De grootste leugen van je hoofdpersonage

Je plot blijft interessant zolang je personage een conflict heeft. Er is een aantal drijfveren voor een conflict en een daarvan is de leugen die je personage zichzelf vertelt.

Je personage in beweging houden

Het is belangrijk dat je elementen in het verhaal hebt én houdt waardoor je personage in beweging blijft. Je lezer kijkt immers naar je fictieve wereld door de ogen van je hoofdpersonage. Als die dan vervolgens niets doet of alleen maar achterover hoeft te leunen, gebeurt er niets in je plot. Om dat te voorkomen kan je verschillende dingen doen. Je kan gaan puzzelen met het willen en nodig hebben van je personage, of dreigen met de grootste angst van je personage. Maar er is nog een andere manier: je duikt in de grootste leugen die je personage zichzelf vertelt. Het werkt net zo effectief, maar voor deze methode moet je nog meer doen dan in het hoofd van je personage duiken.

Voorbeelden van een leugen van een personage

Als je personage tegen zichzelf liegt, probeert het zichzelf iets wijs te maken. Dat ‘iets’ kan je samenvatten als: iets wat je personage erg graag wil of nodig heeft, wordt door hem of haar afgedaan als iets onbelangrijks, of iets dat helemaal niet nodig is. Dat doet je personage in een poging te pijn te ontlopen die het ontbreken van dat ‘object van verlangen’ met zich meebrengt.
Zodra je personage zegt: “Ach, dat is allemaal zo belangrijk niet.”, “Het interesseerde me toch al nooit.” of vliegensvlug de schouders eronder zet na een traumatische gebeurtenis “omdat het leven nou eenmaal doorgaat”, zonder te treuren of te rouwen, kan je er de donder op zeggen dat dit een zelfvertelde leugen is of gaat worden.
Enkele voorbeelden:

SituatieLeugen Deze pijn wil het personage niet onder ogen zien
Max wilde als kind al dokter worden en is nu uitgeloot voor medicijnen. “Maakt niet uit. Ik kan als advocaat ook geld verdienen, daar hoef ik geen dokter voor te zijn.” Een levenslange droom is in duigen gevallen.
Moeder krijgt een derde achtereenvolgende miskraam.“Dan is het moederschap blijkbaar niet aan mij besteedt. Daar kan ik mee leven.”Ze moet ergens mee leren leven, dit is geen vrijwillige keuze. Het zal nog altijd pijn doen wanneer vriendinnen wel zwanger raken en zij niet. Het verlangen naar het moederschap is niet zomaar verdwenen omdat ze een feit accepteert.
Het onpopulaire meisje is net afgewezen door de stoerste jongen van de school.“Nou en? Ik hoef niet populair te zijn!”Het ging er niet om dat ze populair zou worden, slechts dat ze als eenzame eenling eindelijk eens gezien zou worden.
Het onpopulaire meisje is net afgewezen door de stoerste jongen van de school.“Ik heb hem niet nodig, ik heb mijn familie ook nog.”Ze is afgewezen, en wilde wel degelijk het gevoel hebben romantisch interessant te zijn, terwijl het tegendeel waar lijkt te zijn.

Je ziet bij het onpopulaire meisje dat een personage zichzelf meerdere leugens over dezelfde situatie kan vertellen. Of dat een zelfde situatie bij twee soortgelijke personages (in dit geval twee verschillende onpopulaire meisjes) eenzelfde leugen heel anders uit kan pakken.

Wat vertelt de grootste leugen van het hoofdpersonage jou?

De grootste leugen van je personage betekent niet zozeer dat je personage liegt, maar eerder dat het zichzelf voor de gek houdt. Het is een leugen die hij zichzelf vertelt. Dat onderscheid is belangrijk vanwege twee redenen:

* Het personage liegt tegen zichzelf, dus niet tegen iemand anders. De leugen komt dus niet per se naar buiten.
* Omdat het personage liegt tegen zichzelf omdat hij zichzelf iets wijs wil maken, is hij er niet op uit om anderen te bedriegen. Het is echter niet uitgesloten dat anderen gekwetst worden van door interne leugen van een personage.
Zo kan de eerdergenoemde moeder zich wijsmaken dat ze ‘alleen maar’ blij is voor de vriendin die wel zwanger is. Maar als ze door dat onverwerkte verdriet daardoor onbedoeld afstandelijk wordt naar de aanstaande moeder, is dat voor haar óók niet fijn.

Wat is het nut van de grootste leugen van je personage?

De leugen van je personage is een ideale aanleiding voor een moment van serieuze drama of actie. Het heeft iets belangrijks gemeen met de grootste angst: je personage moet iets onder ogen zien. Het belangrijkste verschil is dat bij de leugen je personage nog in ontkenning kan gaan. De grootste angst is eerder de knagende waarheid die je personage -hetzij schoorvoetend- eerder accepteert. Dat maakt het verwerkingsproces van de grootste leugen groter: jawel, personage, je hebt wel degelijk bevestiging nodig, de behoefte nodig om een vaderrol te vervullen…Wat dan ook.
Meestal schrikt een personage zich een ongeluk zodra dit besef tot hem of haar doordringt. Het heeft niet voor niets tegen zichzelf gelogen: dat was zelfbescherming. Dus zodra de waarheid of deze pijn zich dan opdringt, komt er een hoop dat je personage moet verwerken. Dat past goed bij de belangrijke en spannende momenten in het verhaal. Denk aan de obstakels, ramp en crisis in het schema van save the cat.

Je personage zal van schrik weg willen kruipen. Misschien ook wel van schaamte…
Foto door Aləx Buchan op Unsplash.

Zorg er wel voor dat je goed afweegt waar de leugen precies ter sprake komt. Als de grond onder de voeten van je personage vandaan valt, de leugen belangrijk is voor het plot èn er nog tijd moet zijn om alles te verwerken, mag je niet alles zomaar afraffelen. Geef het verwerken van de leugen de nodige tijd en zorg ervoor dat het niet minder belangrijk wordt gemaakt dan het is. Vaak is het ontdekken van de leugen een van de moeilijkste dingen die je personage moet doormaken.

Komt de leugen altijd uit?

Je personage hoeft niet altijd met zijn eigen leugen geconfronteerd te worden. Soms is het iets wat alleen in de personagebiografie mag blijven staan. Maar je moet hem als schrijver wel weten, want hij vertelt over belangrijke gedachten en drijfveren van je personage die anders -ook voor jou!- geheim blijven.


Maak ik mijn hoofdpersonage een man of een vrouw?

Je held is een belangrijk personage, dus die moet je realistisch maken. Er is een aantal eigenschappen die iedere held moet hebben. Maar vanwege sociaalmaatschappelijke normen en waarden komt het ene personage anders uit de verf dan het andere. Dat zie je heel goed terug in het verschil tussen mannen en vrouwen. Daarom is het verstandig om goed af te wegen of je hoofdpersonage een man of een vrouw wordt.

Wat heeft iedere held nodig?

Een held heeft altijd twee karaktertrekken nodig om die naam waardig te zijn: moed en zachtheid. Moed is nodig om een centraal conflict aan te durven gaan. Zachtheid laat zien dat je personage geliefden heeft en om mensen geeft. Het zal een verdrietige vriend aan het lachen te maken, langsgaan bij de zieke buurvrouw gaan om voor een dagje het huishouden te doen. Of gaan voetballen met het jongere broertje, gewoon omdat het leuk is. Dit heeft je personage nodig omdat het:
* nooit alleen op de wereld is;
* deze zachtheid (of liefde voor/ omgang met anderen, zo je wil) voor een groot deel de wil van je personage kan bepalen. Dat kan bijvoorbeeld moederliefde zijn, of een zoon die het leger in gaat om zo vaders goedkeuring te krijgen.

Zonder moed kan je personage het avontuur niet aangaan. Zonder zachtheid leeft het in complete (sociale) isolatie en is er geen avontuur om aan te gaan, omdat het personage zo nooit zal groeien. Laat moed nou een eigenschap zijn die traditioneel met mannelijkheid wordt geassocieerd en zachtheid met vrouwelijkheid. Toevallig hè? 😉

Het sekselabel

Om een goede held te zijn, moet je personage dus zowel een ‘vrouwelijke kant’ als een ‘mannelijke kant’ hebben. Geen probleem, toch? Nou…

Niemand vindt het raar als een vrouw naar een schoonheidssalon gaat om haar nagels te laten lakken. Doet een man dat, dan doet hij mee aan de nagellakactie van Tijn of omdat hij homo is. Geen heteroman doet dat omdat hij dat gewoon leuk vindt, toch? En een vrouw met wijde kleren die geen make-up draagt en automonteur is, is vast niet zacht of mooi genoeg ‘om een vent aan de haak te slaan’ of ‘wil graag een van de mannen wil zijn.’, toch…?
Nee, maar tegelijkertijd trekt een lezer zo’n personage (onbewust) in twijfel. Die associaties betreffen bepaalde verwachtingspatronen die er heel diep ingebakken zitten. Als je personage dan de ‘andere kant’ moet laten zien, botst dat al snel met het verwachtingspatroon.

Het maakt voor de invulling en de interpretatie van je verhaal soms uit of je over hem of haar schrijft.
Foto door DISRUPTIVO op Unsplash.

Zoeken naar grijs in verwachtingspatronen

Er wordt nog vaker dan je zou denken kritiek geuit als er van deze verwachtingspatronen afgeweken. Denk aan:
* een man die huilt (wees ’n vent!);
* een man die thuisblijft om voor de kinderen te zorgen (jij hoort voor de kost te zorgen!);
* een vrouw die geen kinderen wil en voor haar carrière kiest (zodra je in de overgang komt, krijg je spijt van deze beslissing…);
* een vrouw die verliefd wordt op een man die minder rijk of minder knap is (als je je sexier zou kleden, kan je beter krijgen…).

Maar nu komt de paradox: zeg dat jouw mannelijke personage niet van zijn kinderen houdt -en dus zijn zachte kant laat zien- dan is hij ongeloofwaardig en onnodig hard. Net zoals jouw vrouwelijke personage plotseling te passief of ongeloofwaardig is wanneer ze niet de moed heeft om haar mond open te trekken.
Dat wordt dus zoeken naar grijs: niets is zwartwit, maar de ideale oplossing zit ergens tussenin.

Verwachtingspatronen voor mannen en vrouwen

Om het breed en overzichtelijk te houden: dit zijn de verwachtingspatronen waar je rekening mee moet houden.

Een man is:
* sterk
* moedig
* prestigieus
Een vrouw is:
* zacht
* mooi
* bescheiden

Zodra je een ‘traditionele’ eigenschap van de andere sekse als voornaamste karaktertrek op de voorgrond laat komen, is de kans op een botsend verwachtingspatroon groot. Denk aan de vrouw in een hoge positie (“Ze heeft die rol alleen vanwege een feministische boodschap.” of “Maar hoe zorgt ze dan voor haar kinderen? Kan haar man niet de voornaamste kostwinner zijn?”) of een lieve man (“Is dat er zo een die óók overal om moet huilen?” of “Dadelijk is hij ook nog goed in breien…”).

Schrijven over iets dat bijna per definitie paradoxaal is, heeft geen klip-en-klare oplossing. Maar ik denk dat ik een redelijke vuistregel heb gevonden: zet de traditionele voorwaarde voorop, en laat op het moment suprême de niet-traditionele waarde de doorslag geven.
* De prestigieuze carrièretijger krijgt zijn langverwachte promotie niet omdat hij ‘sterk’ mensen afblaft. Zijn meerdere heeft gehoord dat hij (zacht) een nieuwe buitenlandse medewerker in zijn eigen tijd heeft geholpen om Nederlands te leren.
* Een Miss-Universe finaliste trekt (moedig) haar mond open en stapt uit de wedstrijd als ze merkt dat er racisme in het spel is.

Jouw invulling van mannelijk of vrouwelijk

Als je verwachtingspatronen van vrouwen uitwerken zoals ik hierboven beschrijf, pas dan op voor de populaire invulling van de sterke vrouw-trope. Dan gaat het al snel mis. In deze blogpost staat mijn interpretatie van een sterke vrouw. Deze interpretaties en alles wat ik hierboven schrijf zijn goede richtlijnen voor een sterke held en heldenreis. Maar uiteindelijk bepaal jij wat jij (te) mannelijk/ vrouwelijk vindt voor jouw personage. Natuurlijk is er ergens een grens. Die grens maakt het cirkeltje van het ‘labeltje’ rondom sekse weer rond. Als je een personage hebt dat fysiek sterk, moedig en stoer is, is het logischer om een man van hem te maken. Dat voorkomt dat je eindeloos moet verklaren waarom je personage géén man is.

Of je nu een mannelijke of vrouwelijke bodybuilder als hoofdpersonage kiest, maakt in beginsel niet uit. Maar bij een vrouwelijke bodybuilder verwacht men vaker een verklaring waarom ze deze ‘mannelijke weg’ gekozen heeft, waar een mannelijke bodybuilder meer ´logisch´ klinkt. Een vrouwelijke bodybuilder is niet goed of fout, maar het maakt wel dat je verhaal anders wordt gelezen. Het kan het verschil zijn tussen een trope en een compleet uitgewerkt verhaal. Dat verschil moet je inzien als je je hoofdpersonage gaat uitwerken.

Neem de verwachtingspatronen niet te letterlijk

Het bepalen van de grens van het ‘sekselabelcirkeltje’ wordt makkelijker als je de verwachtingspatronen van de tegenovergestelde sekse niet te letterlijk overneemt.
Een sterke vrouw die fysiek sterker is dan de mannen in het verhaal, is ongeloofwaardiger. Mannen zijn vanwege hun genen gemiddeld nu eenmaal sterker dan vrouwen.
Een man die zacht is kan je beter niet opvallend veel fan maken van zachte kleuren, pluizige dieren of schattige theeserviesjes.

Wat vind jij (te) mannelijk of vrouwelijk en hoe laat jij dat zien in jouw personages? Wat weeg je af? Hoe bepaal je of je van je held een man of een vrouw maakt? Laat het weten in de reacties!

Schrijven over onrecht

Schrijven over onrecht is niet ongewoon in fictie. Een uitverkoren personage neemt het met regelmaat op tegen een allesoverheersende slechterik. Je schrijft altijd waarom je vindt dat iets onrecht is. Dat vormt de strijd van je hoofdpersonage. Lees hier over de verschillende rollen die je hoofdpersonage aan kan nemen als er onrecht in het spel is.

Welk gezicht geef je onrecht?

Je kan in grofweg drie manieren over onrecht schrijven in fictie. Je hoofdpersonage speelt daarin een belangrijke rol, omdat de lezer door diens ogen het verhaal beleeft. Deze uitwerkingen maken een verschil voor de toon van je verhaal als geheel. Ik maak in deze blogpost het volgende onderscheid:
* Het hoofdpersonage in een slachtofferrol
Dit personage kan daadwerkelijk slachtoffer zijn van onrecht of dat slechts vinden. Hoe dan ook komt hij niet in beweging om iets aan het onrecht te doen.
* De verzetsheld
Deze held is actief in het strijden tegen onrecht, maar niet zijn heldendaden, maar het onrecht zelf krijgt de meeste narratieve aandacht. Je ziet de held dus niet met een zwaard ten strijde trekken, maar vooral hoe de gediscrimineerde mensen die hij voedt, creperen van de honger.
* De vechtende held
Deze held vecht daadwerkelijk tegen een enkele leider of groep, zoals Heer Voldemort of de Nazi’s. Als je held erin slaagt om dit individu of deze groep te verslaan, is de wereld gered, de oorlog voorbij of worden inhumane wetten afgeschaft. Je held vecht direct tegen die- of datgene dat onrecht zaait of in stand houdt. Daardoor krijgt de heldenstatus van je hoofdpersonage de meeste narratieve aandacht en blijft het onrecht een relatief breed begrip.

De slachtofferrol

Het personage in een slachtofferrol vindt zichzelf zielig. Hij vindt het vreselijk wat hem is aangedaan of wat er gebeurt, maar doet niets om zelfs maar te proberen de situatie of zijn beleving daarvan te veranderen. Hij komt zijn comfortzone dus niet uit. De comfortzone van een slachtofferrol staat gelijk aan die van een huis van een paar miljoen, met een zwembad, bedienden en een zespersoonsbed. Het is veel te knus om te wíllen verlaten. Je kan daar immers steen en been klagen en afwachten tot een hogere macht of een ander personage de echte strijd gaat voeren. Jouw zielige personage hoeft (lees: doet) dat niet.
Een personage in een slachtofferrol kan als goede katalysator dienen voor de echte helden: niet zeuren, maar doen! Je kan een personage in een slachtofferrol dus gebruiken om de woede of verontwaardiging bij anderen op te roepen. Maar hij mag niet de held van het verhaal worden.

De verzetsheld

Een personage in een slachtofferrol helpt het verhaal niet verder en is vervelend om over te lezen, omdat het verhaal en de omstandigheden door die houding niet veranderen. Een verzetsheld weet dat ook. Sterker nog, hij weet dat een slachtofferrol aannemen de ellende alleen maar kan bagatelliseren. In zekere zin is een personage in een slachtofferrol een tell: De oorlog is zo eng! Ik ben bang, dus ik blijf op een afstandje erover klagen en/of er bang voor zijn.
Je loopt dan het risico om bij de lezer de reactie uit te lokken: waar ben je dan precies bang voor? Stel je niet zo aan!
Maar de verzetsheld laat dat duidelijk zien: De oorlog is eng, want als ik mensen na de avondklok opzoek om hen van broodnodig voedsel te voorzien, hoor ik in de verte bommen ontploffen, zie ik steeds opnieuw de uitgemergelde gezichten van jonge kinderen en ruik ik de stank van lijken op straat en van mensen die zich uit pure doodsangst bevuilen.

Een verzetsstrijder ziet dit, iemand in een slachtofferrol woont veilig in een villa, vijftig kilometer hiervandaan.
Foto door Mahmoud Sulaiman op Unsplash.

Bovenstaand voorbeeld van de show don’t tell van de verzetsheld laat zien waar je bij hem vooral over schrijft. Je laat van dichtbij zien hoe dat onrecht zich uit: buitensluiting, uithongering, ziekten, slavernij, geweld… De verzetsheld staat in verhouding tot de vechtende held dichter bij het gewone volk. Hij is degene die het allemaal van dichtbij ziet gebeuren en heeft een relatief grote kans om een – oprecht- slachtoffer te zijn, te zijn geweest of te worden van dit onrecht.
Als je geschiedkundig naar onrecht kijkt, zijn er veel meer verzetsstrijders dan vechtende helden die ertegen strijden. Een verzetsstrijder is een echte held, maar staat minder als zodanig op de voorgrond van je verhaal. Als je het onrecht zelf een gezicht wil geven, is de verzetsheld je ideale hoofdpersonage.
Een verzetsstrijder kan ook de vorm aannemen van een demonstrant of activist. Hij kan connecties hebben met de hogere kringen, maar dat hoeft niet. Hij is er in ieder geval nooit onderdeel van.
Een verzetsstrijder word je niet als je ook weg kan (blijven) kijken. Kijk daarom goed naar het motief van je personage om zich in de strijd te mengen. Laat het onrecht bovendien heel dicht bij zijn beleefwereld komen. Met andere woorden: bedreig zijn waarden of (het welzijn van) zijn geliefden:

* Als vrijheid van godsdienst het hoogste goed is voor je personage, dreig dan met het sluiten van alle moskeeën.
* Laat hem met de regenboogvlag wapperen. Zelf is je personage hetero, maar een week geleden is zijn transgender zoon mishandeld en justitie haalt de schouders op.

Wil je het onrecht uiteindelijk het onderspit laten delven, kijk dan naar de vechtende held.

De vechtende held

De vechtende held kan je vergelijken met een legergeneraal. Hij vecht daadwerkelijk voor de goede zaak, maar omdat hij voortdurend op het slagveld is, krijgt hij veel minder mee hoe het onrecht waartegen hij vecht er daadwerkelijk uitziet. Hij krijgt vooral de kans en/of probeert om Generaal Onrechtstichter te verslaan. Daarmee zet hij de schakel in gang die het onrecht daadwerkelijk kan eindigen. De vechtende held kan ook een hoge politicus of een uitverkorene zijn. Hij zal het onrecht minder in de praktijk zien dan de verzetsstrijder, maar zorg er wel voor dat hij het zo nu en dan onder ogen ziet. Laat hem een verwoest dorp bezoeken of spreken met demonstranten. Tegen een ‘onzichtbaar onrecht’ vechten is niet heldhaftig en de lezer kan zich gaan afvragen waar het verhaal nou eigenlijk over gaat. De vechtende held is een mix van show en tell als het gaat om het onrecht een gezicht geven.


Schrijven over de beleving van je hoofdpersonage

Je hoofdpersonage is de held van je verhaal. Je schrijft precies hoe hij alles meemaakt en hoe intens zijn belevenissen en herinneringen zijn. Maar daar ligt een valkuil op de loer: je schrijft te vaag omdat je meer uitgaat van de beleving van je held dan de beleving van de lezer. Hoe ziet dat er in de praktijk uit en hoe kan je dat voorkomen?

In het hoofd van je held

Omdat het verhaal om je held draait, krijgt de lezer de wereld door zijn ogen te zien. Het maakt daarbij niet uit of je in de de ik-vorm of de hij-vorm over je personage schrijft. Ik kon mijn ogen niet geloven en Pia kon haar ogen niet geloven heeft hetzelfde effect: het hoofdpersonage Pia weet niet wat ze ziet. Ook in de derde persoon is het duidelijk dat Pia ongeloof ervaart.
Het mooie van een hoofdpersoon is dat deze de lezer uitnodigt om samen met hem of haar de fictieve wereld of het fictieve leven dat wordt geleefd te ontdekken. Als vanzelf ga je dan ook schrijven hoe je personage de wereld inkijkt, zich voelt of zich dingen herinnert. Oftewel: je gaat schrijven over de beleving van je personage.

De persoonlijke beleving van je personage

Beleving is een mix van herinneringen en persoonlijke associaties, waartussen een samenhang bestaat. Zintuigelijke waarnemingen kunnen een extra tintje daaraan geven, maar zijn niet noodzakelijk onderdeel daarvan. Een voorbeeld:
Een van je fijnste jeugdherinneringen is dat je met je lievelingsoom naar de kermis ging en dan altijd een oliebol van hem kreeg. Dat kan tot de overtuiging leiden dat een oliebol de lekkerste traktatie op de wereld is en de kermis een gezellige plaats. Voeg daar nog zintuigelijke waarnemingen aan toe – de geur van versgebakken oliebollen, het harde lawaai van de attracties en de mooie flikkerende lichtjes- en de beleving wordt nog levendiger.

De kermis wordt een echte beleving door de verschillende dingen die je ermee kan associëren.

Als schrijver kan je in de valkuil trappen dat je de samenhang tussen herinneringen en de persoonlijke associaties vergeet uit te werken voor de lezer. Jij weet immers al veel van het personage af en je enthousiasme kan je vermogen om rustig en logisch na te denken nogal eens aan de kant zetten. Om het verschil duidelijk te maken tussen een scène die te ‘enthousiast’ is en een scène die goed werkt, volgt hier een casus: het reuzenrad van Inas.

De enthousiaste scène

Lucille was dolblij toen ze zag dat er een reuzenrad op het plein stond. Ze rende er meteen op af om een ritje te maken. Sinds die ene keer dat ze met reuzenradfan Inas een ritje had gemaakt en zij tranen van dankbaarheid in haar ogen had gekregen, omdat Lucille een ritje met haar had gemaakt, was Lucille dol geworden op de attractie. Ze hoopte altijd nogmaals zo’n mooi moment te beleven zoals destijds met Inas.

Het is duidelijk dat Lucille een mooi moment beleeft en dol is reuzenraden. Maar de lezer weet hier veel te weinig over dat ene ritje met Inas om het enthousiasme van Lucille echt te begrijpen. Jazeker, er waren tranen van dankbaarheid, dus dat belooft wat. In dit geval beloof je inderdaad iets, maar kom je die belofte niet na. Je moet immers wel een extreme fan zijn van reuzenraden om ontroerd te raken bij alleen al het vooruitzicht op een ritje. Dankbaarheidstranen zijn mooi, maar desondanks zeggen ze op zichzelf nog veel te weinig om de lezer ook deelgenoot te maken van die ontroering.

Lees nu de logische scène en je snapt Lucilles enthousiasme voor het reuzenrad.

De logische scène

“Een reuzenrad, daar ben ik dol op!” Inas keek verrukt en hoopvol naar haar mede-uitwisselingsstudenten. Wie wil mee een ritje maken?” Lucille vond dat een leuk idee, net als Alexa. Maar haar tien andere klasgenoten van het uitwisselingsprogramma schudden hun hoofd. Lucille hoopte dat Inas niet te teleurgesteld zou zijn, maar ze haalde eenvoudigweg haar schouders op. Binnen drie maanden was iedereen zo hecht geworden als levenslange boezemvrienden. Inas al helemaal, als een van de gangmaaksters van de groep. Haar nog steeds stralende blik getuigde van het feit dat ze allang blij was dat twee van haar goede vriendinnen mee de hoogte in wilde gaan.
Toen de gondel op zijn hoogste punt stilstond, keken Lucille, Alexa en Inas zwijgend naar de twinkelende lichtjes van de kerstmarkt onder hen. Lucille voelde een heerlijke rust over zich neerdalen en was blij dat Alexa en Inas de schoonheid van deze stilte net zozeer leken te waarderen en wisten dat woorden tekort zouden schieten. Totdat Inas zonder haar blik af te wenden van de lichtjes aarzelend en met schorre stem zei: “We hebben geen kerstmarkt in Portugal.” Even keken Lucille en Alexa elkaar bezorgd aan. Toen Inas’ ogen vochtig werden, kromp Lucilles maag ineen. Het zou nog wel even duren voordat de gondel weer beneden zou zijn. Zouden zij en Alexa Inas nog minutenlang kunnen troosten als ze echt zou instorten? Maar toen keek Inas Lucille en Alexa stralend aan, terwijl de tranen over haar wang
en liepen.
“Ik had veel van mijn uitwisselingavontuur verwacht, maar dat het zo fantastisch zou zijn… Ik voel me zo bevoorrecht dat ik jullie allemaal heb mogen ontmoeten en zo’n diepe band met jullie heb opgebouwd. Dank jullie wel…”
Lucille en Alexa herhaalden die laatste woorden, inmiddels ook met vochtige ogen. Toen ze het reuzenrad verlieten, leek Lucille nog minutenlang hoog in de lucht te zweven Het drietal voegde zich weer bij de groep en bleef herhalen dat ze niet wisten wat ze hadden gemist. De anderen wuifden die woorden weg: “Dat zal wel meevallen, hoor…”
Acht jaar later stond Lucille in de rij om een kaartje te kopen voor een reuzenrad, aan de andere kant van de wereld, wederom met tranen in de ogen. Nee, de groep meiden wist absoluut niet wat ze toentertijd hadden gemist…

Nu pas is dat reuzenrad net zo fantastisch voor de lezer als voor Lucille.

Nu je weet wat Lucilles beleving echt inhoudt, wordt de scène daadwerkelijk beeldend. Herlees de te enthousiaste scène. Zie je welke informatie de lezer daarin mist en van welke onterechte voorkennis werd uitgegaan?

Checklist voor belevingen schrijven

Er is een aantal vragen die je jezelf kan stellen om te controleren of de beleving van je personage te enthousiast of logisch is. Is het antwoord op onderstaande vragen ja, dan is je verhaal te enthousiast. ‘Nee’ geeft aan dat je goed bezig bent.

* Geef je sfeeromschrijving voorrang boven duidelijkheid?
* Ga je ervan uit dat je lezer automatisch met je hoofdpersoon meeleeft?
* Schrijf je kort(er) omdat je bang bent de scène te lang te maken of te veel inhoud te verklappen?

Dit lijstje is niet zaligmakend, maar helpt je wel met inschatten. Veel plezier met schrijven!

De sterke vrouw volgens studio Ghibli

De Japanse filmstudio Ghibli maakt films die stuk voor stuk meesterwerken worden genoemd. Niet voor niets: er worden narratieve technieken gebruikt die de verhalen en personages zowel eigenzinnig als sterk maken.
Het bestuderen van het werk van regisseur en scenarioschrijver Hayao Miyazaki leerde me veel over goede verhaalstructuren. Daar heb je dus nog niet het laatste over gehoord 😉 We beginnen met een andere kijk op de sterkte vrouw-trope.

Wat is een sterke vrouw?

Ik vind een bepaalde standaardinvulling van de sterke vrouw-trope vreselijk. Dat kon je hier al lezen. Zogenaamd geen vent nodig hebben, maar wel mannen afblaffen omdat jij beter zou zijn of verder zou zijn in (je) sociaal maatschappelijke ontwikkeling. Mens, dan heb jij die vent nog steeds nodig: om jezelf op een onterecht voetstuk te plaatsen, welteverstaan…

Miyazaki (een man!) houdt bepaalde richtlijnen aan voor de vrouwen en meisjes die de hoofdrol spelen in zijn films. Als je die in het achterhoofd houdt, heb je een daadwerkelijk sterke vrouw. Er zijn zelfs twee bonuspunten: de jongens en mannen worden er automatisch óók betere personages door en je kan dezelfde uitgangspunten aanhouden voor een sterke man: één die sterk en stoer kan zijn zonder dat dat ten koste gaat van de vrouw.
Die uitgangspunten zijn:
* Ik doe wat ik moet doen;
* De man is mijn maatje, niet mijn redder of dienaar;
* Als ik val, vangt de man mij op en vice versa;
* Romance is een extraatje, liefde een voorwaarde.

Ik doe wat ik moet doen

Het overgrote deel van de helden in Ghiblifilms zijn vrouwelijk. Zij komen hun mannelijke tegenhangers vroeg in de film tegen, op het moment dat ze uit hun comfortzone komen. Hij komt dan wel in beeld, maar op dat moment heeft de heldin iets beters te doen dan verliefd te worden of hem proberen te verleiden, bijvoorbeeld:
* Een vloek verbreken (Het bewegende kasteel van Howl, De reis van Chihiro)
* Een thuis vinden of dat veiligstellen (Kiki’s vliegende koeriersdienst, Prinses Mononoke)
* Schrijven (:D) (Whisper of the heart)

Soms geeft de man het plot een zetje, soms is hij dan niet meer dan een voorbijganger. Dat is gunstig, omdat je zo waarborgt dat de heldin haar heldenreis ook daadwerkelijk behoudt. Ze is veel heldhaftiger als ze haar problemen ook daadwerkelijk op ‘blijft’ lossen. Ze heeft dan de intentie haar heldenreis te voltooien. Ze laat niet alles vallen als ze een man tegenkomt op wie ze wel eens verliefd zou kunnen worden ‘omdat dat in een film nou eenmaal hoort‘. Daardoor blijft je verhaalthema stevig en je verhaal geloofwaardig. Als je single bent, is de eerste de beste voorbijganger van het geslacht waarop je valt ook niet meteen je toekomstige partner.

Je kan ook ‘gewoon’ vrienden zijn.

Man als maatje

De man en vrouw worden in Ghibli-films alsnog vrienden als ze elkaar later weer tegenkomen. Maar zelfs wanneer hun vriendschap al zeer stevig is, of de eerste vlinders beginnen te fladderen, is de man nog steeds een maatje, géén redder of dienaar. De heldin gaat nog steeds verder aan haar eigen heldenreis en verwacht niet dat de man (als magic pixie) ineens alles voor haar oplost. Tegelijkertijd gebruikt ze de man óók niet om iets voor haar eigen groei te laten doen, om hem vervolgens in de steek te laten of neer te halen. Ze staan echt als maatjes naast elkaar en zijn honderd procent gelijkwaardig aan elkaar.

Allebei vallen, allebei opvangen

De reden dat man en vrouw in deze films echt gelijkwaardig aan elkaar zijn, is omdat ze de ander opvangen als die valt tijdens een conflict. Ze vallen bovendien even vaak, dus de een lijkt niet zwakker dan de ander. En over zwak gesproken: ze zien het hebben van een conflict ook niet als een zwakte. De personages uit Ghibli films zouden iets zeggen als:
“Wordt het even te veel? Zit je vast? Ben je bang? Moet je huilen? Nou en?”
* Het is ook gewoon allemaal veel;
* Dit ís gewoon doodeng;
* Alsof ik nooit verdrietig ben…
Ik ben er voor je en ik ga je helpen weer op te staan als je valt. De volgende keer doe jij hetzelfde voor mij.”

En dat gebeurt dan ook, met precies hetzelfde gedachtegoed. Er komt geen schaamte of schuldgevoel aan te pas, mannelijkheid wordt niet in twijfel getrokken…De vrienden weten dat ze mensen zijn met de bijbehorende worstelingen en in dat proces soms een maatje nodig hebben, klaar.
Zorg ervoor dat je lezer zich met personages kan identificeren: ze moeten dus vooral niet perfect zijn. Bij deze nog een formule daarvoor: maak van een conflict niets schandelijks.

Romance als extraatje

Laten we eerst wat definiëren:
Liefde: wederzijds gevoel van vriendschap, respect, vertrouwen en de bereidheid de ander te helpen omwille van de groei van de ander. Dit alles zonder de ander te (ver)oordelen. Die groei willen beide personages bij de ander zien, simpelweg omdat de ander daar gelukkig(er) van wordt.
Romance: liefde met als enige verschil dat er verliefdheid bovenop komt.

De helden in Ghiblifilms voelen altijd liefde voor elkaar, hoewel ze niet altijd verliefd worden. Die liefde is nodig voor een sterke heldenreis. Maar omdat ze uit liefde al zoveel goeds halen, zowel voor zichzelf als voor de ander, voelt dat niet als een gemis. Niet voor hen en niet voor de kijker. Ze worden er geen mindere helden of minder sterke personen van en kunnen ook zonder romance hun heldenreis voltooien.
Daarmee bereik je twee belangrijke twee dingen:
* Een romance komt nooit geforceerd of misplaatst over in een plot (* kuch* liefdesdriehoek in Pearl Harbor *kuch* )
* Als een romance er wel is, heeft die daadwerkelijke meerwaarde ten opzichte van liefde.

Kiki heeft geen romance nodig, alleen een maatje als ze naar een nieuwe stad verhuist. Dus wordt ze ook niet verliefd op Tombo. Sophie en Howl daarentegen hebben persoonlijke wonden, waar een romance helpt om die te helen. Alleen omwille van die heling krijgen ze een romance. Romantiek wordt zo nooit gewonnen: het wordt bereikt. Nog een manier om je personage (vrouw of man!) sterk te maken.

Werken met stereotype kenmerken: deel 1

Schrijven met stereotypen werkt niet goed voor je verhaal. Maar soms heb je een personage dat een stereotype kenmerk heeft vanwege bijvoorbeeld zijn beroep of zijn rol in het verhaal. Hoe schrijf je dan over dat personage zonder er een karikatuur van te maken?

Wat maakt een stereotype?

Een stereotype is een karaktertrek of een omstandigheid die je zo vaak bij een personage met een bepaalde achtergrond ziet, dat het niet meer origineel of zelfs storend is. In dat opzicht verschilt een stereotype niet veel van een cliché. Ze worden allebei gebruikt om een lezer makkelijk en snel een kant en klaar beeld van een personage te scheppen.
Ik maak in dit artikel omwille van de leesbaarheid een onderscheid:

  • * Een cliché wordt ingezet om een makkelijker beeld te schetsen voor de lezer wat er speelt en wordt daardoor saai om te lezen, of zelfs aanstootgevend;
  • * Een stereotype maakt noodgedwongen gebruik van clichés om bepaalde vereiste eigenschappen logisch aan een personage te koppelen.

Verantwoording voor de woordkeuze

Ik definieer cliché al jarenlang als ‘iets storends wat een lezer uit het verhaal haalt’. Bovendien geeft de definitie van van Dale iets soortgelijks aan. De officiële definitie van stereotype heeft een net iets neutralere klank. Hij suggereert bovendien dat het van zichzelf óók een cliché is. Vandaar deze keuze en afweging. Ik ben me ervan bewust dat stereotype nog steeds niet het fijnste woord is om te gebruiken als gaat om mogelijke eerste stappen van het ontwikkelen van een personage.

Uitgangspunt van een cliché

Een cliché leest niet fijn, het is wel een effectieve manier om je verhaalomstandigheden snel duidelijk te maken:

Je schrijft over een alleenstaande bijstandsmoeder neemt een cliché als uitgangspunt: je wil je verhaal makkelijk te begrijpen maken en snel kunnen starten met het plot. Dan zeg je tegen je lezer indirect iets als:
“Je kent het wel: echtgenoot was een eikel die haar verliet voor een jongere vrouw, die sowieso al nooit naar zijn kinderen omkeek omdat hij te druk was met de zaak. Nu zit hij met zijn nieuwe vlam op een cruise naar Barbados en de moeder met een stapel aanmaningen, depressief en in continue stress.”

Klinkt het neerbuigend? Dat is het ook. Als je uitgaat van clichés, neem je zowel je verhaal als je personages niet serieus. Je zou alleen op op deze manier van werken over moeten gaan als je ooit twintig korte verhalen in een week moet schrijven voor een uitgever die meer geeft om kwantiteit dan kwaliteit.

Uitgangspunt van een stereotype

Als je de werkwijze van een stereotype aanhoudt, kijk je heel feitelijk naar wat je personage is en wat dat betekent of voor gevolgen moet hebben. Een bijstandsmoeder:
* heeft niet veel geld: er zit een maximumbedrag aan het vermogen dat je mag hebben voor een bijstandsuitkering;
* kan zich geen luxe gunnen bij een financiële meevaller: als ze haar uitkering aan luxe besteedt, wordt die stopgezet en heeft ze helemaal geen inkomen meer.

Dat is feitelijk gezien alles wat er letterlijk per definitie aan de hand is. Dat heeft ook weer een aantal gevolgen:
* De bijstandsmoeder heeft geen dure spullen;
* Ze woont niet in een duur huis.

Maar dat is ook echt alles, als je je puur aan de feiten houdt. Op deze feiten bouw je vervolgens verder om je unieke personage vorm te geven. Dan ga je je bedenken: als dit de feiten zijn, is het niet onlogisch dat moeder depressief of wanhopig wordt. Dit gaat al redelijk richting het bovenstaande clichébeeld van de bijstandsmoeder. Maar het verschil is dat je hier alert blijft op de vraag: geldt dat ook voor mijn bijstandsmoeder? Misschien is ze ontzettend goed in budgetteren en dol op haar eigen kleren maken. Dan zal ze echt nog wel haar moeilijke momenten hebben, maar dan ligt ze in ieder geval niet meer iedere dag depressief in bed, zoals het clichébeeld van haar schetst.

Aan haar lach kan je niet zien of deze moeder al dan niet in de bijstand zit.
Foto door Jhon David op Unsplash

Het onderzoeken van clichés en stereotypen

Met het onderscheid dat ik binnen deze blogpost maak tussen cliché en stereotype kan je het volgende als vuistregel onthouden:
Een cliché gaat uit van: ‘ieder personage is algemeen en dat is wenselijk voor mijn schrijversgemak.’
Een stereotype gaat uit van: mijn personage is in een bepaalde basis algemeen, puur omdat dat nodig is voor een goede fundering.’

Volgens mijn (tijdelijke) definitie van een stereotype, moét je wel van een stereotype uitgaan; je kan geen verhaal schrijven over een bijstandsmoeder als je ontkent dat ze arm is, of als je continu om de hete brij heen draait. Daar wordt je verhaal rommelig, verwarrend of ongeloofwaardig van, of allemaal.
Je kan met de beste bedoelingen de bijstandsmoeder in een positiever of ander daglicht willen zetten, het helpt niet om dan op valse voorwendselen te beginnen en een eigen draai te geven aan de feiten – feiten heten niet voor niets zo-. Interpretaties kun je loslaten op allerlei manieren waarop je je verhaal inhoudelijk invult.
Bovenstaande kan eng of verkeerd voelen: je wil je personage per slot van rekening niet verlagen tot een algemeen figuur. Maar dat doe je niet, want dan zou je volgens het principe van een cliché werken. Het lijkt misschien een paradox, maar om je personage niet tot een cliché te reduceren, moet je weten welke factoren daaraan bij kunnen dragen. Als je weet welke dat zijn, kan je die (storende) elementen later wegstrepen: dat gaat jouw personage niet doen! Dompel je eerst onder in de clichés en stereotypen zoals gedefinieerd door de van Dale, zodat je weet hoe je ze kan vermijden.

Help! Mijn personage een stereotype?

De hypocriete, moraalridder- en doorgeslagen trope heb je met bovenstaande kennis waarschijnlijk al een kopje kleiner gemaakt. Dat is al een goede start om storende clichés te vermijden. Maar dan heb je nog steeds een aantal stereotype kenmerken op je lijstje staan. Geen nood: hier schrijf ik hoe je met de stereotype funderingen een interessant en prettig personage maakt.



De grootste angst van je personage: de grootste schat

Iedereen is ergens bang voor, dus personages ook. Soms is dat een bewuste angst – zoals voor slangen-, maar daar kan je in een verhaal niet veel mee. Als je de diepliggende angst van je personage weet, kan je ook diepzinnig gaan schrijven. Een angst van je personage wordt zo een echte schrijversschat.

Een angst houdt een verhaal draaiende

Een belangrijk uitganspunt bij schrijven is dat je verhaal nooit helemaal stil mag staan. Het fijne van een angst is dat je personage (bewust of onbewust) dingen doet of laat om te voorkomen dat de angst bewaarheid wordt.
* Als je bang bent om arm te worden, zal je altijd werk willen hebben of zoeken;
* Als je vreest alleen te zijn, zal je vaak (nieuwe) vriendschappen sluiten;
* Als je inbrekers vreest, loop je een extra rondje om het huis om alle sloten te controleren voor het slapengaan.

In de actie(s) die je personage onderneemt, beschrijf je de inhoud van een scène, een verhaalthema of het karakter van je personage. Allemaal belangrijke ingrediënten voor een goed verhaal.

Waar komt een angst vandaan?

Als schrijver moet je ook een beetje de psycholoog kunnen spelen. Denk aan de wat clichéachtige uitspraken als:
* Omdat ik vroeger ben gepest, is het als volwassene nog steeds lastig om nieuwe mensen te vertrouwen;
* Ik ben opgegroeid in een gewelddadig gezin, dus ik heb geleerd zelfstandig te zijn, maar ik kan daardoor lastiger mensen binnenlaten in mijn leven;
* Omdat ik als baby een auto-ongeluk heb overleefd, ben ik doodsbang voor harde knallen of het geluid van piepende autobanden.

Zoals je ziet zijn dit heel diepgaande uitspraken. Soms zo diepgaand dat je personage ze eigenlijk niet zou kunnen doen. Zo’n vergaande zelfkennis is niet realistisch. Of in ieder geval niet handig of prettig leesbaar voor een boek.
Maar als het gaat om informatie die jij als schrijver niet kan missen, is het erg belangrijk dat je de angst van je personage zo goed mogelijk uitpluist.

Wees niet bang om te gaan graven bij je personage 😉

Waar zit de angst (niet)?

Kun je deze vraag beantwoorden?: ‘Waar zit de angst van het personage in ieder geval niet?’ Het woord zegt het al: in de comfortzone. Daar waar alles in ieder geval op een vertrouwde manier gaat en de angst dus op afstand blijft. Maar je weet waarschijnlijk wel dat het personage de comfortzone moet verlaten, wil een verhaal kunnen starten. Lees dat anders nog maar eens na in het save the cat schema.
Dat klinkt misschien vreemd: je personage moet een veilige haven achterlaten om de angst aan te gaan? Hoezo? Bekijk het dan eens van een andere kant, die wat logischer zal klinken: eigenlijk gaat het niet om een angst, maar om een pijn. En je personage moet de comfortzone uit om die wond te helen door als persoon te groeien. Groeien klinkt al wat meer aansluitend op de standaard heldenreis, of het centraal conflict, nietwaar?

Angst en pijnpunt als starter van het verhaal

Als je de pijn van een personage weet, kan je de angst ook bepalen. Daarmee heb je de start en een groot deel van je verhaalverloop vaak al te pakken. En het fijne is dat het vaak logisch in elkaar overloopt. De uitwerking interessant maken is niet makkelijk, maar de samenhang is zelden een echte hersenkraker.

Annie is vroeger om haar uiterlijk gepest. Dus nu heeft ze standaard goed verzorgde make-up op, gaat ze vaak naar de kapper en houdt ze haar nagels bij om haar (zogenaamde) lelijkheid te verbergen. Als ze maar mooi is, dan zal ze er wel bij horen en niet meer worden buitengesloten. En omdat ze een echt make-up talent is, klopt dat ook. Annies pijn is buitengesloten zijn. Dat resulteert in de angst dat ze er niet langer bij hoort als ze niet mooi is. Maar dan moet er om het verhaal te beginnen een comfortzone worden uitgestapt. Om de een of andere reden wordt Annie alsnog in de steek gelaten, terwijl de oorzaak daarvan, -let op: niet!- haar uiterlijk betreft.
Onbewust zal Annie hier wel de link naar leggen. Dan gaat ze dus haar comfortzone uit omdat ze de oorzaak van haar angst, die ze opgelost wil zien, buiten haar comfortzone (als ik mooi ben, word ik niet in de steek gelaten) zoekt.
Dat belooft een spannend verhaal. Omdat ze de oorzaak op een verkeerde plek zoekt, zal Annies zoektocht naar het oplossen van angst en pijn vallen en opstaan vergen. Inderdaad, dan heb je een centraal conflict.

Verder met willen en nodig hebben

Willen en nodig hebben is ook iets wat steeds terugkomt. Dat kan je bij Annie ook zien. Wat ze wil, is erbij horen, wat ze nodig heeft is: geaccepteerd worden om wie ze is. Haar comfortzone gaat haar dwingen richting haar noodzaak te gaan, maar ze wordt gedreven door wat ze wil.
Omdat ze niet – zomaar- krijgt wat ze nodig heeft, omdat haar wil niet het sterkste kompas oplevert, gaat Annie vallen en opstaan. Maar personages zijn geen ezels die zich spreekwoordelijk twee keer aan dezelfde steen stoten. Annie leert van het vallen, gaat daar conclusies uit trekken haar plan van aanpak veranderen. Als vanzelf verandert haar wil daar langzaam maar zeker ook door. “Ik hoef niet mooi te zijn, als ik maar een maatje heb dat me onvoorwaardelijk liefheeft.’
Zo leidt de heldenreis van een personage alsnog vaak naar het oplossen van de pijn die in het begin van het verhaal ter sprake kwam.

Psycholoog spelen

Natuurlijk is in een goed verhaal het niet zo zwartwit als bij Annie en liggen angst- en pijnpunten stukken ingewikkelder. Daarom moet je echt tot de kern gaan en ook echt een beetje psycholoog gaan spelen. Een goed uitgewerkte personagebiografie helpt je daarmee al een heel eind op weg. Als je iets weet of een antwoord op een vraag hebt, vraag dan dóór. Is bang lelijk gevonden te worden. Hoezo? Omdat ze is gepest. Wat deed ze toen? Was daar een herleidbare aanleiding voor? Dan kom je al een heel eind.

Willen en nodig hebben deel 2: de toon van je einde

Er is veel te schrijven over willen en nodig hebben. Daarom volgt hier deel 2 van willen en nodig hebben, over hoe je na de climax de toon van je verhaal bepaalt. Lees hier deel 1.

Willen en nodig hebben: een opfrisser

Je personage streeft ernaar te bereiken wat hij wil, maar meestal is het iets anders dat hij eigenlijk nodig heeft. Dat kan je zien in deze tabel:

Je personage wil Je personage heeft nodig
een stroopwafelvoedsel
een flink aantal likes op zijn facebookberichtde bevestiging dat mensen geïnteresseerd zijn in haar doen en laten
een zonvakantie op een tropisch eilandtijd om even bij te komen van maandenlang hard werken

Jij kan als schrijver zelf bepalen wat je personage krijgt of niet krijgt. Je hebt daarbij vier mogelijkheden:
* Je personage krijgt wat hij wil, maar niet wat hij nodig heeft. Dat geeft het einde een onbehaaglijk gevoel van iets onvoltooids.
* Je personage krijgt wat hij wil en wat hij nodig heeft. Dat is het traditionele ‘en hij leefde nog lang en gelukkig’.
* Je personage krijgt wat hij nodig heeft, maar niet wat hij wil. Dan is het einde bitterzoet of gevoelvol.
* Je personage krijgt niet wat hij nodig heeft en ook niet wat hij wil: Dat geeft het verhaal een zeer somber einde.

Het begin van het einde

Zoals je in deel 1 van deze blogpost hebt kunnen lezen, wordt het einde van het verhaal in gang gezet na de climax. Dat is ook het moment waarop je het personage (niet) gegeven hebt wat hij wil of nodig heeft. Daarna rest in het schema van save the cat nog een laatste obstakel, de wrap up en het eigenlijke einde. In de context van ‘willen en geven’ kun je die fases als volgt zien:
* Laatste obstakel: een terugblik op wat het personage nu eigenlijk wilde en nodig had.
* Wrap up: hoe ziet het leven van het personage er nu uit, nu willen en nodig hebben zijn ‘uitgedeeld’?
* Het einde: hoe voelt het personage/ mijn lezer zich daarbij?
Geen twee verhalen zijn hetzelfde. Toch zal je in deze verschillende einden een bepaald patroon terugzien. Binnen deze patronen blijft er een vergelijkbaar gevoel hangen bij verhalen met eenzelfde soort einde.

Het onvoltooide einde

* Laatste obstakel: als het personage anders had gehandeld, was hij gelukkiger geweest.
* Wrap up: je personage heeft ergens spijt van, of voelt zich bedonderd door een hogere macht.
* Het einde: een knagend gevoel van pijn of onbehagen.

Bij een onvoltooid einde moet je er gedurende je verhaal vooral op letten dat je je personage voldoende kansen geeft om te krijgen wat hij nodig heeft. Vervolgens mag je personage die kansen níet grijpen.
Let op: een onvoltooid einde is niet hetzelfde als een open einde!

Het gelukkige einde

* Laatste obstakel: het personage heeft gehandeld zoals hij dat moest doen en is gegroeid als persoon.
* Wrap up: het beste leven mogelijk.
* Het einde: tevreden, voldaan, gelukkig.

Zorg er bij een gelukkig einde vooral voor dat je personage duidelijk en vaak beloond wordt voor het feit dat hij vaak is gevallen en weer is opgestaan.

Het gelukkige einde geeft een algemeen gevoel van terechte overwinning.

Het bitterzoete einde

* Laatste obstakel: het had anders gekund, maar het is goed zo, want er is toch nog iets moois uitgekomen voor het personage.
* Wrap up: je personage zal als motto hebben: Dat is het leven in al zijn facetten, met eb en vloed.
* Het einde: verdrietig, maar tevreden. Een bitterzoet einde kan het verhaal als diepzinnig labelen.

Let bij een bitterzoet einde extra goed op of je een balans hebt tussen fijne en vervelende gebeurtenissen. Uiteindelijk moet het goede net wat meer overheersen, maar dat mag het vervelende niet naar de achtergrond drijven.

Het gevoelvolle einde

* Laatste obstakel: het had anders gekund, maar het is goed zo, want er is toch nog iets moois uitgekomen voor het personage.
* Wrap up: je personage zal op haar leven terugkijken alsof zij de schrijfster van haar eigen verhaal is. Zij ziet alles wat er in is gebeurd en observeert simpelweg. Als je personage nog iets zou kunnen zeggen over haar leven, zal zij waarschijnlijk zeggen: ‘Als ik mijn jongere zelf iets zou kunnen vertellen dan…’ ze zou die zin dan afmaken met een bepaalde opgedane wijsheid.
* Het einde: een bepaalde berusting of verwondering over de manieren waarop een leven kan lopen.

Oude, wijze oma in de schommelstoel die terugkijkt op haar leven is een goed beeld bij een gevoelvol einde.

Let bij het gevoelvolle einde vooral op de uitwerkingen van de relaties tussen je personages. Overweeg om op belangrijke punten een butterfly-effect toe te voegen om je personage makkelijker te kunnen laten terugkijken op ‘de wonderlijke samenhang van het leven’.

Het sombere einde

* Laatste obstakel: je personage krijgt nog een laatste klap.
* Wrap up: alles is nog steeds even slecht, nog slechter of je personage gaat dood.
* Het einde: een flink rotgevoel.

Bereid je gedurende je hele verhaal voor op verdriet en een algemeen rotgevoel. Misgun je personage gedurende het verhaal al van alles en nog wat, anders werk je een anticlimax in de hand. Wees gewaarschuwd: een verhaal waarin je personage niet krijgt wat hij wil en ook niet wat nodig heeft, is extreem moeilijk om te schrijven. Het morrelt namelijk aan de basisstructuur van elke andere verhaalvorm. Vallen en opstaan zoals in het centrale conflict? Vergeet het maar; als je je personage niet eens de kans geeft om op te staan en hem blijft trappen als hij nog op de grond ligt…
Een zuiver somber verhaal/einde is niet per se slecht, zoals de film Grave of the fireflies bewijst. Maar je lezer zal uiteindelijk wel denken: Wat een vreselijk naar boek is dit, zeg. Dit ga ik dus echt niet herlezen…
Ook als is het een kwalitatief meesterwerk, je lezer zal dit verhaal nooit tot zijn favorieten rekenen.
Als je net begint met schrijven, raad ik je aan om nog even te wachten met dit soort verhalen.

Willen en nodig hebben deel 1: de heldenreis inhoud geven

In een centraal conflict -ook wel de heldenreis genoemd- beleeft je personage een bepaald groeiproces. Dat proces bestaat uit twee belangrijke elementen. Wat je personage wil en wat je personage nodig heeft. Wat is het verschil en wat betekent de uitwerking ervan voor je verhaal in het algemeen?

De heldenreis als groeiproces

Het centrale conflict of de heldenreis is wat je verhaal inhoud geeft. Het proces van vallen en opstaan is een belangrijk onderdeel daarvan. Maar waar struikelt je personage dan steeds over? Vaak heeft dat te maken met wat je personage wil en wat hij daadwerkelijk nodig heeft. Enkele duidelijke voorbeelden hiervan zijn:

Je personage wil Je personage heeft nodig
een stroopwafelvoedsel
een flink aantal likes op haar facebookberichtde bevestiging dat mensen geïnteresseerd zijn in haar doen en laten
een zonvakantie op een tropisch eilandtijd om even bij te komen van maandenlang hard werken
Probeer zo zwartwit mogelijk te denken in wat je personage wil versus wat hij nodig heeft. Dat maakt het uitwerken van de heldenreis een stuk makkelijker.

Je personage mag in het begin van het verhaal niet in de gaten hebben wat hij nodig heeft. Die ontdekking is deel van de heldenreis. Maar hij heeft vrijwel altijd heel goed in de gaten wat hij wil. Dat is namelijk waarvoor hij zijn comfortzone verlaat.

Zie het verschil tussen willen en nodig hebben als de volgende dialoog:
”Hé personage, waar kan ik je voor wakker maken? Eten?”
”Alsjeblieft niet, zeg, laat me dan maar lekker slapen…”
”En als ik warme stroopwafels met vanille-ijs heb?”
‘Dan kom ik metéén mijn bed uit!”

Een stroopwafel is ook iets te eten, maar je personage wíl iets heel specifieks. De achterliggende, algemene gedachte van voedsel is voor hem nog niet zo interessant als hij (spreekwoordelijk) nog niet wakker is geschud.

God van je personage

Ik scheef al eerder dat je als schrijver een soort god bent voor je personage: jij kan veel over zijn leven bepalen en jij weet waar het naartoe moet gaan. Voor deze blogpost kan je Bruce Almighty in gedachten houden. In deze film mag Bruce tijdelijk Gods ‘baan’ overnemen. Een van de twee voorwaarden is dat hij niet met vrije wil mag sollen. Oftewel: je personage moet nog steeds zelf dingen kunnen willen, vinden, bedenken en zijn eigen kijk op de wereld houden.
Jij mag als schrijver bepalen hoe je bepaalde wensen al dan niet vervult, maar je personage moet een eigen mening/ intrinsieke motivatie houden. Dat is het principe van de eerdergenoemde tabel. Jij mag weten of vinden dat je personage bevestiging nodig heeft, dat neemt niet weg dat je personage nog steeds verlangt naar veel facebooklikes, hoe slecht -of beter gezegd oppervlakkig- dat in eerste instantie ook lijkt van je personage.

De wil van je personage in het centrale conflict

Je personage heeft een doel voor ogen: iets wat hij wil. Een baan, een relatie, een goedlopende carrière, meer rijkdom… Daarvoor heeft hij bepaalde middelen tot zijn beschikking. Dit kunnen dingen zijn die buiten hemzelf liggen zoals een bepaalde opleiding, connecties of geld op de bank. Andere keren is het iets dat uit hemzelf komt zoals karaktertrekken of vaardigheden. Als je personage iets wil, zal hij alles aanspreken wat hij heeft, of dat nu iets is wat binnen of buiten hemzelf ligt. Experimenteer met alles wat er voorhanden is, dat maakt het makkelijker om tijdens het vallen en opstaan-proces niet in herhaling te vallen over de manier van aanpak. Als je personage wat dat betreft vindingrijk is, zal je lezer harder voor hem juichen.

Wat je personage nodig heeft

Als je duidelijk wil maken wat je personage nodig heeft, is het belangrijk om vooral uit te lichten wat uit hemzelf komt. Dat is de daadwerkelijke wil, waar de buitenkant eerder het middel is om iets voor elkaar te krijgen.
Bovendien helpt de ‘binnenkant’ om duidelijk te krijgen hoe een eventuele vervulling van datgene wat je personage nodig heeft kan gebeuren.
Als je personage beseft dat zijn willen en nodig hebben niet hetzelfde zijn, dan zal hij een moment van bezinning hebben. Meestal zit hier deels een uitwerking van een gewenste nachtmerrie in, hoewel het ook goedschiks kan gaan. In beide gevallen krijgt je personage een spiegel voorgehouden.

Het aha-moment voor je personage

Het moment waarop je personage beseft dat wat hij nodig heeft verschilt van wat hij wil, is het grote aha-moment voor je personage en de climax in het save the cat schema voor je verhaal of hoofdstuk. Als het een climax van een hoofdstuk of een scène betreft, kan de spiegel die dan wordt voorgehouden redelijk onschuldig van aard zijn. Een voorbeeld daarvan is als je personage beseft dat hij helemaal niet naar Thailand hoeft te vliegen om er even tussenuit te zijn. Een weekje wadlopen is net zo goed een andere omgeving als je in de drukke Randstad woont.
Dit kan een giechelbui bij de personage oproepen, waarna hij zijn schouders ophaalt en eens gaat kijken hoeveel een weekje Schiermonnikoog kost. Aan het eind van de dag, als de reis is omgeboekt, ziet hij dat de hele vakantie ineens vijfduizend euro goedkoper uitvalt. Hé, de nieuwe auto is nu plotseling stukken dichterbij… Ha!
Als het aha-moment relatief kleine gevolgen heeft, geeft dat je personage meestal een voldaan en trots gevoel.

Kom maar hier met die nieuwe wagen! 🙂

Maar als er meer op het spel staat of het probleem groter is, knapt er meestal iets in je personage. Neem de likes-obsessieve persoon. Als die plotseling beseft dat de likes waardevol voor haar zijn omdat het haar aan eigenwaarde ontbreekt, dan kan je een mentale instorting verwachten die grote gevolgen gaat hebben in de trant van: ”Waar ben ik al die tijd in godsnaam mee bezig geweest?”
Als dat moment is geweest, wordt het verhaal verder afgerond. Dan ga je verder met een laatste obstakel, de ‘wrap-up’ en het einde. In deze laatste fases wordt ook de toon van het einde van je boek bepaald. Daarover hier meer.

Karen: de vrouw met voorrecht

Karen is de laatste jaren enorm populair geworden in memes. Het is een witte vrouw die om zeer kleine dingen enorme stennis schopt. Maar Karen is ook de naam van een trope voor een bevoorrechte en vaak ook racistische vrouw. Wat is een Karen en hoe kan je haar slechte kanten ook in andere personages naar voren laten komen?

Drie kenmerken van een Karen

Laten we eerst naar de meme-Karen kijken. Je kan haar binnen een paar tellen herkennen aan drie basiskenmerken. Die gaan we verderop uitwerken om van haar geen karikatuur, maar een stevige personagetrope te maken.
* Ze heeft een typerend kapsel.
* Ze wil de manager spreken als de klantenservice haar niet 101% zint.
* Ze belt de politie als ze zich niet veilig voelt. Dat ‘veilig voelen’ is vaak zeer racistisch: Ze kan al het alarmnummer bellen omdat er een zwart persoon naast haar op een parkbankje zit. (Terwijl die persoon alleen maar naar de vogels kijkt of een boek zit te lezen.)

Dit plaatje kwam tientallen keren bovendrijven (waaronder op quora.com, mijn bron). Dat zegt genoeg, toch? 😉

Karens kapsel: teken van voorrecht

Dit kapsel zou je kunnen zien als een symbool van voorrecht. Voor dit kapsel moet je naar de kapper, deze laagjes knip je niet zelf en de highlights zet je ook niet zelf. Een kappersbeurt kost geen honderden euro’s, maar je houdt je haar, je uiterlijk en daarmee je voorkomen wel op orde. En als je daar de (financiële) middelen voor hebt, sta je al hoger op de sociaaleconomische ladder dan iemand die naar de voedselbank moet of dat ‘kappersgeld’ eerder besteedt aan nieuwe schoenen omdat het enige paar dat diegene heeft al gaten in de zolen heeft. Een arm iemand zal waarschijnlijk eerder een paardenstaart als kapsel nemen, omdat de bijbehorende punten relatief makkelijk zelf te knippen zijn en je zo kapperskosten kan besparen.
Hoewel deze beredenering zeer kort door de bocht is, hoop ik dat je zo makkelijker kan onthouden: Karen laat duidelijk merken dat ze iemand is die bepaalde voorrechten tot haar beschikking heeft. Wat typerend is voor Karen is dat ze voorrechten met rechten verwart. Een kappersbeurt blijft hoe dan ook een voorrecht, geen recht. Maar Karen verwart die dingen altijd met elkaar.

De manager spreken

Karens credo? Als je iets doet wat mij niet zint, heb ik het recht om je aan te klagen, want ik heb recht op alles wat mij een zorgeloos leventje bezorgt of dat iedereen mij onvoorwaardelijk bedient. En daarom doet of probeert Karen idiote dingen als:
* obers laten ontslaan als het eten haar niet smaakt;
* een winkelketen aanklagen als ze geen korting meer krijgt als de kortingsperiode al is verstreken.

Het alarmnummer bellen

Karen wil altijd dat alles naar haar zin gaat, kent geen onderscheid tussen recht en voorrecht en staat op een bepaalde hogere trede op de sociaalmaatschappelijke ladder. Het is dus misschien geen verrassing dat ze de neiging heeft om racistisch te zijn: ze belt meteen het alarmnummer als een zwart persoon of een andere minderheid letterlijk of figuurlijk een verkeerde beweging maakt, in plaats van dat ze eerst die persoon aanspreekt of zich überhaupt met haar eigen zaken bemoeit. Iedereen die zich onder haar op de sociaalmaatschappelijke ladder bevindt, kan zich maar beter voor haar bergen.

Karen is zo’n personage dat bij iedereen frustraties oproept.

De angst achter het voorrecht

Karen of andere personages die voorrecht en recht door elkaar halen, zijn vaak bang dat hun uw-wens-is-mijn-bevel-leventje vroeg of laat in duigen valt. De extreme behoefte aan controle en gehoorzaamheid van anderen van Karen is vaak te herleiden naar het feit dat ze ergens diep vanbinnen weet dat ze niet zelfredzaam zou zijn als haar privileges zouden wegvallen.
Je zou kunnen zeggen dat ze haar hele leven magic pixies om haar heen heeft gehad en dus nooit echt een centraal conflict heeft gehad wat ze zelf aan heeft moeten gaan. Ze is te veel gewend aan haar comfortzone om die te durven of zelfs maar te kunnen verlaten. -In Karens geval is de comfortzone wel degelijk altijd comfortabel-.
Het is voor haar veiliger om kritiek te hebben op anderen vanuit een hogere positie dan iets te veranderen aan het haar leven waar ze iets moet doen dat meer vergt dan alleen maar commentaar hebben vanaf een zijlijn.
Dat maakt een Karen(-achtig personage) een ideale slechterik. De randvoorwaarden van een goede held zijn: laat hem groeien, laat hem vallen en opstaan en een conflict om te overwinnen. Dit weigert een Karen steevast. Ze zet alles naar haar hand om dat maar niet te hoeven. Tel haar gemene karakter bij die onwrikbaarheid op en je lezer zit gegarandeerd met knarsende tanden over haar te lezen.

Karen als een slechterik

Karen is dus een ideale slechterik. Iedereen heeft een hekel aan haar. Een aantal goede voorbeelden van Karens zijn:
* Caroline Burnham uit de film American Beauty; (Let ook eens op haar kapsel)
* Dorothea Omber uit de Harry Potter-serie.
(Als je iemand vindt die deze personages kent en geen hekel aan ze heeft, laat het me weten…)

Karen is onwrikbaar in haar manier van doen. Omdat ze weigert als persoon te groeien en haar comfortzone te verlaten, kan ze niet echt veranderen. Ze is dus niet geschikt voor een heldenrol, maar ze kan wel degelijk een belangrijk moment beleven: als haar de wereld die zij ‘onder controle’ heeft in elkaar stort, beleeft Karen een fikse inzinking. Daardoor kan het lijken alsof Karen een oppervlakkig personage is, maar schijn bedriegt.
Als je Karen schrijft, hou er dan rekening mee dat ze niet als een Karen is begonnen. Ze heeft door de jaren heen waarschijnlijk veel muren rondom zichzelf gebouwd. Dat betekent dat ze vaak een interessante geschiedenis heeft, al komt die in je verhaal niet naar voren. Als je die geschiedenis serieus neemt, heb je een goed personage, geen karikatuur. Ook al blijft Karen een vreselijk mens.