De observerende schrijver: Ik zie… iets doms

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… iets doms.

Dom versus onhandig

Iedereen heeft talenten en zwakheden. Maar alleen omdat je eindeloos verdwaalt, zelfs met een navigatiesysteem, maakt je niet dom. Dan ben je gewoon erg slecht in navigeren. In dat opzicht kan je alleen dom doen, niet dom zijn. Domme dingen zijn ook acties waarvan iedereen, ongeacht talenten en zwakheden kan zeggen: “Je had beter moeten weten.” of “Dat is gewoon vreselijk onhandig.” In het ergste geval: “Dat slaat gewoon nergens op.”
Denk aan: al append tegen een lantaarnpaal aanlopen, douchen met je kleren nog aan of uren liggen zonnen zonder jezelf in te smeren.

Dan is er nog ‘onhandig’: iets proberen op te lossen op een niet zo efficiënte manier.  Maar dat is niet hetzelfde als dom: iets doms is op voorhand al hopeloos, iets onhandigs betreft de manier wanneer je iets probeert te verhelpen. Dat hoeft niet uit iets doms voort te komen. Denk aan je vastgrijpen aan iets dat loszit op het moment dat je dreigt te vallen. Niet handig, maar het loszittende voorwerp is geen oorzaak van het feit dat je alsnog zal vallen.

Een land vol domme mensen?

Als je in het openbaar mensen observeert, zal je merken dat ze soms onhandig zijn. Tijdens de spits in de trein is het niet handig om je als instapper jezelf al naar binnen te wurmen voordat de uitstappers de trein hebben verlaten. En die mensen die bij het pas bij het afrekenen bedenken dat ze hun portemonnee uit de diepste krochten van  de tas moeten grabbelen… Maar dat zijn dus geen domme, maar eerder onhandige mensen. Als je de volgende keer mensen observeert, let daar dan eens op. Dan zal je ook zien dat als iemand meerdere keren achter elkaar iets onhandigs doet, dat kan resulteren iets doms. Als een soort laatste wanhoopsdaad om die cirkel van wanhoop te doorbreken, gebeurt er dan onbedoeld alsnog.

Voel je je dom?

Als je iets onhandigs doet of onhandig of niet slim overkomt, bereik je daar je gewenste doel niet mee. Dat roept een vervelende emotie op. Denk aan ongeduld, verhoogde stress, woede of machteloosheid. Als die onhandige actie maar vervelend genoeg is en de bijbehorende emotie sterk genoeg, kan je gaan denken dat je dom bent. Schrijf je over een personage dat door anderen dom wordt genoemd of wat in bepaalde situaties altijd erg onhandig is, kijk dan eens of je kan ontdekken welke van deze emoties er meespelen. Hiervoor is het handig om bij meerdere mensen te observeren en te spieken. Valt je het bijvoorbeeld op dat mensen eerder verdrietig worden als ze niet slim genoeg zijn en eerder boos worden als ze voor domme klungel worden uitgemaakt?  Dat maakt een heel groot verschil in hoe ze overkomen en wie ze als persoon zijn.

Volgens het cliché is een dom personage net Goofy: niet al te snugger, maar wel een aandoenlijk iemand die alle zorgen weglacht. Of juist iemand die erg gepest wordt en daardoor terneergeslagen en vriendeloos is. Kijk eens anders naar het woord dom. Als je het kan doen, maar niet kan zijn en je een heel scala aan emoties hebt om uit te putten om een personage mee uit te werken, zullen je personages en daarmee je verhaal een stuk origineler worden.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Will Myers verkregen via Unsplash.

Een dialoog schrijven: start de ruzie

Een van de duidelijkste momenten dat je het verschil ziet tussen echte personen en personages is tijdens een gesprek. Houd je een dialoog waarheidsgetrouw, dan komt alles in je boek tot stilstand. Een dialoog moet juist een element zijn waar er heel veel informatie duidelijk wordt, zodat alles weer vooruit kan, of er dingen ontdekt kunnen worden. En dat bereik je met ruzie.

Het nut van een dialoog vanuit schrijversperspectief

Een lezer kijkt mee in een fictieve wereld door de ogen van personages. Dus als die gedachten verwoorden, is dat een uitstekende manier om meer te weten te komen over hun beleving van de wereld, of om de voortgang van het plot of een verhaalthema verder te kunnen uitdiepen. Ook kun je met een dialoog in het hoofd van je personage duiken en daarmee verborgen motieven blootleggen. Daarmee kan het centraal conflict ook duidelijker worden.

Het nut van een gesprek vanuit personageperspectief

Je personage is een sociaal wezen, net als echte mensen. Daarom zal het met anderen willen praten. Maar bij een dialoog is een grijs gebied te vinden tussen personen en personages. Dat grijze gebied kan je goed onthouden met het zinnetje:

Ik heb iets te vertellen

In het geval van mensen moet je dat letterlijk zien: “ik wil je vertellen over mijn werkdag, hoe vreselijk ik het weer vind, waarom ik dit een geweldig boek vind…”
Bij een personage is dat eerder figuurlijk, zo niet schrijftechnisch: ik heb iets te vertellen over het plot, het verhaalthema, onderlinge relaties tussen personages, enzovoorts.

Daarom kan een mens eindeloos doorkeuvelen over het weer en is dat nooit – of pas na heel lang- vervelend, maar irriteert het bij personages vrijwel onmiddellijk als het om iets eenvoudigs gaat. Het sluit niet aan bij het achterliggende doel van de schrijver om in een dialoog altijd iets meer uit te diepen dan er daadwerkelijk wordt gezegd.

Achterliggende doel van een dialoog: ruziemaken

Een conflict is in een verhaal niet hetzelfde als ruziemaken. Een conflict is waar je held van groeit, een ruzie is die eindeloze: ‘ja maar (jij)…’ in een verbaal gevecht.
Maar op eenzelfde manier is een dialoog ook altijd een ruzie, zonder dat er meteen vazen sneuvelen of stemmen verheven worden.

In een dialoog betekent ruzie dat er altijd sprake is van aanvallen (‘ja, en [wat ik zeg klopt ook] ..’) of verdedigen ‘nee, want…[hier heb jij niet aan gedacht]’. Net als bij het verschil tussen ruzie en conflict in de narratieve zin is aanvallen en verdedigen en de bijbehorende ‘ja maar’ en ‘nee want’ niet letterlijk. Zie het meer als een ‘aanvulling’ op hetgeen wat de ander net heeft gezegd. En ja, soms is dat inderdaad ruziën of discussiëren, maar het kan net zo goed een lieflijk gesprek tussen een moeder en kind zijn:
“Wat was het leuk in de dierentuin vandaag!”
“De leeuw had zulke grote tanden, hè, mama?” (Ja, het was leuk en [de leeuw was het indrukwekkendst])
“Daar kon hij een zebra mee opeten!”
“De leeuw zat zo mooi op de rots te brullen” (Nee de leeuw eet geen zebra op, want [de leeuw was te druk met brullen op de rots])” Wat ook kan: (“Ja en [ik kon bij het brullen zijn grote tanden zien waarmee hij die zebra op kon eten]).

Afhankelijk van hoe moeder dit interpreteert, kan dit gesprek verdergaan:

Hoort ze vooral de nee, dan zegt ze misschien: “Hoe hard denk je dat een leeuw kan brullen?” Hoort ze de ja, dan vraagt ze: “Zou je dat zielig vinden, als de leeuw de zebra op zou eten?” om het gesprek verder op gang te houden.

Een echte discussie in een dialoog

Natuurlijk wordt er ook wel eens echt gediscussieerd in een dialoog. Dan is het zaak dat je binnen de regel van ‘ja en’ ‘nee, want’ uiteenzet waarom personages vinden wat ze vinden. In een echte discussie is er niets zo vervelend als het argument: omdat ik dat vind. In een boek is die irritatie nog drie keer groter, omdat het verder geen inzicht geeft in wat personages denken, waarom ze dat denken en het het verdere plot ook niet vooruit helpt. Dialogen zijn bij uitstek momenten waarop je kan zaaien en oogsten. Denk aan de echtelijke ruzie over de afwas. Dat gaat echt niet meer over de vuile vaat als het argument valt: ik doe het hele huishouden altijd, en jij doet nooit wat (nee, ik ben geen nutteloze partner [want ik ben hier degene die altijd alles regelt]) (Ja, jij bent wel de schuldige [en jij bent degene die alles fout doet])

Altijd meer zeggen dan er gezegd wordt

Op die manier moet er in een dialoog altijd meer bedoeld worden dan er eigenlijk gezegd wordt. Zodat je later in het plot kan zeggen: en daarom ging Karin vreemd met Gerard, omdat híj wel eens iets regelde in het huishouden. Een belangrijk plotpunt, waar het hele verhaal naartoe liep door middel van een goede expositie in een dialoog verstopt. Terug naar het idee dat:
“Lekker weertje!’
” Ja, lekker weertje, hè?
in een boek zelden tot nooit werkt in een dialoog. De oorzaak daarvan is dat er niet meer wordt bedoeld dan de ‘mededeling’ dat het lekker weer is. Het geeft geen verdere inkijk in het hoofd van het personage, het is geen zaaien en oogsten in een plot. dat tot uiting kan komen.. Dat wil niet zeggen dat je daar niets mee kán.
Soms is het zo simpel als veranderen naar: “alweer die stomme regen, nu kan ik alweer niet gaan fietsen…” [nee, ik ben hier niet blij mee, want nu zie ik mijn fietsmaatjes alweer niet…]

Als je er dan nog voor zorgt dat je wat kleine, persoonlijke maniertjes van personages en algehele sfeeromschrijving aan toevoegt is je dialoog al snel vlot en levendig. Voeg daarbij nog de regel van actie en reactie toe en je dialoog spat van de pagina’s af.

Foto door Daniel Lonn on Unsplash.
Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching. Meer weten over het schrijven van een dialoog? Je kan ook mijn cursus volgen.

De observerende schrijver: Ik zie… een verlaten huis

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… een verlaten huis. 

De trope van het verlaten huis

Een verlaten huis is een dankbaar inspiratiemiddel in schrijversland. Hoe vaak was dat in romantische verhalen al de uitvalsbasis voor de eerste nacht samen van verboden liefdes? En het lijkt bijna wettelijk vastgelegd dat in horrorverhalen dáár alle ellende plaatsvindt.
Deze trope van het verhalen huis is zo sterk dat je als schrijver bijna niet anders kan dan het verlaten huis als decor voor een van deze verhalen zien.

Het voordeel van het verlaten huis als trope

Het voordeel van het verlaten huis – of een andere trope die net zulke sterke associaties heeft – is dat je als vanzelf verder gaat denken dan wat je feitelijk ziet. Dat kan in plaats van een enkele opmerking meteen een compleet verhaal opleveren. Als je een horrorverhaal schrijft en je het huis ziet staan, denk je niet meer na of daar iets gruwelijks gaat gebeuren, dat spreekt dan voor zich. In plaats daarvan kan je je wat meer op de unieke details concentreren. Die dichtgespijkerde ramen, bijvoorbeeld: hoeveel ruimte zit daartussen? Kunnen daar alleen knaagdieren tussendoor kruipen, of kan een kind zich daar (met wat moeite) ook tussendoor wringen?  Dat verschil levert heel andere verhalen op.

Het nadeel van het verlaten huis als trope

Het nadeel van zo’n kant-en-klare ‘observatietrope’ is precies de andere kant van de medaille: je ziet gewoon niets anders meer dan dat huis waar verliefde stelletjes, of moordenaars met de kettingzaag zich verschuilen. Observeren is in dit geval niet veel anders dan wanneer de trope in je voordeel werkt: zoek naar details. Maar in dit geval zoek je details die niet bij het clichébeeld van de trope aansluiten. Het verlaten huis dat je voor je ziet, is waarschijnlijk een krakkemikkige bouwval die bestaat uit rottend hout. Dat verlaten huis of winkelpand dat je in je dorp of stad ziet, zal er niet zó erg aan toe zijn. Misschien is het nog maar net leeg en verkeert het in zeer goede staat. Als er geen kapotgeslagen ruiten zijn, waaraan zie je dan wel dat het huis wat langer leegstaat? Komt er al wekenlang niemand binnen? Zie je een laagje stof op de vensterbank?
Probeer zo te ontdekken wat je daadwerkelijk ziet, in plaats van wat je meteen voor een verhaal kan of moet gebruiken.

Wat voor details schrijf je op bij een observatietrope?

Zoals altijd bij observeren kan je ook bij een observatietrope noteren wat je opvalt. Maar omdat je net iets meer moet nadenken waaróm je iets opmerkt – vanuit automatisme of omdat je juist wat meer nadenkt –  is het verstandig om ook op te schrijven hoe je tot die observatie bent gekomen. Schrijf bijvoorbeeld op: ‘dit verlaten huis had een hele mooie gevelversiering. Hij was bovendien ook nog erg goed onderhouden. Hoewel het huis verlaten was en het daardoor een wat trieste aanblik gaf, had de gevelversiering de indruk kunnen geven dat er nog altijd een welgestelde familie woont.’

Op deze manier kan je iets van een algemene trope en een realistisch en bruikbaar detail combineren tot een uniek geheel. Dat vormt vast en zeker een mooie basis voor een decor in je verhaal!

Dit bericht verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jonathan Lowe verkregen via Unsplash

Een anekdote interessant schrijven: de duimpjesjager

Soms heb je geen compleet verhaal, maar slechts een leuke anekdote om te schrijven. Hoe doe je dat zonder je verhaal compleet op te blazen?

Internetforum Readers

Welkom op Readers, het fictieve internetforum van verhaalentaal.blog! Op dit forum delen mensen hun persoonlijke verhalen naar aanleiding van een vraag, zoals: Obers: wat is het gekste gesprek dat je hoorde terwijl je mensen bediende?
Mensen kunnen op elkaars posts reageren, en elkaar duimpjes omhoog en omlaag geven. Bij honderd duimpjes omhoog krijgt de schrijver een sterretje en een speciale melding: hoera, je post is populair!
Niet iedereen houdt zich aan de waarheid, maar soms krijg je alsnog gekke verhalen, want soms klopt het cliché: dit moet waargebeurd zijn, want dit krijg je niet verzonnen. De opdracht voor jou, nieuw forumlid: zorg dat je veel duimpjes of de felbegeerde ster krijgt, zonder het verhaal aan te dikken.

Start met de setting van het verhaal

Er is een reden dat ‘Er was eens, in een land hier ver vandaan…’ al eeuwenlang werkt als verhaalintroductie. Je weet over wie het gaat en waar en wanneer het verhaal zich afspeelt. Als je dat overslaat, kan je de verbeeldingskracht van de lezer niet aan de slag gaan en blijft je verhaal een opsomming van feiten.
Beginnen met: ik werkte in een all-you-can-eat sushirestaurant en er kwamen twee graatmagere klanten binnen is al voldoende. De verbeelding kan nu invullen dat er sushi op de borden van de klanten ligt, en geen nachos. Ook geef je al aan dat het over magere klanten gaat die kunnen eten zoveel ze willen. Gaan ze zich dan inderdaad volproppen? Of zijn deze mensen die zo te zien weinig eten al verzadigd na zes stukjes sushi en blijven ze de rest van de avond kletsen? Het kan allebei. Hoeveel iemand eet op zichzelf is niet echt interessant, maar iets is beter dan niets en het helpt de verbeelding of fantasie mee aan het werk te zetten.

Wat valt op?

Je brein pikt eindeloos veel informatie op een dag op. Slechts een deel daarvan bereikt je bewustzijn. Zo merk je bijvoorbeeld niet hoe je brein opdracht geeft aan je bloedbaan om te blijven stromen. En sluit je ook je oren vanzelf af voor vertrouwd, eenzijdig omgevingsgeluid. Dan blijven er nog de indrukken achter die je wel opmerkt, maar die je negeert. Als je door de winkelstraat loopt, ga je niet ieder gezicht onthouden of uitgebreid bestuderen.
Als er dus iets echt opvalt, is dat een aanleiding dat daar je anekdote over kan gaan. Schrijf dus ook waarom het zo opvalt. Twee magere klanten in een restaurant? Nou en? Op dit punt is de vraag: ‘veel of weinig eetlust’ niet genoeg: je moet toewerken van feit naar verhaal. Maar je hebt wel genoemd dat deze klanten mager zijn, dus dan verwacht de lezer dat dáár iets geks mee gebeurd. Werk dus net iets meer uit waarom het postuur van deze mensen zo opvalt, als je als ober talloze mensen met een soortgelijk postuur op een dag ziet. Deze klanten waren graatmager en grauw in het gezicht, alsof ze al tijden niet goed gegeten hadden en elk moment konden flauwvallen van de honger.

Het personage als getuige

Het personage dat de anekdote ziet gebeuren, heeft op dit moment verwachtingen of een zekere hoop. Dat is het moment in een anekdote waar je in het hoofd van het personage duikt en echt mee gaat leven. Dit vormt het kloppend hart van ieder verhaal: het moment waar je empathie op kan roepen. Dat is de eerste aanzet voor de rest van je anekdote. Als je empathie opgeroepen hebt, heb je de lezer te pakken.
Vooral de langste van de twee leek echt ondervoed. Ik had echt de neiging om meteen wat gefrituurde kip op tafel neer te zetten, zodat ze wat konden aansterken.
Je hebt nu personages die iets noemenswaardigs gaan beleven – anders waren ze niet opgemerkt of genoemd- en een personage en daarmee een lezer die op een zekere afloop hopen. Dan is het tijd voor de ‘ en toen en toen’ test.

Van het ene denkwaardige moment naar het andere

Met de ‘en toen en toen’- test kan je de rest van een anekdote vullen, zonder dat die gaat vervelen. Het spreek meestal wel voor zich wat voor gebeurtenissen zich lenen voor de invulling van de anedokte. Het is sowieso datgene wat de gebeurtenis opmerkelijk maakte, en dat staat zelden op zichzelf. Momenten vallen niet uit de lucht: er is altijd een actie-reactie. Als iemand een huwelijksaanzoek in het openbaar doet, dan gaat diegene zelden meteen op de knieën: er zal misschien nog een bepaalde aankleding komen, of een zichtbare reactie. Denk aan restaurantpersoneel dat een taartje met een bruidspaarfoto erop naar de tafel brengt, de aanzoeker die nog even zenuwachtig met de voeten schuifelt voor hij op de knieën gaat… Zo kan je het hele verhaal van de anekdote uitwerken. Wissel gebeurtenissen af met de gedachten van je personage en houdt het geleerde in het achterhoofd, dan krijg je iets als:

Dat hoefde niet; voordat ik naar de tafel kon lopen, werd er al door de zaak geschreeuwd: “geef maar gewoon veel, verras ons!” Ik wist niet of ik zomaar wat op tafel mocht zetten, dus ik ging naar ze toe. Een potje iene-miene-mutte later koos het paar blind meteen tien gerechten per persoon uit. Ik vond het apart dat ze inderdaad zoveel wilden eten als ik dacht dat ze moesten doen. Maar ze aten alles op en bestelden nog eens vijf kleine porties.

Sluit af met een conclusie

Een anekdote werkt goed als je afsluit met een conclusie die verklaart waarom je het de moeite vond om deze anekdote te vertellen. Ik heb nog nooit iemand met zo veel gemak zo veel zien eten. Het personeel noemde hen die dag dan ook de sushismakkers.

Dit zou je de basis moeten geven voor het behalen van de felbegeerde Readersster ;). Wil je oefenen met het schrijven van een anekdote, gebruik dan gerust de reacties!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door John Schnobrich verkregen via Unsplash.




De observerende schrijver: Ik zie… iets walgelijks

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… iets walgelijks. 

Wat voor walgelijks?

Walgelijk is een woord dat je in meerdere contexten kan gebruiken, maar dat per context erg anders is. Walgelijk eten is bijvoorbeeld voedsel waarvan je over je nek gaat. Die actie is toch weer net iets anders dan walgen bij het zien van een vreselijke (ongepaste) kledingstijl. Om nog maar te zwijgen over walgelijke normen en waarden die iemand heeft. Of een walgelijke actie.
Walgelijk is dus een groter begrip dan je in eerste instantie misschien denkt; het gaat verder dan het meer beperkte ‘vies’ of ‘smerig’.

Wat maakt het walgelijk?

Als je opmerkt dat je iets walgelijk vindt, is het belangrijk om te bedenken wat het walgelijk maakt. Om te beginnen kan je daar synoniemen voor gebruiken, om zo categorieën te kunnen maken, bijvoorbeeld:

Vies = niet schoon of lekker
Wansmaak = slechte smaak betreft (kleding)stijl
Afstotelijk = vreselijke moralen
Afgrijselijk = vreselijke daden

Zo heb je al een belangrijk begin gemaakt: niet iedere walging geeft eenzelfde zintuigelijke neiging. Bij een vieze geur knijp je je neus dicht, maar je kijkt weg bij wansmaak. Dat is de volgende stap: schrijf op welke zintuigen er worden betrokken bij iets walgelijks en hoe je die vervolgens probeert te besparen van het walgelijke dat ze registeren.

Niet iedere walging brengt een zintuigelijke reactie met zich mee. Maar je voelt het wel altijd ergens in je lijf. Denk aan rillingen over je rug van kwade verontwaardiging, buikpijn van plaatsvervangende vernedering, enzovoorts. Vergeet ook deze observaties niet als je walging in meer detail op gaat schrijven.

Actie-reactie bij walging

Wat de bron van de walging ook is, de zuivere eerste reactie is altijd hetzelfde: weg ermee! Met dat ziekmakende eten, dat vreselijke gedrag in het openbaar, of de vreselijke politicus die ons land met díe waarden zou representeren… Walging is zodanig heftig dat het altijd een ‘weg-ermee’-reactie met zich meebrengt. Bepaal welk cijfer de walging op een tienpuntenschaal van ‘weg ermee!’ verdient. Soms volstaat iets relatief kleins, de andere keren is de walging groter. Denk aan verschillen als:
“Bah, die politicus en zijn walgelijke kop, ik leg de krant met zijn foto erop weg.” en “Die politicus met zijn walgelijke waarden moet worden afgezet: ik ga demonsteren!” of wegkijken als iemand wordt uitgescholden of juist met de pestkop op de vuist gaan. Er is geen goed en fout hiervoor, dat hangt voornamelijk af van hoe je personage op dat walgelijk iets reageert. Hou wel goed in de gaten dat hoe groter dat cijfer op de tienpuntenschaal wordt, hoe belangrijk die (onderliggende) walging wordt voor het verhaal als geheel. Het zou raar zijn als je de eerdergenoemde demonstrant in een scène laat verschijnen, om dan die walgelijke moralen in de rest van het verhaal op de achtergrond te schuiven. Het is niet uitgesloten dat het onderwerp van de walging een verhaalthema of het centrale conflict vormt als het hoog scoort op een tienpuntenschaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Tom Staziker verkregen via Pixabay.

Empathie verdienen van de lezer: de praktijk

Om een boek mooi te schrijven heb je een goed verhaal nodig. Dat krijg je niet voor elkaar als je geen empathie bij de lezer kan opwekken. Vorige week las je al een inleiding, in deze blogpost kijken we wat je kan toepassen om de empathie van de lezer echt te vangen.

Welke elementen zijn er nodig voor empathie voor een verhaal?

Empathie bij een lezer wekken is lastig en vergt maatwerk. Het is heel anders om empathie te voelen voor een soldaat in een oorlog dan het is om helemaal mee op te kunnen gaan in de blijdschap van een kind. Maar een aantal zaken gelden altijd:

  • De held is altijd moedig: die kan vallen en weer opstaan.
  • Een valse held roept geen empathie, maar antipathie op. .
  • De held is om wat voor reden dan ook de Harry Potter onder de Harry’s.
  • De held laat menselijkheid zien.
  • De verbeeldingskracht van de lezer moet de ruimte krijgen.
  • Het plot mag nooit helemaal stilstaan.

Sommige punten spreken voor zich, andere hebben wat meer uitleg nodig.

De menselijkheid van de held

Om niet zomaar als een personage, maar als echt mens over te komen, moet je personage tekortkomingen en menselijke trekjes en voorkeuren hebben. Dat houdt niet op bij Mary Sue-af zijn of het hebben van iets als een lievelingskostje. Zie het in dit geval eerder als: je personage reageert ook als een mens. Met de actie-reactieregel van een plot, kan je in de val trappen dat je personage altijd meteen met het plot meegaat. Tenzij je personage dom is, want dan is langzamer reageren daar een show don’t tell van. Merk op dat de beredenering van deze laatste zin heel kort door de bocht kan zijn. Het kan inderdaad een show don’t tell betreffen, maar ook een manier om van een personage cartoonesk te maken. Je personages krijgen menselijkheid als ze ook eens aarzelen, iets niet snappen, vastlopen of anderszins afwachtend zijn ten behoeve van een sfeeromschrijving in plaats van een show don’t tell van hun karakter of de voortgang van het plot.

Bedenk ook dat het doel om je personage ‘menselijk’ te maken te ver kan doorslaan in het principe dat het levensecht moet zijn volgens het principe van own voice, of als een representant van een groep – minderheden, mensen uit een ander tijdperk of een bepaalde klasse…. Als het gaat om empathie opwekken moet je niet uitgaan van een personage dat echt lijkt, maar eerder erop mikken dat het echt voelt. Anders gezegd: zoek de gemene deler die we als mensen allemaal hebben en stel kernemotiesliever centraal dan de vraag of je personage realistisch overkomt.

Verbeeldingskracht moet de ruimte krijgen

Als de verbeeldingskracht van de lezer wordt aangesproken, wordt die helemaal in het verhaal meegezogen. Dan leest die gevoelsmatig niet meer, maar ziet die voor het geestesoog een film afspelen en ben jij als schrijver onzichtbaar. Als je empathie wil opwekken, moet je voorkomen dat je door infodump, slechte expositie of geforceerde dialogen alsnog je schrijversgezicht laat zien. Vertrouw erop dat de verbeeldingskracht van je lezer de belangrijkste ‘gaten’ kan vullen.

Vaart in het plot

Je plot heeft gedurende het boek verschillende snelheden. Tijdens een actiescène is die hoog, vlak daarna ligt het tempo lager, om de lezer wat ademruimte te geven. Het is dus niet erg als je plot even wat trager is, maar je lezer moet wel altijd weten wat er op het spel staat. Ook al is het maar in het volgende hoofdstuk. Het is moeilijk duimen voor een verhaal waarin het lijkt alsof de ridder de draak al verslagen heeft en er ook geen tweede draak gaat komen.

Wanneer is er empathie voor je verhaal?

Je kan pas echt empathie bereiken bij de lezer als die helemaal in het verhaal gezogen is of wordt. Daarvoor moet de lezer een glashelder beeld hebben van het personage, centraal conflict, het plot, de wereld waarin het verhaal zich afspeelt, een uitzonderlijke situatie waarin actie-reactie onvermijdelijk is.. Kortom: er is geen enkel element wat op zichzelf gegarandeerd empathie opwekt bij de lezer. Het ligt heel erg aan het verhaal dat je schrijft. De ene keer kan je met een perfecte openingszin al empathie opwekken, waar je dat andere keren gedurende het verhaal, na enkele pagina’s of met een flitsende scène bij de lezer opwekt, om dat niet meer te verliezen. Maar als je een credo wil hebben om in te schatten of je op de goede weg zit, dan is dat dit:

Als je empathie bij de lezer wil opwekken, moet je zorgen dat je pakkend schrijft.

Met ‘pakkend schrijven’ bedoel ik hier niet wat men vaak bedoelt in cursussen zakelijk schrijven: kort en krachtig en met een duidelijke indeling van alinea’s. Met ‘pakken’ bedoel ik hier: zorg dat de lezer iets heeft -een mooie wereld, een interessant personage, een wijze levensles, een vlot plot…- dat maakt dat je lezer het boek (weer) wil pakken en verder willen lezen, of dat willen blijven doen. Zorg voor een en-toen?! -element in je plot, maak je personage interessant genoeg om het verlangen naar een nog verdere kennismaking aan te wakkeren of maak je verhaal(element) zodanig uniek dat de uitwerking an sich al voldoende is om nieuwsgierig naar te blijven. Verwar dit niet meteen met een pageturner, dan maak je het misschien groter dan het hoeft te zijn. Het gaat er bij empathie opwekken bij de lezer niet om dat alles en iedereen in je boek continu vlot en super interessant is. Het is meer zo dat er altijd überhaupt íets interessants moet zijn.
Denk aan het principe van onbekend maakt onbemind. Het omgekeerde daarvan is ook waar. Als er iets bekends is, raak je daar als vanzelf al meer bij betrokken. Tenzij je (heel) slecht schrijft, volgt de empathie van de lezer dan vaak ook.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Christin Hume verkregen via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… mijn personage?

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… mijn personage?

Als je personage al springlevend is voor je geestesoog, kan het zomaar zijn dat je de identieke tweeling plotseling over straat ziet lopen. Dat is een fantastisch gevoel, maar je kan het ook omdraaien: kijk eens of je van iemand op straat je personage aan kan vullen.

Een personage aanvullen

Als je een personage gaat schrijven, weet je er al iets van, in meer of mindere mate. Dat kan heel breed zijn: het is een jonge moeder. Dan weet je natuurlijk dat ze voor een kindje zorgt. Let de volgende keer dat je een vrouw met een kinderwagen ziet op. Wat zie je aan de kinderwagen hangen? Zie de moeder een tas uit de kinderwagen halen? Kijk eens wat er in die tas zit. Poetsdoekjes, knuffels…

Dat zijn de meer algemene observaties. Maar als je iets meer over je personage weet, kan deze figurant op straat je net dat extra zetje geven. Dus je personage is een jonge moeder die dol is op gothicstijl? Als persoon – een levend, echt mens- bestaan die genoeg, ook al zie je ze misschien relatief minder vaak. Daardoor kunnen ze als personages in een boek wat geforceerd overkomen, omdat je  dingen naast elkaar zet die in eerste instantie met elkaar lijken te botsen. Ouderschap staat volgens een archetype voor ‘zacht’ en ‘zorgzaam’ waar gothicstijl voor ‘duister’ en ‘somber’ staat, volgens het stereotype.  

Dan zie je opeens een tienermeisje of jonge vrouw in gothicstijl met een jong kind. Of dat kind nu het hare is, of het buurmeisje of een nichtje.. Kijk eens hoe deze gothicvrouw met het kind omgaat. Kijk niet naar haar kledingstijl, maar naar haar omgang met het kind. Of gewoon naar wat kleine maniertjes die ze heeft. Tikt ze met haar voet als ze in de wachtrij voor een frietje wacht? Bestelt ze een vegetarische burger, toen je dacht dat ze een kroket zou bestellen?

Personages worden levensecht door deze kleine dingetjes. Wees niet bang om dit soort maniertjes, uiterlijkheden, kleine voorkeuren van vreemdelingen te spieken. Het is makkelijk om te denken dat als je personage ‘te grote extremen heeft’ voor een boek.

Is een personage ooit te ‘veel?’

Een personage dat veel kenmerken heeft die je bijzonder of niet gemiddeld zou kunnen noemen, komt in een boek al gauw geforceerd over. Want hoe ga je die zwarte, biseksuele, gehandicapte, mishandelde vrouw met borderline portretteren? Ze heeft als personage zeker bestaansrecht, maar je kan in een verhaal maar een centraal conflict uitwerken. En dan zal óf haar seksualiteit, óf haar handicap óf… centraal staan in het verhaal, anders wordt het een rommeltje. Als je toch een ‘overlap’ hebt van meerdere bijzondere kenmerken die je vanwege het verhaal of het conflict niet kan negeren, let dan heel goed op mensen die iets met je personage gemeen hebben of lijken te hebben. Of gewoon op mensen in  het algemeen. Want die kleine observaties die van personages mensen maken, of andersom, kunnen het verschil maken tussen een personage dat ‘te veel van het goede’ of ‘geforceerd’  overkomt en een personage dat iedereen onthoudt en in het hart sluit.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Andrew Seaman via Unsplash.

Empathie verdienen van de lezer — inleiding

Je lezer gaat pas echt meeleven met het verhaal als je empathie voor een personage voelt. Dat gebeurt op het moment dat alles levensecht wordt. Dat is geen einddoel: het moet eerder in het verhaal gebeuren. Grote, spannende plotpunten hebben pas effect als er empathie is verdiend. Hoe krijg je dat voor elkaar en hoe zorg je ervoor dat je niet te snel op empathie rekent?

Het gaat om déze held — Harry Potter onder de Harry’s

De theorie voor empathie opwekken bij je lezer is simpel: maak het personage/het verhaal zodanig uniek dat het levensecht wordt. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je ervoor zorgen dat je personage/verhaal zich onderscheid van alle anderen. Harry is een goed voorbeeld. Het is een veelvoorkomende, op zichzelf vrij nietszeggende naam. Maar zeg Harry Potter en je hebt miljoenen fans: het gaat om Harry Pótter, niet over Harry Haringhandelaar wiens verhaal je na twee dagen alweer vergeten was omdat het niet bijzonder genoeg was om te onthouden.

Stel je voor dat een alien de aarde bezoekt en bij thuiskomst vertelt over de aardbewoners. “Zeven op de tien mannen leken Harry te heten, dus ik kon ze nauwelijks nog uit elkaar houden. Maar Harry Pótter zal ik niet snel vergeten. Die kon zoveel vertellen. Over magie, zijn doodsvijand, interessante vrienden, de waarde van moed en liefde… Over hem raak ik niet uitgepraat.”

Zorg ervoor dat jouw personage de Harry Potter onder de Harry’s wordt. Je hoeft geen multimiljardair te worden met je nieuwe boek, maar je hebt wel die grote globale ingrediënten nodig die in ieder goed verhaal te vinden zijn: een rijk plot, prettige personages, mooie thema’s, enzovoorts. Als je personage niet aan die basisvoorwaarde voldoet en de alien het überhaupt niet de moeite zou vinden om thuis op de andere planeet over jouw personage te vertellen, of het alweer vergeten zou zijn na een ruimtereis, dan wordt het oproepen van empathie voor je verhaal of personage erg moeilijk, zo niet onmogelijk.

Onmisbaar opschrijfboekje

Het is onmogelijk om Harry Haringhandelaar te transformeren naar Harry Potter zonder een goed uitgewerkte personagebiografie. Of een ‘worldbuildingbiografie’ of al het andere aan verzamelde aantekeningen dat voor jou als schrijver duidelijk maakt waarom jouw wereld, plot, personage of… het verhaal uniek en interessant maken. Pak dus je opschrijfboekje erbij en schrijf tot je vijf pennen compleet hebt leeggeschreven. De ‘extra’ informatie die jij als schrijver hebt, maar niet met je lezer deelt is onmisbaar: het geeft je de mogelijkheid om via een soort show don’t tell je verhaal vorm te geven die daadwerkelijk tot de verbeelding – of in dit geval empathie- spreekt.

Je kan namelijk niet zomaar zeggen dat je personage moedig is. Of letterlijk schrijven: in deze wereld was alles vreugde en liefde. Niet alleen omdat dat te recht voor zijn raap is, vooral omdat het niet geloofwaardig is. Je kan show don’t tell in dit geval zien als een kwestie van: je moet het meerdere keren laten zien voor de lezer je gelooft. Die wil zeker weten dat iets echt zo is, in plaats van dat het toevallig een keer gebeurt.

Neem de koene ridder. Een draak verslaan is niet niks, maar zou hij het nog een keer doen? Misschien deed hij het wel omdat hij het in zijn broek deed bij de gedachte uit zijn dorp verbannen te worden. Dan krijgt die moed een beetje een laffe bijsmaak die niet past bij een dappere held. Dus zet je de ridder aan het werk. Eerst verslaat hij een zwarte draak. Dan een rode. Vervolgens een gele. En een groene. Dat is zoveel van hetzelfde dat het eerder lijkt dat de schrijver de lezer ergens van wil overtuigen, in plaats van iets wil bewijzen. Maar dat werkt alleen maar averechts.

Dat is waar je van Harry Haringhandelaar naar Harry Potter kan gaan. Vraag jezelf af: wat doet (of is, of kan, of weet…) de ene Harry wel en de andere Harry niet? Dat onderscheid is waar het begin van een uniek personage ontstaat. Beide Harry’s zijn bijvoorbeeld dapper, maar Harry Haringhandelaar denkt na voor hij zich in de actie stort, waar Harry Potter erg impulsief is. Impulsiviteit is niet vaak een karaktertrek van een personage waar een centraal conflict van valt of staat. Voor het grote geheel is het dus misschien een detail, maar tegelijkertijd is het groot genoeg om op te vallen. Je gaat Harry Haringhandelaar niet onthouden omdat hij blond haar heeft en daarmee scheelt van Harry Potter met zijn zwarte haren. Maar je onthoudt wel hoe Harry Haringhandelaar eerst dagenlang piekert over hoe hij een probleem aan moet pakken, terwijl Harry Potter zo impulsief handelt dat hij zich in levensgevaar brengt, terwijl dat absoluut niet nodig was. Voor mensen die Harry Potter in meer detail kennen: naar het departement van mystificatie gaan om Sirius te redden, terwijl hij hem in de tweewegspiegel kon roepen om te kijken waar hij was? Niet echt doordacht… Als Harry toen wat minder impulsief had gereageerd, had zijn peetvader nog geleefd.

Je kan ook duidelijk maken dat Harry Haringhandelaar gehecht is aan zijn rode zakdoek en altijd controleert of hij die zich bij zich heeft als hij het huis verlaat. Soms zijn het niet eens (opvallend) grote dingen die de omstandigheden maken tot iets wat aan kan spreken. Details of de net iets grotere dingen die meer opvallen, maar waar je normaliter niet zomaar bij stilstaat moet je gaan gebruiken om empathie op te wekken. En die verzin je niet zomaar. Of juist wel, maar dan onthoud je er niet genoeg of je onthoud je niet lang genoeg om van al die feitjes een plot of personage te kunnen maken dat uiteindelijk leidt tot empathie.

Je kan deze factoren niet pas verzinnen als je aan het schrijven bent. Zie het ‘gereedschappen smeden voor empathie’ als een afzonderlijke, voor te bereiden klus, net zoals het (globaal) uitschrijven van je plot of het maken van de personagebiografieën. Volgende week meer over dat smeden en de samenhang met andere zaken van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Aarón Blanco Tejedor via Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… rommel

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: Ik zie… rommel.

Rommel, of toch niet?

Dit artikel gaat over voorwerpen waarvan je kan denken: eigenlijk is het gewoon rommel. Maar toch koop je dat object, of je gooit het niet zomaar weg. Het zijn het soort spullen waar winkelketens als de Action en de SoLow hun naam mee maken en veel geld mee verdienen.

Het is veel mensen niet vreemd dat je naar zo’n winkel gaat om een goedkoop collegeblok te halen, om vervolgens met een mandje vol andere spullen thuis te komen. Een mandje vol ‘rommel’.  Maar jíj kwam voor dat collegeblok, iemand anders komt gericht voor iets heel mafs. Een puntenslijper in neusvorm, zodat het lijkt alsof je met een potlood in een neus graaft, bijvoorbeeld. Als zo´n voorwerp er niet was, zou niemand het missen. En toch wordt het gekocht.

De prompt voor deze observatieoefening: maar door wie, en waarom?

Wie wil deze rommel?

Bedenkt als eerst eens wie dit rommelvoorwerp heeft, of zou kopen. Soms is dat overduidelijk: mensen die een vrijgezellenfeest gaan vieren, moeders van de knutselgroep, toeristen… Als je weer eens naar deze winkels gaat, kijk dan eerst naar het voorwerp en bedenk dan wie speciaal daarvoor naar de winkel gaat. Wat is hun ‘collegeblok’?

Er zijn ook mensen die heel gevoelig zijn om die mandjes maar vol goedkope spullen te stoppen, omdat het ‘toch niks kost’.  Maar ook die mensen laten dingen liggen. Je kan dit idee dus ook omdraaien: waarom koopt jouw Kaatje Koopziek wél een eierdopje met ‘blij ei’ erop, ook al houdt ze niet van eieren, maar koopt ze géén paashaasvormige cakevormpjes?

Kijk eens naar de klanten in de winkel. Zie je een stel tienermeiden giechelen bij de extreme verkleedkleren en make-up? Probeer dan eens in te schatten wat ze heerlijk maf vinden en dus kopen, en juist te veel van het goede, waardoor ze het laten liggen? Waar zie je dat aan? Houding? Aan wat ze zeggen?

Waar heb je deze rommel voor nodig?

Bij de creatieve spullen vind je iemand die je meteen als knutselmoeder zou bestempelen. Logisch dat die hier komt: als ze voor de school inkopen moet doen, kan dat hier nog binnen het budget dat ze heeft. Maar dan zie je iemand die overkomt iemand die voor veel geld door bedrijven wordt betaald om weer een beetje pit op de werkvloer te krijgen. Wat doet hij in hemelsnaam bij de neusvormige puntenslijpers?
Die heeft hij nodig voor een oefening out-of-the-box denken als het gaat om hoe iets eruitziet. Of hij wil met maffe spulletjes het innerlijke kind bij de deelnemers losmaken. Dan is die puntenslijper ineens geen rommel meer, al zou je denken dat hij dat wel zo zou zien.

Met andere woorden: ook al is een voorwerp in de winkel objectief gezien misschien rommel, probeer eens een scenario te bedenken waarin dat niet meer zo is.

Wie en wat combineren

Het beste resultaat om je fantasie en observatievermogen te prikkelen krijg je als je het wie en wat combineert. Mix en match waar je kan. Als je dat goed doet kom je een schat aan inspiratie tegen en zal je soms ook merken dat de mogelijkheden niet zo eindeloos zijn als ze lijken.

Kom je zelf niet op het idee van de out-of-the-boxtraining van de teamcoach? Dan wordt het waarschijnlijk lastig om die neusvormige puntenslijper te verantwoorden. Zo leer je dat er dingen zijn die gewoon niet bij je personage, het verhaal of de omstandigheden passen. Dat is belangrijk om te weten en te leren voor het schrijven van een prettig leesbaar verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Şahin Sezer Dinçer verkregen via Unsplash.

Verklaren, niet goedpraten: de schrijftechniek ‘blindstaren’

Van echt verdorven slechteriken moet je de acties niet goedpraten met een tragisch achtergrondverhaal, maar moet je die verklaren. Het vergt maatwerk om dat goed te doen, maar het uitgangspunt van blindstaren helpt je een eind op weg.

Tragisch achtergrondverhaal

Je moet van een antagonist of een echt verdorven personage kunnen verklaren waarom die zo ontzettend slecht is, anders komt het verhaal cartoonesk of ongeloofwaardig over. Maar dat verklaren moet geen goedpraten worden, want dan krijg je het tragische achtergrondverhaal: omdat iemand vroeger is mishandeld, mag dat ook bij diens kind gebeuren. Natuurlijk niet! Maar als dat wel oorzaak en gevolg is, dan kan je dat ook niet helemaal wegstoppen. Anders ontdekt de lezer nooit een belangrijk feit van deze mishandelende ouder. Om dat alsnog goed te laten verlopen, kan je onthouden dat deze ouder zich moet blindstaren.

Casus: Die Wannsee Konferenz

Die Wannsee Konferenz is een film gebaseerd op de vergadering in de Tweede Wereldoorlog waarin werd besloten dat voor de genocide van de joden gas moest worden ingezet. Het is dan 1942, dus de propaganda van de SS heeft al duidelijk effect gehad. Van de officieren die hier een vinger in de pap hebben, hoef je geen spatje humaniteit te verwachten. Tenminste, dat verwacht je. Het misselijkmakende is dat alles wat in die vergadering besproken wordt – hoe en hoe snel joden gedeporteerd moeten worden, hoe ze vermoord moeten worden, welke rechten ze hoe lang nog mogen houden- vanuit het oogpunt van de SS oprechte humaniteit betreft. Uiteraard gold dat alleen voor Arische mensen, maar daar zit de perverse crux.
De Duitse soldaten raakten getraumatiseerd of aan de drank vanwege het zien van de de torenhoge stapels lijken, het doodschieten van kinderen en het gegil en de doodsangst van degenen die ze doden moesten. Daarom was vergassen een uitkomst, omdat zo ieder menselijk contact werd weggenomen en dus ook de oorzaak van de trauma’s. Dus was de SS er niet op uit om met vergassen gemeen te zijn, maar juist efficiënt en humaan.

Ik word misselijk van het typen van die laatste regels. Niet prettig, maar dat is wel een teken van verklaren versus goedpraten. Bij verklaren word je als schrijver niet goed van je eigen tekst, maar zie je de feiten onder ogen, ook al wilde je dat het anders was. Merk je dat je iets schrijft in een stijl die empathie of medelijden opwekt of dat moet doen, dan gaat je tekst al richting goedpraten. Dat doen de mannen zelf uiteindelijk wel, als het besluit is genomen: “Als dit de bloedbaden van het schieten wegneemt en onze mannen worden gespaard dan is dat een grote opluchting. Te weten dat we alles gedaan hebben dat menselijkerwijs nodig is.”

(Dit is een goede, maar géén prettige film…)

In een andere scène wordt er besproken welke joden voor de eerste deporaties in aanmerking komen. Zijn dat naast volbloed joden ook halfjoden, kwartjoden…? Dan komt een casus ter sprake:

“Een halfjood heeft een duitse vrouw en kinderen en wordt niet geëvacueerd, maar zijn broer zonder vrouw en kinderen volgens dit voorstel wel. Hoe legt u dat aan de familie uit? Aan de árische familie, de árische schoonzus, begrijpt u mij, collega? We kunnen niet kwartjoden als duitsers behandelen, maar tegelijk hun half joodse familie evacueren.”
“Begrijp ik u nu goed? Heeft u medelijden met joden?”
“Zeer zeker niet! Maar dit zou voor onrust zorgen en de Führer heeft overduidelijk gezegd dat dat koste wat kost vermeden moet worden.”

Waar je even een sprankje hoop kón hebben dat er nog iets humaans te bespeuren was bij een van deze mannen, blijkt het gewoon om ‘Befehl ist Befehl’ te gaan. Niets verzachtends, maar de keiharde waarheid. Daarover later meer.

Blindstaren als schrijftechniek: blind & staren

Ter verduidelijking van de verdere uitleg wat ontleding:
Blind zijn: je ziet iets gewoonweg niet meer, ook al speelt het zich voor je neus af, of is er bewijs te over voor een tegenargument.
Staren: naar iets kijken en alleen dáár naar kijken: een hyperfocus op een ding, waardoor al het andere geen aandacht meer krijgt.
Blindstaren: iets niets meer beseffen, omdat je een specifiek iets niet meer opmerkt of wegwuift én het andere alle mogelijke aandacht krijgt, terwijl die juist (óók) ergens anders naartoe hoort te gaan.

In het voorbeeld van Die Wannsee Konferenz is men dus blind voor (de gruwel van) genocide, omdat er gestaard wordt naar het probleem van getraumatiseerde Duitse soldaten. Het resultaat: blindstaren op het feit dat genocide hoe dan ook inhumaan en afschuwelijk is.
Het sommetje van blind + staren = blindstaren is een handig middel om na te gaan hoe iets heeft kunnen gebeuren. Het helpt ook om af te bakenen waar de oorzaken echt liggen en wanneer je richting goedpraten gaat. .
Zo zegt een van de officieren: “Het moet ook efficiënter omdat elf miljoen kogels veel te kostbaar zijn in oorlogstijd.” Vanuit de gestoorde waarheid van de SS gezien klopt dat wel, maar dat is alweer goedpraten. Als je het op het kogeltekort gaat gooien, heb je het over de militaire strategie. Dat laatste is een voorbeeld van blindheid die tot blindstaren leidt. Want het probleem is natuurlijk niet dat er te veel joden zíjn, het probleem is dat de SS ze dood wil hebben.

Als je wil verklaren, niet goedpraten, moet je het juist hebben over datgene wat zoveel pijn doet om üperhaupt te benoemen. Goedpraten is in wezen dus eigenlijk om de hete, pijnlijke brei heen draaien om de pijn die bij iets gruwelijks komt kijken, niet onder ogen te hoeven zien. Merk je dat je (te) graag wil dat :
– er verzachtende omstandigheden in het spel zijn
– de lezer wordt gespaard
– iets afschuwelijks een hoger of beter doel dient
– het verdorven gegeven een ‘aanloop’ is naar iets waardoor het uiteindelijk nog goedkomt

vul de som blind+ staren = blindstaren dan nog eens in met jouw verhaalelementen. Dan zie waarschijnlijk dat het kiezen of delen is als je een tragisch achtergrondverhaal wil voorkomen als er een zeer pijnlijke geschiedenis speelt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Karsten Winegeart via Unsplash.