Zo voelt je lezer mee met je personages

Als schrijver wil je dat je lezer in het verhaal geïnteresseerd is en blijft. Daarvoor moet het die tenminste iets kunnen schelen wat er in het verhaal en met je helden gebeurt. Maar ook dan is er nog een een verschil. Er kan worden meegeleefd, op een afstand, of er kan worden meegevoeld, zodat de lezer alles heel intensief meekrijgt. Het is een nuanceverschil in woorden, maar in uitwerking en effect een verschil tussen dag en nacht.

‘Wat vreselijk voor je’

Je moet ervoor zorgen dat je lezer op zijn minst meeleeft met je personage. Als het gaat om verhalen betekent dat net iets anders dan in de echte wereld.
Het basisbeginsel van empathie in fictie is dat het je überhaupt iets kan schelen wat je personage overkomt en je weet over wie het gaat. Als de held waarvoor je hoort te juichen doodgaat, dan moet de lezer op zijn minst denken: o nee! In plaats van: ach, romantische Romeo nummer 68, nou en?
Als je lezer slechts meeleeft met je fictieve personage, staat dat ongeveer gelijk aan een kennis die vreselijk nieuws deelt. Je zal oprecht even schrikken en het kan je wel degelijk iets schelen. Je ligt er alleen niet wakker van. Dus je zegt: “Wat vreselijk voor je, ik leef met je mee.”

‘Wat vreselijk, ook voor mij’

Als je lezer, meevoelt met je personage, denkt die: ‘Wat vreselijk, ook voor mij,” zodra je personage iets naars overkomt. Het is iets wat die niet zomaar naast zich neer kan leggen. Het is niet meer van een afstandje meekijken, maar echt voor de volle honderd procent voelen wat het personage ook voelt, zonder dat daar een uitweg voor te vinden is.
Dat kan je op verschillende manieren bereiken, zodra aan de eerder genoemde voorwaarde van het opwekken van empathie is voldaan:

  • Zet op het goede moment een -korte!- flashback in
  • Maak je sfeeromschrijvingen zeer beeldend
  • Kom met een plottwist die niet alleen acuut, maar ook onherroepelijk is voor de wereld van je personage

Met andere woorden: zorg ervoor dat het hier en nu alle aandacht krijgt. Als je in het hier en nu schrijft, doe je dat beeldend. Gebruik je een flashback, zorg er dan voor dat het kortstondige ‘toen en daar’ waarnaar je terugblik inslaat als een bom.

Het hier en nu alle aandacht geven in een scène

Nieuws of een plotselinge verandering komt harder aan als je er niet aan kan ontsnappen. Alsof de grond je voeten wegvalt en je in een diepe kuil neerstort. Als je het hier en nu de juiste aandacht geeft in een scène, voelt dat niet alleen zo voor je personage, maar ook voor je lezer. Doe je dat iets minder goed, dan lijkt het voor de lezer eerder alsof die aan de rand van diezelfde kuil van bovenaf naar je personage kan kijken.

Een belangrijk uitgangspunt hiervoor is dat je het verschil weet tussen beeldend schrijven en gedetailleerd schrijven. Om twee schrijftermen te gebruiken: dat is het verschil tussen een infodump die te goed zijn best doet en een goede show don’t tell. Een voorbeeld: iemand wordt al maanden van het kastje naar de muur gestuurd en staat op het punt van knappen.

Gedetailleerd schrijven is dan zoiets als:
“Nee meneer, daarvoor moet u toch echt bij een andere afdeling zijn.”
Richard voelde zich bevriezen. Zijn oren suisden. Hij ging zitten om te voorkomen dat hij in zou storten. Wat had hij zonet gehoord? Snapte die ambtenaar wel wat hij had meegemaakt? Zijn herinneringen brachten hem terug naar het moment dat Femke gelogen had tegenover de politie.
“Agent, Yvonne zegt dat haar vader haar ongepast heeft aangeraakt.”
Net als toen stak er opnieuw een dolk in Richards hart. Plotseling was het hek van de dam. Hij dacht aan de manier waarop het zure braaksel in de keel was blijven steken toen hij voor het eerst een advocaat was gaan zoeken in de hoop zijn onschuld te bewijzen. Aan hoe iedere spier in zijn lijf zich had verkrampt toen zijn moeder voor het eerst naar het hoe en wat had gevraagd. En hoe zijn hart aan gruzelementen werd geslagen zodra hij de kleine Yvonne voor het eerst naar die beschuldigingen had gevraagd. Yvonne, zijn kleine meisje, dat hij nu misschien nooit meer zou zien.
“Klootzak!” schreeuwde hij naar de medewerker.

Merk op dat zintuiglijk schrijven goed werkt om het hier en nu te vangen. Maar als je dat zoals hier te gedetailleerd doet, het een overdaad wordt die schaadt.

Beeldend schrijven is bijvoorbeeld:
“Nee meneer, daarvoor moet u toch echt bij een andere afdeling zijn.”
Hij voelde het bloed door zijn aderen racen. Als in een flits zag hij een brief op de mat vallen: je mag je kind nu nooit meer zien. Het warme handje van Yvonne leek zich nog een laatste keer om zijn hand te sluiten.
“Klootzak!” schreeuwde hij naar de medewerker.

Dit voorbeeld lijkt misschien kort door de bocht, maar daar komt een belangrijk punt om de hoek kijken. Als je al empathie van de lezer hebt, houd je die doorgaans. Je hoeft dan niet te herhalen wat er exact op het spel staat. Dat weet de lezer als het goed is al. Dat allemaal nog eens opsommen haalt je lezer weg uit het hier en nu.

Kortom: bij gedetailleerd schrijven wil de schrijver de sfeer, gedachten en gevoelens zo graag meenemen, dat het hier en nu er alsnog door op de achtergrond raakt. Het lijkt een kern te raken, maar dwaalt er in feite steeds meer van af. Bij beeldend schrijven reduceer je het ‘nu’ eerder naar enkele seconden dan een tiental daarvan. Bovendien kijk je naar wat de kernemotie van je hoofdpersoon is, in plaats van de aandacht te geven aan de talloze emoties die je personage (allemaal) kan voelen.

Wil je dat je lezer daadwerkelijk met je personage meevoelt, zorg er dan dus voor dat de lezer niet om de gevoelens van je personage en die van zichzelf heen kan.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door mohamad azaam verkregen via Unsplash

Een goede romance schrijven? Schakel de hersens uit!

Romantische verhalen zijn er in overvloed. Ze worden vaak gezien als oppervlakkig. Op zijn minst zijn ze daar in ieder geval vatbaar voor. Hoe komt dat en wat kan jij als schrijver doen om wel een diepgaande romance te schrijven? Als je een goede romance wil schrijven, moet je de hersens uitschakelen en emoties de overhand geven. Het verwarrende is dat de stereotype kleffe romance precies het tegenovergestelde doet.

Verliefdheid: hersens op tilt

Verliefdheid ervaren is heerlijk. Maar om nou te zeggen dat je dan normaal functioneert… Je bent continu afgeleid door je dagdromen, je kan je eetlust kwijtraken en het cliché ‘liefde maakt blind’ blijkt waar. Niet alleen dat: je raakt een bepaalde objectiviteit kwijt. Als je makker drie dagen niks van zich laat horen, is er waarschijnlijk een goede reden voor. Doet je vlam dat, dan ben je waarschijnlijk gedumpt én voelt dat als het einde van de wereld. Alleen vanwege dat ene leuke gesprek of dat uitzonderlijk knappe koppie. Evolutionair gezien zijn onze hersenen geprogrammeerd om verliefdheid zo extreem te beleven: het voortbestaan van onze soort hangt ervan af. Je kan dus stellen dat je niet zozeer vlinders vóelt, maar dat je hersens tijdelijk op tilt slaan.

Neem dan liefde: die latere fase waarin je de schaduwkanten van de ander ook erkent, maar alsnog van diegene houdt en ook samen het nodige hebt doorgemaakt. Daarvoor moet je elkaar meerdere keren door dik en dun gesteund hebben, conflicten hebben doorgemaakt en opgelost. Allemaal momenten waar emoties bij komen kijken, in de onschuldige, alledaagse zin van het woord. Natuurlijk zal het bij een crisis wel wat heftiger zijn, maar het is niet meer de dag-en-nacht-tilt-modus van de hersenen tijdens een verliefdheid.

De kleffe romance: hersens op de voorgrond

Als Romeo maar knap is en als Julia in de slaapkamer zich maar de liefste en mooiste op de wereld voelt, dan is het een verhaal zoals dat * ahum* maar eens in de eeuw voorkomt. Dertien- in-een dozijn-romances beweren dat ze helemaal op het gevoel ingaan, maar in feite blijven de op hol geslagen hersens aan het roer. Kijk daarvoor niet verder dan het cliché misverstand. Gaat dit fout, dan schrijf je een kleffe romance, doe je het goed, dan schrijf je over liefde. Julia gaat naar de personagepsycholoog…
“Wat gebeurde daar nou, Julia?”
“Wat daar gebeurde?! Dat zal ik vertellen. Ik kwam terug van boodschappen doen en daar stond die gluiperd. Je had zijn blik moeten zien. Vol met empathie, ze had zijn volle aandacht en toen omhélsde hij haar. Wel twee seconden! Serieus, vuile…”
Diagnose: verliefde hersenen op tilt. Deze vrouw is hopeloos: ze is niet voor reden vatbaar en wil haar emoties niet daadwerkelijk voelen. Ze wil slechts ratelen.
“Oké Julia, ga maar weg. Ik heb cliënten die wél aan hun relatie willen werken en die mij als schrijver en mijn lezers wél serieus nemen…”

Echte liefde en een goede romance: stilstaan bij emoties

Als je het goed wil doen, dan moeten jij en Julia deze situatie heel anders benaderen. Niet opblazen en afraffelen, maar echt stilstaan bij wat er nu in het hoofd van de betrokkenen omgaat. Julia krijgt een herkansing in de psychologenpraktijk.

“Ik schrok omdat ik niet snapte wat er gebeurde. Ik herkende de vrouw ook niet meteen als mijn buurvrouw, dus daarom leek het alsof Romeo Jan en alleman omhelsde. Dat hij gewoon losbandig is.”
“Ben je vaak door anderen in de steek gelaten?”
“Nee. Maar ik voel mezelf niet altijd mooi. Soms ben ik wel eens bang dat Romeo me zó heeft ingeruild voor een vrouw die mooier is dan ik.”
“Dan geef ik je als huiswerk mee dat je dat met Romeo moet bespreken. En dan gaan wij een plan opstellen voor de komende maand hoe wij daaraan kunnen werken voor jou persoonlijk.”

Om dit te vertalen naar wat je in concreet als schrijver kan of moet doen:

  • Verdiep je in de personagebiografie van beide geliefden en kijk wat er relevant is voor de situatie. Raffel dat proces niet af. Je moet de diepte in gaan om dit goed tot zijn recht te laten komen,
  • Bedenk wat er aan conflicten spelen en kunnen spelen. Het zijn er waarschijnlijk meer dan een. Overweeg goed wat het centrale conflict wordt en wat het subplot.
  • Erachter komen welke kernemoties centraal staan
  • Niets overhaasten. Besteed er de nodige woorden aan. Je schrijft Julia niet voor niets meerdere sessies voor. Dit gaat even duren.
  • Je moet samen met Julia de emoties volledig doorvoelen. En dat kan pijn doen. Voor Romeo en Julia, maar zeker ook voor jou als schrijver of voor je lezer. Rauw schrijven is hier nodig, ook al is dat niet leuk.
  • Dit probleem niet behandelen als een probleem dat ‘gewoon’ moet worden opgelost als onderdeel van een plotontwikkeling, zoals het cliché van het doodzieke kind wel doet.
  • Julia’s sessies niet overromantiseren als middel dat het perfecte stelletje dichter bij elkaar brengt.

Schrijven over liefde en emotie

Julia’s behandelplan is een flinke lijst. Maar dat is wel wat het zo moeilijk maakt om een écht mooie en unieke romance te schrijven. Niet alleen is het veel om over na te denken en om uit te werken. Het kan voor een schrijver ook behoorlijk moeilijk zijn omdat je via of samen met Julia veel over emoties na moet denken en die goed onder woorden moet brengen, wil je daadwerkelijk over echte liefde schrijven. En jezelf missschien ook wel de nodige spiegels voorhouden. De stereotype kleffe romances nemen daar de tijd niet voor, of hebben het lef niet.

Liefde, niet romance, is wel zo groot, allesomvattend, eng, belangrijk, krachtig en veelzeggend dat het onze pet soms te boven kan gaan. Daarom wordt het schrijven daarover erg lastig. Romance is dan de ‘korte, makkelijke weg’ om daar alsnog enigszins over te kunnen schrijven. Zonder je spreekwoordelijke teen te hoeven stoten. Gewoon lekker zwijmelen. Dus dan wordt het credo: hersens uit, of ze juist compleet op tilt laten slaan.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kelly Sikkema verkregen via Unsplash.


Zo worden emotionele beslissingen spannende plottwists

Mensen en personages verschillen soms niet eens zo veel van elkaar. Bijvoorbeeld als ze denken dat ze heel rationeel zijn en altijd de meest doordachte oplossingen nemen. Dat is misschien zo, tot het moment waarop er iets gebeurt waar de emotie de overhand krijgt. Je kan dit in je voordeel gebruiken om een plottwist in gang te zetten of om een subplot extra kleur te geven.

‘Dat zou mij nooit gebeuren…’

We zijn er allemaal wel eens schuldig aan geweest. Er overkomt iemand iets naars als gevolg van een onhandige zet of vreemde gedachtengang. Dat was óns nooit overkomen. “Je had kunnen weten dat ze niet verliefd op je was. Ze wilde verkering zodra ze hoorde van de status van je bankrekening…”
Om dan zelfs vervolgens voor een leuke verschijning te vallen die je niet veel later in de steek laat.
“Dat had je kunnen weten,” aldus je eerdere gesprekspartner. “Had je niet gehoord dat jouw lieveling door meerdere mensen zo genoemd wordt? Dat was míj nooit overkomen…”

Emotionele betrokkenheid als boosdoener

In zekere zin heb je gelijk als je van een afstandje denkt dat bepaalde ‘domme dingen’ jou niet zouden overkomen. Zeker niet als je van jezelf al wat meer rationeel bent ingesteld. Maar de mens is nog altijd een emotioneel en sociaal wezen. Zodra je ergens dichter of emotioneel bij betrokken raakt, is het makkelijker om te bedenken dat alleen anderen iets naars overkomt. Want ‘dit voélt zo goed’. Of: we hebben het hier over iemand die tijd in mij geïnvesteerd heeft. En dan leer je elkaar kennen. En mensen die je kent, bedonder je niet. Zo kan emotionele betrokkenheid een boosdoener worden.
Anders gezegd, in iets meer ‘creatieve schrijverstaal’: zodra je empathie voor de situatie weet op te roepen is het voor zowel lezer als personage moeilijker om objectief naar een verhaallijn te kijken. Die zijn nu persoonlijk betrokken bij het verhaal. Dat kan je in je voordeel gebruiken.

Emotioneel betrokken personages

Je kan je verhaal spannender of diepgaander maken als je personages op een soortgelijke manier emotioneel betrokken maakt bij wat hen overkomt. Zeker als jij als schrijver je personage goed kent, is het een goede methode om zowel de spanningsboog als het plot nog meer te verrijken. De belangrijkste dingen om daarvoor te weten, zijn de zaken waar je personage het meest om geeft. Denk aan dingen als:

  • Een wens die in vervulling kan gaan
  • Het welzijn van geliefden
  • Een project waar je personage nauw bij betrokken is
  • Een angst die uit kan komen

Een belangrijk punt hierbij is dat je personage het gevoel moet hebben dat het daar een zekere grip op kan hebben, of de uitkomst daarvan kan sturen. Dat zijn dan dingen als:

  • Als ik hard genoeg train, kan ik sportkampioen worden
  • Ik kan mijn kinderen gelukkig maken door een leuk verjaardagsfeestje voor ze te organiseren
  • Als ik genoeg flyers uitdeel, dan wordt dit project bekend bij het grote publiek
  • Als ik maar hard genoeg werk, ziet niemand dat ik me een mislukkeling voel

Je kan een nieuw subplot in het leven roepen door je personage precies daar te raken waar het pijn doet. Waar het ene personage volledig rustig blijft als het deze maand rood staat, is dat voor het andere reden om alle objectiviteit te verliezen. Kijk dus eerst goed in de personagebiografie wat dat pijnpunt precies is. Als een heel subplot erop moet leunen, kies dan voor het element dat er het meest uitspringt.

Personage in paniek!

Je zet als schrijver iets in gang wat je personage absoluut niet wil. Het hoeft niet per se de grootste angst te zijn, maar het moet wel iets zijn waar je personage absoluut van af wil. En wel nu meteen. Die behoefte aan onmiddellijke actie zet je personage aan tot soms ronduit domme dingen. Wordt mijn kind gepest? Dan ga ik naar de moeder van de pestkop om te zeggen dat haar rotkind in de stront kan zakken. Dat is natuurlijk niet de manier om iets op te lossen, maar als de emotie het overneemt, zijn we niet altijd zo slim meer…

Zo is het relatief makkelijk om van kwaad tot erger te gaan, als dat nodig is voor het plot. Waak er wel voor dat je het niet groter maakt dan het hoeft te zijn. Deze eerdergenoemde moeder zo laten doordraaien dat ze doodsbedreigingen overweegt is geen goed plan. Houd het verschil tussen wat je personage en je plot willen of zouden willen goed in de gaten.

Als je op deze manier je personage gaat pesten, kijk dan eens goed wat die eerste, soms banale reacties zijn. Schrijf ze desnoods op in je opschrijfboekje. Hier kan je leren, of als opfrisser weer zien wat de leermomenten, grootste angsten en de mogelijke groeiprocessen van je personage zijn. Met andere woorden: hier kan je een conflict in gang zetten dat bij je personage past. En omdat het een subplot betreft, kan je zo de laatste loodjes van een levensles nog even belichten. Denk bijvoorbeeld aan het derde obstakel. Of licht in het eerste obstakel al een tipje van de sluier op wat jouw personage later in het verhaal laat panikeren.

Wie staat erbij en kijkt ernaar?

In een staat van paniek en gedachten van: alles behalve dat! Zal je personage alles en iedereen om hulp gaan vragen. Misschien zelfs wel de ergste vijand. Zo kan je dit subplot ook gebruiken om vriendschappen te verstevigen, vijandschappen (verder) aan te wakkeren. Ook kan je dit moment gebruiken om überhaupt de stand van zaken van een relatie op te maken. Wat kunnen of willen omstanders doen in tijden van paniek bij dit personage. Je leert in tijden van nood wie je vrienden zijn. Zijn er gedurende je verhaal al wat dingen gebeurd waar de lezer en of je personage niet helemaal de vinger op kan leggen? Dan kan dit subplot helpen om dingen duidelijk te maken. Als jij als medestander iets makkelijk op kan lossen vanwege een bepaalde emotionele afstand, maar dat niet doet…

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Deze karaktereigenschappen passen bij de trope van een interessant personage

Als je een personage gaat schrijven, begint de eerste schets altijd met een trope: een algemeen idee voor je personage wat gebaseerd is op bepaalde aannames. Die aannames zijn nodig om je personage te begrijpen en in en bepaald kader te plaatsen. Zo blijft het te volgen, ook voor de lezer. Maar als je te veel van een standaard trope uitgaat, wordt je personage dat ook. Voeg iets unieks, zo niet onverwachts toe en je personage wordt een stuk interessanter.

De starttrope van een personage

Schrijf drie personages op die je kent uit een boek met één woord of één begrip erachter die zegt wat hen weergeeft.
Dan krijg je waarschijnlijk een antwoord als: de uitverkorene, het lelijke eendje, de tovenaar. Dat zijn wat je de ‘starttrope’ zou kunnen noemen. Het allereerste uitgangspunt waar de verdere uitwerking van dat personage op gebouwd is. Pas daarna komen de kenmerken of de tropes die het ene personage onderscheiden van alle andere papieren personen in de fictiewereld. En met een starttrope ben je er nog niet. Die heb je meer dan een nodig, anders is de basis niet stevig. Maar zodra die basis stevig staat, kan je het ontwerpen van een personage erg spannend worden. Bijna als een plottwist.

Wat is een stevige basis voor een personageontwerp?

Voordat je een personage schrijft dat spannend, interessant, heldhaftig of uniek is, wil je een personage hebben dat te begrijpen valt. Vergeet daarbij het oproepen van empathie nog even. Het gaat hier om de absolute basis van wie het personage is. Daarbij moet je vooralsnog bijna, zo niet helemaal in stereotypen gaan denken. Schrijf je over een hippie? Ja, dan is dat inderdaad iemand die drie keer per dag mediteert, aura’s van anderen kan lezen en daar het beroep van heeft gemaakt en die ‘contact met de aarde’ zoekt. Kortom: je personage is net zo extreem overdreven en oppervlakkig als de Ekoplazamedewerkers in de sketch van Jochem Meijer.
Want ga in de beginfase van een boek maar eens uitleggen dat je personage wel een hippie is, maar niets heeft met wierook, meditatie en zes ons vlees per dag eet in plaats van veganistisch te zijn…Dat schept onnodige verwarring.

Als je bepaald hebt wat de absolute starttrope is -bankier, verpleger, hippie….- dan schrijf je daarna drie kenmerken op die vrijwel onmiddellijk volgen op die associatie:
– bankier: rijk, koel en formeel
– verpleger: zorgzaam, multitasker, invoelend
– hippie: mediteert, veganistisch, natuurliefhebber

Maak daar vervolgens in je opschrijfboekje een eerste schets van: hoe zit een alledaags leven er (waarschijnlijk) uit als die zaken de basis vormen? Schijf ook heel globaal op wat dat personage meemaakt. Je hoeft geen complete verhaallijnen te bedenken, maar schrijf daarbij wel dingen op als: sport graag, heeft baat bij een efficiënte planning maken, gaat het liefst met vrienden naar de bioscoop.

Als je deze globale schets van je personage hebt gemaakt, is het tijd voor het onverwachte element dat het karakter van je personage de diepgang geeft die het nodig heeft.

Diepgang voor je personage: het onverwachte of tegengestelde

Als je de eerste basis van je personage hebt uitgewerkt, weet de lezer waar die aan toe is. Dan is het zaak om iets toe te voegen wat je juist niet achter het personage zou zoeken. Denk aan dingen als:

  • De lieve oma van wie je verwacht dat ze breit, is een gerecepteerde gamer: ze zit in de landelijke top van een populaire shooter.
  • De mentaal zeer instabiele moordenaar kan heel rationele momenten hebben, waardoor die bijna normaal lijkt.
  • De gerespecteerde leider van het bedrijf, een allemansvriend, heeft achter de schermen een drankprobleem met een zeer kwade dronk. Het dreigt uit de hand te gaan lopen.

Merk op dat sommige dingen weliswaar tegenstrijdig kunnen zijn, maar ook onschuldig, zoals bij de oma. Andere keren is dat juist niet zo. Of, in het geval van de bedrijfsleider speelt er iets achter de schermen dat je later naar de voorgrond haalt. Wat je ook kiest, zorg ervoor dat het geheel van deze puzzelstukjes wel blijft kloppen, met name wat betreft het grijze gebied en dezelfde zijde van een medaille.

Plottwist, geheim, gegeven of heldenreis?

Zoals je waarschijnlijk ziet, is de onverwachte kant van je personage iets wat heel veel mogelijkheden biedt. Van het grootste geheim, een zaadje voor een plottwist, een heldenreis of ‘gewoon’ iets om je personage uniek te maken, het tegenovergestelde of onverwachte element kan allerlei kanten op. Het zal heel erg van je schrijfdoel, plotpunten en ook van het genre afhangen welke functie deze onverwachte karaktereigenschap gaat krijgen.

Als het een plottwist is, past dat goed bij een thriller of een detective, een feelgood heeft meer baat bij een groeiproces of een geheim, en een psychologische roman gebruikt dit aspect van het verhaal als een uitwerking voor de heldenreis. Hoewel niet zaligmakend, zijn hier een aantal vragen die je jezelf kan stellen om te zien hoe het onverwachte aspect van je personage je verhaal het beste kan dienen.

schrijfdoelschrijftechniek ter ondersteunning van onverwachte aspectonverwachte aspect personagegenre
spanninggeheim als plotontwikkeling, plottwistiets gemeens, of crimineels thrillers, detectives
uniek personagesfeeromschrijvingeniets onschuldigs, maar (sociaal) onhandigs feelgood, romance
een diepgaande heldenreisgeheimen, grootste angsteniets wat een masker ophoudtthrillers, psychologische romans
avonturen belevenhet plot rijk en continu veranderend houdenje personage geeft de missie steeds meer inhoud, of zorgt juist voor de nodige vertragingen. Je personage is wijs, onhandig, verward..fantasy, actie, thrillers

Als je op deze manier naar het ontwerpen van je personage kijkt, zie je hoe personage en plot hand in hand gaan. Omdat in deze fase de ideeën als paddenstoelen uit de grond kunnen schieten, kan het handig zijn om verschillende woordenwebben, tijdlijnen of andere schema’s bij te houden. Ook in de fase van de tekentafel ontstaat er soms een butterfly effect dat sneller zijn draad kwijt raakt dan je misschien zou willen. Zeker als je bedenkt dat we het nu over een personage hebben gehad en er nog andere personages bij zullen komen…

Foto door krakenimages verkregen via Unsplash.

Zo maak je een cliché origineel: het doodzieke kind

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en de goede weg in te slaan als je tekst naar een cliché neigt. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het doodzieke kind.

Het cliché: nóg meer ellende

Je held heeft het al moeilijk, maar het wordt zo mogelijk nog erger. Een geliefd kind wordt doodziek of sterft. Andere varianten op dit cliché zijn: er wordt onverwacht een scheiding aangekondigd, er valt een ontslag, je personage wordt opgelicht… Als het maar nóg meer ellende oplevert. Maar het doodziekte kind spant als cliché de kroon.

Waarom stoort dit zo?

Er is niets zo erg als een doodziek kind. Het is ronduit beledigend voor je gevoelens als je het meemaken van een ernstige ziekte of de dood gelijkstelt aan teleurstelling of alledaags verdriet. Dat doet dit cliché wel. Bovendien gebruikt het het doodzieke kind als een goedkoop middel om gewoon de zoveelste tegenslag in het verhaal te laten sluipen. Ieder probleem is gelijk.

Oftewel: het doodziekte kind neemt zowel het (hele!) verhaal als de gevoelens van de lezer niet serieus.

De aanloop naar het cliché

Het doodzieke kind vervult een belangrijk element in het verhaal. Het laat zien dat de held kan opstaan na een val en/of daartoe pogingen blijft doen, ook moet dat alwéér.
Dit cliché is de druppel of het eindpunt dat zegt: als je zelfs dit kan doorstaan, ben je je heldentitel waardig. Dat mag, tenzij je beweert dat problemen aan elkaar gelijk zijn.
Van ontslag leert de held zelfvertrouwen te behouden en bij een periode van rouw moet die leren om emoties toe te staan. Met alleen opstaan verwerf je geen heldenstatus. Je held moet laten zien waarvan en hoe die opstaat in verschillende situaties. Als de tegenslag er is zodat je held ‘gewoon nog een keer valt’, is dat wat het cliché zo vervelend maakt.

Nu jij!

Je personage heeft onlangs een ernstige diagnose gekregen, vlak na een ontslag. De telefoon gaat: “Ik heb slecht nieuws.”

Er mag een kind doodziek of overleden zijn, maar dat hoeft niet. Als het maar de spreekwoordelijke druppel is die je personage op zijn dak krijgt.  

De twee mogelijkheden van de aanloop naar het cliché zijn:

  1. Je personage slaat zich er uiteindelijk doorheen.
  2. Je personage gaat eronderdoor.

De bijbehorende clichés zijn:

  1. Je personage wordt een Mary Sue met doorgeslagen powerfantasy die echt alles aankan. Het vergt slechts een huilbuil die komt en gaat en de schouders worden er weer onder gezet.   
  2. Er knapt iets in je personage. Gevolg: drank, drugs en ellende.

Scenario 1 werkt niet in deze zuivere vorm nooit. Je held kan niet groeien als die perfect is of alle problemen aan elkaar gelijk zijn.   
Scenario 2 kan werken, zolang na dat telefoontje niet direct volgt: ‘En toen knapte er iets en greep ze naar de fles. Einde.’  Raffel je verhaal niet af en zorg voor de nodige afbouw.

Welk scenario er ook speelt, voorkom het cliché en:

Schrijf rauw  

Rauw schrijven?

Rauw schijven windt er geen emotionele doekjes om. Dit. Doet. Pijn.  Dat is niet ‘Ai, ik pinkte wel een traantje weg…”  Dat is grofweg een 5 op een tienpuntschaal. Rauw schrijven is een 9 of een 10, omdat je het publiek dwingt bij de emoties stil te staan en ze net zo heftig laat beleven als ze zijn. Je spaart ze niet en verzacht of romantiseert ook geen omstandigheden: hier heb je nog dagen last van. (Denk bijvoorbeeld aan een film als Schindlers list.)

Schrijf dus over rouw in plaats van verdriet en over machteloosheid in plaats van besluiteloosheid.

Ga je gang, schrijf een scène in de comments!

 Gebruik je dit cliché? Let dan hierop

  • Weet waarom je kiest voor een doodziek kind. Of juist voor ontslag, ontrouw…
  • Ga goed na of je held nog moet groeien. Gebruik het doodzieke kind niet als excuus voor een extra subplot of spanning.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door National Cancer Institute verkregen via Unsplash.

De ‘Wat-vijand’: moraal overbrengen in je boek

Er zijn verhalen waarbij je een boodschap mee wil geven aan de lezer. Maar een boek dat vooral een moraalridder in plaats van een bron van vermaak of inspiratie wil zijn, leest niet fijn. Je kan dan beter de held van je verhaal tegen de wereld laten vechten op een manier die relatief onzichtbaar is.

De broodnodige vijand

Een held heeft in een verhaal een vijand nodig. Dat is belangrijk voor het verhaalthema: het geeft je boek een prettig kader voor wat er moet gebeuren: als je held het goede of het licht symboliseert, moet de vijand duisternis symboliseren om ervoor te zorgen dat de held niet al te fluitend door het leven gaat. Vaak is de vijand een ander personage: de machtswelluste dictator, de ouder die de verliefde tieners uit elkaar wil trekken…
Maar niet ieder verhaal heeft een ‘iemand’ als een verhaal nodig. Verhalen waarin een moraal centraal staat, doen het beter als je een ‘iets’ de vijand maakt.

Bepaal en behoud de ‘wat- vijand’

‘Een ‘wat-vijand’ zijn dingen als: maatschappelijk onrecht, armoede of een extreem gevoel van eenzaamheid. Dingen die groter zijn dat de persoonlijke wereld van je held alleen, of wat je held kan overkomen. Het zijn ook zaken die je als verhaalthema zou kunnen gebruiken. Maar daar zit een valkuil in verborgen als je met je verhaal ook een moraal mee wil geven over datzelfde thema: personificatie.

Zoals je kon lezen in de inleiding op deze blogpost, komt het zelden voor dat iemand letterlijk representeert wat je held dwarszit en wat die moet overwinnen. Dat leest namelijk vreselijk geforceerd. Als het probleem van jouw feministische heldin Felicia Feminist is dat er gemene mannen aan de bedrijfstop zitten, is het wel erg toevallig *kuch* dat zodra ze de man op de zesde verdieping wegjaagt, al haar problemen zijn opgelost. Daarmee vergeet je dat niet Co de CEO als eenzaam persoontje de vijand of het verhaalthema is, maar het feit dat je heldin niet door het glazen plafond kan breken. Co (wie?) mag in een moralistisch verhaal niet de vijand worden, dat moet dat glazen plafond blijven (wat?)

Wat zijn de (minder) zichtbare tegenslagen?

Denk eens aan iemand die je niet mag. Niet je ergste vijand, maar iemand waar je wel een onprettig gevoel bij hebt. Schrijf nu eens op waarom. Wat doet diegene of wat heeft diegene gezegd waarvan je denkt: Nou… nee.
Waarschijnlijk zijn dat maniertjes, uitspraken of overtuigingen waarvan je niet met recht kan zeggen dat deze persoon in-en in slecht is, maar die desondanks vaker terugkomen en je ongemakkelijk laten voelen. Bijvoorbeeld:
* Hij neemt net iets te vaak de leiding in een gesprek, waardoor ik vind dat hij niet zo goed luistert.
* Zij laat zodanig vaak een taak liggen, dat ik erop begin te rekenen dat ik haar taak moet overnemen.
* Hij gebruikt het woord ‘vrouwtje’ zodanig vaak en met zo’n intonatie dat ik niet zeker meer weet of hij dat liefhebbend of neerbuigend bedoelt.

Zie je de twijfel in deze formuleringen? Wat je ergert is er wel, maar niet genoeg om te zeggen dat deze persoon meteen een ongevoelige hork, waardeloze collega of vrouwenhater is. Zo’n zelfde nuance moeten je plotpunten, scènes en dialogen krijgen als je een verhaal wil schrijven waarin een moraal de ruimte krijgt, maar niet alles overheersend wordt.
In tegenstelling tot:
* Hij laat nooit iemand uitpraten, praat luid en over iedereen heen
* Zij voert geen donder uit en ik moet iedere taak van haar overnemen: ik heb nu een parttime baan erbij
* Hij zegt steevast bij binnenkomst: ‘Hé vrouwtje, nu lust ik wel een biertje. Ga dat eens halen!”

Felicia Feminist en Sterke Steffie

We gaan kijken hoe dit er in de praktijk uitziet. Felicia Feminist is de sterke vrouw van de doorgeslagen trope, Sterke Steffie is daadwerkelijk een sterke vrouw: een van wie je kan zeggen dat ze tegenslagen overwint, niet per se iemand neer hoeft te halen en dat ze herkenbaar is voor vrouwen met een ‘echt’ leven: inclusief het doodnormale gezinsleven, de dagelijkse sleur en menselijke gevoelens en worstelingen. Beide vrouwen worstelen met het glazen plafond: hun ‘wat-vijand’.

De ‘wat vijand’Felicias verhaal Steffies verhaal
Mannen hebben meer macht dan vrouwenFelicia wordt afgeblaft door Co CEO zodra ze maar door dezelfde gang lopenSteffie is een van de weinige vrouwen in het bedrijf en ze zit niet in de vergadercommissie.
De vrouw zit niet bij de pakken neerFelicia schrijft -zodra Co niet kijkt – een bedrijfsrapport over gendergelijkheid dat ze later met rechte rug en een trots knikje bij Co op zijn bureau neerkwakt.Steffie schrijft een marketingsvoorstel en legt dat voor aan een (mannelijke) collega, in goed overleg
De vrouw kan haar eigen boontjes doppenFelicia vraagt nooit een (mannelijke!) collega om hulpSteffie neemt feedback van collega’s mee en gaat daarmee verder.
De vrouw is capabelAchter haar rug om zijn de (mannelijke) collega’s bang voor Felicia’s vooruitgang en proberen die in de kiem te smoren.Tijdens een vergadering wordt Steffies marketingsvoorstel afgewezen. Het is wel goed, maar te duur om uit te voeren.
De vrouw is geen Mary SueFelicia barst op het toilet in snikken uit als Co weer eens tegen haar heeft geschreeuwdSteffie verliest een deel van haar concentratie en wordt minder scherp, als ze overuren draait om haar marketingsvoorstel te herschrijven en in de tussentijd haar huishouden en gezin draaiende probeert te houden.

Merk op dat Felicia’s verhaal geen echte plotlijnen heeft, maar slechts losse momenten. Bovendien heeft Steffie ruimte voor groei: Felicia moet alleen maar overwinnen. Alleen al daarom is Felicia ongeschikt als heldin met een centraal conflict. Bovendien is alles wat er in haar verhaal gebeurt heel groots, niet bepaald subtiel.
Steffies verhaal hoeft niet altijd ‘braaf‘ te zijn, maar waak ervoor dat wat haar overkomt niet buiten proporties raakt.
Kijk zo eens naar je moraal: zit daar nog een verhaal in, of lijkt dat maar zo op de oppervlakte, omdat diezelfde oppervlakte alle ruimte opzuigt?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Arièle Bonte verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een personage dat zichzelf tegenwerkt

Er zijn vele redenen waarom een personage zichzelf tegenwerkt. Dat kon je in de vorige blogpost al lezen. Ieder personage heeft iets paradoxaals in zich om interessant te zijn, anders wordt diens persoonlijkheid dat van een stuk karton. Een personage dat zichzelf tegenwerkt, heeft heel vaak iets wat het niet laat zien. Maar zodra het aan de oppervlakte komt, is het niet meer te stoppen.

Wat wordt er weggestopt?

Een personage dat zichzelf tegenwerkt, moet iets weg te stoppen of te compenseren hebben. Dat kan onschuldig zijn: als je held een houten Klaas is, zal het niet snel naar de sportschool gaan en ontwijkend gedrag vertonen als de vriendengroep het daar een keer voor uitnodigt. Dat kan een ongemakkelijk moment opleveren. Er zullen eindeloos veel smoesjes volgen en als de held dan toch een keer wordt overgehaald, zal het op talloze manieren zichzelf voor schut zetten door de onhandige manier van doen.
Hier kan je al zien dat er meerdere ‘laagjes’ zijn. Om de niet-atletische kant te verstoppen, worden er smoesjes verzonnen en zodra daardoorheen wordt geprikt, eindigt dat in gestuntel: het tripje naar de sportschool is onvermijdelijk en eindigt op de eerstehulppost met een gekneusde teen.

Maar het weggestopte probleem kan ook een complete scène of een heel verhaal dragen. Denk dan in termen van de grootste angst of grote schaamte. Dan gaat een personage zich echt niet zomaar gewonnen geven. Maar als je de zwakke plekken kent – die je in de personagebiografie hebt staan- kan je ervoor zorgen dat dit personage zich in de eigen voet schiet.

Casus: jurylid #3 Twelve angry men

In de film twelve angry men moet een jury bepalen of een 18-jarige die terecht staat voor de moord op zijn vader, schuldig is of niet. Bij de geringste twijfel moeten ze hem vrijspreken. In het begin van de film is er een jurylid dat ervoor pleit om de jongeman niet schuldig te pleinen, in eerste instantie gewoon om zijn zaak te bespreken. “Je kan niet zomaar iemand ter dood veroordelen zonder daarover gepraat te hebben,” is zijn gedachtegang. Uiteindelijk gaan de andere juryleden een voor een overstag, maar jurylid #3 is bijzonder koppig. Of eigenlijk: gewoon boos. Hij luistert niet naar argumenten: hij wil gewoon dat de jongen wordt veroordeeld. Dat komt omdat hij zijn zoon op de jongeman projecteert. #3 heeft een 22-jarige zoon met wie hij geen contact meer heeft. De film impliceert dat dat komt omdat de vader te agressief was naar zijn zoon.
Maar zo ziet vader dat niet. “Je doet altijd alles voor die verwende jongeren en dan kunnen ze je van alles flikken: ze hebben geen respect meer voor hun vaders.” Hij kijkt niet verder dan zijn eigen blinde vlek en daarom moet de jongen die terechtstaat hoe dan ook veroordeeld worden, als wraak naar zijn zoon. Maar in die blinde woede nemen andere juryleden hem op een bepaald moment minder serieus. Of #3 delft zijn eigen graf, met bijvoorbeeld:
“Wat maakt mij het uit of dát bewijs klopt? Dít bewijs is waterdicht, al het andere mag het raam uit!”
Om twee minuten later te horen, als hij op ander bewijs terugvalt: “Maar dat andere bewijs mochten we toch het raam uitgooien?”

Koppig of diepgaand?

Je kan het hoe en wat achter een koppig personage niet onthullen. Dat leest niet prettig. Maar een personage dat zichzelf tegenwerkt, zoals jurylid #3, kan ontzettend interessant zijn. Tot op het allerlaatst, als hij instort en al heel wat nare en kromme dingen heeft gezegd, is het lastig sympathie voor hem te voelen. De reden dat hij toch interessant blijft, is omdat datgene wat hem tegenwerkt – zijn eigen woede- consistent is in gedrag, maar niet in gevolgen. Langzaamaan keren steeds meer juryleden zich tegen zijn argumenten, manier van doen of ‘debatteren’. Bovendien wordt er uitstekend gebruik gemaakt (subtiel) van zaaien en oogsten.
Als een personage zo gedreven door één enkel motief, denkt het publiek: triggert zelfs dít jou? Kun je hier óók al boos om worden?
Blijkbaar wel. Als je het daarbij laat, gaat je personage mislukken en irritant worden. Geef een reden waarom die houding dat personage blijft dienen (of dat lijkt te doen!) en dan heb je ineens een heel interessante personagegroei om in de gaten te houden. Want als iets negatief is, dan kan iets jou niet alleen maar blijven dienen. Er komen scheurtjes in die tactiek. Het personage heeft dat zelf niet door, omdat die iets anders ziet gebeuren, of anders naar de situatie kijkt. ‘Maar wáárom dan?’ is wat het publiek geïnvesteerd houdt.
Jury #3 zou bijvoorbeeld kunnen denken: het gaat er mij niet om dat ik boos moet zijn, het gaat er mij om dat mijn gezag geldt, want daar hecht ik waarde aan. Dat boos zijn heeft daarvoor altijd gewerkt, dus dat heb ik tot mijn emotionele schild gemaakt.
Als er dan een moment komt waarop dat niet meer werkt, een personage dat te laat inziet en dus langzaam maar zeker het eigen graf delft, vraagt een toekijker zich af wat er nog meer komt, achter zit of gaat gebeuren: pageturner gegarandeerd.

Zoeken naar de ultieme trigger

Een ultieme trigger dwingt je personage tot uiteindelijke overgave. Wat dat is lees je in je personagebiografie. Geef het vorm alsof het een verhaalthema is: een en hetzelfde gegeven dat je op meerdere manieren kan verpakken. Als afbrokkelen van het gezag de ultieme trigger is, denk dan aan tegenspreken, niet luisteren, onbeleefd antwoord geven of negeren. Zo kan je voldoende variëren met een personage dat steeds opnieuw in de aanval gaat, maar voelt het wat minder alsof die steeds om hetzelfde (kleine) ding het hoofd stoot. Geef ondertussen ook hints naar de kern van het probleem, in plot taalgebruik, of sfeeromschrijvingen. Als de trigger dan maar blijft komen en de aanvalstactiek niet verandert, kost dat je personage vroeg of laat de kop. Tot dat moment aanbreekt of op het moment zelf kan je hints geven naar wat het eigenlijke probleem precies is om het verhaal spannend te houden.

Foto door Dmytro Tolokonov via Unsplash.

‘As you know Bob’: De draak van een dialoog op de uitlegpreekstoel

Een goede dialoog neemt je lezer helemaal mee in het verhaal. Een slechte dialoog haalt je lezer er helemaal uit. Een van de doodsteken van een dialoog is het verschijnsel dat bekend staat als ‘As you know, Bob’.  Daarin wordt omwille van de uitleg aan de lezer iets besproken, wat zo onnatuurlijk klinkt dat je hele verhaal een lachertje kan worden. Hoe ziet dat er precies uit en hoe kan je dit gesprek met ‘Bob’ voorkomen?

Personages zijn zich bewust van hun publiek

‘As you know Bob’ kan je samenvatten als: personages hebben weet van de lezer als een toeschouwer van hun leven die geïnformeerd moet worden. Want waarom zouden ze dit anders zeggen?

Dat ‘dit’ is iets wat nieuwe informatie is voor de lezer. Maar de personages vergeten deze informatie pas als ze een zodanige klap op het hoofd krijgen dat ze hun hele leven vergeten zijn.
Voorbeelden:

  • Levenslange vrienden die elkaar wekelijks spreken: ‘Zoals je weet, is mijn broer al maanden ziek. Dus ik moet nu naar het ziekenhuis om hem bij te staan voor een controle.’
  •  ‘Hey, broertje, lang niet gezien!’
    Een naam is natuurlijker dan het algemene, alles verklappende ‘broertje’.  Sla holle beleefdheidsfrasen als  ‘Lang niet gezien’ over en begin de scène liever aan de tafel bij het kerstdiner waar blijkt dat broertje niet lekker in zijn vel zit. Dan kan je hoofdpersoon uit eigen beweging vragen wat er scheelt.

Vragen om een ‘as you know Bob’ te voorkomen

Een vuistregel is dat een dialoog al heel wat ‘As you know Bob’ af is als je onthoudt dat informatie delen nooit belangrijker is dan een plot op een natuurlijke manier aan de gang te houden. Om dat te controleren kan je jezelf een paar vragen stellen:

Moet de lezer dit nú weten?

Is het belangrijk dat de lezer op exact dit moment weet dat:
* de personages familieleden zijn, als ze elkaar bij binnenkomst begroeten?
Of kan je de erfenis die tijdens het kerstdiner ter sprake komt, dat duidelijk maken? Dan heb je meteen een spanningsboog.
* De vriend naar het ziekenhuis en de zieke broer gaat?
Wat moet de spanning van deze scène maken? De zieke broer, het feit dat de vriend nu niet beschikbaar is voor je protagonist, het feit dat de vriend iets halsoverkop gaat doen, waardoor hij iets vergeet te doen, dat later belangrijk is voor het plot…?
Kortom: wat maakt dat de gesprekspartner van Bob dit zou zo uitleggen? Waarschijnlijk is er iets ernstigers of anders aan de hand dat zich niet leent voor letterlijke uitleg, als je er wat langer over nadenkt. Zelfs als dit personage er ‘gewoon’ wil zijn voor zijn zieke broer, dan kan het alsnog anders:

“Ik wil er nu zijn voor Jeroen, dus ik ben naar het ziekenhuis.” Punt.  Dan is de echte uitleg aan de lezer er al van af. Dat brengt ons bij vraag twee:

Wat als de lezer ‘dit’ niet weet?

Idealiter schrijf je zo dat de lezer geïnteresseerd blijft, ook al weet hij de details van ‘dit’ niet. Een ‘as you know Bob’  vertelt meestal iets dat in het grote geheel geen verschil maakt, als er sprake zou zijn van een net iets ander detail, of wanneer de lezer dat detail niet weet.

Of je personage het broertje of de oom lang niet gezien heeft, maakt geen verschil meer als er later om een erfenis wordt gevochten. En of Jeroen nu lijdt aan kanker of hartfalen, en of hij nu een vriend of een broer is: iedereen snapt dat je als het niet goed met iemand gaat, je een bezoek wil brengen.

Je kan de kans op een ‘As you know Bob’  verminderen door goed te kijken of informatie in het hier en nu en de details daarvan een verschil maken. Vaak is dat niet zo. Dat maakt het schrappen van deze draak van een dialoog al een stuk makkelijker.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.
Foto door Thriday via Unsplash

Hoe schrijf je een uniek tropepersonage?

Je hebt personages die op het eerste gezicht slechts een type trope zijn: de nerd, de boze witte man, de onschuldige en lieve moeder. Dan moet je ervoor zorgen dat ze meer worden dan alleen een representatie van die trope. Maar soms gaat dat niet, bijvoorbeeld als je personage een te kleine rol heeft in het verhaal. Dit kan je doen om dit personage alsnog uniek en herinneringswaardig te maken.

De trope onder de loep nemen: zoek het bijvoeglijk naamwoord

Kijk eerst eens met wat voor trope je te maken hebt. Vaak zit er in de omschrijving ervan een bijvoeglijk naamwoord bij. Dat kan je een heel eind op weg helpen. Zo heeft de boze witte man – verrassing- een hoop boosheid in zich en het lelijke eendje is per definitie van de trope vaak onopvallend of verlegen.
Dit bijvoeglijk naamwoord kan je veel vertellen over de mogelijke grootste angst, drijfveer, geheimen, droom of de leidende karaktertrek van je personage. Toevallig of niet is dit ook de achtergrondinformatie van je personage waar je het meest aan hebt om het uniek en interessant te maken.

Neem het lelijke eendje. Misschien komt die neiging om onopvallend te willen zijn van ouders die via hun kind hun niet vervulde wensen in alsnog vervulling willen zien gaan.
“Ik ben nooit schoonheidskoningin geworden, dus nu moet jij uitblinken met je uiterlijk. Gemiddeld zijn is een ramp!”
En net als jij doodongelukkig eindigen, mams? Nee bedankt: ik verdwijn liever in de massa en zorg dat ik gewoon lekker mee kan draaien. Lekker gemiddeld, lekker veilig, niks mis met een ‘gewoon’ leventje…

Als je zo de trope onder de loep kan nemen en die een unieke invulling kan geven is het al stukken lastiger om het personage als cliché te laten eindigen.

Persoonlijk taalgebruik als ultiem onderscheid

Een sjieke advocaat praat heel anders dan een jolige bouwvakker. Als schrijver weet je vast wel dat als deze personages groeten, ze dat niet hetzelfde horen doen. Eerstgenoemde zegt kalm: ‘Goedemorgen’ waar de andere ‘môgge’ in je oor toetert. Het zou bizar zijn om dat om te keren. Met dit simpele voorbeeld kan je al zien hoe belangrijk de taal en de stem van een personage zijn.
Wat jammer is, is dat de meeste schrijvers het hierbij laten als het om kijken naar taalgebruik gaat. Geef ze een ‘goedendag mijnheer,’ in plaats van een ‘goeiemoggel wereld’, nog een stopwoordje et voilà.
Daar valt veel meer uit te halen.

Denk aan dingen als:

  • een sportfanaat gebruikt veel uitdrukkingen die met sport te maken hebben
  • Een puber met een kan-mij-het-schelen-houding mompelt veel
  • Een racist spreekt letterlijk in ‘wij ‘ en ‘zij’ taal
  • een beelddenker beschrijft emoties in plaats van te zeggen wat het voelt: ‘een steek in de rug’ versus ‘ik voel me verraden.’
  • een uitgesproken empathisch persoon checkt regelmatig bij de gesprekspartner: ‘klopt het wat ik zeg?’ Om niemand voor het hoofd te storen met een aanname of omdat diegene weet dat een ander een situatie anders kan beleven dan hijzelf.

Natuurlijk moet je erop letten dat je deze dingen subtiel in de tekst verwerkt, anders komt het alsnog te geforceerd over. Kijk daarvoor hoe je dit taalgebruik , of deze maniertjes, zo je wil kan vertalen naar een show don’t tell als aanvulling op dat wat je personage zegt. Maar ook dan weer in de subtiele zin van het woord.
Als we aannemen dat de sportfanaat niet alleen graag op de tribune zit, maar ook graag meedoet, kan je stellen dat die beweeglijk is. Een show don’t tell is dan bijvoorbeeld: zit altijd te wiebelen op de stoel.

Natuurlijk is wiebelen op een stoel geen duidelijk teken dat iemand van sport houdt. Maar als je meerdere van dit soort maniertjes, gewoonten, uitingen, voorkeuren enzovoorts bij elkaar optelt, dan krijg je wel de sportfanaat die je wil schrijven. Zonder dat die meteen met een toeter in de clubkleuren hoeft rond te lopen en steeds zegt dat er iets ‘gescoord’ in plaats van gekocht gaat worden.
Je lezer hoeft niet per se aan dit soort show don’t tells te zien dat dit ab-so-luut een sportfanaat betreft. Zolang het maar duidelijk is dat de/ een ultieme tegenhanger – de sjieke advocaat, bijvoorbeeld- hier níet aan het woord kan zijn.

Voorbeeld: ik-figuur en oude vrouw

Twee personages geven een voorbeeld geven van al het bovenstaande:

De auto stopt nog maar net op tijd, ik blijf net op tijd op de stoep staan. Even maakt mijn hart een sprongetje, maar dan maak ik een gebaar naar de automobilist: niks aan de hand, we kunnen weer verder. Ik glimlach en wend me tot de oude dame naast mij, die binnensmonds vloekt.
“Dat was even schrikken, hè? Alles in orde met u?”
“Die verdomde wegpiraat zou mijn hartmedicijnen moeten vergoeden!”
“Tja, wie weet waarom hij niet uitkeek.”
“Wat maakt dat nou uit? De jeugd van tegenwoordig ook, altijd maar haast, altijd egocentrisch…”
“Wie weet hoorde hij net dat zijn vrouw met spoed in het ziekenhuis is opgenomen.”
“Ja ja, zo kan je wel smoesjes blijven verzinnen. Als ik in het ziekenhuis was beland, was dat veel erger geweest”

Deze oude vrouw is niet zomaar een bijna-verkeersslachtoffer, maar de trope van een verbitterde bejaarde vrouw. Kijk maar:
– ze is geïrriteerd
– ze zet zich niet snel over iets heen (zo kan verbittering groeien)
– ze is niet objectief meer: (dat doet verbittering met je) hoezo is haar leven per definitie belangrijker dan dat van een ander?
– en ze spreekt zichzelf tegen: de jeugd van tegenwoordig egoïstisch? En haar eigen uitspraken dan?
Dat is misschien geen echt teken van verbittering. Maar fijn is anders. Net zoals verbittering ook niet echt iets prettigs is.

En de ik-figuur, wat is dat voor een tropepersonage? Een lieve verpleegkundige, hoogzwangere vrouw of een gehaaide boekhouder? We zullen het nooit echt zeker weten, maar de laatste optie is wel van tafel, lijkt me.

Kijk eens hoe je zo enkele algemene eigenschappen van trope(personage)s om kunt zetten in unieke tekst. Je verhaaltempo zal ervan omhoog schieten!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door sporlab verkregen via Unsplash



Zo krijgen Romeo en Julia een echt lang en gelukkig

Zodra Romeo en Julia een aantal ruzies hebben gehad en als stelletje zijn gegroeid, zou je kunnen denken dat ze de eindstreep hebben gehaald en het perfecte koppel zijn. Maar dat is niet zo. Als ze echt samen oud willen worden, moeten ze nog een paar dingen doen.  

Leren leven met een rommelkont

Zodra je stelletje een ruzie heeft gehad en weer heeft bijgelegd, laat dat zien hun relatie tegen een stootje kan. Ze weten dat de ander niet alleen maar mooi en lief is, maar ook de neiging heeft om rommel te laten slingeren. Of wel eens vergeet te bellen, zonder dat de ander meteen denkt dat die bedrogen wordt. Dat is een stevige basis, maar daarmee worden Romeo en Julia niet samen oud in een verhaal.
De laatste manier waarop Romeo en Julia samen moeten groeien, is precies dat: blijven groeien. Accepteren dat jouw ware af en toe een rommelkont is en daarmee leren leven is een ding. Maar dat is niet de wrap-up, dat deel vlak vóór: ‘en ze leefden nog lang en gelukkig.’
Het is eerder de fase halverwege een verhaal. Nu je weet wat je aan elkaar hebt, moet je je liefdesverhaal aangaan met de nodige ontwikkelingen en obstakels. En die zijn na twee ruzies nog niet over.

Keer op keer weer groeien

Als je verhaal over een held gaat, moet die zich gedurende het verhaal blijven bewijzen. Zodra de zwakten van de held duidelijk zijn, komen er obstakels die een uitdaging vormen. Zodra die zijn opgelost, komen er volgende obstakels, dan volgt er nog een crisis… Kortom: je held wordt op verschillende manieren getest. Om de titel van de held waardig te blijven, moet die tot aan het einde van het boek blijven groeien en die obstakels blijven aan gaan.

In een fictieve (romantische) relatie geldt eigenlijk hetzelfde. Stel dat Romeo onze welbekende stoere alfaman is.  Dan is het waarschijnlijk een eitje voor hem om Julia uit een benarde situatie te redden waar ze wel een stoere man kan gebruiken. Maar is Romeo ook iemand die een stapje terug kan doen als Julia met een andere mannelijke vriend wil praten?  Waarschijnlijk is dat wat lastiger voor deze Romeo. Het hoeft niet onmogelijk te zijn, maar het gaat hem wel minder makkelijk af. En dus heeft dat meer tijd en groei nodig. Binnen de relatie, maar dus ook om dat goed, gezond en blijvend in de relatie te verankeren.

En zo moet de relatie van Romeo en Julia zich keer op keer bewijzen voor van alles en nog wat bestand te zijn. Niet alleen tegen een ruzie, maar, zo je wil, tegen het verhaal als geheel en alles wat dat op het stelletje afvuurt.

Is ‘lang en gelukkig’ wel mogelijk in een verhaal?  

Als Romeo en Julia zich steeds opnieuw moeten bewijzen, kan je je afvragen of een lang en gelukkig einde wel is weggelegd voor ons fictieve stelletje. Het antwoord is zowel een ja, als een nee.

Laten we beginnen met de nee.

Een goede romance zelf is altijd onderdeel of een invulling van de plot. Nooit de plot zelf. Dus is een verhaal nooit afgelopen als er binnen de eigenlijke romance obstakels zijn overwonnen of voldoende is gegroeid. Zolang het plot zelf nog niet zover, of ‘klaar’ is, is het ‘lang en gelukkig’ daar ook nog niet.  Je hebt dus nog geen lang en gelukkig zolang Romeo en/of Julia:

  • na hun emigratie nog geen stabiel leven in het thuisland hebben opgebouwd en kunnen houden
  • achterom kijken naar het verleden dat ze hebben moeten afsluiten
  • hun stalker nog op de loer ligt, of Romeo daar nog nachtmerries van heeft.
  • Julia nog steeds hechtingsproblemen ervaart, ook al heeft Romeo zich al honderd keer bewezen. Tenzij ze zich daarmee verzoenen. Als je daar nog een extra subplot van maakt, is het moment nog niet daar.

Maar zodra dit soort scenario’s uit de weg zijn en de romance er nog is, dan is ‘lang en gelukkig’ niet alleen mogelijk, maar zelfs al bereikt!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Esther Ann verkregen via Unsplash