Een kernemotie centraal stellen in je verhaal — een theoretische inleiding

Er zijn verschillende manieren om de beleving van je verhaal en een goed plotverloop te waarborgen. Een bekende daarvan is het afbakenen van het verhaalthema. Een andere, minder gebruikte manier is om jezelf af te vragen welke kernemotie je verhaal moet oproepen.

Emoties oproepen bij je verhaal

Ieder verhaal heeft momenten van spanning, relatieve rust en belonende onthullingen. Daarbij komen ook verschillende emoties los: verdriet als de held iemand verliest en blijdschap en opluchting als de missie is geslaagd. In dat opzicht is het niet mogelijk om je tot één emotie te beperken die je bij de lezer op wil roepen. Tegelijkertijd heeft ieder verhaal ook een overkoepelende emotie. Zo is het verhaal over een terminale patiënt vooral verdrietig, waar de feelgood vooral blijdschap oplevert.
Als je zo naar emoties kijkt en ze ook preciezer gaat ontleden of onderverdelen, kan je een centrale emotie vinden die de leidraad voor je verhaal vormt, zonder dat je het algemeen houdt of cliché maakt.
Van de tien boeken die je leest en je vrolijk maken, zijn er misschien drie die je hoopvol stemmen. Als je op die manier je boek het specifiekere emotionele label van ‘hoopvol’ mee kan geven in plaats van het meer algemene ‘vrolijk’, dan val je (met je boek) al meer op en zullen meer lezers nieuwsgierig worden naar je verhaal.

De emoties op de gezichten van deze lollige eitjes op de eerste rij zijn ‘basisemoties’. Je ziet echter niet wat er getekend staat op de eitjes op de achterste rij (lees: welke emoties ‘erachter’ zitten.) Als je de moeite doet om dat wel proberen te ontdekken, dan kom je misschien wel iets heel verrassends tegen. Iets wat meer diepgang geeft dan afgaan op wat je op het eerste gezicht ziet. ( In dit geval ook letterlijk in het geval van de eitjes op de eerste rij.) Bij het schrijven van je boek kan dat een enorme verrijking zijn voor de invulling van je verhaal.

Foto door Tengyart op Unsplash.

Emoties onderverdelen: psychologisch graven

Je kent het beeld vast wel van de psycholoog die vraagt: “En wat zit er achter de boosheid die je nu voelt en benoemt?”
Je kan inderdaad alleen maar boosheid voelen, maar het is vaak zo dat je denkt dat het boosheid is, maar dat dat slechts het eerste woord is wat in je opkomt. Iets ‘boosheid’ noemen is makkelijker, omdat het moeilijker is om bijvoorbeeld jaloezie emotioneel als zodanig te identificeren. Daarmee wordt het als zodanig benoemen daarvan ook moeilijker. Dat is ook niet zo gek. Het is het verschil tussen: “Ik kan boos worden op mensen die op anderen neerkijken,” waarbij de kous af is en: “Ik ben jaloers op mensen die meer hebben dan ik, want dan voel ik me een mislukkeling, twijfel ik aan mezelf en kan ik boos worden over het onrecht en de machteloosheid die ik voel.” Dat is nu eenmaal veel (meer) om te voelen.
Maar laat dat psychologisch graven niet zomaar links laten liggen, hoe verleidelijk dat misschien ook is. Sommige nuances of onderliggende emoties lijken nauwelijks anders te zijn, maar hebben belangrijke verschillen.
Neem boosheid en frustratie. Boosheid is heel ‘zuiver’ : “Ik word boos als mensen bij oranje licht stoppen, in plaats van doorrijden.” Bij frustratie speelt mee dat jij door omstandigheden die buiten jezelf liggen je iets niet kan bereiken. En inderdaad, je als gevolg daarvan boos wordt: “Doordat die eikel stopt bij het oranje licht, kan ik niet doorrijden en mis ik de start van een belangrijke vergadering.”
In een verhaal is dat op de langere duur een belangrijke verschil: een boos personage klaagt altijd en heeft woede-uitbarstingen. Een gefrustreerd personage geeft altijd anderen de schuld geeft en vindt zichzelf belangrijker dan hij is.

Persoonlijke narratieve beleving bij emoties

Uiteraard wordt niemand blij van verdriet. Maar dat betekent niet dat iedereen op dezelfde manier met iedere emotie omgaat. De een heeft woedebeheersingstraining nodig, waar de ander dat helemaal zen bijna moeiteloos kan wegademen. Bovendien heeft iedereen ook nog eens een ander beeld bij emoties, zeker in de context van verhalen hebt. Zeg ‘liefde’ en het is zeer waarschijnlijk dat dat met een romantisch drama wordt geassocieerd. De een zal juichen: “Yes, lekker zwijmelen,” waar de ander zal zuchten: “O God, daar gaan we weer… Kan die alfaman nou niet eens een keer opkrassen?”
Maar jij bedoelde met liefde die tussen moeder en kind. Je kan dus stellen dat ook jij als schrijver een persoonlijke interpretatie hebt van bepaalde emoties en daarmee ook bij diens nuances. Het is dus des te belangrijker dat je die interpretaties en verschillen goed in kaart brengt. Anders kan je kernemotie als leidraad van je verhaal falen of heel anders uitpakken dan je bedoelde.

Het kiezen van een kernemotie voor de toon van je verhaal is dus niet een klus die één, twee, drie geklaard is. Daarom ga ik volgende week de blogpost wijden aan dit proces.
Je kan alvast proberen zelfstandig te beginnen. Schrijf op welke emoties je kan benoemen en denk na over welke emoties en bijbehorende nuances daarachter kunnen liggen. Zie je dan een verschil met wat dat met een personage of de sfeeromschrijving of de verhaalbeleving doet of kan doen? Heb jij net als in het voorbeeld persoonlijke beelden bij emoties? Waar denk je dan op te moeten letten om dat universeel te kunnen vertalen naar de beleving die je met je boek op wil roepen?

Succes en tot volgende week!


Persoonlijke symboliek in je verhaal gebruiken

Een volle maan voor romantiek en een schedel voor dood en verderf: de meeste symbolen die in verhalen worden gebruikt zijn meestal recht voor zijn raap. Daarom kan het handig zijn om ook eens symboliek te gebruiken waarmee de lezer niet al meteen kan raden wat komen gaat. Daarvoor zijn persoonlijke associaties geschikt. Maar die moet je wel op een goede manier introduceren, wil het allemaal nog een logisch geheel vormen.

Veelgebruikte symbolieken: een scène in het kort

Laten we eerst eens kijken naar een veelgebruikt symboliek om te zien wat die voor associatie met zich meebrengt. Dan weet je wat je mist bij een symboliek dat in beginsel geen overbekende associaties oproept.
De volle maan kan staan voor een romantisch boottochtje. Als vanzelf verwacht je dan ook dat er vooraf een diner bij kaarslicht wordt gehouden dat er tijdens het varen wordt gekust. Met andere woorden: van het een komt het ander. Met slechts een paar woorden zie je al een (korte) scène voor je.

Blanco symbool

Nu gaan we het hebben over de eend. Die staat overduidelijk symbool voor… uh…
Je kan specifieke dingen associëren met deze vogel, zoals zijn typerende gekwaak. Of misschien zie je Donald Duck voor je. Maar het is niet zo dat een eend onomwonden verbonden is met een bepaalde trope of een specifiek genre. Je zou een eend dus als een blanco symbool kunnen zien. Je kan er een symbool van máken, maar dat is het nog niet op zo’n manier als de volle maan of schedels dat zijn. Het staat je vrij om nog helemaal op dit ‘blanco velletje’ te tekenen.
Om het jezelf makkelijk te maken, stel je jezelf eerst de vraag: Ga ik dit symbool uitwerken volgens een verhaalthema of vanuit de persoonlijke beleving van mijn hoofdpersonage?

Werken volgens een verhaalthema

Als je met een symbool werkt en een verhaalthema het uitganspunt vormt, is dat eigenlijk hetzelfde zoals bij de welbekende symbolieken. Je moet alleen andersom gaan denken. In plaats van dat je weet dat je weet dat de volle maan romantiek betekent, moet je nu gaan bepalen waarom de eerdergenoemde eend iets specifieks moet uitdragen. Daarvoor kan je een woordenweb maken Om niet helemaal bij nul te beginnen, zijn mythologieën, sprookjes en droomwoordenboeken een goed startpunt. Ze voorkomen bovendien dat je eindeloos gaat uitweiden wat het symbool al dan niet moet betekenen. Kijk eens naar wat droominfo.nl schrijft over een eend: Eenden zijn veelzijdig in de zin dat ze kunnen lopen, zwemmen en vliegen. Een eend wijst daarom op flexibiliteit en je vermogen om je aan verschillende omstandigheden aan te passen.
Als je in jouw persoonlijke woordenweb ‘vrolijk waggelend’ en ‘gezellige kwaker’ hebt staan, kan je dat combineren tot een manusje-van-alles dat ook veel kletst en een gevoel voor humor heeft. Laat hem ook nog eens eendenoppasser zijn en een eend in details terugkomen als er iets grappigs gebeurt en de situatie flexibiliteit vereist. Dan wordt de eend in dat verhaal net zo symbolisch als de volle maan in een zwijmelverhaal.

Als je weet waarom deze vrolijke Frans zo belangrijk is, kan je met een goede uitwerking ervoor zorgen dat hij het hele verhaal kan dragen.
Foto door Ross Sokolovski op Unsplash.

Symbolen en persoonlijke beleving

Of het nu de jouwe zijn of die van je personage, je kan ook werken met symbolieken die ontstaan vanuit persoonlijke beleving. Dat geeft voorbeelden als:
* Waar iedereen een doodgewoon theelepeltje ziet, zie jij oma voor je die met een diepe frons door haar thee roert.
* Niemand denkt twee keer na bij het zien van een vrachtwagen, behalve dan jouw truckerpersonage: “Morgen weer werken na drie weken vakantie.”.
* Iemand die geen bladmuziek kan lezen, zal niet warm of koud worden van een A4’tje waar een deel van een muziekstuk van John Williams staat uitgeschreven. De Williamsexpert hoort bij het zien van diezelfde bladmuziek echter meteen prachtige muziek in zijn hoofd.

Zegt dit jouw personage alles of niets? Dat antwoord maakt een groot verschil voor de symboliek.

Deze persoonlijke belevingen geven als het goed is een eindeloze stroom aan mogelijkheden en inspiratie. Neem oma. Waarom fronst zij altijd tijdens het theedrinken? Heeft ze een zwaar leven gehad, of is ze erg filosofisch ingesteld tijdens een theepauze? En dat eigenlijke theelepeltje, is daar nog iets speciaals mee? Heeft het een hoge financiële of emotionele waarde? Zo ja, waarom en wat kan je er er vervolgens nog meer over zeggen of bedenken?
Voordat iets van persoonlijke waarde kan worden of persoonlijke symboliek kan krijgen, moet er een persoonlijke geschiedenis of persoonlijke omstandigheden aan te pas komen. Kijk nog maar eens naar het voorbeeld van de trucker. Als zijn beroep niet meespeelde, had hij ook niet opgekeken van de vrachtwagen.

Je kan talloze persoonlijke belevingen bedenken als je je (autobiografische) personage goed kent. Misschien zelfs te veel. Om te bepalen waar je het zoeken moet, kijk je naar de belangrijkste elementen uit de personagebiografie. Vergeet ook niet wat de persoonlijke waarheid van je personage is om te bepalen wat belangrijk kan zijn voor hem of haar.

Persoonlijke symboliek toepassen

Zodra je een voorwerp, dier of symbool hebt gevonden dat past bij de beleving van je personage, kan je ermee gaan werken. Het is belangrijk dat je de geschiedenis van je personage en relevante medepersonages daarbij betrekt. Je kan een keer tussen neus en lippen door vermelden dat oma’s theelepeltje hoge waarde emotionele waarde heeft omdat theedrinken met oma zo belangrijk was voor je personage. Maar dan ben je er nog niet. Maak je klaar voor een show don’t tell parade. Door je verhaal heen moet je keer op keer laten merken waarom überhaupt bij oma zijn -wat resulteert in het meer symbolische theedrinken en het bijbehorende lepeltje- zo belangrijk zijn voor je personage. Beschrijf het fijne karakter van oma, haar talloze attenties en de fijne familieherinneringen.

Creatief met niet-vaststaande symbolieken spelen kan de originaliteit van je verhaal enorm opkrikken. Probeer het eens!


Wat als je personage de eindstreep haalt?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage de eindstreep haalt?

Als je boek bijna ten einde is, gaat je personage een bepaalde eindstreep halen. Hoe schrijf je die op zo’n manier dat die een goede laatste indruk achterlaat?

Wrap-up

‘De eindstreep in zicht’ is het moment dat het drie-aktenstructuurschema de wrap-up noemt. Het einde is er bíjna, maar nog niet helemaal. Het duidelijkste voorbeeld van hoe een wrap-up eruitziet, vind je in sprookjes. Het is dat gedeelte net vóór ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.
Nu Assepoester met de prins was getrouwd, hoefde ze nooit meer vervelende klusjes te doen.

Het geeft een indruk hoe het verhaal verdergaat nadat het boek zelf is geëindigd. Want meestal gaat een verhaal nog verder na het einde van het boek: je personage is immers nog niet dood. Maar omdat al het interessante –narratief gezien– al is verteld, ga je niet eindeloos meer doorschrijven over hoe personages door blijven leven.

De toon van je verhaal

Om te zorgen dat je wrap-up aansluit bij de rest van je boek, moet je al over de wrap-up nadenken zodra je begint met het schrijven van je verhaal. De wrap-up bepaalt namelijk voor een groot deel de toon van je verhaal.

Om Assepoester nog maar eens als voorbeeld te nemen:
Stel dat je wrap-up is: voor het altaar werd Assepoester alsnog door haar boze stiefmoeder ontvoerd en was ze gedoemd om een huisslaaf te blijven.
Dat is een hele gure toon. Eentje die helemaal niet aansluit bij een groot deel van het verhaal, waarin hoop hoogtij viert. Het mooie bal, de dans met de prins en de wetenschap dat Assepoester als enige het glazen muiltje zal passen.
Bepaal dus grofweg het einde van je verhaal voor je met schrijven van het verhaal om te voorkomen dat je een anticlimax schrijft of de lezer zich bedonderd voelt.

Zorg voor voldoende en logische afsluiting

Je kan ervoor kiezen om een open einde te schrijven, maar je moet er wel voor zorgen dat je de belangrijkste vragen over de heldenreis van je personage beantwoordt. Als er nog een aantal belangrijke vragen openstaan, is de wrap-up het moment om ze te dichten.
Wees gewaarschuwd: in de loop van je verhaal moet je al wel duidelijke feiten of hints kunnen geven om iets af te sluiten, anders komt de afronding zeer geforceerd over. Dan krijg je een ‘o ja, trouwens’-effect:

  • O ja, trouwens, deze personages waren altijd al verliefd op elkaar;
  • O ja, trouwens, dit deed het personage met oma’s gigantische erfenis;
  • O ja, trouwens, het kwam nog goed met de zieke hond waar mijn personage het hele boek lang voor gezorgd heeft.

Een wrap-up komt dan misschien laat in het verhaal, maar je moet de aanzet ervoor al gedurende het hele verhaal geven.

Dit is het laatste artikel van de ‘Wat als?’-serie. Hopelijk heeft hij veel nieuwe inzichten gegeven!
Volgende week komen alle artikelen nog eens in een overzicht te staan. Daarna start een nieuwe serie. In dit artikel viel de naam drie-aktenstructuurschema al. In de nieuwe serie ‘drie-aktenstructuur’ wordt ieder verhaalelement van dit schema uitgebreid toegelicht!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Joshua Hoehne op Unsplash.

Wat als je personage arm is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage arm is?

Als een personage arm is, kan dat verlammend zijn. Je personage kan zich ook arm voelen terwijl hij dat niet is. Let dus ook goed op het verschil tussen armoede en ‘je arm voelen’.

Je arm voelen

Als je je arm voelt, heb je niet genoeg geld om iets specifieks te kopen of te kunnen doen. Dan moet je iets opgeven wat je heel graag wil doen of graag wil hebben. Deze definitie kan in de praktijk heel breed zijn. Dat ligt er maar net aan wat je personage gewend is.
“Ik ben arm, want ik kan geen vijftig euro besteden aan een dagje Efteling,” zegt de tiener.
“Ik ben arm, want ik kan niet meer bij Gucci winkelen,” zegt de verwende miljonairsdochter.  
“Ik ben arm, want ik kan geen studie betalen,” zegt de zoon uit een gezin met een laag inkomen.

Je hoeft het als schrijver niet eens te zijn met de persoonlijke definitie van arm die je personage heeft. Maar je moet je beseffen dat dit wel de waarheid van je personage is. En dat het zich dus rot gaat voelen omdat het vanwege geld dingen moet laten. En dat vervelende gevoel of het afzeggen van bepaalde dingen heeft vaak gevolgen voor het plot.  

In armoede leven

Als je in armoede leeft, heb je niet genoeg om iets te betalen dat tot de absolute basisbehoeften behoort. Denk aan eten, medische kosten, de huur, gas, water, licht en een dikke jas voor de winter.
Waar iemand die zich arm voelt geen geld heeft voor iets wat diegene wil hebben, heeft de persoon in armoede geen geld wat hij moet hebben. Een personage in armoede voelt zich rot, moet dingen afzeggen en zit daarbij ook in een extra lastig parket: hij zit vast.

Vast in armoede

Als je personage in armoede leeft, zit die vaak ergens in vast. Als je door een te laag inkomen steeds aan het eind van de maand in de min zit, wordt dat een spiraal. Voor een maand is dat misschien niet zo’n ramp: even rood staan kan meestal wel. Maar als dat steevast het geval is, moet je personage door achterstallige rekeningen ooit gaan kiezen wat het deze maand doet: voldoende eten of toch echt een keer naar de tandarts omdat de kiespijn ondraaglijk wordt? Al snel krijg je een domino-effect van ellende. Let erop dat dat het plot op slot kan zetten, want vroeg of laat is raakt je personage moegestreden. Als het uit zijn huis is gezet omdat hij van de honger het werk niet kon volhouden of door onbehandelde ziekte niet kan werken, is het niet zo simpel om een cirkel van armoede te doorbreken. Onderschat de invloed van armoede niet. Armoede is eerder een thema van een verhaal dan een centraal conflict waar je personage weer bovenop komt.  

Wil je toch dat je personage uit de armoede ontsnapt, dan kan dat natuurlijk. Maar zorg dan dat je personage voldoende helpers en vaardigheden heeft die hem uit de armoede helpen. Anders wordt je verhaal ongeloofwaardig.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Nick Fewings op Unsplash.

Wat als je personage laf is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage laf is?

Een laf personage is ingewikkeld om te schrijven. Niet zozeer omdat angst lastig is om te omschrijven, maar omdat een personage altijd dapper moet zijn. Hij hoeft niet meteen het leger in te durven, maar een totaal gebrek aan moed zet het plot op slot. Iets nieuws proberen of iets tegemoet gaan waarvan je de uitslag niet weet, vergt ook moed. En dat zijn elementen die een verhaal gaande houden. Wat doe je als je personage dat ook eng vindt?

Wanneer is je personage laf?

De een vindt het laf als je geen hond durft te aaien, een ander vindt je een aansteller als je geen motor durft te rijden. Laf is een redelijk subjectief begrip. Maar als het om een personage gaat, kan je het zien als: wanneer je personage iets niet durft te doen wat voor het plot essentieel is en wanneer het antwoord op de bekende vraag: ‘Wat is het ergste wat er kan gebeuren?’ zo goed als ‘niks’ is, en je personage nog steeds voet bij stuk houdt.

De laffe vriend

Ken je die fictieve vriend in een vriendengroep die echt overal de kriebels van krijgt? Zodra die kriebels zo erg worden dat de hoofdpersoon zijn heldenreis ervoor opzij moet zetten om te troosten, schrap je dit personage, of moet je in ieder geval zijn karaktereigenschappen veranderen. Anders schrijf je een subplot wat nergens toe leidt. Een subplot – of een scène – mag per definitie wat meer op de achtergrond spelen dan het hoofdplot. Maar het moet wel iets toevoegen. Iets wat alleen maar vertraagt, vastloopt of vastzet, hoort hoe dan ook niet in een verhaal.

De laffe held

Je hoofdpersonage kan ook laf zijn. Dan moet de lezer weten waarom hij om iets schijnbaar kleins bang wordt. Je ontkomt er niet aan om zijn achtergrondverhaal uit te werken. Van je held verwacht je lezer dat hij dapper is en dat hij hem goed leert kennen. Als hij dan door een relatief onbenullige angst verlamd raakt, kan dat nog steeds interessant zijn. Als je de reden of de uitkomst maar uitschrijft. Dan kan de angst om een schattig katje te aaien ineens logisch lijken. De gewelddadige stiefmoeder bij wie je personage opgroeide, had ook een kitten. Ook nog eens met precies hetzelfde vachtpatroon. Bij de herinneringen aan de stiefmoeder en haar geliefde kitten, rent je personage het liefst weg bij dit andere katje.

Moed als thema

Zodra je hoofdpersonage laf is – of liever gezegd laf lijkt –, ga je dus verklaren waar die angst vandaan komt. Net als bij de laffe vriend moet je opletten dat deze angst niet slechts een opvulling is van papier. Het moet ergens toe dienen. Daarom moet je die angst goed uitwerken en dat kost de nodige woorden. Zo wordt moed al gauw het verhaalthema van een verhaal als dit. Maar dat kan in de voordeel werken: je lezer gaat je held begrijpen en met hem meeleven. Dat hij dan alsnog zijn doel niet altijd kan bereiken, is niet erg. Hij probeert het en dat maakt hem dapper, zoals een held hoort te zijn.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Alexander Krivitskiy op Unsplash.

Wat als je personage onredelijk is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage onredelijk is?

Je kent haar misschien als Karen: een koppig personage met een zeer kromme beredenering. Een onredelijk personage heeft in diens eigen ogen altijd gelijk, terwijl dat objectief gezien helemaal niet zo is. Hoe schrijf je een personage dat het bloed onder de nagels van zowel de schrijver als de lezer vandaan haalt?

Appels en peren

Een personage als Karen heeft iets geks met de spreekwoordelijke appels en peren. Het vergelijkt ze met elkaar alsof ze hetzelfde zijn, waardoor je een uitspraak krijgt als: “Ik heb het financieel niet slecht, dus mijn familie ook niet.” Zelf is zij getrouwd met een bankdirecteur en zit zus in de bijstand, maar verder…
Of het máákt van de peren appels. Zo kan dit personage doen alsof iets wat heel anders is, niet eens van elkaar verschilt:
“Hoezo krijg ik geen entreekorting en die oudere dame voor mij wel?”
“Omdat zij seniorenkorting krijgt en u halverwege de twintig bent, mevrouw…”
“Maakt niet uit: ik ben ook een betalende bezoeker en die hoor je gelijkwaardig te behandelen. Ik wil ook korting.”

Hoe dan ook kan je stellen dat dit personage een behoorlijk rot fruitmandje heeft.

Wat is het probleem?

Heb jij ook al zin om met dit personage een welles-nietes-discussie aan te gaan? Dat geldt zeker ook voor de medepersonages, maar laat dat niet gebeuren. Het zet je plot namelijk compleet stil. Je moet bij dit personage ervoor zorgen dat de nietes (‘jij hebt ongelijk’) overheerst als onderdeel van een scène of van in het plot als geheel, niet als een afzonderlijke discussie.
Als eerst moet je daarvoor weten in wat voor ‘categorie’ de onredelijkheid valt. Zegt dit personage rare dingen omdat het:

  • * racistisch is?
  • * geen idee heeft wat voorrechten zijn of welke voorrechten het personage zelf geniet?
  • * altijd emoties opkropt en die soms erg onhandig uit?

Je gaat als vanzelf heel anders schrijven als je personage iemand met psychologische problemen blijkt te zijn. Dat is een heel ander verhaal dan dat van een verdorven racist.

Tactische tegenaanval

Iemand die niet voor rede vatbaar is, laat zich niet bewegen. Daarom moeten de medepersonages of het plotverloop een tactische tegenaanval uitvoeren. Zorg ervoor dat het onredelijke personage tegen de lamp loopt. Dat kan in één losse scène, maar ook gedurende de gehele verhaallijn.
Denk aan:

  • * De racist wordt gefilmd als hij op zijn slechtst is. Dan kan een medepersonage aangifte doen en de politie regelt de rest.
  • * Iemand kropt zijn emoties zo vaak op dat de uitbarstingen die volgen ervoor zorgen dat zijn geliefden van hem weglopen. Dan gaat diegene misschien toch naar de psycholoog om hulp te zoeken.

Kortom: wie niet horen wil, moet maar voelen. Daarin kan je hard naar het onredelijke personage zijn door hem in de cel te laten belanden. Of je zorgt voor een lieve buurvrouw die langzaam maar zeker de zwakke plek van je personage blootlegt en het daarmee een spiegel voorhoudt.
Let op: een personage dat zeer sterk overtuigd is van zijn eigen gelijk is niet gevoelig voor die spreekwoordelijke spiegel op het moment dat het ‘op dreef’ is. Houd die dus voor op een zwak moment, bijvoorbeeld wanneer je personage net iets vervelends te horen heeft gekregen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door freestocks op Unsplash.

Hoe mislukt een heldenreis?

Als je al wat langer schrijft, weet je al dat het centraal conflict erg belangrijk is. Zoals je misschien ook al weet, hoeft deze heldenreis niet altijd te slagen. Een personage dat de wereldkampioenschappen wedstrijdzwemmen wil winnen, kan al in de voorrondes afvallen. Als het verhaal goed uitwerkt, mislukt de heldenreis daar niet door.
Om te weten wat een heldenreis stevig maakt, kan het handig zijn om in je opschrijfboekje de heldenreis wel te laten mislukken.

Een goede heldenreis: hoe zat het ook alweer?

Lees hier een inleiding over de heldenreis als je een opfrisser nodig hebt. Waar het in deze blogpost om gaat, is dat het bij een goede heldenreis gaat om het vallen en opstaan proces. Dan maakt het niet meer uit of je personage zijn doel bereikt of niet. Als je weet dat het personage naar zijn beste kunnen heeft gehandeld, en met hem mee hebt kunnen leven, dan is het doel van een goede heldenreis vrijwel altijd behaald.

In deze blogpost gaan we kijken hoe een heldenreis kan falen. Of, zo je wil: waarom het verhaal vroegtijdig afloopt omdat je personage simpelweg niet meer verder kan.

Waar kan het misgaan?

Om te weten hoe en wanneer een heldenreis vroegtijdig kan stranden, moet je kijken naar het schema van save the cat. Het bekendste moment waar het verhaal kan mislopen is het moment van de comfortzone. In save the cat staat dat omschreven als ‘second thoughts’. Maar ergens telt dat niet helemaal, omdat de heldenreis dan nog niet begonnen is. Waar het wel fout kan gaan zodra de heldenreis eenmaal begonnen is, is het moment vóór iedere clue. Met name de crisis en de ramp zijn hier uitgesproken momenten voor, omdat dat de allerengste momenten voor je personage zijn.
Maar in feite is ieder moment vóór een clue dat. Kijk nog maar eens goed naar het schema. Zie je dat de clues het symbooltje hebben van een explosie? Dat is niet voor niets. Een clue geeft aan dat er een grote verandering aankomt; iets wat kan of gaat exploderen. Lees: iets wat de wereld op zijn kop zet en niet altijd fijn is voor je personage. Voor het verhaal betekent het dat het een andere weg in slaat.
En hoewel je personage geen inkijk in het script van zijn leven heeft, voelt het ergens meestal wel aan dat er iets belangrijks te gebeuren staat, ook al weet het de uitkomst niet. Denk aan:
* Er staat een belangrijk examen op het programma.
* Politieke spanningen staan op springen, waardoor een oorlog niet ver weg meer is.
* Er is ruzie die uitgepraat moet worden.

Gebruik anticipatie die je personage voelt, altijd in je voordeel.

Hoe dan ook staat er iets te gebeuren. In het geval van een mislukte heldenreis komt je personage niet voor dat moment opdagen. Let op: het komt überhaupt niet opdagen. Dat is iets anders dan de situatie onhandig, gemeen of verkeerd aanpakken. De oorzaak ligt dan in de comfortzone, de grootste angst of de ambitie van je personage.

De comfortzone is te fijn

De comfortzone uitgaan is essentieel voor een goed lopend centraal conflict. Omdat we nu alles omdraaien, moet je gaan kijken wat de comfortzone van je personage maakt. Stel jezelf daarbij de volgende vragen:
* Wat is daadwerkelijk comfortabel voor mijn personage? Hoe kan ik het nog comfortabeler maken?
* Wat hoort mijn personage in het centraal conflict te leren? Geef hem dat nu op een presteerblaadje.
* Wat wil mijn personage? Geef hem dat in overvloed.

Zodra je dit op een rijtje hebt kan je makkelijker zien wat en in welke mate je hiervan iets moet afpakken. Dat maakt duidelijk welke schop onder het achterste je personage nodig heeft om de comfortzone uit te komen.

De grootste angst is te eng

De grootste angst van je personage is een schat aan informatie, maar ook vaak de reden dat je personage blijft vallen en opstaan, ook al is hij uitgeput. Als je een heldenreis wil laten mislukken, doe je het volgende:
* Schakel een magic pixie of Deus ex Machina in, zodat iets of iemand anders de problemen op kan lossen en je personage de angst niet onder ogen hoeft te zien.
Vraag je personage: als jij een Pixie of Deus zou krijgen, hoe zou die er dan uitzien? Dan weet je wat je vooral moet vermijden in je verhaal.
* Je geeft je personage geen ‘angsttraining’. Niemand durft een draak te verslaan als diegene al bang is voor een salamander. Je personage moet in stapjes worden voorbereid de volgende uitdaging aan te kunnen. Zorg ervoor dat je een logisch stappenplan maakt voor de uitdagingen die je personage te wachten staan.
* Je personage kan ook van zichzelf onvermurwbaar of extreem koppig zijn. Het maakt zichzelf wijs dat hij geen fouten maakt of geen angsten heeft. Dat is nooit waar. In dat geval probeert hij iets wanhopig te verbergen en is hij ergens juist doods-en doodsbang voor. Ga in dat geval flink graven in de personagebiografie om erachter te komen wat dat is.

Je personage heeft onvoldoende ambitie

Dit is misschien een open deur, maar je personage moet ergens voor willen vallen en opstaan, anders blijft de comfortzone lonken. Zorg er daarom voor dat het duidelijk is waar je personage zich voor wil inzetten, welk resultaat hij graag wil bereiken. Het is belangrijk dat die ambitie meerdere ‘lagen’ heeft. Als met één actie een ambitie wordt verwezenlijkt, is de heldenreis te simpel. Om niet in de herhaling te vallen (‘Mijn personage moet slagen voor zes verschillende examens om een droomstudie te kunnen doen.’) kan je nog eens goed kijken naar je verhaalthema of gebruik van symboliek. Voor de student is het verhaalthema bijvoorbeeld wijsheid. Dat kan boekenwijsheid zijn, maar zo kan je ook een lastige levenservaring in het spel brengen om wijzer van te worden. Dat helpt dan vervolgens weer om te vallen en op te staan en om je verhaal meer inhoud te geven.


Wat als je personage een heilige overtuiging heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage een heilige overtuiging heeft?

Schrijven over iemand met een heilige overtuiging is niet makkelijk. Maar het begrijpen van een heilige overtuiging kan je wel veel informatie over je personage geven.

Wat is een heilige overtuiging?

Een personage met een heilige overtuiging zegt een van deze twee dingen:
* Jij moet doen wat ik ook doe, anders zijn de rapen gaar.
* Als jij niet vindt wat ik ook vind, ben je een slecht mens.

Bij het eerste voorbeeld moet je denken aan:
* “Als je je niet bekeerd, is je ziel verloren,” zegt de gelovige.
* “Als je niet klimaatbewust handelt, vergaat de wereld straks,” zegt de klimaatactivist.

Dit kunnen nette discussies opleveren, maar dat is niet altijd zo.

Het tweede voorbeeld verloopt nooit fijn. Heftige politieke uitspattingen zijn daar het schoolvoorbeeld van:
“Stem jij links? Luie, waardeloze uitkeringstrekker!”
“Nee jij dan, rechtse stemmer. Laat de armen maar creperen, zodat jij met je economische groei je derde Tesla kan kopen. Narcist!”      

Beide overtuigingen hebben gemeen dat ze trekken en duwen op een manier die een discussie (lees: een verhaal) laat vastlopen. Dus daar moet je iets mee.

Waarom is deze overtuiging er?

Je kan iets vinden, ergens in geloven, of ergens naar handelen. Maar een heilige overtuiging zoals hierboven omschreven, is redelijk heftig. “Ik heb gelijk en de rest van de wereld niet.” Daar zitten onprettige emoties achter. Denk aan: angst, verdriet, boosheid of wanhoop.

Tijd om voor personagepsycholoog te spelen! Wat speelt hier? Het kan van alles en nog wat zijn. Angst voor een hel, wanhoop vanwege een vroegtijdige dood door klimaatverandering, woede dat het personage heeft opgekropt omdat het ooit in de steek is gelaten…
Je moet weten wat hier speelt: een heilige overtuiging heet niet voor niets zo. Als iets heilig is, dan richt je personage zijn hele leven daarop in. Dat heeft gevolgen voor zijn doen en laten in het dagelijks leven. Soms is dat onschuldig, zoals op zondagen altijd naar de kerk gaan. Maar je personage kan uit angst voor de duivel ook nooit risico’s durven nemen. Een heilige overtuiging kan ook leiden tot extremisme (religieus, politiek, of in welke vorm dan ook waar de heilige overtuiging over gaat).

Voor het blok

Als personagepsycholoog van dit personage kan je het voor het blok zetten. Voor deze oefening moet je waarheid en wetenschap even loslaten. Je moet namelijk dingen kunnen zeggen als:
* Er is zojuist wetenschappelijk bewezen dat er geen duivel bestaat.
* Gisteren is een uitvinding gedaan waardoor klimaatverandering binnen een jaar is opgelost.

Dan valt de grond onder de voeten van je personage vandaan. Luister goed naar wat het dan zegt:
“Als dat zo is, dan:
– hoef ik nooit meer bang te zijn;
– moet ik iemand vergeven die ik haat;
– moet ik inzien dat ik me heb gedragen als iemand die ik niet wil zijn.”

Als je personage heeft gesproken, merk je waarschijnlijk op dat je personage:
* uit angst dingen doet of laat;
* vol wrok is en tegen iemand schreeuwt;
* A zegt en B doet.

Je verhindert hiermee niet dat een heilige overtuiging een verhaal of discussie op slot zet kan zetten. Probeer die overtuiging dus minder heilig te maken. Maar als dat (even) niet kan, helpt het begrijpen van de achterliggende oorzaak om je personage wat minder eendimensionaal te maken. Al is het maar alleen voor jou als de schrijver van het verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Thought Catalog op Unsplash.

De gouden wet voor een vlot plot: actie-reactie

Er zijn verschillende manieren om je plot interessant te houden. Je kan plottwists of subplots introduceren, of gewoon aan een scène verder schrijven. Wat je ook kiest om je scène uit te werken, er is een gouden regel, zo niet een gouden wet die bij al deze opties toe te passen is. Houd je aan actie-reactie.

De derde wet van Isaac Newton

De naam van Isaac Newton laat vast wel een belletje rinkelen als ‘Een van de belangrijke wetenschappers ooit’. Zo kan jij zijn derde wet als een van de belangrijkste in de wetenschap van plot- of scèneontwikkeling beschouwen. Geen zorgen, ik ga niet verder in op de wetenschappelijke wet. Ik begin al te zweten bij het zien van het symbool voor worteltrekken ;). Maar de derde wet van Newton houdt in:

Op iedere actie volgt een reactie.

Zo simpel is het in beginsel. Kijk maar eens naar wat hele simpele voorbeelden:

ActieReactie
Ik stoot mijn teen.Ik begin te vloeken van de pijn.
Ik krijg honger.Ik ga wat eten maken
Ik krijg een extra zakcentje.Ik ga lekker uit eten.

Ik ga bij deze regel een kanttekening plaatsen, als het verhaalontwikkeling betreft. Je zou ook kunnen zeggen dat de derde wet van Newton stelt: na iedere oorzaak komt een gevolg. Maar die stelling gaat voor een plot of een scène niet helemaal op.
Kijk eens naar de onderstaande tabel met oorzaak-gevolg en dezelfde voorbeelden als hierboven.

OorzaakGevolg
Ik heb mijn teen gestoten.Mijn teen doet pijn.
Ik heb honger.Mijn maag knort.
Ik krijg een extra zakcentje.Ik ben vijftig euro rijker.

Het komt misschien pietluttig over om dit als verschil aan te merken, maar er is wel degelijk een verschil. Bij actie-reactie doet een personage daadwerkelijk iets, waar er bij oorzaak-gevolg niet per se iets actief verandert. In dat laatste geval staat een lopende tekst op de pauzestand.

Oneindige actie-reactie

Actie-reactie moet elkaar telkens opnieuw opvolgen. Is er een reactie geweest, dan komt er daarop een nieuwe actie in het plot. Daar komt dan weer een reactie op, enzovoorts. Kijk eens naar dit voorbeeld:
Noor heeft een tante in Marokko en die komt. Als je actie en reactie elkaar laat opvolgen, ziet dat er zo uit:

ActieReactie
Tante Amina belt dat ze op bezoek komt.Noor springt een gat in de lucht.
Noor vraagt Amina wanneer ze komt.Amina zegt over drie dagen bij Noor op de stoep te staan.
Noor wil de logeerkamer in orde maken.Noor begint met stofzuigen in de logeerkamer.
De stofzuiger begeeft het na een minuut.Noor gaat naar de winkel om een nieuwe stofzuiger te kopen.

Als je actie-reactie zou vervangen door oorzaak-gevolg, krijg je iets als:
‘De stofzuiger begeeft het plotseling. Nu blijft de kamer vies.’ Dat zorgt ervoor dat de scène abrupt stopt omdat Noor geen nieuwe stofzuiger koopt, of lieve tante Amina kan in een stofnest slapen. Geen van die twee opties zijn de bedoeling.

Je moet de actie-reactieregel redelijk streng volgen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je reactie op reactie (op reactie…) laat volgen:
Noor springt een gat in de lucht, draait nog zes keer in het rond en begint te zingen als tante Amina het fijne nieuws vertelt. Als ze daarmee door blijft gaan, staat Amina straks al voor de deur. Oftewel: dat duurt gewoon te lang en het voegt op een bepaald moment niets meer toe.
En als je een reactie weglaat:
Noor vraagt Amina wanneer ze komt. De stofzuiger begeeft het.
dan is dat een te plotselinge overgang. Je mist nu informatie die het verhaal bij elkaar houdt. Er valt immers niet alleen een actie, maar ook een bijbehorende reactie weg.

De spanningsboog en actie-reactie

Ieder verhaal heeft een spanningsboog. En zoals het spreekwoord zegt, kan die boog niet altijd gespannen zijn. Maar hoe zit het dan met actie-reactie in een scène?
Denk bij het woord actie in dit geval niet te snel aan iets als ‘Max Verstappen vliegt bijna uit de bocht in de Formule 1’. Eerder als iets dat plaatsvindt en waar iets of iemand vervolgens op reageert. De actie-reactie kan dus ook een gedachtestroom zijn:

Actie Reactie
Ik wilde dat Cas me zag staan….…maar ik ben niet knap genoeg voor hem
Moet ik misschien mijn haar kleuren? Hij valt op brunettes…Ach, hou toch op! Laat ik me nu ook al gek maken door opgelegde schoonheidsidealen?
Nee, ik ben een sterke vrouw!Maar dan mag ik mezelf toch alsnog wel van mijn beste kant laten zien?

De lezer leert hier dat het personage over zichzelf twijfelt.
Het belangrijkste van een scène is dat die iets toevoegt aan het verhaal. De lezer moet iets nieuws te weten komen.
Zolang als een scène de lezer iets nieuws leert en hij volgens de actie-reactieregel is geschreven, kan je er allerlei kanten mee op, zonder meteen met een sneltreinvaart door het verhaal te gaan.

Nog een voorbeeld van actie-reactie:

Actie Reactie
Gijs doet het slecht op school.Gijs komt angstig met zijn slechte rapport thuis.
Gijs’ vaders schrikken zich ongeluk.Gijs krijgt een huiswerkbegeleider, maar het botert niet tussen hen.
Gijs weigert nog huiswerk te maken.Gijs krijgt straf van zijn vaders.

Je ziet hier misschien wel dat de actie-reactie in dit voorbeeld redelijk steriel is: het leest niet als een interessante scène, maar als losse feiten. Dat betekent dat je tussen de regels van de tabel door een nieuwe reeks van actie-reactie toe moet voegen. Bijvoorbeeld hoe Gijs door het ontvangen van zijn slechte rapport begint te zweten, met als reactie dat zijn vaders zich zorgen maken als hij doodsbleek thuiskomt. Je moet dus actie-reactie toevoeggen om een show don’t telleffect aan de scène te geven. Hoeveel je precies moet toevoegen is een kwestie van uitproberen en je hebt er ook wat schrijfinzicht voor nodig. Maar met de ‘schrijfwet’ van actie-reactie in het achterhoofd, kan je er in ieder geval van op aan dat je scène- of plotverloop stabiel en logisch blijft.

Afbeelding Isaac Newton via Pixabay.

Wat als je personage iets te bekennen heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage iets te bekennen heeft?

Als je personage een geheim heeft, kan dat op een bepaald moment te veel worden. Dan wil het iets opbiechten. Omdat dat narratief gezien smullen is, gebeurt er na een biecht veel met het plot en besteed je er ook de nodige aandacht aan om het uit te werken. Daarom is er een aantal dingen die je in de gaten moet houden als je personage iets moet bekennen.

Kijk goed naar je verhaalthema

Neem je verhaalthema nog eens goed onder de loep als je een bekentenis in je verhaal verwerkt. Een geheim kan namelijk je verhaalthema vormen. Maar als je personage opbiecht de hele familie voor bakken met geld te hebben opgelicht, dan is het thema eerder verraad.
Omdat het thema op verschillende manieren en op verschillende momenten in het verhaal terugkomt, hoor te je weten hoe je dat gaat invullen. Je zal er subplots en extra personages bij moeten bedenken. Ga dus goed na hoeveel gewicht (het opbiechten van) een geheim heeft of moet krijgen in je verhaal. Dat kan het volledige plot van je verhaal bepalen.

Wanneer komt het hoge woord eruit?

Als de biecht op het moment suprême van het verhaal komt, heb je een fikse aanloop nodig en dien je je personage mentaal klaar te stomen voor dat moment. Dat vormt dan het centrale conflict: met vallen en opstaan en twijfels en overwegingen verzamelt het de moed om zijn geheim op te biechten.

Als de biecht in het begin van je boek komt, zijn er twee opties:

  • Je laat de lezer merken dat je personage met deze biecht uit een comfortzone komt en dat hij in bepaalde aspecten van zijn leven bij nul moet beginnen. De heldenreis vormt dan: opnieuw zijn plaats in de wereld vinden.
  • Je gaat met flashbacks werken en laat de lezer er langzaam maar zeker achterkomen wat tot deze biecht geleid heeft. Op hetzelfde moment leert de lezer het plot en de personages kennen. Aan het einde van het boek kent de lezer het figuurlijke hele verhaal en heeft hij bewondering voor de held die de heldenreis op pagina 1 al voltooid heeft.

Deze verschillende opties vragen afzonderlijke manieren van uitwerken. Kijk goed welke informatie je achterhoudt voor een mogelijke plottwist of wat je überhaupt al dan niet vertelt aan de lezer om het verhaal altijd interessant te houden.

Waarom nu? Waarom aan deze persoon?

Vóór de biecht is er een geheim. Dat geheim wilde je personage niet voor niets in stand houden. Bedenk waarom je personage juist op dit moment besluit iets te bekennen. Vergeet ook niet aan wie je personage iets opbiecht. Vertrouwt je personage de ander? Is er sprake van een oneerlijke machtsverhouding en móet je personage nu wel gaan praten?
Aan wie je personage ook iets bekent en ongeacht de reden, neem de relatie met dat andere personage mee in je uitwerking. Omdat een biecht iets groots is voor het plot, is het onvermijdelijk dat de relatie tussen de twee personages dat ook is. Geef die daarom ook de nodige aandacht.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Grant Whitty op Unsplash.