Je personage: het uiterlijk

Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel?
Deze week een toelichting over uiterlijk dat je kan toevoegen als je er meerwaarde in ziet.

Wanneer kan dit relevant zijn?

Om ervoor te zorgen dat je lezer zich enige voorstelling bij je personage kan maken, is het belangrijk om de uiterlijkheden van je personage te geven. De valkuil daarvan is de hoeveelheid. Deel je te weinig, dan is je personage te vaag om een beeld van te krijgen, deel je te veel, dan zet je paradoxaal genoeg de verbeelding van je lezer op slot.
Wat of hoeveel je ook deelt: beschrijf het uiterlijk van je personage niet in de eerste pagina’s: Dat is een cliché van de bovenste plank.

Staat dit gegeven vast?

Op een paar punten na kan je bijna alles aan je uiterlijk veranderen. Je haar kan je verven, je lippen kan je stiften of laten opvullen, je kan gekleurde lenzen indoen… En ook kledingstijl kan je onder uiterlijk scharen. Als je in je achterhoofd houdt dat je – met een beetje hulp of fantasie –  zó veel aan je uiterlijk kan veranderen, kan je gaan bedenken welke uiterlijkheden ook echt iets over jouw personage zeggen. Als je van nature een brunette bent, maar daar niet bij nadenkt, is dat anders voor iemand die haar haren bruin heeft geverfd en zich nu ein-de-lijk sexy voelt.
Als je op die manier over uiterlijkheden denkt, zet je al een eerste stap naar de beslissing van wat je over je personage deelt en wat niet.

Wat kan je te weten komen?

Zodra je weet welke uiterlijkheden belangrijk zijn voor je personage, weet je vaak ook wat en in welke mate uiterlijk iets betekent voor diegene. Kleding en make-up dragen en in welke stijl, kan een show, don’t tell zijn van sociaaleconomische status of een bepaalde culturele groep waartoe je personage behoort. Ook erfelijke zaken spelen een rol: ook al gaat je personage niet naar de plastisch chirurg: iedereen is wel in zekere mate tevreden of ontevreden over bepaalde lichaamsdelen. Doet dat (uiterlijke) zelfbeeld iets met je personage? Zo ja, dan is dat iets wat je kan – zo niet moet –  benoemen.

Wanneer is dit belangrijk genoeg om uit te schrijven?

Zelden is iemands haarkleur een belangrijk punt in het plot of een uit het oog springend detail wat betreft het uiterlijk. Toch vormt zoiets algemeens een basis voor de beeldvorming van een personage. Maar kies voor maar een of twee van deze standaarddingen over je personage om weg te geven. Haarkleur, kapsel, oogkleur, lengte… Dat maakt meestal niet zoveel uit. Leg liever de nadruk op een uniek kenmerk, zoals een opvallende moedervlek, wel heel erg stompe vingers of de twee gouden tanden. Zo onderscheidt jouw hoofdpersoon zich van alle duizenden zwartharige vrouwen die in alle andere boeken voorkomen.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Михаил Секацкий op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Hoe begin je met reviseren aan je boek?

Als je dan eindelijk je boek klaar hebt, volgt er altijd nog een rondje revisie voor je het naar een uitgever stuurt, of het aan lezers geeft. Hoe pak je dat aan? Je kan natuurlijk je rode pen tevoorschijn halen en krabbelen waar je kan, maar er zijn ook een aantal trucjes die je kan gebruiken om het toch al rommelige proces van reviseren net iets makkelijker te maken.

Reviseren begint al vóór de start

Je boek echt nakijken kan natuurlijk pas als het geschreven is. Maar je maakt het jezelf een stuk makkelijker als je al bepaalde checklistjes maakt zodra je aan het schrijven begint. Geen zorgen: vaak zijn dit lijstjes die je al maakt om in de tekentafelfase alles duidelijk te krijgen. Je hoeft dus geen uren te besteden aan deze lijstjes. Hoewel deze checklistjes per genre kunnen verschillen -een uitwerking van een moord is niet nodig in een streekroman- doe je er goed aan om in ieder geval een handvol lijstjes voor te bereiden.

Checklistjes voor aanvang van reviseren

De checklistjes voor aanvang van het schrijven moet je heel breed houden: je hebt immers nog vrijwel tot geen inhoud. Deze lijstjes zijn dus om de absolute basis af te kunnen vinken. Daarom bestaan ze uit een concrete vraag. Voorbeelden
* Het centraal conflict: volgt dat de drie-aktenstructuur?
* Plottwist: Is die aanwezig? Zo ja: wordt de onthulling op een logische plaats in het verhaal gegeven?
* Tijdlijn: zitten er gaten in? (Lees: zijn er geen onlogische tijdssprongen, of wordt er een tijdsperiode onbedoeld overgeslagen?)
* Is mijn einde open of gesloten? Is dat nog steeds zoals ik in de eerste brainstormfase had bedacht?

Merk op dat je nog helemaal niet ingaat op het karakter van je personages, de kwaliteit van je schrijftechniek. Daar hoef je nog niet op te letten tijdens deze zeer globale revisieronde. Als je deze eerste punten nagaat (bijvoorbeeld door na te gaan of je ieder punt van de drie-aktenstructuur kan afvinken) zal je de grootste fouten in het verhaal ontdekken als die er nog zijn. Meestal zie je daardoor ook wat andere fouten, waardoor je een kettingreactie krijgt aan wat nodig is aan revisies.
“O, mijn heldin beleeft geen crisis. Dan is ze misschien óók meer Mary Sue dan me lief is…”Als dat zo is, moet er heel veel terug naar de tekentafel. Zoveel, dat het nog helemaal geen zin heeft om je om verdiepende details druk te maken…

Waarom schreef je? Wat staat centraal?

Als je de eerste revisieronde hebt doorstaan, kan je gaan bedenken waarom je nu eigenlijk schreef, en wat jouw boek zo uniek maakt. Ik heb het dan over de stijl, niet over het eigenlijke plot.
Iedere schrijver heeft zo zijn voorkeur of specialisatie als het een bepaalde stijl betreft.
Als ik als uitgever jou voor mij zou hebben en ik zou zeggen: “Er zijn hier drie schrijvers en die hebben exact dezelfde achterflaptekst geschreven. Wat mij betreft verschilt jouw verhaal dus niet van anderen. Vertel mij eens waarom ik jouw verhaal dan moet kiezen, en die twee andere niet?”

Wat is het nou echt dat jouw verhaal van de bladzijdes af laat spatten?

Je weet waarschijnlijk wel van jezelf wat jouw schrijversstem uniek maakt. Wilde je met dit boek de lezer meenemen naar een andere wereld en doe je dat met prachtige sfeeromschrijvingen? Of word je blij van het intensief uitwerken van personages? Bedenk: je schrijft niet alleen omdat je iets op papier wil zetten, maar waarschijnlijk ook omdat je een bepaald aspect van schrijven of jouw schrijfstijl graag op de voorgrond wil zetten.
Als je schrijft op een manier waar je blij van wordt, is dat vaak ook je sterke punt. Bij je sterke punt komen vaak ook schrijftechnieken kijken. Bedenk welke dat zijn en ga die nog eens goed na.
Als je heel gedetailleerd kan schrijven, ga dan eens na in hoeverre Chekhov’s gun je goed gelukt is. Of, als jouw medepersonages altijd erg sterk zijn, ze ook een goed uitgewerkte eigen heldenreis hebben.
Maak vervolgens van deze aspecten een lijstje met afvinkpunten en ga die in detail na. Let op je persoonlijke valkuilen, algemene aandachtspunten en ga eens na hoe ver je al bent.

Checklist van feedback

Je hebt misschien ook feedback van je proeflezers verwerkt. Kijk ten slotte nog eens in welk opzicht jouw verhaal in zijn geheel nu veranderd is en of dat op zijn punt weer gevolgen heeft voor personageontwikkelingen of plottwists, zoals je bij het eerste globale checklistje al deed. Maar doe dat nu wel in detail, zodat je alles wat loszit, weer kunt vastschroeven 😉

Ideale manier van reviseren?

Met bovenstaande tips moet je al een heel eind kunnen komen met een eerste revisieronde voor je boek. Kijk wat bij je past en ook vooral welk genre je schrijft. Hou er ook rekening mee dat na een eerste volledige revisieronde er bijna altijd een tweede volgt (en een derde en misschien zelfs een vierde…) Weet dan dat je op een bepaald moment revisie moet gaan uitbesteden om niet in de valkuil van de blinde vlek te vallen.
Als je dat al gedaan hebt, of daar geen behoefte aan hebt, is er altijd nog een laatste truc. Daar heb je echter wel wat tijd voor nodig.
Leg je boek minstens drie maanden helemaal weg. Je mag zelfs die ene mooie zin niet meer teruglezen. Leg het manuscript achter slot en grendel! Na die drie maanden lees je het nog eens helemaal van voor tot achter, als het even kan in een zitting of enkele dagen. Als je dan je eigen boek kan lezen zonder je aan foutjes ( groot of klein) te ergeren, mag je erop vertrouwen dat het goed is!

Maar net als bij schrijven geldt dat er geen waterdichte regels zijn. Probeer het uit en kijk waar je eindigt. Succes!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Je personage: waar heeft het een hekel aan?

Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel?
Deze week een toelichting over de allergiezone: de mensen of zaken die je personage mateloos irriteren.

Wanneer kan dit relevant zijn?

De allergiezone is essentieel om van je personage geen Mary Sue te maken: zij is zo perfect dat ze zich nergens aan ergert. Oftewel: met een allergiezone wordt je personage herkenbaar. Bovendien kan een irritatie helpen de comfortzone te verlaten. Die rol is meestal weggelegd voor de roep om avontuur of een angst die je personage niet bewaarheid wil zien worden. Toch kan een ergernis een verfrissende manier zijn om je personage dat nodige zetje te geven.

Staat dit gegeven vast?

Relatief kleine ergernissen zijn zeer veranderlijk. In een verhaal zie je vaak dat een personage juist over kleine ergernissen compleet anders gaat denken:
“Pianomuziek is stom.”
“O ja? Luister eens naar de maanlichtsonate…?”
“Wauw, ik ga op pianoles!”

Als je over zoiets simpels en veranderlijks schrijft, waak er dan voor dat het niet zo oppervlakkig is als in het voorbeeld hierboven. Is de verandering toch makkelijk te bewerkstelligen, of is je personage relatief makkelijk over te halen, dan heeft deze irritatie geen narratieve meerwaarde.

Zodra er sprake is van een hardnekkige allergiezone, is die meestal onveranderlijk. Vaak ligt de oorzaak in waar de wieg van je personage heeft gestaan, hoe die is opgevoed of door gebeurtenissen die het leven van je personage ten kwade op zijn kop hebben gezet.

Wat kan je te weten komen?

Zodra je weet waar de allergiezone zijn oorzaak heeft, heb je een schat aan informatie tot je beschikking.
Als je personage een hekel heeft aan voedselverspilling omdat het een periode van voedselonzekerheid heeft gekend, kan je gaan bedenken hoe dat je personage nog verder gevormd heeft. Als je personage een hekel heeft aan ‘zwakkelingen’, heeft het misschien zelf nooit emoties mogen tonen, of is het bang ergens mee door de mand te vallen als het een ‘zwak moment heeft’.  Dat is best een last om continu mee te moeten dragen. Ongetwijfeld vormt dat je personage op nog meerdere manieren.

Wanneer is dit belangrijk genoeg om uit te schrijven?

De relatief kleine allergietjes schrijf je uit wanneer ze meerwaarde hebben voor het plot. Als je personage een hekel heeft aan mensen die zonder hun voeten te vegen binnenkomen, schrijf het dan uit als dat een show, don’t tell is voor het feit dat mevrouw Helderder alles graag aan kant heeft. Houd de afkeer voor vieze schoenen buiten het verhaal als die allergie komt door een onbelangrijk detail als: “Ik vind stofzuigen het stomste huishoudelijke klusje.”
De grotere allergiezones moeten altijd in je plot terugkomen, omdat die kunnen bepalen wat je personage doet, laat of met wie wordt omgegaan. Waak er wel voor dat je één allergiezone niet als één gegeven uitwerkt. Let erop dat:

  • er ook een samenhang kan zijn met andere allergieën waar je over kan of soms moet schrijven
  • als iets tot het verleden behoort, dat daar ook (gedeeltelijk) blijft. Vroeger had je personage honger, nu niet meer. Is het daar dankbaar voor? Denkt het daar niet meer bij na omdat het leven verder is gegaan?
  • Je personage misschien niet zo bewust is van zijn persoonlijke allergieën als jij, zijnde diens persoonlijke psycholoog.

Kortom: denk goed na hoe subtiel je de allergieën in je tekst kan verwerken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Thomas Park op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Schrijfonderzoek in de praktijk brengen

Hoe zorg je ervoor dat je voldoende informatie meegeeft voor je verhaal, zonder van je boek een rapport te maken? Dit is waar je rekening mee moet houden als je schrijfonderzoek gaat doen of hebt gedaan.

Doelgroep: een belangrijke factor bij schrijfonderzoek

Je gaat met schrijfonderzoek beginnerscursussen volgen, meerdere boeken lezen en experts of ervaringsdeskundigen interviewen. Maar welke kennis deel je ook in je verhaal? Bedenk eerst wat je doelgroep is. Als je weet dat jouw verhaal over een specifieke uitvinding gaat, moet je meer uitleggen als Jan en alleman het gaat lezen. Weet je bijna zeker dat je aanstaande fans allemaal een goede kennis hebben van natuurkunde, dan moet je misschien nog meer onderzoek doen om hen geprikkeld te houden. Basisinformatie moet je dan juist achterwege laten.

Uitgangspunt: lijk een professor

Ongeacht voor wie je schrijft, het moet lijken alsof je een professor bent in het vakgebied, onderwerp of verhaalthema waar je over schrijft. Lijken is hier het toverwoord: je hoeft het niet te zijn. Dat ‘lijken’, houdt in dat je:

* Zelf een globaal tot redelijk gedetailleerd beeld moet hebben van waar je over schrijft.
Je hoeft niet als een daadwerkelijke expert allerlei details te weten. Als in je verhaal geleedpotige dieren belangrijk zijn, moet je weten wat de kenmerken, verschillen en overeenkomsten van zulke dieren zijn. Maar je hoeft dan niet te weten in welk opzicht de spijsvertering van een garnaal verschilt met die van een hommel.
* Zelf ook niet méér hoeft te weten dan nodig is om je verhaal tot een mooi geheel te maken.
Stop met informatie delen -of opzoeken- zodra dat narratief geen meerwaarde heeft. Ook al weet je meer dan je deelt. Zorg er wel voor dat je altijd net iets meer weet dan je deelt met je lezer. Zoals een professor ook altijd (net iets) slimmer moet zijn dan de student.

De professor voor de collegezaal

Wil een professor diens studenten goed kunnen opleiden, dan moet de informatieoverdracht prettig verlopen. Anders wordt er alsnog niets geleerd in de collegezaal.

Dat betekent dat:
* Datgene wat je personages zeggen, of wat in het verhaal gebeurt, in de basis moet kloppen.
Als je een nieuwe taal verzint voor je fictieve volk, kan je daar alle kanten mee op. Zo heeft de ene taal geen lidwoorden en de andere wel. Maar maak van je eigen taaltje geen ingewikkeld bolwerk van iets zonder lidwoorden, persoonsaanduidingen of werkwoorden, maar mèt een zelfverzonnen grammaticale constructie die het ‘samengevoegde passantwoord’ heet. Dat klinkt interessant, maar is op den duur niet meer te volgen, omdat de basis van deze taal helemaal rammelt.
* Je iets logisch en normaal moet kunnen uitleggen.
Ik kan als voormalig logopediste vertellen dat: ‘De taalontwikkeling van een jong kind een ingewikkelde samenhang is van onder andere syntax, morfologie, pragmatiek, grammatica, fonologie, en fonetiek.’
Dat is helemaal waar, toch? Ja, maar ik zou het je niet kwalijk nemen als je zou denken dat ik mezelf belangrijk wil laten klinken door allerlei ingewikkelde termen op een hoop te gooien. Wie weet, misschien verzin ik er zelfs een paar…
Oftewel: streef niet na om ingelezen over te komen. Met veel of ingewikkelde informatie staat de kennis niet in dienst van het verhaal, maar wordt het een infodump die alleen maar verwarrend werkt.

Ik kon ook gewoon schrijven dat de manier van uitspreken articulatie wordt genoemd, en dat twee belangrijke takken daarvan fonetiek en fonologie zijn. Om dan vervolgens een kindje met een spraakgebrek te laten voorkomen in het verhaal. Dan leg ik alsnog uit of en waarom dit een fonologische spraakstoornis is. Als dit de lezer überhaupt al interesseert… Misschien is het voor de lezer wel genoeg om te weten dat dit kind wordt gepest omdat het slist.

Voorkom expertpersonages

Probeer het expertpersonage te voorkomen: dat ene personage dat alles over dat ene onderwerp weet en ook continu daarover uitlegt. Als ik als logopediste in jouw verhaal over het slissende kind zou voorkomen, dan zou ik liever niet willen lezen dat mijn persona:
* naast logopediste zijn geen leven, verlangens, of personagebiografie heeft
* het slissende cliëntje aanspreekt met ‘sigmatismus interdentalis casus maandag 10.00 uur.’
(Sla deze praktijk over als de logopedist zo over cliënten praat…) Of in narratieve termen: dat leest niet als verhaal, maar als lompe, droge feiten. Feiten die de lezer misschien niet eens begrijpt.
Schrijf dan liever hoe:
* Nadine Sjakie probeert aan te leren hoe hij de stoute slang moet wegjagen en met een lieve slang moet praten.
* Nadine zo’n harde smak maakt dat haar voortanden eruit vallen en dan grapt dat ze maandag met de beste wil van de wereld geen goede slang voor Sjakie meer kan voordoen. Nogal lastig om een klank goed uit te spreken als je tong door het verlies van je tanden ineens onwillekeurig allerlei kanten opschiet als je praat…

Benodigde informatie in een scène

Soms heb je wel een ‘infodump’ nodig: een scène waarin relatief veel feitelijke informatie ineens moet worden gegeven om het verhaal lopende te houden. Probeer dan met show don’t tell ook nog iets over de onderlinge relaties, personages of het plotverloop te laten zien:
“Hoi Sjakie, ik ga even met mama praten, dan mag jij ondertussen even kleuren, goed? Mevrouw Jansen, het blijkt dat Sjakie interdentaal spreekt: met de tong tussen de tanden. Gelukkig is dat snel en goed op te lossen.”
“Dat is fijn om te horen. Sjakie, op het papier kleuren, verdorie!”
“O jee, ik was vergeten een boekje onder de kleurplaat te leggen. Wat ben je aan het tekenen, Sjakie?”
“Mijn fiets. Die kreeg ik voor mijn verjaardag.”
“Hoe lang duurt de therapie?”
“Ongeveer drie maanden, als Sjakie alles goed oppikt en zijn huiswerk goed maakt.”

Dat leest al heel wat natuurlijker en vlotter dan:
“Zo, mevrouw Jansen. Er is sprake van verschillende interdentale klanken, maar gezien de afwezigheid van addentale klanken of een fonologische stoornis, zal de therapie waarschijnlijk maar drie maanden duren.” Al is het maar omdat je niet nog geforceerd een extra scène uit hoeft te schrijven om te laten zien dat Sjakie ondeugend kan zijn, of dat het verhaal over de therapie drie maanden gaat duren.

Foto door UX Indonesia on Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Je personage: de grootste angst

Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel?
Deze week een toelichting bij de essentiële kennis over de grootste angst van je personage.

Waarom is dit belangrijk om dit te weten?

Als je ergens bang voor bent, doe je er alles aan om dat uit de weg te gaan. Of functioneer je niet normaal wanneer die angst bewaarheid wordt. In een verhaal zijn die momenten vaak belangrijke plotpunten, of een aanloop daarnaartoe. Daarom moet je weten hoe en wanneer en in welke mate deze angst aansluit bij de plotpunten. Kan die als aanleiding voor een belangrijke gebeurtenis dienen? Waarschijnlijk wel. Maar dan moet je wel weten hoe dat omschrijft en ook waarom. Oftewel: hoe dat aansluit bij alle andere factoren die bij je personage horen.  

Staat dit gegeven vast?

In het echte leven zijn angsten veranderlijk, voor een verhaal is het handig als je die als vaststaand ziet. Anders wordt je verhaalstructuur er rommelig van. De grootste angst van een personage is namelijk vaak de basis voor het centrale conflict van het verhaal. Is je personage doodsbang om er alleen voor te komen te staan? Plotseling eindigt een levenslange vriendschap… Heb je te maken met een controlefreak? Dan wordt diens geliefde ernstig ziek. Dan heb je niets meer in de hand.
Je hoeft een grote angst overigens niet bewaarheid te laten worden. Maar als je weet wat je personage eng vindt, kan je dat wel gebruiken om het verhaal zelf vooruit te helpen als je personage zelf liever blijft stilstaan.

Wat kan je te weten komen?

De grootste angst is verrassend veelzijdig als het gaat om wat die allemaal over je personage kan zeggen. Die kan zwakheden blootleggen, zoals bij de controlefreak. Een artiest die doodsbang is voor een falende carrière vertelt met een grootste angst óók over levensverwachtingen of -ambities. Ook karaktereigenschappen kunnen duidelijk worden. Iemand die doodsbang is om een machtspositie te verliezen, is waarschijnlijk egocentrisch. Zoek dus niet naar andere vondsten, maar kijk gewoon wat je vindt: wat kom je nog meer te weten over je personage zodra je weet wat de grootste angst is? Misschien is niet meteen alles interessant voor je personagebiografie, maar dat kan je later nog altijd schrappen; schrijf een nieuwe bevinding wel op in de kantlijn.

Moet je dit gegeven in je verhaal laten terugkomen?

Omdat de grootste angst van je personage in zoveel opzichten de drijvende kracht van je plot is of kan zijn, komt die altijd in je verhaal naar voren. De vraag is alleen of dat incognito of in het volle zicht is. Als het overduidelijk is, dan spreekt dat ook voor jou als schrijver voor zich en is die angst ook echt het belangrijkste plotpunt. Iemand die doodsbang is zonder baan te komen, wordt ontslagen en gaat weer werk zoeken. Is de klassieke muzikant bang gehoorschade op te lopen, dan zal het een wat subtieler plotpunt zijn dat hij niet naar de disco gaat. Het grootste plotpunt is dan misschien dat hij – met zijn muzikale gehoor-  dingt naar de titel van ‘meest belovend muzikaal talent van het jaar’.  Stem vooraf goed af waar de grootste angst van jouw personage zich bevindt op een schaal ‘van 1 tot incognito.’

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Ariana Suárez op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Een alledaagse verhaal schrijven: praktische tips

Ik schreef eerder al dat het alledaagse verhaal een pr-probleem heeft. Nu is het tijd om te kijken hoe je deze en andere factoren in je voordeel kan gebruiken om van een simpel lijkend verhaal alsnog iets moois te maken.

Wij versus het zware leven

In de inleiding op deze blogpost kon je lezen dat de personages van alledaagse verhalen hun conflict vinden in alledaagse dingen die fout gaan. Let op: alledaags betekent niet simpel of onbelangrijk. Het zijn alleen geen verhalen over een wereld die gered moet worden, er is geen miljoenenbedrijf bij betrokken, en ook de liefdesdriehoek zal je niet zo snel vinden in deze verhalen. Het zijn verhalen over zaken die een gemiddeld persoon ooit in het leven gaat meemaken, zelf of van dichtbij. Denk aan:
* ziekte
* liefdesverdriet
* het (proberen te) krijgen van een kind
* ontslagen worden
* een moeilijke studie volgen

Het is de lekke opblaasflamingo uit de inleidende blogpost, maar dan betreft het alleen iets groters in het grote plaatje van het leven. En in het alledaagse verhaal wordt je personage tijdens deze gebeurtenissen bijgestaan.

Tempo van het alledaagse verhaal

Het tempo van het alledaagse verhaal is een belangrijk punt dat het onderscheid van andere, meer spectaculaire verhalen. Het ligt naar verhouding lager, omdat het centraal conflict minder actie (in de ‘actiefilm zin van het woord’) heeft. Ga maar na. Als je enkel naar het verhaalthema kijkt, dan kan je zowel met een alledaags verhaal als met een meer gangbaar verhaal met hoger tempo te maken hebben. Het verschil is vooral hoe dat ‘actietechnisch’ wordt ingevuld.

verhaalthema betekent in een alledaags verhaalbetekent in andere verhalen vaak iets als
liefdesverdrieteen paar dagen chocolade eten en tissues volsnotteren en dan verder gaan met het leveneindresultaat van vreemdgaan of een liefdesdriehoek met ruzies en drama als gevolg
ontslageen baas die je apart neemt om rustig het slechte nieuws te brengen en zich zelf ook ongemakkelijk voelt.een baas die je in het gezicht schreeuwt en je vernedert in het bijzijn van je collega’s. Oprotbonussen van 30.000 euro na een schandaal bij een bank.
studereneen interessante stage lopen en gezellige studieuurtjes met nieuwe vriendenspectaculaire studentenfeestjes, ontgroeningen en rivaliserende studenten op een prestigieuze universiteit

Omdat de gebeurtenissen in een alledaagse verhaal niet bepaald schokkend zijn, ligt het (gevoelsmatige) tempo als vanzelf lager. Geen ‘actie-actie-actie!’ maar rustig aan bestuderen wat er eigenlijk gebeurt. Misschien zelfs zonder duidelijk conflict. Dat mag in deze verhalen, dat hoort zelfs, maar hoe zorg je ervoor dat het tempo rustig voortkabbelt, in plaats van dat de lezer alsnog in slaap valt?

Belang van sfeeromschrijving vanuit het perspectief van het personage

In ieder verhaal is goede sfeeromschrijving belangrijk, maar in alledaagse verhalen maakt dat het verschil tussen een goed verhaal en een vreselijk verhaal. Vergis je niet, dat is moeilijk! Je moet namelijk beschrijven hoe iets overkomt of aanvoelt voor je personage. Daarvoor moet je gaan omschrijven en dan ligt een infodump op de loer, maar op een andere manier dan je misschien zou denken. Zo kan je een fijne ruimte omschrijven als: de lichte meubels en zachte kussens zagen er uitnodigend uit. Daar is op zich niets mis mee, maar het is relatief afstandelijk. Als er weinig actie in het verhaal zit, dan moet je het levendig kunnen maken door het nog meer dan normaal mee te laten leven met het personage. Dat kan je vrij letterlijk nemen: neem je lezer mee in het eigenlijke leven van je personage. De eerder genoemde ruimte kan je dan beter omschrijven als: de zachte kussens op de bank boden een uitkomst na een dag hard werken.
Het lastige hiervan is dat een tell op de loer ligt: en niet voor een enkele zin, maar voor vele pagina’s. Want hoe verzandt je niet in: Mijn personage vindt zus en zo, voor mijn personage is het YXZ om dit mee te maken? De truc zit ‘m in een combinatie van invoelen en observeren.

Invoelen en observeren

Bij het schrijven van een alledaags verhaal kom je een heel eind met invoelen en observeren. Met invoelen bedoel ik hier zoveel als de waarheid van je personage kennen en daar ook naar schrijven.
Let erop dat je voelen niet te letterlijk neemt. Voelen is schrijftechnisch gezien een gevaarlijk zintuig. Negen van de tien keer schrijf je er een tell mee. “Ik voel me misselijk.” “Ik voel me in de steek gelaten.” “Ik voel de wind in mijn haren.” Vervang dat liever door “Het zure braaksel komt opzetten.” “Ik ben eenzaam.” “De wind strijkt door mijn haren.” Ook al zijn deze voorbeelden soms nog steeds erg tell, het woord voelen spant vrijwel altijd de kroon. Probeer dat de vermijden waar je kan.
Dan is er nog observeren: wat ziet je personage en wat denkt die daarbij? Wat voor gevoelens maakt dat los?
Met andere woorden: invoelen en observeren betekent hier: beschrijf hoe je personage de wereld om zich heen beleeft.

Aandacht naar de details

Als een verhaal weinig noemenswaardige ‘echte’ conflicten heeft, dan moet je aandacht aan details besteden om het lopende de houden. Schrijf over de collega die iedere dag koffie haalt en over de lunchroom die de aller-allerlekkerste appeltaart heeft. Denk aan het gezegde: “Het zijn de kleine dingen die het ‘m doen.” Dat kan je als uitgangspunt gebruiken. Wees niet bang om langer stil te staan bij die kleine dingen: klein + klein= groot: met een hoop kleine, belangrijke dingen kan je iets groot(s) maken. Verplaats de aandacht met enige regelmaat naar een ander detail, zodat het niet te langdradig wordt. Bij het alledaagse verhaal gaat vaak de regel op: zolang het belangrijk is voor het personage, is het belangrijk voor het verhaal. Als je je lezer op eenzelfde manier het belang van het detail of moment kan laten inzien op de manier waarop je personage dat beleeft, zal je niet snel meer iets saais schrijven. Dan bestaan onbenullige gebeurtenissen of details niet meer.

Foto by Florencia Viadana op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Je personage: gender en seksualiteit

Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel?
Deze week een toelichting over gender en seksualiteit.

Wanneer kan dit relevant zijn?

Gender en seksualiteit zijn bijzonder om over te schrijven. Het kan namelijk het volledige verhaalthema of centrale conflict bepalen, maar het kan ook net zo irrelevant zijn zoals een detail als haarkleur dat meestal is. Die mate van relevantie moet je voor jezelf vooraf vaststellen, anders komt je verhaal vroeg of laat op losse schroeven te staan.

Staat dit gegeven vast?

Iemands seksuele voorkeur en gender(identiteit) staan vast. Maar afhankelijk van de tijd, plaats en mening van naasten kan eenzelfde identiteit een compleet ander verhaal opleveren. Denk aan een tijdperk waarin het enige recht van de vrouw het aanrecht was. Of aan een van de vele landen waar je als homoseksueel vandaag nog voor je leven moet vrezen.
Je mag zoveel als je wil spelen met hoe je hoofdpersonage met diens geaardheid of gender(identiteit) omgaat. Maar ga niet knoeien met geschiedkundige of geografische feiten over hoe de wereld daarover dacht of denkt. Daar wordt je verhaal ongeloofwaardig van.

Wat kan je te weten komen?

Deze combinatie van de vrijheid die je hebt om je personage te kneden en de regels waaraan je je te houden hebt, geeft je de kans om je verhaal werkelijk uniek te maken. Je hebt zoveel mogelijkheden, dat er ook eindeloos veel potentiële verhalen zijn. De gender en geaardheid van je personage vormen daarbij slechts de eerste stap.
Stel dat je biseksuele personage in de middeleeuwen leeft. Het ene biseksuele personage valt op een persoon van het andere geslacht en hoeft dus in het openbaar niet bang te zijn voor vergelding. Maar dan kan je wel schrijven over de innerlijke worsteling die je personage ongetwijfeld heeft (gehad) over het feit dat diegene nog steeds op het iemand van hetzelfde geslacht valt.
Wat doet het middeleeuwse biseksuele personage dat wel verliefd wordt op iemand van hetzelfde geslacht? Krijg je een verboden liefde of een persoon die verder gaat zoeken naar een ‘aanvaardbare liefde’ in de wetenschap dat diegene de eerste ‘echte’ liefde heeft moeten laten varen?

Dit zijn al vier verschillende scenario’s over één personage in dezelfde setting. Tel er karaktertrekken of andere factoren bij op en de lijst van mogelijkheden wordt eindeloos veel langer.

  • Je mannelijke personage besluit verder te zoeken naar een vrouw op wie hij verliefd kan worden. Dit geeft weer dat hij waarschijnlijk niet de moed heeft die hij zou willen hebben. Wat zegt dat over zijn heldenreis?
  • Je vrouwelijke personage komt een man tegen en trouwt met hem. Dan komt ze later alsnog een vrouw tegen. Als ze nu vreemd zou gaan, is dat vanwege lust, of vanwege een gedeeltelijk onderdrukte seksualiteit? Durft ze het risico van steniging aan te gaan? Aan jou de keuze. En ongeacht het antwoord daarop, wat wil ze riskeren? Ook dat zegt veel over haar karakter en de heldenreis.

Kortom: gender en seksualiteit biedt een breed scala aan mogelijkheden, maar er zijn vaak wel veel extra factoren die je niet zomaar kan negeren als je je verhaal geloofwaardig en interessant wil houden.

Wanneer is dit belangrijk genoeg om uit te schrijven?

Soms maakt het de omgeving echter helemaal niets uit dat je personage een bepaalde geaardheid heeft, of wordt ze als vrouw gelijk behandeld. Waak er dan voor dat je van de geaardheid of het geslacht alsnog een ding gaat maken. Als de personages in het boek dat al niet doen, waarom zou jij dat wel doen? Een conflict dat er is omwille van de aanwezigheid van een conflict leest nooit fijn.  

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Rob Maxwell op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Je personage: waar heeft de wieg gestaan?

Als je een personage gaat schrijven, biedt een personagebiografie een handig overzicht van diens doen en laten en geschiedenis. Wat moet je in dat document toevoegen en wat is optioneel?
Deze week een toelichting bij de essentiële kennis over in wat voor omgeving en milieu je personage is opgegroeid.

Waarom is dit belangrijk om dit te weten?

Je wieg bepaalt je wereldbeeld voor een groot deel. Kijk naar het verschil tussen een gezin dat naar de voedselbank moet en een gezin met een sauna en zwembad in huis. Het ene kind groeit op met voedselonzekerheid als zorg, het kind uit het andere gezin weet misschien niet eens dat er mensen zijn die daarmee moeten kampen. Evengoed groeit een kind in Nederland op met het idee dat je binnen een halfuur autorijden altijd wel een treinstation tegenkomt. Dat is niet zo als je in een dunbevolkte staat in de VS woont.
Waar je wieg staat, is misschien wel het meest duidelijke referentiekader waarmee je de wereld in kijkt – of misschien beter gezegd, leert kijken. Wil je dat je personage zijn wereldbeeld enigszins verandert, dan moet je weten wat dat is. En iets aan je personages wereldbeeld gaat veranderen: iedere held maakt in het verhaal een centraal conflict mee.

Staat dit gegeven vast?

De wieg van je personage staat vast, een wereldbeeld niet. Dat gat vormt vaak een deel van het centrale conflict. Kijk goed wat je echt niet kan veranderen en wat je personage zou kunnen aanleren of waar die aan zou kunnen wennen. Je rijkeluiskindje heeft nooit hoeven werken vanwege de financiële overvloed binnen de familie, maar ze kan nog wel leren solliciteren en werken. Haar arme tegenpool kan als ze de loterij wint vast wel wennen aan het idee dat ze een keer op vakantie kan. Al kost het even tijd voor ze gewend is aan het idee dat als ze vijftig euro uitgeeft aan een etentje, dat niet meteen betekent dat ze een voorlopig ieder dubbeltje moet omdraaien.  

Wat kan je te weten komen?

Met de wieg kom je erachter waar je personage aan gewend is en wat comfortabel is. Soms kan je dat vertalen naar de comfortzone die verlaten moet worden. Andere keren kan je ‘comfortabel’ wat letterlijker nemen en leer je daarvan waar je personage bang voor is, of wat diens idealen zijn. Dat kan weer handig zijn om belangrijke karaktertrekken of normen en waarden van je personage te bepalen. Zo krijg je ook broodnodige informatie die je helpt je personage levendig te maken.

Moet je dit in je verhaal laten terugkomen?

Als je de wieg van je personage expliciet meeneemt in je verhaal, wordt de sociaaleconomische status van je personage al snel een onderdeel van je verhaalthema. Maar je kan met show, don’t tell ook een heel eind komen door te laten zien hoe en waar je personage is opgegroeid. Je kan eigenlijk niet om de wieg van je personage heen. Vroeg of laat kom je die wel tegen, omdat de wieg vele factoren bepaalt die organisch in je verhaal verweven raken. Overtuigingen, meningen en zelfs karaktertrekken. Maar het is aan jou om te bepalen welke en hoeveel aandacht je daar aan besteedt.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door freestocks op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Schrijfoefening: de doodnormale treinreis

Vorig jaar organiseerde ik de schrijfwedstrijd Portland Pen. Ik kreeg spectaculaire reisverhalen terug om te lezen, maar ik wil nu laten zien dat er verborgen informatie verstopt zit in een scène met een doodnormale treinreis

Uitgangspunt van de schrijfoefening

Deze schrijfoefening gaat in op het idee dat:
* iets voor de een alledaags is, en voor de ander een hele onderneming
* iets niet per definitie spectaculair hoeft te zijn, voordat je iets over je verhaal of personage kan leren
* je soms juist in de details of tussen de regels van het schijnbaar normale door iets te weten komt over je verhaal of personage. Iets wat je niet zou zien als het verhaalthema zelf al tot de verbeelding spreekt.

De alledaagse treinreis

In deze schrijfoefening gaat je personage
* een kaartje kopen voor de trein
* naar het station
* de trein instappen
* een keer overstappen: de dienstregeling is hierbij prima, er is geen vertraging in het spel
* de trein weer uit, op weg naar een vriend of familielid om een alledaags bakje koffie te drinken. (Lees: je personage is niet op weg naar een begrafenis, het vliegveld voor een belangrijke zakendeal, kraamvisite…) De reden voor dit treinritje is relatief saai.
Tijdens deze treinrit mag je personage geen getuige zijn van een vechtpartij, sjans hebben met de toekomstige partner… Bovendien reist je personage gewoon binnen Nederland. Er is geen taalbarrière, ingewikkeld gedoe met wisselen van vervoerders…Dit ritje is op zichzelf in elk opzicht alledaags.

Met andere woorden: op zichzelf is deze treinreis doodnormaal. De vraag is alleen of jouw personage dat ook zo beleeft, en waarom (niet). Ongeacht dat antwoord ga je kijken waaraan je dat ziet en wat er alsnog gebeurt waaraan je iets aan je personage of het plot opmerkt. Of wat deze ogenschijnlijk saaie scène alsnog interessant maakt of kan maken.

De extremen op een rijtje

Gegevendoorgewinterde treinreiziger reiziger die normaalgesproken altijd met de auto gaat
kaartje kopen doet dat niet: de ov-chipkaart wordt automatisch opgeladen bij een bepaald bedrag.moet nog een ov-chipkaart kopen en uitvinden hoe je die oplaadt en hoe de stationspoortjes werken
naar het stationhoeft maar op de klok te kijken om te weten wanneer hij moet vertrekken moet nog een website (weten te) vinden waarop de dienstregelingen vermeld staan
de trein instappenziet een trein aankomen en weet aan de hand van de lengte van de trein en de tijd van de dag waar hij de grootste kans op een zitplaats heeftweet misschien niet dat er ook stiltecoupés zijn en baseert de zitplaatskeuze daar dus ook niet op
overstappengaat in een coupe zitten die dicht bij de trap naar het andere perron stil gaat staanhoud de dienstregeling goed in de gaten of heeft de hele week al in het hoofd dat van spoor zeven de volgende trein gaat, met een overstap van zès minuten
het station verlatenheeft nauwelijks door dat de treinreis erop zit en vervolgt routineus de reiskijkt verwoed waar de bussen staan of belt meteen de vriend op: ‘Alles is goed gegaan, waar staat de P&R waar jij wacht?’

Alles in kleine stapjes…

Als je de tabel ziet, gaat de treinreiziger zowat emotieloos door het leven, waar de autobestuurder ’s werelds grootste stresskip lijkt. Dat is dus uitgesproken niet de bedoeling van deze scène. Idealiter ligt het resultaat ergens in het midden: bijna alles lijkt normaal, zoals bij de treinreiziger, maar ergens valt er iets kleins op of gebeurt er iets relatiefs eenvoudigs, waardoor er nog ergens over te schrijven valt.

Welke van deze elementen zou iets over je personage kunnen zeggen?
Is je personage vaak blut? Misschien werkt die automatische bijschrijving dan niet meer, of is het extra stressen als een kaartje uit de automaat een euro duurder blijkt te zijn dan die online een te kopen.
Of als je personage zich soms verslaapt…

In deze schrijfoefening gaat er niets mis, maar als je wil schrijven over iets alledaags, moet je wel – al is het maar in het achterhoofd- bedenken wat er mis zou kunnen gaan. Anders wordt je verhaal ècht eentonig en emotieloos. Je personage mag dan niet continu interessante dingen denken, het denkt en observeert wel degelijk. Wees niet bang om dat zo nu en dan uit te schrijven:
“Ik moet eens ophouden iedere dag koffie te halen op het station. Dan heb ik zo die ene citytrip bij elkaar gespaard.”
“Joepie, een dubbeldekker. Daar wilde ik als kind al in rijden. Ik hoop dat er boven nog een plaatsje vrij is!”

Kies het element wat voor je personage om wat voor reden dan ook het interessantst is en schrijf daar iets omheen wat het schrijven waard is. Zo kan de doorgewinterde reiziger genieten van de overstap omdat hij iets aan het station nog altijd mooi vindt om te bekijken. De nieuwe treinreiziger kan naar het station gaan het belangrijkst vinden, omdat die daar nog alles moet ontdekken.

Vervolgens laat je iets kleins gebeuren. Er schiet je personage plotseling iets te binnen (al dan niet door iets wat die ziet of wat er gebeurt), er komen gevoelens opzetten (fysiek of emotioneel) waardoor je personage de treinrit op een bepaalde manier beleeft. Laat de conducteur op een goede vriend lijken, de wc wel heel erg stinken…

… En actie!

Wat doet je personage met dit kleine gegeven? Soms zeggen de kleinste acties veel over hoe je personage in elkaar steekt!

Meldt je personage de stankoverlast? Groet die de conducteur? Heeft dat nog gevolgen voor het latere plot? (‘Laat ik die lang verloren gewaande vriend weer eens bellen..’) Is het voorval aan het eind van de rit weer vergeten of is dat de reden om vaker met de trein te gaan of juist een auto aan te schaffen?

Zenmomentje

In deze scène zal er niets gebeuren wat het complete plot op zijn kop zet, hoogstens vormt het een van de tientallen schakeltjes. Maar je kan van deze oefening wel iets over je personage leren. En het geeft een prettig narratief ‘zenmoment’, waar je sfeeromschrijving goed tot zijn recht kan laten komen.
Een paar honderd of soms tientallen woorden volstaan vaak al voor dit soort scènes, anders verliezen ze hun kracht. Maar ze zijn dan wel kort en krachtig!

Foto door Finn IJspeert op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Drie-aktenstructuur: de derde akte

In de serie ‘Drie-aktenstructuur’ leer je ieder verhaalelement van het drie/aktenstructuurschema beter te begrijpen. Alle afzonderlijke elementen zijn al aan bod gekomen. Maar ook de aken zelf kunnen je een beter begrip van je verhaal geven. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten per akte? Deze week de derde akte, waarin het verhaal wordt afgerond.

3 aktenstructuur

Wat moet deze akte vooral doen?

Deze akte moet afronden en naar een einde toewerken. Dat laatste woord is het toverwoord. Afsluiten doe je geleidelijk aan. Dat houdt twee belangrijke dingen in:

  • Na de climax is het verhaal niet plotseling over.
    Onthoud dat je een hele akte hebt om iets af te ronden, niet slechts een enkel verhaalelement. Dat is niet voor niets zo.
  • Je introduceert geen nieuw idee.

Het moment van introduceren ligt inmiddels ver achter je. Dat geldt niet alleen voor nieuwe verhaallijnen op zich. Ook een nieuwe draai aan een verhaal geven is hier niet meer op zijn plaats. Het bekendste en duidelijkste voorbeeld is koppelen: ga niet op het laatste moment nog redenen aanvoeren waarom deze mensen een mooi stel (zouden) zijn.

Wat moet je vooraf weten voor deze akte?

De toon van je einde kan het verloop van je verhaal bepalen. Je kan een ‘lang en gelukkig’ immers niet uit de lucht laten vallen. Vul deze zin voor jezelf in: “Als mijn lezer het boek dichtslaat, wil ik dat die X voelt.” Bedenk hoe je dat warme gevoel, schuld, verdriet, opluchting…  gedurende je hele verhaal naar voren laat komen. Dat kan met thema´s, onderlinge relaties tussen personages, subplots, symboliek… Wat je maar kan bedenken. Je verhaal hoeft niet in zijn geheel in het teken te staan van het einde, maar je moet wel genoeg hebben om naar te kunnen herleiden.

Wat moet voor de lezer duidelijk worden?

Wat jij wil. Je staat zelf voor de keuze of je een open einde schrijft of niet en daarmee ook wat je aan de fantasie van de lezer overlaat. Daarvoor moet je wel het nodige afwegen, ook al in eerdere delen van het verhaal. Uitzondering hierop is het centraal conflict. Je moet wel een duidelijk antwoord geven op de vraag of de heldenreis slaagt of niet. Als je heldenreis geen uitgesproken ja/nee antwoord heeft (“Wordt de draak verslagen?”) geef dan wel aan in welke ‘richting’ het verhaal verder gaat: “Hoe gaat het leven als huisrouw verder?” “Niet zo fantastisch, nu ze vrienden is kwijtgeraakt door haar zelfzuchtige gedrag.” Of deze vrouw dan naar verloop van tijd ook haar huwelijk op de klippen ziet lopen of na een flinke tijd van egoïsme weer vrienden maakt, dat mag de lezer dan bepalen.

Wat mag je openlaten in deze akte?

Alles of niks, het is maar net hoe je het bekijkt en of je een open einde schrijft of niet. Zolang het centrale conflict maar beantwoord wordt, je niets nieuws introduceert en je het verhaal geleidelijk laat aflopen en niet plotseling stopt, kan je niet zo snel te veel open laten aan het einde van je verhaal.

Samenhang met andere akten

De derde akte moet vooral laten zien wat er ten opzichte van de eerste akte is veranderd. Aan het eind van het verhaal heeft je personage een heel ander leven, visie of leefomstandigheden. Daar is het centrale conflict immers voor bedoeld.
Daarnaast is de derde akte niet alleen het einde van het verhaal, maar ook een slot van de tweede akte.
Het is geen glasharde regel, maar het kan je wel wat houvast bieden: de eerste helft van de derde akte kan je gebruiken om terug te blikken op de tweede akte, de laatste helft is bedoeld voor de afronding van je verhaal.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.

Foto door Aaron Burden op Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.