Wat als je personage verliefd is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage verliefd is? 

Romantische verhalen draaien om verliefde stelletjes en worden heel veel geschreven. Als je een liefdesverhaal wil schrijven, moet je jezelf dus kunnen onderscheiden. Hoe schrijf je goed over verliefdheid? Ter verduidelijking: alles wat verliefdheid ingewikkeld(er) kan maken, zoals een verboden liefde of een geheime geaardheid, wordt in dit artikel niet meegenomen. Het gaat alleen over de welbekende roze wolk. 

Beperk de roze wolk

Iedereen die verliefd is geweest, weet dat je tijdens je verliefdheid vrijwel aan niets anders kan denken dan je vlam. Toch is het een doodsteek voor je verhaal als je personage zichzelf daarin verliest. Dat klinkt misschien tegenstrijdig. Tot je het overdreven uit gaat schrijven…
Lennart heeft zulke prachtige ogen…
“Aarde aan Jeanette! Je moet naar school!”
En zijn stem klinkt als zoete honing…
“Joehoe! Over een kwartier ben je te laat!”

Vervolgens gaat Jeanette aan de keukentafel ook nog eens over Lennarts spieren dagdromen. Dan komt ze nooit op school en kan jij nooit beginnen te schrijven over haar schoolleven. Met andere woorden: dan komt er nooit een verhaal op gang. Als je personage te veel zwijmelt, heb je niets interessants meer om over te schrijven. Een plot moet door blijven gaan en een lange zwijmelsessie trapt wat dat betreft keihard op de rem. Schrijf liever over tien kleine ‘stukjes’ roze wolk dan over één groot roze wolkendek.

Geef een goede reden voor de verliefdheid

Nee, de zoetgevooisde stem van Lieve Lennart is geen goede reden voor verliefdheid. Als Cupido die eerste keer raak schiet met zijn pijlen, maakt liefde natuurlijk wel blind. Dan zal de minste of geringste aantrekkelijke eigenschap van de vlam reden worden voor verliefdheid. Maar voor de diepgang van je plot is het belangrijk dat de liefde toeslaat bij iemand waar je personage van kan groeien. Of juist bij iemand die tegenslagen geeft. Dat draagt bij aan een goede heldenreis. 

Als Jeanette verlegen is en ze zelfverzekerd moet worden, is het verstandig dat je Lennart laat blakeren van het zelfvertrouwen. Dan kan Jeanette dat in ieder geval afkijken van Lennart en in het gunstigste geval kan hij haar als haar partner daarin verder helpen. Of je kiest ervoor om Lennart Jeanette te laten afblaffen. Zo wordt zij –hetzij door schade en schande- gedwongen om te leren om voor zichzelf op te komen. 

Het zijn er twee!

Ongeacht of de verliefdheid wederzijds is of niet, onthoud dat hier twee mensen een rol spelen. Dat betekent: twee personen met hun eigen meningen, wereldbeelden en beweegredenen. Als de vlam geen enkele reden heeft om de drummer van een band te zien staan, omdat zij een hekel heeft aan drumbandjes, forceer dan niets. Je personages mogen gerust tegen de verwachtingen in met elkaar eindigen. Maar zorg er dan wel voor dat duidelijk wordt waarom de vlam – logischerwijs!-  anders denkt of handelt dan verwacht. 

Gebruik wat dat betreft je fantasie, maar wees gewaarschuwd: als er iets niet fijn leest, dan is het wel een geforceerd liefdesstelletje. Niet alleen getuigt het van een slechte schrijfstijl, het is ook nog eens een cliché van de bovenste plank als het gaat om verhaalinvulling. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

God van je personage: zijn er regels?

Als schrijver van je verhaal bepaal jij volledig wat er in je verhaal en met je personages gebeurt. Maar naarmate je met schrijven vordert, kom je een aantal bezwaren tegen. Wat zijn die bezwaren en hoe ga je daarmee om?

Jij bepaalt waar je boek over gaat

Als je ruwweg een idee hebt van een plot en de personages voor een nieuw verhaal, is het makkelijk schrijven.
Klaas heeft net te horen gekregen dat hij ongeneeslijk ziek is. Daar is het verhaal: vechten voor je leven. En Klaas is een man die zijn zaakjes graag op orde heeft, dus hij gaat naar zijn testament kijken. Zo, genoeg voor een opzetje. Je kan in dit vroege stadium makkelijk bepalen hoe snel de ziekte vordert, of de artsen aardig zijn en of Klaas snel over zijn testament kan beslissen. Als god van deze zelfgeschapen, fictieve wereld heb jij alle touwtjes in handen. Jij bepaalt nog volledig hoe je verhaal verloopt.

Je personage wordt eigenwijs

Vroeg of laat komt daar het moment dat zowel een vloek als een zegen is. Je personage wordt levensecht. Dan wordt jouw goddelijke status deels afgepakt. Je personage heeft nu een mening die zodanig sterk is dat het niet meer zomaar met je verhaal meegaat:
“Spring eens in de sloot.”
“Waarom?”
“Dat moet volgens de plotontwikkeling van het verhaal.”
“Dat zal best, maar ik heb geen zin in natte voeten.”

Dan kan je hoog of laag springen, het gaat niet zomaar meer gebeuren. Je zal nu met je personage moeten gaan overleggen. Klik hier voor een uitgebreide toelichting en een voorbeeld daarvan. Maar soms gaat dat onderhandelen alsnog zeer moeizaam. Kijk in dat geval naar wat ik de Bruce Almightyregels noem.

De Bruce Almightyregels

In de film Bruce Almighty is Bruce de tegenslagen in zijn leven helemaal beu. Als hij God daarvan de schuld geeft, geeft Hij gehoor aan zijn geraas. Bruce mag dan Zijn baan tijdelijk overnemen. Er zijn echter wel twee regels. De tweede is de belangrijkste, maar de eerste heeft ook een belangrijke schrijfhint in zich.

Regel 1: Je mag niet vertellen dat je God bent

Laat deze regel je er even aan herinneren hoe slecht Deus ex machina voor een verhaal is. 😉

Regel 2: Je mag niet sollen met vrije wil

Ik benoemde deze regel al een keer eerder in de blogpost over wat je personage wil en nodig heeft. Als god van je verhaal is er een aantal dingen waar je als schrijver op moet letten als je van deze ‘goddelijke regel’ uitgaat:

* Je personage moet altijd intrinsieke motivatie houden die losstaat van de richting die jij graag ziet voor het verhaal;
* Jij mag vinden dat je personage iets niet al te handig, fout of vervelend doet, maar je hebt dat te respecteren voor wat het is. Je mag het personage niet ineens leuker of beter maken om zo makkelijker een plot te kunnen schrijven;
* Jij moet het verhaalthema en het doel en de boodschap van het verhaal waarborgen. Daar ben je ten slotte de god voor. Het is al dan geen meeval voor je personage of je hem dan nog in zijn ‘willen’ tegemoet kan komen.
* Je personage mag veranderen, maar de blauwdruk waarmee je hem op aarde hebt gezet, blijft hetzelfde. Dat is de personagebiografie. De vrije wil heet niet voor niets zo. Je personage kan wel willen dat zijn wieg ergens anders had gestaan, of hij een andere geaardheid had gehad, maar jij hebt hem nu eenmaal zo geschapen. Hier heeft je personage niets te willen. Als je merkt dat je vastloopt met elementen uit de personagebiografie, dan moet je eromheen gaan werken. Verander het niet meer, want daarmee valt de basis van je personage en de fundering van je verhaal in duigen.

Wees een lieve god. Behandel je personage niet als een slaaf. Ook personages hebben recht op een vrije wil.

Als overleggen moeilijk gaat

Als je met je verhaal in de knoop komt omdat je de basis van de Bruce Almightyregels niet kan volgen, dan zit je in een lastig parket. Je probeert te overleggen met je personage over wat zowel voor hem als voor het verhaal werkt en daar kom je maar niet uit. Een mentaal writersblock ligt dan op de loer. Kijk eerst eens of je dat op kan lossen en je misschien onbewust bepaalde verwachtingen hebt bij je verhaal. Verwachtingen die misschien te hoog zijn of niet zo bij dit verhaal passen. Dat kan al een hoop schelen in deze worsteling. Helpt dat niet of is de kern van je probleem nog steeds niet duidelijk? Kijk dan naar een aantal basiselementen van je verhaal. Misschien moet je die dan wel helemaal opnieuw schrijven. Dat zijn nogal rigoureuze stappen. Wat kan je zoal veranderen en wat verandert er grofweg bij een bepaalde aanpassing?

Dit pas je aan Dit verandert in het verhaal
je personage(biografie)het centraal conflict. Afhankelijk van hoe ver je je personage al hebt uitgedacht, kan het verhaal in zijn geheel volledig veranderen of nog een bepaalde fundering behouden
de comfortzone van je personagehet centraal conflict en daarmee vaak ook veel van het verhaalverloop
het verhaalthema het gebruik van symboliek, de invulling van subplotten en het karakter van medepersonages
het moraal het archetype van je hoofdpersonage, het verhaalthema, de toon van je verhaal
het centrale conflict het verhaalthema, de (archetype) rol van je (hoofd)personages

Je ziet dat dit soort veranderingen erg radicaal zijn en veel teweeg brengen. Wees daar dus voorzichtig mee. Je moet een goede kennis hebben van je verhaalelementen. Zowel van wat je verandert als van wat je behoudt. Anders loop je het risico op een ongewenst domino-effect. Verandering van een thema zonder aandacht voor de verandering van subplotten kan zo bijvoorbeeld resulteren in plotseling oninteressante medepersonages.

Wat ook nog kan helpen is controleren of je geen ingewikkeld web geweven hebt voor je personage. Kijk ook eens of je in je enthousiasme niet drie aparte verhalen in een boek aan het proppen bent.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Show don’t tell schrijftip: aan tafel!

Show don’t tell kan op vele manieren. Er is geen uitgesproken beste manier, maar over het algemeen geldt wel: hoe subtieler, hoe beter. Dan valt het de lezer minder op dat je iets duidelijk probeert te maken. Een goede subtiele manier is om een eetscène te schrijven en in te gaan op de eetgewoontes en -manieren van je personage. Waar kan je zoal aan denken?

De tafel dekken

Als het tijd wordt om te gaan eten, wordt de tafel gedekt. Hoe gebeurt dat? En wie doet dat?
Als er kristallen glazen worden gebruikt bij de simpelste maaltijd, durf ik er gif op in te nemen dat dat proces heel lang duurt, omdat alle bestek en borden dan op de millimeter recht moeten liggen volgens de etiquette-indeling. Misschien doet een butler dit klusje wel. In andere huishoudens wordt het bestek misschien willekeurig naast de borden neergelegd.
Als de kinderen de tafel moeten dekken, kan dat zijn omdat de ouders dat zien als een onderdeel van opvoeding (”Je moet meehelpen in het huishouden.”) of bij gebrek aan tijd (”Als ik de tafel ook nog moet dekken voor acht man, dan ben ik weer tien minuten verder…”)
Sommige mensen scheppen in de keuken op, in andere huishoudens komen de pannen of tafel te staan. Dat laatste kan vanuit praktisch oogpunt zijn om een huishouden van Jan Steen te vermijden, andere mensen vinden dat een teken van gezelligheid.

Je fantasie zou op hol moeten slaan bij de show don’t tell die deze tafel je biedt. Al is het maar omdat niemand de kat wegjaagt 😉

De regels aan tafel

Iedereen heeft binnen een gezin regels aan tafel. Denk aan bijvoorbeeld:
* We bidden voor het eten.
* Iedereen krijgt een ‘beurt’ om over zijn dag te praten, zodat iedereen zich gehoord voelt.
* Je schept voor jezelf op, of iemand doet dat juist voor iedereen.
* Telefoons zijn verboden onder het eten.
* Tijdens het eten wordt er ontspannende muziek gedraaid.
* Je krijgt alleen een toetje als je je bord leeg eet.

Met deze tafelregels kun je meerdere kanten op. Stel jezelf de volgende vragen:
* Waarom zijn juist deze regels de norm?
* Komt er een discussie of straf als men zich niet aan de regels houdt? Waarom dan? Omdat het gezin streng is in het naleven van regels in het algemeen of omdat deze regels in het bijzonder belangrijk zijn? Wat zegt dat over deze mensen?
* Is iedereen het wel eens met de regels?
Neem de ´hoe was jouw dag-regel?’ Een feest voor iedere puber… Die gaat gewoon de kont tegen de krib gooien: niks zeggen, zuchten, sarcastisch zijn, noem maar op. Dat kan een goede show vormen voor het humeur van de puber, maar ook een goede show don’t tell voor een (beginnende) verandering in de gezinsdynamiek. Die show kan je dan weer gebruiken om ongeforceerd een plotverandering in gang te zetten.

Wat komt er op tafel te staan?

Wat er op tafel komt, kan je op verschillende manieren interpreteren. Is het eten luxe of juist eenvoudig? Dat zegt waarschijnlijk iets over hoeveel het gezin zich kan veroorloven. Wordt er simpel gekookt? Dan is er misschien een gebrek aan tijd of een keukenprins(es) in de familie. Denk ook eens aan hoe uitgebreid het eten (en koken) wordt gedaan. Als er uitgebreid getafeld wordt, kan dat erop wijzen dat er een formeel diner aan de gang is, of dat etenstijd als zeer belangrijke gezinstijd wordt gezien. Wordt er ook vaak (on)gezond gegeten? Misschien kun je daar ook wat mee. Vergeet daarom niet ook een kijkje in de koelkast te nemen. Wat je personage eet, zegt vaak ook veel over hem.

Tafelmanieren

Bij het woord tafelmanieren denk je waarschijnlijk aan bepaalde etiquetteregels. Of je personage zich daar al dan niet aan houdt, zegt veel. Maar je kan dat begrip nog breder interpreteren. Niet zozeer of hij zogezegd netjes eet, maar de hele manier waarop. Vaak heeft dat wel een bepaalde overlap met traditionele tafelmanieren. Kijk dus of je personage met zijn mond dicht eet, maar vergeet je ook niet af te vragen:

* Hoe groot zijn de happen die worden genomen?
* Hoe snel eet je personage?
* Als je personage geniet van zijn eten, laat hij dan elke vierkante centimeter voedsel op de tong smelten of heeft hij in zijn gretigheid dan eerder de neiging alles naar binnen te schrokken?
* Hoe wordt het bestek gebruikt? Wordt er met een mes gesneden of worden de boontjes of gebakken eieren met een vork aan stukken geprikt?
* Prakt je personage zijn eten? Speelt hij er misschien mee?
* Gebruikt je personage een servet? Zo ja, hoe en hoe vaak?
* Eet je personage ooit met zijn handen bij eten waar dat over het algemeen nog redelijk geaccepteerd wordt (boterhammen, hamburgers of frietjes) of moeten er altijd mes en vork aanwezig zijn?

Het interieur van de keuken en de eetkamer

Net zoals het huis van je personage kunnen de grootte en het interieur van de keuken en de eetkamer je een heel eind op weg helpen om je iets over je personage te vertellen. Is de keuken vaak smerig omdat er continu meelresten van de laatst gebakken koekjes op het aanrecht liggen? Of omdat de mensen te lui zijn om af te wassen? Of is hij juist brandschoon omdat Mevrouw Helderder in dit huis woont? Is de eetkamer ruim om zo een huiselijke sfeer te creëren? Of is er net een halve vierkante meter op de salontafel voor de televisie om je bord op te kunnen zetten? (”Eten houdt je in leven, dat is alles…”)
Je kan hier nog eindeloos veel kanten mee op. Kijk eens wat je zelf allemaal nog meer kan bedenken!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage iets fout doet?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage iets fout doet?

Je hebt in je verhaal een fantastisch personage, maar waarschijnlijk ook een die je niet zo sympathiek vindt. Dan is het verleidelijk om te denken dat dat personage ongelijk heeft of fout zit. Is dat zo en wat doe je dan? 

Persoonlijke waarheid staat voorop

Als je een personage realistisch uit de verf wil laten komen, dan is het belangrijk om diens persoonlijke waarheid als uitgangspunt te nemen. Dat houdt in: dat wat jouw personage beleeft, is voor hem hoe de wereld in elkaar zit. Lees: wat de waarheid is. Je schrijft over een moeder die haar kinderen mishandelt. Dat doet ze uit onmacht, niet omdat ze het leuk vindt om haar kinderen te slaan. Haar waarheid is dan: ik doe niets fout, alleen mijn uiterste best. Objectief gezien heeft ze ongelijk: ze doet iets fout. Maar als je doet alsof Moeder dat ook weet en dat hoort op te lossen (want als je weet dat je iets verkeerds doet, probeer je dat op te lossen), dan heb je twee opties:

* Ze is zodanig geestesziek dat ze het leuk vindt om haar kinderen te kwellen (waarschijnlijk niet het verhaal dat je wil vertellen);
* Als ze beter weet, het goed bedoelt en het geen onmacht is, waarom gaat ze er dan mee door? Dat snijdt geen hout. Daar wordt je personage en ook je verhaal alleen maar verwarrend van.

Goedpraten? Nee, verklaren!

Het is ontzettend belangrijk dat je weet dat goedpraten en verklaren twee héél verschillende dingen zijn. Schrijven wordt sowieso ondoenlijk als die twee dingen hetzelfde zouden zijn. Hoe kom je anders nog aan een antagonist? Maar in het geval van zaken of personages die je aanstootgevend vindt, moet je dat verschil nog maar eens extra in je oren knopen. Om jezelf geen schuldgevoel aan te praten, maar ook om te voorkomen dat je personage eendimensionaal wordt. 

Als je personage iets doet waar je van walgt, probeer dan zo goed mogelijk te bedenken wat iemand tot zulke acties aan kan zetten. Is er sprake van indoctrinatie, financiële problemen, een gebrek aan opvoeding of mentale problemen? Meestal kan je wel een logische verklaring vinden. Onderzoek dan óók hoe de oorzaak is ontstaan. Als je de achtergrond weet en hier en daar ook uitwerkt, maakt dat je personage als vanzelf steviger. 

Een lesje leren

Je personage zal echter wel een lesje moeten leren. In de letterlijke zin, of de meer spreekwoordelijke zin waarin iemand wraak neemt vanwege zijn acties. Medepersonages bieden een uitkomst. Laat hen een wenkbrauw optrekken als je personage iets raars doet. Andere personages kunnen ook in protest komen. Zo voorkom je dat je foutieve dingen alsnog goed lijkt te praten. En vergeet ook niet dat jij God van de geschreven wereld bent. Als je personage niet van anderen kan leren, dan misschien maar door een wake-up call door een ongeluk? Of neem iets dierbaars af om je personage wakker te schudden. Jij bent de baas over wat er gebeurt. Wees daarbij wel waakzaam voor clichés of Deus ex Machina

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Schrijven volgens de persoonlijke waarheid van je personage

Als je over personages schrijft, is het onvermijdelijk dat je op een bepaald moment iets moet schrijven wat in jouw beleving niet klopt, maar wel in die van je personage. Het is dan belangrijk om dat onderscheid te kunnen maken. Waarom is dat zo en wat levert dat op voor je verhaal?

Een persoonlijke kijk op de wereld

Als schrijver moet je goed kunnen observeren. Daarom kan je niet zonder een opschrijfboekje. Maar je moet niet alleen goed letten op verschillen in landschappen en kledij van mensen. Het is voor een schrijver ook essentieel om op te merken en ook te erkennen dat mensen een verschillende kijk op de wereld hebben.

Stelling Gaat op voor Gaat niet op voor
Ik moet hard werken om eten op de tafel te krijgen een alleenstaande vader met een laag inkomen en vier kindereneen miljonair
Ik voel me prettig in mijn lijfeen topsporter die het heerlijk vindt om te traineneen anorexiapatiënt
Mijn land is veiligNederlandersmensen uit Jemen
Frietjes zijn een traktatiede gemiddelde kleuter iemand die geen friet lust

Kijk eerst altijd wat onomstotelijk waar is, voordat je jouw mening of die van je personage gaat vaststellen en/of uitschrijven. Van biefstuk naar gehakt moeten overgaan is geen voedselonzekerheid. Dit klinkt misschien als een open deur, maar je zal ervan schrikken hoe vaak een overtuiging al bepaalde feiten kan verkleuren.

De overtuiging van je personage

Onze miljonair heeft met de blogpost meegelezen en is op zijn teentjes getrapt: ”Ik voel me ontzettend onzeker en gestrest als ik niet weet of ik de biefstuk kan eten die ik gewend ben te eten. Nu moet ik ineens overstappen op simpel gehakt!”
Dan mag je met je ogen rollen en denken dat dit verwende nest zijn mond moet houden. Desondanks moet je als schrijver erkennen dat dit voor de beleving van de miljonair wel de zuivere waarheid is. Dan kan hij objectief iets fout definiëren of zich volgens veel andere mensen aanstellen, voor hem is deze zorg echt en oprecht. Als hij gewend is om biefstuk te eten en gehakt ziet als voedsel voor de mislukte armoedzaaier, is het niet gek dat gehakt eten hem onzeker maakt. Dat staat voor hem gelijk aan een mislukt leven leiden.

Op deze manier moet je de overtuigingen van je personages als een soort heilige waarheid aannemen. Een waarheid die door anderen geaccepteerd, betwist of bekritiseerd mag worden, maar toch waar is. Je zou het filosofisch kunnen maken: ”Je personage mag dan misschien niet altijd de zuivere waarheid spreken, hij liegt in ieder geval nooit tegen zichzelf.” Dat laatste woord is het toverwoord. Je personage heeft een bepaalde bril waardoor hij de wereld inkijkt en die kan hij niet zomaar afzetten.

Belang van persoonlijke waarheid

Als je je personages waarheid in het midden laat, wordt het daardoor ongrijpbaar en je verhaal ook.
Neem het eenvoudige voorbeeld van de friet nog eens. Als je personage friet lekker vindt, maar ook constant dingen zegt als: “Maar ik kan ook begrijpen dat mensen het niet zo lekker vinden, hoor! Het is vet en zonder een sausje is het ook maar een beetje saai van smaak,” dan is je hoofdpersoon niet meer veel waard in een epos getiteld: De frietfan.
Dit voorbeeld ligt er duimendik bovenop, maar de essentie is hetzelfde als het gaat over de archetype rol die een personage heeft. En zijn meningen, overtuigingen en zienswijzen zijn daar ook onderdeel van. Die moet je dus ook min of meer constant houden voor een goed verhaalverloop.

Frietjes. Je personage kan ervan vinden wat hij wil, maar…. Niks maar. Als jouw personage frietjes (niet) lekker vindt, dan is dat gewoon zo.

Waarheid onderzoeken is een oorzaak vinden

Het wordt het meestal pas lastig om goed over een persoonlijke waarheid te schrijven op het moment dat die tegen jouw persoonlijke morele kompas indruist of als die verschrikkelijk is. Denk aan:
* Een moeder mishandelt haar kinderen.
* Iemand drinkt stevig door tijdens een familiebijeenkomst
* Je personage stemt op een politieke partij waarvan jij de ideeën ronduit eng vindt.

Als je personage een nazi is, zal je dat personage het liefst eendimensionaal laten om zijn gedachtegang maar niet goed te keuren en liever nog meteen uit je verhaal schrijven. Zo simpel werkt het niet, maar gelukkig is er een pluspunt: je hoeft niets goed te keuren. Je moet alleen snappen waarom je personage idiote of enge dingen doet. Een nazi is daar een goed voorbeeld van. Die is duidelijk geïndoctrineerd door propaganda. Als je uitzoekt hoe propaganda werkt en uiteindelijk ook inwerkt op je personage, dan heb je de oorzaak, is het duidelijk wat de (hetzij verknipte) waarheid van je personage is en is je personage niet eendimensionaal meer. Dan zeg jij (direct of indirect) als schrijver echt niet zomaar dat jij het oké vindt wat de nazi’s allemaal deden (tenzij je de rest van je verhaal erg slecht uitwerkt, maar dat is iets heel anders).
Als je wil oefenen met dit idee, kijk dan eens naar mijn schrijfoefening de schijnheilige engel.

Niet alle oorzaken van verschrikkelijke waarheden zijn zo heftig als indoctrinatie. Denk ook aan bijvoorbeeld financiële problemen, een gebrek aan opvoeding of mentale problemen of stoornissen. Wat het ook is, zorg ervoor dat je de oorzaak vindt en goed naar voren laat komen om je personage geloofwaardig te houden.
Vergeet ook niet dat je medepersonages in kan zetten om het nodige tegengas te geven als een persoonlijke waarheid van een personage erg ver gaat. Dan neutraliseer je de toon van je verhaal ook wat meer.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage getraumatiseerd is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage getraumatiseerd is?

Als je personage getraumatiseerd is, moet je heel goed weten hoe je personage in elkaar steekt en waar je met je verhaal naartoe wil. Een trauma is iets heel complex en serieus. Als je dat afraffelt, wordt het lastig, zo niet onmogelijk om het verhaal nog serieus te nemen. Je hoeft je personage niet naar een psycholoog te laten gaan (al kan een echte psycholoog je wel goed over trauma’s informeren) maar neem dit echter wel mee:

Niet alleen

Een bekend credo in schrijversland: laat je held zijn eigen heldenreis beleven. Andere personages mogen zijn problemen niet voor hem oplossen. In het geval van een trauma moet je die regel wat meer loslaten. Een trauma verlamt en zaait ernstige angst bij een personage. Zodanig veel dat het verhaal niet verder kan gaan zonder hulp van buitenaf. Een schop onder het achterste is niet voldoende om je getraumatiseerde personage iets te laten doen wat hem zoveel angst inboezemt. Daar is een trauma simpelweg te heftig voor. Geef je personage dus een beste vriend die bepaalde dingen over kan nemen.

Schrik of trauma?

Een trauma is iets heel anders dan ergens schrik van hebben: het is vele malen heftiger. Als je personage ergens schrik van heeft, kan hij dat makkelijk(er) naast zich neerleggen. Bij een trauma wordt je personage door zijn trauma (nog steeds) verlamd of raakt hij in totale paniek. Dan weet hij niet meer wat hij doet of wat hij moet doen om kalm te blijven. 

Dat betekent dat je personage in de heldenreis vastloopt of heel vaak valt. Niet de traditionele twee keer, maar misschien wel vijf of tien keer. Als je personage na twee keer vallen alweer verder kan, is er geen sprake van een trauma, maar van (wat heftigere) schrik. 
Dat maakt het schrijven over een personage met een trauma zo lastig. Om een verhaal interessant te houden mag je niet in herhaling vallen, maar dat is wel wat een trauma doet. Door verlamming of extreme angst maakt je personage steeds opnieuw soortgelijke ‘fouten’. 

Verduidelijk de oorzaak van het trauma

Een trauma is erg heftig, maar houdt een personage niet dag en nacht bezig. Er is altijd een katalysator die het trauma doet oplaaien. Zorg dat die aanleiding duidelijk is en ook dat het een trauma en geen schrik betreft. Als je niet laat merken dat het om trauma gaat, zal je lezer je personage nooit voldoende begrijpen om echt met hem mee te kunnen leven. 

Je personage is ooit bijna levend verbrand. Als hij ook maar een lucifer ziet branden, komt het trauma naar boven. Als je nooit schrijft dat je personage getraumatiseerd is door vuur, zal de lezer denken dat hij een watje is dat doordraait bij het zien van vuur. Je hoeft niet meteen te verklappen dat het om een trauma gaat, maar laat in ieder geval wel tekenen van trauma zien, zoals volledige verlamming of totale paniek. Op een schaal van een tot tien moet je niet lager gaan dan een acht. Zo voorkom je dat trauma en schrik met elkaar worden verward. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage anders is dan jij?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage anders is dan jij?

Het is verleidelijk om slechts own voice te schrijven: het verhaal blijft dan realistisch. Maar vroeg of laat moet je schrijven over iemand die anders is dan jij. Wat doe je dan?

Wat is own voice?

Own voice is niet veel meer dan het bekende credo: schrijf wat je kent. Alleen gaat het principe net iets verder en zegt het eigenlijk: schrijf wat je bént. Daar kan je immers een duidelijk beeld van schetsen, omdat jij het zelf hebt meegemaakt of bent. Schrijf over het plattelandsleven als je op een boerderij bent opgegroeid: niemand hoeft jou nog te vertellen hoe je vee moet verzorgen. Maar own voice stelt óók: als plattelandsbewoner mag je niet over het stadsleven schrijven. Dat heb je alleen maar van horen zeggen, dus dan kan je het nooit realistisch (genoeg) portretteren in een boek.

Schrijven over iemand anders

Own voice is in de kern niet verkeerd. Het is inderdaad zo dat je beter en makkelijker schrijft over iets dat dichter bij je staat. Maar het is onvermijdelijk dat je vroeg of laat schrijft over iets of iemand dat je niet begrijpt of bent. Dat verschil kan van alles zijn: ras, geaardheid, leeftijd, beroepskeuze, politieke overtuiging…
Een tegenstander is onmisbaar voor je verhaal en die verschilt altijd van je held. Een tegenstander is niet altijd slecht. Het is wel slecht om te doen alsof die verschillen er niet zijn, want dan krijgt je een pot nat aan oppervlakkige personages. 

Praat met en niet over anderen

Als je gaat schrijven, ga je onderzoek doen. Daarmee kom je meestal al een heel eind. Stel dat je als huismus over een wereldreiziger schrijft. Dan helpt het al om op te zoeken hoe een globetrotter zich op het avontuur voorbereidt. Maar met alleen een lijstje met: “Ik ga op reis en ik neem mee…” en video’s van een reisvlogger bingewatchen ben je er nog niet. Dan heb je nog steeds slechts een eenzijdig en oppervlakkig beeld. Probeer iemand te vinden die je kan vertellen hoe het is om daadwerkelijk anders te zijn of te doen dan jij en daarmee in gesprek te gaan. Praat dus niet over, maar mét iemand. Uiteindelijk kan dat het verschil maken tussen: “Mijn personage is net echt, want dat zegt het internet,” en “Mijn personage is net echt, want iemand die op hem lijkt, zegt dat dit waarheidsgetrouw is.”

Vind een gemene deler

Hoe verschillend mensen ook zijn, in de kern delen we vaak grofweg eenzelfde verlangen of emoties in vergelijkbare situaties. Gebruik dat als je over iets onbekends schrijft. 
Jij weet misschien niet hoe het is om uit de kast te komen, maar als vervend sporter die professioneel wilde gaan spelen, herinner je je nog bang je was om te vertellen dat je van sporten je carrière wilde maken. Sporten is je lust en je leven, maar je was bang om uitgelachen te worden om iets wat onlosmakelijk met jouw identiteit verbonden is. Het zijn totaal verschillende redenen, maar de kern is hetzelfde: de angst om niet geaccepteerd te worden om wat je bent. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Dialogen in een filmscript

Omdat je in een film niet in het hoofd van een personage kan kijken, moet je personage zijn gedachten verwoorden. Daar zijn dialogen geschikt voor. Maar hoe voorkom je dat er ontzettend saai en te veel of juist te weinig duidelijk wordt uitgesproken?

Een film is visueel

Omdat je in een film alles moet kunnen zien en er relatief weinig aan de verbeeldingskracht kan worden overgelaten, moet je voor een film duidelijk kunnen schrijven. Lees hier mijn inleiding over het schrijven van een filmscenario.
Buiten het gegeven dat je in een film van alles kan zien, kan je ook dingen horen, door geluidseffecten en muziek. Goede acteurs kunnen ook al een hoop vertalen. Je hoeft dus niet bang te zijn dat je alles moet ‘tellen’; show don’t tell kan ook via andere middelen dan schrijven worden verwezenlijkt. Toch blijft het belangrijk om te bedenken dat de tekst die je schrijft juist méér moet doen dan alleen iets zeggen (lees: hapklaar vertellen wat er speelt, door het ronduit zo op te schrijven.) Probeer zoveel mogelijk tussen de regels door iets te vertellen over je personages of de omstandigheden. Dialogen zijn daar uitermate geschikt voor.

Filmdialoog en het personagekarakter

Ironisch genoeg kan het show don’t tell principe in zijn letterlijke zin helemaal omgekeerd uitpakken als je een goede dialoog schrijft in een film. Door iets te zeggen, laat je zien hoe iets in elkaar steekt. Dat kan je met bijna iedere situatie doen, maar juist als het om het beschrijven van karakter gaat, is een goede dialoog belangrijk. Als je een personage hebt dat altijd chagrijnig is, kun je dat niet altijd met een boos gezicht laten rondlopen. Mimiek is in verhouding tot gesproken woorden relatief subtiel. Je moet het vaker of meer uitvergroot laten terugkomen om het echt op te laten vallen. En als je personage echt de hele tijd met een boos hoofd rondloopt, wordt dat ook weer ongeloofwaardig. Al is het maar dat je niet weet waarom hij steeds zo boos is: je kan niet in zijn hoofd kijken. Je kan een ander personage natuurlijk naar het waarom laten vragen, maar dan neem je tell overdreven letterlijk.
Wat dan helpt, is om te kijken naar welke karaktertrekken of omstandigheden je personage nog meer heeft. Kijk daarvoor in je personagebiografie en ga het een en ander combineren.

Voorbeelden van karakteruitwerkingen in dialoog

Om duidelijk te maken hoe dat in de praktijk werkt, is hier een aantal personages met verschillende karaktertrekken en omstandigheden.

PersonageKenmerken van het personage
Lydia rijkeluiskindje, niet zo goed op school, dol op oude culturen
Boazuit op macht, slecht in zelfreflectie, eenzaam
Akramsociaal, gek op techniek, had een strenge moeder

Deze personages hebben liefdesverdriet en kloppen aan bij Sjors de psycholoog om erover te praten. Lydia komt eerst.

SJORS
Waarom is het uitgegaan?

LYDIA
Ik kon steeds minder met hem afspreken, want ik had heel veel bijles. Hij vond dat we elkaar te weinig zagen.

SJORS
Denk je dat je iets had kunnen doen om hem dichtbij je te houden?

LYDIA
Ik had hem een duur cadeau kunnen geven. Zo maakt mijn vader het ook altijd goed als hij lang weg is geweest. Wist je dat ze in oudere volkeren ook altijd dure cadeaus gaven als teken van liefde?

Nu is Boaz aan de beurt.

SJORS
Weet je wat er mis is gegaan in de relatie?

BOAZ
Geen idee. Die vrouw zei gewoon ineens dat ze genoeg van me had.

SJORS
Is er vaker een relatie zo geëindigd?

BOAZ
Al mijn zeven relaties zijn zo geëindigd.

SJORS
Dat is best vaak, voor datzelfde einde. Had je een goede relatie met je ouders?

BOAZ
Ik betaal je niet om over mijn jeugd te zitten ouwehoeren. Ik wilde het over mijn relaties hebben, dus dat gaan we hier bespreken en niets anders!

SJORS
Klopt, je kwam voor je relatie. Maar misschien kan ik je helpen een pijnpunt te ontdekken waar het steeds misloopt.

BOAZ
(met tranen van woede in de ogen)
Ik heb verdomme geen pijnpunten, zielenknijper! En ik zit heus niet weg te kwijnen in mijn eentje. Ik heb niemand nodig!

Als je niet eenzaam bent en geen pijnpunten hebt, waarom schrééuw je dan dat je niemand nodig hebt en word je boos als iemand oppert dat je zwaktes hebt, Boaz?

Akram is de hekkensluiter.

SJORS
Denk je te weten waar het mis is gegaan?
AKRAM
Ik vond haar aanwezigheid te vanzelfsprekend; ik deed te weinig moeite voor haar. Ik was vaak ook bij andere vrienden. Daar heb ik wel spijt van… Ik schaam mezelf. Ik zou het liefst nu gewoon een week in de garage zijn en niets anders doen dan aan auto’s sleutelen. .
SJORS
Je mag best afleiding zoeken, hoor. Daar is niks mis mee.
AKRAM
(lachend)
Dus ik hoef niet meteen mijn hele jeugd naar boven te halen?

Sjors grinnikt.

SJORS
Nee hoor! Al zou ik je wel aanraden om veel groente en fruit te eten. Dat geeft je extra weerstand en dat kan je goed gebruiken als je liefdesverdriet hebt.

AKRAM
Verdorie nog aan toe Sjors! Dacht ik dat je niet als mijn strenge moeder zou klinken en dan herinner je me nog aan haar door te benadrukken extra groente te eten. Man, dat heeft ze er mij als kind geprobeerd in te rammen. Zo erg dat ik nu nog steeds misselijk wordt als ik alleen al naar broccoli kijk.

Sjors en Akram lachen.

Je ziet dat het belangrijk is om tussen de regels door iets duidelijk te maken. Soms kan dat relatief duidelijk, andere keren mag je het overlaten aan context en andere dingen als mimiek en regieaanwijzingen binnen de gesproken tekst. Je mag een personage langer of korter laten praten. Wat dat betreft is er geen goed of fout. Maar nog meer dan in een boek is het in een film zeer vermoeiend als je personages ellenlang of inhoudsloos praten. Zorg er daarom voor dat de woorden die wel worden uitgesproken zowel letterlijk als figuurlijk veelzeggend zijn.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Een filmscript schrijven

Als je een filmscript gaat schrijven, schrijf je een tekst die naar beeld vertaald moet worden. Dan moet je met een aantal dingen rekening houden waar je niet meteen bij stilstaat als je het gewend bent om een boek te schrijven.

Boek versus film

Het belangrijkste verschil tussen een boek en een filmscript is dat een film een visueel medium is. Alles moet uiteindelijk zichtbaar zijn. Dat betekent dat je niet in het hoofd van een personage kan kijken. Stel je een romantische scène voor waarin de eerste ‘Ik hou van jou‘ uitgesproken wordt. In het boek ligt de nadruk waarschijnlijk op wat er in het hoofd van het personage omgaat:
Het was alsof Kristens maag opzwol van verwachting, terwijl ze het bloed razendsnel door haar lijf voelde gaan. Haar lippen waren plotseling kurkdroog. Ze raapte haar moed bijeen, telde inwendig tot tien en zei: ‘Ik hou van je.’
Als je deze scène zou kopiëren en plakken naar het beeld, blijft er niets spannends over, want niets hiervan is visueel zichtbaar. Bij een filmscript ben je aangewezen op lichaamstaal, stemvolume, mimiek, en al het andere waarmee een acteur een persoonlijkheid kan neerzetten. Natuurlijk helpt tekst daar ook bij, maar show don’t tell is in de letterlijke zin belangrijker in een filmscript dan in een boek.
Andersom is wat visueel goed werkt in een film, soms nauwelijks of niet te vertalen naar een boek.
Juist omdat je in een boek vaak naar de gedachten van een personage uitwijkt, kan juist de afwezigheid van die gedachten en een gegeven soms gewoon aanschouwen, zeer lastig zijn om in een boek (compact) uit te werken .

Kijk eens naar deze scène uit de film Up. Carl en Ellie kennen elkaar sinds ze een jaar of zeven zijn. Ze raakten bevriend vanwege hun gezamenlijke interesse voor zeppelins, ballonnen en hun bewondering voor het regenwoud in Venezuela. Daar beloofden ze elkaar ooit een zelfgebouwd, veelkleurig huis neer te zetten. In slechts vier minuten, zonder dat er een woord wordt gezegd, komt er zo’n beetje vijftig jaar gelukkig huwelijk voorbij. De scène werkt perfect (houd tissues paraat!), maar hem op deze manier uitwerken in een boek zou vrijwel ondoenlijk zijn.

Schrijf recht voor zijn raap

Een script vormt natuurlijk een basis voor een film, maar dat is niet wat een kijker uiteindelijk te zien krijgt. In vergelijking met een roman moet je voor je gevoel erg staccato schrijven, heel erg tell, voor weinig vrije interpretatie vatbaar. Schrijf bijvoorbeeld niet in een scèneomschrijving: Vader en zoon zitten aan een rommelige tafel, maar: Vader en zoon zitten aan een tafel waar slordige stapels papier op liggen en de ontbijtborden van die ochtend nog opstaan. Een filmscript moet vooral functioneel zijn, niet mooi geschreven. De filmcrew moet er direct mee aan de slag kunnen. Het is niet de bedoeling dat ze nog moeten overleggen hoe rommelig de tafel nog moet zijn. Dat bepaal jij als schrijver, en daarmee geef je meteen een sfeeromschrijving, of een show don’t tell: rommel zoals hierboven is een andere rommel dan de rommel waar de tafel nog vol ligt met knutselspullen van gisteren. Het een duidt al meer naar chaos, waar het andere nog naar bepaalde gezelligheid zou kunnen verwijzen.

Geen tijd meer interpretatie: na het lezen van je tekst moet men meteen kunnen overgaan op: “Lights, camera, action!

Schrijven voor de acteur

Een acteur verstaat zijn vak, dus als je zegt dat hij blij moet zijn, of in tranen uit moet barsten, weet hij wel hoe dat moet. Toch is het ook fijn als je in je schrijven duidelijk bent wat je al dan niet verwacht. Hoe groot is een emotie van je personage op een tienpuntschaal? Hoe uit zich dat (ongeveer)? Je kan acteurs een zetje in de goede richting geven door te bedenken welke acties er bij welke emoties en de bijbehorende tienpuntschaal horen. En zoals gezegd: schrijf als het even kan niet iets waarbij een kijker zou moeten zien wat er in het hoofd van het personage omgaat of welke sfeer jij als schrijver over wil brengen. Enkele voorbeelden:

Dit werkt (beter)Dit werkt niet (zo goed)
Ze opent haar mond en doet hem weer dichtZe wil iets zeggen, maar bedenkt zich
Ze springt op van haar stoel en loopt stampvoetend de kamer uit Ze wordt woedend
Ze haalt diep adem en wacht een paar tellen voor ze begint te pratenZe zet zich schrap: dit wordt het moment van de waarheid.
Ze kucht een paar keerHaar keel wordt droog
Er is een lange stilte waarin niemand praat, of elkaar aankijkt. Zodra Els begint te praten, is dat met een onnatuurlijk hoge stem.De sfeer is om te snijden.

Dialoog als karakterspiegel

Natuurlijk is ook in film dialoog een middel om bepaalde expositie te geven. Maar nog meer dan bij een boek is het in een script makkelijker om in een tell te belanden. Je kan namelijk niet beschrijven wat er in het hoofd van personages omgaat. Dus op de een of andere manier moeten ze dat verwoorden. En al ben je nog zo’n expert in lichaamstaal, van een gefronst voorhoofd of tandenknarsen kan je niet aflezen wat een personage precies denkt of waarom hij een emotie voelt. Dan ligt een dialoog als deze op de loer:

ELS:
Ik ben er zó klaar mee dat Joop nooit meehelpt in het huishouden!
CLARA:
Doet hij echt niks?
ELS:
Eén keer per week ruimt hij de vaatwasser uit. En dan krijg ik de rest van de week te horen: ‘Ik heb de vaatwasser toch al uitgeruimd gisteren? Hoezo moet ik dan nu nog de tafel dekken?’
CLARA:
Pfff… Je hebt gelijk, meid. Wat een luie man heb jij.

Els is boos en Joop is lui. Hoe droog en tell wil je het hebben? Daarom worden dialogen in scripts vooral gebruikt om de karaktertrekken van je personage te beschrijven. Wat zeggen ze precies? Wanneer, waarom, hoe, tegen wie? Of waarom juist al dat voorgaande niet? Daarover kan je in deze blogpost meer lezen.


Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Woordgebruik in een boek voor jonge kinderen

Als je voor volwassenen schrijft, voel je meestal wel aan wat grofweg de moeilijke woorden zijn die niet iedereen meer begrijpt. Bij de woordenschat van jonge kinderen ligt dat toch wel anders. Hoe vertel je een verhaal zonder te veel moeilijke woorden? En wanneer is een woord of een tekst te moeilijk om te volgen?

Taalontwikkeling van kinderen

Woorden leer je in een bepaalde volgorde. Veelvoorkomende woorden leren je sneller dan woorden die je minder snel hoort: appel snap je eerder dan klokhuis. Concrete woorden of begrippen die duidelijk zichtbaar of tastbaar zijn komen eerder dan abstracte woorden: school wordt als woord eerder begrepen dan (de associatie van) plezier of verveling.
Daarnaast groeit de woordenschat explosief als woorden in eenzelfde ‘categorie’ of woordgroep voorkomen. Als je weet wat een boom is, leer je ook weer snel wat een blad is, want dat zit aan de boom. Dan leer je ook weet wat een tak is, omdat het blad daaraan groeit. Een tak is weer van hout… enzovoorts.

Zo groeit woordenschat (Afbeelding: jufmilou.nl)

De zinsontwikkeling is ook belangrijk bij taalontwikkeling. Houd de zinnen voor peuters en kleuters kort en bondig. Hoe langer een zin is, hoe moeilijker hij te begrijpen is. De kleuter loopt het risico minder woorden te snappen en moet bovendien ook al die woorden ‘onthouden’ om er een idee van te kunnen vormen. Hoe langer de zin wordt, hoe groter de kans is dat je voegwoorden (omdat, maar, want) moet gebruiken. Die begrijpen kinderen pas echt rond een jaar of zeven, acht. Voegwoorden maken de zinnen niet alleen langer, maar het zijn ook nog eens abstracte woorden die een verband tussen zinnen aangeven. Die verbanden moet je dus ook kunnen leggen: X heeft met Y te maken.
Het is niet zo dat een kleuter: ”Het is koud, want het sneeuwt” als idee niet begrijpt, maar taalkundig gezien vertaalt die het in zijn hoofd als: ”Sneeuw is koud.” Een kleuter weet dat sneeuw koud is, maar niet per se dat sneeuw en kou een soort oorzaak-gevolg met zich meebrengt. Dat verband is – taalkundig gezien- nog te hoog gegrepen.

Lastige woorden in een kinderboek

Je hoeft echt niet van elk woord te weten of een kind het begrijpt voordat je het in een kinderboek gebruikt. Wat uitwerkingen van woorden uit Rikki en Mia de Kip van Guido van Genechten.

”Haar lelletjes strijken zacht over zijn pels.”
Drie van deze zeven woorden zijn te moeilijk voor een kleuter. Maar vlak daarvóór laat Rikki zijn lievelingskip, (de enige witte kip en Rikki is zelf ook wit), zonnebloempitten uit zijn pootje eten. Door een paar korte zinnen weten kleuters dat Rikki en Mia de kip goede vriendjes zijn; ze hebben iets gemeen en ze vinden elkaar lief. Dan storen onbegrijpelijke woorden niet: het idee staat al. Bovendien is zacht een woord wat ze wel snappen. En zacht is (toevallig genoeg) een heel zacht, fijn woord. Die associatie krijgen ze dus wél mee. Bovendien staat een lachende Rikki die Mia eten geeft op de begeleidende tekening.

Verroeren:
Rikki is Mia kwijt en gaat haar zoeken. Uiteindelijk vindt hij haar. Rikki is dolblij en wil verstoppertje spelen, maar Mia is aan het broeden.
”Mia verroert geen veertje.”
Daar snapt een kleuter niks van. Maar: Mia wil niet spelen, terwijl ze lang verloren is geweest en nu haar vriendje weer ziet. Daar is iets geks mee… Meteen daarna wil Rikki Mia oppakken, maar dan pikt zij hem. O jee… Wat is er toch aan de hand? Het idee dat een vriendinnetje jou pikt is voor een kleuter ontzettend spannend. Of Mia dan in de praktijk met dat ”geen veertje verroeren” niet heeft bewogen, heeft zitten slapen, of desnoods heeft zitten eten, maakt dan niets (meer) uit.

Wat uitmaakt is of je een vriendje hebt om mee te spelen, of dat dat even alleen moet.

Antwoorden:
Rikki haalt zijn vader om te vragen wat er aan de hand is. Hij vertelt dat Mia aan het broeden is:
“Ik wil met Mia spelen,” zucht Rikki.
“Dat kan nu even niet,” antwoordt papa.
‘antwoordt’ is hier een regieaanwijzing. Een kleuter heeft daar geen concreet beeld of associatie bij (is antwoorden vriendelijk, neutraal, wordt Rikki getroost?) maar dat maakt in de grote context wederom niets uit.
Rikki zegt iets, vader antwoordt iets. Dat is belangrijk: Rikki krijgt antwoord. Daarna gaat de aandacht weer naar het grote probleem: Rikki mag niet met zijn vriendinnetje spelen. Een paar dagen niet mogen spelen met je vriendinnetje is oprecht erg in de belevingswereld van een kleuter. Dan maakt het echt niet uit of papa dat fluistert, zegt of zucht. In een kinderboek schreeuwt een vader niet. Dat past alleen in duistere boeken met een zwaar verhaalthema. Ergens weet een kind dat ook. Papa gaat hierom niet schreeuwen, dus dat uitsluitsel hoef je niet te geven door je concentreren op de perfecte regieaanwijzing. Laat dat ene moeilijkere woord vooral niet veel gewicht in de schaal leggen. Het is echt maar een detail voor de kleuter en voor jou schrijft het prettiger. Je wordt er horendol van als je steeds staccato ”begrijpelijk” moet gaan schrijven met alleen maar: zegt, zegt, zegt. Dat doet het tempo van je tekst ook geen goed.

Het toverwoord bij kinderboeken: inleven

Als je je aan de basisprincipes van taalontwikkeling houdt, kan er wat betreft woordgebruik niet zo snel iets misgaan. Een kleuter kan ‘literair ontleden’ niet eens uitspreken, laat staan dat hij dat doet ;). Het is bij kinderboeken belangrijk dat je je inleeft in de beleefwereld van het kind. Wat vindt een kleuter interessant of spannend? Bedenk dat kleuters de wereld nog volop aan het ontdekken zijn. Als je bedenkt wat een vijfjarige wereldontdekker bezighoudt, dan zit je al snel goed.
Kijktip: Ponyo. Sosuke en Ponyo zijn de vijfjarige helden. Je ziet dus hoe zij alles beleven, maar toch blijft de film genoeg ”uitgezoomd” om als volwassene het perspectief van een kind te kunnen zien, in plaats van dat de hele film kinderlijk eenvoudig of overdreven ‘zacht en pluizig’ wordt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.