Dobbelstenen: schrijfprompt en anti-writersblock

Een schrijfprompt is een zinnetje, woord of gegeven dat je hoort te inspireren of een idee kan geven om ergens over te schrijven. Dobbelstenen zijn daar een goed middel voor. Ze geven je namelijk veel meer ideeën dan het aantal zijden die een dobbelsteen heeft.

Hoe werk je als schrijver met dobbelstenen?

Ik kwam de dobbelstenen als schrijfprompt voor het eerst tegen toen ik nog logopediste was. De praktijk waar ik werkte had story cubes. Dat zijn dobbelstenen met plaatjes. Je rolt de dobbelstenen, legt ze in een volgorde en gaat dan een verhaal maken aan de hand van de plaatjes die je ziet. Een beetje alsof je een stripverhaal moet bedenken. Een uitgebreidere uitleg vind je hier.

Zelf dobbelstenen maken

Je kan de story cubes kopen om je op weg te helpen, maar dat vind ik persoonlijk niet nodig en bovendien ook een beetje te makkelijk 😉
Schrijf zelf ideeën op, geef ze een nummer en rol een dobbelsteen. Op deze website kan je een of meerdere digitale dobbelstenen rollen. Onder het kopje non conventional dice roller kan je elk gewenst getal invullen, zodat je je niet hoeft te laten beperken door de zes zijden van een traditionele dobbelsteen.

Hoeveel dobbelstenen heb je nodig om een verhaal te maken?

Om een verhaal te kunnen maken, heb je minstens drie dobbelstenen nodig, voor het begin, midden en einde van een verhaal.
1: er was eens (een kikker)
2 toen (vond een vriendje)
3 einde. (nu is hij blij)

Of zoals de story cubes het aanpakken:
1) brief (er was een mysterieuze brief)
2) alienhoofd (die van een alien zou zijn)
3) smiley (maar dat bleek een grap)

Als je een uitgebreidere schrijfprompt wil, heb je meer dobbelstenen nodig. Een limiet van aantallen is er niet, maar houd wel de volgende regel aan: voor iedere extra dobbelsteen gebruik je een voegwoord om alles aan elkaar te breien.
Denk aan:
* maar (toen../ dan…)
* want
* terwijl
* omdat

Stel dat je één dobbelsteen wil toevoegen aan het voorbeeldje van de storycubes. Je houdt in gedachten dat het woord ‘maar’ de vierde dobbelsteen vormt en je krijgt:
4) krant (maar toen verscheen een foto van een UFO in de krant)

Wat zet je op de dobbelstenen?

Je kan alles wat je maar wil op de dobbelstenen zetten, zoals woorden of afgebakende begrippen/onderwerpen. Die kan je weer onderverdelen in categorieën zoals:
* beroepen
* karaktereigenschappen
* nare gebeurtenissen
* plaatsen

en allerlei andere dingen die onderdeel kunnen zijn van een personagebiografie, verhaalthema, of centraal conflict.

Je kan ook zinnen gebruiken. In dat geval is het handig als je die zinnen per ‘setje’ van dobbelstenen bepaalt. Bijvoorbeeld de eerste voor personage-introductie of plaats, de tweede voor een gebeurtenis en de derde voor een opzet voor een start van een conflict. Dan krijg je een dobbelsteenschema zoals dit:

Cijfer Dobbelsteen 1 Dobbelsteen 2Dobbelsteen 3
1Een schooljufgaat in een sjieke keuken werkendan gaat het stormen
2Een jongetje van zeskomt op de kermismaar heeft geen telefoon
3Een pratende zebramaakt een kampvuuren valt plotseling in slaap
4Een stewardesszit bij de kapperin het buitenland
5Een chemicuskoopt een videospelletjeen verdwaalt onderweg naar huis
6Een groenteboerontvoert een multimiljonairen komt daarmee in de krant

Dat is de basis van het werken met dobbelstenen als schrijfprompt. Maar je kan er nog wat mee.

Dobbelstenen gebruiken bij een writersblock

Soms krijg je een (klein) writersblock omdat je op een obstakel stuit waar je niet op had gerekend. Dan kan je dobbelstenen gebruiken om erachter te komen wat de precieze oorzaak is van de blokkade.
Hiervoor moet je wat geduld hebben; je zal vaak met de dobbelstenen moeten rollen, de dobbelstenen soms moeten herzien en bij sommige uitkomsten veel moeten opschrijven en uitwerken in je opschrijfboekje om tot de nodige conclusies te komen.

Het principe is gebaseerd op het idee dat je soms moet weten wat niet werkt, om zo langzaam maar zeker erachter te komen wat wel werkt. Daar zijn dobbelstenen uitermate geschikt voor, omdat ze door hun willekeurigheid soms bizarre resultaten opleveren. Een casus laat dit het beste zien.
Stel dat je een stelletje maar niet gekoppeld krijgt en je niet weet waarom. Neem dan drie dobbelstenen:
1) personage
2) gegeven
3) omdat/daardoor

Vul hier alleen ‘echte’ gegevens in. Dus: zaken uit de personagebiografie die vaststaan, waar jij wil dat het plot naartoe gaat, of elementen uit het centraal conflict (of die je daar graag in zou willen zien). Dit levert dan het volgende dobbelsteenschema op:

Cijferdobbelsteen 1dobbelsteen 2dobbelsteen 3
1Donald is moe en wil daarom niet uit gaan eten
2Donaldis bluten voelt zich daardoor onzeker
3Donaldweigert zijn/haar ongelijk toe te gevenen geeft daardoor nooit complimentjes
4Katrienis ijdelen is daarom egocentrisch
5Katrien is kieskeurigen heeft daarom geen tijd voor de ander
6Katriendurft niet in het openbaar gezien te wordenen heeft daardoor bindingsangst


Onherroepelijk krijg je een aantal belachelijke resultaten als je dit probeert. Donald is moe en heeft daardoor bindingsangst. Tuurlijk…
Maar iets als Katrien is ijdel en heeft daardoor bindingsangst kan minder vergezocht klinken als het lijkt of is. Wie weet is ze wel bang dat Donald haar verlaat op het moment dat hij haar niet meer mooi vindt. Daar is je aha-momentje!
Stel, je rolt: Donald is kieskeurig en wil daarom niet uit gaan eten. Je denkt: dat is meer iets voor Katrien, want die wil altijd bij de vergulde vork gaan eten. Oordeel niet te snel! Katrien lijkt het kieskeurigste omdat zij altijd luxe uit eten wil gaan, maar zeg tegen Donald dat het etentje meer dan twintig euro gaat kosten en hij zal zich ook twee keer bedenken. Zeg je in eerste instantie “Dat past beter bij het andere personage” bedenk dan vooral waarom je dat denkt voordat je deze optie als onzin bestempelt of het op een ander personage schuift. Je kan zomaar eens op een blinde vlek zijn gestuit…

Foto door Ugo Mendes Donelli op Unsplash.



Een kernemotie centraal stellen in je verhaal: de praktijk

In de vorige blogpost schreef ik een inleiding over het centraal stellen van een kernemotie. In deze blog kijken we hoe en welke emoties je kan onderverdelen, zoals in die blogpost beschreven.

Emoties onderverdelen: even opfrissen

Een korte opfrisser: emoties onderverdelen is het kijken naar welke emotie achter de emotie kan zitten die doorgaans als eerste wordt genoemd of geïdentificeerd. Achter boosheid kan bijvoorbeeld jaloezie schuilen. Ook heb je een persoonlijke belevenis bij emoties en kan je een andere associatie hebben bij de benaming van een emotie.

‘Near ememies’: hoe verschillende emoties hetzelfde kunnen lijken

Near enemies* zijn emoties die op het eerste gezicht hetzelfde lijken. Als je wat beter kijkt, zie je niet alleen dat ze verschillen, maar ook nog eens een totaal andere, vervelende uitwerking op je gevoelens hebben. Een near enemy geeft voorbeelden als:

  • Thijs zegt dat hij tegen Goedele dat hij van haar houdt, maar ondertussen voelt Goedele zich niet geliefd, maar geclaimd. Hier verwart Thijs liefde met overdadige hechting. In plaats van dat hij haar onvoorwaardelijk liefheeft, wil hij continu weten wat ze doet, of bij haar zijn omdat hij bang is haar te verliezen. Maar intussen zegt hij dat hij zoveel tijd met haar door wil brengen omdat hij liefde voor haar voelt.
  • Rani zegt altijd voor Amir klaar te staan, maar hij voelt zich eerder klein dan sterker worden wanneer ze een opbeurde peptalk geeft. Rani toont dan medelijden, waardoor ze -zonder het verkeerd te bedoelen- op Amir neerkijkt en hem zielig vindt. Als ze compassie zou tonen, zou ze inzien dat ze óók wel eens iets niet kan en in dat herkenbare stuk met Amir op mentaal gelijke voet blijven en hem oprecht kunnen aanmoedigen.

Als je een kernemotie centraal wil stellen in een verhaal, moet je het principe van de near ememy begrijpen. Anders kan het zomaar gebeuren dat je op een warme, fijne emotie inzet en je lezers in plaats daarvan met een onbehaaglijk, knagend gevoel je boek dichtslaan. Enkele voorbeelden om je op weg te helpen:

Emotie emotie voelt als/ lijkt te zeggenNear enemy Near enemy voelt als/ lijkt te zeggen
gelijkmoedigheidberusting: “het is goed zo.” / “Het is zoals het is, hoe pijnlijk ook”. onverschilligheidonterecht(!) het gevoel te hebben bestand te zijn tegen nare gevoelens: ´Het boeit/raakt me niet.´ “Wat maakt het uit, alles is toch vergankelijk.” (Zie ook de schrijfoefening: schijnheilige engel)
vriendelijkheidIk doe iets aardigs voor jou omdat ik dat wil en voel me daar goed bijonzelfzuchtigheid Ik doe iets aardigs voor jou omdat ik anders meen tekort te schieten in vrijgevigheid. Onzelfzuchtigheid kan zo opdringerig en uitputtend voelen.
benijdenIk wil wat jij ook wil, maar ik gun dat jij het wel hebt. jaloezieIk wil wat jij wil en ik ben boos dat jij hebt wat ik niet heb. Jaloezie voelt boos, verbitterd, waar bij iemand benijden berusting of zelfs uitgesproken vrolijkheid komt kijken.
Zoals je ziet, gaan near enemies niet alleen op voor emoties, maar ook voor zaken die je misschien eerder als karaktereigenschappen zou omschrijven. Probeer ruim te blijven denken: zolang je met een emotie of karaktereigenschap een emotie ( bij de ander) ontlokt, kan het bruikbaar zijn. Je brengt immers een emotie teweeg bij de lezer, wat de emotionele toon van je verhaal kan bepalen.

Zie je hoe belangrijk het kan zijn om near enemies te herkennen voor het gevoel waarmee je lezer het boek dichtslaat? Je zal maar denken dat je een vriendelijk hoofdpersonage hebt, dat al driehonderd pagina’s onzelfzuchtig blijkt te zijn. In plaats van vrolijk wordt de lezer er misschien eerder moe of zelfs ongeduldig en chagrijnig van…

Persoonlijke beleving bij emoties

Het kan natuurlijk ook dat jij een uniek beeld hebt bij een bepaalde emotie. Als je dan weet wat de near enemy is, kan je veel makkelijker schrijven wat je ècht bedoelt met die emotie, niet wat je (misschien) lijkt te bedoelen. Je krijgt een paar persoonlijke voorbeelden van mij, daarna mag je zelf aan de slag 🙂

Een voorbeeld hoe een ander begrip van een emotie zich vertaalt naar de boekenwereld:
Ik zei eens tegen een vriendin dat ik eens een keer liefdesverhaal zou willen lezen, maar dat nog niet had gevonden. Ze keek me aan alsof ik gek was: de bieb heeft er kasten vol van! Zij dacht dat ik romantische verhalen bedoelde, maar het ging mij om een verhaal waarin liefde aanwezig was – een wederzijds gevoel van vriendschap, respect, vertrouwen en de bereidheid de ander te helpen omwille van de groei van de ander. Dit alles zonder de ander te (ver)oordelen-, maar dan uitgesproken zónder de nadrukkelijke aanwezigheid van verliefdheid, romantische gebaren of seks. (Voor de verandering.)
Toen snapte ze dat die zoektocht ineens een stuk moeilijker was 😉 Wij hadden een andere beleving bij het begrip ‘liefdesverhaal’.

Zo heb ik ook een beeld bij het woord heilzaam en daarbij heeft dat woord ook bijbehorende near enemies, of woorden die qua invulling hetzelfde zouden kunnen lijken, maar dat niet zijn.

Woordassociatie/ persoonlijke definitievoorbeeld
heilzaamhartverwarmend, hoopgevend, soms ook pijnlijk: mensen groeien door liefde dichter tot elkaar, in goede en/ of slechte tijdenEen mantelzorger die het werk vanuit vriendelijkheid en liefde verricht.
geborgengenegenheid en hoop: mensen tonen elkaar liefde, alles is goed (en soms ook onschuldig). Deze geborgenheid komt per -persoonlijke- definitie niet voor in slechte tijden en wordt nooit vergezeld door nare of moeilijke emoties.Een peuter geeft haar laatste stukje taart aan haar huilende jongere broertje.
pluizigiets is lief, zacht, pluizig, onschuldig en allerlei andere soortgelijke dingen die hartverwarmend zouden moeten zijn. Ze liggen er echter zodanig dik en onoprecht bovenop liggen dat ik er onpasselijk van word of met mijn ogen ga rollen. De ‘kawaii-subcultuur‘ in Japan. Vooral als de jonge meiden kawaii met een hoge stem uitspreken en het rekken: kawaiiiiiii
klefklef doet een poging tot heilzaamheid in een liefdevolle situatie, maar voegt daarbij onnodig of een overdosis romance toe aan het verhaal. Daardoor zwakt de oprechte liefde af tot een goedkope, nietszeggende, dertien-in-een-dozijn romance.Heel veel romantische clichés

* Het principe van ‘near enemies’ ken ik van Atlas of the Heart, geschreven door Brene Brown. Daar heb ik ook de voorbeelden uit gehaald. Ik raad je dat boek ten zeerste aan als je het principe van emoties onderverdelen grondiger wil bestuderen.

Foto: Nguyen Thu Hoai op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Een kernemotie centraal stellen in je verhaal — een theoretische inleiding

Er zijn verschillende manieren om de beleving van je verhaal en een goed plotverloop te waarborgen. Een bekende daarvan is het afbakenen van het verhaalthema. Een andere, minder gebruikte manier is om jezelf af te vragen welke kernemotie je verhaal moet oproepen.

Emoties oproepen bij je verhaal

Ieder verhaal heeft momenten van spanning, relatieve rust en belonende onthullingen. Daarbij komen ook verschillende emoties los: verdriet als de held iemand verliest en blijdschap en opluchting als de missie is geslaagd. In dat opzicht is het niet mogelijk om je tot één emotie te beperken die je bij de lezer op wil roepen. Tegelijkertijd heeft ieder verhaal ook een overkoepelende emotie. Zo is het verhaal over een terminale patiënt vooral verdrietig, waar de feelgood vooral blijdschap oplevert.
Als je zo naar emoties kijkt en ze ook preciezer gaat ontleden of onderverdelen, kan je een centrale emotie vinden die de leidraad voor je verhaal vormt, zonder dat je het algemeen houdt of cliché maakt.
Van de tien boeken die je leest en je vrolijk maken, zijn er misschien drie die je hoopvol stemmen. Als je op die manier je boek het specifiekere emotionele label van ‘hoopvol’ mee kan geven in plaats van het meer algemene ‘vrolijk’, dan val je (met je boek) al meer op en zullen meer lezers nieuwsgierig worden naar je verhaal.

De emoties op de gezichten van deze lollige eitjes op de eerste rij zijn ‘basisemoties’. Je ziet echter niet wat er getekend staat op de eitjes op de achterste rij (lees: welke emoties ‘erachter’ zitten.) Als je de moeite doet om dat wel proberen te ontdekken, dan kom je misschien wel iets heel verrassends tegen. Iets wat meer diepgang geeft dan afgaan op wat je op het eerste gezicht ziet. (In dit geval ook letterlijk in het geval van de eitjes op de eerste rij.) Bij het schrijven van je boek kan dat een enorme verrijking zijn voor de invulling van je verhaal.

Foto door Tengyart op Unsplash.

Emoties onderverdelen: psychologisch graven

Je kent het beeld vast wel van de psycholoog die vraagt: “En wat zit er achter de boosheid die je nu voelt en benoemt?”
Je kan inderdaad alleen maar boosheid voelen, maar het is vaak zo dat je denkt dat het boosheid is, maar dat dat slechts het eerste woord is wat in je opkomt. Iets ‘boosheid’ noemen is makkelijker, omdat het moeilijker is om bijvoorbeeld jaloezie emotioneel als zodanig te identificeren. Daarmee wordt het als zodanig benoemen daarvan ook moeilijker. Dat is ook niet zo gek. Het is het verschil tussen: “Ik kan boos worden op mensen die op anderen neerkijken,” waarbij de kous af is en: “Ik ben jaloers op mensen die meer hebben dan ik, want dan voel ik me een mislukkeling, twijfel ik aan mezelf en kan ik boos worden over het onrecht en de machteloosheid die ik voel.” Dat is nu eenmaal veel (meer) om te voelen.
Maar laat dat psychologisch graven niet zomaar links liggen, hoe verleidelijk dat misschien ook is. Sommige nuances of onderliggende emoties lijken nauwelijks anders te zijn, maar hebben belangrijke verschillen.
Neem boosheid en frustratie. Boosheid is heel ‘zuiver’: “Ik word boos als mensen bij oranje licht stoppen, in plaats van doorrijden.” Bij frustratie speelt mee dat jij door omstandigheden die buiten jezelf liggen je iets niet kan bereiken. En inderdaad, je als gevolg daarvan boos wordt: “Doordat die eikel stopt bij het oranje licht, kan ik niet doorrijden en mis ik de start van een belangrijke vergadering.”
In een verhaal is dat op de langere duur een belangrijke verschil: een boos personage klaagt altijd en heeft woede-uitbarstingen. Een gefrustreerd personage geeft altijd anderen de schuld geeft en vindt zichzelf belangrijker dan hij is.

Persoonlijke narratieve beleving bij emoties

Uiteraard wordt niemand blij van verdriet. Maar dat betekent niet dat iedereen op dezelfde manier met iedere emotie omgaat. De een heeft woedebeheersingstraining nodig, waar de ander dat helemaal zen bijna moeiteloos kan wegademen. Bovendien heeft iedereen ook nog eens een ander beeld bij emoties, zeker in de context van verhalen hebt. Zeg ‘liefde’ en het is zeer waarschijnlijk dat dat met een romantisch drama wordt geassocieerd. De een zal juichen: “Yes, lekker zwijmelen,” waar de ander zal zuchten: “O God, daar gaan we weer… Kan diealfaman nou niet eens een keer opkrassen?”
Maar jij bedoelde met liefde die tussen moeder en kind. Je kan dus stellen dat ook jij als schrijver een persoonlijke interpretatie hebt van bepaalde emoties en daarmee ook bij diens nuances. Het is dus des te belangrijker dat je die interpretaties en verschillen goed in kaart brengt. Anders kan je kernemotie als leidraad van je verhaal falen of heel anders uitpakken dan je bedoelde.

Het kiezen van een kernemotie voor de toon van je verhaal is dus niet een klus die één, twee, drie geklaard is. Daarom gaat deze blogpost er verder op in.
Je kan alvast proberen zelfstandig te beginnen. Schrijf op welke emoties je kan benoemen en denk na over welke emoties en bijbehorende nuances daarachter kunnen liggen. Zie je dan een verschil met wat dat met een personage of desfeeromschrijving of de verhaalbeleving doet of kan doen? Heb jij net als in het voorbeeld persoonlijke beelden bij emoties? Waar denk je dan op te moeten letten om dat universeel te kunnen vertalen naar de beleving die je met je boek op wil roepen?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Persoonlijke symboliek in je verhaal gebruiken

Een volle maan voor romantiek en een schedel voor dood en verderf: de meeste symbolen die in verhalen worden gebruikt zijn meestal recht voor zijn raap. Daarom kan het handig zijn om ook eens symboliek te gebruiken waarmee de lezer niet al meteen kan raden wat komen gaat. Daarvoor zijn persoonlijke associaties geschikt. Maar die moet je wel op een goede manier introduceren, wil het allemaal nog een logisch geheel vormen.

Veelgebruikte symbolieken: een scène in het kort

Laten we eerst eens kijken naar een veelgebruikt symboliek om te zien wat die voor associatie met zich meebrengt. Dan weet je wat je mist bij een symboliek dat in beginsel geen overbekende associaties oproept.
De volle maan kan staan voor een romantisch boottochtje. Als vanzelf verwacht je dan ook dat er vooraf een diner bij kaarslicht wordt gehouden dat er tijdens het varen wordt gekust. Met andere woorden: van het een komt het ander. Met slechts een paar woorden zie je al een (korte) scène voor je.

Blanco symbool

Nu gaan we het hebben over de eend. Die staat overduidelijk symbool voor… uh…
Je kan specifieke dingen associëren met deze vogel, zoals zijn typerende gekwaak. Of misschien zie je Donald Duck voor je. Maar het is niet zo dat een eend onomwonden verbonden is met een bepaalde trope of een specifiek genre. Je zou een eend dus als een blanco symbool kunnen zien. Je kan er een symbool van máken, maar dat is het nog niet op zo’n manier als de volle maan of schedels dat zijn. Het staat je vrij om nog helemaal op dit ‘blanco velletje’ te tekenen.
Om het jezelf makkelijk te maken, stel je jezelf eerst de vraag: Ga ik dit symbool uitwerken volgens een verhaalthema of vanuit de persoonlijke beleving van mijn hoofdpersonage?

Werken volgens een verhaalthema

Als je met een symbool werkt en een verhaalthema het uitganspunt vormt, is dat eigenlijk hetzelfde zoals bij de welbekende symbolieken. Je moet alleen andersom gaan denken. In plaats van dat je weet dat je weet dat de volle maan romantiek betekent, moet je nu gaan bepalen waarom de eerdergenoemde eend iets specifieks moet uitdragen. Daarvoor kan je een woordenweb maken Om niet helemaal bij nul te beginnen, zijn mythologieën, sprookjes en droomwoordenboeken een goed startpunt. Ze voorkomen bovendien dat je eindeloos gaat uitweiden wat het symbool al dan niet moet betekenen. Kijk eens naar wat droominfo.nl schrijft over een eend: Eenden zijn veelzijdig in de zin dat ze kunnen lopen, zwemmen en vliegen. Een eend wijst daarom op flexibiliteit en je vermogen om je aan verschillende omstandigheden aan te passen.
Als je in jouw persoonlijke woordenweb ‘vrolijk waggelend’ en ‘gezellige kwaker’ hebt staan, kan je dat combineren tot een manusje-van-alles dat ook veel kletst en een gevoel voor humor heeft. Laat hem ook nog eens eendenoppasser zijn en een eend in details terugkomen als er iets grappigs gebeurt en de situatie flexibiliteit vereist. Dan wordt de eend in dat verhaal net zo symbolisch als de volle maan in een zwijmelverhaal.

Als je weet waarom deze vrolijke Frans zo belangrijk is, kan je met een goede uitwerking ervoor zorgen dat hij het hele verhaal kan dragen.
Foto door Ross Sokolovski op Unsplash.

Symbolen en persoonlijke beleving

Of het nu de jouwe zijn of die van je personage, je kan ook werken met symbolieken die ontstaan vanuit persoonlijke beleving. Dat geeft voorbeelden als:
* Waar iedereen een doodgewoon theelepeltje ziet, zie jij oma voor je die met een diepe frons door haar thee roert.
* Niemand denkt twee keer na bij het zien van een vrachtwagen, behalve dan jouw truckerpersonage: “Morgen weer werken na drie weken vakantie.”.
* Iemand die geen bladmuziek kan lezen, zal niet warm of koud worden van een A4’tje waar een deel van een muziekstuk van John Williams staat uitgeschreven. De Williamsexpert hoort bij het zien van diezelfde bladmuziek echter meteen prachtige muziek in zijn hoofd.

Zegt dit jouw personage alles of niets? Dat antwoord maakt een groot verschil voor de symboliek.

Deze persoonlijke belevingen geven als het goed is een eindeloze stroom aan mogelijkheden en inspiratie. Neem oma. Waarom fronst zij altijd tijdens het theedrinken? Heeft ze een zwaar leven gehad, of is ze erg filosofisch ingesteld tijdens een theepauze? En dat eigenlijke theelepeltje, is daar nog iets speciaals mee? Heeft het een hoge financiële of emotionele waarde? Zo ja, waarom en wat kan je er er vervolgens nog meer over zeggen of bedenken?
Voordat iets van persoonlijke waarde kan worden of persoonlijke symboliek kan krijgen, moet er een persoonlijke geschiedenis of persoonlijke omstandigheden aan te pas komen. Kijk nog maar eens naar het voorbeeld van de trucker. Als zijn beroep niet meespeelde, had hij ook niet opgekeken van de vrachtwagen.

Je kan talloze persoonlijke belevingen bedenken als je je (autobiografische) personage goed kent. Misschien zelfs te veel. Om te bepalen waar je het zoeken moet, kijk je naar de belangrijkste elementen uit de personagebiografie. Vergeet ook niet wat de persoonlijke waarheid van je personage is om te bepalen wat belangrijk kan zijn voor hem of haar.

Persoonlijke symboliek toepassen

Zodra je een voorwerp, dier of symbool hebt gevonden dat past bij de beleving van je personage, kan je ermee gaan werken. Het is belangrijk dat je de geschiedenis van je personage en relevante medepersonages daarbij betrekt. Je kan een keer tussen neus en lippen door vermelden dat oma’s theelepeltje hoge waarde emotionele waarde heeft omdat theedrinken met oma zo belangrijk was voor je personage. Maar dan ben je er nog niet. Maak je klaar voor een show don’t tell parade. Door je verhaal heen moet je keer op keer laten merken waarom überhaupt bij oma zijn -wat resulteert in het meer symbolische theedrinken en het bijbehorende lepeltje- zo belangrijk zijn voor je personage. Beschrijf het fijne karakter van oma, haar talloze attenties en de fijne familieherinneringen.

Creatief met niet-vaststaande symbolieken spelen kan de originaliteit van je verhaal enorm opkrikken. Probeer het eens!


Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage de eindstreep haalt?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage de eindstreep haalt?

Als je boek bijna ten einde is, gaat je personage een bepaalde eindstreep halen. Hoe schrijf je die op zo’n manier dat die een goede laatste indruk achterlaat?

Wrap-up

‘De eindstreep in zicht’ is het moment dat het drie-aktenstructuurschema de wrap-up noemt. Het einde is er bíjna, maar nog niet helemaal. Het duidelijkste voorbeeld van hoe een wrap-up eruitziet, vind je in sprookjes. Het is dat gedeelte net vóór ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.
Nu Assepoester met de prins was getrouwd, hoefde ze nooit meer vervelende klusjes te doen.

Het geeft een indruk hoe het verhaal verdergaat nadat het boek zelf is geëindigd. Want meestal gaat een verhaal nog verder na het einde van het boek: je personage is immers nog niet dood. Maar omdat al het interessante –narratief gezien– al is verteld, ga je niet eindeloos meer doorschrijven over hoe personages door blijven leven.

De toon van je verhaal

Om te zorgen dat je wrap-up aansluit bij de rest van je boek, moet je al over de wrap-up nadenken zodra je begint met het schrijven van je verhaal. De wrap-up bepaalt namelijk voor een groot deel de toon van je verhaal.

Om Assepoester nog maar eens als voorbeeld te nemen:
Stel dat je wrap-up is: voor het altaar werd Assepoester alsnog door haar boze stiefmoeder ontvoerd en was ze gedoemd om een huisslaaf te blijven.
Dat is een hele gure toon. Eentje die helemaal niet aansluit bij een groot deel van het verhaal, waarin hoop hoogtij viert. Het mooie bal, de dans met de prins en de wetenschap dat Assepoester als enige het glazen muiltje zal passen.
Bepaal dus grofweg het einde van je verhaal voor je met schrijven van het verhaal om te voorkomen dat je een anticlimax schrijft of de lezer zich bedonderd voelt.

Zorg voor voldoende en logische afsluiting

Je kan ervoor kiezen om een open einde te schrijven, maar je moet er wel voor zorgen dat je de belangrijkste vragen over de heldenreis van je personage beantwoordt. Als er nog een aantal belangrijke vragen openstaan, is de wrap-up het moment om ze te dichten.
Wees gewaarschuwd: in de loop van je verhaal moet je al wel duidelijke feiten of hints kunnen geven om iets af te sluiten, anders komt de afronding zeer geforceerd over. Dan krijg je een ‘o ja, trouwens’-effect:

  • O ja, trouwens, deze personages waren altijd al verliefd op elkaar;
  • O ja, trouwens, dit deed het personage met oma’s gigantische erfenis;
  • O ja, trouwens, het kwam nog goed met de zieke hond waar mijn personage het hele boek lang voor gezorgd heeft.

Een wrap-up komt dan misschien laat in het verhaal, maar je moet de aanzet ervoor al gedurende het hele verhaal geven.

Dit is het laatste artikel van de ‘Wat als?’-serie. Hopelijk heeft hij veel nieuwe inzichten gegeven!
Volgende week komen alle artikelen nog eens in een overzicht te staan. Daarna start een nieuwe serie. In dit artikel viel de naam drie-aktenstructuurschema al. In de nieuwe serie ‘drie-aktenstructuur’ wordt ieder verhaalelement van dit schema uitgebreid toegelicht!

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Joshua Hoehne op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage arm is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage arm is?

Als een personage arm is, kan dat verlammend zijn. Je personage kan zich ook arm voelen terwijl hij dat niet is. Let dus ook goed op het verschil tussen armoede en ‘je arm voelen’.

Je arm voelen

Als je je arm voelt, heb je niet genoeg geld om iets specifieks te kopen of te kunnen doen. Dan moet je iets opgeven wat je heel graag wil doen of graag wil hebben. Deze definitie kan in de praktijk heel breed zijn. Dat ligt er maar net aan wat je personage gewend is.
“Ik ben arm, want ik kan geen vijftig euro besteden aan een dagje Efteling,” zegt de tiener.
“Ik ben arm, want ik kan niet meer bij Gucci winkelen,” zegt de verwende miljonairsdochter.  
“Ik ben arm, want ik kan geen studie betalen,” zegt de zoon uit een gezin met een laag inkomen.

Je hoeft het als schrijver niet eens te zijn met de persoonlijke definitie van arm die je personage heeft. Maar je moet je beseffen dat dit wel de waarheid van je personage is. En dat het zich dus rot gaat voelen omdat het vanwege geld dingen moet laten. En dat vervelende gevoel of het afzeggen van bepaalde dingen heeft vaak gevolgen voor het plot.  

In armoede leven

Als je in armoede leeft, heb je niet genoeg om iets te betalen dat tot de absolute basisbehoeften behoort. Denk aan eten, medische kosten, de huur, gas, water, licht en een dikke jas voor de winter.
Waar iemand die zich arm voelt geen geld heeft voor iets wat diegene wil hebben, heeft de persoon in armoede geen geld wat hij moet hebben. Een personage in armoede voelt zich rot, moet dingen afzeggen en zit daarbij ook in een extra lastig parket: hij zit vast.

Vast in armoede

Als je personage in armoede leeft, zit die vaak ergens in vast. Als je door een te laag inkomen steeds aan het eind van de maand in de min zit, wordt dat een spiraal. Voor een maand is dat misschien niet zo’n ramp: even rood staan kan meestal wel. Maar als dat steevast het geval is, moet je personage door achterstallige rekeningen ooit gaan kiezen wat het deze maand doet: voldoende eten of toch echt een keer naar de tandarts omdat de kiespijn ondraaglijk wordt? Al snel krijg je een domino-effect van ellende. Let erop dat dat het plot op slot kan zetten, want vroeg of laat is raakt je personage moegestreden. Als het uit zijn huis is gezet omdat hij van de honger het werk niet kon volhouden of door onbehandelde ziekte niet kan werken, is het niet zo simpel om een cirkel van armoede te doorbreken. Onderschat de invloed van armoede niet. Armoede is eerder een thema van een verhaal dan een centraal conflict waar je personage weer bovenop komt.  

Wil je toch dat je personage uit de armoede ontsnapt, dan kan dat natuurlijk. Maar zorg dan dat je personage voldoende helpers en vaardigheden heeft die hem uit de armoede helpen. Anders wordt je verhaal ongeloofwaardig.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Nick Fewings op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage laf is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage laf is?

Een laf personage is ingewikkeld om te schrijven. Niet zozeer omdat angst lastig is om te omschrijven, maar omdat een personage altijd dapper moet zijn. Hij hoeft niet meteen het leger in te durven, maar een totaal gebrek aan moed zet het plot op slot. Iets nieuws proberen of iets tegemoet gaan waarvan je de uitslag niet weet, vergt ook moed. En dat zijn elementen die een verhaal gaande houden. Wat doe je als je personage dat ook eng vindt?

Wanneer is je personage laf?

De een vindt het laf als je geen hond durft te aaien, een ander vindt je een aansteller als je geen motor durft te rijden. Laf is een redelijk subjectief begrip. Maar als het om een personage gaat, kan je het zien als: wanneer je personage iets niet durft te doen wat voor het plot essentieel is en wanneer het antwoord op de bekende vraag: ‘Wat is het ergste wat er kan gebeuren?’ zo goed als ‘niks’ is, en je personage nog steeds voet bij stuk houdt.

De laffe vriend

Ken je die fictieve vriend in een vriendengroep die echt overal de kriebels van krijgt? Zodra die kriebels zo erg worden dat de hoofdpersoon zijn heldenreis ervoor opzij moet zetten om te troosten, schrap je dit personage, of moet je in ieder geval zijn karaktereigenschappen veranderen. Anders schrijf je een subplot wat nergens toe leidt. Een subplot – of een scène – mag per definitie wat meer op de achtergrond spelen dan het hoofdplot. Maar het moet wel iets toevoegen. Iets wat alleen maar vertraagt, vastloopt of vastzet, hoort hoe dan ook niet in een verhaal.

De laffe held

Je hoofdpersonage kan ook laf zijn. Dan moet de lezer weten waarom hij om iets schijnbaar kleins bang wordt. Je ontkomt er niet aan om zijn achtergrondverhaal uit te werken. Van je held verwacht je lezer dat hij dapper is en dat hij hem goed leert kennen. Als hij dan door een relatief onbenullige angst verlamd raakt, kan dat nog steeds interessant zijn. Als je de reden of de uitkomst maar uitschrijft. Dan kan de angst om een schattig katje te aaien ineens logisch lijken. De gewelddadige stiefmoeder bij wie je personage opgroeide, had ook een kitten. Ook nog eens met precies hetzelfde vachtpatroon. Bij de herinneringen aan de stiefmoeder en haar geliefde kitten, rent je personage het liefst weg bij dit andere katje.

Moed als thema

Zodra je hoofdpersonage laf is – of liever gezegd laf lijkt –, ga je dus verklaren waar die angst vandaan komt. Net als bij de laffe vriend moet je opletten dat deze angst niet slechts een opvulling is van papier. Het moet ergens toe dienen. Daarom moet je die angst goed uitwerken en dat kost de nodige woorden. Zo wordt moed al gauw het verhaalthema van een verhaal als dit. Maar dat kan in de voordeel werken: je lezer gaat je held begrijpen en met hem meeleven. Dat hij dan alsnog zijn doel niet altijd kan bereiken, is niet erg. Hij probeert het en dat maakt hem dapper, zoals een held hoort te zijn.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Alexander Krivitskiy op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage onredelijk is?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage onredelijk is?

Je kent haar misschien als Karen: een koppig personage met een zeer kromme beredenering. Een onredelijk personage heeft in diens eigen ogen altijd gelijk, terwijl dat objectief gezien helemaal niet zo is. Hoe schrijf je een personage dat het bloed onder de nagels van zowel de schrijver als de lezer vandaan haalt?

Appels en peren

Een personage als Karen heeft iets geks met de spreekwoordelijke appels en peren. Het vergelijkt ze met elkaar alsof ze hetzelfde zijn, waardoor je een uitspraak krijgt als: “Ik heb het financieel niet slecht, dus mijn familie ook niet.” Zelf is zij getrouwd met een bankdirecteur en zit zus in de bijstand, maar verder…
Of het máákt van de peren appels. Zo kan dit personage doen alsof iets wat heel anders is, niet eens van elkaar verschilt:
“Hoezo krijg ik geen entreekorting en die oudere dame voor mij wel?”
“Omdat zij seniorenkorting krijgt en u halverwege de twintig bent, mevrouw…”
“Maakt niet uit: ik ben ook een betalende bezoeker en die hoor je gelijkwaardig te behandelen. Ik wil ook korting.”

Hoe dan ook kan je stellen dat dit personage een behoorlijk rot fruitmandje heeft.

Wat is het probleem?

Heb jij ook al zin om met dit personage een welles-nietes-discussie aan te gaan? Dat geldt zeker ook voor de medepersonages, maar laat dat niet gebeuren. Het zet je plot namelijk compleet stil. Je moet bij dit personage ervoor zorgen dat de nietes (‘jij hebt ongelijk’) overheerst als onderdeel van een scène of van in het plot als geheel, niet als een afzonderlijke discussie.
Als eerst moet je daarvoor weten in wat voor ‘categorie’ de onredelijkheid valt. Zegt dit personage rare dingen omdat het:

  • racistisch is?
  • geen idee heeft wat voorrechten zijn of welke voorrechten het personage zelf geniet?
  • altijd emoties opkropt en die soms erg onhandig uit?

Je gaat als vanzelf heel anders schrijven als je personage iemand met psychologische problemen blijkt te zijn. Dat is een heel ander verhaal dan dat van een verdorven racist.

Tactische tegenaanval

Iemand die niet voor rede vatbaar is, laat zich niet bewegen. Daarom moeten de medepersonages of het plotverloop een tactische tegenaanval uitvoeren. Zorg ervoor dat het onredelijke personage tegen de lamp loopt. Dat kan in één losse scène, maar ook gedurende de gehele verhaallijn.
Denk aan:

  • De racist wordt gefilmd als hij op zijn slechtst is. Dan kan een medepersonage aangifte doen en de politie regelt de rest.
  • Iemand kropt zijn emoties zo vaak op dat de uitbarstingen die volgen ervoor zorgen dat zijn geliefden van hem weglopen. Dan gaat diegene misschien toch naar de psycholoog om hulp te zoeken.

Kortom: wie niet horen wil, moet maar voelen. Daarin kan je hard naar het onredelijke personage zijn door hem in de cel te laten belanden. Of je zorgt voor een lieve buurvrouw die langzaam maar zeker de zwakke plek van je personage blootlegt en het daarmee een spiegel voorhoudt.
Let op: een personage dat zeer sterk overtuigd is van zijn eigen gelijk is niet gevoelig voor die spreekwoordelijke spiegel op het moment dat het ‘op dreef’ is. Houd die dus voor op een zwak moment, bijvoorbeeld wanneer je personage net iets vervelends te horen heeft gekregen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door freestocks op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Hoe mislukt een heldenreis in een boek?

Als je al wat langer schrijft, weet je al dat het centraal conflict erg belangrijk is. Zoals je misschien ook al weet, hoeft deze heldenreis niet altijd te slagen. Een personage dat de wereldkampioenschappen wedstrijdzwemmen wil winnen, kan al in de voorrondes afvallen. Als het verhaal goed uitwerkt, mislukt de heldenreis daar niet door.
Om te weten wat een heldenreis stevig maakt, kan het handig zijn om in je opschrijfboekje de heldenreis wel te laten mislukken.

Een goede heldenreis: hoe zat het ook alweer?

Lees hier een inleiding over de heldenreis als je een opfrisser nodig hebt. Waar het in deze blogpost om gaat, is dat het bij een goede heldenreis gaat om het vallen en opstaan proces. Dan maakt het niet meer uit of je personage zijn doel bereikt of niet. Als je weet dat het personage naar zijn beste kunnen heeft gehandeld, en met hem mee hebt kunnen leven, dan is het doel van een goede heldenreis vrijwel altijd behaald.

In deze blogpost gaan we kijken hoe een heldenreis kan falen. Of, zo je wil: waarom het verhaal vroegtijdig afloopt omdat je personage simpelweg niet meer verder kan.

Waar kan het misgaan?

Om te weten hoe en wanneer een heldenreis vroegtijdig kan stranden, moet je kijken naar het schema van save the cat. Het bekendste moment waar het verhaal kan mislopen is het moment van de comfortzone. In save the cat staat dat omschreven als ‘second thoughts’. Maar ergens telt dat niet helemaal, omdat de heldenreis dan nog niet begonnen is. Waar het wel fout kan gaan zodra de heldenreis eenmaal begonnen is, is het moment vóór iedere clue. Met name de crisis en de ramp zijn hier uitgesproken momenten voor, omdat dat de allerengste momenten voor je personage zijn.
Maar in feite is ieder moment vóór een clue dat. Kijk nog maar eens goed naar het schema. Zie je dat de clues het symbooltje hebben van een explosie? Dat is niet voor niets. Een clue geeft aan dat er een grote verandering aankomt; iets wat kan of gaat exploderen. Lees: iets wat de wereld op zijn kop zet en niet altijd fijn is voor je personage. Voor het verhaal betekent het dat het een andere weg in slaat.
En hoewel je personage geen inkijk in het script van zijn leven heeft, voelt het ergens meestal wel aan dat er iets belangrijks te gebeuren staat, ook al weet het de uitkomst niet. Denk aan:
* Er staat een belangrijk examen op het programma.
* Politieke spanningen staan op springen, waardoor een oorlog niet ver weg meer is.
* Er is ruzie die uitgepraat moet worden.

Gebruik anticipatie die je personage voelt, altijd in je voordeel.

Hoe dan ook staat er iets te gebeuren. In het geval van een mislukte heldenreis komt je personage niet voor dat moment opdagen. Let op: het komt überhaupt niet opdagen. Dat is iets anders dan de situatie onhandig, gemeen of verkeerd aanpakken. De oorzaak ligt dan in de comfortzone, de grootste angst of de ambitie van je personage.

De comfortzone is te fijn

De comfortzone uitgaan is essentieel voor een goed lopend centraal conflict. Omdat we nu alles omdraaien, moet je gaan kijken wat de comfortzone van je personage maakt. Stel jezelf daarbij de volgende vragen:
* Wat is daadwerkelijk comfortabel voor mijn personage? Hoe kan ik het nog comfortabeler maken?
* Wat hoort mijn personage in het centraal conflict te leren? Geef hem dat nu op een presteerblaadje.
* Wat wil mijn personage? Geef hem dat in overvloed.

Zodra je dit op een rijtje hebt kan je makkelijker zien wat en in welke mate je hiervan iets moet afpakken. Dat maakt duidelijk welke schop onder het achterste je personage nodig heeft om de comfortzone uit te komen.

De grootste angst is te eng

De grootste angst van je personage is een schat aan informatie, maar ook vaak de reden dat je personage blijft vallen en opstaan, ook al is hij uitgeput. Als je een heldenreis wil laten mislukken, doe je het volgende:
* Schakel een magic pixie of Deus ex Machina in, zodat iets of iemand anders de problemen op kan lossen en je personage de angst niet onder ogen hoeft te zien.
Vraag je personage: als jij een Pixie of Deus zou krijgen, hoe zou die er dan uitzien? Dan weet je wat je vooral moet vermijden in je verhaal.
* Je geeft je personage geen ‘angsttraining’. Niemand durft een draak te verslaan als diegene al bang is voor een salamander. Je personage moet in stapjes worden voorbereid de volgende uitdaging aan te kunnen. Zorg ervoor dat je een logisch stappenplan maakt voor de uitdagingen die je personage te wachten staan.
* Je personage kan ook van zichzelf onvermurwbaar of extreem koppig zijn. Het maakt zichzelf wijs dat hij geen fouten maakt of geen angsten heeft. Dat is nooit waar. In dat geval probeert hij iets wanhopig te verbergen en is hij ergens juist doods-en doodsbang voor. Ga in dat geval flink graven in de personagebiografie om erachter te komen wat dat is.

Je personage heeft onvoldoende ambitie

Dit is misschien een open deur, maar je personage moet ergens voor willen vallen en opstaan, anders blijft de comfortzone lonken. Zorg er daarom voor dat het duidelijk is waar je personage zich voor wil inzetten, welk resultaat hij graag wil bereiken. Het is belangrijk dat die ambitie meerdere ‘lagen’ heeft. Als met één actie een ambitie wordt verwezenlijkt, is de heldenreis te simpel. Om niet in de herhaling te vallen (‘Mijn personage moet slagen voor zes verschillende examens om een droomstudie te kunnen doen.’) kan je nog eens goed kijken naar je verhaalthema of gebruik van symboliek. Voor de student is het verhaalthema bijvoorbeeld wijsheid. Dat kan boekenwijsheid zijn, maar zo kan je ook een lastige levenservaring in het spel brengen om wijzer van te worden. Dat helpt dan vervolgens weer om te vallen en op te staan en om je verhaal meer inhoud te geven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Wat als je personage een heilige overtuiging heeft?

Zoveel personages, zoveel uitwerkingen. In de tipreeks ‘Wat als?’ worden er veelvoorkomende scenario’s die personages overkomen onder de loep genomen. Zo leer je een algemeen gegeven uit te werken op een manier die perfect bij jouw unieke personage past. Deze week: wat als je personage een heilige overtuiging heeft?

Schrijven over iemand met een heilige overtuiging is niet makkelijk. Maar het begrijpen van een heilige overtuiging kan je wel veel informatie over je personage geven.

Wat is een heilige overtuiging?

Een personage met een heilige overtuiging zegt een van deze twee dingen:
* Jij moet doen wat ik ook doe, anders zijn de rapen gaar.
* Als jij niet vindt wat ik ook vind, ben je een slecht mens.

Bij het eerste voorbeeld moet je denken aan:
* “Als je je niet bekeert, is je ziel verloren,” zegt de gelovige.
* “Als je niet klimaatbewust handelt, vergaat de wereld straks,” zegt de klimaatactivist.

Dit kunnen nette discussies opleveren, maar dat is niet altijd zo.

Het tweede voorbeeld verloopt nooit fijn. Heftige politieke uitspattingen zijn daar het schoolvoorbeeld van:
“Stem jij links? Luie, waardeloze uitkeringstrekker!”
“Nee jij dan, rechtse stemmer. Laat de armen maar creperen, zodat jij met je economische groei je derde Tesla kan kopen. Narcist!”      

Beide overtuigingen hebben gemeen dat ze trekken en duwen op een manier die een discussie (lees: een verhaal) laat vastlopen. Dus daar moet je iets mee.

Waarom is deze overtuiging er?

Je kan iets vinden, ergens in geloven, of ergens naar handelen. Maar een heilige overtuiging zoals hierboven omschreven, is redelijk heftig. “Ik heb gelijk en de rest van de wereld niet.” Daar zitten onprettige emoties achter. Denk aan: angst, verdriet, boosheid of wanhoop.

Tijd om voor personagepsycholoog te spelen! Wat speelt hier? Het kan van alles en nog wat zijn. Angst voor een hel, wanhoop vanwege een vroegtijdige dood door klimaatverandering, woede dat het personage heeft opgekropt omdat het ooit in de steek is gelaten…
Je moet weten wat hier speelt: een heilige overtuiging heet niet voor niets zo. Als iets heilig is, dan richt je personage zijn hele leven daarop in. Dat heeft gevolgen voor zijn doen en laten in het dagelijks leven. Soms is dat onschuldig, zoals op zondagen altijd naar de kerk gaan. Maar je personage kan uit angst voor de duivel ook nooit risico’s durven nemen. Een heilige overtuiging kan ook leiden tot extremisme (religieus, politiek, of in welke vorm dan ook waar de heilige overtuiging over gaat).

Voor het blok

Als personagepsycholoog van dit personage kan je het voor het blok zetten. Voor deze oefening moet je waarheid en wetenschap even loslaten. Je moet namelijk dingen kunnen zeggen als:
* Er is zojuist wetenschappelijk bewezen dat er geen duivel bestaat.
* Gisteren is een uitvinding gedaan waardoor klimaatverandering binnen een jaar is opgelost.

Dan valt de grond onder de voeten van je personage vandaan. Luister goed naar wat het dan zegt:
“Als dat zo is, dan:
– hoef ik nooit meer bang te zijn;
– moet ik iemand vergeven die ik haat;
– moet ik inzien dat ik me heb gedragen als iemand die ik niet wil zijn.”

Als je personage heeft gesproken, merk je waarschijnlijk op dat je personage:
* uit angst dingen doet of laat;
* vol wrok is en tegen iemand schreeuwt;
* A zegt en B doet.

Je verhindert hiermee niet dat een heilige overtuiging een verhaal of discussie op slot zet kan zetten. Probeer die overtuiging dus minder heilig te maken. Maar als dat (even) niet kan, helpt het begrijpen van de achterliggende oorzaak om je personage wat minder eendimensionaal te maken. Al is het maar alleen voor jou als de schrijver van het verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Thought Catalog op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.