De observerende schrijver: Ik zie… iets walgelijks

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… iets walgelijks. 

Wat voor walgelijks?

Walgelijk is een woord dat je in meerdere contexten kan gebruiken, maar dat per context erg anders is. Walgelijk eten is bijvoorbeeld voedsel waarvan je over je nek gaat. Die actie is toch weer net iets anders dan walgen bij het zien van een vreselijke (ongepaste) kledingstijl. Om nog maar te zwijgen over walgelijke normen en waarden die iemand heeft. Of een walgelijke actie.
Walgelijk is dus een groter begrip dan je in eerste instantie misschien denkt; het gaat verder dan het meer beperkte ‘vies’ of ‘smerig’.

Wat maakt het walgelijk?

Als je opmerkt dat je iets walgelijk vindt, is het belangrijk om te bedenken wat het walgelijk maakt. Om te beginnen kan je daar synoniemen voor gebruiken, om zo categorieën te kunnen maken, bijvoorbeeld:

Vies = niet schoon of lekker
Wansmaak = slechte smaak betreft (kleding)stijl
Afstotelijk = vreselijke moralen
Afgrijselijk = vreselijke daden

Zo heb je al een belangrijk begin gemaakt: niet iedere walging geeft eenzelfde zintuigelijke neiging. Bij een vieze geur knijp je je neus dicht, maar je kijkt weg bij wansmaak. Dat is de volgende stap: schrijf op welke zintuigen er worden betrokken bij iets walgelijks en hoe je die vervolgens probeert te besparen van het walgelijke dat ze registeren.

Niet iedere walging brengt een zintuigelijke reactie met zich mee. Maar je voelt het wel altijd ergens in je lijf. Denk aan rillingen over je rug van kwade verontwaardiging, buikpijn van plaatsvervangende vernedering, enzovoorts. Vergeet ook deze observaties niet als je walging in meer detail op gaat schrijven.

Actie-reactie bij walging

Wat de bron van de walging ook is, de zuivere eerste reactie is altijd hetzelfde: weg ermee! Met dat ziekmakende eten, dat vreselijke gedrag in het openbaar, of de vreselijke politicus die ons land met díe waarden zou representeren… Walging is zodanig heftig dat het altijd een ‘weg-ermee’-reactie met zich meebrengt. Bepaal welk cijfer de walging op een tienpuntenschaal van ‘weg ermee!’ verdient. Soms volstaat iets relatief kleins, de andere keren is de walging groter. Denk aan verschillen als:
“Bah, die politicus en zijn walgelijke kop, ik leg de krant met zijn foto erop weg.” en “Die politicus met zijn walgelijke waarden moet worden afgezet: ik ga demonsteren!” of wegkijken als iemand wordt uitgescholden of juist met de pestkop op de vuist gaan. Er is geen goed en fout hiervoor, dat hangt voornamelijk af van hoe je personage op dat walgelijk iets reageert. Hou wel goed in de gaten dat hoe groter dat cijfer op de tienpuntenschaal wordt, hoe belangrijk die (onderliggende) walging wordt voor het verhaal als geheel. Het zou raar zijn als je de eerdergenoemde demonstrant in een scène laat verschijnen, om dan die walgelijke moralen in de rest van het verhaal op de achtergrond te schuiven. Het is niet uitgesloten dat het onderwerp van de walging een verhaalthema of het centrale conflict vormt als het hoog scoort op een tienpuntenschaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Tom Staziker verkregen via Pixabay.

Empathie verdienen van de lezer: de praktijk

Om een boek mooi te schrijven heb je een goed verhaal nodig. Dat krijg je niet voor elkaar als je geen empathie bij de lezer kan opwekken. Vorige week las je al een inleiding, in deze blogpost kijken we wat je kan toepassen om de empathie van de lezer echt te vangen.

Welke elementen zijn er nodig voor empathie voor een verhaal?

Empathie bij een lezer wekken is lastig en vergt maatwerk. Het is heel anders om empathie te voelen voor een soldaat in een oorlog dan het is om helemaal mee op te kunnen gaan in de blijdschap van een kind. Maar een aantal zaken gelden altijd:

  • De held is altijd moedig: die kan vallen en weer opstaan.
  • Een valse held roept geen empathie, maar antipathie op. .
  • De held is om wat voor reden dan ook de Harry Potter onder de Harry’s.
  • De held laat menselijkheid zien.
  • De verbeeldingskracht van de lezer moet de ruimte krijgen.
  • Het plot mag nooit helemaal stilstaan.

Sommige punten spreken voor zich, andere hebben wat meer uitleg nodig.

De menselijkheid van de held

Om niet zomaar als een personage, maar als echt mens over te komen, moet je personage tekortkomingen en menselijke trekjes en voorkeuren hebben. Dat houdt niet op bij Mary Sue-af zijn of het hebben van iets als een lievelingskostje. Zie het in dit geval eerder als: je personage reageert ook als een mens. Met de actie-reactieregel van een plot, kan je in de val trappen dat je personage altijd meteen met het plot meegaat. Tenzij je personage dom is, want dan is langzamer reageren daar een show don’t tell van. Merk op dat de beredenering van deze laatste zin heel kort door de bocht kan zijn. Het kan inderdaad een show don’t tell betreffen, maar ook een manier om van een personage cartoonesk te maken. Je personages krijgen menselijkheid als ze ook eens aarzelen, iets niet snappen, vastlopen of anderszins afwachtend zijn ten behoeve van een sfeeromschrijving in plaats van een show don’t tell van hun karakter of de voortgang van het plot.

Bedenk ook dat het doel om je personage ‘menselijk’ te maken te ver kan doorslaan in het principe dat het levensecht moet zijn volgens het principe van own voice, of als een representant van een groep – minderheden, mensen uit een ander tijdperk of een bepaalde klasse…. Als het gaat om empathie opwekken moet je niet uitgaan van een personage dat echt lijkt, maar eerder erop mikken dat het echt voelt. Anders gezegd: zoek de gemene deler die we als mensen allemaal hebben en stel kernemotiesliever centraal dan de vraag of je personage realistisch overkomt.

Verbeeldingskracht moet de ruimte krijgen

Als de verbeeldingskracht van de lezer wordt aangesproken, wordt die helemaal in het verhaal meegezogen. Dan leest die gevoelsmatig niet meer, maar ziet die voor het geestesoog een film afspelen en ben jij als schrijver onzichtbaar. Als je empathie wil opwekken, moet je voorkomen dat je door infodump, slechte expositie of geforceerde dialogen alsnog je schrijversgezicht laat zien. Vertrouw erop dat de verbeeldingskracht van je lezer de belangrijkste ‘gaten’ kan vullen.

Vaart in het plot

Je plot heeft gedurende het boek verschillende snelheden. Tijdens een actiescène is die hoog, vlak daarna ligt het tempo lager, om de lezer wat ademruimte te geven. Het is dus niet erg als je plot even wat trager is, maar je lezer moet wel altijd weten wat er op het spel staat. Ook al is het maar in het volgende hoofdstuk. Het is moeilijk duimen voor een verhaal waarin het lijkt alsof de ridder de draak al verslagen heeft en er ook geen tweede draak gaat komen.

Wanneer is er empathie voor je verhaal?

Je kan pas echt empathie bereiken bij de lezer als die helemaal in het verhaal gezogen is of wordt. Daarvoor moet de lezer een glashelder beeld hebben van het personage, centraal conflict, het plot, de wereld waarin het verhaal zich afspeelt, een uitzonderlijke situatie waarin actie-reactie onvermijdelijk is.. Kortom: er is geen enkel element wat op zichzelf gegarandeerd empathie opwekt bij de lezer. Het ligt heel erg aan het verhaal dat je schrijft. De ene keer kan je met een perfecte openingszin al empathie opwekken, waar je dat andere keren gedurende het verhaal, na enkele pagina’s of met een flitsende scène bij de lezer opwekt, om dat niet meer te verliezen. Maar als je een credo wil hebben om in te schatten of je op de goede weg zit, dan is dat dit:

Als je empathie bij de lezer wil opwekken, moet je zorgen dat je pakkend schrijft.

Met ‘pakkend schrijven’ bedoel ik hier niet wat men vaak bedoelt in cursussen zakelijk schrijven: kort en krachtig en met een duidelijke indeling van alinea’s. Met ‘pakken’ bedoel ik hier: zorg dat de lezer iets heeft -een mooie wereld, een interessant personage, een wijze levensles, een vlot plot…- dat maakt dat je lezer het boek (weer) wil pakken en verder willen lezen, of dat willen blijven doen. Zorg voor een en-toen?! -element in je plot, maak je personage interessant genoeg om het verlangen naar een nog verdere kennismaking aan te wakkeren of maak je verhaal(element) zodanig uniek dat de uitwerking an sich al voldoende is om nieuwsgierig naar te blijven. Verwar dit niet meteen met een pageturner, dan maak je het misschien groter dan het hoeft te zijn. Het gaat er bij empathie opwekken bij de lezer niet om dat alles en iedereen in je boek continu vlot en super interessant is. Het is meer zo dat er altijd überhaupt íets interessants moet zijn.
Denk aan het principe van onbekend maakt onbemind. Het omgekeerde daarvan is ook waar. Als er iets bekends is, raak je daar als vanzelf al meer bij betrokken. Tenzij je (heel) slecht schrijft, volgt de empathie van de lezer dan vaak ook.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Christin Hume verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… mijn personage?

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… mijn personage?

Als je personage al springlevend is voor je geestesoog, kan het zomaar zijn dat je de identieke tweeling plotseling over straat ziet lopen. Dat is een fantastisch gevoel, maar je kan het ook omdraaien: kijk eens of je van iemand op straat je personage aan kan vullen.

Een personage aanvullen

Als je een personage gaat schrijven, weet je er al iets van, in meer of mindere mate. Dat kan heel breed zijn: het is een jonge moeder. Dan weet je natuurlijk dat ze voor een kindje zorgt. Let de volgende keer dat je een vrouw met een kinderwagen ziet op. Wat zie je aan de kinderwagen hangen? Zie de moeder een tas uit de kinderwagen halen? Kijk eens wat er in die tas zit. Poetsdoekjes, knuffels…

Dat zijn de meer algemene observaties. Maar als je iets meer over je personage weet, kan deze figurant op straat je net dat extra zetje geven. Dus je personage is een jonge moeder die dol is op gothicstijl? Als persoon – een levend, echt mens- bestaan die genoeg, ook al zie je ze misschien relatief minder vaak. Daardoor kunnen ze als personages in een boek wat geforceerd overkomen, omdat je  dingen naast elkaar zet die in eerste instantie met elkaar lijken te botsen. Ouderschap staat volgens een archetype voor ‘zacht’ en ‘zorgzaam’ waar gothicstijl voor ‘duister’ en ‘somber’ staat, volgens het stereotype.  

Dan zie je opeens een tienermeisje of jonge vrouw in gothicstijl met een jong kind. Of dat kind nu het hare is, of het buurmeisje of een nichtje.. Kijk eens hoe deze gothicvrouw met het kind omgaat. Kijk niet naar haar kledingstijl, maar naar haar omgang met het kind. Of gewoon naar wat kleine maniertjes die ze heeft. Tikt ze met haar voet als ze in de wachtrij voor een frietje wacht? Bestelt ze een vegetarische burger, toen je dacht dat ze een kroket zou bestellen?

Personages worden levensecht door deze kleine dingetjes. Wees niet bang om dit soort maniertjes, uiterlijkheden, kleine voorkeuren van vreemdelingen te spieken. Het is makkelijk om te denken dat als je personage ‘te grote extremen heeft’ voor een boek.

Is een personage ooit te ‘veel?’

Een personage dat veel kenmerken heeft die je bijzonder of niet gemiddeld zou kunnen noemen, komt in een boek al gauw geforceerd over. Want hoe ga je die zwarte, biseksuele, gehandicapte, mishandelde vrouw met borderline portretteren? Ze heeft als personage zeker bestaansrecht, maar je kan in een verhaal maar een centraal conflict uitwerken. En dan zal óf haar seksualiteit, óf haar handicap óf… centraal staan in het verhaal, anders wordt het een rommeltje. Als je toch een ‘overlap’ hebt van meerdere bijzondere kenmerken die je vanwege het verhaal of het conflict niet kan negeren, let dan heel goed op mensen die iets met je personage gemeen hebben of lijken te hebben. Of gewoon op mensen in  het algemeen. Want die kleine observaties die van personages mensen maken, of andersom, kunnen het verschil maken tussen een personage dat ‘te veel van het goede’ of ‘geforceerd’  overkomt en een personage dat iedereen onthoudt en in het hart sluit.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Andrew Seaman via Unsplash.

Empathie verdienen van de lezer — inleiding

Je lezer gaat pas echt meeleven met het verhaal als je empathie voor een personage voelt. Dat gebeurt op het moment dat alles levensecht wordt. Dat is geen einddoel: het moet eerder in het verhaal gebeuren. Grote, spannende plotpunten hebben pas effect als er empathie is verdiend. Hoe krijg je dat voor elkaar en hoe zorg je ervoor dat je niet te snel op empathie rekent?

Het gaat om déze held — Harry Potter onder de Harry’s

De theorie voor empathie opwekken bij je lezer is simpel: maak het personage/het verhaal zodanig uniek dat het levensecht wordt. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je ervoor zorgen dat je personage/verhaal zich onderscheid van alle anderen. Harry is een goed voorbeeld. Het is een veelvoorkomende, op zichzelf vrij nietszeggende naam. Maar zeg Harry Potter en je hebt miljoenen fans: het gaat om Harry Pótter, niet over Harry Haringhandelaar wiens verhaal je na twee dagen alweer vergeten was omdat het niet bijzonder genoeg was om te onthouden.

Stel je voor dat een alien de aarde bezoekt en bij thuiskomst vertelt over de aardbewoners. “Zeven op de tien mannen leken Harry te heten, dus ik kon ze nauwelijks nog uit elkaar houden. Maar Harry Pótter zal ik niet snel vergeten. Die kon zoveel vertellen. Over magie, zijn doodsvijand, interessante vrienden, de waarde van moed en liefde… Over hem raak ik niet uitgepraat.”

Zorg ervoor dat jouw personage de Harry Potter onder de Harry’s wordt. Je hoeft geen multimiljardair te worden met je nieuwe boek, maar je hebt wel die grote globale ingrediënten nodig die in ieder goed verhaal te vinden zijn: een rijk plot, prettige personages, mooie thema’s, enzovoorts. Als je personage niet aan die basisvoorwaarde voldoet en de alien het überhaupt niet de moeite zou vinden om thuis op de andere planeet over jouw personage te vertellen, of het alweer vergeten zou zijn na een ruimtereis, dan wordt het oproepen van empathie voor je verhaal of personage erg moeilijk, zo niet onmogelijk.

Onmisbaar opschrijfboekje

Het is onmogelijk om Harry Haringhandelaar te transformeren naar Harry Potter zonder een goed uitgewerkte personagebiografie. Of een ‘worldbuildingbiografie’ of al het andere aan verzamelde aantekeningen dat voor jou als schrijver duidelijk maakt waarom jouw wereld, plot, personage of… het verhaal uniek en interessant maken. Pak dus je opschrijfboekje erbij en schrijf tot je vijf pennen compleet hebt leeggeschreven. De ‘extra’ informatie die jij als schrijver hebt, maar niet met je lezer deelt is onmisbaar: het geeft je de mogelijkheid om via een soort show don’t tell je verhaal vorm te geven die daadwerkelijk tot de verbeelding – of in dit geval empathie- spreekt.

Je kan namelijk niet zomaar zeggen dat je personage moedig is. Of letterlijk schrijven: in deze wereld was alles vreugde en liefde. Niet alleen omdat dat te recht voor zijn raap is, vooral omdat het niet geloofwaardig is. Je kan show don’t tell in dit geval zien als een kwestie van: je moet het meerdere keren laten zien voor de lezer je gelooft. Die wil zeker weten dat iets echt zo is, in plaats van dat het toevallig een keer gebeurt.

Neem de koene ridder. Een draak verslaan is niet niks, maar zou hij het nog een keer doen? Misschien deed hij het wel omdat hij het in zijn broek deed bij de gedachte uit zijn dorp verbannen te worden. Dan krijgt die moed een beetje een laffe bijsmaak die niet past bij een dappere held. Dus zet je de ridder aan het werk. Eerst verslaat hij een zwarte draak. Dan een rode. Vervolgens een gele. En een groene. Dat is zoveel van hetzelfde dat het eerder lijkt dat de schrijver de lezer ergens van wil overtuigen, in plaats van iets wil bewijzen. Maar dat werkt alleen maar averechts.

Dat is waar je van Harry Haringhandelaar naar Harry Potter kan gaan. Vraag jezelf af: wat doet (of is, of kan, of weet…) de ene Harry wel en de andere Harry niet? Dat onderscheid is waar het begin van een uniek personage ontstaat. Beide Harry’s zijn bijvoorbeeld dapper, maar Harry Haringhandelaar denkt na voor hij zich in de actie stort, waar Harry Potter erg impulsief is. Impulsiviteit is niet vaak een karaktertrek van een personage waar een centraal conflict van valt of staat. Voor het grote geheel is het dus misschien een detail, maar tegelijkertijd is het groot genoeg om op te vallen. Je gaat Harry Haringhandelaar niet onthouden omdat hij blond haar heeft en daarmee scheelt van Harry Potter met zijn zwarte haren. Maar je onthoudt wel hoe Harry Haringhandelaar eerst dagenlang piekert over hoe hij een probleem aan moet pakken, terwijl Harry Potter zo impulsief handelt dat hij zich in levensgevaar brengt, terwijl dat absoluut niet nodig was. Voor mensen die Harry Potter in meer detail kennen: naar het departement van mystificatie gaan om Sirius te redden, terwijl hij hem in de tweewegspiegel kon roepen om te kijken waar hij was? Niet echt doordacht… Als Harry toen wat minder impulsief had gereageerd, had zijn peetvader nog geleefd.

Je kan ook duidelijk maken dat Harry Haringhandelaar gehecht is aan zijn rode zakdoek en altijd controleert of hij die zich bij zich heeft als hij het huis verlaat. Soms zijn het niet eens (opvallend) grote dingen die de omstandigheden maken tot iets wat aan kan spreken. Details of de net iets grotere dingen die meer opvallen, maar waar je normaliter niet zomaar bij stilstaat moet je gaan gebruiken om empathie op te wekken. En die verzin je niet zomaar. Of juist wel, maar dan onthoud je er niet genoeg of je onthoud je niet lang genoeg om van al die feitjes een plot of personage te kunnen maken dat uiteindelijk leidt tot empathie.

Je kan deze factoren niet pas verzinnen als je aan het schrijven bent. Zie het ‘gereedschappen smeden voor empathie’ als een afzonderlijke, voor te bereiden klus, net zoals het (globaal) uitschrijven van je plot of het maken van de personagebiografieën. Volgende week meer over dat smeden en de samenhang met andere zaken van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Aarón Blanco Tejedor via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… rommel

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… rommel.

Rommel, of toch niet?

Dit artikel gaat over voorwerpen waarvan je kan denken: eigenlijk is het gewoon rommel. Maar toch koop je dat object, of je gooit het niet zomaar weg. Het zijn het soort spullen waar winkelketens als de Action en de SoLow hun naam mee maken en veel geld mee verdienen.

Het is veel mensen niet vreemd dat je naar zo’n winkel gaat om een goedkoop collegeblok te halen, om vervolgens met een mandje vol andere spullen thuis te komen. Een mandje vol ‘rommel’.  Maar jíj kwam voor dat collegeblok, iemand anders komt gericht voor iets heel mafs. Een puntenslijper in neusvorm, zodat het lijkt alsof je met een potlood in een neus graaft, bijvoorbeeld. Als zo´n voorwerp er niet was, zou niemand het missen. En toch wordt het gekocht.

De prompt voor deze observatieoefening: maar door wie, en waarom?

Wie wil deze rommel?

Bedenkt als eerst eens wie dit rommelvoorwerp heeft, of zou kopen. Soms is dat overduidelijk: mensen die een vrijgezellenfeest gaan vieren, moeders van de knutselgroep, toeristen… Als je weer eens naar deze winkels gaat, kijk dan eerst naar het voorwerp en bedenk dan wie speciaal daarvoor naar de winkel gaat. Wat is hun ‘collegeblok’?

Er zijn ook mensen die heel gevoelig zijn om die mandjes maar vol goedkope spullen te stoppen, omdat het ‘toch niks kost’.  Maar ook die mensen laten dingen liggen. Je kan dit idee dus ook omdraaien: waarom koopt jouw Kaatje Koopziek wél een eierdopje met ‘blij ei’ erop, ook al houdt ze niet van eieren, maar koopt ze géén paashaasvormige cakevormpjes?

Kijk eens naar de klanten in de winkel. Zie je een stel tienermeiden giechelen bij de extreme verkleedkleren en make-up? Probeer dan eens in te schatten wat ze heerlijk maf vinden en dus kopen, en juist te veel van het goede, waardoor ze het laten liggen? Waar zie je dat aan? Houding? Aan wat ze zeggen?

Waar heb je deze rommel voor nodig?

Bij de creatieve spullen vind je iemand die je meteen als knutselmoeder zou bestempelen. Logisch dat die hier komt: als ze voor de school inkopen moet doen, kan dat hier nog binnen het budget dat ze heeft. Maar dan zie je iemand die overkomt iemand die voor veel geld door bedrijven wordt betaald om weer een beetje pit op de werkvloer te krijgen. Wat doet hij in hemelsnaam bij de neusvormige puntenslijpers?
Die heeft hij nodig voor een oefening out-of-the-box denken als het gaat om hoe iets eruitziet. Of hij wil met maffe spulletjes het innerlijke kind bij de deelnemers losmaken. Dan is die puntenslijper ineens geen rommel meer, al zou je denken dat hij dat wel zo zou zien.

Met andere woorden: ook al is een voorwerp in de winkel objectief gezien misschien rommel, probeer eens een scenario te bedenken waarin dat niet meer zo is.

Wie en wat combineren

Het beste resultaat om je fantasie en observatievermogen te prikkelen krijg je als je het wie en wat combineert. Mix en match waar je kan. Als je dat goed doet kom je een schat aan inspiratie tegen en zal je soms ook merken dat de mogelijkheden niet zo eindeloos zijn als ze lijken.

Kom je zelf niet op het idee van de out-of-the-boxtraining van de teamcoach? Dan wordt het waarschijnlijk lastig om die neusvormige puntenslijper te verantwoorden. Zo leer je dat er dingen zijn die gewoon niet bij je personage, het verhaal of de omstandigheden passen. Dat is belangrijk om te weten en te leren voor het schrijven van een prettig leesbaar verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Şahin Sezer Dinçer verkregen via Unsplash.

Verklaren, niet goedpraten: de schrijftechniek ‘blindstaren’

Van echt verdorven slechteriken moet je de acties niet goedpraten met een tragisch achtergrondverhaal, maar moet je die verklaren. Het vergt maatwerk om dat goed te doen, maar het uitgangspunt van blindstaren helpt je een eind op weg.

Tragisch achtergrondverhaal

Je moet van een antagonist of een echt verdorven personage kunnen verklaren waarom die zo ontzettend slecht is, anders komt het verhaal cartoonesk of ongeloofwaardig over. Maar dat verklaren moet geen goedpraten worden, want dan krijg je het tragische achtergrondverhaal: omdat iemand vroeger is mishandeld, mag dat ook bij diens kind gebeuren. Natuurlijk niet! Maar als dat wel oorzaak en gevolg is, dan kan je dat ook niet helemaal wegstoppen. Anders ontdekt de lezer nooit een belangrijk feit van deze mishandelende ouder. Om dat alsnog goed te laten verlopen, kan je onthouden dat deze ouder zich moet blindstaren.

Casus: Die Wannsee Konferenz

Die Wannsee Konferenz is een film gebaseerd op de vergadering in de Tweede Wereldoorlog waarin werd besloten dat voor de genocide van de joden gas moest worden ingezet. Het is dan 1942, dus de propaganda van de SS heeft al duidelijk effect gehad. Van de officieren die hier een vinger in de pap hebben, hoef je geen spatje humaniteit te verwachten. Tenminste, dat verwacht je. Het misselijkmakende is dat alles wat in die vergadering besproken wordt – hoe en hoe snel joden gedeporteerd moeten worden, hoe ze vermoord moeten worden, welke rechten ze hoe lang nog mogen houden- vanuit het oogpunt van de SS oprechte humaniteit betreft. Uiteraard gold dat alleen voor Arische mensen, maar daar zit de perverse crux.
De Duitse soldaten raakten getraumatiseerd of aan de drank vanwege het zien van de de torenhoge stapels lijken, het doodschieten van kinderen en het gegil en de doodsangst van degenen die ze doden moesten. Daarom was vergassen een uitkomst, omdat zo ieder menselijk contact werd weggenomen en dus ook de oorzaak van de trauma’s. Dus was de SS er niet op uit om met vergassen gemeen te zijn, maar juist efficiënt en humaan.

Ik word misselijk van het typen van die laatste regels. Niet prettig, maar dat is wel een teken van verklaren versus goedpraten. Bij verklaren word je als schrijver niet goed van je eigen tekst, maar zie je de feiten onder ogen, ook al wilde je dat het anders was. Merk je dat je iets schrijft in een stijl die empathie of medelijden opwekt of dat moet doen, dan gaat je tekst al richting goedpraten. Dat doen de mannen zelf uiteindelijk wel, als het besluit is genomen: “Als dit de bloedbaden van het schieten wegneemt en onze mannen worden gespaard dan is dat een grote opluchting. Te weten dat we alles gedaan hebben dat menselijkerwijs nodig is.”

(Dit is een goede, maar géén prettige film…)

In een andere scène wordt er besproken welke joden voor de eerste deporaties in aanmerking komen. Zijn dat naast volbloed joden ook halfjoden, kwartjoden…? Dan komt een casus ter sprake:

“Een halfjood heeft een duitse vrouw en kinderen en wordt niet geëvacueerd, maar zijn broer zonder vrouw en kinderen volgens dit voorstel wel. Hoe legt u dat aan de familie uit? Aan de árische familie, de árische schoonzus, begrijpt u mij, collega? We kunnen niet kwartjoden als duitsers behandelen, maar tegelijk hun half joodse familie evacueren.”
“Begrijp ik u nu goed? Heeft u medelijden met joden?”
“Zeer zeker niet! Maar dit zou voor onrust zorgen en de Führer heeft overduidelijk gezegd dat dat koste wat kost vermeden moet worden.”

Waar je even een sprankje hoop kón hebben dat er nog iets humaans te bespeuren was bij een van deze mannen, blijkt het gewoon om ‘Befehl ist Befehl’ te gaan. Niets verzachtends, maar de keiharde waarheid. Daarover later meer.

Blindstaren als schrijftechniek: blind & staren

Ter verduidelijking van de verdere uitleg wat ontleding:
Blind zijn: je ziet iets gewoonweg niet meer, ook al speelt het zich voor je neus af, of is er bewijs te over voor een tegenargument.
Staren: naar iets kijken en alleen dáár naar kijken: een hyperfocus op een ding, waardoor al het andere geen aandacht meer krijgt.
Blindstaren: iets niets meer beseffen, omdat je een specifiek iets niet meer opmerkt of wegwuift én het andere alle mogelijke aandacht krijgt, terwijl die juist (óók) ergens anders naartoe hoort te gaan.

In het voorbeeld van Die Wannsee Konferenz is men dus blind voor (de gruwel van) genocide, omdat er gestaard wordt naar het probleem van getraumatiseerde Duitse soldaten. Het resultaat: blindstaren op het feit dat genocide hoe dan ook inhumaan en afschuwelijk is.
Het sommetje van blind + staren = blindstaren is een handig middel om na te gaan hoe iets heeft kunnen gebeuren. Het helpt ook om af te bakenen waar de oorzaken echt liggen en wanneer je richting goedpraten gaat. .
Zo zegt een van de officieren: “Het moet ook efficiënter omdat elf miljoen kogels veel te kostbaar zijn in oorlogstijd.” Vanuit de gestoorde waarheid van de SS gezien klopt dat wel, maar dat is alweer goedpraten. Als je het op het kogeltekort gaat gooien, heb je het over de militaire strategie. Dat laatste is een voorbeeld van blindheid die tot blindstaren leidt. Want het probleem is natuurlijk niet dat er te veel joden zíjn, het probleem is dat de SS ze dood wil hebben.

Als je wil verklaren, niet goedpraten, moet je het juist hebben over datgene wat zoveel pijn doet om üperhaupt te benoemen. Goedpraten is in wezen dus eigenlijk om de hete, pijnlijke brei heen draaien om de pijn die bij iets gruwelijks komt kijken, niet onder ogen te hoeven zien. Merk je dat je (te) graag wil dat :
– er verzachtende omstandigheden in het spel zijn
– de lezer wordt gespaard
– iets afschuwelijks een hoger of beter doel dient
– het verdorven gegeven een ‘aanloop’ is naar iets waardoor het uiteindelijk nog goedkomt

vul de som blind+ staren = blindstaren dan nog eens in met jouw verhaalelementen. Dan zie waarschijnlijk dat het kiezen of delen is als je een tragisch achtergrondverhaal wil voorkomen als er een zeer pijnlijke geschiedenis speelt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Karsten Winegeart via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… geloof

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… geloof.

De uitkomst van geloven en religie

Iets geloven en religie hebben een overlap, ook al zijn het niet dezelfde dingen. Je gaat bij iets geloven namelijk uit van een bepaalde uitkomst, al dan niet  door toedoen van een hogere macht. Tegelijkertijd heb je daar niet altijd bewijs voor. Van een god weten we immers niet zeker of die bestaat en van na een proefwerk zeg je ook “Ik geloof dat dat wel goed is gegaan.”  Je kan wel zeggen dat je weet dat het goed is verlopen, maar zolang je het cijfer nog niet terug hebt gekregen, weet je het nooit echt zeker.

Dat is ‘geloven’ zoals het in dit artikel wordt bedoeld: uitgaan van een bepaalde uitkomst, zonder dat daar echt bewijs voor is.

Voor observatiedoeleinden is er een groot verschil tussen religie en geloven. Maar ze zijn beide nuttig en leveren elk unieke vondsten op.

Religie observeren

Iemand die een bepaalde religie aanhangt, gelooft dat er dingen van kloppen. Maar waaraan kan je dat concreet merken? Denk aan de kledij die iemand draagt, of dat iemand een ‘wees gegroet’ bidt in plaats dat die van zich tot Allah richt. Maar ook dat een moslim bijvoorbeeld niet drinkt, omdat die gelooft dat hij daarvoor gestraft zal worden. Met andere woorden: de regels en richtlijnen van een religie kunnen het denken en handelen van iemand bepalen. Je kan dit per religie observeren, of juist lijken wat de gemene deler is van alle grote religies in de wereld.

Bedenk vervolgens eens hoe jouw/ een personage heel anders zou zijn als deze religie niet werd aangehangen. Moet je veel in de personagebiografie veranderen? Dat zegt ook heel wat over wie je personage ten diepste is.

Geloven observeren

“Ik geloof dat alles altijd goed komt.” “Ik geloof in liefde op het eerste gezicht.” Spits je oren extra goed als je iemand iets hoort zeggen dat begint met “Ik geloof…”, want daar kan je soms het principe oorzaak en gevolg aan koppelen. Zo zou de romanticus het best lastig kunnen krijgen op Tinder. Want als je meteen als een blok voor iemand ‘moet’ vallen, swipe je waarschijnlijk heel vaak naar links. En dan zullen er ook relatief veel meer eerste dates dan tweede dates komen. Want als het niet onmiddellijk klikt…
Met nog een beetje meer observeren van deze persoon ( of met wat extra fantasie) kan je daar nog meer bij bedenken. Als alles meteen moet kloppen in de liefde, heb je dan bijvoorbeeld ook een perfectionist voor je, die sowieso geen fouten of onvolmaaktheden tolereert?
Kijk eens wat je met die ‘Ik geloof…’-uitingen associeert en welk gedrag je dan óók -of niet- terugziet in de ander.

Of het nu om religie of om een overtuiging gaat, als je kijkt waar iemand in gelooft en (dus) ook naar handelt, kan je daar al een grote opzet voor een personage van maken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Pedro Lima verkregen via Unsplash

Uiterlijke kenmerken in een tekst verweven

Uiterlijke kenmerken van een personage zijn belangrijk om in een verhaal te noemen. Maar als je daarvoor de tekst moet afremmen, komt dat erg geforceerd over. Je kan er beter voor zorgen dat het beschrijven van het uiterlijk als een onderdeel van de scène voelt. Hoe krijg je dat voor elkaar?

Welke uiterlijke kenmerken beschrijf je?

Als je uiterlijke kenmerken van je personage beschrijft, doe dat dan met zorg. Voor je het weet, heb je een infodump te pakken. Het is niet alleen veel informatie om alles te delen over het uiterlijk van je personage, je moet er ook voor zorgen dat je nog iets aan de verbeelding van de lezer kan overlaten. Dat is een eerste stap om te beslissen welke uiterlijke kenmerken je met je lezer deelt: wat moet die echt weten? Als je personage zwart haar en blauwe ogen heeft, kan je schrijven dat hij zwarte haren heeft als dat belangrijk is. Als de oogkleur dan bruin wordt in de verbeelding van de lezer, dat is dan maar zo.

Bedenk wel dat haar- en oogkleur zo’n beetje de meest standaard dingen zijn om over een uiterlijk te delen. Ook zeggen die vrij weinig over het totale plaatje van het uiterlijk. Kijk maar eens hoe verschillend deze vrouwen zijn, hoewel haar- en oogkleur hetzelfde zijn:

Foto door Good Faces verkregen via Unsplash

AI- gegenereerde afbeelding, verkregen via Pixabay.

Om deze vrouwen van elkaar te onderscheiden, zouden huidskleur, kapsel, de aan-/ afwezigheid van sproeten en hoogte van de jukbeenderen veel effectiever zijn. Onderschat daarbij ook schoonheidsidealen niet. Blond haar en blauwe ogen worden normaliter als aantrekkelijk beschouwd, maar als ogen waterig en fletsblauw van kleur zijn, in plaats van het helderblauw dat je voor je ziet… En als diegene dan ook nog eens vele littekens in het gezicht heeft, gemeen uit de ogen kijkt en ook nog eens krijst in plaats van praat, is er van dat beeld van het perfecte, lieve model weinig over…

In plaats daarvan kies je liever voor iets dat ook een verschil gaat maken in het plot. Of dat nu lengte, lichaamsbouw, ras, kledingstijl, neus-of gezichtsvorm of toch haarkleur is, scheelt per verhaal en per personage. Je personagebiografie kan je helpen hierin beslissingen te nemen.

Wat is er in de scène (aan de hand)?

Als je weet welke uiterlijke kenmerken van een personage je wil delen, kijk je naar de scène waarin je hen introduceert. Doe dat vrij letterlijk: kijk bijvoorbeeld of het buiten onweert. Een bliksemflits die oplicht kan duidelijk licht werpen op de forse neus van je personage. Of het felle licht van de zon kan het glanzende haar van je personage nog meer doen opvallen. Of is er misschien een lange trap? Dan kan je personage hijgend aan komen rennen, buiten adem omdat de korte beentjes een uitdaging hebben aan die trap.

Je kan ook kijken wie er in de scène nog meer aanwezig zijn en/ of wat die personages op dat moment doen of denken. De relatie die je personage met de ander(en) heeft, kan ook een aanleiding zijn om iets van het uiterlijk of een karaktertrek te delen.

Denk aan iets als: de gerimpelde handen met de ouderdomsvlekken van opa waren zo vertrouwd, dat ik ze stuk voor stuk kende. Het was alsof ik een kaart had waarvan ik de route uit mijn hoofd wist. Die grote vlek vlak voor de middelvinger en de kleine, in de ruimte tussen duim en wijsvinger. Het was als een veilige thuishaven, nu de rest van mijn leven op zijn kop stond, zo vlak na de vechtscheiding. Met mijn blik op die handen gericht, voelde ik mijn hartslag dalen.
Zo deel je niet alleen uiterlijkheden, maar geef je ook meteen mee dat opa:
– vanwege de ouderdomsvlekken hoogstwaarschijnlijk ouder is dan zestig
– een goede band heeft met het kleinkind: details van handen onthoud je niet als je elkaar uit de weg gaat of niet vaak ziet.

Wanneer deel je uiterlijke kenmerken?

Het is handig om een of twee uiterlijke kenmerken over een personage meteen te delen, zodat de lezer meteen een beeld daarvan kan vormen. Pas daarbij wel op dat je niet dezelfde afweging maakt als bij het beschrijven van een figurant. Waar die een typerend sweatshirt kan dragen ten behoeve van (tijdelijke) symboliek, is het voor een personage belangrijk dat die ‘blijvende kenmerken’ heeft, die dus niet van het moment afhankelijk zijn. Anders komt dat al gauw cliché over. Gebruik dat eerste moment van beschrijven voor een goede kennismaking met je personage.
Als je personage uiterlijke kenmerken heeft waar later een plottwist van komt (denk aan de groene ogen van Harry Potter en de relatie die Sneep met zijn moeder had) of waar een groot deel van het plot op verdergaat, geef het dan niet te veel nadruk: dat komt geforceerd over. Het is echter wel handig om te benoemen, anders komt het later weer uit de lucht vallen.

Wees je ook bewust van het feit dat je lezer eerst moet investeren in een personage, voordat er daadwerkelijk meegeleefd wordt met diens verhaal. Stel dat iemand met uitzonderlijk veel rimpels zegt dat iedere rimpel is verdiend, val dan niet met de deur in huis met iets als: tantes gezicht zat vol rimpels, maar wat wil je ook? Ze was het ouderlijk huis uit gevlucht in haar tienerjaren, had een kind verloren en jarenlang in armoede geleefd. Met andere woorden: waak voor slechte expositie.

Als uiterlijkheden op zichzelf een verhaal vertellen in plaats van een simpel zichtbaar feit, overhaast dan niets en geef dat uiterlijke kenmerk dan ook het verhaal dat het verdient. Behandel het dan niet als een detail dat je ‘toevallig’ moet delen om de verbeelding van de lezer een zetje te geven. Zie de benoeming van dat kenmerk dan als een startsein voor een subplot, in plaats van iets dat je snel moet melden. Noem het wel meteen, maar schrijf het als het even kan niet in dezelfde zin of dezelfde situatie als iets wat wel als ‘visueel detail’ kan worden gezien.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De observerende schrijver: ik zie…een ander medium

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: ik zie… een ander medium.

Boek versus film

Het is de eeuwige discussie: is het boek altijd beter dan de verfilming? Het eerlijke antwoord is: dat is appels met peren vergelijken. Je kan in een twee uur durende film nu eenmaal niet de eindeloze subplots van een boek in beeld brengen. Andersom geldt ook: wat een filmkijker in een enkele tel kan zien, kost de lezer langer om te bevatten: in de sjieke kamer was de sfeer om te snijden werkt in theorie, maar het is beter als je omschrijft wat voor meubels die kamer dan zo luxe maken en hoe ongemakkelijk iedereen zich beweegt. Dat kost al gauw meerdere regels en gaat dus trager.

Probeer in plaats van te denken welk medium beter is, wat de andere technieken zijn die je moet gebruiken als je voor iets anders schrijft dan een boek. Zolang er een verhaal in het medium voorkomt, kan je het gebruiken. Denk aan een film, maar zeker ook aan reclamespotjes met een grapje erin, videogames of zelfs een hoorspel.

Schrijftechnieken observeren

Een ander medium is bij uitstek een manier om te zien hoe een schrijftechniek er in de praktijk uitziet. Of liever: kan jij zien hoe die techniek is gebruikt in het schrijven van dit script? En waarom dat hier (niet) werkt of beter zou werken bij een ander medium?
Een voorbeeld: show, don’t tell is een belangrijke schrijftechniek voor in een boek.
Als je zegt: “Ik heb verdriet,” spreekt dat minder tot de verbeelding dan wanneer je schrijft dat de tranen over de wangen lopen. Het woordelijk uitspreken van verdriet is in een boek al op het randje. Stel je nu eens een filmscène voor waarin je de acteur zíet huilen en hij deze tekst ook nog eens zegt. Dat is óver het randje, want nu is het dubbelop. Aan de tekst verandert er niets, maar omdat je met een ander medium van doen hebt, moet je dus ook dingen anders (om)schrijven.

Denk aan dingen als:

  • In een film kan je niet woordelijk de gedachten van je personage weergeven.
  • In een videogame kan je niet één lineair verhaal vertellen. Geef de gamer de controller en die gaat linksaf waar jij hoopte dat die rechts zou gaan…
  • In een boek kan de verbeelding de overhand krijgen. Een film betreft beeld en stuurt daarmee ook de aandacht en verbeelding  enigszins.
  • Een reclame voor een voetbalwedstrijd werkt niet als je nog gaat uitleggen hoe fantastisch de sport zelf is. (Lees: hier ligt de focus op verkopen, niet op beschrijven van een voetbalwedstrijd zelf.)

Schrijf eens op in je opschrijfboekje wat je zoal opvalt aan deze verschillende manieren van schrijven voor verschillende media.

Klaar om anders te schrijven

Nu je weet waarom en hoe er andersp moet worden geschreven bij verschillende media, kan je dat in je voordeel gebruiken. Weet je dat je sfeeromschrijving vooral abstract op te schrijven bij een filmscript? Kijk dan eens welke woorden je dacht nodig te hebben voor een boek. Misschien kan je er heel wat schrappen. Dat komt dan ten goede van je schrijfstijl in je boek: zo ben je al alerter op wollig taalgebruik.

Het op deze manier observeren van schrijftechnieken kan je helpen de jouwe te verbeteren.   

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Erik Mclean verkregen via Unsplash.

Nadruk en kennis van een verhaal

In je enthousiasme kan je als schrijver je tekst nogal eens interessanter lezen dan hij eigenlijk is. Een gevolg daarvan is dat je met nadruk gaat schrijven, zonder dat dat nodig is. Maar soms is nadruk wel degelijk van toegevoegde waarde.

Waarom zou je met nadruk schrijven?

Je schrijft met nadruk omdat de lezer echt. Moet. Beseffen. Dat dit belangrijk is! Je sluit de mogelijkheid uit dat de lezer over dit gedeelte heen leest, door extra hoofdletters, punten, komma’s of cursieve of vetgedrukte woorden toe te voegen Onbedoeld of niet, als je schrijft met extra nadruk, denk je dat je lezer niet genoeg geïnvesteerd heeft in je verhaal. Bedenk maar eens: zou je drie keer achtereen een scène schrijven waarin er iemand wordt gemarteld als je niet héél duidelijk wilde maken dat deze slechterik echt verdorven is? Of drie keer in een hoofdstuk een seksscène toevoegen als het al overduidelijk is dat de vonken er van afspatten? Waarschijnlijk zou je verder gaan met het plot.
Als je als schrijver nadruk gaat leggen op iets in de tekst is er een van deze drie dingen gaande:
* De innerlijke voorlezers van jezelf en de lezer komen niet overeen.
* Je hebt gelijk: je lezer weet nog te weinig van je verhaal of personage om op het puntje van de stoel te zitten.
* Dit is het spannendste moment in het boek, wat extra context nodig heeft om die spanning écht te kunnen bevatten.

Over de innerlijke voorlezer schreef ik vorige week al uitgebreid, nu ga ik op de twee andere punten in.

Over wie gaat dit eigenlijk?

Voordat een lezer echt in het verhaal gezogen kan worden, moet die weten over wie het verhaal gaat. “Jantje de groenteboer’ is dan niet genoeg. Je moet weten wie Jantje als volwaardig persoon/ personage is. Anders gezegd: tenzij je lezer een redelijk beeld heeft van de personagebiografie van de held, kan het je lezer niet tot nauwelijks iets schelen wat die overkomt. Het is moeilijk meeleven met iemands problemen als je weet dat er honderden, zo niet duizenden anderen met soortgelijke problemen rondlopen. Daar zou je hoofd overvol van raken.
Maar zodra je een beeld of een gevoel hebt bij iemand, speelt het andere uiterste vrij snel mee. Denk aan je moeder die vroeger op de camping zei dat je dat lieve katje op de camping géén naam mocht geven, omdat je het anders niet meer zou kunnen ‘achterlaten’ in Zuid-Frankrijk. We nemen geen afscheid van een katje, maar van Blanche! Hetzelfde idee gaat op voor een personage, alleen is het proces van ‘een naam geven’ uitgebreider.

Het gaat over Blanche!

Als je het dan voor elkaar hebt gekregen dat je lezer met het campingkatje Blanche meeleeft, moet je goed inschatten (en ook zeker niet onderschatten!) hoe gehecht de lezer aan een personage raakt.
Lieve Blanche is niet zomaar een leuk katje, maar eentje die het verschil maakte tussen een vervelende en een fantastische vakantie. Want de trip was compleet verregend, maar Blanche kwam iedere dag naar de tent getrippeld om kopjes te geven en op schoot te komen zitten. Zo ongelooflijk schattig!

Dan breekt Blanche een poot en schrijf je: Het arme beest had een poot gebroken. Het liep er zielig bij. Echt heel zielig. Langzaam, langzaam kwijnde Blanche weg. Zoals dat pootje…

Dan gaat de lezer je onderbreken:
* Denk je dat ik geen empathie heb of zo?
* Het gaat over Blanche, de kopjeskampioenkat! Túúrlijk is dit zielig! In de tijd dat je benadrukte, had je de dierenarts moeten bellen!

Als je goed schrijft over een personage, is de empathie van een lezer onderschatten een manier om die snel en onherroepelijk te verliezen. Empathie opwekken doe je in de loop van (de) scène(s), niet met nadruk met behulp van een aantal losse woorden of leestekens.

Nadruk op een groot moment

Hoewel je het zeker niet overdadig moet gebruiken, kan je nadruk gebruiken om te laten zien waarom er onder de oppervlakte nog meer speelde dan de lezer vermoedde. Dat doe je op een belangrijk moment. Zo gebruik je nadruk niet om de lezer iets door de strot te duwen, maar juist meer te ontdekken over iets waar niets meer te ontdekken leek.

De campingbaas vertelt dat Blanche ooit aan kwam lopen als verwaarloosd en gewond katje. Nu, een paar jaar later, laat ze zich graag knuffelen. Maar soms schrikt Blanche uit het niets als iemand op haar toe loopt. Wijd dan eens een scène waarin Blanche terugblikt op haar slechte ervaringen met mensen. Vertel dat ze bijzonder alert is op mensen die ze als boeren inschat. Ze woonde vroeger op een boerderij. Het is verstandig om die informatie prijs te geven in bijvoorbeeld hoofdstuk 3 (en nog een keertje terug te laten komen in hoofdstuk 6) op het moment dat het ‘grote moment’ in hoofdstuk 10 komt. Zo je informatie geven en spreiden geeft de lezer voldoende houvast, zonder dat je het risico loopt dat de nadruk erg geforceerd overkomt.

Blanche ontmoet een campinggast bij wie ze graag komt knuffelen. Maar dan draagt die ineens klompen. Stapje voor stapje komt de kat alsnog naar de campinggast toe:

Ik weet dat dit mens te vertrouwen is, maar toch sta ik te trillen op mijn poten. Dat typische geluid van dat vreselijke schoeisel blijft gewoon doodeng. Langzaam strekt de hand zich naar me uit en aait me voorzichtig en liefdevol over mijn rug. Het doet geen pijn. De gast droeg klompen. Klompen. En toch durfde ik mezelf te laten aaien.

De lezer wist nog niet dat het geluid van klompen Blanche op scherp zet. Wat blijkt nu? Niet het ‘bredere begrip’ boeren, maar ‘klompen’ associeerde Blanche met gevaar. Nu weet de lezer een belangrijk detail dat de basis vormt van de ellende die al duidelijk was, maar gruwelijker wordt omdat die daar nu een heel specifiek beeld bij heeft. Met een nadruk die als vanzelf ook een show don’t tell heeft dat er nu eindelijk een vervelend hoofdstuk in Blanches leven is afgesloten.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Max Sandelin verkregen via Unsplash.