of mooi vindt. Alles waarvan je grofweg drie tellen of langer bij stilstaat en denkt: Hé, hier is iets mee… Of als je intuïtief denkt: goh, dit is apart…

Dat kunnen onder andere zijn:

* mooie uitzichten;
* aparte kledingstijlen;
* uitgesproken gezichtsexpressies;
* grappige citaten of woordspelingen;
* televisiereclames die creatief zijn opgezet;
* emoties die je ziet of voelt;
* opvallend nieuws dat je hoort.

Waarom moet je veel opschrijven in je opschrijfboekje?

Buiten het feit dat opschrijven veel inspiratie geeft, zijn er nog twee redenen om veel op te schrijven in een opschrijfboekje. Je kan terugvallen op een show don’t tell als je vastloopt in je omschrijvingen. Stel dat je een uitzonderlijk blije toet ziet, zoals deze:

Als je eens wil omschrijven hoe iemand schaterlacht, maar even niet op de woorden kan komen, kan je opschrijfboekje uitkomst bieden. Waarschijnlijk heb je in je opschrijfboekje over dit gezicht geschreven: een blij meisje schaterde van de pret. Ze lachte met open mond en haar ogen versmalden zich van plezier.

Je hoeft niet per se over dit kind te gaan schrijven. Als haar lach jou aanleiding gaf je opschrijfboekje erbij te pakken, dan is dat voldoende. Vrijwel alles wat je intuïtief meent op te moeten schrijven kun je vroeg of laat wel een keer gebruiken.

Schrijven is observeren

Een goed lopende tekst, interessante personages en een goede woordenschat zijn belangrijk als je een verhaal wil schrijven. Maar schrijven vraagt niet alleen goede taalvaardigheden een flinke dosis fantasie, het is minstens net zo belangrijk om heel goed te kunnen observeren. Test het maar eens. Als ik je vraag: ‘Hoe ziet je woonkamer eruit?’ wat zeg je dan? Natuurlijk zullen er stoelen, banken en tafeltjes in staan. Maar met zulke omschrijvingen krijg je een verhaal niet gevuld. Als je kan zeggen: ouderwets of modern ingericht, dan schiet het al iets meer op. Maar wat maakt iets ouderwets? Je zal moeten observeren en noteren. Ga op bepaalde details letten: de bruine, ingezakte bank is ouderwets. Als je niet observeert en noteert, kunnen bepaalde belangrijke details niet meer opvallen. Je neemt ze zo als vanzelfsprekend aan dat je ze soms niet meer ziet. Het materiaal van je bank, de kleur van je muren… Het kunnen allemaal belangrijke dingen zijn om de sfeer van een ruimte op te roepen.

Sorteren in je opschrijfboekje

Om bepaalde zaken later makkelijker terug te vinden, is het handig om een systeem aan te houden voor je opschrijfboekje. Dit systeem kun je baseren op datum (als je meerdere verhalen schrijft, weet je wanneer je waarvan hebt gewerkt) alfabetisch naar onderwerp of je kunt met tabbladen werken, net wat je zelf fijn vindt. Maar probeer hoe dan ook een systeem aan te houden, anders zie je later door de bomen het bos niet meer. Je gaat het opschrijfboekje waarschijnlijk veel gebruiken (zorg ervoor dat je het altijd in je tas hebt zitten!) dus al die losse krabbels moeten wel overzichtelijk blijven.

Reisdagboek: het ultieme opschrijfboekje voor schrijvers

Als je van reizen houdt, ga dan niet op reis zonder een reisdagboek mee te nemen. Als je reist is alles nieuw en indrukwekkend, dus je bekijkt alles met andere ogen. Dat is ideaal om nieuwe inspiratie aan te boren. En dan heb je meteen je informatie gesorteerd: onder de categorie reiservaringen welteverstaan. Plak in je boekje ook dingen als bijvoorbeeld entreebewijzen of kassabonnetjes waar dat ene lekkere gerecht op staat. En vergeet af en toe ook niet een foto fysiek in te plakken. Als je bepaalde herinneringen levend houdt, kunnen ze steeds opnieuw nieuwe inspiratie opleveren. Dat lukt je extra goed als je handmatig schrijft, dingen inplakt en extra versiert, omdat er dan extra aandacht naartoe gaat. En hoe meer aandacht je aan je observaties besteedt, hoe beter je ze onthoudt.

Hulp nodig met het schrijven? Schakel mij in als schrijfcoach.

Op deze drie momenten moet je omschrijvingen gebruiken

Zonder omschrijvingen komt je tekst niet tot leven. Maar te veel beschrijven is weer een manier om een tekst ontzettend droog te maken. Met deze drie vuistregels komt je nooit meer in de knoop met de vraag: wanneer moet je omschrijven en wanneer moet je de verbeeldingskracht van de lezer laten werken? Ze hebben één essentieel ding gemeen: de beschrijving moet meerwaarde hebben voor het verhaal. 

1 Omschrijven van het uiterlijk van een personage

Omschrijf personages niet te veel in detail. Kijk hoe je je hoofdpersonage voor je ziet en beschrijf datgene wat het belangrijkste is om een beeld van hem te vormen. Haarkleur en kleur ogen zijn hier een makkelijk voorbeeld van, maar misschien heeft je personage wel een opvallende haakneus. Dan is de neus een belangrijker detail om te delen. Deel uiterlijke kenmerken niet in je eerste pagina’s, maar verwerk ze in je lopende verhaal. Dan komt het minder geforceerd over.
Beschrijf geen figuranten, zoals voorbijgangers. Een voorbijganger is niet belangrijk voor het algehele verhaal. Daarom zijn diens omschrijvingen onnodige opvulling van papier. Je hoeft de groetenboer niet te omschrijven als je personage niet meer met hem te bespreken heeft dan het aantal kilo’s aardappels dat hij wil kopen. Ga maar na: zo levert een rondje markt al snel een pagina vol omschrijvingen op van de voorbijgangers en de kooplui. 

2 Omschrijven van een plaats

Als je een plaats omschrijft, doe je dat om een sfeer op te roepen. Kijk dus welke details aan dat doel bijdragen. Stel dat je een elitaire ruimte wil omschrijven. Dan helpt het om een diamanten kroonluchter te omschrijven en dat er honderd jaar oude wijn wordt geschonken door een bediende in een pak. Deze details voegen iets toe aan het rijkeluissfeertje. Dat de muren blauw zijn, doet er niet toe; er zijn ook gammele fietsschuurtjes die blauw zijn geschilderd.
Je kan ook details gebruiken om te laten zien dat iemand letterlijk of figuurlijk niet op zijn plaats is: wat doet een jongen met een effen zwart T-shirtje en een afgezakte spijkerbroek in diezelfde chique ruimte? Hij valt uit de toon, dus is er waarschijnlijk iets boeiends over te vertellen. 

3 Omschrijven van een plotuitwerking

Fieke staat op het punt om haar vliegtuig te missen. Ze staat al bij de deur en beseft dat ze iets is vergeten. Op de tafel liggen een aantal voorwerpen: de huissleutels, een Gucciportemonnee en onopvallend onder de fruitschaal ligt een zakje wiet verstopt. 
Elk voorwerp zegt iets nuttigs over Fieke: Je huissleutels en je portemonnee vergeet je niet zomaar als je weggaat. Dit geeft aan dat Fieke chaotisch is. De Gucciportemonnee vertelt dat ze rijk is. En als ze wiet in huis heeft, kun je er de donder op zeggen dat dat nog iets voor het plot gaat betekenen. Dealt ze drugs? Is ze recreatief gebruiker en gaan we meer van een ontspannen levensstijl zien? 
Iets als paperclips zeggen vrijwel niets, dus die hoeft Fieke (lees: jij als schrijver) niet op tafel te leggen. Zoiets kan je weglaten. 

Afsluitende gedachten

Schrijven draait vooral om goede puzzelstukjes geven die zo een verhaal vormen. Geef ze niet te veel, want dan wordt je puzzel onoplosbaar of onoverzichtelijk. Geef ze wanneer ze nuttig zijn. Je zit goed wanneer je omschrijvingen samen een algemeen beeld vormen. Denk altijd eerst aan je verhaal, dan pas aan je omschrijvingen, niet andersom. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Wil je je gebruik van omschrijvingen controleren? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Een verhaal bedenken met een personage als startpunt

Als je een verhaal wil schrijven, komt het regelmatig voor dat je al een idee hebt waar het over moet gaan. Maar soms heb je een personage in gedachten, waar je nog geen verhaal bij hebt. Hoe schrijf je dan een verhaal?

Personage of thema: waar begin je mee?

Een verhaalidee ontstaat vaak vanuit een thema. Dan is het relatief makkelijk om een verhaal en het hoofdpersonage verder uit te werken. Wil je schrijven over de muziekwereld? Dan is je hoofdpersonage een componist of musicus die hogerop probeert te komen. Voilà, een verhaal in de dop. Maar als je heel duidelijk een personage voor je ziet, kan het lastiger zijn om daar een verhaal bij te bedenken.
Je ziet een visser voor je. Dat kan een heel uiteenlopend persoon zijn. Is hij een beroepsvisser die dagenlang op zee ronddobbert? Is het een hobbyvisser die elk weekend bij een vijvertje zit? Of reist hij de wereld over voor wereldbekerwedstrijdvissen?

Leer je personage kennen

Als je een verhaal start met een personage, neem dan de tijd om hem goed te leren kennen. Schrijf zijn personagebiografie uit, maar hou het daar niet bij. Hoe uitgebreid je de biografie ook uitwerkt, je zal je personage op deze manier kennen zoals een dokter een patiënt kent waarvan ze alleen het medische dossier heeft gelezen.
Je zal hem oppervlakkig kennen, maar het daadwerkelijke doen en laten van je personage blijft waarschijnlijk nog een raadsel. Schrijf daarom eerst wat losse scènes over je personage. Maak je niet druk over de kwaliteit van deze scènes: ze hoeven absoluut niet hoogstaand te zijn. Schrijf over iets waarvan jij denkt je personage beter te kunnen leren kennen. Is dat zijn ochtendroutine? Dat is normaalgesproken een cliché, maar dat maakt nu niet uit. Sterker nog, het kan zelfs helpen om over de meest ‘saaie’ dingen van het leven je personage te gaan schrijven. Niemand heeft immers een leven met 24/7 spanning, drama of romantiek. Die momenten zijn eerder de uitzondering dan de regel.

Hoe schrijf je kennismakingsscènes?

Kennismakingsscenes zijn makkelijk te schrijven. Je moet er namelijk nauwelijks tot niet bij nadenken. Als je gaat kennismaken met je personage, doe je dat heel intuïtief. Je kan een kennismakingsscène schrijven voordat je de personagebiografie schrijft, of nadat je dat hebt gedaan. Dat is een kwestie van voorkeur. Het belangrijkste is dat je personage (of zijn omgeving) voor je geestesoog ziet en dan gaat kijken wat er in je opkomt. Meestal werkt het het beste als je voor de kennismaking iets uitkiest dat onlosmakelijk met je personage verbonden is. Als je dus schrijft over een visser, laat de scène zich dan afspelen op zee, bij een meertje of een vijver. Het kan ook helpen om een foto te zoeken van een ijkpersoon of van de omgeving waar je personage vaak is.

Zoek een enkele foto, hou een enkel woord in gedachten, of roep één mentaal beeld op en kijk wat je daarmee kan.

Zodra je enkele houvasten hebt gevonden, kun je daarmee een mindmap maken. Dan ga je nog niet nadenken over wat nuttig is, of dat je associaties zelfs maar logisch zijn. Je brainstormt er gewoon lekker op los! Laten we de bovenstaande foto als voorbeelduitwerking gebruiken. Je ziet op de foto:
* twee mensen die met een hengel bezig zijn;
* een meertje;
* een heuvelachtige omgeving;
* een aantal fietsen.
Dat lijkt op het eerste gezicht maar weinig te zeggen, maar je kunt hier al een aantal dingen bij bedenken of zelfs uitsluiten:
* twee mensen die met een hengel bezig zijn –> zijn dit vader en zoon? Dan kun je bedenken dat de vader misschien wel het archetype verzorger is;
* een meertje –> dit is geen open, woeste zee, dus het gaat hier niet om een beroepsvisser;
* een heuvelachtige omgeving –> ons personage woont niet in Nederland. Waar dan wel? Stel dat deze foto in de Verenigde Staten is genomen, dan heeft ons personage dus hoogstwaarschijnlijk Amerikaanse normen en waarden. Wat kun je daar over bedenken? Wat zegt dat over zijn wereldbeeld?
* een aantal fietsen –> wonen deze personen vlakbij dit meertje? Of wonen ze een eindje weg en zijn ze sportief aangelegd, omdat ze gerust dertig kilometer willen fietsen om deze plek te bereiken?
Je zal merken dat je je personages heel snel en heel goed leert kennen als je op deze manier gaat mindmappen, zeker als je in combinatie daarmee nog enkele scènes uitschrijft.

Kort voorbeeld kennismakingscene

Naar aanleiding van de foto van de visser, kan er iets uit je pen verschijnen als:
Bob gaat elke zondag met zijn zoon Richard vissen. Ze hebben altijd het mooiste plekje bij het meertje. Met hun geheime aas vangen ze altijd de grootste vissen uit het meertje. Op een dag raakt Bob het doosje met dit speciale aas kwijt. Bob schiet in de stress, omdat hij bang is dat zijn vader-en-zoon-uitje minder speciaal wordt zodra er geen grote joekels meer gevangen worden. Richard vindt dat niet erg: het gaat erom dat hij tijd met zijn vader door kan brengen.
Als je deze tekst verder zou willen uitwerken, dan moet er nog heel wat mee gebeuren voordat je hem in je toekomstige verhaal kan plaatsen:
* De tekst is redelijk staccato van toon;
* Geheim aas? Wat is dat nou weer? Aas is meestal zoiets als wormen. Dan zou je het over een geheime wormensoort krijgen. Tuurlijk…
Maar deze simpele scène vertelt je ook een aantal nuttige dingen, die je kan gebruiken om in je personagebiografie te zetten:
* Bob is niet zo stressbestendig;
* Bob heeft die viszondagen hoog in het vaandel staan.
Wat dat geheime aas betreft: wie weet heb je nu al je centrale conflict te pakken
* Er moet nieuw speciaal aas worden gekweekt;
* Er komt een zoektocht naar dat aas.

Trouwens: wie zegt dat een geheime worm niet bestaat? Als je een fantasy schrijft, kan dat misschien wel!

Je kent je personage nu al stukken beter. Lees hier hoe je zijn karaktertrekken kan gebruiken om het centraal conflict echt op gang te krijgen.

Nog meer hulp nodig? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Met deze vier stappen zorgt je personage voor een sterk conflict

Personage en conflict zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Haal een van beide uit de vergelijking en je hebt geen verhaal. Vaak heb je een conflict of een verhaalthema waar je een passend personage bij bedenkt. Maar het kan ook andersom. Waar moet je dan op letten?

1. Kijk naar de ‘slechte kant’ van je personage

Ieder personage heeft een slechte kant, maar die hoeft niet meteen schokkend te zijn. Je personage kan een moordenaar zijn, maar zo moet je ‘slecht’ in dit geval niet interpreten. Chaotisch, klungelig, ongeduldig, onhandig of een flapuit zijn is al genoeg. Zolang het maar iets is wat je als ‘niet handig’ of ‘liever niet’ zou kunnen bestempelen. Uiteindelijk moet die slechte kant iets in gang kunnen zetten. 

2. Wat wordt er precies in gang gezet?

Je klungelige personage stoot een dure vaas om. De chaoot is de code van de kluis vergeten. De flapuit verklapt dat de vrouw van haar gesprekspartner is vreemdgegaan… Daar volgt natuurlijk iets op. Krijg je een hernieuwde ruzie over de erfenis? Staat de familie nu ineens op straat? Loopt een vriendschap ten einde? Meestal is er wel een logisch gevolg te bedenken bij een bepaalde karaktereigenschap. 

3. Wie of wat kan dit oplossen?

Meestal krijgt je personage door zijn blunder op zijn kop: andere personages zijn boos op hem, of de omstandigheden gaan van kwaad tot erger. Dan is het zeer onwaarschijnlijk dat je personage het probleem zelf recht kan breien. De kans is groot dat hij daar de middelen niet voor heeft of dat de eerste schok van de gevolgen van zijn daden hem belemmert om tot actie over te gaan. Daarom is het verstandig om in de eerste fase van het verhaal/het conflict je protagonist een goede vriend te geven die de eerste rotzooi opruimt. Of je helpt de omstandigheden een (subtiel) handje zodat je held de gelegenheid krijgt weer op zijn benen te gaan staan. 

4. De comfortzone verlaten komt later 

Als je verhaalthema het uitgangspunt is om een conflict te bedenken, is het meestal zo dat het conflict begint zodra je personage uit de comfortzone wordt gehaald. Als je personage zelf de aanleiding voor het conflict is, moet je wat langer wachten met het uitdagen van je held. Als hij nog staat te trillen naast de scherven van oma’s oude, kostbare vaas, kan hij de grote uitdaging van de comfortzone verlaten nog niet aan.  

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Hulp nodig met het goed opschrijven van een conflict? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Zo leest een tekst heel natuurlijk

Als schrijver ben je een god van je eigen geschapen wereld. Je kan dus schrijven wat je wil, totdat je je plot en je lezer in de gaten moet gaan houden.

Je hebt geen eindeloze ruimte voor speling

Als schrijver ben je de baas over hoe het verhaal verloopt. Daarin lijk je dus alles over het verhaal te kunnen bepalen. Hoe het verhaal loopt, hoe de personages zich ontwikkelen… Maar dat heeft zijn grenzen. Je moet denken aan wat past binnen de resultaten van je schrijfonderzoek en je personagebiografieën. Daarbij moet je ook rekening houden met wat natuurlijk overkomt. Een van de dingen waar een verhaal op stuk kan lopen, is dat de gebeurtenissen uit de lucht komen vallen: ineens zijn mensen vrienden, verliefd of woedend op elkaar.

Als dit in een tekst gebeurt, ligt de oorzaak vaak bij de schrijver. Die is al zo in het verhaal verdiept, dat hij vergeet om dingen uit te werken: ‘Leon en Jos moeten verliefd worden.’ Prima, maar hoe komt die verliefdheid tot stand? Je kan niet schrijven: Jos viel in katzwijm, Leon glimlachte een keer terug en nu hebben we de romance van de eeuw. Die kerels hebben elkaar net één keer aangekeken.
Stel je voor dat je een potentiële liefdesrelatie hebt met iedere voorbijganger die je in het voorbijgaan vriendelijk groet. Dat is niet vol te houden! Je zal ofwel voortaan steevast met een chagrijnig hoofd rond moeten rondlopen om je potentiële vrijers op afstand te houden, of je bent de rest van je leven bezig om al je liefjes (lees: voorbijgangers) te versieren.
‘Dit is zo omdat ik als schrijver wil dat het zo is,’ is een uitgangspunt waardoor de logica uit je tekst verdwijnt. Je moet erop kunnen vertrouwen dat de lezer bepaalde signalen kan oppikken, anders resulteert dat in een infodump. Tegelijkertijd moet je ervoor zorgen dat die signalen wel genoeg opvallen.

Unieke en terugkerende details

Hoe zorg je ervoor dat belangrijke details in een verhaal opvallen, bijblijven en vlot leesbaar zijn? Zorg voor een combinatie van uniekheid en herhaling.

* herhaling: zorg ervoor dat de details zich herhalen. Laat Leon vaker dan eens naar Jos teruglachen, of andere subtiele seintjes van flirten vertonen.

* uniekheid: de details moeten uniek zijn. Dat kun je op twee manieren opvatten:
– Varieer in de details, zodat niet steeds hetzelfde gebeurt. Als Leon tien keer flirt, laat hem dan geen tien keer glimlachen. Zorg ervoor dat hij ook een keer knipoogt, Jos een complimentje maakt, bloost als hij hem ziet…
– Maak de details zo min mogelijk clichégevoelig. Kijk of er een mogelijkheid is om een detail passend te maken bij je unieke personages of je specifieke plot. Iedereen kan de hand van de ander pakken als gebaar van affectie. Maar als Jos weet dat Leon dol is op een bepaald kledingmerk, laat hem dan een trui van dat merk dragen als ze op date gaan. Dat maakt het gebaar extra speciaal, en zo voelen Jos en Leon aan als een passend koppel.

Suus gaat reizen en is doodsbang om iets te vergeten. Herhaal dat Suus iedere keer opnieuw haar koffer op de inhoud controleert. Iedere keer ziet zij dat een ander voorwerp is ingepakt. De ene keer ziet zij dat haar gelukssokken gelukkig op de kofferbodem liggen, de volgende keer is ze in de stress omdat haar paspoort misschien wel is verlopen -o nee, toch niet- en weer een andere keer is ze haar reisgids misschien vergeten. Hoe weet Suus dan wat ze op vakantie kan eten? Kortom: gebruik show don’t tell.

“Hoe weet je zonder je reisgidsje of dit spul veilig is om te eten?” Als Suus inktvisjes op een stokje ziet, heeft ze haar bedenkingen…

Show don’t tell bij het schrijven van details

Show don’t tell is belangrijk om relevante details op te laten vallen. Als je ze herhaalt, blijft datgene wat je als geheel duidelijk wil maken in het achterhoofd van je lezer. Varieer je ook nog in de details, dan kan je meer informatie duidelijk maken met een en hetzelfde voorbeeld. Zo komt alle informatie nog duidelijker, én minder geforceerd over.
Neem die inktvisjes op een stokje. Suus controleert eindeloos de inhoud van haar koffer, omdat ze bang is dat ze iets vergeet. Dat geeft aan dat ze zenuwachtig is. Maar als ze uitgerekend bang is haar reisgids te vergeten omdat ze bang is voedselvergiftiging op te lopen, kan dat ook een (eerste) aanwijzing zijn dat ze niet zo avontuurlijk is ingesteld. Iemand die dat wel is, stopt die inktvis gewoon in de mond. Diegene kan zich vervolgens kapot lachen bij de nieuwe ontdekking dat er een kwartelei in het hoofd van zo’n inktvis zit. Suus zou dat misschien al gelezen hebben in haar reisgids, waarna ze denkt: “Ieuw! Ammenooitniet eet ik een inktvis met een ei in zijn kop!” Een avonturier ziet daar juist de lol van in of wordt nieuwsgierig: “Avontuur zit in het onbekende.” of “Avontuur betekent proberen.”

Stel dat hoofdstuk 1 van Suus’ verhaal het inpakken van haar koffer betreft. Dan duurt het waarschijnlijk nog een aantal hoofdstukken voordat Suus aankomt bij de markt waar ze deze lekkernij ziet liggen. Maar als deze scène zes hoofdstukken later komt, wordt er relatief subtiel verwezen naar Suus’ behoefte aan controle. Dat leest over het geheel al minder geforceerd dan dat Suus in hoofdstuk 1 of 2 ook nog eens vijf uur voor vertrek op het vliegveld aankomt.

Hé Suus, dit is jouw vertrekkende vliegtuig… Over drie-en-een-half uur. Waarom ben je nu al bij je boarding gate?

Dan ligt alles er te dik bovenop en kan de karaktertrek cartoonesk overkomen. Kom je daar in hoofdstuk 7 weer (subtiel) op terug, dan is de lezer hoofdstuk 1 alweer enigszins vergeten. Dan denkt de lezer waarschijnlijk iets als: “O ja, Suus wil graag controle houden. Maar dat past bij haar. De een is nu eenmaal relaxed, de ander wat meer zenuwachtig.’

Kortom: als je details herhaalt, ermee varieert en ze showt komt je tekst al gauw natuurlijk over.

Hulp nodig bij het schrijven van je tekst? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

In drie stappen naar een geweldige fictieve vriendschap

In elk verhaal is wel een vriendschap tussen personages te vinden. Helaas komt het nogal eens voor dat een kameraadschap voor de schrijver heel vanzelfsprekend is, maar de lezer zich afvraagt waarom deze personages elkaar eigenlijk mogen. Hoe zorg je ervoor dat een vriendschap van het papier afspat?

1. Alleen omdat jij het zegt…

Als schrijver bepaal jij het verhaal, je plot, je personages. Eigenlijk alles. Maar dat betekent niet dat alles wat je schrijft meteen klopt. Je moet wat je schrijft laten kloppen. Alleen omdat jij het zegt, maakt het nog niet waar. Bekijk het zo: 
Arjen en Niels zijn de beste vrienden, omdat Arjen ooit tegen Niels heeft gezegd dat hij hem aardig vindt. Iemand aardig vinden is natuurlijk wel een absolute basis voor een vriendschap. Als het daarbij echter ophoudt, dan ben je nog geen vrienden. Het kassameisje van de supermarkt is ook aardig, maar daar ben je geen vrienden mee. Als je wil dat Arjen en Niels vrienden zijn, zorg er dan voor dat ook blijkt dat ze elkaar mogen. Laat ze elkaar vriendschappelijk op de schouders slaan als ze elkaar tegenkomen en geef ze soortgelijke interesses. Zorg dat ze deze dingen ook ondernemen, ze mogen er niet alleen over praten. Kortom: gebruik show, don’t tell.

2. Wanneer ben je vrienden?

Jij en het kassameisje zijn aardig tegen elkaar, maar niet met elkaar bevriend. Waarom niet?

* Ze heeft je nog nooit uit de brand geholpen.
* Je hebt haar nog niet met iets leuks verrast.
* Je hebt haar huishouden niet overgenomen toen haar moeder doodziek was.
* Zij kent jouw ambities en grootste angsten niet.
* Je bent niet bij de doop van haar kind geweest

Dit zijn voorbeelden om duidelijk te maken dat je als vrienden dingen van elkaar moet weten en samen moet doen die meer dan oppervlakkig zijn. Deze lijst kun je naar eigen inzicht invullen. Een goed uitgewerkte vriendschap in een verhaal is er een waarvan de lezer weet wat de vrienden hebben meegemaakt of meemaken. Wat dat is kan per verhaal verschillen, maar je moet wel meerdere van eerdergenoemde punten in je verhaal naar voren laten komen.

3. Laat de vriendschap zich bewijzen door herhaling

Zodra je weet wat de ‘vriendschapsfactoren’ zijn voor je personages, moet je die vaker laten terugkomen. Doe je dit slechts een enkele keer, dan zijn de personages eerder aardig of sociaal dan meteen vrienden.
Als de vriendschap wordt bepaald door filmmarathons, vindt zo’n marathon eens in de twee weken plaats. Schrijf dan over de avondjes zelf, en laat merken hoe belangrijk die zijn voor je personages. Opnieuw: gebruik show, don’t tell. Laat zien hoe inside jokes terugkomen op zo’n avondje en schrijf over die geheime vriendenhanddruk.
Hartsvriendinnen staan altijd voor elkaar klaar. Jouw hartsvriendin heeft dus niet alleen op de kinderen gepast toen er een onverwachte spoedvergadering werd ingepland. Ze heeft ook boodschappen gedaan toen jij nog vrijgezel en hondsberoerd was en is je komen halen toen je vijftig kilometer verderop in een storm met autopech langs de weg stond.
Pas op: je personages zijn geen vrienden omdat het handig is voor het plot. Een vriend is er dus niet omdat de protagonist geholpen moet worden of behoefte heeft aan sociaal contact. Dan schrijf je een cliché: de eendimensionale vriend die in het verhaal is om de hoofdpersoon te helpen, maar geen andere waarde voor het verhaal heeft.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Kijk in mijn webshop voor manuscriptredactie als je wil controleren of jouw fictieve vriendschappen een verhaal kunnen dragen.