In drie stappen naar een geweldige fictieve vriendschap

In elk verhaal is wel een vriendschap tussen personages te vinden. Helaas komt het nogal eens voor dat een kameraadschap voor de schrijver heel vanzelfsprekend is, maar de lezer zich afvraagt waarom deze personages elkaar eigenlijk mogen. Hoe zorg je ervoor dat een vriendschap van het papier afspat?

1. Alleen omdat jij het zegt…

Als schrijver bepaal jij het verhaal, je plot, je personages. Eigenlijk alles. Maar dat betekent niet dat alles wat je schrijft meteen klopt. Je moet wat je schrijft laten kloppen. Alleen omdat jij het zegt, maakt het nog niet waar. Bekijk het zo: 
Arjen en Niels zijn de beste vrienden, omdat Arjen ooit tegen Niels heeft gezegd dat hij hem aardig vindt. Iemand aardig vinden is natuurlijk wel een absolute basis voor een vriendschap. Als het daarbij echter ophoudt, dan ben je nog geen vrienden. Het kassameisje van de supermarkt is ook aardig, maar daar ben je geen vrienden mee. Als je wil dat Arjen en Niels vrienden zijn, zorg er dan voor dat ook blijkt dat ze elkaar mogen. Laat ze elkaar vriendschappelijk op de schouders slaan als ze elkaar tegenkomen en geef ze soortgelijke interesses. Zorg dat ze deze dingen ook ondernemen, ze mogen er niet alleen over praten. Kortom: gebruik show, don’t tell.

2. Wanneer ben je vrienden?

Jij en het kassameisje zijn aardig tegen elkaar, maar niet met elkaar bevriend. Waarom niet?

* Ze heeft je nog nooit uit de brand geholpen.
* Je hebt haar nog niet met iets leuks verrast.
* Je hebt haar huishouden niet overgenomen toen haar moeder doodziek was.
* Zij kent jouw ambities en grootste angsten niet.
* Je bent niet bij de doop van haar kind geweest

Dit zijn voorbeelden om duidelijk te maken dat je als vrienden dingen van elkaar moet weten en samen moet doen die meer dan oppervlakkig zijn. Deze lijst kun je naar eigen inzicht invullen. Een goed uitgewerkte vriendschap in een verhaal is er een waarvan de lezer weet wat de vrienden hebben meegemaakt of meemaken. Wat dat is kan per verhaal verschillen, maar je moet wel meerdere van eerdergenoemde punten in je verhaal naar voren laten komen.

3. Laat de vriendschap zich bewijzen door herhaling

Zodra je weet wat de ‘vriendschapsfactoren’ zijn voor je personages, moet je die vaker laten terugkomen. Doe je dit slechts een enkele keer, dan zijn de personages eerder aardig of sociaal dan meteen vrienden.
Als de vriendschap wordt bepaald door filmmarathons, vindt zo’n marathon eens in de twee weken plaats. Schrijf dan over de avondjes zelf, en laat merken hoe belangrijk die zijn voor je personages. Opnieuw: gebruik show, don’t tell. Laat zien hoe inside jokes terugkomen op zo’n avondje en schrijf over die geheime vriendenhanddruk.
Hartsvriendinnen staan altijd voor elkaar klaar. Jouw hartsvriendin heeft dus niet alleen op de kinderen gepast toen er een onverwachte spoedvergadering werd ingepland. Ze heeft ook boodschappen gedaan toen jij nog vrijgezel en hondsberoerd was en is je komen halen toen je vijftig kilometer verderop in een storm met autopech langs de weg stond.
Pas op: je personages zijn geen vrienden omdat het handig is voor het plot. Een vriend is er dus niet omdat de protagonist geholpen moet worden of behoefte heeft aan sociaal contact. Dan schrijf je een cliché: de eendimensionale vriend die in het verhaal is om de hoofdpersoon te helpen, maar geen andere waarde voor het verhaal heeft.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Kijk in mijn webshop voor manuscriptredactie als je wil controleren of jouw fictieve vriendschappen een verhaal kunnen dragen.

Drie factoren die de stem van je personage bepalen

Als je personage een heel eigen stem(geluid) heeft, maakt hem dat uniek en levendig. Wat maakt een stem tot een persoonlijke manier van uiten? Als voormalig spraak-taaltherapeut geef ik je wat tips, zodat jij het helemaal passend kan maken voor je personage. 

1. De stem van je personage

De stem is de manier waarop je personage spreekt. Hees, laag, zacht, hoog, schor…
Hier heb je veel mogelijkheden. Kijk eerst eens naar je eigen associaties. Denk je bij een hoge stem aan een lieve, zorgzame vrouw of juist aan een schijnheilig, bevoorrecht tienermeisje?
Dan kun je gaan kijken naar hoe bepaalde stemgeluiden tot stand komen. De nuttigste inzichten vanuit de logopedie die jij als schrijver kan gebruiken zijn:

  •  hese of rauwe stemmen ontstaan voornamelijk door veel schreeuwen, roken en/ of drinken;
  •  hoe lager de stem, hoe meer ontspannen de stembanden zijn als ze geluid geven. Tenzij de stem alsnog hees of schor is, zijn lagere stemmen door de ontspannen stemgeving vaak prettig om naar te luisteren. 

2. De uitspraak van je personage

Uitspraak is de manier waarop de woorden uit iemands mond komen. Meestal valt uitspraak pas op als die niet helemaal is zoals het hoort te zijn. Denk aan slissen, stotteren of echheelonduilijkallsanekaarpraten. Door te snel praten je woorden in elkaar schuiven en daardoor onverstaanbaar worden, dus.
Het is verstandig hier goed mee op te passen. Uitspraakproblemen worden in boeken vaak als storend cliché gebruikt om aan te geven dat het personage druk of dom is. Hetzelfde geldt voor dialecten en de bijbehorende uitspraken. Een Twents accent maakt je personage misschien niet al te slim en als je kan horen dat iemand in ’t Gooi is opgegroeid, dan is hij vast een rijkeluisjong zonder hart. Je mag uitspraakproblemen en dialecten gerust gebruiken, maar dan is het extra belangrijk om je personage veel diepgang te geven om te voorkomen dat hij stereotiep wordt. 

3. Het taalgebruik van je personage

Hier kun je eindeloos veel mee variëren. Je bent schrijver, dus dit is jouw straatje! Denk aan het principe van de schrijversstem die jij hebt. Je hebt een voorkeur voor een bepaald taalgebruik in je verhaal (formeel of informeel, lange zinnen of korte zinnen…). Maar ook als mens in het dagelijks leven heb je een bepaald eigen taalgebruik. Let er maar eens op. Praat je in korte zinnen, of klets je aan een stuk door met veel voegwoorden omdat je zo veel te vertellen hebt? Vloek je meer dan je zou willen? Heb je stopwoordjes? Zijn er woorden die je gewoon niet zo fijn vindt klinken en daarom altijd een synoniem ervan gebruikt? (Zeg je altijd dat een antwoord goed is, in plaats van dat een antwoord juist is?)
Kijk eens of je een persoonlijk taalgebruik bij jezelf of anderen kan opmerken. Als dat lukt, ga dan eens puzzelen voor je personage. Hij zal er ongetwijfeld uniek en realistisch van uit de bus komen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Laat deze voormalig logopediste en huidige schrijfcoach eens naar je tekst kijken. Bestel manuscriptredactie in mijn webshop.

Op drie manieren personages laten groeien door te kijken naar medepersonages

Je hoofdpersonage groeit door zijn heldenreis. Binnen die heldenreis groeit hij ook door de omgang met anderen. Haal het beste uit je hoofdpersonage én elk personage waar hij mee omgaat. 

1. Ken je personage

Als je schrijft, moet je je personage heel goed kennen. Wat is zijn achtergrond betreft plaats in het gezin, cultuur, economische milieu of religie? Je moet weten wat je personage voor persoon is. Is hij verlegen, of juist brutaal? Is hij doodsbang voor falen en droomt hij van roem? Wat zijn zijn kernwaarden? Kortom, je moet zijn personagebiografie kennen. Zo kan je voorspellen hoe hij op bepaalde zaken gaat reageren en hoe hij groeit in het centrale conflict. Bovendien kan je zo voorspellen hoe hij met andere personen omgaat. Zou hij een drugsverslaafde willen helpen of juist niet? Dat antwoord maakt veel uit voor het verhaalverloop zodra zijn beste vriend wordt opgenomen vanwege een heroïneverslaving. 

2. Maak iedereen de held van zijn eigen verhaal

In een boek is er altijd een hoofdpersoon. Maar je personages weten niet dat ze in een boek leven. Daarom zijn ze zich ook niet bewust van de rolverdeling binnen dat verhaal. 

Harry Potter is de hoofdpersoon van de gelijknamige boekenreeks, maar Hermelien Griffel is zich daar niet bewust van. Het verhaal draait om Harry. Hermelien staat hem bij in zijn heldenreis: ze helpt hem door benarde situaties en is zijn vriendin. Maar vanuit Hermeliens gezichtspunt heeft zij een eigen leven waar juist Harry de beste vriend is. Haar leven draait voornamelijk om goede cijfers halen en haar eigen weg vinden in de toverwereld. Niet om Voldemort verslaan. Anders gezegd: zou de boekenreeks om Hermelien zijn gegaan, dan kreeg je titels als Hermelien Griffel en het doldwaze jaar met de tijdverdrijver, in plaats van Hermelien Griffel en de gevangene van Azkaban.

Als je in je opschrijfboekje ieder personage de held van zijn eigen verhaal maakt, kom je veel te weten over je andere personages. Daarom moet je ieder belangrijk personage net zo goed kennen als je hoofdpersoon. 

3. Denk: actie-reactie

Zodra je weet hoe elk personage vanuit zijn eigen gezichtspunt handelt, kun je kijken naar het principe van actie-reactie. Stel je een hoofdpersonage voor dat verkering wil vragen. Omdat hij zich ziet als de hoofdpersoon van zijn eigen verhaal, gaat het in zijn fantasie zoals hij wil: hij gaat verder als partner van die droomvrouw. Maar dan loopt hij een blauwtje. De droomvrouw gaat namelijk geen relatie aan met iemand die ze niet zit zitten. Zij is vanuit haar gezichtspunt de hoofdpersoon van haar eigen verhaal, niet een ‘partner van’ in het verhaal van het hoofdpersonage. Zij heeft dus niet als doel om zijn verhaal op gang te houden. Dat heeft gevolgen voor het verhaal van je hoofdpersoon. Hij dacht een verhaal te hebben met hem als charmeur, nu is het een verhaal over een afgewezen man. Zo kan hij groeien.
Acties-reacties kunnen van alles en nog wat zijn. Van omstandigheden waarop moet worden ingespeeld tot communicatie met een ander. Kijk wat de omgang met anderen met een personage doet en wat dat voor gevolgen heeft betreft zijn handelen, het vormen van een mening of misschien zelfs een levensvisie. 

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Ik ben in te schakelen voor manuscriptredactie als je hulp wil bij het schrijven van je boek. Kijk in mijn webshop.

Hoe praat je personage?

Mensen hebben een stem die je kan horen en die hen karakter geeft. Een personage heeft dat niet. Hoe kan je er toch voor zorgen dat je personages een unieke stem krijgen?

Waarom moet je personage een unieke stem hebben?

Je staat er misschien niet zo bij stil, maar een stem bepaalt veel over hoe iemand overkomt. Een kettingroker ontwikkelt na decennia roken een hele raspende en rauwe stem. Dan zal die stem niet langer warm en geruststellend klinken. Iemand die heel snel praat, komt al snel over als chaotisch. En iemand die praat alsof hij standaard meedoet aan het nationale spellingsdictee, komt al snel over als een hoogopgeleide snob.
Als je de stem, de manier waarop hij praat en het taalgebruik van je personage uniek maakt, voorkom je dat het roepen, mompelen en roddelen en alle andere regieaanwijzingen een groot pot nat wordt. Dan maakt het al een stuk minder uit of Mariangelez degene is die roddelt of Bianca. Beide vrouwen klinken toch hetzelfde.

Geef je personage een stem: stoomcursus van een voormalig logopediste

Als voormalig logopediste (stem-spraak-taaltherapeut) heb ik professioneel leren kijken naar taal(gebruik), uitspraak en stemgeluid. Hoe kan je die gebruiken voor een unieke stem van je personage? Om verwarring te voorkomen ga ik eerst wat termen afbakenen.
Stem en stemgeluid: het geluid dat uit je mond komt als je praat. Een stem heeft kenmerken als: hoog, laag, hees, helder en schor;
Taalgebruik: De manier waarop iemand praat met woorden en zinnen. Korte zinnen, ingewikkelde woorden, grammaticaal (incorrect) Nederlands…;
Uitspraak: de manier waarop de woorden en zinnen uit de mond komen en uitgesproken worden. Slist of stottert iemand? Praat iemand zo snel dat ‘fietsfabriek’ eerder klinkt als fiefubiek’?

Een passende stem voor je personage

Als schrijver kun je natuurlijk je eigen interpretaties geven aan wat jij bij bepaalde stemmen vindt passen. Vanuit logopedisch oogpunt kun je in ieder geval het volgende meenemen:
*een hese stem ontstaat vaak door veel schreeuwen of vaak (te) hard praten. Misschien iets voor een extravert personage?
* een rauwe stem ontstaat vaak door veel roken en/of alcohol drinken. Iets voor je ruwe bolster, blanke pit?
* iemand kan ook met ‘veel lucht’ spreken: veel adem moeten happen tussen woorden en zinnen door. Diegene kan adem en stem niet gelijkmatig verdelen. Dat past best bij een druk personage;
* Hoe hoger je stem, hoe intensiever je stembanden trillen en dus werken. Daarom zou een lage stem bij een ontspannen persoon passen.

Hier word je uiteindelijk best hees van…

De uitspraak van je personage

Uitspraak wordt meestal niet meegenomen in een verhaal. De keren dat dat gebeurt, zegt dat vaak al iets over het personage. Dialecten (en hun bijbehorende uitspraken) zijn gevoelig voor clichés. Iemand met een Twents accent zal wel een lompe boer zijn, als je kan horen dat iemand uit ’t gooi komt, zal pa wel een rijke zakenman zijn… Daar kun je dus maar beter voorzichtig mee zijn. Tenzij je weet dat je alle ruimte hebt om je personage goed uit te werken en ervoor te zorgen dat je personage niet eendimensionaal wordt.
Stotteren is ook een typisch voorbeeld: de stotteraars zijn in romans vaak heel verlegen mensen. Maar stotteren is geen gevolg van niet uit je woorden komen omdat je iets spannend vindt. (Het is een stoornis in de timing van de spieren die je nodig hebt om klanken te vormen. Weer iets geleerd vandaag 😉 ) Er zijn stotteraars die helemaal niet verlegen zijn. Kijk dus uit dat je stotteren niet als stereotype gaat gebruiken. Eén van de weinige voorbeelden waarop uitspraak feitelijk iets weerspiegelt van een personage is als hij veel moeite heeft om zijn woorden te vinden. Dat zie je vaak bij mensen die een afasie, hersenbloeding of andere hersenbeschadiging hebben opgelopen. Hierdoor praten deze mensen vaak ook uitzonderlijk langzaam. Neem dit mee in je onderzoek als je personage dit heeft meegemaakt.

Taalgebruik van je personage

Bij kinderen moet taal zich nog ontwikkelen, dus daar kun je -tenzij je logopedist bent- niet heel veel over zeggen. Dan zou je het over taalontwikkeling(stoornissen) moeten hebben en dat is een vak apart (logopedie om precies te zijn 😉 ). En hoewel taalontwikkeling op een bepaald moment stopt en kinderen dus ‘als volwassenen’ praten, gebruikt iedere volwassenen taal op een geheel eigen manier.
Net zo’n beetje als schrijvers een schrijversstem hebben, hebben mensen wat taal betreft vaak ook een eigen ‘praatstem.’ Je ziet dat hoogopgeleide mensen naar verhouding langere zinnen maken en ook de neiging hebben om (vaker) moeilijkere woorden te gebruiken.
Maar ook mensen die veel lezen doen dat relatief vaak. Dat komt doordat je door een hoge opleiding en veel lezen een grotere woordenschat krijgt, die je als vanzelf dus ook meer gaat gebruiken.

Mensen met een grote woordenschat zullen doorgaans meer woorden gebruiken om iets te vertellen.

Wat me ook opviel aan taalgebruik zijn de normen en waarden. Er waren ouders van kinderen die voor logopedie kwamen die heel informeel en ontspannen met mij spraken. Anderen zagen mij als de therapeut die als een soort dokter voor hun kind zorgde. Dat resulteerde vaak dat ze geen jij, maar u tegen me zeiden. In gesprekken met de ouders kwam ik er vervolgens achter dat dat vaak ook met bepaalde normen en waarden te maken had, niet zozeer met beleefdheid.
Naar verloop van tijd viel het me op dat de kinderen die mij met u moesten aanspreken van hun ouders, relatief vaker werden opgevoed volgens een vaststaand uitgangspunt van rust, reinheid en regelmaat. De ouders die wat informeler met mij omgingen, stelden minder grenzen voor hun kinderen en hadden naar verhouding wat meer zelfstandigere (of eigenwijze 😉 ) kinderen. Daar was de waarde in opvoeden dus eerder: ontspannen en zelfstandig.
Dit is slechts een observatie. Of het een echte samenhang heeft, durf ik niet te zeggen. Maar ik geef dit mee als aansporing om op het taalgebruik van mensen te letten. Wie weet wat voor soortgelijke vondsten jij vindt om te gebruiken voor je personage. Zoals altijd zijn mensen goede spiekbriefjes voor personages.

Schakel deze voormalige logopediste en huidige schrijfcoach in voor manuscriptredactie, via de webshop.

Zo maak je van meerdere verhaallijnen een mooi geheel

Elk verhaal heeft een rode draad, maar ook subplotten. Als je een verhaal tot een mooi geheel wil maken, moet je deze integreren. Dat kun je doen door een subplot in je opschrijfboekje net zo belangrijk te maken als de rode draad. We gaan eerst kijken hoe je die rode draad stevig maakt. Als je dat kan, kan je dat ook voor de subplots.

Let hierop als je een rode draad schrijft voor een verhaal

Als je een rode draad voor het verhaal bepaalt, moet je een aantal dingen in de gaten houden:
* Wat is mijn protagonist voor iemand? (Gebruik daar je personagebiografie voor);
* Wat is het centraal conflict? Hoe groeit of beweegt mijn hoofdpersoon zich daarin?
* Welke andere mensen komt hij tegen? Wat voor invloed hebben die mensen op hem?

Wat is mijn personage voor iemand?

Je kon in mijn post over de personagebiografie lezen hoe je de kennis van je personage inzet om een wankel plot of niet-passende beslissingen van je personage te voorkomen. Maar ook in een meer basale vorm is je personagebiografie erg belangrijk. Aan schijnbaar heel eenvoudige of vanzelfsprekende dingen kun je al zien hoe bepaalde dingen tot stand komen. Als je personage als favoriete land Frankrijk heeft en dol is op nieuwe talen leren, kan dat verklaren waarom ze docente Frans is geworden. Als docente Frans wordt ze verliefd op een collega, waardoor er een roddel op de school ontstaat….
Kortom, in je personagebiografie kan je vaak tussen de regels door al een mogelijk butterfly-effect (van een verhaal) vinden.
Als je weet dat je personage het fijn vindt om op de voorgrond te staan weet je ook dat hij eerder zanger wordt dan archivaris. En als je personage niet voor zichzelf op kan komen, zal hij makkelijker over te halen zijn slechte dingen te doen dan iemand die niet bang is zijn mond open te trekken.

Wat doet het centraal conflict met mijn personage?

In het centraal conflict moet je personage obstakels overwinnen, vallen en opstaan: zo leert hij dingen. Dat verandert je personage. Uiteindelijk komt hij zo als een ander persoon uit het verhaal. Als held, als verliezer, als moeder, slimmer, mooier, wraakzuchtiger, verdrietiger… Hoe je verhaal ook loopt, je personage is niet de persoon die hij was voor het verhaal begon. Bekijk goed wat er in dat centraal conflict verandert en wat dat met je personage doet. Wordt hij een dappere grote broer in plaats van een bang klein jongetje? Een klusjesman in plaats van de bankdirecteur?

Wie komt mijn personage tegen?

Mensen zijn sociale wezens die andere mensen om zich heen nodig hebben of willen. Zelfs een afgezonderde monnik in de bergen van Tibet heeft nog collegamonniken in zijn klooster. (En mocht hij zich echt honderd procent afzonderen, dan wordt hij daar of op een bepaald moment gestoord van of heeft hij herinneringen aan mensen die ooit in zijn leven waren). Andere mensen doen iets met je personage. Dat kan iets fijns zijn of iets vervelends, maar de omgang met anderen zorgt ervoor dat het leven, de overtuigingen en de relaties van je hoofpersoon veranderen.
Denk dingen als:
* door de omgang met deze man verandert deze vrouw van een single dame in een getrouwde vrouw;
* doordat zijn lerares hem onderwijst, wordt jouw personage slimmer;
* een meisje wordt gepest door een ander persoon waardoor haar eigenwaarde verandert.
Kortom: omgang met anderen brengt altijd actie-reactie teweeg. Als jij gaat voetballen en je schopt de bal weg (actie) neemt een ander de bal over (reactie). Welke actie-reactie brengt de omgang met elk ander personage teweeg bij je hoofdpersoon?

Doe nu hetzelfde voor een ander personage

Zo simpel is het eigenlijk. Als je ook voor andere (belangrijke) personages een personagebiografie maakt, leer je ze ook kennen. Dan weet je ook wat hun heldenreis is. Net als je hoofdpersonage hebben andere personages bepaalde gevoelens en doelen. Ook zij hebben actie-reactie op datgene wat om hen heen gebeurt. In je opschrijfboekje moet je doen alsof elk personage de held van het verhaal is.
Zo maak je elk personage even diepzinnig en zorg je ervoor dat de actie-reactie altijd voor je personages kloppen. Niet alleen dat, zo komen verhaallijnen ook samen.
Stel dat je schrijft over twee generaals in oorlog: Generaal Goedzak en Generaal Gemeen. Als schrijver werk je toe naar een goede afloop voor generaal Goedzak. Maar om Generaal Gemeen realistisch te portretteren, moet je hem laten handelen volgens zijn eigen waarden, overtuigingen en karakter en op basis daarvan zijn actie-reactie bepalen.

Schrijf ‘achter de schermen’ alles zodanig uit dat je aan de hand van je aantekeningen niet ziet wie de hoofdpersoon is.

Gemeen is erop uit (vanuit het gezichtspunt dat hij de held is van zijn eigen verhaal en niet de ondergeschikte in het verhaal van Goedzak) om macht te vergaren. Je weet dat hij verlies niet zal accepteren, dus zal hij tot doorvechten tot zijn laatste laatste soldaat is gesneuveld. Als je Gemeen op dit punt minder belangrijk maakt dan Goedzak, zal het verhaal erg kort worden: Goedzak moet winnen en dus is het onbelangrijk wat Gemeen denkt of beweegt. Als je Gemeen als de held van zijn eigen verhaal maakt, doe je er alles aan om hem in zijn volle slechtheid als personage naar voren te laten komen: Gemeen is er zo op gebrand dat hij gaat winnen dat hij zijn tegenstander steeds twee stappen vooruit is.
Zo hebben de acties van beiden generaals invloed op elkaar als persoon (hoe ze op de acties van de ander reageren) en daarmee ook invloed op het verhaal, in dit geval de oorlog.

Samengevat: als je verhaallijnen goed in elkaar wil laten overlopen:
* moet je ervoor zorgen dat alle belangrijke personages goed zijn uitgewerkt (in je opschrijfboekje);
* moet je elk personage laten handelen volgens zijn eigen heldenreis, niet volgens die van de held;
* moet je je heel bewust zijn op de actie-reactie die tussen personages ontstaan en wat dat met de verhaallijn doet. Verandert die daardoor? Kunnen verhaallijnen elkaar daardoor doorkruisen?

Wil je weten of je verhaallijnen goed aansluiten op elkaar? Schakel me in voor manuscriptredactie.

Hoe schrijf je een ijkpersoon voor een creatief verhaal?

Als je een verhaal gaat schrijven, moet je weten welk publiek je verhaal interessant gaat vinden. Daarvoor kun je een algemene doelgroep bepalen. Wil je een stapje verder gaan, schrijf dan een ijkpersoon om er zeker van te zijn dat je je potentiële lezer goed voor ogen hebt.

Wat is een ijkpersoon?

Een ijkpersoon is een fictief personage dat je ideale lezer moet voorstellen. Hij komt niet in je boek voor: eigenlijk gaat een ijkpersonage niet veel verder dan een personage dat alleen bestaat op zijn eigen (niet al te uitgebreide) uitgewerkte personagebiografie.
Je ijkpersoon is een verdieping op je doelgroep. Stel dat je schrijft voor vrouwen van middelbare leeftijd. Dan vallen er heel wat mensen af als je ideale lezer (kinderen, jonge mannen, bejaarde dames…) Maar er zijn meer dan twee miljoen middelbare vrouwen in Nederland. Dan is het nogal link om aan te nemen dat zij allemaal dezelfde interesses hebben. Om binnen een alsnog brede groep mensen een iets specifieker beeld van een publiek te kunnen krijgen, kun je een ijkpersoon maken. Zo weet je zeker dat je ook echt schrijft voor het lezerspubliek dat je voor ogen hebt.

Maak je ijkpersoon niet te specifiek

Je ijkpersoon mag geen echt personage worden. Verder dan een globale personagebiografie komt hij niet. Dat heeft een reden. Als je schrijft over een ijkpersonage dat net zo diepgaand is als je hoofdpersoon, dan schrijf je uiteindelijk voor een te klein lezers publiek. Vergelijk ‘middelbare vrouwen met een Chinese achtergrond’ met ‘middelbare vrouwen met een Chinese achtergrond, tussen de 50 en 55 jaar, sinds twintig jaar woonachtig in Amsterdam, moeder van twee kinderen en videomontages maken als grootste hobby’. Misschien kun je je boek dan aanprijzen bij een handjevol dames, terwijl je anders misschien enkele tienduizenden mensen kan bereiken.’

Ijkpersoon schrijven: begin met algemene aannames

Als je begint met het schrijven van een ijkpersonage is het belangrijk dat je in algemene aannames denkt, zodat je een houvast hebt. Denk aan een rijk persoon: die zal echt wel een dure auto of een groot huis hebben. Natuurlijk zijn er ook rijkelui die niet zo veel geven om materieel bezit, maar zij zijn naar verhouding zeldzamer.
Het doel van een ijkpersonage is om een persona te schrijven die veel mensen in je doelgroep kan representeren. Als je dus een ijkpersoon zou schrijven voor miljonairs en je ijkpersoon woont in een bescheiden huisje met een tweedehands auto naast de deur, dan sla je de plank mis.

De ijkpersoon schrijven middels een trechtermodel

Als je een ijkpersoon gaat schrijven, stel je dan een trechter voor. In de trechter stop je om te beginnen een aantal algemene factoren. Die heb je waarschijnlijk al vastgesteld toen je je doelgroep bepaalde. Denk hierbij aan dingen als:
* geslacht;
* leeftijd;
* opleidingsniveau;
* woonplaats;
* sociaaleconomische achtergrond.

Neem een aantal van deze factoren en kijk eens wat een optelsommetje als logische aanname kan opleveren. Bijvoorbeeld: Een laagopgeleid meisje van een jaar of twintig zal relatief eenvoudige chicklits willen lezen voor op het strand. Je kan bij dit optelsommetje ook tot de conclusie komen dat je ideale lezer juist iets uitgesproken oninteressant vindt.
Is de rijke zakenman van zestig plus geïnteresseerd in romantische verhalen? Waarschijnlijk niet. Maar als je een aantal dingen (niet per se allemaal!) omdraait, kun je alsnog op factoren komen die wel degelijk kloppen. Maak van de man een vrouw. Van de zestigplusser een tiener of midden-twintiger. Inkomen hoeft dan niet per se een factor te zijn.

Steeds meer optelsommetjes

Op eenzelfde manier ga je de steeds verder de metaforische trechter in. Bijvoorbeeld: je bent een romantisch verhaal aan het schrijven. Je weet al dat je ijkpersoon een vrouw is tussen de 20 en 45 jaar oud. Dan ga je bedenken of ze een (drukke) baan heeft. Ja, en ook nog eens drie kinderen. Aha. Drukke baan en kinderen… Zou dat misschien betekenen dat de romantiek daardoor op de achtergrond van haar huwelijk is geraakt en dat ze die voortaan uit boeken moet halen? Misschien dat ze daarom wel tot dit genre wordt aangetrokken.
Hier kun je weer een aanname bij maken: als ze het altijd druk heeft, de romantiek in haar leven mist, kun je dan iets van haar man zeggen? Ja hoor. Hij heeft het net zo druk als zijn vrouw met werken, waardoor ze elkaar nauwelijks nog zien. Of hij is niet zo romantisch als de vrouw ooit had gehoopt. Wie weet dacht ze wel tevergeefs: “zodra we getrouwd zijn, zal zijn romantische inborst wel verschijnen…” Weer iets om te noteren.

Laten we even aannemen dat manlief best romantisch is, maar door het drukke schema van het echtpaar daardoor gewoon geen tijd voor een diner bij kaarslicht vrij kan maken. Dan kan je ervan uitgaan dat dit gezin er warmpjes bij zit: we kijken hier naar twee fulltime werkers. Probeer op deze manier zo de belangrijkste grote lijnen over je ijkpersoon uit te werken.

Een te specifiek ijkpersoon

Je kan het format voor een personagebiografie gebruiken voor je ijkpersonage in de betreffende post. Maar een aantal dingen die daarin staan vernoemd, is te specifiek voor een ijkpersoon. Denk aan bijvoorbeeld: grootste angst, raakt van slag als, zou een standbeeld neerzetten voor… lengte, gewicht, haarkleur en grootste geheim.

Het ultieme beeld van je ijkpersoon

Als je een goed beeld wil hebben bij je ijkpersoon, is het een goed idee om een foto bij je ijkpersoon te zoeken. Maak hier geen uitgebreide zoektocht van: een stockfoto volstaat meestal. Maar een foto kan net dat extra zetje geven om je een betere voorstelling te krijgen bij je ijkpersonage en daarmee je doelgroep.

Een zeer standaard foto kan volstaan, zolang hij enigszins bij je ijkpersoon aansluit.

Opzetje voor een schrijfoefening

Je kan bovenstaande foto ook als schrijfoefening gebruiken, zoals bij de posts van Human en schrijfoefening met namen geschreven staat. Welke informatie krijg je al met een enkele foto? Ik noem deze man Richard en zeg dat hij een docent biologie is en fan is van zeilen. Waarom associeer je dat al dan niet met hem?

Je kan mij inschakelen voor manuscriptredactie als je wil weten of je ijkpersoon ook is uitgegroeid tot een goed hoofdpersonage.

Wat zijn archetypen en hoe schrijf je die voor je personages?

Elk personage heeft een rol in een verhaal. De held, de beste vriend, de vijand… Dit worden ook wel archetypen genoemd. Je kan je verhaal origineel maken door daarmee te spelen.

Wat zijn archetypen?

Archetypen zijn de belichaming van een bepaalde rol die mensen in iemands leven spelen. Of wat de relatie met die persoon is. Met iedereen in je leven heb je een ander soort relatie; bij je vriend vind je kameraadschap, in je leraar vind je een mentor.

De psycholoog Carl Jung bepaalde archetypen aan de hand van welke rol mensen (in elkaars leven) spelen. Dit geldt voor zowel echte mensen als personages. Hier zie je een overzicht van deze archetypen en ook wat voor onderliggende rol ze hebben.

Deze archetypen vormen in de fictieve wereld de basis voor je personages. Je zou kunnen zeggen dat zij de tropes vormen waarop je verder moet bouwen. Maar omdat deze archetypen tropes zijn, kunnen het clichés in de dop zijn. Lees hier meer over tropes en clichés als je daar nog onbekend mee bent. In deze blogpost gaan we kijken hoe je de meest standaard tropes -archetypen in dit geval- minder gevoelig voor clichés kan maken.

Het belang van archetypen

Van elk personage moet duidelijk zijn welke rol hij speelt. Anders is je verhaal niet meer te volgen. Neem Romeo. Hij heeft natuurlijk de rol van de geliefde. In die rol kan hij van alles zijn: verlegen, heldhaftig, huiselijk… Maar het belangrijkste is dat hij duidelijk de geliefde van Julia blijft. Als Romeo op het ene moment in de (archetype) rol van geliefde naar Julia hunkert en in het volgende de (archetype) rol van ontdekker naar vrijheid hunkert en Julia de bons geeft, weet de lezer niet meer waar hij met Romeo aan toe is, waardoor Romeo als personage nergens meer naartoe leidt. Zorg dus dat je van elk personage weet welk archetype hij (grofweg) is.

Het gevaar van archetypen

Archetypen zijn een uitgangspunt waar redelijk makkelijk een hapklaar personage uit kan voortvloeien. Een voorbeeld: de verzorger is de liefdevolle zachte opvoeder met ‘service’ als onderschrift. De verzorger zal dus al de eigen verlangens opzij zetten voor de ander. Zacht en liefdevol zijn traditioneel meer vrouwelijke waarden. Dus dat is dan misschien de verzorgende moeder de vrouw die alles voor haar gezin opzij wil zetten en het niet erg vindt een carrière te laten varen. Ze kan net zo goed meteen achter het aanrecht verdwij… Ho! Stop! Op de rem! Clichés, al dan niet storend, worden sneller geboren dan je misschien denkt.

Uitgangspunten voor archetypen

Je moet dus waakzaam blijven bij het gebruik van archetypen. Maar desondanks vormen ze een goed uitgangspunt om je personages verder te ontwikkelen. Je zal misschien al gezien hebben dat je niet bij één archetype hoeft of zelfs maar kan blijven. Nee, Romeo mag niet gaan backpacken. Maar de verzorgende moeder zal best een keer de rol van de wijze op zich nemen als haar kind in de problemen zit en om raad vraagt.
Wat dat betreft schelen archetypen niet veel van karaktertrekken: ieder persoon heeft er meerdere en ze wisselen elkaar af, afhankelijk van de situatie. Iemand met een goede inborst is ook wel eens met het verkeerde been uit bed gestapt en een keer chagrijnig in plaats van volledig vredelievend. Wees dus niet bang om wat te experimenteren met de archetypen en/of hun bijbehorende waarden.

Spelen met de kernwaarden van archetypen

Uiteindelijk gaat het erom dat je trouw blijft aan de kernwaarde van een archetype.
De verzorger is er om structuur en service te bieden. De held moet via meesterschap ergens zijn stempel op drukken. Maar binnen die gegevens kun je allerlei kanten op en je fantasie en creativiteit de vrije loop laten.
In fantasyverhalen komen er heel vaak (bebaarde) oude tovenaars voor in de rol van de wijze. Die vertellen hun leerlingen alles wat ze weten moeten om hun heldenreis tot een goed einde te kunnen brengen. Zodra ze sterven, beschikken de leerlingen over voldoende kennis om de vijand te kunnen verslaan. Die kennis is vergaard door vele uren van bijscholing of informatie-uitwisseling. Daarmee voldoet deze tovenaar aan zijn archetyperol: wijsheid overbrengen. Maar intussen ook aan een clichébeeld. Niet alleen omdat hij de bebaarde tovenaar is, maar ook omdat hij de wijze mentorrol vervult en door er maar op los te praten met zijn wijze levenslessen.

Nu is het tijd om de waarden van een archetype onder de loep te nemen. Want moet de wijze altijd zijn wijsheid verkondigen door informatie te vertellen bij een vaststaande afspraak? (Kom om drie uur maar naar mijn kantoor, therapeutpraktijk, of wacht tot ik rond middernacht plaatsneem bij het kampvuur.)

Gandalf, waar blijf je nou met je wijze levenslessen? 😉

Natuurlijk niet. Wijsheid overbrengen kan op veel meer manieren. Aan jou om dat creatief en kloppend bij jouw verhaal in te passen. Kijk nog eens naar het archetype van de wijze. Hij moet voor spirituele groei zorgen en empathie brengen. Dat kan op talloze manieren die niets met filosofische praatsessies te maken hoeven hebben. Om je op weg te helpen zal ik twee voorbeelden geven.

De wijze Florencia neemt de jonge en zelfzuchtige Catalina mee naar een klimaatdemonstratie. Florencia toont het jonge meisje dat haar acties invloed hebben op anderen: als ze haar ecologische voetafdruk niet verkleint, zal dat uiteindelijk de arme mensen benadelen (empathie) en kan ze door anderen te helpen, zingeving vinden (spiritualiteit).

Een gepest meisje gaat op bezoek bij een tuinman die een rozenstruik snoeit. Door naar haar verhaal te luisteren, biedt de tuinman empathie. Hij geeft haar (metaforische) spiritualiteit mee zodra hij haar erop wijst dat zelfs een mooie roos doorns heeft die ter zelfverdediging kunnen worden gebruikt als ze zich bedreigd voelt.

Kortom: gebruik een archetype als basis voor de rol van je personages en bekijk welke waarden en functies daarbij horen. Leg die vervolgens onder de loep en boetseer ze in de vorm die bij je verhaallijn en personages past.

Wil je hulp met het uitwerken van je archetypen? Ik kan helpen: kijk in mijn webshop.

Schrijfoefening: namen en vooroordelen

De namen van je personages zijn belangrijk. Er bestaan complete handleidingen voor het bedenken van de juiste naam. Is de naam niet te eenvoudig? Zit er een (geschiedkundige) betekenis achter de naam die het karakter van het personage weergeeft? Dat is allemaal leuk en aardig, maar ook erg theoretisch. Je kan namen ook gebruiken om erachter te komen welke bril jij als schrijver onbewust draagt.

Namen en stereotypen

Mensen hebben allemaal vooroordelen. Ze zijn niet per definitie racistisch of gemeen. Soms ben je je niet bewust van sommige vooroordelen die je hebt. Maar als schrijver is het handig om weet te hebben van je vooroordelen. Vandaar deze schrijfoefening.

Namen kunnen een stereotype met zich meedragen. Een paar hiervan zijn:
* Roderick heeft veel geld;
* Kees is een oude man;
* Priscilla woont in de volksbuurt.
Maar dat klopt uiteraard niet altijd. De meeste mensen denken bij de naam Fatima aan een donkerharige moslima. Kijk eens naar deze Fatima:

Fatima Moreira de Melo voldoet niet aan de stereotype Fatima met donker haar een een islamitisch geloof. (Foto door McSmit – verkregen via Wikipedia)

Het principe dat een naam niet alles over een persoon of personage zegt, vormt de basis van deze schrijfoefening. Hij heeft als doel alles waarover jij betreft namen een vooroordeel hebt, in twijfel te trekken. Zo blijf je alert op je vooroordelen en staar je je niet blind op bepaalde aspecten van personages. Daarmee wordt je creatieve denken uitgedaagd.

Namen en je eigen oordelen

Je ontwikkelt zelf ook oordelen over namen, die niet meteen naar een stereotype te herleiden zijn.
Dit is vast herkenbaar: je hoort een prachtige naam je die in je achterhoofd opslaat voor je toekomstige kind. Maar dan krijg je de ergst denkbare collega met die betreffende naam en opeens is die naam helemaal niet zo mooi meer… Of andersom: iemand wil je koppelen aan een blind date. Alleen al bij het horen van de naam denk je: laat maar zitten. Maar als je die persoon ontmoet en eenmaal hoteldebotel bent, klinkt dezelfde lelijke naam plotseling als een klokje. Of heb je ooit meegemaakt dat iemand zich voorstelt en je denkt: die naam past niet bij je? Als je bij de naam Olga het (onverklaarbare) beeld hebt van een blonde, stevige en vrolijke middelbare dame, dan is het even schakelen als een jong, slank, donkerharig en hautain model zich voorstelt als Olga.

Kies voor deze oefening een naam uit waar jij een sterke associatie bij hebt. Als je deze oefening voor het eerst doet, is het makkelijker om te beginnen met een algemeen stereotype en daarna met je persoonlijke associaties. Voor een maximaal resultaat raad ik aan het allebei te proberen. Hier volgt een voorbeelduitwerking.

Stap 1: schrijf al je vooroordelen uit

Als je het weet, schrijf dan ook op waarom dit vooroordeel in dit lijstje staat.

Kees

* is een man van 65+ : ik hoor de naam Kees nooit bij jonge mannen en zeer regelmatig bij mannen op leeftijd;
* is niet zo avontuurlijk: Kees is een huis-tuin-en-keukennaam, dus zal hij niet zijn opgegroeid in een gezin dat buitensporige wereldreizen maakte. Simpele naam, saai leven;
* Heeft niet het mooiste uiterlijk: ik vind Kees een lelijke naam.

Stap 2: voeg ‘ja maar..’ toe

Plak achter elk vooroordeel uit stap 1 een ‘ja maar…’. Daarop volgt hoogstwaarschijnlijk:
* een onweerlegbaar feit dat je vindt door logisch na te denken;
* het besef dat je verkeerd bent geïnformeerd;
* een mening.

* Ja maar: als Kees nu een oude man is, is hij ook ooit een jongetje geweest. Kees is dus niet alleen een naam voor oude mannen;
* Ja maar: huis-tuin-en keukennaam betekent niet saai, maar alledaags, niet bijzonder. Dus die naam wordt gewoon vaak gegeven. Dan zijn er waarschijnlijk wel tienduizenden “Kezen”, die ik hiermee allemaal over een kam scheer, zonder dat ik doorhad dat ik verkeerd was geïnformeerd. Hier schrik ik van! Wat ben ik toch een …
Zo’n schok is je ‘neutraliteitsalarmbel’. Die gaat af als je te sterk van iets overtuigt bent. Luister goed naar die alarmbel. Vooral in het ontwikkelingsstadium van een verhaal moet hij altijd aanstaan, of dat nu gaat om personages, plot, boodschap van je tekst… Het is essentieel dat je een open blik houdt. Anders word je slecht in feedback verwerken, beperk je je creativiteit of word je misschien positief discriminerend.
* Ja maar: dat vind ik. Dus dat is een mening en dus altijd subjectief. Een subjectieve blik is vijand nummer één van vooroordelen. (Wacht maar tot je Knappe Kees tegenkomt 😉 )

Wacht even, heet jij Kees? Ach, waarom ook niet hè? Foto door Rafael Barros op Pexels.com

In deze oefening is het kwalijk om een vaststaande onjuistheid als feit te beschouwen of iets subjectiefs als feit te zien. Een impopulaire of onaardige mening hebben is minder erg. Kees mag gerust lelijk zijn, zolang je maar niet beweert dat Kees’ lelijkheid een feit is. Je moet blijven beseffen dat een mening subjectief is.

Stap 3: ga werken met je alarmbel

Verander het vooroordeel waarbij je neutraliteitsalarmbel afging. In het voorbeeld was dat het vooroordeel dat Kees een saai leven heeft.
Het beeld van Kees is nu veranderd. Hij is nog steeds oud en lelijk, maar maakt wel degelijk mooie reizen, ondanks zijn leeftijd. Een oude man die avonturen beleeft verschilt al veel met een oude man die in zijn stoel zijn zoveelste saaie dag slijt. Nu heb je ineens een totaal ander persoon, die je uitnodigt om een andere weg in te slaan. Je hebt nu geen stereotype beeld meer om aan vast te houden, dus moet je je creativiteit gaan aanspreken.
Je hoeft niet per se elk vooroordeel aan te passen. In de nieuwe ‘vorm’ van je personage kunnen ze in je voordeel werken. Als Kees oud blijft, voldoet hij bijvoorbeeld niet aan het clichébeeld van de jonge wereldreiziger die dagelijks bergen beklimt. Jouw ‘oude’ vooroordeel rondom de naam Kees en zijn uiterlijk en leeftijd is niet meer te herleiden: het belangrijkste, storende element is weg en heeft al tot een totaal ander persoon geleid.

Wil je zeker weten of je op de goede weg bent na deze schrijfoefening? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Hoe schrijf je een goed motief voor je slechterik?

Een slechterik heeft een reden om slecht te zijn. De reden waarom je slechterik voor het duistere pad kiest is op zichzelf nooit fout gekozen. De uitwerking ervan kan echter wel misgaan. Waar moet je op letten bij het motief van je slechterik?

De slechterik in het geheel van je verhaal

De laatste jaren is het in boeken en films erg populair geworden om de achtergrond en personagebiografie van de slechterik uit de doeken te doen om het motief te verklaren.
Dat is meestal verstandig, maar soms is het het beste om het simpel te houden. De slechterik wil simpelweg:
* machtig worden;
* rijk zijn;
* koste wat kost met de koningsdochter trouwen.

Deze ‘simpele’ motieven zijn vooral verstandig om te gebruiken wanneer:
* de slechterik zelf nauwelijks in beeld komt;
Heer Slecht is een dictator. Je leest over zijn legers, hoort personages zeggen hoe bang ze voor zijn regime zijn en in krantenkoppen wordt geschreven over martelingen die in zijn naam zijn uitgevoerd. Maar Heer Slecht zelf kom je niet in eigen persoon tegen. Dan zwakt het verhaal enorm af als je nog gaat verklaren hoe hij zo slecht heeft kunnen worden. Pagina’s vol schrijven over iemand die niet direct in het verhaal voorkomt, is een infodump in vermomming.
Als je wil dieper in wil gaan op het motief van Heer Slecht moet je op zijn minst een (spectaculaire) confrontatie met de held in het vooruitzicht kunnen stellen.
* je doelgroep niet in is voor verdere verdieping;
Als je lezers willen lezen ter ontspanning over iemand die ‘gewoon lekker slecht is’, ga het dan niet onnodig ingewikkeld maken. Soms kan je doelgroep het gewoon nog niet bevatten wat iemand tot slechte daden aanzet: verwacht niet dat kinderen psychologische uitwerkingen kunnen volgen.
*het motief te ziek voor woorden is om te willen verklaren.
Neem Cruella de Vil (woordspeling op Cruel Devil, wrede duivel) uit 101 Dalmatiërs. Wil je echt kunnen verklaren waarom iemand eigenhandig honderd puppy’s wil vergiftigen om er jassen van te maken? Soms is iemand gewoon slecht. Dan kun je beter geen verklaring willen geven.
Stel dat blijkt dat Cruella een slechte jeugd had en meerdere malen door honden is gebeten, waardoor ze er nu een hekel aan die beestjes heeft. Dan snap je haar gedachtegang misschien wat beter, maar alsnog wil ze al die puppy’s verdrinken. Vind je dat oké, nu je haar geschiedenis kent? Ik hoop het niet… En ondertussen zou het verhaal gaan over Cruellas jeugd, niet meer over de ontsnappingspoging van de puppy’s. Dat kan ook niet de bedoeling zijn. En laten we wel wezen: hoe je het ook wendt of keert, Cruella spoort gewoon niet.

Als je zó kunt kijken, zit er gewoon een steekje los. Klaar. (Afbeelding copyright: Disney)

Kijk goed of het meerwaarde heeft voor je algemene verhaal om je slechterik (veel) uit te werken. Hou in de gaten dat je de focus van het verhaal niet verliest door koste wat kost de slechterik ‘begrijpelijk’ te maken.

Een motief van een slechterik verklaren of goedpraten

Toch is het meestal verstandig om je slechterik uit te werken en iets uit zijn personagebiografie bekend te maken, zodat zijn motief duidelijk wordt. Om te beginnen moet je jezelf de vraag stellen: Wat doet de slechterik en waar ligt de oorzaak? In de uitwerking moet je altijd heel goed na blijven gaan wat je uitwerking voor effect heeft. Verklaar je iets, of praat je iets goed? Dat eerste is een goed teken. Doe je het tweede, dan gebeurt er wat we bij Cruella al zagen dat je niet moet willen.

Zo verklaar je het motief van je slechterik

Je slechterik moet iets zijn overkomen dat tot wandaden aanzet. Geweld, misbruik, trauma, pesterijen… Het maakt in eerste instantie niet veel uit wat het is, als de gevolgen maar logisch zijn.
En daar zit ook meteen de valkuil. Als je die gegevens slechts uit de doeken doet en het daarbij laat, praat je een motief goed in plaats dan dat je het verklaart. Dan maak je slecht gebruik van het ‘tragische achtergrondverhaal’: je slechterik komt ten onrechte en buitenproportioneel met van alles weg, omdat haar ooit iets naars is overkomen. Natuurlijk mag ze een gewapende overval plegen als de lezer maar weet ze vroeger is gepest…
Je kan deze volgende punten gebruiken als gereedschap om een motief te verklaren in plaats van goed te praten:
* Leg oorzaak en gevolg langs een tienpuntschaal en zorg dat die verhouding klopt.
Iemand die jarenlang is gemarteld en nooit liefde heeft gekend (trauma 10, gevolg 10), zal makkelijker uitgroeien tot massamoordenaar dan iemand die één keer is gepest (trauma 1 gevolg 10).
* Laat de slechterik zichtbaar slechte dingen doen.
Stel dat het je is gelukt om empathie op te roepen voor een alleenstaande drugsverslaafde vader met een dochtertje van vijf. De verklaring voor de drugsverslaving heb je gegeven: verslaving zit in de familie, vader heeft verkeerde vrienden en schulden.
Het gezin is zo blut dat ze al twee dagen niets hebben gegeten; al het geld is aan de drugs opgegaan. Als vader dan tien zeer onverwachte en even welkome euro’s aan wiet besteedt in plaats van aan eten voor zijn dochter, snap je waarom hij het doet: zijn drugsverslaving is uit de hand gelopen. Maar dat neemt niet weg dat hij slecht bezig is (als vader).
* Laat de slechterik herhaaldelijk doof zijn voor redelijkheid of in een slachtofferrol blijven.
Zodra iemand anders de slechterik tot de orde roept met een onweerlegbaar tegenargument dat uitlegt waarom hun gedrag onaanvaardbaar is (Je bent vroeger zelf geslagen, maar het is niet eerlijk om dan je kinderen ook te slaan) kan een slechterik in een slachtofferrol schieten of het irrationele gedrag proberen rationeel te maken. Omdat dat nergens op slaat, keur je zo het slechte gedrag af en praat je het dus niet goed.
Zo voorkom je het ‘tragische achtergrondverhaal’.

Om je slechterik goed uit te werken, moet je hem ook goede kanten geven. Lees hier over de balans vinden tussen goed en slecht bij het realistisch uitwerken van personages.

Zeker weten of de motieven van je slechterik interessant zijn? Schakel mij in voor manuscriptredactie.

Schrijf in vier stappen je persoonlijke standpunt

Elk verhaal heeft een centraal conflict, een verhaalthema en een hoofdpersonage. Hoe gebruik je die om je persoonlijke standpunt mee duidelijk te maken?

1 Bepaal een boeiend conflict

Alles waar je personage in een verhaal mee worstelt, wordt een conflict genoemd. Als je als schrijver een standpunt duidelijk wilt maken, is het conflict meestal groter van aard dan alleen een burenruzie over een schutting. Het is dan niet meer iets wat een personage toevallig overkomt, maar iets waar veel mensen grote problemen mee ervaren. Geef je personage echt iets om voor te vechten, in plaats van alleen een probleem dat opgelost moet worden. Denk aan:

* emancipatie;
* gelijkheid van ras;
* veilig uit de kast kunnen komen;
* in opstand komen tegen een maatregel van een regering;
* toegeven slachtoffer te zijn van emotioneel/seksueel/ fysiek geweld;
* verslavingsproblematiek.

2 Plaats het conflict in context

Zodra je het conflict hebt bepaald, bedenk dan in welke plaats of tijdperk dat het best tot zijn recht komt. Onderwijs voor meisjes is in Nederland zo vanzelfsprekend dat het hier geen conflict kan vormen. In grote delen van de wereld is dat nog wel een probleem. Laat dit conflict dus in bijvoorbeeld in Congo afspelen, niet in Nederland. Hou er rekening mee dat je dan veel onderzoek moet doen naar de Congolese cultuur en het onderwijssysteem aldaar. Als je het over emancipatie in Nederland wil hebben, kan dat nog steeds. Maar dan zal je het eerder over de salariskloof tussen mannen en vrouwen moeten hebben dan over onderwijs.

3 Je personage als relschopper

Je personage is persoonlijk betrokken bij het conflict. Maar je personage heeft net als echte mensen karaktertrekken. Ga na welke manier van relschoppen bij je personage past.
Een homoseksuele jongeman in Saoedi-Arabië heeft zware straffen op zijn seksuele oriëntatie staan. Als hij dapper is, zal hij ondergronds in opstand komen en illegale pro-homo boodschappen proberen te verspreiden onder de bevolking. Als hij minder moed heeft, zal hij misschien alleen in het geheim zijn geliefde ontmoeten. Dat laatste klinkt niet zo heldhaftig als het eerste, maar dat maakt niet uit. Het gaat erom dat er iets op het spel blijft staan. Zolang je personage tegen de gevestigde orde ingaat en er iets te verliezen valt, is hij een relschopper.
Als je nog geen personage hebt bedacht, kun je hem aan de hand van je conflict schrijven. Kwam je personage vóór je conflict in beeld, bedenk dan goed wat voor manier van protesteren bij hem past.  

4 Conflict, context en personage combineren

Als laatste stap combineer je de eerste drie factoren:

* Bepaal een boeiend conflict dat aanleiding geeft tot relschoppen;
* Maak de context zo realistisch en interessant mogelijk voor de context (tijdperk en plaats) van je conflict;
* Zorg dat je personage op zijn unieke manier een relschopper wordt en jouw persoonlijke boodschap uit kan dragen.

De kloof tussen arm en rijk kan bijvoorbeeld aan de kaak worden gesteld in de late 19e eeuw, toen niemand (van de rijken) zich daar druk om maakte. Een jong meisje van goede afkomst zet daar vraagtekens bij. Niet alleen komt ze tegen dat ze arme mensen als minderwaardig moet beschouwen, als vrouw heeft ze sowieso weinig te zeggen. Als ze onverschrokken is, steelt ze openlijk geld uit haar vaders beurs en geeft ze dat aan de arme families. Als ze voorzichtiger is, pikt ze af en toe broodjes die de familiebediende bakt en smokkelt ze die naar de plaatselijke arme schoenmaker.  

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online en gedeeltelijk in dit nummer van Schrijven Online magazine.

Toch nog coaching nodig na het lezen van deze tip? Kijk eens in mijn webshop.