Dit taalgebruikt schaadt ieder fictieboek

De afgelopen jaren heeft bepaald taalgebruik een vlucht genomen in ons taalgebruik, zowel geschreven als gesproken. Omdat er het inmiddels al zo ingeslopen is, valt het niet meer zo veel op. Toch is het verstandig om je voelsprieten eens goed uit te zetten. Als je deze woorden kan vermijden, wordt je verhaal er altijd stukken beter van.

Hippe woorden kunnen link zijn in een boek

Om de zoveel tijd is er een nieuw woord hip. Zeiden we even geleden dat iemand je ‘BFF;’ was, nu zeggen we vaker ‘bestie’. Of misschien dat ook al niet meer: taal ontwikkelt zich snel.
Hippe synoniemen voor bepaalde woorden zijn niet erg om te gebruiken. Al moet je er wel alert op zijn dat ze alweer uit de mode kunnen zijn voordat je boek naar de drukker gaat.
Maar er zijn ook woorden die de laatste jaren populair zijn geworden waarbij om een andere reden voorzichtigheid geboden is. Ze zwakken af wat ze willen versterken, doordat ze te pas en te onpas worden gebruikt op momenten of in contexten waar ze niet thuishoren. In een gesprek waar je de sfeer kan lezen en om verduidelijking kan vragen of het gesprek aan kan vullen is dat niet zo erg. Maar een boek is een eenzijdig medium, dus moet je tekst duidelijk zijn en de sfeer zelf maken. Deze specifieke hippe woorden worden daarmee holle frases of houden de tekst oppervlakkig waar je met je verhaal juist de diepte in zou moeten gaan.

‘Ervaringen’, ‘letterlijk’ en betekenisveranderingen

De duidelijkste voorbeelden van holle, hippe woorden zijn ‘letterlijk’ en hoe ‘ervaring’ wordt gebruikt, vooral in reclame en marketing.
Let er eens op hoe vaak je ‘letterlijk’ gebruikt terwijl je het niet bedoelt als ‘letterlijk of figuurlijk’, maar als hyperbool of om een bepaalde nadruk mee te geven.
‘Ervaring’ wordt gebruikt om alles belangrijker te laten lijken dan het is. Wat het woord hóórt te betekenen is iets groots dat je laat groeien, of wat op de een of andere manier memorabel is. Denk aan: parachutespringen, een verslaving overwinnen of je overeind houden in een periode van misbruik: de traumatische ervaring.
Maar inmiddels zie je voorbeelden als:
* telefoonervaring ( = hoe je je telefoon bedient)
* internetervaring ( = surfen op het internet)
* ‘Hoe heb je het bezoek aan ons museum ervaren?’ ( = Vond je het bezoek leuk?)
overal.

Voor een vlotte betaalervaring gebruik je je pinpas …. -_-‘

Een aantal jaar geleden kwam er meer aandacht voor autisme. Nu weten meer mensen wat dat in kan houden dan grofweg twintig jaar geleden. In die ontdekking van het hoe en wat rond autisme leerden mensen ook dat mensen met autisme relatief sneller overprikkeld raken. Hoewel ik niet weet of dit een correlatie heeft, viel het me wel op dat rond diezelfde periode ‘Ik vind het hier te druk’ in onze spreektaal werd vervangen door ‘ik raak overprikkeld’, ook door mensen die geen autisme hebben.

Hoewel taal altijd verandert, is het belangrijk om er alert op te blijven hoe bepaalde woorden anders worden gebruikt. In het voorbeeld van ‘prikkels’ en ‘overprikkeld raken’ is dat niet zo’n probleem: dat is een voorbeeld van hoe taal met de maatschappij meebeweegt.

Taalgebruik dat aan kleur en kracht verliest

Woorden als ‘letterlijk’ en ‘ervaring’ zijn voor een creatieve schrijver van groter belang op goed op te letten. Want als bepaalde woorden of termen volgens de gebruikelijke betekenis iets groots moeten vertegenwoordigen en vervolgens altijd worden gebruikt, verliezen ze aan kracht.
Vloeken is hiervan een goed voorbeeld: als je hetzelfde woord in iedere context gebruikt, je bepaalde woorden gaat vergeten. Terwijl die juist een unieke kleur aan je tekst kunnen geven.

Als je het woord ‘f*ck*ng’ overal als bijvoegelijk naamwoord voor gebruikt, gevolgd door ‘t*f*s’- X (-vent, -zooi, -school, wat dan ook waar je boos over bent), is het nog wel duidelijk dat je kwaad bent. Maar ‘weet’ je nog wel waarom je zo kwaad bent als je steeds dezelfde vloekwoorden (te pas en te onpas) gebruikt? Wat je nou echt boos maakt?

Als je specifieker bent met je beledigingen is dat prettiger om over te lezen, omdat het geen eenheidsworst meer is. Maar ook omdat het de situatie verduidelijkt of de context meer kleur geeft. Kijk eens of je wat ‘ouderwetse’ woorden kan gebruiken, of het meer algemene ‘stom, idioot of gemeen’ aan kan passen om de inhoud van je belediging extra context te geven.

Zeg geenmaar scheldt met
vuile sletsmerige afgelikte boterham
gemene zakenmanover het paard getilde geldwolf
stomme hippiezweverige digeridooblazer
idiote aandachtstrekkeraandachtsgeile snoever

Als deze ‘mildere’ vloeken je standaard zijn, komt de intensiteit van ‘f*ck*ng nog tot zijn recht als je personage ontploft met een 10 op de schaal van 1 tot 10, in plaats van een meer gebruikelijke 4, 5 of 6. De juiste regieaanwijzigingen of de acties van je personage die volgen, kunnen er alsnog voor zorgen dat ‘snoever’ als een extreme uitbarsting voelt.
Mocht je personage grofgebekt zijn, kijk dan of je alsnog iets orgineler kan zijn met die heftige scheldwoorden.

Waarom oppervlakkig taalgebruik schadelijk is voor je boek

Ik vat deze voorbeelden gemakshalve samen als ´oppervlakkig taalgebruik´. Het heeft twee grote nadelen. Het eerste hebben we al besproken. Als je taalgebruik in je boek oppervlakkig is, gaat het je boek vroeg of laat aan kleur en sfeer ontbreken. Als alle woorden een algemene indruk achterlaten die je voor iedere situatie kan gebruiken of wanneer alles groot en benadrukt wordt, heb je geen ´grote´ woorden meer over als de situatie je beschrijft echt de spuigaten uitloopt.

Het tweede grote nadeel is dat zulk oppervlakkig taalgebruik al invult. Niet alleen voor de lezer, maar ook voor jou als schrijver. Plak ‘ervaring’ ergens achter en tadaa! Iedereen snapt dat die actie of die gebeurtenis iets speciaals was. Zonder dat je nog de moeite doet om op te schrijven of uit te vinden waarom dat zo is. En dat kan weer gevolg hebben voor de meer algemene uitwerking van je boek. Daarover schrijf ik volgende week.

Foto door Blake Wisz verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Ik help je graag: kijk eens in mijn webshop.

Schrijven voor kinderen: onderschat ze niet

Als je voor kinderen schrijft, gaat je verhaal vanzelfsprekend over dingen die hun leefwereld weerspiegelt. Of je schrijft over een onderwerp waar ze over kunnen fantaseren en dromen. Van het leven tussen eenhoorns of dino’s, tot het worden van een astronaut. Maar afgezien daarvan kun je onder de oppervlakte kinderverhalen gerust wat zwaardere of volwassen thema’s meegeven. Sterker nog: daar krijg je de beste verhalen van, en dat heeft meerdere redenen.

Aanleiding van de blogpost

Heb je als kind Annie M.G Schmidt gelezen? Herinner je ze ook vooral als kinderavonturen waarin de hoofdpersoon met dieren kunnen praten? En dan besef je als volwasene dat er heel volwassen en ingewikkelde thema’s in verwerkt zitten. Zo kwam ik dit videoessay tegen waarin ‘Otje’ filofosisch/ thematisch wordt bekeken door een volwassene. En dan blijkt Otje, voor kinderen van een jaar of acht over bureaucratie te gaan.
Als kind had ik dat uiteraard geen idee van. En toch was Otje erg leuk om te lezen. Hoezo niet? Omdat Annie M.G. Schmidt kinderen als lezers serieus neemt. Ik houd een geparafraseerd citaat aan uit ‘de kleine prins’ van Antoine de Saint Exupéry om drie misverstanden onder de aandacht te brengen. Dat moet duidelijk maken: neem kinderen alsjeblieft serieus als je kinderboeken schrijft!

‘Kinderen moeten het de domme volwassenen maar niet kwalijk nemen. Zo zijn ze nu eenmaal. Kinderen moeten veel geduld hebben met grote mensen.’

Kun je je voorstellen – of weet je nog- hoe vervelend het is als je als kind continu wordt verteld dat je als kind iets nog niet snapt, of het fout hebt, alléén omdat je een kind bent? Draai een aantal van die argument eens en je kan er schrijftips uit halen voor kinderboeken

‘Daar ben je nog te klein voor’

Natuurlijk moet je kinderen van een aantal onderwerpen weghouden. Expliciete seks- of horrorscènes vragen om problemen of nachtmerries. Maar kinderen zijn emtioneel heel intuïtief. Ze kunnen dan misschien hun emoties nog niet benoemen of reguleren zoals volwassenen, maar dat wil niet zeggen dat ze niet emoties niet voelen.
Kinderen zíjn bekend met verdriet, blijdschap woede, jaloezie, verwarring, hebzucht, liefde, trots, nieuwsgierigheid… Het uit zich alleen in minder complexe dingen.
Een volwassene wordt jaloers op de dikke auto van de buurman, een kind op de aandacht die de ouders voor het jongere broertje hebben. Een volwassene maakt zich zorgen om niet betaalde rekeningen, een kind of het morgen wel buiten kan spelen als regent.
Dus je mag, zo niet moet in je verhaal ook die diversiteit aan emoties in je boek aanboren. Misschien niet met een handvol, dat kan te veel zijn om te behappen. Maar denk niet dat de emotionele beleving van een kinderboek beperkt moet blijven tot blijdschap, verdriet of ets als zorgen en jaloezie te ingewikkeld is voor een kind. Zeker niet als het de leeftijd van prentenboeken is ontgroeid en het toe is aan de eerste leesboekjes.
Kinderen die taal begrijpen zijn niet te klein voor emotionele beleving in een verhaal.

‘Dat snap je nog niet’

Terug naar ‘Otje’, dat gaat over bureaucratie. En dat snapt een kind van 7 niet, dus dat kan geen thema van het boek zijn. Maar wat Otje, en dus ook lezers van haar leeftijd wél snappen:
– Is dat je zonder papieren in de problemen komt
– Dat als je iets doet wat niet mag, je op een vervelende manier met de wet te maken krijgt
– Als je situatie verandert, jouw routine of prioriteiten ook veranderen

En dat kan je vervolgens vertalen naar allerlei dingen die een kind tegenkomt in de eigen beleefwereld. Doe het net iets slimmer en gebruik wat een kind écht niet snapt, in je voordeel. Annie M.G. Schmidt doet dat uitstekend.
‘Zonder papieren kun je niet leven.’ Een kind begrijpt niet dat dat zaken als diploma’s, paspoorten of contracten betreft. ‘Papieren’ wordt dan letterlijk: Otjes vogelvriendjes gaan papieren voor haar en Tos zoeken en komen terug met wc-rollen, treinkaartjes, bladmuziek en schoolrapporten.

Anders gezegd: in dit geval wordt het ingewikkelde thema van bureaucratie gesymboliseerd door papieren (lees: officiële documenten). Maar die nuance van documenten naar papieren is snel om te zetten. En dan krijg je iets wat een kind wel kan bevatten. Dan maar zoeken naar A4’tjes, enveloppen en post-its. Het geeft het boek wel een duidelijk centraal conflict, met een bijbehorende spanningsboog: zijn de papieren die worden gevonden de juiste? Zo niet, hoe komen ze daar dan aan? Verder zoeken, iets geregelen, iemand iets vragen? De ‘hoe-vraag blijft daarmee open: een uitstekende manier om het verhaal

‘Je bent nog maar een kind’

Het uitgangspunt van ‘je bent nog maar een kind’ is erg link. Je moet wel degelijk bedenken of het kind de inhoud van je boek wel aankan. Je kan een kleuter beter vertellen over de ooievaar voor je over seks begint. Maar als je dat uitgangspunt te serieus neemt, dan neem je het kind niet serieus. Om een overdreven voorbeeld te geven: dan zou je een tienjarige nog naar een babypgramma laten kijken.

Als je wil weten of je tekst geschikt is voor de leeftijdsgroep van je kind, kijk dan niet naar je verhaalthema of je inhoudelijke verhaal. We zagen bij ‘Otje’ al dat dat geen goede vuistregel is. Want de uitwerking van dat thema bepaalt of een kind het bij kan houden.
In plaats daarvan kijk je naar de mijlpalen van kinderen in hun psychologische ontwikkeling. Als je die weet, begrijp je ook wat je kan verwachten van een kind als het gaat om empathie en inlevingsvermogen, zoals je ook bij boeken voor volwassenen empathie voor je personage hoort te kweken.
Bijvoorbeeld: kinderen van een jaar of twee herkennen verdriet bij een ander wel, maar kunnen zich nog niet in een ander verplaatsen. Een kind van twee moet je dus uitleggen dat en waarom een personage verdrietig is, terwijl een kleuter dat al begrijpt.
Stem je boek af op de beleefwereld van kinderen en behandel ze als volwaardige lezers en je kan met een kinderverhaal heel veel kanten op.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van een kinderboek? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Foto door Catherine Hammond verkregen via Unsplash.

Waarom is het belangrijk dat een lezer nieuwsgierig blijft naar je verhaal?

Bijna iedere schrijver droomt ervan een bestseller te schrijven. Daarvoor zijn er veel factoren belangrijk. Maar op zijn minst moet je lezer continu willen blijven lezen. Of het nu bloedstollend spannend is, of het heerlijk is om te blijven zwijmelen: ongeacht het genre krijg je dat pageturnereffect voor elkaar door de lezer nieuwsgierig te houden. In deze post gaan we verder in op hoe je dat voor elkaar krijgt en waarom dat zo belangrijk is.

Pageturners en cliffhangers

Of het nu om de meer dramatische cliffhangers of de effectieve pageturner gaat, ze hebben gemeen dat een goede uitwerking ervan de lezer nieuwsgierig houdt. De kernwoorden ´Wat´ (is er aan de hand / gaat er nu gebeuren?) en ‘Waarom’ (is dít aan de hand, en niet iets anders? -Waarom heeft de crimineel een bank proberen te beroven, in plaats van een poging gedaan mensen op te lichten?- ) zorgen er altijd voor dat een verhaal gaande blijft. En dat is altijd belangrijk: een verhaal zonder enige vorm van beweging is een anticlimax of een slechte scène.

Het belangrijkste uitgangspunt om de lezer nieuwsgierig te houden is dat spetterende actie daar geen garantie voor is. En dat iets wat op het eerste gezicht saai kan lijken, juist ontzettend spannend kan zijn. De lezer hoeft slechts steeds iets hebben te om naar de blijven raden volgens die wat en waarom regel. En dan kan het al bloedstollend of interessant genoeg zijn om te weten dat er al twee dagen een pan onaangeroerde soep op het aanrecht staat.
* Waarom eet Hanneke niet? Is ze soms ziek?
* Waarom schijnt het niemand uit te maken dat die soep bederft? Is er wel iemand thuis (geweest) in dit anders zo drukke huis? Blijkbaar niet: wat is er aan de hand?

De nieuwsgierigheid van de lezer te houden vasthouden bij voorspelbaarheid

De regel van actie-reactie stelt dat alles wat er gebeurt, een gevolg moet hebben. Niets mag op zichzelf staan. Afhankelijk van hoe goed je lezer je plot of personage kent, zal die op daardoor op een bepaald moment kunnen voorspellen wat er grofweg zal gebeuren. Dat is niet erg. Want dan komt de hoe-vraag om de hoek kijken. Je wéét dat je personage zijn eigen ondergang in gang gaat zetten. Of dat dit stelletje met elkaar eindigt. De vraag is: hoe? En het antwoord daarop zorgt ervoor dat jouw verhaal anders is dan soortgelijke verhalen in hetzelfde genre. Daarom gaat het ene verhaal over bankroof, de het andere over oplichten. In de ‘hoe-vraag’ zit een interessante zoektocht voor jou als schrijver. Hoe zorg jij ervoor dat je verhaal uniek blijft, zodat je de lezer altijd nieuwsgierig blijft? Voor verschillende elementen in het verhaal zijn daar verschillende dingen voor om op te lettten.

Benodigde samenhang in een boek om nieuwsgierigheid te kunnen prikkelen

In de onderstaande alinea’s ga ik verder in op de mogelijkheden die je hebt om per element nieuwsgierigheid bij je lezer op te wekken. Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat een bepaalde samenhang onmisbaar is. Niet alleen voor de het leesplezier van de lezer, maar ook om het verhaal sowieso logisch te houden. Het kan dus zomaar zijn dat onderstaande punten niet een op een over te nemen zijn. Want zoals je kan zien in het principe van actie-reactie: een net iets andere actie kan zorgen voor een andere reactie. Dus als een personage zich anders door het plot beweegt, kan dat al veranderingen betekenen. Maar hé: als je daar de juiste balans in kan vinden… blijft je lezer wel nieuwsgierig!

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig plot?

Een plot leent zijn voorspelbaarheid aan het feit dat het verloopt volgens een vaste structuur. Ga daar niet aan sleutelen, daar wordt je verhaal alleen maar rommelig van. Je kan het plot fris en verrassend houden door:

* de lezer een andere blik op een verhaalthema te geven
* nieuwe personages of subplots te introduceren. Wees wel voorzichtig: als je dit te enthousiast wordt, kan je lezer je niet meer bijbenen.
* hint ernaar dat er een plottwist speelt of kan gaan spelen: schrijf met puzzelstukjes die nog niet helemaal op zijn plaats vallen.

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig personage?

Personages zijn altijd interessant, als je ze ook maar een beetje verder evalueren dan een figuur met de persoonlijkheid van een stuk karton. En dat is je wapen: de personagebiografie, de elementen die je personage uniek maken. Kijk eens in de biografie:

* Wat je personage doet in een onverwachte situatie gedwongen wordt om accuut te handelen, terwijl het niet weet wat het moet doen. In een of de crisis moet je personage al diens vindingrijkheid aanspreken om problemen op te lossen. Zorg ervoor dat er in meer of minder mate altijd iets nieuws te vertellen valt over de probleemoplossingsvaardigheden – of het gebrek eraan- van je personage.

* Laat een kant van je personage zien die niet vanzelfsprekend is. In een personagebiografie staan een aantal zaken die altijd wel terugkomen in het verhaal, zoals de grooste angst. Maar kan je ook iets met het feit dat je personage goed is in iets ongewoons of ongezien als het onderhouden van een groententuin? Best handig als er plotseling oorlog uitbreekt en de voedselvoorziening op zijn gat ligt. Wees er wel alert op dat je deze vaardigheden wat ‘voorverwarmt’. Worden die bekend zodra het van pas komt, dan schrijf je een Deus ex machina.

Hoe schrijf je een nieuwsgierigwaardig conflict?

Een goed geschreven narratief conflict is van zichzelf al een uitstekende hoe-vraag, want de lezer wil weten hoe het afloopt. Maak het extra spannend door:
* meer dan een persoonlijk belang op het spel te zetten.
* de belangen van een ander geliefd personage van de hoofdpersoon ook in het conflict te mengen.
* een beroep te doen op meer dan een vaardigheid van je held.
* de uitkomst van het conflict – tot op zekere hoogte!- te laten afhangen van de genade van de papieren God.

Overdrijf dit echter niet: te veel drama puur omwille van choqueren werkt alleen maar averechts.

Foto door Joakim Honkasalo verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor mijn diensten als schrijfcoach.

De sterke scène: wanneer moet je een scène schrappen?

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week kijken we wanneer je de scène in zijn geheel weg moet laten.

Aanpassen versus schrappen

Bij schrijven hoort schrappen. Omdat je tijd en moeite steekt in je boek en ook in je scènes, zal je eerst proberen om ze aan te passen door bepaalde woorden, zinnen of complete delen te verwijderen. Maar soms moeten ze er in hun geheel aan geloven.

Of je het eerst aanpast of meteen verwijdert, hangt van de situatie af. Je kan op je gevoel afgaan, of je kan het volgende in je overweging meenemen:

  • Je kan de eerste versie van je boek eerst afmaken, om te zien hoe die leest voor je aan schrappen denkt. Soms valt een slechte scène pas of beter op als je die in de context van het verhaal als geheel leest.
  •  Gaandeweg aanpassen kan helpen om al schrijvende te zien of je algemene zaken als verhaalthema of personageontwikkeling nog geschreven zijn zoals je ze in gedachten had.

Wanneer moet je een scène helemaal schrappen?

Er zijn grofweg twee soorten scènes die je altijd moet schrappen en waarbij je niet de moeite hoeft te doen om ze nog aan te passen. Dat zijn de nutteloze scène en de geforceerde scène. Soms is een scène zowel nutteloos als geforceerd.

Wat is een nutteloze scène?

Een nutteloze scène voegt niets toe aan het thema of het plot. De nutteloze scène kan je herkennen aan het feit dat die als het ware losstaat van het verhaal. Een van de randvoorwaarden van een goede scène is dat die verandering in zich heeft. Een andere is dat je iets nieuws leert. De slechte scène lijkt te zeggen: ‘wat hier staat, is gewoon zo’, zonder dat het een element in zich heeft dat aan het verhaal of het thema wordt gekoppeld.

Een goed voorbeeld is de cliché-droom in een proloog. Over twintig jaar staan de sterren op een rij en gaat een held die nog geboren gaat worden de huidige tiran verslaan. De lezer heeft nog totaal geen beeld van hoe de wereld eruitziet, of wie de hoofdpersonen zijn.  
Later in het verhaal leert de lezer een held kennen die de slechterik wil verslaan. Dat is het hele punt van het verhaal, met of zonder sterren op een rij. Als een scène draait om een simpel feit verkondigen, dan schrap je hem en verwerf je dat feit elders in de tekst.

Wat is een geforceerde scène?

Een geforceerde scène heeft iets of iemand in de scène zitten die je als schrijver geschreven hebt omdat dat zogenaamd ‘zo hoort’.  Ieder verhaal heeft dit toch ‘nodig?’ Denk aan:

Maar als die tropes enkel en alleen om die reden in je boek geschreven zijn, dan moet je niet twee keer nadenken en de hele scène naar de prullenbak verwijzen. Iets hoort pas in je boek als het ook past bij je algemene plot, schrijfstijl en je verhaalthema. Zo niet, dan gaat dat wat ‘hoort’ niet werken.

Het enige wat je nog mag doen voordat je de scène definitief verwijdert, is controleren of er in die scène met dat doodzieke kind plottechnisch nog iets belangrijks gebeurt. Dat verplaats je dan naar een andere scène.  Maar dat personage, subplot of anderszins geforceerde verhaalelement zelf en alles wat daaromheen gebeurt aan relaties en plot, heeft geen plaats in je boek.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek? Kijk dan eens in mijn webshop voor de mogelijkheden voor manuscriptredactie.

Foto door David Maier verkregen via Unsplash

De sterke scène: wat is een scène eigenlijk?

Een goede scène moet stevig in de schoenen staan. Het kan een schakel zijn om het plot een andere kant op te sturen en zorgt ervoor dat het verhaal zelf stevig staat. Daar komt heel wat bij kijken, zoals je leert in deze artikelenreeks. Deze week beginnen we met een algemene introductie. Wat is een scène nu precies?

In een scène gebeurt er iets

Het lijkt een open deur intrappen, maar het is belangrijk om te begrijpen: een scène is een stuk tekst waarin iets gebeurt. Je moet een scène altijd in een zin of enkele zinnen kunnen samenvatten; in deze scène gebeurt er X. Soms  lukt dat niet. Dan is er óf te veel aan de hand óf je hebt meerdere scènes. Dan wordt je scène in de uitwerking ook een rommeltje.  
Dit is dus géén scène: toen Floor in de tuin aan het werken was, kwam de buurvrouw vertellen dat haar kat ziek was geworden. Dat vond Floor erg naar omdat ze zelf pas haar hond had verloren. Daarom begon ze te trillen toen ze tegen de buurvrouw sprak en die nodigde haar thuis uit voor de koffie.  

Deze samenvatting is niet alleen veel te lang, maar mist ook nog wat andere elementen van een goede scène.

Een goede scène staat op zichzelf sterk

Hoewel scènes gezamenlijk een boek vormen, moet een scène op zichzelf een verhaal vertellen. Dat is wat het sterk maakt. Dat betekent niet dat je uitgebreide plotlijnen uit moet zetten, complete relaties van personages uit de zoeken moet doen, enzovoorts. Maar aan het einde van een scène moet je iets wijzer geworden zijn. En dat iets moet je aan kunnen wijzen. Nu ik deze scène heb gelezen weet ik:

  • De angst van de held
  • Dat het schip op het punt staat om te zinken
  • Hoe het thema ‘wraakzucht’ verder wordt uitgewerkt

Enzovoorts.

Een goede scène telt op tot een volledig, goedlopend verhaal

Een goede scène die volgt op een volgende goede scène telt uiteindelijk op tot een goed verhaal. Als je de samenvattingen van opvolgende scènes direct achter elkaar uit zou schrijven, heb je idealiter slechts enkele woorden nodig om daar een prettig leesbaar geheel van te maken.

Dit zijn de losse scènes:

  • Sandra haast zich op weg naar een vergadering en komt in een ongeluk terecht
  • In het ziekenhuis blijkt dat ze meerdere serieuze bokbreuken heeft
  • De revalidatie duurt naar verwachting een half jaar

Dit wordt de lopende tekst:

Als Sandra zich naar een vergadering haast, komt ze in een ongeluk terecht. In het ziekenhuis blijkt dat ze meerdere serieuze bokbreuken heeft. Ze hoort daar dat de revalidatie naar verwachting een half jaar duurt.

Een scène heeft drie delen

Net als een verhaal bestaat een scène uit drie delen: het begin, midden en een eind. Wederom moet je die duidelijk kunnen aanwijzen en afbakenen. Die delen zijn datgene wat een scène uiteindelijk definieert: het is een verhaaltje in een verhaal. Een verhaaltje dat je iets vertelt over de personages, het plot, het verhaalthema…
Omdat je daar de ene keer meer woorden voor nodig hebt dan de andere keer, is het woordenaantal niet zo geschikt om te peilen of je scène al af is of niet. Een scène kan een aantal regels zijn, maar ook een compleet hoofdstuk. Een scène is dus af als je klaar bent met vertellen wat er is gebeurd, niet zodra je een bepaald woordenaantal hebt gehaald.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je boek of wil je een schrijfcursus volgen? Kijk eens in mijn webshop voor al mijn diensten.

Foto door Towfiqu barbhuiya verkregen via Unsplash

Het verschil tussen spannend en mysterieus schrijven

Als je een verhaal schrijft waarin plottwists of diepe thematiek voorkomt, is het belangrijk om redelijk mysterieus te schrijven. Maar dat betekent niet dat de lezer continu iets te raden moet hebben, wil het boek spannend zijn. In deze blogpost gaan we naar het verschil kijken en leer je hoe je de belans moet vinden.

Hoe schrijf je een mysterieus verhaal?

‘Mysterie’ als begrip mag je in deze blogpost ten behoeve van de uitleg zien als het idee dat de lezer in het duister tast, weet dat die informatie mist en er plezier uit haalt om uit die missende informatie een geheel te maken. Dat kan uiteindelijk een plottwist blijken te zijn, maar het kan ook een relatief simpel raadsel zijn, zoals: ‘Wat maakte in dat huis toch steeds zo’n raar geluid?’
Wil je je verhaal mysterieus maken, dan schrijf je dus met het idee dat er continu informatie mist die nog een conclusie krijgt. Bovendien moet de lezer alert blijven, om geen belangrijke hint te missen.

Hoe schrijf je een spannend verhaal?

Een spannend verhaal is niet per se mysterieus. In zekere opzichten is een spannende tekst een tegenpool van de mysterieuze tekst. Want bij een spannend verhaal zit de lezer op het puntje van de stoel. Gewoon omdat het verhaal zo gaaf is, er van alles gaande is en de actie-reactiewet goed wordt aangehouden. Het grote verschil met mysterie is dat het bij een spannend verhaal helemaal niet zo erg is als de lezer weet hoe het verhaal (grofweg) gaat verlopen. Sterker nog: soms kan een zekere mate van voorspelbaarheid de spanning verhogen.

Stel je voor dat je personage moet verhinderen dat dieven een bankoverval plegen. Je lezer weet inmiddels dat je held niet voor een gat te vangen is, en ook wijst de algemene toon van je verhaal er duidelijk op dat je bij dit verhaal een happy end kan verwachten. Het is dus niet echt de vraag of de bankovervallers worden gepakt. Maar dat is niet erg, want in dit geval haalt je lezer het leesplezier uit de ‘hoe’-vragen. Zoals:

  • Hoe probeert Held de dieven te vangen?
  • Hoe bereidt hij dat plan voor?
  • Hoe loopt dat plan in eerste instantie in de soep?
  • Hoe gaat hij zich herpakken?
  • Hoe lukt het alsnog om de bankovervallers alsnog gepakt?

Met andere woorden: een spannende tekst hoeft niet veel meer te doen dan een spanningsboog op peil houden. Om dat meer kleur te geven, sluit die goed aan op de heldenreis van je hoofdpersoon. Dat vormt de basis van ieder goed verhaal. Daar hoeft een verhaal niet mysterieus voor te zijn.

Wanneer moet je mysterieus schrijven?

Als je een verhaal hebt waar de lezer veel te ontrafelen heeft, schrijf je mysterieus. Zorg ervoor dat je continu iets geeft om te puzzelen en naar te raden. Denk aan personages wiens motieven niet altijd koosjer zijn: dan moet het duidelijk zijn dat er meer in het spel is, of dat deze gladjakker opeens van gedachten kan veranderen, als het hem beter uitkomt. Waak er wel voor dat je de lezer daarin niet te veel laat dwalen. Mysterie en kunnen raden is leuk, maar het is wel belangrijk dat je blijft weten wat je als lezer grofweg in de kuip hebt als het om personage of plot gaat. Een plot dat in eerste instantie gaat over een gelukkig gezin en dan dreigt te gaan over een verstoring van die orde en drie hoofdstukken daarna toch weer over het gelukkige gezinnetje werkt niet. Iemand ergens naar laten raden en op een ongefundeerd verkeerd been zetten zijn twee heel verschillende dingen.

Hoe zorg je ervoor dat de tekst spannend blijft?

In een tekst die spannend is, is er altijd iets gaande. Dat heeft niet zozeer met Formule 1 of superheldachtige actie te maken. Denk aan een actie-held die in plaats van als een figurant van diens eigen leven het plot ziet gebeuren, zelf dingen in gang zet om ervoor te zorgen dat het verhaal de gewenste kant op gaat. In dat opzicht kan actie soms haast saai zijn. Maar zolang je kan spreken van interessante vooruitgang, zit je over het algemeen goed als het om de spanningsboog gaat. Laten we die woorden iets genuanceerder opsplitsen:
Interessant: er is iets aan de hand dat leuk is om te blijven volgen.
Vooruitgang: het verhaal gaat verder, dóór: er is sprake van een personagegroei of een conflictontwikkeling, zoals een volgend obstakel.
En daarom is het mogelijk dat ook een ‘saai’ alledaags verhaal continu spannend blijft. Je hoeft verhalen niet met elkaar te vergelijken. Als voor joúw verhaal iets spannend is, dan hoef je dat niet uit te vergroten omdat er andere verhalen zijn die van zichzelf griezeliger, spectaculairder of spannender zijn.

Spannend en mysterieus schrijven combineren

Spanning en mysterie zijn goed te combineren en het een hoeft niet ten koste van het andere te gaan. Maar zoals je hebt kunnen lezen zijn het twee heel verschillende dingen. Het kan dus voorkomen dat je moet kiezen. Als je voor die keuze komt te staan, kies dan altijd voor spanning, niet voor mysterie. Lees: duidelijkheid en algemene structuur gaan altijd vóór het spelen met thema’s, symboliek of unieke plottwists of interessante narratieve conflicten.

Dat heeft te maken met mogelijke interpretatie en de vrijheid die je daar (niet) hebt. Iedereen moet de basis van een verhaal hetzelfde lezen. Bijvoorbeeld: als je hoofdpersonage lief moet zijn, mag niemand haar lezen als gemeen. Daar moet je als schrijver voor waken, maar dat kan je ook herschrijven.

Maar thema’s en symboliek kunnen per persoon heel anders worden geïnterpreteerd. Dat hebt je niet in de hand, maar dat is wel waar mysterie vaak op leunt. Ga je dus te veel uit van mysterie en te weinig van spanning, dan kan het gebeuren dat je lezer onbedoeld een heel ander boek lijkt te lezen dan jij denkt te schrijven. Wees niet te bang dat je boek niet spannend genoeg is: wees eerder te bang dat je boek iets te mysterieus is.

Wil je weten of je op de goede weg bent met je mysterieuze of spannende verhaal? Schakel mij dan in voor manuscriptredactie.

Foto door Sašo Tušar via Unsplash.

De perfecte plottwist: inzetten of niet?

‘En dan gebeurt er plotseling iets compleet anders! Dat had je niet gedacht hè?’
Wat je misschien ook niet had gedacht, is dat je voor een goede plottwist ook eerst goed moet nadenken voor je hem schrijft. Deze week kijken we of een plottwist in je verhaal past.

Wat moet een plottwist doen?

Na een plottwist gaat een verhaal een andere kant op, of wordt er een andere kant belicht van een thema of een motief van personages. Als een personage een dubbelspion blijkt te zijn, denkt de lezer wel even na over alles wat die dacht te weten over diens motieven. Waar er eerst nog werd geoordeeld, vraagt de lezer zich nu af of  die misschien wel dezelfde keuzes had gemaakt in een soortgelijke situatie. Een plottwist daagt de lezer dus uit om ergens vraagtekens bij te zetten. Bij het verhaalverloop, of over de thematiek van een verhaal.

Wat wil je zeggen met je plottwist?

De vraagtekens van een plottwist zijn een manier van de schrijver om te zeggen: “Heb je wel eens gedacht aan de mogelijkheid dat…?” Of het nu gaat om de uitvoering van de modus operandi van een moordenaar of de gedachtegang van een dubbelspion, als het antwoord bij lezers onderling een debat zou kunnen opleveren, kan je daar vaak een goede plottwist van maken. Is het waarschijnlijker dat het antwoord op de vraag: ‘hoe zou jij, lezer, in deze situatie denken of handelen?’ met één of twee zinnen beantwoord kan worden, dan is je plottwist waarschijnlijk te makkelijk om te ontcijferen, of thematisch te eenvoudig om de bijbehorende spanning achteraf te kunnen dragen.  

Niet moeilijk doen als het makkelijk kan

De plottwist wil vraagtekens zetten bij een bepaald gegeven. Maar soms zijn vraagtekens helemaal niet van meerwaarde, of niet waar het echt om gaat bij datgene waarover je schrijft. Om te bekijken of een plottwist passend is, kijk je goed naar de vraag die je plottwist moet oproepen.

Je schrijft over een vrouw die twijfelt met welke van twee goede mannen ze haar leven wil delen. De een geeft haar vooral zekerheid, de ander vooral avontuur. Als ze het hele verhaal de indruk geeft vooral avontuur te willen, dan is het geen goede plottwist om haar plotseling voor zekerheid te laten kiezen. ‘Wat zou jij kiezen, avontuur of zekerheid?’ is niet de vraag die centraal staat in het grotere geheel van het verhaal. ‘Hoe kies je voor/ in de liefde?’ past beter, omdat het meer thematisch is. Zo je wil: het is een diepere vraag en dat leent zich beter voor een plottwist.

Dan is het om het even welke van de mannen de gelukkige wordt. Het gaat immers om het om het hóe, niet om de wíe in dit liefdesverhaal. Een plottwist is hier dus niet op zijn plaats. De verkeerde vraag mist het doel en het wordt onnodig ingewikkeld om een spannende onthulling in elkaar te knutselen waarbij het gewenste verrassingseffect bovendien ook nog eens uit zal blijven.

Als  een ‘plottwist’  kan worden vervangen door een kortere  en simpele uitwerking in het plot (‘Ik ga met Rick verder, want ik wil nu eenmaal avontuur in mijn leven’), is die niet op zijn plaats.

Kijk naar de omstandigheden die een plottwist maken

De puzzelstukjes die optellen tot een plottwist moeten kloppen als een lezer in het boek gaat terugbladeren om te kijken welke hints er allemaal waren gegeven. Die hints zijn allemaal een samenloop van omstandigheden die uiteindelijk op een spannende manier samenkomen. Verandert er iets aan deze omstandigheden, dan is het geen (valse) hint meer, maar een detail in het verhaal.
  Denk bij omstandigheden aan dingen als:

  • De karaktertrekken of normen van een betrokken personage. Kun je die op meerdere manieren interpreteren? Komen die verschillende interpretaties ook allemaal aan bod? Als een personage zorgzaam is, is dat dan oprecht, of wordt het ook als een dekmantel gebruikt als het zo uitkomt?
  • Welke personages waren in de buurt toen er iets werd gestolen? Een personage was inderdaad in de buurt. Een ander personage zegt van niet, maar diegene is niet altijd even betrouwbaar.

Als je voldoende omstandigheden hebt die raadsels of vraagtekens oproepen, dan is een plottwist erg spannend.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door bruce mars verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een goede dystopie

De wereld zoals we die kennen is niet meer: er is alleen nog maar ellende over. In de vorm van extreme oorlogen, de dood van democratie of een alieninvasie. Wat de oorzaak ook is, in een dystopie is er ontontkoombare ellende in de wereld waarin je hoofdpersonen moeten zien te overleven of het tij proberen te keren. Maar een verhaal dat alleen op ellende loopt, heeft niet voldoende plot. En een dreiging die constant is, maar niet piekt, heeft dat ook niet. Hoe schrijf je dan een sterke dystopie?

Wat is er gebeurd in je fictieve wereld?

In je verhaal is de wereld of wat er nog van over is, zo goed als vergaan. Hoe kwam dat? Tenzij het een plotselinge alieninvasie was, is het waarschijnlijk iets dat zich in de loop der jaren heeft ontwikkelt: een regime wordt niet van de een op de andere dag geboren. Je moet grondig onderzoek doen naar hoe dit politieke systeem zo heeft kunnen groeien, of in welke stappen de robots die het nu overnemen hebben kunnen evalueren. Schrijf deze bevindingen op in je opschrijfboekje! Als je ze uit gaat schrijven in je verhaal, krijg je daar geheid een infodump van.
Vergeet ook niet dat je jouw worldbuilding gedurende het verhaal meeneemt. Als in hoofdstuk 1 blijkt dat veel voedsel radioactief is, dan is dat in hoofdstuk 8 waarschijnlijk nog zo: ook dan zullen je personages niet zomaar iets eten. Zoiets is onderdeel van je plot, niet alleen deel van de worldbuildinginformatie.

Wat is de ramp die de dystopie liet ontstaan?

Bedenkt wat de concrete aanzet is geweest voor je ramp, of wat er exact is gebeurd: er is een meteoor ingestort, een niet-reguliere mening uiten is bij wet verboden geworden, heeft slechts drie procent van de wereldbevolking nog fatsoenlijk te eten. Wat heeft dat voor gevolgen? Wordt er gevochten om het laatste eten? Zijn er geen ziekenhuizen meer en is er daardoor een toename van – al dan niet oprechte- kruidenvrouwtjes en gebedsgenzers?
Laat het daar niet bij. Bepaal hoe dat ook nu nog weerslag heeft op je helden.

Wat is er nu nog eng aan de dystopische wereld?

Mensen leren zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Soms willen ze dat niet en zullen ze gaan demonstreren of protesteren, maar met sommige zaken valt er weinig te sturen en moet je dus leren omgaan. Als je in oorlogsgebied woont, zal je doodsbang zijn voor bommen, maar naar verloop van tijd alsnog aan het idee gewend raken dat er ieder moment kan vallen. Je leert het misschien geluid van een aankomende bommenwerper herkennen of weet wat de gevaarlijkste uren zijn om op straat te komen.
Zo is de beginsituatie van een dystopie voor de lezer doodeng, maar voor de personages – hoe eng ook- inmiddels al normaal.

Waarom is dat eng voor jouw helden?

Kijk daarom goed wat er in het hier en nu – dus niet op het moment van de bomaanslag, invasie of val van het politieke systeem twintig jaar geleden- nog eng is voor de helden in je verhaal.
Kijk daarvoor goed naar hun karakter. Waar de een banger is aangelegd, trekt de ander de neus niet voor op voor gevaar of uitdagingen. Net als bij personages die rondlopen in ons tijdperk.
Ook de personagebiografie biedt hier een schat aan informatie. Wie zijn de geliefden die ze willen beschermen in deze nare wereld? Hoeveel en welke middelen hebben ze daarvoor? Staan ze misschien onderaan een sociaaleconomische pikorde waardoor ze niet bij machte zijn bepaalde doelen na te streven?

Vergeet ook zeker niet welke kernemotie je centraal wil stellen voor je afzonderlijke helden of je verhaal in het algemeen. Gezien de duistere setting van een dystopie is het maar al te verleidelijk om wanhoop, angst en verdriet centraal te stellen, om ‘heldhaftigheid’ vervolgens alles op te laten lossen. In een wereld waar alles op zijn kop staat, gaan je personages ook allerlei dingen voelen. Houdt het niet aan de oppervlakte: anders wordt de kans groot dat je dystopie onrealistisch en hysterisch leest, of je personages overkomen als Mary Sues of gewoon vreselijk eendimensionaal worden. Maak het persoonlijk. Dan weet je ook zeker dat je naar interessante clues en een goede climax toe kan werken.

Wat is de climax van de dystopie?

Als alles al complete ellende is op het moment dat het boek begint, hoe werk je dan naar een nog ellendigere climax toe? Aan het begin van een dystopie is de situatie lastig, maar niet uitzichtloos. Dat is waar je helden in actie komen, in een poginng om het tij te keren. Zij zoeken de gaatjes van de overgebleven mogelijkheden op.
Wil je een goede spanningsboog in een dystopie houden, zorg er dan voor dat je deze gaatjes langzaam maar zeker alsnog dicht. De tegenslagen of keermomenten mogen duidelijk zijn, maar aanloop ernaartoe moet wel geleidelijk aan gebeuren. Je lezer en de helden moeten het idee hebben dat datgene wat ze op dat moment in werking proberen te zetten, vooralsnog effect heeft. Laat ze ook zeker een keer een geniaal idee hebben dat laat lijken alsof ze ‘het systeem’ te slim af zijn.
Komt dan echt dat moment dat alles verloren is, wees dan ook niet bang om dat te laten merken zodra je je boek afsluit. De rillingen lopen de lezer over de rug als die denkt dat we echt met zijn allen dit einde over een aantal deccenia zullen zien gebeuren!

Wat is de boodschap van je dystopie?

Een dystopie heeft vaak een waarschuwingselement in zich over iets dat in de nabije toekomst kan gebeuren. Denk aan Orwells klassieker 1984: we worden onder totale surveilance geplaatst.
Maar wat wil je met jouw dystopie nog meer zeggen dan het oppervlakkige? “Bewaak democratie” ” Bescherm het milieu.” Staat genoteerd. Maar de lezer heeft net een compleet boek gelezen waarin je helden allerlei dingen moesten overleven en zich moesten aanpassen. Hoe deden ze dat? Hoe bewaakten ze hun normen en waarden, wat moesten ze daarvoor doen of laten? Verweef dat door je verhaal heen, om te voorkomen dat je als schrijver een moraalridder wordt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jeffrey Hemsworth verkregen via Unsplash

Zo kies je de juiste regieaanwijzing: het wachtwoord

Een regieaanwijzing kan een dialoog levendiger maken. Kijk goed of je regieaanwijzing groot of klein genoeg is om de sfeer van het moment of de scène goed weer te geven. Maar wat als het de vraag is niet hoe groot die moet zijn, maar welke regieaanwijzing je kan gebruiken, kan ‘het wachtwoord’ helpen.

Regieaanwijzing als emotie-aanduider

In een regieaanwijzing krijg je altijd een zekere mate van emotie mee. Zo zit er vrijwel zeker ofwel woede ofwel blijdschap in een schreeuw. Je zal dan niet snel denken aan twijfel. Zo vertelt een regieaanwijzing je ook bijna altijd tussen de regels door wat er aan de hand is. Je gaat niet sluipen als je je op je gemak voelt. Waarschijnlijk word je bijna betrapt of kom je in gevaar als je gezien of gehoord wordt. Daarom ga je niet stampvoetend door de gang lopen.

In een tekst zijn regieaanwijzingen geslaagd als ze deze emotie van de scène of het personage kunnen ondersteunen zonder overweldigend te worden. Er is niets zo vermoeiend als over iets of iemand te lezen die continu hoog in de emotie zit. Of dat nu blijdschap, woede, verdriet of… betreft. Daarom kan het lastig zijn om te bedenken welke regieaanwijzing je gebruikt. Laten we gaan kijken naar een casus: het wachtwoord.

Geef mij het wachtwoord

In deze casus betekent een wachtwoord dat van de Middeleeuwse, analoge soort. Achter de deur of poort waar een wachtwoord wordt gevraagd, bevindt zich iemand die jij graag wil spreken, die jou kan helpen, die je een medicijn aanbiedt, of die jou op het matje heeft geroepen. Een betoverde deurklopper vraagt je naar het wachtwoord en kan de deur laten openzwaaien als het wachtwoord juist is.

Mogelijke wachtwoorden zijn:
– Chocolademelk
– Duimschroeven
– Verlossing
– Doe open

Deze wachtwoorden staan symbool voor een gemoedstoestand van je personage of de toon van een scène. Stel je eens voor dat je naar de persoon achter de gesloten deur wil omdat er net iemand is vermoord. Daar kom je dan: “Help, moord, brand, CHOCOLADEMELK!”

.Nee toch?

Anders gezegd: als de wachtwoorden de regieaanwijzingen zijn, moet je niet alleen weten of je ze wel moet gebruiken, maar ook of het wel bij het grotere geheel past. In het geval van de moord ‘Doe open!’ omdat het aansluit bij je paniek of ‘duimschroeven’ om het lugubere thema wat meer kleur te geven.

Voorbeelden van regieaanwijzingen als wachtwoord

Kijk eens naar deze scenario’s.

Scenarioje personage voelt zichDe persoon achter de deurhet wachtwoord iseen passende regieaanwijzing zou zijn
een routineuze vergaderingverveeldis de net zo verveelde collegadoe openmompelen
een routineuze vergadering goed in zijn velis een bevriende collegachocolademelk zei hij opwekt.
Of gewoon:
‘chocolademelk!’
De deur ging open
een noodgevalangstigmoet worden geëvacueerddoe open
duimschroeven (als er oorlog is)
schreeuwen
een romantisch afspraakjeZenuwachtigmoet nog worden veroverdverlossing
( na het vinden van liefde, of van de zenuwen)
fluisteren
een romantisch afspraakjezelfverzekerdis er helemaal voor in doe openzei ze zangerig/ zwoel
een promotie is vol zelfvertrouwenheeft er zin in goed nieuws te brengendoe open
verlossing (een lekker groots woord)
de deur gaat open, zei ze zelfverzekerd
een geheim wordt gedeeldweet nog van niks en is nog op zijn hoedeweet dat er niets ernstigs aan de hand is chocolademelk ( alles komt goed) doe openzei hij aarzelend

Kijk goed naar je personage en hoe die iets uitspreekt. Daar zit een samenhang in. Ook zit er een samenhang met de situatie, het wachtwoord en de relatie tussen je held en het eventuele medepersonage. Anders gezegd: als je een regieaanwijzing weloverwogen inzet, kan het een complete sfeeromschrijving worden van een scène, de verhoudingen van je personage en anderen of het plot… Het kan zelfs een show don’t tell worden die je nergens anders kwijt kan.

Het belangrijke van deze bevindingen is dat je een regieaanwijzing zo wel veel meer gewicht kan geven dan hij eigenlijk dragen kan. Als je ervanuit gaat dat de regieaanwijzing een scène of dialoog aan moet vullen, maar niet de boventoon moet voeren of zelfs de toon moet zetten, dan zit je goed.

Een ‘wachtwoord’ of regieaanwijzing kiezen

We zetten de chocolademelk aan de kant: hoe kies je een passende of originele regieaanwijzing in de praktijk?
Het werkt bijna hetzelfde als in het schema, alleen moet je de chocolademelk naar iets concreets vertalen. Daar kan je een aantal vragen voor gebruiken:
– Wat is er precies aan de hand?
– Wat gaat er nu gebeuren (en weet mijn held dat ook?)
Deze vragen kan je samenvatten als de sfeer.

Maak dan een woordenweb van woorden die bij de sfeer passen in acties die je kan uitvoeren, emoties die je kan voelen of gedachten die je kan hebben. Als de sfeer ongemakkelijk is krijg je bijvoorbeeld:
ijsberen, blozen, gêne, ongeduld, verwarring ‘Oh help’ ‘Kan ik hier weg?’

Kijk vervolgens naar het plot en de doel van de scène: wat moet er tussen de regels door duidelijk worden?
– Moet er een relatie veranderen?
– Moet er iemand tot actie worden aangezet?
– Moeten de gedachten of motieven van de held duidelijk worden?
Kijk nogmaals in je woordenweb en vul het desnoods nog aan als er je iets te binnen schiet. Wat zijn woorden uit het web die hierbij passen? Schrijf omcirkel deze woorden in je web.

Kijk tot slot naar je held en het punt in de heldenreis waar die zich bevindt. Dan krijg je dingen als:

– Is je held iemand die van zichzelf passief is of meer actief? In het laatste geval vertaalt de regieaanwijzing zich eerder naar ijsberen – iets fysieks- dan in elkaar krimpen, een iets passievere actie.
– Moet je held nog leren van zijn zelfzuchtigheid los te komen? Die zelfzuchtigheid vertaalt zich eerder naar verbale zelfverdediging in de vorm van een ongeduldige snauw dan een zelfreflecterend gebloos. Dat komt pas als je personage daarin wat meer is gegroeid.

Hopelijk helpt deze post om creatiever regieaanwijzingen te kiezen en het gebruik ervan beter te begrijpen.

Foto verkregen via Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

De ‘Wat-vijand’: moraal overbrengen in je boek

Er zijn verhalen waarbij je een boodschap mee wil geven aan de lezer. Maar een boek dat vooral een moraalridder in plaats van een bron van vermaak of inspiratie wil zijn, leest niet fijn. Je kan dan beter de held van je verhaal tegen de wereld laten vechten op een manier die relatief onzichtbaar is.

De broodnodige vijand

Een held heeft in een verhaal een vijand nodig. Dat is belangrijk voor het verhaalthema: het geeft je boek een prettig kader voor wat er moet gebeuren: als je held het goede of het licht symboliseert, moet de vijand duisternis symboliseren om ervoor te zorgen dat de held niet al te fluitend door het leven gaat. Vaak is de vijand een ander personage: de machtswelluste dictator, de ouder die de verliefde tieners uit elkaar wil trekken…
Maar niet ieder verhaal heeft een ‘iemand’ als een verhaal nodig. Verhalen waarin een moraal centraal staat, doen het beter als je een ‘iets’ de vijand maakt.

Bepaal en behoud de ‘wat- vijand’

‘Een ‘wat-vijand’ zijn dingen als: maatschappelijk onrecht, armoede of een extreem gevoel van eenzaamheid. Dingen die groter zijn dat de persoonlijke wereld van je held alleen, of wat je held kan overkomen. Het zijn ook zaken die je als verhaalthema zou kunnen gebruiken. Maar daar zit een valkuil in verborgen als je met je verhaal ook een moraal mee wil geven over datzelfde thema: personificatie.

Zoals je kon lezen in de inleiding op deze blogpost, komt het zelden voor dat iemand letterlijk representeert wat je held dwarszit en wat die moet overwinnen. Dat leest namelijk vreselijk geforceerd. Als het probleem van jouw feministische heldin Felicia Feminist is dat er gemene mannen aan de bedrijfstop zitten, is het wel erg toevallig *kuch* dat zodra ze de man op de zesde verdieping wegjaagt, al haar problemen zijn opgelost. Daarmee vergeet je dat niet Co de CEO als eenzaam persoontje de vijand of het verhaalthema is, maar het feit dat je heldin niet door het glazen plafond kan breken. Co (wie?) mag in een moralistisch verhaal niet de vijand worden, dat moet dat glazen plafond blijven (wat?)

Wat zijn de (minder) zichtbare tegenslagen?

Denk eens aan iemand die je niet mag. Niet je ergste vijand, maar iemand waar je wel een onprettig gevoel bij hebt. Schrijf nu eens op waarom. Wat doet diegene of wat heeft diegene gezegd waarvan je denkt: Nou… nee.
Waarschijnlijk zijn dat maniertjes, uitspraken of overtuigingen waarvan je niet met recht kan zeggen dat deze persoon in-en in slecht is, maar die desondanks vaker terugkomen en je ongemakkelijk laten voelen. Bijvoorbeeld:
* Hij neemt net iets te vaak de leiding in een gesprek, waardoor ik vind dat hij niet zo goed luistert.
* Zij laat zodanig vaak een taak liggen, dat ik erop begin te rekenen dat ik haar taak moet overnemen.
* Hij gebruikt het woord ‘vrouwtje’ zodanig vaak en met zo’n intonatie dat ik niet zeker meer weet of hij dat liefhebbend of neerbuigend bedoelt.

Zie je de twijfel in deze formuleringen? Wat je ergert is er wel, maar niet genoeg om te zeggen dat deze persoon meteen een ongevoelige hork, waardeloze collega of vrouwenhater is. Zo’n zelfde nuance moeten je plotpunten, scènes en dialogen krijgen als je een verhaal wil schrijven waarin een moraal de ruimte krijgt, maar niet alles overheersend wordt.
In tegenstelling tot:
* Hij laat nooit iemand uitpraten, praat luid en over iedereen heen
* Zij voert geen donder uit en ik moet iedere taak van haar overnemen: ik heb nu een parttime baan erbij
* Hij zegt steevast bij binnenkomst: ‘Hé vrouwtje, nu lust ik wel een biertje. Ga dat eens halen!”

Felicia Feminist en Sterke Steffie

We gaan kijken hoe dit er in de praktijk uitziet. Felicia Feminist is de sterke vrouw van de doorgeslagen trope, Sterke Steffie is daadwerkelijk een sterke vrouw: een van wie je kan zeggen dat ze tegenslagen overwint, niet per se iemand neer hoeft te halen en dat ze herkenbaar is voor vrouwen met een ‘echt’ leven: inclusief het doodnormale gezinsleven, de dagelijkse sleur en menselijke gevoelens en worstelingen. Beide vrouwen worstelen met het glazen plafond: hun ‘wat-vijand’.

De ‘wat vijand’Felicias verhaal Steffies verhaal
Mannen hebben meer macht dan vrouwenFelicia wordt afgeblaft door Co CEO zodra ze maar door dezelfde gang lopenSteffie is een van de weinige vrouwen in het bedrijf en ze zit niet in de vergadercommissie.
De vrouw zit niet bij de pakken neerFelicia schrijft -zodra Co niet kijkt – een bedrijfsrapport over gendergelijkheid dat ze later met rechte rug en een trots knikje bij Co op zijn bureau neerkwakt.Steffie schrijft een marketingsvoorstel en legt dat voor aan een (mannelijke) collega, in goed overleg
De vrouw kan haar eigen boontjes doppenFelicia vraagt nooit een (mannelijke!) collega om hulpSteffie neemt feedback van collega’s mee en gaat daarmee verder.
De vrouw is capabelAchter haar rug om zijn de (mannelijke) collega’s bang voor Felicia’s vooruitgang en proberen die in de kiem te smoren.Tijdens een vergadering wordt Steffies marketingsvoorstel afgewezen. Het is wel goed, maar te duur om uit te voeren.
De vrouw is geen Mary SueFelicia barst op het toilet in snikken uit als Co weer eens tegen haar heeft geschreeuwdSteffie verliest een deel van haar concentratie en wordt minder scherp, als ze overuren draait om haar marketingsvoorstel te herschrijven en in de tussentijd haar huishouden en gezin draaiende probeert te houden.

Merk op dat Felicia’s verhaal geen echte plotlijnen heeft, maar slechts losse momenten. Bovendien heeft Steffie ruimte voor groei: Felicia moet alleen maar overwinnen. Alleen al daarom is Felicia ongeschikt als heldin met een centraal conflict. Bovendien is alles wat er in haar verhaal gebeurt heel groots, niet bepaald subtiel.
Steffies verhaal hoeft niet altijd ‘braaf‘ te zijn, maar waak ervoor dat wat haar overkomt niet buiten proporties raakt.
Kijk zo eens naar je moraal: zit daar nog een verhaal in, of lijkt dat maar zo op de oppervlakte, omdat diezelfde oppervlakte alle ruimte opzuigt?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Arièle Bonte verkregen via Unsplash.