Zo gebruik je regieaanwijzingen in een dialoog

Met een dialoog kan je personage heel veel dingen zeggen. Regieaanwijzingen helpen je de intensiteit of emotie te benadrukken. Daar kan je tekst zowel overdadig als prettig leesbaar van worden. Zo kan je regieaanwijzingen en dialoog combineren tot een mooi geheel.

Zeggen, schreeuwen of fluisteren

Regieaanwijzingen zijn de ‘losse woorden’ achter een zin. Ze geven verhalend of in een dialoog de intensiteit van een actie aan. Denk aan: zeggen, fluisteren en schreeuwen, maar ook: strompelen, rennen, kruipen… Het zijn de woorden die neutrale werkwoorden als zeggen en lopen wat meer kleur geven. Dat komt omdat het duidelijk is waar je het over hebt. Fluisteren is heel anders dan schreeuwen, omdat het respectievelijk 1 en 10 is op een schaal van 1 op 10 op de schaal van het gewone ‘praten’.

Gebruik geen regieaanwijzingen en je tekst wordt doodsaai. Gebruik ze te vaak en je tekst wordt doodvermoeiend. Maar regieaanwijzingen die weloverwogen in de tekst zijn geschreven, kunnen je dialoog veel kleur, maar ook inhoud geven.

Aanvulling op een dialoog

Als je een regieaanwijzing overweegt, kijk dan eerst goed naar je dialoog. Een regieaanwijzing verhoogt de intensiteit van je tekst, dus kijk eerst eens of dat nodig is. Vraag je daar vooral bij af:

  • Wat is het doel van deze dialoog/ deze scène?
  • Wat wordt er hardop gezegd en wat niet?
  • Wat is het tempo van deze scène?

Doel van een scène of een dialoog

Een scène of dialoog hoort altijd een bepaald doel te hebben. De lezer informatie verschaffen, spanning oproepen, een plotpunt afsluiten of starten, een setting duidelijk maken…
Dat maakt veel verschil voor de manier waarop je de scène schrijft.
De climax vraagt om intensiteit, een setting introduceren vraagt meer om neutrale observatie. Kijk goed naar je dialoog om te bepalen of je regieaanwijzingen echt nodig hebt. Je kan gerust iemand laten roepen in een scène waar de gemoederen hoog oplopen, maar als het doel is dat je lezer ziet dat dit personage een snel geïrriteerd is, is het misschien niet nodig om uitgesproken ‘snauwt hij’ te schrijven. Dan kan de dialoog zelf inhoudelijk duidelijk maken. Wil je laten zien dat dit personage een ongeleid projectiel is dat zonder waarschuwing kan ontploffen, dan is ‘schreeuwt hij’ heel effectief om dat extreme van het onverwachte te benadrukken. Kijk zo goed naar wat je wil bereiken en hoeveel en wáár de intensiteit van iets benadrukt moet worden.

Wat wordt er hardop gezegd?

In een goede dialoog wordt er veel hardop gezegd, maar misschien nog wel meer níet gezegd. Het kan lastig zijn om dat wat niet gezegd wordt, alsnog duidelijk te maken aan de lezer. Een regieaanwijzing kan daarbij uitkomst bieden. Denk hierbij aan iets als een tienerstel dat aan het flirten is.
“Ik verheug me op het weekend, als je ouders niet thuis zijn.”
Tieners zijn tieners, dus dit snapt je lezer best. Maar als je schrijft: “Ik verheug me op het weekend, als je ouders niet thuis zijn,”  fluisterde hij.  Is dat net dat tandje duidelijker en is er wat extra sfeer zonder dat je er complete zinnen aan vuil maakt. Zo kan een regieaanwijzing heel verrijkend zijn voor een dialoog.

Tempo van de scène

Zit je midden in een achtervolging of zit het kind bij opa op schoot een boek te lezen?
Het tempo van een scène of een dialoog kan ook bepalend zijn voor het toevoegen of weglaten van een regieaanwijzing. Of je dat moet doen of niet, zie je meestal wel als je de scène of de dialoog nog eens terugleest. Soms helpt het om een dialoog geen enkele regieaanwijzing te geven:
“Tekst.”
“Antwoord op tekst.”
“Volgend antwoord.”

Enzovoort.

Andere keren kan een welgekozen regieaanwijzing die tekst juist verrijken.

Probeer, wat je regieaanwijzing ook is, voor je te zien hoe iemand beweegt of praat als die schreeuwt, rent, fluistert, kruipt, mompelt…  Dan krijg je een goed beeld van de intensiteit die deze manier van praten of bewegen met zich meebrengt. En dus ook of dit bij het tempo van je tekst past of dat je de gesproken tekst voor zich kan laten spreken.

Dit tipartikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Age Cymru verkregen via Unsplash.

De ‘Wat-vijand’: moraal overbrengen in je boek

Er zijn verhalen waarbij je een boodschap mee wil geven aan de lezer. Maar een boek dat vooral een moraalridder in plaats van een bron van vermaak of inspiratie wil zijn, leest niet fijn. Je kan dan beter de held van je verhaal tegen de wereld laten vechten op een manier die relatief onzichtbaar is.

De broodnodige vijand

Een held heeft in een verhaal een vijand nodig. Dat is belangrijk voor het verhaalthema: het geeft je boek een prettig kader voor wat er moet gebeuren: als je held het goede of het licht symboliseert, moet de vijand duisternis symboliseren om ervoor te zorgen dat de held niet al te fluitend door het leven gaat. Vaak is de vijand een ander personage: de machtswelluste dictator, de ouder die de verliefde tieners uit elkaar wil trekken…
Maar niet ieder verhaal heeft een ‘iemand’ als een verhaal nodig. Verhalen waarin een moraal centraal staat, doen het beter als je een ‘iets’ de vijand maakt.

Bepaal en behoud de ‘wat- vijand’

‘Een ‘wat-vijand’ zijn dingen als: maatschappelijk onrecht, armoede of een extreem gevoel van eenzaamheid. Dingen die groter zijn dat de persoonlijke wereld van je held alleen, of wat je held kan overkomen. Het zijn ook zaken die je als verhaalthema zou kunnen gebruiken. Maar daar zit een valkuil in verborgen als je met je verhaal ook een moraal mee wil geven over datzelfde thema: personificatie.

Zoals je kon lezen in de inleiding op deze blogpost, komt het zelden voor dat iemand letterlijk representeert wat je held dwarszit en wat die moet overwinnen. Dat leest namelijk vreselijk geforceerd. Als het probleem van jouw feministische heldin Felicia Feminist is dat er gemene mannen aan de bedrijfstop zitten, is het wel erg toevallig *kuch* dat zodra ze de man op de zesde verdieping wegjaagt, al haar problemen zijn opgelost. Daarmee vergeet je dat niet Co de CEO als eenzaam persoontje de vijand of het verhaalthema is, maar het feit dat je heldin niet door het glazen plafond kan breken. Co (wie?) mag in een moralistisch verhaal niet de vijand worden, dat moet dat glazen plafond blijven (wat?)

Wat zijn de (minder) zichtbare tegenslagen?

Denk eens aan iemand die je niet mag. Niet je ergste vijand, maar iemand waar je wel een onprettig gevoel bij hebt. Schrijf nu eens op waarom. Wat doet diegene of wat heeft diegene gezegd waarvan je denkt: Nou… nee.
Waarschijnlijk zijn dat maniertjes, uitspraken of overtuigingen waarvan je niet met recht kan zeggen dat deze persoon in-en in slecht is, maar die desondanks vaker terugkomen en je ongemakkelijk laten voelen. Bijvoorbeeld:
* Hij neemt net iets te vaak de leiding in een gesprek, waardoor ik vind dat hij niet zo goed luistert.
* Zij laat zodanig vaak een taak liggen, dat ik erop begin te rekenen dat ik haar taak moet overnemen.
* Hij gebruikt het woord ‘vrouwtje’ zodanig vaak en met zo’n intonatie dat ik niet zeker meer weet of hij dat liefhebbend of neerbuigend bedoelt.

Zie je de twijfel in deze formuleringen? Wat je ergert is er wel, maar niet genoeg om te zeggen dat deze persoon meteen een ongevoelige hork, waardeloze collega of vrouwenhater is. Zo’n zelfde nuance moeten je plotpunten, scènes en dialogen krijgen als je een verhaal wil schrijven waarin een moraal de ruimte krijgt, maar niet alles overheersend wordt.
In tegenstelling tot:
* Hij laat nooit iemand uitpraten, praat luid en over iedereen heen
* Zij voert geen donder uit en ik moet iedere taak van haar overnemen: ik heb nu een parttime baan erbij
* Hij zegt steevast bij binnenkomst: ‘Hé vrouwtje, nu lust ik wel een biertje. Ga dat eens halen!”

Felicia Feminist en Sterke Steffie

We gaan kijken hoe dit er in de praktijk uitziet. Felicia Feminist is de sterke vrouw van de doorgeslagen trope, Sterke Steffie is daadwerkelijk een sterke vrouw: een van wie je kan zeggen dat ze tegenslagen overwint, niet per se iemand neer hoeft te halen en dat ze herkenbaar is voor vrouwen met een ‘echt’ leven: inclusief het doodnormale gezinsleven, de dagelijkse sleur en menselijke gevoelens en worstelingen. Beide vrouwen worstelen met het glazen plafond: hun ‘wat-vijand’.

De ‘wat vijand’Felicias verhaal Steffies verhaal
Mannen hebben meer macht dan vrouwenFelicia wordt afgeblaft door Co CEO zodra ze maar door dezelfde gang lopenSteffie is een van de weinige vrouwen in het bedrijf en ze zit niet in de vergadercommissie.
De vrouw zit niet bij de pakken neerFelicia schrijft -zodra Co niet kijkt – een bedrijfsrapport over gendergelijkheid dat ze later met rechte rug en een trots knikje bij Co op zijn bureau neerkwakt.Steffie schrijft een marketingsvoorstel en legt dat voor aan een (mannelijke) collega, in goed overleg
De vrouw kan haar eigen boontjes doppenFelicia vraagt nooit een (mannelijke!) collega om hulpSteffie neemt feedback van collega’s mee en gaat daarmee verder.
De vrouw is capabelAchter haar rug om zijn de (mannelijke) collega’s bang voor Felicia’s vooruitgang en proberen die in de kiem te smoren.Tijdens een vergadering wordt Steffies marketingsvoorstel afgewezen. Het is wel goed, maar te duur om uit te voeren.
De vrouw is geen Mary SueFelicia barst op het toilet in snikken uit als Co weer eens tegen haar heeft geschreeuwdSteffie verliest een deel van haar concentratie en wordt minder scherp, als ze overuren draait om haar marketingsvoorstel te herschrijven en in de tussentijd haar huishouden en gezin draaiende probeert te houden.

Merk op dat Felicia’s verhaal geen echte plotlijnen heeft, maar slechts losse momenten. Bovendien heeft Steffie ruimte voor groei: Felicia moet alleen maar overwinnen. Alleen al daarom is Felicia ongeschikt als heldin met een centraal conflict. Bovendien is alles wat er in haar verhaal gebeurt heel groots, niet bepaald subtiel.
Steffies verhaal hoeft niet altijd ‘braaf‘ te zijn, maar waak ervoor dat wat haar overkomt niet buiten proporties raakt.
Kijk zo eens naar je moraal: zit daar nog een verhaal in, of lijkt dat maar zo op de oppervlakte, omdat diezelfde oppervlakte alle ruimte opzuigt?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Arièle Bonte verkregen via Unsplash.

Zo gaan dialoog en lichaamstaal samen

Met een dialoog kan je personage heel veel dingen zeggen. Maar met lichaamstaal minstens net zo veel. Zo kan je die aspecten combineren om het meeste uit je tekst te halen.

Personages hebben nuances nodig

Als mensen beginnen met praten, kunnen ze soms hun hele hart uitstorten. Zonder enige vorm van rem. Personages kunnen dat niet: ga drie pagina’s door over hoe ellendig of leuk die persoon is of praat even lang over het revalidatieproces van de kat van de buren en je bent de lezer kwijt. Daarom zijn dialogen van zichzelf al een stuk kort en bondiger dan ‘echte mensentaal’.
Maar niet alleen hebben de personages een soort rem nodig, ze moeten ook meer zeggen dan ze bedoelen. Dat is nodig voor de nuance van een spanningsboog. Lichaamstaal kan daarbij de gulden middenweg geven die je zoekt.

Met de haren spelen of wegkijken

Waar denk je aan bij het lezen van deze kop? Het kan van alles en nog wat zijn. Verlegenheid, flirten, schaamte… En het kan gaan over een stelletje, een kind dat een standje krijgt, iemand die vernederd wordt in het bijzijn van de baas… Maar wat het ook is, twee dingen zijn zeker:

  • Het is geen blijheid van een tien op een tienpuntenschaal
  • Er is geen uitgesproken woord voor als je het door een personage laat zeggen

In het eerste geval kan lichaamstaal zonder woorden communiceren hoe het personage zich voelt. Dat leest sowieso al wat fijner dan het geforceerde: ‘Ik voel me zo…’ In het tweede geval kan er wel een woord zijn dat het ondersteund, zoals ‘tja’ of ‘uh’, maar de duidelijkste boodschap zit hem in de bewegingen en de lichaamstaal.

Acties spreken ook boekdelen

Mensen die ongeduldig met hun vingers op tafel trommelen, veel rondkijken als ze een ruimte binnenkomen, aarzelend een hand schudden of juist een ferme handdruk geven… Lichaamstaal zit hem ook met enige regelmaat in wat je grotere ‘acties’ zou kunnen noemen. Kijk dus niet alleen maar naar of iemand met een rechte rug of juist onderuitgezakt in een stoel zit als je naar lichaamstaal kijkt om over te kunnen schrijven.
Want zo kan je een dialoog niet alleen laten spreken zonder alles vol te moeten praten. Je kan hem ook letterlijk wat dynamischer maken als iemand tijdens een gesprek niet stilzit. Letterlijk, maar ook figuurlijk, door tussendoor nog iets anders op te merken aan de ander of aan de omgeving. Laat de blik bijvoorbeeld afdwalen naar een mooi schilderij. Wie weet wat dat later in het verhaal nog voor rol kan spelen.

Staat lichaamstaal op zichzelf?

Lichaamstaal, groot of klein in vorm, kan een fijne manier zijn om te laten zien wat het personage vindt of hoe het zich voelt. Maar waak voor de valkuil dat je lichaamstaal ook te veel over een kam kan scheren. ‘O, hij kijkt weg, dus hij is verlegen.’  Nee, dat is een eerste aanname. Maar je kan ook oogcontact verbreken omdat je je schaamt, woedend bent, je gevoelens niet wil verraden met je blik, noem maar op. Lichaamstaal werkt als een show, don’t tell, maar dan wel eentje die context nodig heeft om überhaupt te kunnen werken. Dat is waar de gesproken tekst de inleiding of aanvulling voor kan geven.

Gebruik van lichaamstaal in een dialoog

Probeer niet te veel te wisselen tussen spraak en lichaamstaal. Lichaamstaal zegt doorgaans zodanig veel – mits goed omschreven – dat het inderdaad meer zegt dan een handvol woorden. Als je lichaamstaal gebruikt, gebruik het dan als een soort climax. Als je een bepaald moment in de dialoog een zekere zwaarte wil geven is het een goede manier om je een aantal regels aan tekst te besparen, met een indrukwekkender effect.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Cristina Gottardi verkregen via Unsplash.

Moraal op de achtergrond: zo blijft een boodschap leesbaar

Als je een moraal wil vertellen, is het grootste doel dat het inspireert en misschien wel de grootste angst dat het er te dik bovenop ligt. Dat is niet helemaal onterecht. Niets leest zo vervelend en wordt zo slecht ontvangen als een wijzend vingertje, al dan niet met een bepaalde politiek of sociaalmaatschappelijk gekleurde boodschap. Toch kan je bepaalde een boodschap heel goed meegeven, zonder dat het opvalt, maar wel op een manier die toch heel goed beklijft.

Zo deel je een boodschap niet: de ‘sterke vrouw’

De sterke vrouw trope waarin een vrouw uitgegroeid tot een figuur dat beter is dan mannen nu ze het glazen plafond heeft gebroken en iedereen afblaft is een goed voorbeeld van hoe je een boodschap niet moet delen. Zij heeft haar oorsprong in het principe van de doorgeslagen trope. De schrijver wil zó graag een bepaalde boodschap delen dat die daardoor in hyperbolen verzandt en hetgeen wat zo slecht is, uiteindelijk bij de held(in) van het verhaal alsnog wordt uitgedragen. Denk aan: ‘Mannen zijn slecht omdat ze iedereen afblaffen in hun machtspositie,’ waarna de vrouwelijke CEO en heldin van het verhaal precies hetzelfde doet. Maar dan is het oké, want mijn boodschap is dat er meer vrouwen aan de top moeten komen.

Het moge duidelijk zijn waarom dit krom en vervelend leest. Maar laten we er toch ook schrijftechnisch naar kijken. Als het hele plot gaat om een vrouw die haar weg naar de top behaald om beter te zijn dan de schreeuwende mannen aan de top, om op het laatst ook iedereen af te blaffen, dan begint ze bij nul, om vervolgens ook bij nul te eindigen. Niet alleen dat. Diezelfde nul aan het begin wordt ook nog eens gezien als 100, 1000 of een ander groot winnend getal dat het gewoon niet is: het blijft hetzelfde dat in het begin zo ongewenst was.
Vertaal dat nu eens naar een centraal conflict zonder doel om een moraal uit te dragen. Hou het lekker simpel, want dan zie je goed hoe belachelijk dat principe eigenlijk is:
Een jongen is te verlegen om een meisje verkering te vragen en moet daarvoor het zelfvertrouwen zien te vinden. Eerst is hij zo verlegen dat hij in haar aanwezigheid niet durft te spreken, gedurende het verhaal gaat dat stapje voor stapje beter. Uiteindelijk volgen er gesprekken, die steeds diepgaander worden en uiteindelijk krijgt de jongen verkering omdat hij het meisje in de weken erna weer volledig gaat negeren en niet meer tegen haar durft of wil praten. Misschien zit er zelfs geen oogcontact meer in.

Geen antagonist als tegenslag, maar de dagelijkse werkelijkheid

In een verhaal met een overduidelijk storend moraal is het vaak de held VERSUS, met hoofdletters. Je held is niet alleen iemand die net als ieder ander een leven heeft met daarbij de doodnormale doelen als: het gezinnetje gelukkig houden, een fijn sociaal leven en misschien dromen van een groter huis. Nee, er moet ook gevochten worden tegen iets of iemand. Denk hierbij aan uitspraken als:
* We moeten de straat op voor…
* Ik wil vechten tegen ‘het systeem’
* Deze manier van…. Moet stoppen!
* Dit kan niet langer en als niemand anders het doet, doe ik het wel

Hoewel verhalen met een held die zo’n uitgesproken doel heeft interessant kunnen zijn, lopen ze het risico om prekerig te worden. Probeer daarom datgene wat jij of je personage zo vervelend vinden geen uitgesproken tegenstander te geven. Dus Robin Hood gaat niet die ene rijke koning bestrijden en de feministe heeft geen blaffende mannelijke baas om tegenop te boksen, waarvan ze weet waar hij te vinden is: derde deur links op de zesde verdieping.

Kijk in plaats daarvan eens hoe zich dat dagelijks manifesteert, zonder op te vallen. Deze paradox werkt in je voordeel. Want hoe valt het nog op dat je wil schrijven over de onrechtvaardigheid van extreme armoede als je held amper te eten heeft, maar wel een doorzettingsvermogen heeft om daaruit te komen?
Zelfs deze vraag is een paradox, zie je dat? De dagelijkse werkelijkheid is als je het goed doet, interessant genoeg om over te schrijven. Als je dan erin slaagt om die dagelijkse werkelijkheid niet te overromantiseren en het onrecht op een natuurlijke manier te portretteren, dan is de lezer waarschijnlijk wel empatisch genoeg om met je held mee te leven: “Tjee, wat is het erg dat hij zó weinig eten en geld heeft. En dat is zo bij meer mensen, dat zag ik in de dagelijkse gang van zaken; de meesten werden uitgebuit. Daar zou iets aan gedaan moeten worden.”

Als je met hetleven van een personage meeleeft, doe je dat ook met zijn omstandigheden. Dan hoef je het hoe en wat daarachter niet eindeloos toe te lichten, dat wordt dan vanzelf duidelijk. Het verhaal is ook herkenbaarder zodra het probleem abstracter wordt: hoe vaak kunnen wij naar de derde deur links op de zesde verdieping gaan en te zeggen: ‘zodra die vent is opgehoepeld, ben ik van het probleem af. Ik ga maar even tegen hem schreeuwen en dan neem ik het over als hij er niet meer is’? Het (echte) leven is stukken genuanceerder en hoe meer je van die nuance mee kan nemen in je boodschap, hoe meer de boodschap bij de lezer aan zal komen. Het zal heel goed kunnen dat die boodschap niet zo makkelijk meer te definiëren is voor de lezer. Maar het zorgt er wel voor dat je boek minder snel vergeten wordt. En je boodschap ook. Al is het maar omdat je lezer met een specifieke emotie en een diepgaande vraag je boek dichtslaat.

In de blogpost van volgende week ga ik de duidelijke moraalridder en de prettige boodschapper naast elkaar zetten, zodat je het verschil goed kan zien en wat meer kan oefenen met dit principe.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Hoe schrijf je een nuttige Mac Guffin?

Ieder plot heeft een beat, een moment nodig waarop het een andere weg inslaat, er een hint wordt ontdekt of waar er belangrijke informatie wordt meegedeeld. Het is niet ongewoon om dat te verpakken in een Mac Guffin: een voorwerp dat al die benodigde informatie heeft en waar je personages uitgesproken naar op zoek gaan. Dat kan verschrikkelijk saai zijn: omdat je een simpel gegeven te lang rekt of omdat je alleen daar de focus op houdt. Maar er zijn manieren om een relatief simpele zoektocht als podium te gebruiken voor een verdieping van je personages of je verhaalthema.

Wat is een Mac Guffin en waarom is die zo link?

Als je hem als zodanig herkent, is de Mac Guffin zo cliché als wat. Het is de schatkaart naar de heilige graal, het superdrankje om het monster te verslaan… Dat voorwerp dat gezócht moet worden, omdat anders alles (het Grote Plan, de Saamhorigheid van de Groep) aan diggelen valt. Dat voorwerp, of die kennis van die ene tovenaar, dat iets wat lijkt te schreeuwen: “een verhaal bestaat uit drie akten, geen twee. Dus moet er iets tussendoor komen om de spanningsboog te behouden of zelfs te maken. Een andere reden is er eigenlijk niet.”
En ondertussen kletsen de personages tijdens hun queeste maar door en door over hoe legendarisch dat voorwerp of die persoon is die hen verder op weg gaan helpen.
Je ziet het misschien al: het risico van een Mac Guffin is dat je verhaal helemaal niet meer gaat om de heilige graal en de dromen van je held om het eeuwige leven, macht, liefde of… te vinden en wat die zoektocht met de heldenreis doet. Het gaat dan alleen nog maar om het statische gegeven van een voorwerp vinden. Dan heb je geen verhaal meer, maar een gegeven en heeft de lezer niet veel meer te lezen…

Op zoek naar de Mac Guffin

Net als bijna alles in creatief schrijven is ook de Mac Guffin van zichzelf niet meteen een slecht idee, maar gaat het erom hoe je die inzet, net zoals bij iedere andere trope of schrijftechniek. Maar denk er ook eens aan om de Mac Guffin niet alleen dat doel, maar ook een middel te maken en je komt er al een heel stuk verder mee. Bijvoorbeeld:

Je groep personages is op zoek naar een kist magische munten: dat is hun einddoel. Niet alleen maakt deze schat je rijk, maar je wordt er ook nog eens geliefd van. Bij degene waar je een heimelijk oogje op hebt. Of door je baas: waar die eerst niet eens leek te zien dat je voor zijn bedrijf werkte, ben je na het vinden van deze schat een collega die waardering, promotie en meer zeggenschap krijgt: je wordt meer geliefd binnen het bedrijf. Kortom: je wordt geliefd(er) op een manier die het meest aansluit bij jouw willen en nodig hebben.

Hiermee heb je al een iets vlotte invulling van de Mac Guffin. In plaats van dat iedereen in de groep ‘gewoon’ rijk wil worden, kan je de afzonderlijke karakters van de personages makkelijker in de schijnwerpers zetten door ze elk met een andere motivatie op pad te sturen. Dat voorkomt dat de groep de zoveelste wordt die een queeste te voltooien heeft. Zo lees je niet zes keer over mensen die rijk willen worden, maar zowel over iemand die zichzelf onaantrekkelijk vindt op romantisch gebied, en een ander laat een gebrek aan zelfvertrouwen binnen het eigen kunnen zien. Daarmee krijgt je verhaalthema al wat meer vorm.

De spoorloze Mac Guffin

Als je hele verhaal om een groot deel ervan gebaseerd is op een zoektocht naar iets specifieks, schrijf dan ook eens een scène in je opschrijfboekje waar de personages erachter komen dat dit voorwerp (misschien) niet vindbaar is. En nu? Dat is een vraag voor je personages, maar zeker ook voor jou als schrijver. Want wat gebeurt er nu met:
– De motivatie van je personages om verder te gaan? Proberen ze andere methoden te bedenken om het einddoel te bedenken of draaien ze om? Het antwoord leert je veel over hen en ook wat je nog aan plotwendingen kan inzetten.
– Het plot? Komen je personages erachter dat ze eigenlijk iets anders na (zouden) moeten jagen dan de schat? Gaan ze dat ook doen? Zo ja, hoe dan? Heb je met die nieuwe methode misschien nu hoofdstukken ervóór die niet meer belangrijk zijn voor het grote geheel? Zo nee: wat doen ze dan? Je kan niet zomaar een verhaal plotsklaps eindigen. Kijk nog eens goed naar je algemene plot of denk anders heel goed na over een logische wrap-up.

De waardeloze Mac Guffin

Stel dat je groep helden naar een sleutel zoeken voor op de schatkist en dan een sleutel vinden die niet past. Da’s flink balen. En nu? Tja, nu niks. Maar nu we er toch zijn: dit is een goed moment om te kijken naar hoe en waarom de personages naar elkaar toe zijn gegroeid. Pas wel op: dit kan je te letterlijk doen:
“Goh, Frodo, nu we zoveel hebben meegemaakt, kan ik wel zeggen dat ik jou best een goede hobbit vind..”
Probeer in plaats daarvan – bijvoorbeeld- een show don’t speak in de tekst te schrijven.
Als je groep avonturiers verder willen zoeken naar een andere of de goede sleutel, let er dan wel op dat je dat volgens een goede opbouw doet: bedenk een reden, of een goede nieuwe tactiek voor de groep om verder te zoeken. Anders val je snel in de herhaling.

Kortom: een Mac Guffin wordt vaak gezien als een informatie die je personages moeten vinden om verder te gaan met het verhaal. Als je een beetje creatief hiermee bent, kan je in de zoektocht daarnaartoe ook informatie voor je lézer meegeven. Een interessant middel, niet alleen voor dat ene einddoel, maar ook om je verhaal wat meer persoonlijkheid en kleur te geven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Immo Wegmann verkregen via Unsplash.



Zo ga je om met subtekst in een dialoog

Een dialoog is veel meer dan personages die kletsen of praten: het moet je méér vertellen over de personages en hun motieven. Daar komt subtekst om de hoek kijken.

De noodzaak van subtekst in een dialoog

Mensen moeten in gesprekken vroeg of laat direct zijn, om zeker te weten dat ze begrepen worden. In het echte leven weten we niet waar ons ‘verhaal’ naartoe gaat, wat er wel of niet gaat gebeuren, hoe anderen exact gaan reageren (op ons). Het leven is wispelturig en onvoorspelbaar, maar een boek kan dat niet zijn: het moet structuur hebben met een spanningsopbouw, akten… Dat is een van de reden dat een dialoog veel subtekst moet hebben.

“Ik haat jou.”
“Ik jou ook.”
Over wie gaat dit? Waarom haten deze personages elkaar?
“Omdat jij mijn kat hebt pijn gedaan.”
“Jij hebt anders mijn kind verwaarloosd tijdens het oppassen!”

Voor een korte scène of bij een climax kan dit prima werken. Maar stel je eens voor dat iedere dialoog zo direct en zo oppervlakkig is. Dat rammelt aan iedere basis van goed schrijven. Het is tell, geen show, je leert de personages niet kennen, tenzij je een stortvloed aan infodump toevoegt, het wordt cliché, noem maar op.

Daarom moet je kijken naar een manier waarop het personage iets indirect kan duidelijk maken. En het liefst ook nog iets over het verhaal, andere personages of het verhaalthema kan vertellen. Uiteraard zonder dat het opvalt. 

Verstop een ‘ik wil’ in een dialoog

Een tienerstel is elkaar aan het versieren.
“Vind je me mooi?” vraagt Meisje.
“Anders zou ik dit weekend niet met je naar bed willen,” aldus Jongen.  

Gebrek aan romantiek terzijde, dit leest dus veel te direct op de lange duur. Schrijf als referentie op wat je als schrijver of het personage met dit gesprek willen bereiken, maar niet hardop zegt. Meisje wil horen hoe mooi ze is, Jongen wil duidelijk maken hoe hij uitkijkt naar het weekend, wanneer de ouders niet thuis zijn.

Dat levert iets op als:

“Ik denk eraan om mijn haren te krullen.”
“Wat een leuk idee!”
“Met steil haar voel ik me zo gewoontjes.”
“Heb je met Barbara gepraat? Díe is gewoontjes, maar ze heeft jouw lach, wangen en benen niet, ook al zijn haar krullen dan mooi.”
“Vind je mijn wangen echt zo mooi?”
Jongen buigt voorover om Meisjes wang te strelen.
“Wacht maar eens af hoe ik dit weekend jouw wangen en steile haar ga strelen. Je ouders zouden door het lint gaan als ze dat zouden zien…”
“Die zien niets vanuit Frankrijk, hoor…”

Op deze manier kun je eindeloos variëren met informatie vrijgeven of achterhouden, een verhaalthema verder uitdiepen, of andere personages en hun onderlinge relaties of heldenreizen verder uitwerken.

Neem Barbara. Of ze nu een zus, tante, of het coolste meisje van de klas is, zonder het letterlijk te hoeven zeggen, weet je nu dat Meisje gevoelig is voor bepaalde meningen van anderen, onzeker over haar uiterlijk en/of graag gevleid wordt.

Als ze letterlijk zegt:
“Ik wil dat je me versiert, of Barbara voor me zwartmaakt, want ik krijg graag complimentjes/ zit vol hormonen/ ben onzeker/ weet niet wat ik met mezelf aan moet.”
En daarbij ook nog:
“En ik weet dat je verliefd op me bent, dus ik gebruik mijn krullenvraag om zeer waarschijnlijk precies te krijgen wat ik van je verlang.”

werkt dat niet.  Zie je het effect van de subtekst, als je dit vergelijkt met elkaar?

Een dialoog met subtekst laat personages realistisch aanvoelen en je op een vlotte manier andere personages en plotpunten introduceren, zonder complete scènes aan de gedachten van je personage te hoeven besteden.

Kijk dus goed naar wat jij als schrijver of een personage nog méér wil zeggen of duidelijk maken en je dialogen worden vlot en rijk. Zowel qua informatieverschaffing als de leesbeleving.

Dit artikel verscheen eerder opSchrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Photo door Stefan Steinbauer verkregen via Unsplash

Schrijfoefening: show, don’t speak

Show don’t tell is zo’n beetje dé basisregel van creatief schrijven. Zonder deze regel wordt een verhaal erg langdradig, of komt de tekst niet tot leven. Er zijn verschillende manieren om show don’t tell toe te passen, waarvan een er vaak wordt vergeten.

De basis van show don’t tell: terecht tegenprotest?

‘Schrijf ‘de tranen lopen over mijn wangen’ in plaats van ‘ik huil’.’ Voilà: show don’t tell in een notendop. Iedere schrijfcoach hamert erop hoe belangrijk die regel is en geeft verschillende manieren en redenen om show don’t tell toe te passen. Maar theoretische regels zijn nooit heilig, al wordt show don’t tell soms wel zo gezien. Zodanig zelfs dat er ook een tegenbeweging voor deze schrijftechniek is ontstaan. Onterecht, maar daar moet wel een kanttekening bij geplaatst worden. Show don’t tell wordt alleen onterecht heilig als je die notendopregel als enige interpretatie van de regel ziet.

Nu gaan we praten…

Beginnende schrijvers schrijven vaak dat de tranen over de wangen rollen, om vervolgens alsnog in een overdaad aan tell te belanden, vaak in de vorm van een as you know Bob. Zo raken sfeeromschrijvingen en dialogen met elkaar verweven op een manier die het allebei die schrijfvormen alleen maar teniet doet. Daarom kijken we tijdens deze schrijfoefening naar een nieuwe regel/ term: show, don’t speak. Je beschrijft iets zonder een dialoog. Als je van lichaamstaal uitgaat, kan je namelijk show don’t tell toepassen zonder alsnog in een dialoog of ergens anders compleet de mist in te gaan met een overdaad aan ‘tell’.

Show don’t speak: start met een voorspelbare trope

Voor deze schrijfoefening ga je observeren. In het openbaar of een wat meer vertrouwde setting, dat is aan jou. Zorg er wel voor dat je weet wat je grofweg kan verwachten of wat er gaat gebeuren: je moet gaan werken met een enigszins voorspelbare of vertrouwde trope. Denk daarbij aan:
* Een treinreiziger
* Een verliefd stel
* Een verjaardag
Kortom: iets wat je al zo vaak hebt gezien dat je kunt wachten op het moment dat de reiziger ongeduldig op zijn horloge gaat kijken, de conducteur langskomt, het stelletje koosnaampjes gaat gebruiken of gaat kussen, of er iemand lang-zal-ze-leven gaat zingen. Tante Sjaan natuurlijk, want tante Bep is een minuut daarvóór de taart gaan halen.

Bepaalde dingen lopen volgens een bepaald stramien dat je ziet aankomen als je grofweg tien jaar of meer aan levenservaring hebt. Probeer nu eens te bepalen waarom je dat nu precies aan ziet komen. Want die treinreiziger gaat echt niet zeggen: ‘ik word hier altijd zo ongeduldig van, als de trein weer eens drie minuten te laat komt en ik moet hollen voor mijn overstap.’ Nou vooruit, sommige mensen zijn levende as you know Betty’s ( ;)) maar die zijn zeldzaam. We zijn meestal bang dat mensen denken dat we gek zijn als we hardop in onszelf praten. Daar kan je je voordeel mee doen.

Schrijf om te beginnen op waaraan je de ‘start van de trope’ ziet:
* Die twee mensen houden handen vast, dat is een verliefd stel
* Die man in pak in de trein is een zakenman op weg naar een vergadering
* Een groep tienermeiden steekt de koppen bij elkaar: er komt een roddel aan

Wat gebéurt er nu?

Omdat we er zo gericht zijn om naar inhoudelijke spraak te luisteren, vergeten we te kijken naar wat er gebéurt. Dat is de volgende fase: goed opletten. Houd je ogen en oren open en probeer als er sprake is van gesproken taal, die weg te filteren. Dat kan aanvoelen als een focus op detail. Het kan zo uitpakken, maar dat hoeft niet zo te zijn.
Kijk eens naar deze tabel. Je zal zien dat er non-verbale, maar duidelijke dingen zijn die geen extra verbale uitleg meer nodig hebben, en details zijn die al zo veelzeggend zijn dat het geforceerd over zou komen als je personage nog zou zeggen: ‘dus ik voel me…’ of ‘dus ik bedoel maar:…’

Opvallende zakenDetails
iemand loopt met open armen op de ander af iemand speelt met de haren, terwijl die de geliefde aankijkt
diepe zucht en fronsend voorhoofdiemand schuift subtiel een eindje weg van de ander op een stoel, of keert de rug wat meer naar de ander toe
rennen in plaats van lopenEen stem breekt wanneer iemand start met praten
een stel dat je naar een hotelkamer wil stureniemand blijft een paar tellen voor een deur staan vóór het binnenlopen

Kijk vooral naar de kolom met details. Waarschijnlijk lijken dat geen details meer op het moment dat je ze zo afzonderlijk ziet staan. Want als dat verliefde meisje dat met de haren speelt geen (heimelijke) kus wenst of probeert te stelen… En als de stem op het punt staat te breken, volgt er geen leuk nieuws. Dan hóef je niet te weten wat er inhoudelijk gezegd gaat worden om het beeld te snappen. Dat vormt het uitgangspunt van deze schrijfoefening: probeer een (niet zo subtiel) detail of iets opvallends te vinden en schrijf dat uit in een korte sfeeromschrijving, zonder dat je terugvalt op dialoog. Je zal zien dat deze ‘show don’t speak’- scène heel interessant kan zijn zonder gesproken tekst.

Iemand wil opbiechten hoeveel de ander voor hen betekent, maar dat mislukt.

‘Show and speak’ wordt:
Het bloed racete door haar aderen toen ze hem aankeek. Ze slikte. Precies die blik deed haar geloven dat ze meerwaarde had.
“Je moest eens weten hoeveel…”
“Ja?” vroeg hij geduldig.
Maar haar stem wilde niet meer.

‘Show don’t speak’ wordt:
Haar handen trilden terwijl ze hem aankeek. Haar blik hield de zijne vast. Ze deed haar mond open en weer dicht. Ze merkte dat haar hand ongemerkt naar de zijne was opgeschoven, alsof die die van hem had willen pakken. Ze schudde verwoed haar hoofd en draaide van hem weg, hopend dat hij de opkomende tranen niet had gezien.

Zoals altijd zijn toepassingen van schrijftechnieken slechts richtlijnen. Maar voeg ‘show don’t speak’ zeker toe aan je arsenaal van schrijftechnieken als een mogelijke vervaging van ‘show dont tell’.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door 青 晨 verkregen via Unsplash

Taalgebruik in dialoog: wie praat er eigenlijk?

Praten doen we allemaal, mens en personage. En iedereen heeft zo zijn eigen spreekstijl. Bij mensen kan dat al opvallen. Bij personages kan het gebruik van een slimme eigen stem een verhaal op zichzelf vertellen.

Liefje of schatje, de vent en dames en heren

Het kunnen aanspreekvormen, koosnaampjes of gewone woorden zijn, maar we hebben allemaal een bepaalde voorkeur voor woorden.
Vind je het fijn om ‘schatje’ genoemd te worden, maar is ‘liefje’ je te klef? Iemand anders denkt precies het tegenovergestelde. En zo kan ‘vent’ het perfecte woord zijn om stoere mannelijkheid te benadrukken. De ander ziet het als een belediging, omdat die dat eerder vindt klinken als ‘slijmerige gladjakker’.

Zo zijn er ook nog woorden die als vanzelf al iets aangeven. Noem iemand een dame of een heer en je weet dat het van respect betuigt, of dat het om iemand in welgestelde kringen gaat. Zo iemand noem je nooit een gozer of een griet.

Bedenk eens of en waarom je personage zo voorkeuren voor een bepaald taalgebruik of woorden heeft en waarom. Wisselt het ook met taalgebruik aan de hand van de setting? Of is het zo authentiek of asociaal dat het ook ‘effe’ zegt als de koning voor de neus staat? Roept het een vriend met ‘Gast!’ ‘Maat!’ of de voornaam?

Kijk zo naar woordgebruik en de kans is al kleiner dat al je personages (letterlijk) hetzelfde klinken.

Waarom praat je personage (terug)?

Vroeg of laat gaan je gedachten afdwalen of probeer je het gesprek te eindigen als een gesprek saai is. Dat zou je personage ook moeten doen als de dialoog saai wordt…
 Zorg ervoor dat je personage een reden heeft om te luisteren en/of terug te praten. Dat hoeft niet meteen een stuitende reden te zijn.  Je personage kan ook een ander argument willen geven in een discussie, of het gesprekonderwerp of de gesprekspartner prettig vinden.  
Stel dat de gesprekspartner over een pretparkbezoek vertelt. Redenen voor je personage om te blijven luisteren zijn bijvoorbeeld: willen weten of dat park een bezoek waard is, interesse in het leven van de gesprekspartner of interesse tonen als versiertruc. Maar je personage kan precies datzelfde onderwerp met dezelfde partner vreselijk vinden, omdat de gesprekspartner alleen maar over de eigen belevenissen praat, dat pretparkverhaal al honderd keer is langsgekomen, of omdat je personage een deadline heeft en jolige Pardoes van de Efteling nu geen plaats heeft in de emotionele toestand van stress.

Hoe dan ook heeft die reden in het hier en nu van je held invloed op wat die zegt, hoe die het zegt en waarom het gesprek al dan niet langer doorgaat. Gebruik dat om een dialoog sfeer te geven. Het is het verschil tussen:
“Ik verheug me erop om morgen de blije snoetjes van mijn eigen kleinkinderen in de Efteling te zien. Weer een oma-doel bereikt!” Of: “Morgen naar de Efteling? Whatever.” Allebei is het een ja op de vraag of iemand morgen naar de Efteling gaat, maar met een wereld aan verschil van beleving en manier van uiten.

Kijk altijd wat er nog meer schuilgaat achter de letterlijk gesproken teksten. Zo kunnen dialogen erg waardevolle show don’t tells zijn. Over de geschiedenis van je personage, de setting van een scène, wat er komen gaat, wat geweest is…
Je kan in een dialoog zo enkel de sfeer van het moment weergeven, maar ook een compleet verhaalthema uitdiepen. Als je de dialoog gebruikt voor meer dan alleen ‘praten’, heb je een schat aan mogelijkheden te pakken om je verhaal kleur en vaart te geven.

Deze tip verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Foto door Trung Thanh verkregen via Unsplash

Zo schrijf je een personage dat zichzelf tegenwerkt

Er zijn vele redenen waarom een personage zichzelf tegenwerkt. Dat kon je in de vorige blogpost al lezen. Ieder personage heeft iets paradoxaals in zich om interessant te zijn, anders wordt diens persoonlijkheid dat van een stuk karton. Een personage dat zichzelf tegenwerkt, heeft heel vaak iets wat het niet laat zien. Maar zodra het aan de oppervlakte komt, is het niet meer te stoppen.

Wat wordt er weggestopt?

Een personage dat zichzelf tegenwerkt, moet iets weg te stoppen of te compenseren hebben. Dat kan onschuldig zijn: als je held een houten Klaas is, zal het niet snel naar de sportschool gaan en ontwijkend gedrag vertonen als de vriendengroep het daar een keer voor uitnodigt. Dat kan een ongemakkelijk moment opleveren. Er zullen eindeloos veel smoesjes volgen en als de held dan toch een keer wordt overgehaald, zal het op talloze manieren zichzelf voor schut zetten door de onhandige manier van doen.
Hier kan je al zien dat er meerdere ‘laagjes’ zijn. Om de niet-atletische kant te verstoppen, worden er smoesjes verzonnen en zodra daardoorheen wordt geprikt, eindigt dat in gestuntel: het tripje naar de sportschool is onvermijdelijk en eindigt op de eerstehulppost met een gekneusde teen.

Maar het weggestopte probleem kan ook een complete scène of een heel verhaal dragen. Denk dan in termen van de grootste angst of grote schaamte. Dan gaat een personage zich echt niet zomaar gewonnen geven. Maar als je de zwakke plekken kent – die je in de personagebiografie hebt staan- kan je ervoor zorgen dat dit personage zich in de eigen voet schiet.

Casus: jurylid #3 Twelve angry men

In de film twelve angry men moet een jury bepalen of een 18-jarige die terecht staat voor de moord op zijn vader, schuldig is of niet. Bij de geringste twijfel moeten ze hem vrijspreken. In het begin van de film is er een jurylid dat ervoor pleit om de jongeman niet schuldig te pleinen, in eerste instantie gewoon om zijn zaak te bespreken. “Je kan niet zomaar iemand ter dood veroordelen zonder daarover gepraat te hebben,” is zijn gedachtegang. Uiteindelijk gaan de andere juryleden een voor een overstag, maar jurylid #3 is bijzonder koppig. Of eigenlijk: gewoon boos. Hij luistert niet naar argumenten: hij wil gewoon dat de jongen wordt veroordeeld. Dat komt omdat hij zijn zoon op de jongeman projecteert. #3 heeft een 22-jarige zoon met wie hij geen contact meer heeft. De film impliceert dat dat komt omdat de vader te agressief was naar zijn zoon.
Maar zo ziet vader dat niet. “Je doet altijd alles voor die verwende jongeren en dan kunnen ze je van alles flikken: ze hebben geen respect meer voor hun vaders.” Hij kijkt niet verder dan zijn eigen blinde vlek en daarom moet de jongen die terechtstaat hoe dan ook veroordeeld worden, als wraak naar zijn zoon. Maar in die blinde woede nemen andere juryleden hem op een bepaald moment minder serieus. Of #3 delft zijn eigen graf, met bijvoorbeeld:
“Wat maakt mij het uit of dát bewijs klopt? Dít bewijs is waterdicht, al het andere mag het raam uit!”
Om twee minuten later te horen, als hij op ander bewijs terugvalt: “Maar dat andere bewijs mochten we toch het raam uitgooien?”

Koppig of diepgaand?

Je kan het hoe en wat achter een koppig personage niet onthullen. Dat leest niet prettig. Maar een personage dat zichzelf tegenwerkt, zoals jurylid #3, kan ontzettend interessant zijn. Tot op het allerlaatst, als hij instort en al heel wat nare en kromme dingen heeft gezegd, is het lastig sympathie voor hem te voelen. De reden dat hij toch interessant blijft, is omdat datgene wat hem tegenwerkt – zijn eigen woede- consistent is in gedrag, maar niet in gevolgen. Langzaamaan keren steeds meer juryleden zich tegen zijn argumenten, manier van doen of ‘debatteren’. Bovendien wordt er uitstekend gebruik gemaakt (subtiel) van zaaien en oogsten.
Als een personage zo gedreven door één enkel motief, denkt het publiek: triggert zelfs dít jou? Kun je hier óók al boos om worden?
Blijkbaar wel. Als je het daarbij laat, gaat je personage mislukken en irritant worden. Geef een reden waarom die houding dat personage blijft dienen (of dat lijkt te doen!) en dan heb je ineens een heel interessante personagegroei om in de gaten te houden. Want als iets negatief is, dan kan iets jou niet alleen maar blijven dienen. Er komen scheurtjes in die tactiek. Het personage heeft dat zelf niet door, omdat die iets anders ziet gebeuren, of anders naar de situatie kijkt. ‘Maar wáárom dan?’ is wat het publiek geïnvesteerd houdt.
Jury #3 zou bijvoorbeeld kunnen denken: het gaat er mij niet om dat ik boos moet zijn, het gaat er mij om dat mijn gezag geldt, want daar hecht ik waarde aan. Dat boos zijn heeft daarvoor altijd gewerkt, dus dat heb ik tot mijn emotionele schild gemaakt.
Als er dan een moment komt waarop dat niet meer werkt, een personage dat te laat inziet en dus langzaam maar zeker het eigen graf delft, vraagt een toekijker zich af wat er nog meer komt, achter zit of gaat gebeuren: pageturner gegarandeerd.

Zoeken naar de ultieme trigger

Een ultieme trigger dwingt je personage tot uiteindelijke overgave. Wat dat is lees je in je personagebiografie. Geef het vorm alsof het een verhaalthema is: een en hetzelfde gegeven dat je op meerdere manieren kan verpakken. Als afbrokkelen van het gezag de ultieme trigger is, denk dan aan tegenspreken, niet luisteren, onbeleefd antwoord geven of negeren. Zo kan je voldoende variëren met een personage dat steeds opnieuw in de aanval gaat, maar voelt het wat minder alsof die steeds om hetzelfde (kleine) ding het hoofd stoot. Geef ondertussen ook hints naar de kern van het probleem, in plot taalgebruik, of sfeeromschrijvingen. Als de trigger dan maar blijft komen en de aanvalstactiek niet verandert, kost dat je personage vroeg of laat de kop. Tot dat moment aanbreekt of op het moment zelf kan je hints geven naar wat het eigenlijke probleem precies is om het verhaal spannend te houden.

Foto door Dmytro Tolokonov via Unsplash.

Wat is een realistische dialoog?

Een dialoog schrijven waarbij het lijkt alsof de personages van vlees en bloed zijn. Het klinkt als iets wat niet moeilijk is, maar er zit een zekere paradox in het begrip ‘realistisch’ zodra het om dialogen gaat. Wat realistisch is voor mensen en voor personages scheelt meer van elkaar dan je misschien zou denken.

Mensen: tja, dus…Eh, lekker weertje, hè?

Tenzij mensen een toespraak voorbereiden, zijn we niet zulke vlotte praters als we denken, als het om grammatica of het onderwerp gaat. In onze gesprekken hoor je eindeloze ‘uh’tjes, stopwoordjes en de onderwerpen zijn vrij vaak nogal eenvoudig. Of we praten relatief veel van hak op de tak.  Schrijf maar eens een gesprek van tien minuten extreem precies uit, dus inclusief alle ‘zeg maar’ ‘uhm’ en grammaticale fouten. Je zal merken dat zelfs iemand die iets interessants vertelt, echt niet zo vloeiend praat als het lijkt…

En dan heb je nog de ‘hoeishetmetjes’ en de ‘lekkerweertjevandaags.’ Beleefdheidszinnetjes die zelfs in het echte leven geen oprecht antwoord verwachten of die het ijs willen breken, maar verder nietszeggend zijn.  

Denk eens aan het verhaaltempo als je je door zes van zulke bladzijdes heen moet worstelen, gewoon om erachter te komen: die zijn verliefd, of proberen een datum te prikken…
Oftewel: neem ‘een realistisch klinkende dialoog’ vooral niet te letterlijk, daar wordt hij alleen maar onleesbaar en traag van.

Personages zijn slimme gedachtelezers

Is het je al eens opgevallen dat personages in een goede dialoog altijd een weerwoord klaar hebben? Soms in de context van een ruzie, maar soms ook gewoon in een vriendschappelijk gesprek. Dat komt omdat geen papier mag  ‘verspillen’ aan de ‘lekkerweertjes’.
 Personages snappen bovendien in zekere zin bijna altijd wat de ander onuitgesproken zegt of voor boodschap heeft. Bijna alsof ze gedachten kunnen lezen. Dit houdt de vaart in een dialoog.

De filmklassieker ‘Jurassic Park’ heeft een scène die dit heel goed laat zien.
Een rijke investeerder heeft door DNA-onderzoek dinosaurussen opnieuw kunnen creëren en heeft daar een attractiepark bij gemaakt: ‘kom naar de dino’s kijken!’ De wetenschappers die bij hem aan tafel zitten vertellen waarom dat dat evolutionair gezien een slecht idee is. Dát zeggen ze hardop. Niet letterlijk, maar nog wel onsubtiel zeggen ze ook: jij bent ontzettend dom bezig. Tussen de regels door en iets subtieler zeggen ze ook: jij hebt een veel te groot ego.

Dat is ook nog duidelijk, maar het feit dat het niet wordt uitgespeld voor de kijker en die boodschap toch overkomt, laat de kwaliteit van de dialoog zien: tussen de regels door wordt er nog extra informatie duidelijk gemaakt. Er zitten meerdere lagen in.   
De personages hebben dat zelf ook in de gaten: O, dus jij noemt me dom en egoïstisch? Hier is een tegenargument: “Wat als ik een met uitsterven bedreigd diersoort zou redden met deze kennis? Daar zou jij als bioloog niets op tegenhebben.” (Lees: alsof ik alleen maar slecht ben! En ook:  jouw argument valt ook in duigen wanneer…)

Personages: vaart met meerdere lagen maakt een dialoog realistisch

In de scène van Jurassic Park leert de kijker met de dialoog ook dat de wetenschappers de natuur hoger in het vaandel hebben staan dan de vooruitgang van de wetenschap. En dat de investeerder liever wegkijkt in plaats van zijn eigen falen toe moet geven.

Een goede dialoog is dan misschien niet realistisch in de letterlijke zin van het woord, maar het voelt wel zo, omdat die nergens stokt en de vaart erin houdt. Met argumenten over en weer, of omdat je als lezer tussen de regels door meer over de personages te weten komt op een manier die niet geknutseld of dramatisch overkomt.

Wil je een dialoog realistisch houden, kijk dan naar meerdere motieven en de snelheid waarin die elkaar opvolgen en laat wat meer los wat iemand letterlijk zou zeggen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Azzadiva Sawungrana on Unsplash.