Zo kan je een infodump ontwijken: zet actie in

Alle informatie in een keer delen, de beruchte infodump is geen slimme manier van schrijven. En toch zijn er momenten in een plot waarop het bijna verplicht lijkt om alsnog alle informatie in een keer te delen. Zoals de slechterik die uitlegt wat diens daden drijft. Hoe schrijf je daar omheen? Door niet de nadruk te leggen op de informatie, maar de actie en het bijbehorende effect.

Dit zijn hardnekkige infodumpmomenten

Infodump is een stuk tekst waar alle informatie die een lezer moet weten als een niet te stoppen waterval uit de mond van een personage of uit de inkt van een schrijverspen komt. Na even oefenen met schrijven lukt het de meeste schrijvers wel om de basisfouten te vermijden. Deel bijvoorbeeld niet alle informatie van je personage op bladzijde 1. Maar er zijn momenten in het verhaal waar deze stortvloed aan expositie een stuk moeilijker is om te vermijden of te spreiden. Wanneer je uit de doeken doet wat de slechterik slecht maakt en diens achtergrondverhaal gaat delen, bijvoorbeeld. Of wanneer je uitgebreid moet uitleggen wat een profetie inhoudt. En dan ligt slechte expositie op de loer.

Op zulke momenten is het verstandig om de actie in te gaan.

Actie als een show don´t tell

De eerste manier waarop je tot actie kan overgaan in plaats van een infodump te gebruiken, is informatie te vervangen door een lopende scène die middels show don’t tell de informatie overbrengt. Als de informatie die je wil overbrengen is:
– De slechterik doet ABC aan slechte daden
– Dit is de macht die die heeft
– Deze karaktertrekken versterken de slechte inborst
– De slechte kant komt voort uit XYZ,

is de infodump zoiets als: Slechterik is een genadeloze hebberd die met bruut geweld de absolute macht geeft gegrepen. Omdat Slechterik grootsheidswaanzin heeft, denkt die onkwetsbaar te zijn. Om de burgers onder de duim te houden worden zij bedreigd, bestolen en zijn er spionnen mensen arresteren zodra er maar een vermoeden is dat zij de Heerschappij in twijfel trekken.

Neem je actie als uitgangspunt, krijg je dingen als:
– een scène waarin een burger ‘in de naam van de wet van Slechterik’ zonder reden van diens bezittingen wordt beroofd.
– Slechterik in een confrontatie met de held zegt: “als jij mij in een zwaardgevecht kan verslaan, krijg je het hele koninkrijk.” Als Slechterik helemaal niet handig is met het zwaard, laat dit de grootheidswaanzin zien. De actie is zichtbaar, maar voegt ook nog eens iets toe aan het plot: er volgt een scène met een zwaardgevecht waar iets op het spel staat. Het is veel spannender dan twee personages die zeggen: “Slechterik denkt dat niemand hem kan verslaan.” Dat neigt te veel naar een as you know, Bob.

Deze manier van schrijven vergt aan de tekentafel wat meer werk, omdat je de informatie meer gaat spreiden over je verhaal en je dus ook moet bedenken welke informatie wanneer komt. Maar je infodump verdwijnt erdoor en de kans dat je een betere spanningsboog opbouwt is ook groter.

Schrijf emotionele actie tijdens informatie-overdracht

Dan is daar nog de onontkoombare informatiemonoloog. “Ga zitten, want nu komt er een stort aan worldbuilding of nieuwe informatie aan…”
In plaats van de meer fysiek gerichte actie, gaat je hier met tussenpozen op de emotionele reactie in.
Net als lezer gaat je personage heel wat informatie aanhoren. Dat brengt iets teweeg. Schok, ongeloof, opluchting, blijdschap, verdriet… En die emoties kun je laten zien. Wees er hier alert op dat je die op een schaal van 1-10 meestal relatief klein houdt, anders leest de combinatie van grote emoties en veel informatie te overweldigend.
Probeer hier niet alleen de emoties te omschrijven, zoals een knoop in de maag. Laat je personage ook in lichaamstaal of beweging naar handelen. Denk aan op de achterpoten van de stoel leunen bij verveling, op de lip bijten als het nerveus is of ijsberen bij onrust.

Dit moment is ook zeer geschikt om eens goed in het karakter van het personage te duiken.
We weten dat deze held dapper is, maar zoiets ontstaat niet zomaar en bestaat ook niet in isolatie. Bovendien is het belangrijk dat de karaktereigenschappen van je personages niet alleen op grote schaal bewezen worden.
Natuurlijk is het dapper om met opgeheven zwaard richting de vuurspuwende draak te rennen. Maar het is ook moedig om tijdens een slechtnieuwsgesprek het gesprek uit te zitten, of de ander te laten uitspreken en niet te vervallen in het beschieten van de boodschapper.
Als je het subtiel weet te houden, kan je zo de ‘infodump’ combineren met het verder bewijzen of uitwerken van bepaalde karaktertrekken of geschiedenis van je personage. Denk aan dingen als:
– zodra het woord valt dat je held ‘zal moeten opkomen voor de zwakkeren’ gaat je personage onrustig heen en weer lopen omdat het terugdenkt aan de laatste keer dat die dat deed en die hulp niet mocht baten.
– “Je zal de komende maanden minder mogen sporten: je moet je lijf rust gunnen.”
“Maar ik zie al mijn vrienden tijdens het sporten! Hoe moet dat dan, wijsneus?” snauwt de supersociale held die niet gewend is tegengesproken te worden uit de slof.

Als je moeite hebt met het uitwerken of bepalen van deze onderbreking van de infodump, kijk dan ook eens naar hoe je deze expositie wat meer kan vermommen.

Wees er bij de onontkoombare uitlegmonoloog niet al te bang voor dat deze dodelijk saai wordt. Ga de emotionele reacties van je personage zoals hierboven beschreven niet op de voorgrond zetten. Als het goed is, komt deze monoloog op een punt in het verhaal dat je lezer al zeer betrokken is bij het verhaal, zo niet snakt naar de informatie die je al een tijd lang achter hebt gehouden.

Dat is ook nog een goed punt om in gedachten te houden bij een infodump en informatie delen. Soms is het niet zozeer de hoeveelheid informatie die je deelt die stoort, maar ook het moment waarop. Pas als je lezer betrokken is bij de heldenreis en het plot, zal het flink wat (achtergrond)informatie willen horen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Zo blijft het plot spannend: wat staat er op het spel?

Een plot in een verhaal moet altijd vaart houden, zoveel is iedere bij schrijver bekend. Een van de manieren, zeker bij spannende verhalen, is om ervoor te zorgen dat er iets op het spel staat.

Hoe blijft een plot lopen?

Om bij het begin te beginnen: een plot loopt en blijft lopen doordat er steeds iets blijft lopen. Er is altijd iets aan de gang, waarover de lezer meer wil weten dus door blijft lezen. Dat kan je bereiken door de actie-reactieregel, of door wat en waarom-vraag te stellen. Als er iets aan de hand is en de personages daarop reageren, heb je in ieder geval steeds iets nieuws of spannends te vertellen. Dit kan je versterken door het vanuit het perspectief van het personage te bekijken. Hoe moet dit voor het personage voelen? Wat heeft het personage hier te halen?

Als het erop aankomt…

Je personages zijn degene die het plot beleven, dus ook degene die de acties in gang zetten. Zelfs als een externe factor de oorzaak is van een gebeurtenis, zijn de personages het die ‘besluiten’ wat er vervolgens met het grote geheel gebeurt. Als het regent, worden de personages nat. Het weer kunnen ze niet sturen, maar op ze vervolgens een paraplu gebruiken, dat is aan hen. En dat kan dan bepalen of ze later in het plot kouvatten of niet.

Om het plot vlot te houden, kan je kijken naar de personagebiografie. Zoek dan vooral naar zaken die je kan rangschikken. Het zinnetje “als het erop aankomt, dan…[ verkies ik dit boven dat]” kan je daarbij helpen:

* Als het erop aankomt, verkies ik vrienden boven familie
* Als het erop aankomt, verkies ik de sportschool boven een avondje op de bank
* Als het erop aankomt, verkies ik veiligheid voor zekerheid.

enzovoorts.

Als je ervoor wil zorgen dat je plot altijd iets interessants heeft, kan je een situatie in je verhaal verwerken dat je personage dwingt deze vraag te stelllen.

Wat staat er op het spel in het plot?

Jezelf een held noemen in een boek is makkelijk, maar die titel moet je wel verdienen door in actie te komen. En het plot moet weer iets aan het personage geven om in actie te kúnnen komen. Voor het de vraag is of je je paraplu opsteekt, moet er wel sprake zijn van regen. Dit vormt een mooi samenspel: het personage moet handelen, wil er überhaupt een plot ontstaan en dat plot moet zaken aan het personage voorleggen zodat het kan blijven handelen.
Maar het wordt pas echt interessant als er ook iets voor het personage op het spel staat. Dat is het moment waarop het plot aan het personage lijkt te vragen: nu komt het erop aan, dus wat ga je doen? Je hebt iets te halen, te winnen of verliezen, afhankelijk van de keuze die je maakt.

Als je die vraag centraal stelt, heeft een plot altijd een fatsoenlijke drijfveer en voorkom je ermee dat het altijd maar voortsleept. ‘Wat staat er op het spel?’ is zeker in thrillers en horror een belangrijk en ook vanzelfsprekend als voorwaarde voor spaninng, maar je kan het ook veel kleinschaliger bekijken:

Een kleuter krijgt de keuze: buiten spelen of binnen blijven voor een snoepje? Buiten speelt een vriendje, binnen wacht wat lekkers. Als het kind binnenblijft, kan het zijn dat het vriendje later niet meer met het kind wil spelen. Dat zal misschien niet het hele plot ondersteboven keren, maar als er inderdaad voor het snoepje wordt gekozen, kan het plot wel een andere kant opgaan.

Persoonlijke keuze bepaalt het plot

Hoewel de gevolgen van zo’n persoonlijke keuze niet altijd wereldschokkend zullen zijn, is het wel belangrijk dat het personage die gevolgen ondervindt als gevolg van die keuze. Dat geeft het personage een reden om niet vanaf de zijlijn toe te kijken en het plot wordt er spannend door, omdat het de indruk wekt dat wat je personage kiest, het verhaal ook stuurt: de persoonlijke keuze bepaalt. Hiermee wordt je held vanzelf ook unieker: zet een ander personage in dezelfde situatie en het verhaal loopt misschien wel anders.

Maak de inzet groot of aanwezig

Als er iets op het spel staat, kan dat het plot gaande houden. Maar je kan het ook bloedstollend spannend maken door het al dan niet handelen van je held een leven af te laten hangen. Daarbij geldt dat hoe meer er van de keuze afhangt, hoe spannender het is. Zeker in een losse scène kan dat de nodige vruchten afwerpen. Denk dan aan het moment dat de vijand al het mes op de keel van de geliefde heeft staan.

Soms is een inzet niet meteen duidelijk, of direct aanwezig. In het hier en nu is er niets aan de hand. Dat is voor even niet erg: soms is het ook tijd voor een sfeeromschrijving. Maar als je merkt dat het plot stokt, kijk dan eens hoe lang het geleden was dat er sprake was van een duidelijke inzet. De kans is groot dat je plot is ingezakt omdat er te lang geen sprake is geweest van een duidelijke inzet.
Loop je daarop vast, kijk dan eens op je een tussentijdse kleine inzet toe kan voegen. Of laat je prersonges anders bewust zijn van dat er in het ‘daar en straks’ iets gebeurt dat zaaien en oogsten vergt. Met andere woorden: het is tijd om nu in actie te komen om later de gewenste uitkomst te kunnen behalen. Als je nu niet begint studeren, vergeet het dan maar om straks nog cum laude te kunnen afstuderen.

In een verhaal is er altijd wel iets te winnen of te verliezen voor je held, al is het maar op de langere duur, of op kleine schaal. Speel daar zoveel mogelijk op in en laat daarin het karakter van je personages waar je kan een rol spelen. Dan zal je lezer zich alijd af blijven vragen wat het plot of je held gaat doen. Weer een reden om de volgende bladzijde om te slaan!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Riho Kroll verkregen via Unsplash.

Het ‘verteleffect’: zo wordt de schrijver te zichtbaar

Een van de manieren om de lezer uit het verhaal te halen is door te veel gebruik te maken van de telltechniek. En die heeft een broertje; het verteleffect. Daarin wordt het net iets te duidelijk dat de schrijver de lezer een bepaalde kant op wil sturen met conclusies trekken of door net iets te veel te willen helpen het verhaal aan elkaar te breien.

De interpretatievrijheid van een lezer

Het is de taak van de schrijver taak om empathie te kweken voor een personage: de lezer moet snappen wat een personage beweegt. Maar empathie is niet hetzelfde als het met iemand eens zijn. Het betekent dat je ziet welke waarheid geldt voor de persoon in kwestie.
Een van de pluspunten van verhalen is dat je empathie kan ‘oefenen‘ of hebben voor iemand die objectief gezien vreselijk is. Denk aan iemand die mishandelt. Hoewel het niet goed te praten is, leer je wel wat mensen tot vreselijke dingen aanzet om te denken of te doen. Andersom mag een lezer ook een personage vreselijk vinden dat op handen wordt gedragen. Denk bijvoorbeeld aan een influencer die een bepaalde kledingstijl aanprijst die helemaal niet de jouwe is. De hele wereld loopt met deze influencer weg, maar de lezer mag nog steeds denken dat die kledingstijl raar is.

Verhalen zijn in dat opzicht een veilige haven voor een lezer om over bijna levensechte mensen te kunnen oordelen of hen zelfs te veroordelen zonder dat dat directe consequenties heeft. Waar de lezer een hele schare fans over zich heen zou krijgen als die een echte influencer zou bekritiseren, komen de fans in de papieren wereld niet meteen met een ‘verban Lezer van het internet! – campagne aanzetten: die weten immers niet eens dat de lezer bestaat.

Het verteleffect: de schrijver maakt zich aan de lezer bekend

Dan is daar het verteleffect. Het ontstaat met de goede bedoelingen van de schrijver om de lezer aan de hand mee te nemen en zo het verhaal verder te kunnen volgen. Maar een ongewenste bijwerking ervan is dat je daarmee ook de interpretatievrijheid van de lezer af kan pakken. Het gemene van dit vertelleffect dat het zich (ook) kan vermommen als een woordje of een zin dat een onschuldige oorzaak en gevolg aan wil duiden, of gewoon enkele zinnen aan elkaar wil breien. Dit zijn een aantal van de grootste boosdoeners van het vertelleffect:

* Blijkbaar –> Blijkbaar was het niet genoeg voor Annabel dat Linda haar een dienst had bewezen
* Namelijk –> Dat vond Frenk niet fijn. Hij had namelijk al vaker uitgelegd dat hij dit niet wilde.
* (ook /best) wel –> Het was wel lastig voor hem om daar alweer mee gecontronteerd te worden.

Of, verstopt in sommige zinsconstructies:
* want –> dat was eng, want hij was bang in het donker
* dus –> Dat vond hij leuk, dus hij wilde meedoen
* daarom –> Daarom was hij dolgelukkig
* daardoor –> Daardoor voelde hij zich verraden

Deze voorbeelden zijn zou je vertellwoorden en -zinnen – met een dubbele l- kunnen noemen. Hiermee vertelt de schrijver heel letterlijk wat die wil dat de lezer concludeert of voelt. In de laatst genoemde zinsconstructies is het cirkeltje van de tell techniek weer rond en krijg je hetzelfde effecct als bij de tradionele ‘tell‘. Voor woorden als namelijk en blijkbaar is het vertelleffect relatief makkelijk op te sporen met de vuistregel:

Vertellwoorden- en zinnen worden vaak meteen opgevolgd door of gecombineerd met iets wat het personage doet of vindt

Bijvoorbeeld:

* Blijkbaar was William op iets slechts uit, dus ging James uitzoeken wat er aan de hand was.
* Ze ging bij Eva verhaal halen: zoiets pikte Natalia namelijk niet van een vriendin.
* Omdat het wel fijn was om met iemand te praten, besloot zij haar moeder te bellen.
* Ze werd beschouwd als een oplichtster. Daarom schreef ze een mail om het tegendeel te bewijzen.

Wat hier zo misgaat, is dat de schrijver hiermee op de pauzeknop van de lopende film in het hoofd van de lezer drukt. Alleen maar om te zeggen: snap je dat? In de basale zin van begrip, of in de trant van: ‘weet je waarom? Ben je het met mij en mijn symboliek eens?’ Het is onnodige en storende nadruk, maar dan nog een tandje erger. Niet alleen legt de schrijver nadruk op het ritme van de zinnen en woorden, maar ook nog eens hoe de lezer die vervolgens interpreteert. Daarmee pak je die belangrijke vrijheid van de lezer af om zelf een beeld bij je verhaal te vormen en daar de eigen conclusies bij te trekken.
Wat ook kan gebeuren is dat de lezer zich als dom bestempeld voelt bij deze manier van schrijven. En dat is ook niet zo gek. Kijk nog eens naar een aantal van deze voorbeelden. De schrijver zegt hier bijna letterlijk dingen als:
“Weet je nog? Dat stond in hoofdstuk 2.”
“Heb je dat al door, of moet ik dat nu nog een keer zeggen als laatste bewijs daarvan?”

Daar doe je de intelligentie van je lezer en ook je eigen kunde die je als schrijver hebt enorm mee tekort: je trekt beide ermee onnodig in twijfel.

Uiteindelijk is de lezer nooit helemaal te sturen

Als schrijver wil je tot op zekere hoogte dat de lezer het met je eens is. Al is het maar omdat je daardoor een verhaalthema duidelijker naar voren kan laten komen. Maar je kan er niet omheen dat een lezer een tekst altijd op diens eigen manier zal interpreteren, hoeveel je dat ook stuurt. Waar de ene overlevende van kanker juist ieder verhaal daarover leest om het eigen verdriet beter te kunnen verwerken, laat de andere juist al die verhalen liggen om niet meer achterom te hoeven kijken naar dat vreselijke hoofdstuk in het eigen leven.
Je hebt dus nooit de garantie dat je je lezer op die manier voor je wint. En voor zover dat wel kan, komt jouw algehele beheersing van schrijftechnieken daarbij kijken. Met enkele woorden of zinnen behaal je dat doel nooit.

Volgende week post ik tips voor het vermijden van het verteleffect.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Priscilla Du Preez 🇨🇦 verkregen via Unsplash

Zo voelt je lezer mee met je personages

Als schrijver wil je dat je lezer in het verhaal geïnteresseerd is en blijft. Daarvoor moet het die tenminste iets kunnen schelen wat er in het verhaal en met je helden gebeurt. Maar ook dan is er nog een een verschil. Er kan worden meegeleefd, op een afstand, of er kan worden meegevoeld, zodat de lezer alles heel intensief meekrijgt. Het is een nuanceverschil in woorden, maar in uitwerking en effect een verschil tussen dag en nacht.

‘Wat vreselijk voor je’

Je moet ervoor zorgen dat je lezer op zijn minst meeleeft met je personage. Als het gaat om verhalen betekent dat net iets anders dan in de echte wereld.
Het basisbeginsel van empathie in fictie is dat het je überhaupt iets kan schelen wat je personage overkomt en je weet over wie het gaat. Als de held waarvoor je hoort te juichen doodgaat, dan moet de lezer op zijn minst denken: o nee! In plaats van: ach, romantische Romeo nummer 68, nou en?
Als je lezer slechts meeleeft met je fictieve personage, staat dat ongeveer gelijk aan een kennis die vreselijk nieuws deelt. Je zal oprecht even schrikken en het kan je wel degelijk iets schelen. Je ligt er alleen niet wakker van. Dus je zegt: “Wat vreselijk voor je, ik leef met je mee.”

‘Wat vreselijk, ook voor mij’

Als je lezer, meevoelt met je personage, denkt die: ‘Wat vreselijk, ook voor mij,” zodra je personage iets naars overkomt. Het is iets wat die niet zomaar naast zich neer kan leggen. Het is niet meer van een afstandje meekijken, maar echt voor de volle honderd procent voelen wat het personage ook voelt, zonder dat daar een uitweg voor te vinden is.
Dat kan je op verschillende manieren bereiken, zodra aan de eerder genoemde voorwaarde van het opwekken van empathie is voldaan:

  • Zet op het goede moment een -korte!- flashback in
  • Maak je sfeeromschrijvingen zeer beeldend
  • Kom met een plottwist die niet alleen acuut, maar ook onherroepelijk is voor de wereld van je personage

Met andere woorden: zorg ervoor dat het hier en nu alle aandacht krijgt. Als je in het hier en nu schrijft, doe je dat beeldend. Gebruik je een flashback, zorg er dan voor dat het kortstondige ‘toen en daar’ waarnaar je terugblik inslaat als een bom.

Het hier en nu alle aandacht geven in een scène

Nieuws of een plotselinge verandering komt harder aan als je er niet aan kan ontsnappen. Alsof de grond je voeten wegvalt en je in een diepe kuil neerstort. Als je het hier en nu de juiste aandacht geeft in een scène, voelt dat niet alleen zo voor je personage, maar ook voor je lezer. Doe je dat iets minder goed, dan lijkt het voor de lezer eerder alsof die aan de rand van diezelfde kuil van bovenaf naar je personage kan kijken.

Een belangrijk uitgangspunt hiervoor is dat je het verschil weet tussen beeldend schrijven en gedetailleerd schrijven. Om twee schrijftermen te gebruiken: dat is het verschil tussen een infodump die te goed zijn best doet en een goede show don’t tell. Een voorbeeld: iemand wordt al maanden van het kastje naar de muur gestuurd en staat op het punt van knappen.

Gedetailleerd schrijven is dan zoiets als:
“Nee meneer, daarvoor moet u toch echt bij een andere afdeling zijn.”
Richard voelde zich bevriezen. Zijn oren suisden. Hij ging zitten om te voorkomen dat hij in zou storten. Wat had hij zonet gehoord? Snapte die ambtenaar wel wat hij had meegemaakt? Zijn herinneringen brachten hem terug naar het moment dat Femke gelogen had tegenover de politie.
“Agent, Yvonne zegt dat haar vader haar ongepast heeft aangeraakt.”
Net als toen stak er opnieuw een dolk in Richards hart. Plotseling was het hek van de dam. Hij dacht aan de manier waarop het zure braaksel in de keel was blijven steken toen hij voor het eerst een advocaat was gaan zoeken in de hoop zijn onschuld te bewijzen. Aan hoe iedere spier in zijn lijf zich had verkrampt toen zijn moeder voor het eerst naar het hoe en wat had gevraagd. En hoe zijn hart aan gruzelementen werd geslagen zodra hij de kleine Yvonne voor het eerst naar die beschuldigingen had gevraagd. Yvonne, zijn kleine meisje, dat hij nu misschien nooit meer zou zien.
“Klootzak!” schreeuwde hij naar de medewerker.

Merk op dat zintuiglijk schrijven goed werkt om het hier en nu te vangen. Maar als je dat zoals hier te gedetailleerd doet, het een overdaad wordt die schaadt.

Beeldend schrijven is bijvoorbeeld:
“Nee meneer, daarvoor moet u toch echt bij een andere afdeling zijn.”
Hij voelde het bloed door zijn aderen racen. Als in een flits zag hij een brief op de mat vallen: je mag je kind nu nooit meer zien. Het warme handje van Yvonne leek zich nog een laatste keer om zijn hand te sluiten.
“Klootzak!” schreeuwde hij naar de medewerker.

Dit voorbeeld lijkt misschien kort door de bocht, maar daar komt een belangrijk punt om de hoek kijken. Als je al empathie van de lezer hebt, houd je die doorgaans. Je hoeft dan niet te herhalen wat er exact op het spel staat. Dat weet de lezer als het goed is al. Dat allemaal nog eens opsommen haalt je lezer weg uit het hier en nu.

Kortom: bij gedetailleerd schrijven wil de schrijver de sfeer, gedachten en gevoelens zo graag meenemen, dat het hier en nu er alsnog door op de achtergrond raakt. Het lijkt een kern te raken, maar dwaalt er in feite steeds meer van af. Bij beeldend schrijven reduceer je het ‘nu’ eerder naar enkele seconden dan een tiental daarvan. Bovendien kijk je naar wat de kernemotie van je hoofdpersoon is, in plaats van de aandacht te geven aan de talloze emoties die je personage (allemaal) kan voelen.

Wil je dat je lezer daadwerkelijk met je personage meevoelt, zorg er dan dus voor dat de lezer niet om de gevoelens van je personage en die van zichzelf heen kan.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door mohamad azaam verkregen via Unsplash

Een goede romance schrijven? Schakel de hersens uit!

Romantische verhalen zijn er in overvloed. Ze worden vaak gezien als oppervlakkig. Op zijn minst zijn ze daar in ieder geval vatbaar voor. Hoe komt dat en wat kan jij als schrijver doen om wel een diepgaande romance te schrijven? Als je een goede romance wil schrijven, moet je de hersens uitschakelen en emoties de overhand geven. Het verwarrende is dat de stereotype kleffe romance precies het tegenovergestelde doet.

Verliefdheid: hersens op tilt

Verliefdheid ervaren is heerlijk. Maar om nou te zeggen dat je dan normaal functioneert… Je bent continu afgeleid door je dagdromen, je kan je eetlust kwijtraken en het cliché ‘liefde maakt blind’ blijkt waar. Niet alleen dat: je raakt een bepaalde objectiviteit kwijt. Als je makker drie dagen niks van zich laat horen, is er waarschijnlijk een goede reden voor. Doet je vlam dat, dan ben je waarschijnlijk gedumpt én voelt dat als het einde van de wereld. Alleen vanwege dat ene leuke gesprek of dat uitzonderlijk knappe koppie. Evolutionair gezien zijn onze hersenen geprogrammeerd om verliefdheid zo extreem te beleven: het voortbestaan van onze soort hangt ervan af. Je kan dus stellen dat je niet zozeer vlinders vóelt, maar dat je hersens tijdelijk op tilt slaan.

Neem dan liefde: die latere fase waarin je de schaduwkanten van de ander ook erkent, maar alsnog van diegene houdt en ook samen het nodige hebt doorgemaakt. Daarvoor moet je elkaar meerdere keren door dik en dun gesteund hebben, conflicten hebben doorgemaakt en opgelost. Allemaal momenten waar emoties bij komen kijken, in de onschuldige, alledaagse zin van het woord. Natuurlijk zal het bij een crisis wel wat heftiger zijn, maar het is niet meer de dag-en-nacht-tilt-modus van de hersenen tijdens een verliefdheid.

De kleffe romance: hersens op de voorgrond

Als Romeo maar knap is en als Julia in de slaapkamer zich maar de liefste en mooiste op de wereld voelt, dan is het een verhaal zoals dat * ahum* maar eens in de eeuw voorkomt. Dertien- in-een dozijn-romances beweren dat ze helemaal op het gevoel ingaan, maar in feite blijven de op hol geslagen hersens aan het roer. Kijk daarvoor niet verder dan het cliché misverstand. Gaat dit fout, dan schrijf je een kleffe romance, doe je het goed, dan schrijf je over liefde. Julia gaat naar de personagepsycholoog…
“Wat gebeurde daar nou, Julia?”
“Wat daar gebeurde?! Dat zal ik vertellen. Ik kwam terug van boodschappen doen en daar stond die gluiperd. Je had zijn blik moeten zien. Vol met empathie, ze had zijn volle aandacht en toen omhélsde hij haar. Wel twee seconden! Serieus, vuile…”
Diagnose: verliefde hersenen op tilt. Deze vrouw is hopeloos: ze is niet voor reden vatbaar en wil haar emoties niet daadwerkelijk voelen. Ze wil slechts ratelen.
“Oké Julia, ga maar weg. Ik heb cliënten die wél aan hun relatie willen werken en die mij als schrijver en mijn lezers wél serieus nemen…”

Echte liefde en een goede romance: stilstaan bij emoties

Als je het goed wil doen, dan moeten jij en Julia deze situatie heel anders benaderen. Niet opblazen en afraffelen, maar echt stilstaan bij wat er nu in het hoofd van de betrokkenen omgaat. Julia krijgt een herkansing in de psychologenpraktijk.

“Ik schrok omdat ik niet snapte wat er gebeurde. Ik herkende de vrouw ook niet meteen als mijn buurvrouw, dus daarom leek het alsof Romeo Jan en alleman omhelsde. Dat hij gewoon losbandig is.”
“Ben je vaak door anderen in de steek gelaten?”
“Nee. Maar ik voel mezelf niet altijd mooi. Soms ben ik wel eens bang dat Romeo me zó heeft ingeruild voor een vrouw die mooier is dan ik.”
“Dan geef ik je als huiswerk mee dat je dat met Romeo moet bespreken. En dan gaan wij een plan opstellen voor de komende maand hoe wij daaraan kunnen werken voor jou persoonlijk.”

Om dit te vertalen naar wat je in concreet als schrijver kan of moet doen:

  • Verdiep je in de personagebiografie van beide geliefden en kijk wat er relevant is voor de situatie. Raffel dat proces niet af. Je moet de diepte in gaan om dit goed tot zijn recht te laten komen,
  • Bedenk wat er aan conflicten spelen en kunnen spelen. Het zijn er waarschijnlijk meer dan een. Overweeg goed wat het centrale conflict wordt en wat het subplot.
  • Erachter komen welke kernemoties centraal staan
  • Niets overhaasten. Besteed er de nodige woorden aan. Je schrijft Julia niet voor niets meerdere sessies voor. Dit gaat even duren.
  • Je moet samen met Julia de emoties volledig doorvoelen. En dat kan pijn doen. Voor Romeo en Julia, maar zeker ook voor jou als schrijver of voor je lezer. Rauw schrijven is hier nodig, ook al is dat niet leuk.
  • Dit probleem niet behandelen als een probleem dat ‘gewoon’ moet worden opgelost als onderdeel van een plotontwikkeling, zoals het cliché van het doodzieke kind wel doet.
  • Julia’s sessies niet overromantiseren als middel dat het perfecte stelletje dichter bij elkaar brengt.

Schrijven over liefde en emotie

Julia’s behandelplan is een flinke lijst. Maar dat is wel wat het zo moeilijk maakt om een écht mooie en unieke romance te schrijven. Niet alleen is het veel om over na te denken en om uit te werken. Het kan voor een schrijver ook behoorlijk moeilijk zijn omdat je via of samen met Julia veel over emoties na moet denken en die goed onder woorden moet brengen, wil je daadwerkelijk over echte liefde schrijven. En jezelf missschien ook wel de nodige spiegels voorhouden. De stereotype kleffe romances nemen daar de tijd niet voor, of hebben het lef niet.

Liefde, niet romance, is wel zo groot, allesomvattend, eng, belangrijk, krachtig en veelzeggend dat het onze pet soms te boven kan gaan. Daarom wordt het schrijven daarover erg lastig. Romance is dan de ‘korte, makkelijke weg’ om daar alsnog enigszins over te kunnen schrijven. Zonder je spreekwoordelijke teen te hoeven stoten. Gewoon lekker zwijmelen. Dus dan wordt het credo: hersens uit, of ze juist compleet op tilt laten slaan.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kelly Sikkema verkregen via Unsplash.


Zo worden emotionele beslissingen spannende plottwists

Mensen en personages verschillen soms niet eens zo veel van elkaar. Bijvoorbeeld als ze denken dat ze heel rationeel zijn en altijd de meest doordachte oplossingen nemen. Dat is misschien zo, tot het moment waarop er iets gebeurt waar de emotie de overhand krijgt. Je kan dit in je voordeel gebruiken om een plottwist in gang te zetten of om een subplot extra kleur te geven.

‘Dat zou mij nooit gebeuren…’

We zijn er allemaal wel eens schuldig aan geweest. Er overkomt iemand iets naars als gevolg van een onhandige zet of vreemde gedachtengang. Dat was óns nooit overkomen. “Je had kunnen weten dat ze niet verliefd op je was. Ze wilde verkering zodra ze hoorde van de status van je bankrekening…”
Om dan zelfs vervolgens voor een leuke verschijning te vallen die je niet veel later in de steek laat.
“Dat had je kunnen weten,” aldus je eerdere gesprekspartner. “Had je niet gehoord dat jouw lieveling door meerdere mensen zo genoemd wordt? Dat was míj nooit overkomen…”

Emotionele betrokkenheid als boosdoener

In zekere zin heb je gelijk als je van een afstandje denkt dat bepaalde ‘domme dingen’ jou niet zouden overkomen. Zeker niet als je van jezelf al wat meer rationeel bent ingesteld. Maar de mens is nog altijd een emotioneel en sociaal wezen. Zodra je ergens dichter of emotioneel bij betrokken raakt, is het makkelijker om te bedenken dat alleen anderen iets naars overkomt. Want ‘dit voélt zo goed’. Of: we hebben het hier over iemand die tijd in mij geïnvesteerd heeft. En dan leer je elkaar kennen. En mensen die je kent, bedonder je niet. Zo kan emotionele betrokkenheid een boosdoener worden.
Anders gezegd, in iets meer ‘creatieve schrijverstaal’: zodra je empathie voor de situatie weet op te roepen is het voor zowel lezer als personage moeilijker om objectief naar een verhaallijn te kijken. Die zijn nu persoonlijk betrokken bij het verhaal. Dat kan je in je voordeel gebruiken.

Emotioneel betrokken personages

Je kan je verhaal spannender of diepgaander maken als je personages op een soortgelijke manier emotioneel betrokken maakt bij wat hen overkomt. Zeker als jij als schrijver je personage goed kent, is het een goede methode om zowel de spanningsboog als het plot nog meer te verrijken. De belangrijkste dingen om daarvoor te weten, zijn de zaken waar je personage het meest om geeft. Denk aan dingen als:

  • Een wens die in vervulling kan gaan
  • Het welzijn van geliefden
  • Een project waar je personage nauw bij betrokken is
  • Een angst die uit kan komen

Een belangrijk punt hierbij is dat je personage het gevoel moet hebben dat het daar een zekere grip op kan hebben, of de uitkomst daarvan kan sturen. Dat zijn dan dingen als:

  • Als ik hard genoeg train, kan ik sportkampioen worden
  • Ik kan mijn kinderen gelukkig maken door een leuk verjaardagsfeestje voor ze te organiseren
  • Als ik genoeg flyers uitdeel, dan wordt dit project bekend bij het grote publiek
  • Als ik maar hard genoeg werk, ziet niemand dat ik me een mislukkeling voel

Je kan een nieuw subplot in het leven roepen door je personage precies daar te raken waar het pijn doet. Waar het ene personage volledig rustig blijft als het deze maand rood staat, is dat voor het andere reden om alle objectiviteit te verliezen. Kijk dus eerst goed in de personagebiografie wat dat pijnpunt precies is. Als een heel subplot erop moet leunen, kies dan voor het element dat er het meest uitspringt.

Personage in paniek!

Je zet als schrijver iets in gang wat je personage absoluut niet wil. Het hoeft niet per se de grootste angst te zijn, maar het moet wel iets zijn waar je personage absoluut van af wil. En wel nu meteen. Die behoefte aan onmiddellijke actie zet je personage aan tot soms ronduit domme dingen. Wordt mijn kind gepest? Dan ga ik naar de moeder van de pestkop om te zeggen dat haar rotkind in de stront kan zakken. Dat is natuurlijk niet de manier om iets op te lossen, maar als de emotie het overneemt, zijn we niet altijd zo slim meer…

Zo is het relatief makkelijk om van kwaad tot erger te gaan, als dat nodig is voor het plot. Waak er wel voor dat je het niet groter maakt dan het hoeft te zijn. Deze eerdergenoemde moeder zo laten doordraaien dat ze doodsbedreigingen overweegt is geen goed plan. Houd het verschil tussen wat je personage en je plot willen of zouden willen goed in de gaten.

Als je op deze manier je personage gaat pesten, kijk dan eens goed wat die eerste, soms banale reacties zijn. Schrijf ze desnoods op in je opschrijfboekje. Hier kan je leren, of als opfrisser weer zien wat de leermomenten, grootste angsten en de mogelijke groeiprocessen van je personage zijn. Met andere woorden: hier kan je een conflict in gang zetten dat bij je personage past. En omdat het een subplot betreft, kan je zo de laatste loodjes van een levensles nog even belichten. Denk bijvoorbeeld aan het derde obstakel. Of licht in het eerste obstakel al een tipje van de sluier op wat jouw personage later in het verhaal laat panikeren.

Wie staat erbij en kijkt ernaar?

In een staat van paniek en gedachten van: alles behalve dat! Zal je personage alles en iedereen om hulp gaan vragen. Misschien zelfs wel de ergste vijand. Zo kan je dit subplot ook gebruiken om vriendschappen te verstevigen, vijandschappen (verder) aan te wakkeren. Ook kan je dit moment gebruiken om überhaupt de stand van zaken van een relatie op te maken. Wat kunnen of willen omstanders doen in tijden van paniek bij dit personage. Je leert in tijden van nood wie je vrienden zijn. Zijn er gedurende je verhaal al wat dingen gebeurd waar de lezer en of je personage niet helemaal de vinger op kan leggen? Dan kan dit subplot helpen om dingen duidelijk te maken. Als jij als medestander iets makkelijk op kan lossen vanwege een bepaalde emotionele afstand, maar dat niet doet…

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Deze karaktereigenschappen passen bij de trope van een interessant personage

Als je een personage gaat schrijven, begint de eerste schets altijd met een trope: een algemeen idee voor je personage wat gebaseerd is op bepaalde aannames. Die aannames zijn nodig om je personage te begrijpen en in en bepaald kader te plaatsen. Zo blijft het te volgen, ook voor de lezer. Maar als je te veel van een standaard trope uitgaat, wordt je personage dat ook. Voeg iets unieks, zo niet onverwachts toe en je personage wordt een stuk interessanter.

De starttrope van een personage

Schrijf drie personages op die je kent uit een boek met één woord of één begrip erachter die zegt wat hen weergeeft.
Dan krijg je waarschijnlijk een antwoord als: de uitverkorene, het lelijke eendje, de tovenaar. Dat zijn wat je de ‘starttrope’ zou kunnen noemen. Het allereerste uitgangspunt waar de verdere uitwerking van dat personage op gebouwd is. Pas daarna komen de kenmerken of de tropes die het ene personage onderscheiden van alle andere papieren personen in de fictiewereld. En met een starttrope ben je er nog niet. Die heb je meer dan een nodig, anders is de basis niet stevig. Maar zodra die basis stevig staat, kan je het ontwerpen van een personage erg spannend worden. Bijna als een plottwist.

Wat is een stevige basis voor een personageontwerp?

Voordat je een personage schrijft dat spannend, interessant, heldhaftig of uniek is, wil je een personage hebben dat te begrijpen valt. Vergeet daarbij het oproepen van empathie nog even. Het gaat hier om de absolute basis van wie het personage is. Daarbij moet je vooralsnog bijna, zo niet helemaal in stereotypen gaan denken. Schrijf je over een hippie? Ja, dan is dat inderdaad iemand die drie keer per dag mediteert, aura’s van anderen kan lezen en daar het beroep van heeft gemaakt en die ‘contact met de aarde’ zoekt. Kortom: je personage is net zo extreem overdreven en oppervlakkig als de Ekoplazamedewerkers in de sketch van Jochem Meijer.
Want ga in de beginfase van een boek maar eens uitleggen dat je personage wel een hippie is, maar niets heeft met wierook, meditatie en zes ons vlees per dag eet in plaats van veganistisch te zijn…Dat schept onnodige verwarring.

Als je bepaald hebt wat de absolute starttrope is -bankier, verpleger, hippie….- dan schrijf je daarna drie kenmerken op die vrijwel onmiddellijk volgen op die associatie:
– bankier: rijk, koel en formeel
– verpleger: zorgzaam, multitasker, invoelend
– hippie: mediteert, veganistisch, natuurliefhebber

Maak daar vervolgens in je opschrijfboekje een eerste schets van: hoe zit een alledaags leven er (waarschijnlijk) uit als die zaken de basis vormen? Schijf ook heel globaal op wat dat personage meemaakt. Je hoeft geen complete verhaallijnen te bedenken, maar schrijf daarbij wel dingen op als: sport graag, heeft baat bij een efficiënte planning maken, gaat het liefst met vrienden naar de bioscoop.

Als je deze globale schets van je personage hebt gemaakt, is het tijd voor het onverwachte element dat het karakter van je personage de diepgang geeft die het nodig heeft.

Diepgang voor je personage: het onverwachte of tegengestelde

Als je de eerste basis van je personage hebt uitgewerkt, weet de lezer waar die aan toe is. Dan is het zaak om iets toe te voegen wat je juist niet achter het personage zou zoeken. Denk aan dingen als:

  • De lieve oma van wie je verwacht dat ze breit, is een gerecepteerde gamer: ze zit in de landelijke top van een populaire shooter.
  • De mentaal zeer instabiele moordenaar kan heel rationele momenten hebben, waardoor die bijna normaal lijkt.
  • De gerespecteerde leider van het bedrijf, een allemansvriend, heeft achter de schermen een drankprobleem met een zeer kwade dronk. Het dreigt uit de hand te gaan lopen.

Merk op dat sommige dingen weliswaar tegenstrijdig kunnen zijn, maar ook onschuldig, zoals bij de oma. Andere keren is dat juist niet zo. Of, in het geval van de bedrijfsleider speelt er iets achter de schermen dat je later naar de voorgrond haalt. Wat je ook kiest, zorg ervoor dat het geheel van deze puzzelstukjes wel blijft kloppen, met name wat betreft het grijze gebied en dezelfde zijde van een medaille.

Plottwist, geheim, gegeven of heldenreis?

Zoals je waarschijnlijk ziet, is de onverwachte kant van je personage iets wat heel veel mogelijkheden biedt. Van het grootste geheim, een zaadje voor een plottwist, een heldenreis of ‘gewoon’ iets om je personage uniek te maken, het tegenovergestelde of onverwachte element kan allerlei kanten op. Het zal heel erg van je schrijfdoel, plotpunten en ook van het genre afhangen welke functie deze onverwachte karaktereigenschap gaat krijgen.

Als het een plottwist is, past dat goed bij een thriller of een detective, een feelgood heeft meer baat bij een groeiproces of een geheim, en een psychologische roman gebruikt dit aspect van het verhaal als een uitwerking voor de heldenreis. Hoewel niet zaligmakend, zijn hier een aantal vragen die je jezelf kan stellen om te zien hoe het onverwachte aspect van je personage je verhaal het beste kan dienen.

schrijfdoelschrijftechniek ter ondersteunning van onverwachte aspectonverwachte aspect personagegenre
spanninggeheim als plotontwikkeling, plottwistiets gemeens, of crimineels thrillers, detectives
uniek personagesfeeromschrijvingeniets onschuldigs, maar (sociaal) onhandigs feelgood, romance
een diepgaande heldenreisgeheimen, grootste angsteniets wat een masker ophoudtthrillers, psychologische romans
avonturen belevenhet plot rijk en continu veranderend houdenje personage geeft de missie steeds meer inhoud, of zorgt juist voor de nodige vertragingen. Je personage is wijs, onhandig, verward..fantasy, actie, thrillers

Als je op deze manier naar het ontwerpen van je personage kijkt, zie je hoe personage en plot hand in hand gaan. Omdat in deze fase de ideeën als paddenstoelen uit de grond kunnen schieten, kan het handig zijn om verschillende woordenwebben, tijdlijnen of andere schema’s bij te houden. Ook in de fase van de tekentafel ontstaat er soms een butterfly effect dat sneller zijn draad kwijt raakt dan je misschien zou willen. Zeker als je bedenkt dat we het nu over een personage hebben gehad en er nog andere personages bij zullen komen…

Foto door krakenimages verkregen via Unsplash.

Zo maak je een cliché origineel: het doodzieke kind

Clichés schrijf je liever niet. Geen nood! Ik help je een cliché te herkennen en de goede weg in te slaan als je tekst naar een cliché neigt. Daarvoor gaan we het cliché ontleden en de tekst weer terug op de rit zetten. Deze week: het doodzieke kind.

Het cliché: nóg meer ellende

Je held heeft het al moeilijk, maar het wordt zo mogelijk nog erger. Een geliefd kind wordt doodziek of sterft. Andere varianten op dit cliché zijn: er wordt onverwacht een scheiding aangekondigd, er valt een ontslag, je personage wordt opgelicht… Als het maar nóg meer ellende oplevert. Maar het doodziekte kind spant als cliché de kroon.

Waarom stoort dit zo?

Er is niets zo erg als een doodziek kind. Het is ronduit beledigend voor je gevoelens als je het meemaken van een ernstige ziekte of de dood gelijkstelt aan teleurstelling of alledaags verdriet. Dat doet dit cliché wel. Bovendien gebruikt het het doodzieke kind als een goedkoop middel om gewoon de zoveelste tegenslag in het verhaal te laten sluipen. Ieder probleem is gelijk.

Oftewel: het doodziekte kind neemt zowel het (hele!) verhaal als de gevoelens van de lezer niet serieus.

De aanloop naar het cliché

Het doodzieke kind vervult een belangrijk element in het verhaal. Het laat zien dat de held kan opstaan na een val en/of daartoe pogingen blijft doen, ook moet dat alwéér.
Dit cliché is de druppel of het eindpunt dat zegt: als je zelfs dit kan doorstaan, ben je je heldentitel waardig. Dat mag, tenzij je beweert dat problemen aan elkaar gelijk zijn.
Van ontslag leert de held zelfvertrouwen te behouden en bij een periode van rouw moet die leren om emoties toe te staan. Met alleen opstaan verwerf je geen heldenstatus. Je held moet laten zien waarvan en hoe die opstaat in verschillende situaties. Als de tegenslag er is zodat je held ‘gewoon nog een keer valt’, is dat wat het cliché zo vervelend maakt.

Nu jij!

Je personage heeft onlangs een ernstige diagnose gekregen, vlak na een ontslag. De telefoon gaat: “Ik heb slecht nieuws.”

Er mag een kind doodziek of overleden zijn, maar dat hoeft niet. Als het maar de spreekwoordelijke druppel is die je personage op zijn dak krijgt.  

De twee mogelijkheden van de aanloop naar het cliché zijn:

  1. Je personage slaat zich er uiteindelijk doorheen.
  2. Je personage gaat eronderdoor.

De bijbehorende clichés zijn:

  1. Je personage wordt een Mary Sue met doorgeslagen powerfantasy die echt alles aankan. Het vergt slechts een huilbuil die komt en gaat en de schouders worden er weer onder gezet.   
  2. Er knapt iets in je personage. Gevolg: drank, drugs en ellende.

Scenario 1 werkt niet in deze zuivere vorm nooit. Je held kan niet groeien als die perfect is of alle problemen aan elkaar gelijk zijn.   
Scenario 2 kan werken, zolang na dat telefoontje niet direct volgt: ‘En toen knapte er iets en greep ze naar de fles. Einde.’  Raffel je verhaal niet af en zorg voor de nodige afbouw.

Welk scenario er ook speelt, voorkom het cliché en:

Schrijf rauw  

Rauw schrijven?

Rauw schijven windt er geen emotionele doekjes om. Dit. Doet. Pijn.  Dat is niet ‘Ai, ik pinkte wel een traantje weg…”  Dat is grofweg een 5 op een tienpuntschaal. Rauw schrijven is een 9 of een 10, omdat je het publiek dwingt bij de emoties stil te staan en ze net zo heftig laat beleven als ze zijn. Je spaart ze niet en verzacht of romantiseert ook geen omstandigheden: hier heb je nog dagen last van. (Denk bijvoorbeeld aan een film als Schindlers list.)

Schrijf dus over rouw in plaats van verdriet en over machteloosheid in plaats van besluiteloosheid.

Ga je gang, schrijf een scène in de comments!

 Gebruik je dit cliché? Let dan hierop

  • Weet waarom je kiest voor een doodziek kind. Of juist voor ontslag, ontrouw…
  • Ga goed na of je held nog moet groeien. Gebruik het doodzieke kind niet als excuus voor een extra subplot of spanning.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door National Cancer Institute verkregen via Unsplash.

De ‘Wat-vijand’: moraal overbrengen in je boek

Er zijn verhalen waarbij je een boodschap mee wil geven aan de lezer. Maar een boek dat vooral een moraalridder in plaats van een bron van vermaak of inspiratie wil zijn, leest niet fijn. Je kan dan beter de held van je verhaal tegen de wereld laten vechten op een manier die relatief onzichtbaar is.

De broodnodige vijand

Een held heeft in een verhaal een vijand nodig. Dat is belangrijk voor het verhaalthema: het geeft je boek een prettig kader voor wat er moet gebeuren: als je held het goede of het licht symboliseert, moet de vijand duisternis symboliseren om ervoor te zorgen dat de held niet al te fluitend door het leven gaat. Vaak is de vijand een ander personage: de machtswelluste dictator, de ouder die de verliefde tieners uit elkaar wil trekken…
Maar niet ieder verhaal heeft een ‘iemand’ als een verhaal nodig. Verhalen waarin een moraal centraal staat, doen het beter als je een ‘iets’ de vijand maakt.

Bepaal en behoud de ‘wat- vijand’

‘Een ‘wat-vijand’ zijn dingen als: maatschappelijk onrecht, armoede of een extreem gevoel van eenzaamheid. Dingen die groter zijn dat de persoonlijke wereld van je held alleen, of wat je held kan overkomen. Het zijn ook zaken die je als verhaalthema zou kunnen gebruiken. Maar daar zit een valkuil in verborgen als je met je verhaal ook een moraal mee wil geven over datzelfde thema: personificatie.

Zoals je kon lezen in de inleiding op deze blogpost, komt het zelden voor dat iemand letterlijk representeert wat je held dwarszit en wat die moet overwinnen. Dat leest namelijk vreselijk geforceerd. Als het probleem van jouw feministische heldin Felicia Feminist is dat er gemene mannen aan de bedrijfstop zitten, is het wel erg toevallig *kuch* dat zodra ze de man op de zesde verdieping wegjaagt, al haar problemen zijn opgelost. Daarmee vergeet je dat niet Co de CEO als eenzaam persoontje de vijand of het verhaalthema is, maar het feit dat je heldin niet door het glazen plafond kan breken. Co (wie?) mag in een moralistisch verhaal niet de vijand worden, dat moet dat glazen plafond blijven (wat?)

Wat zijn de (minder) zichtbare tegenslagen?

Denk eens aan iemand die je niet mag. Niet je ergste vijand, maar iemand waar je wel een onprettig gevoel bij hebt. Schrijf nu eens op waarom. Wat doet diegene of wat heeft diegene gezegd waarvan je denkt: Nou… nee.
Waarschijnlijk zijn dat maniertjes, uitspraken of overtuigingen waarvan je niet met recht kan zeggen dat deze persoon in-en in slecht is, maar die desondanks vaker terugkomen en je ongemakkelijk laten voelen. Bijvoorbeeld:
* Hij neemt net iets te vaak de leiding in een gesprek, waardoor ik vind dat hij niet zo goed luistert.
* Zij laat zodanig vaak een taak liggen, dat ik erop begin te rekenen dat ik haar taak moet overnemen.
* Hij gebruikt het woord ‘vrouwtje’ zodanig vaak en met zo’n intonatie dat ik niet zeker meer weet of hij dat liefhebbend of neerbuigend bedoelt.

Zie je de twijfel in deze formuleringen? Wat je ergert is er wel, maar niet genoeg om te zeggen dat deze persoon meteen een ongevoelige hork, waardeloze collega of vrouwenhater is. Zo’n zelfde nuance moeten je plotpunten, scènes en dialogen krijgen als je een verhaal wil schrijven waarin een moraal de ruimte krijgt, maar niet alles overheersend wordt.
In tegenstelling tot:
* Hij laat nooit iemand uitpraten, praat luid en over iedereen heen
* Zij voert geen donder uit en ik moet iedere taak van haar overnemen: ik heb nu een parttime baan erbij
* Hij zegt steevast bij binnenkomst: ‘Hé vrouwtje, nu lust ik wel een biertje. Ga dat eens halen!”

Felicia Feminist en Sterke Steffie

We gaan kijken hoe dit er in de praktijk uitziet. Felicia Feminist is de sterke vrouw van de doorgeslagen trope, Sterke Steffie is daadwerkelijk een sterke vrouw: een van wie je kan zeggen dat ze tegenslagen overwint, niet per se iemand neer hoeft te halen en dat ze herkenbaar is voor vrouwen met een ‘echt’ leven: inclusief het doodnormale gezinsleven, de dagelijkse sleur en menselijke gevoelens en worstelingen. Beide vrouwen worstelen met het glazen plafond: hun ‘wat-vijand’.

De ‘wat vijand’Felicias verhaal Steffies verhaal
Mannen hebben meer macht dan vrouwenFelicia wordt afgeblaft door Co CEO zodra ze maar door dezelfde gang lopenSteffie is een van de weinige vrouwen in het bedrijf en ze zit niet in de vergadercommissie.
De vrouw zit niet bij de pakken neerFelicia schrijft -zodra Co niet kijkt – een bedrijfsrapport over gendergelijkheid dat ze later met rechte rug en een trots knikje bij Co op zijn bureau neerkwakt.Steffie schrijft een marketingsvoorstel en legt dat voor aan een (mannelijke) collega, in goed overleg
De vrouw kan haar eigen boontjes doppenFelicia vraagt nooit een (mannelijke!) collega om hulpSteffie neemt feedback van collega’s mee en gaat daarmee verder.
De vrouw is capabelAchter haar rug om zijn de (mannelijke) collega’s bang voor Felicia’s vooruitgang en proberen die in de kiem te smoren.Tijdens een vergadering wordt Steffies marketingsvoorstel afgewezen. Het is wel goed, maar te duur om uit te voeren.
De vrouw is geen Mary SueFelicia barst op het toilet in snikken uit als Co weer eens tegen haar heeft geschreeuwdSteffie verliest een deel van haar concentratie en wordt minder scherp, als ze overuren draait om haar marketingsvoorstel te herschrijven en in de tussentijd haar huishouden en gezin draaiende probeert te houden.

Merk op dat Felicia’s verhaal geen echte plotlijnen heeft, maar slechts losse momenten. Bovendien heeft Steffie ruimte voor groei: Felicia moet alleen maar overwinnen. Alleen al daarom is Felicia ongeschikt als heldin met een centraal conflict. Bovendien is alles wat er in haar verhaal gebeurt heel groots, niet bepaald subtiel.
Steffies verhaal hoeft niet altijd ‘braaf‘ te zijn, maar waak ervoor dat wat haar overkomt niet buiten proporties raakt.
Kijk zo eens naar je moraal: zit daar nog een verhaal in, of lijkt dat maar zo op de oppervlakte, omdat diezelfde oppervlakte alle ruimte opzuigt?

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Arièle Bonte verkregen via Unsplash.

Zo schrijf je een personage dat zichzelf tegenwerkt

Er zijn vele redenen waarom een personage zichzelf tegenwerkt. Dat kon je in de vorige blogpost al lezen. Ieder personage heeft iets paradoxaals in zich om interessant te zijn, anders wordt diens persoonlijkheid dat van een stuk karton. Een personage dat zichzelf tegenwerkt, heeft heel vaak iets wat het niet laat zien. Maar zodra het aan de oppervlakte komt, is het niet meer te stoppen.

Wat wordt er weggestopt?

Een personage dat zichzelf tegenwerkt, moet iets weg te stoppen of te compenseren hebben. Dat kan onschuldig zijn: als je held een houten Klaas is, zal het niet snel naar de sportschool gaan en ontwijkend gedrag vertonen als de vriendengroep het daar een keer voor uitnodigt. Dat kan een ongemakkelijk moment opleveren. Er zullen eindeloos veel smoesjes volgen en als de held dan toch een keer wordt overgehaald, zal het op talloze manieren zichzelf voor schut zetten door de onhandige manier van doen.
Hier kan je al zien dat er meerdere ‘laagjes’ zijn. Om de niet-atletische kant te verstoppen, worden er smoesjes verzonnen en zodra daardoorheen wordt geprikt, eindigt dat in gestuntel: het tripje naar de sportschool is onvermijdelijk en eindigt op de eerstehulppost met een gekneusde teen.

Maar het weggestopte probleem kan ook een complete scène of een heel verhaal dragen. Denk dan in termen van de grootste angst of grote schaamte. Dan gaat een personage zich echt niet zomaar gewonnen geven. Maar als je de zwakke plekken kent – die je in de personagebiografie hebt staan- kan je ervoor zorgen dat dit personage zich in de eigen voet schiet.

Casus: jurylid #3 Twelve angry men

In de film twelve angry men moet een jury bepalen of een 18-jarige die terecht staat voor de moord op zijn vader, schuldig is of niet. Bij de geringste twijfel moeten ze hem vrijspreken. In het begin van de film is er een jurylid dat ervoor pleit om de jongeman niet schuldig te pleinen, in eerste instantie gewoon om zijn zaak te bespreken. “Je kan niet zomaar iemand ter dood veroordelen zonder daarover gepraat te hebben,” is zijn gedachtegang. Uiteindelijk gaan de andere juryleden een voor een overstag, maar jurylid #3 is bijzonder koppig. Of eigenlijk: gewoon boos. Hij luistert niet naar argumenten: hij wil gewoon dat de jongen wordt veroordeeld. Dat komt omdat hij zijn zoon op de jongeman projecteert. #3 heeft een 22-jarige zoon met wie hij geen contact meer heeft. De film impliceert dat dat komt omdat de vader te agressief was naar zijn zoon.
Maar zo ziet vader dat niet. “Je doet altijd alles voor die verwende jongeren en dan kunnen ze je van alles flikken: ze hebben geen respect meer voor hun vaders.” Hij kijkt niet verder dan zijn eigen blinde vlek en daarom moet de jongen die terechtstaat hoe dan ook veroordeeld worden, als wraak naar zijn zoon. Maar in die blinde woede nemen andere juryleden hem op een bepaald moment minder serieus. Of #3 delft zijn eigen graf, met bijvoorbeeld:
“Wat maakt mij het uit of dát bewijs klopt? Dít bewijs is waterdicht, al het andere mag het raam uit!”
Om twee minuten later te horen, als hij op ander bewijs terugvalt: “Maar dat andere bewijs mochten we toch het raam uitgooien?”

Koppig of diepgaand?

Je kan het hoe en wat achter een koppig personage niet onthullen. Dat leest niet prettig. Maar een personage dat zichzelf tegenwerkt, zoals jurylid #3, kan ontzettend interessant zijn. Tot op het allerlaatst, als hij instort en al heel wat nare en kromme dingen heeft gezegd, is het lastig sympathie voor hem te voelen. De reden dat hij toch interessant blijft, is omdat datgene wat hem tegenwerkt – zijn eigen woede- consistent is in gedrag, maar niet in gevolgen. Langzaamaan keren steeds meer juryleden zich tegen zijn argumenten, manier van doen of ‘debatteren’. Bovendien wordt er uitstekend gebruik gemaakt (subtiel) van zaaien en oogsten.
Als een personage zo gedreven door één enkel motief, denkt het publiek: triggert zelfs dít jou? Kun je hier óók al boos om worden?
Blijkbaar wel. Als je het daarbij laat, gaat je personage mislukken en irritant worden. Geef een reden waarom die houding dat personage blijft dienen (of dat lijkt te doen!) en dan heb je ineens een heel interessante personagegroei om in de gaten te houden. Want als iets negatief is, dan kan iets jou niet alleen maar blijven dienen. Er komen scheurtjes in die tactiek. Het personage heeft dat zelf niet door, omdat die iets anders ziet gebeuren, of anders naar de situatie kijkt. ‘Maar wáárom dan?’ is wat het publiek geïnvesteerd houdt.
Jury #3 zou bijvoorbeeld kunnen denken: het gaat er mij niet om dat ik boos moet zijn, het gaat er mij om dat mijn gezag geldt, want daar hecht ik waarde aan. Dat boos zijn heeft daarvoor altijd gewerkt, dus dat heb ik tot mijn emotionele schild gemaakt.
Als er dan een moment komt waarop dat niet meer werkt, een personage dat te laat inziet en dus langzaam maar zeker het eigen graf delft, vraagt een toekijker zich af wat er nog meer komt, achter zit of gaat gebeuren: pageturner gegarandeerd.

Zoeken naar de ultieme trigger

Een ultieme trigger dwingt je personage tot uiteindelijke overgave. Wat dat is lees je in je personagebiografie. Geef het vorm alsof het een verhaalthema is: een en hetzelfde gegeven dat je op meerdere manieren kan verpakken. Als afbrokkelen van het gezag de ultieme trigger is, denk dan aan tegenspreken, niet luisteren, onbeleefd antwoord geven of negeren. Zo kan je voldoende variëren met een personage dat steeds opnieuw in de aanval gaat, maar voelt het wat minder alsof die steeds om hetzelfde (kleine) ding het hoofd stoot. Geef ondertussen ook hints naar de kern van het probleem, in plot taalgebruik, of sfeeromschrijvingen. Als de trigger dan maar blijft komen en de aanvalstactiek niet verandert, kost dat je personage vroeg of laat de kop. Tot dat moment aanbreekt of op het moment zelf kan je hints geven naar wat het eigenlijke probleem precies is om het verhaal spannend te houden.

Foto door Dmytro Tolokonov via Unsplash.