Zo verminder je een cliché: van tien naar normaal

Afgelopen week probeerde ik AI te slim af te zijn en dat lukte 😉 Het resultaat is een blogpost waarin je leest hoe je van een extreem cliché weer richting ietwat normale tekst kan gaan. Want je kan wel weten waar het fout gaat met een cliché, die fouten moet je ook weer kunnen rechtzetten.

Klefste tekst ooit: een AI-experiment

Ik sprak met een (Engelssprekende) vriend over in hoeverre AI op dit moment emoties en gevoelens kan faken. Als wij al moeite hebben om goede definities te geven aan grote woorden als liefde en hoop, hoe doet een computer dat die die zaken niet kan voelen? Ik vermoedde dat AI getraind zou zijn op het herkennen van romance, niet zozeer op andere soorten liefde en dat wilde ik gaan testen. De prompt die wij gaven aan een AI-liedjesmaker was: ‘Ik mis mijn niet-romantische liefde’. Ziehier de vertaling.

Ik mis je lach elke dag
Jouw grappen verlichten mijn weg
Je bent mijn zonneschijn door het grijs
Zonder jou ben ik verdwaald

Geen bloemen geen zoete lijnen
Geen kaarsen geen witte wijn
Alleen wij en de leuke tijden
Samen verstrengelen we

[Refrein]
Ik mis mijn niet-romantische liefde
Je bent mijn beste vriend gezonden van boven
Geen harten geen duiven alleen wij, het is genoeg
Ik mis mijn niet-romantische liefde

We praten de hele nacht door
Geen behoefte aan een liefdeslied
In elkaars leven horen we thuis
Onze band voor altijd sterk

Door dik en dun blijven we
In lachen pijn en spel
Je bent mijn rots mijn elke dag
Op een niet-romantische manier

[Refrein]

De titel die AI aan het lied gaf was erg simpel: ‘niet-romantische liefde’. Wij hadden al snel een passendere: ‘mensen in ontkenning van verliefdheid’. Want: ‘samen verstrengelen we’? Ja joh, platonisch als wat… Een andere vriendin zei: “Het slachtoffer lijkt in de friendzone te zitten. Ik heb er bijna medelijden mee.”

Hoe dan ook: de tekst is overduidelijk romantisch. (Daarom moet AI het glashard ontkennen om nog aan de prompt te voldoen, haha.) Want bijna ieder cliché over romantische liefde wordt er genoemd. Daarom is dit liedje duidelijk door AI gemaakt, concludeerden wij: een mens zou dit makkelijk als te veel van het goede bestempelen. Het werken met iets dat clichégevoelig is, vergt nu eenmaal afweging van wat je in de tekst laat en wat je wel degelijk kan of zelfs moet gebruiken. Dat moet dan weer aansluiten op je verhaalthema op een manier die gebalanceerd is…

Ik schreef al over hoe clichés vaak hyperbolen zijn, en dat je ze af moet zwakken. Maar nu gaan we kijken hoe je die afwegingen in de praktijk maakt, met het perfecte voorbeeld van het liedje over (niet-) romantische liefde als uitgangpunt.

Wat is het goede in ‘te veel van het goede?’

Als je een clichégevoelig element gaat schrijven, heb je voorbeelden te over om mee te werken. Je kan niet vermijden dat een aantal elementen die het cliché vormen moet gebruiken. Onthoud dat een cliché altijd een uit de hand gelopen trope is: met het element op zichzelf is niets mis: het is de manier waarop het wordt ingezet. Vaak heeft een trope een bepaalde symboliek of een betekenis die gewoon duidelijk is.

‘Ik mis je lach elke dag’ is duidelijk en daar zit niets achter. ‘Zonder jou ben ik verdwaald.’ is al iets meer figuurlijk: je partner geeft je hier geen stadsplattegrond, maar advies over wat je (nu) in je leven kan doen. En iets als ‘Geen harten geen duiven alleen wij, het is genoeg’ is echt symbolisch, want dat zijn symbolieken van romantiek en liefde. In dat geval is het handig om te gaan bedenken waarom dat is, of kan zijn. Soms is dat een open deur. Schrijf het toch op, want het kan je helpen om tot de kern van je (symbolische) boodschap te komen. Het hart en de duif gaan we samen bekijken:

Hart: laat het bloed in je lijf rondpompen, en zorgt dat je leeft. Het gevoel dat je leeft, wordt versterkt als je diepe liefde ervaart. Spreekwoorden en gezegden met ‘hart’ erin, zijn vaak tekenen van liefde, of op zijn minst diepe vriendschap, blijdschap of empathie. ‘Mijn hart zwol op.’ ‘Dat gaat mij aan het hart.’ ‘Een hart van goud hebben’ ‘Het hart op de juiste plek hebben’, enzovoorts. Kortom: het hart staat voor alles wat goed is in een mens.

Duif: staat voor vrede, liefde, harmonie… Al die leuke dingen. Maar: hier wordt het leuk: symbolisch gezien is die duif altijd wit…

Deze duiven zijn nou niet echt de bron van romantiek, of wel? Flauw, maar wel een goed punt als je wil kijken hoe je iets moet bekijken als het onderdeel is van een cliché: weet je wel wat je zegt? Weet je wel waaróm iets cliché is?

Weet wat je zegt

Als je weet wat je zegt, kan je de elementen van een cliché makkelijker herkennen, maar ook rangschikken. Dat helpt je weer om te bedenken wat je kan behouden, of aanpassen. Uiteindelijk is dat wat romantiek romantisch in plaats van klef maakt, het dreigement echt eng in plaats van loos of ongeloofwaardig en het de blijdschap oprecht in plaats van hysterisch. Dan kan je gaan afwegen en gericht gaan selecteren. Zodat dat ene romantische gebaar of die lieve opmerking in je liefdesliedje ook daadwerkelijk gewicht krijgt. Natuurlijk is een kort liedje iets anders dan een compleet verhaal met plotontwikkeling, personagebiografieën en al dat soort zaken. Maar hetzelfde principe gaat op. Als je goed nagaat wat je schrijft en waar zich dat op de clichéschaal van 1 tot 10 bevindt.

Ik mis mijn niet-romantische liefde écht

Ik heb heb het eerder genoemde liedje herschreven op een manier waarop het daadwerkelijk een niet-romantische liefde is die wordt gemist. Ik heb de tekst niet als geheel bekeken, maar per zin alles heroverwogen en herschreven, om het overzicht van de theorie in deze blogpost duidelijk te kunnen houden. Per alinea heb ik gekeken of het nog een beetje een geheel vormt. Helemaal niet-romantisch is het niet: misschien vind je dit nog steeds een liefdesliedje. Maar daarmee heb je dan nog een kleine schrijfoefening over: ik heb een begin gemaakt, maak het zelf af ;). Veel plezier en succes!

Ik mis je lach de laatste tijd –> niet altijd
Omdat je mij aan het lachen maakt –> geen hyperbool van het ‘verlichten van iedere pijn’, gewoon feitelijk
Ik ben blij als je bij me bent
Omdat ik aan jou een goeie heb

Grote gebaren, daar hebben wij niets aan
Of misschien geen behoefte aan
Want wij hebben gewoon gezellig samen
Samen zijn we Jut en Jul

[Refrein]
Ik mis mijn allerbeste vriend
Zonder wie het leven saai zou zijn
Wij zijn twee handen op een buik
Ik mis je en dat doet pijn

We weten van elkaar wat we denken
En toch praten we heel veel
Ik heb met jou een sterke band
en een maatje in mijn leven

Maatjes door dik en dun
Die samen lachen en huilen
Wanneer dat kan of nodig is
Ik mis je nu dat niet gaat

[Refrein]

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Empathie verdienen van de lezer: de praktijk

Om een boek mooi te schrijven heb je een goed verhaal nodig. Dat krijg je niet voor elkaar als je geen empathie bij de lezer kan opwekken. Vorige week las je al een inleiding, in deze blogpost kijken we wat je kan toepassen om de empathie van de lezer echt te vangen.

Welke elementen zijn er nodig voor empathie voor een verhaal?

Empathie bij een lezer wekken is lastig en vergt maatwerk. Het is heel anders om empathie te voelen voor een soldaat in een oorlog dan het is om helemaal mee op te kunnen gaan in de blijdschap van een kind. Maar een aantal zaken gelden altijd:

  • De held is altijd moedig: die kan vallen en weer opstaan.
  • Een valse held roept geen empathie, maar antipathie op. .
  • De held is om wat voor reden dan ook de Harry Potter onder de Harry’s.
  • De held laat menselijkheid zien.
  • De verbeeldingskracht van de lezer moet de ruimte krijgen.
  • Het plot mag nooit helemaal stilstaan.

Sommige punten spreken voor zich, andere hebben wat meer uitleg nodig.

De menselijkheid van de held

Om niet zomaar als een personage, maar als echt mens over te komen, moet je personage tekortkomingen en menselijke trekjes en voorkeuren hebben. Dat houdt niet op bij Mary Sue-af zijn of het hebben van iets als een lievelingskostje. Zie het in dit geval eerder als: je personage reageert ook als een mens. Met de actie-reactieregel van een plot, kan je in de val trappen dat je personage altijd meteen met het plot meegaat. Tenzij je personage dom is, want dan is langzamer reageren daar een show don’t tell van. Merk op dat de beredenering van deze laatste zin heel kort door de bocht kan zijn. Het kan inderdaad een show don’t tell betreffen, maar ook een manier om van een personage cartoonesk te maken. Je personages krijgen menselijkheid als ze ook eens aarzelen, iets niet snappen, vastlopen of anderszins afwachtend zijn ten behoeve van een sfeeromschrijving in plaats van een show don’t tell van hun karakter of de voortgang van het plot.

Bedenk ook dat het doel om je personage ‘menselijk’ te maken te ver kan doorslaan in het principe dat het levensecht moet zijn volgens het principe van own voice, of als een representant van een groep – minderheden, mensen uit een ander tijdperk of een bepaalde klasse…. Als het gaat om empathie opwekken moet je niet uitgaan van een personage dat echt lijkt, maar eerder erop mikken dat het echt voelt. Anders gezegd: zoek de gemene deler die we als mensen allemaal hebben en stel kernemotiesliever centraal dan de vraag of je personage realistisch overkomt.

Verbeeldingskracht moet de ruimte krijgen

Als de verbeeldingskracht van de lezer wordt aangesproken, wordt die helemaal in het verhaal meegezogen. Dan leest die gevoelsmatig niet meer, maar ziet die voor het geestesoog een film afspelen en ben jij als schrijver onzichtbaar. Als je empathie wil opwekken, moet je voorkomen dat je door infodump, slechte expositie of geforceerde dialogen alsnog je schrijversgezicht laat zien. Vertrouw erop dat de verbeeldingskracht van je lezer de belangrijkste ‘gaten’ kan vullen.

Vaart in het plot

Je plot heeft gedurende het boek verschillende snelheden. Tijdens een actiescène is die hoog, vlak daarna ligt het tempo lager, om de lezer wat ademruimte te geven. Het is dus niet erg als je plot even wat trager is, maar je lezer moet wel altijd weten wat er op het spel staat. Ook al is het maar in het volgende hoofdstuk. Het is moeilijk duimen voor een verhaal waarin het lijkt alsof de ridder de draak al verslagen heeft en er ook geen tweede draak gaat komen.

Wanneer is er empathie voor je verhaal?

Je kan pas echt empathie bereiken bij de lezer als die helemaal in het verhaal gezogen is of wordt. Daarvoor moet de lezer een glashelder beeld hebben van het personage, centraal conflict, het plot, de wereld waarin het verhaal zich afspeelt, een uitzonderlijke situatie waarin actie-reactie onvermijdelijk is.. Kortom: er is geen enkel element wat op zichzelf gegarandeerd empathie opwekt bij de lezer. Het ligt heel erg aan het verhaal dat je schrijft. De ene keer kan je met een perfecte openingszin al empathie opwekken, waar je dat andere keren gedurende het verhaal, na enkele pagina’s of met een flitsende scène bij de lezer opwekt, om dat niet meer te verliezen. Maar als je een credo wil hebben om in te schatten of je op de goede weg zit, dan is dat dit:

Als je empathie bij de lezer wil opwekken, moet je zorgen dat je pakkend schrijft.

Met ‘pakkend schrijven’ bedoel ik hier niet wat men vaak bedoelt in cursussen zakelijk schrijven: kort en krachtig en met een duidelijke indeling van alinea’s. Met ‘pakken’ bedoel ik hier: zorg dat de lezer iets heeft -een mooie wereld, een interessant personage, een wijze levensles, een vlot plot…- dat maakt dat je lezer het boek (weer) wil pakken en verder willen lezen, of dat willen blijven doen. Zorg voor een en-toen?! -element in je plot, maak je personage interessant genoeg om het verlangen naar een nog verdere kennismaking aan te wakkeren of maak je verhaal(element) zodanig uniek dat de uitwerking an sich al voldoende is om nieuwsgierig naar te blijven. Verwar dit niet meteen met een pageturner, dan maak je het misschien groter dan het hoeft te zijn. Het gaat er bij empathie opwekken bij de lezer niet om dat alles en iedereen in je boek continu vlot en super interessant is. Het is meer zo dat er altijd überhaupt íets interessants moet zijn.
Denk aan het principe van onbekend maakt onbemind. Het omgekeerde daarvan is ook waar. Als er iets bekends is, raak je daar als vanzelf al meer bij betrokken. Tenzij je (heel) slecht schrijft, volgt de empathie van de lezer dan vaak ook.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Christin Hume verkregen via Unsplash.

Empathie verdienen van de lezer — inleiding

Je lezer gaat pas echt meeleven met het verhaal als je empathie voor een personage voelt. Dat gebeurt op het moment dat alles levensecht wordt. Dat is geen einddoel: het moet eerder in het verhaal gebeuren. Grote, spannende plotpunten hebben pas effect als er empathie is verdiend. Hoe krijg je dat voor elkaar en hoe zorg je ervoor dat je niet te snel op empathie rekent?

Het gaat om déze held — Harry Potter onder de Harry’s

De theorie voor empathie opwekken bij je lezer is simpel: maak het personage/het verhaal zodanig uniek dat het levensecht wordt. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je ervoor zorgen dat je personage/verhaal zich onderscheid van alle anderen. Harry is een goed voorbeeld. Het is een veelvoorkomende, op zichzelf vrij nietszeggende naam. Maar zeg Harry Potter en je hebt miljoenen fans: het gaat om Harry Pótter, niet over Harry Haringhandelaar wiens verhaal je na twee dagen alweer vergeten was omdat het niet bijzonder genoeg was om te onthouden.

Stel je voor dat een alien de aarde bezoekt en bij thuiskomst vertelt over de aardbewoners. “Zeven op de tien mannen leken Harry te heten, dus ik kon ze nauwelijks nog uit elkaar houden. Maar Harry Pótter zal ik niet snel vergeten. Die kon zoveel vertellen. Over magie, zijn doodsvijand, interessante vrienden, de waarde van moed en liefde… Over hem raak ik niet uitgepraat.”

Zorg ervoor dat jouw personage de Harry Potter onder de Harry’s wordt. Je hoeft geen multimiljardair te worden met je nieuwe boek, maar je hebt wel die grote globale ingrediënten nodig die in ieder goed verhaal te vinden zijn: een rijk plot, prettige personages, mooie thema’s, enzovoorts. Als je personage niet aan die basisvoorwaarde voldoet en de alien het überhaupt niet de moeite zou vinden om thuis op de andere planeet over jouw personage te vertellen, of het alweer vergeten zou zijn na een ruimtereis, dan wordt het oproepen van empathie voor je verhaal of personage erg moeilijk, zo niet onmogelijk.

Onmisbaar opschrijfboekje

Het is onmogelijk om Harry Haringhandelaar te transformeren naar Harry Potter zonder een goed uitgewerkte personagebiografie. Of een ‘worldbuildingbiografie’ of al het andere aan verzamelde aantekeningen dat voor jou als schrijver duidelijk maakt waarom jouw wereld, plot, personage of… het verhaal uniek en interessant maken. Pak dus je opschrijfboekje erbij en schrijf tot je vijf pennen compleet hebt leeggeschreven. De ‘extra’ informatie die jij als schrijver hebt, maar niet met je lezer deelt is onmisbaar: het geeft je de mogelijkheid om via een soort show don’t tell je verhaal vorm te geven die daadwerkelijk tot de verbeelding – of in dit geval empathie- spreekt.

Je kan namelijk niet zomaar zeggen dat je personage moedig is. Of letterlijk schrijven: in deze wereld was alles vreugde en liefde. Niet alleen omdat dat te recht voor zijn raap is, vooral omdat het niet geloofwaardig is. Je kan show don’t tell in dit geval zien als een kwestie van: je moet het meerdere keren laten zien voor de lezer je gelooft. Die wil zeker weten dat iets echt zo is, in plaats van dat het toevallig een keer gebeurt.

Neem de koene ridder. Een draak verslaan is niet niks, maar zou hij het nog een keer doen? Misschien deed hij het wel omdat hij het in zijn broek deed bij de gedachte uit zijn dorp verbannen te worden. Dan krijgt die moed een beetje een laffe bijsmaak die niet past bij een dappere held. Dus zet je de ridder aan het werk. Eerst verslaat hij een zwarte draak. Dan een rode. Vervolgens een gele. En een groene. Dat is zoveel van hetzelfde dat het eerder lijkt dat de schrijver de lezer ergens van wil overtuigen, in plaats van iets wil bewijzen. Maar dat werkt alleen maar averechts.

Dat is waar je van Harry Haringhandelaar naar Harry Potter kan gaan. Vraag jezelf af: wat doet (of is, of kan, of weet…) de ene Harry wel en de andere Harry niet? Dat onderscheid is waar het begin van een uniek personage ontstaat. Beide Harry’s zijn bijvoorbeeld dapper, maar Harry Haringhandelaar denkt na voor hij zich in de actie stort, waar Harry Potter erg impulsief is. Impulsiviteit is niet vaak een karaktertrek van een personage waar een centraal conflict van valt of staat. Voor het grote geheel is het dus misschien een detail, maar tegelijkertijd is het groot genoeg om op te vallen. Je gaat Harry Haringhandelaar niet onthouden omdat hij blond haar heeft en daarmee scheelt van Harry Potter met zijn zwarte haren. Maar je onthoudt wel hoe Harry Haringhandelaar eerst dagenlang piekert over hoe hij een probleem aan moet pakken, terwijl Harry Potter zo impulsief handelt dat hij zich in levensgevaar brengt, terwijl dat absoluut niet nodig was. Voor mensen die Harry Potter in meer detail kennen: naar het departement van mystificatie gaan om Sirius te redden, terwijl hij hem in de tweewegspiegel kon roepen om te kijken waar hij was? Niet echt doordacht… Als Harry toen wat minder impulsief had gereageerd, had zijn peetvader nog geleefd.

Je kan ook duidelijk maken dat Harry Haringhandelaar gehecht is aan zijn rode zakdoek en altijd controleert of hij die zich bij zich heeft als hij het huis verlaat. Soms zijn het niet eens (opvallend) grote dingen die de omstandigheden maken tot iets wat aan kan spreken. Details of de net iets grotere dingen die meer opvallen, maar waar je normaliter niet zomaar bij stilstaat moet je gaan gebruiken om empathie op te wekken. En die verzin je niet zomaar. Of juist wel, maar dan onthoud je er niet genoeg of je onthoud je niet lang genoeg om van al die feitjes een plot of personage te kunnen maken dat uiteindelijk leidt tot empathie.

Je kan deze factoren niet pas verzinnen als je aan het schrijven bent. Zie het ‘gereedschappen smeden voor empathie’ als een afzonderlijke, voor te bereiden klus, net zoals het (globaal) uitschrijven van je plot of het maken van de personagebiografieën. Volgende week meer over dat smeden en de samenhang met andere zaken van je boek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Aarón Blanco Tejedor via Unsplash.

Verklaren, niet goedpraten: de schrijftechniek ‘blindstaren’

Van echt verdorven slechteriken moet je de acties niet goedpraten met een tragisch achtergrondverhaal, maar moet je die verklaren. Het vergt maatwerk om dat goed te doen, maar het uitgangspunt van blindstaren helpt je een eind op weg.

Tragisch achtergrondverhaal

Je moet van een antagonist of een echt verdorven personage kunnen verklaren waarom die zo ontzettend slecht is, anders komt het verhaal cartoonesk of ongeloofwaardig over. Maar dat verklaren moet geen goedpraten worden, want dan krijg je het tragische achtergrondverhaal: omdat iemand vroeger is mishandeld, mag dat ook bij diens kind gebeuren. Natuurlijk niet! Maar als dat wel oorzaak en gevolg is, dan kan je dat ook niet helemaal wegstoppen. Anders ontdekt de lezer nooit een belangrijk feit van deze mishandelende ouder. Om dat alsnog goed te laten verlopen, kan je onthouden dat deze ouder zich moet blindstaren.

Casus: Die Wannsee Konferenz

Die Wannsee Konferenz is een film gebaseerd op de vergadering in de Tweede Wereldoorlog waarin werd besloten dat voor de genocide van de joden gas moest worden ingezet. Het is dan 1942, dus de propaganda van de SS heeft al duidelijk effect gehad. Van de officieren die hier een vinger in de pap hebben, hoef je geen spatje humaniteit te verwachten. Tenminste, dat verwacht je. Het misselijkmakende is dat alles wat in die vergadering besproken wordt – hoe en hoe snel joden gedeporteerd moeten worden, hoe ze vermoord moeten worden, welke rechten ze hoe lang nog mogen houden- vanuit het oogpunt van de SS oprechte humaniteit betreft. Uiteraard gold dat alleen voor Arische mensen, maar daar zit de perverse crux.
De Duitse soldaten raakten getraumatiseerd of aan de drank vanwege het zien van de de torenhoge stapels lijken, het doodschieten van kinderen en het gegil en de doodsangst van degenen die ze doden moesten. Daarom was vergassen een uitkomst, omdat zo ieder menselijk contact werd weggenomen en dus ook de oorzaak van de trauma’s. Dus was de SS er niet op uit om met vergassen gemeen te zijn, maar juist efficiënt en humaan.

Ik word misselijk van het typen van die laatste regels. Niet prettig, maar dat is wel een teken van verklaren versus goedpraten. Bij verklaren word je als schrijver niet goed van je eigen tekst, maar zie je de feiten onder ogen, ook al wilde je dat het anders was. Merk je dat je iets schrijft in een stijl die empathie of medelijden opwekt of dat moet doen, dan gaat je tekst al richting goedpraten. Dat doen de mannen zelf uiteindelijk wel, als het besluit is genomen: “Als dit de bloedbaden van het schieten wegneemt en onze mannen worden gespaard dan is dat een grote opluchting. Te weten dat we alles gedaan hebben dat menselijkerwijs nodig is.”

(Dit is een goede, maar géén prettige film…)

In een andere scène wordt er besproken welke joden voor de eerste deporaties in aanmerking komen. Zijn dat naast volbloed joden ook halfjoden, kwartjoden…? Dan komt een casus ter sprake:

“Een halfjood heeft een duitse vrouw en kinderen en wordt niet geëvacueerd, maar zijn broer zonder vrouw en kinderen volgens dit voorstel wel. Hoe legt u dat aan de familie uit? Aan de árische familie, de árische schoonzus, begrijpt u mij, collega? We kunnen niet kwartjoden als duitsers behandelen, maar tegelijk hun half joodse familie evacueren.”
“Begrijp ik u nu goed? Heeft u medelijden met joden?”
“Zeer zeker niet! Maar dit zou voor onrust zorgen en de Führer heeft overduidelijk gezegd dat dat koste wat kost vermeden moet worden.”

Waar je even een sprankje hoop kón hebben dat er nog iets humaans te bespeuren was bij een van deze mannen, blijkt het gewoon om ‘Befehl ist Befehl’ te gaan. Niets verzachtends, maar de keiharde waarheid. Daarover later meer.

Blindstaren als schrijftechniek: blind & staren

Ter verduidelijking van de verdere uitleg wat ontleding:
Blind zijn: je ziet iets gewoonweg niet meer, ook al speelt het zich voor je neus af, of is er bewijs te over voor een tegenargument.
Staren: naar iets kijken en alleen dáár naar kijken: een hyperfocus op een ding, waardoor al het andere geen aandacht meer krijgt.
Blindstaren: iets niets meer beseffen, omdat je een specifiek iets niet meer opmerkt of wegwuift én het andere alle mogelijke aandacht krijgt, terwijl die juist (óók) ergens anders naartoe hoort te gaan.

In het voorbeeld van Die Wannsee Konferenz is men dus blind voor (de gruwel van) genocide, omdat er gestaard wordt naar het probleem van getraumatiseerde Duitse soldaten. Het resultaat: blindstaren op het feit dat genocide hoe dan ook inhumaan en afschuwelijk is.
Het sommetje van blind + staren = blindstaren is een handig middel om na te gaan hoe iets heeft kunnen gebeuren. Het helpt ook om af te bakenen waar de oorzaken echt liggen en wanneer je richting goedpraten gaat. .
Zo zegt een van de officieren: “Het moet ook efficiënter omdat elf miljoen kogels veel te kostbaar zijn in oorlogstijd.” Vanuit de gestoorde waarheid van de SS gezien klopt dat wel, maar dat is alweer goedpraten. Als je het op het kogeltekort gaat gooien, heb je het over de militaire strategie. Dat laatste is een voorbeeld van blindheid die tot blindstaren leidt. Want het probleem is natuurlijk niet dat er te veel joden zíjn, het probleem is dat de SS ze dood wil hebben.

Als je wil verklaren, niet goedpraten, moet je het juist hebben over datgene wat zoveel pijn doet om üperhaupt te benoemen. Goedpraten is in wezen dus eigenlijk om de hete, pijnlijke brei heen draaien om de pijn die bij iets gruwelijks komt kijken, niet onder ogen te hoeven zien. Merk je dat je (te) graag wil dat :
– er verzachtende omstandigheden in het spel zijn
– de lezer wordt gespaard
– iets afschuwelijks een hoger of beter doel dient
– het verdorven gegeven een ‘aanloop’ is naar iets waardoor het uiteindelijk nog goedkomt

vul de som blind+ staren = blindstaren dan nog eens in met jouw verhaalelementen. Dan zie waarschijnlijk dat het kiezen of delen is als je een tragisch achtergrondverhaal wil voorkomen als er een zeer pijnlijke geschiedenis speelt.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Karsten Winegeart via Unsplash.

Uiterlijke kenmerken in een tekst verweven

Uiterlijke kenmerken van een personage zijn belangrijk om in een verhaal te noemen. Maar als je daarvoor de tekst moet afremmen, komt dat erg geforceerd over. Je kan er beter voor zorgen dat het beschrijven van het uiterlijk als een onderdeel van de scène voelt. Hoe krijg je dat voor elkaar?

Welke uiterlijke kenmerken beschrijf je?

Als je uiterlijke kenmerken van je personage beschrijft, doe dat dan met zorg. Voor je het weet, heb je een infodump te pakken. Het is niet alleen veel informatie om alles te delen over het uiterlijk van je personage, je moet er ook voor zorgen dat je nog iets aan de verbeelding van de lezer kan overlaten. Dat is een eerste stap om te beslissen welke uiterlijke kenmerken je met je lezer deelt: wat moet die echt weten? Als je personage zwart haar en blauwe ogen heeft, kan je schrijven dat hij zwarte haren heeft als dat belangrijk is. Als de oogkleur dan bruin wordt in de verbeelding van de lezer, dat is dan maar zo.

Bedenk wel dat haar- en oogkleur zo’n beetje de meest standaard dingen zijn om over een uiterlijk te delen. Ook zeggen die vrij weinig over het totale plaatje van het uiterlijk. Kijk maar eens hoe verschillend deze vrouwen zijn, hoewel haar- en oogkleur hetzelfde zijn:

Foto door Good Faces verkregen via Unsplash

AI- gegenereerde afbeelding, verkregen via Pixabay.

Om deze vrouwen van elkaar te onderscheiden, zouden huidskleur, kapsel, de aan-/ afwezigheid van sproeten en hoogte van de jukbeenderen veel effectiever zijn. Onderschat daarbij ook schoonheidsidealen niet. Blond haar en blauwe ogen worden normaliter als aantrekkelijk beschouwd, maar als ogen waterig en fletsblauw van kleur zijn, in plaats van het helderblauw dat je voor je ziet… En als diegene dan ook nog eens vele littekens in het gezicht heeft, gemeen uit de ogen kijkt en ook nog eens krijst in plaats van praat, is er van dat beeld van het perfecte, lieve model weinig over…

In plaats daarvan kies je liever voor iets dat ook een verschil gaat maken in het plot. Of dat nu lengte, lichaamsbouw, ras, kledingstijl, neus-of gezichtsvorm of toch haarkleur is, scheelt per verhaal en per personage. Je personagebiografie kan je helpen hierin beslissingen te nemen.

Wat is er in de scène (aan de hand)?

Als je weet welke uiterlijke kenmerken van een personage je wil delen, kijk je naar de scène waarin je hen introduceert. Doe dat vrij letterlijk: kijk bijvoorbeeld of het buiten onweert. Een bliksemflits die oplicht kan duidelijk licht werpen op de forse neus van je personage. Of het felle licht van de zon kan het glanzende haar van je personage nog meer doen opvallen. Of is er misschien een lange trap? Dan kan je personage hijgend aan komen rennen, buiten adem omdat de korte beentjes een uitdaging hebben aan die trap.

Je kan ook kijken wie er in de scène nog meer aanwezig zijn en/ of wat die personages op dat moment doen of denken. De relatie die je personage met de ander(en) heeft, kan ook een aanleiding zijn om iets van het uiterlijk of een karaktertrek te delen.

Denk aan iets als: de gerimpelde handen met de ouderdomsvlekken van opa waren zo vertrouwd, dat ik ze stuk voor stuk kende. Het was alsof ik een kaart had waarvan ik de route uit mijn hoofd wist. Die grote vlek vlak voor de middelvinger en de kleine, in de ruimte tussen duim en wijsvinger. Het was als een veilige thuishaven, nu de rest van mijn leven op zijn kop stond, zo vlak na de vechtscheiding. Met mijn blik op die handen gericht, voelde ik mijn hartslag dalen.
Zo deel je niet alleen uiterlijkheden, maar geef je ook meteen mee dat opa:
– vanwege de ouderdomsvlekken hoogstwaarschijnlijk ouder is dan zestig
– een goede band heeft met het kleinkind: details van handen onthoud je niet als je elkaar uit de weg gaat of niet vaak ziet.

Wanneer deel je uiterlijke kenmerken?

Het is handig om een of twee uiterlijke kenmerken over een personage meteen te delen, zodat de lezer meteen een beeld daarvan kan vormen. Pas daarbij wel op dat je niet dezelfde afweging maakt als bij het beschrijven van een figurant. Waar die een typerend sweatshirt kan dragen ten behoeve van (tijdelijke) symboliek, is het voor een personage belangrijk dat die ‘blijvende kenmerken’ heeft, die dus niet van het moment afhankelijk zijn. Anders komt dat al gauw cliché over. Gebruik dat eerste moment van beschrijven voor een goede kennismaking met je personage.
Als je personage uiterlijke kenmerken heeft waar later een plottwist van komt (denk aan de groene ogen van Harry Potter en de relatie die Sneep met zijn moeder had) of waar een groot deel van het plot op verdergaat, geef het dan niet te veel nadruk: dat komt geforceerd over. Het is echter wel handig om te benoemen, anders komt het later weer uit de lucht vallen.

Wees je ook bewust van het feit dat je lezer eerst moet investeren in een personage, voordat er daadwerkelijk meegeleefd wordt met diens verhaal. Stel dat iemand met uitzonderlijk veel rimpels zegt dat iedere rimpel is verdiend, val dan niet met de deur in huis met iets als: tantes gezicht zat vol rimpels, maar wat wil je ook? Ze was het ouderlijk huis uit gevlucht in haar tienerjaren, had een kind verloren en jarenlang in armoede geleefd. Met andere woorden: waak voor slechte expositie.

Als uiterlijkheden op zichzelf een verhaal vertellen in plaats van een simpel zichtbaar feit, overhaast dan niets en geef dat uiterlijke kenmerk dan ook het verhaal dat het verdient. Behandel het dan niet als een detail dat je ‘toevallig’ moet delen om de verbeelding van de lezer een zetje te geven. Zie de benoeming van dat kenmerk dan als een startsein voor een subplot, in plaats van iets dat je snel moet melden. Noem het wel meteen, maar schrijf het als het even kan niet in dezelfde zin of dezelfde situatie als iets wat wel als ‘visueel detail’ kan worden gezien.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Nadruk en kennis van een verhaal

In je enthousiasme kan je als schrijver je tekst nogal eens interessanter lezen dan hij eigenlijk is. Een gevolg daarvan is dat je met nadruk gaat schrijven, zonder dat dat nodig is. Maar soms is nadruk wel degelijk van toegevoegde waarde.

Waarom zou je met nadruk schrijven?

Je schrijft met nadruk omdat de lezer echt. Moet. Beseffen. Dat dit belangrijk is! Je sluit de mogelijkheid uit dat de lezer over dit gedeelte heen leest, door extra hoofdletters, punten, komma’s of cursieve of vetgedrukte woorden toe te voegen Onbedoeld of niet, als je schrijft met extra nadruk, denk je dat je lezer niet genoeg geïnvesteerd heeft in je verhaal. Bedenk maar eens: zou je drie keer achtereen een scène schrijven waarin er iemand wordt gemarteld als je niet héél duidelijk wilde maken dat deze slechterik echt verdorven is? Of drie keer in een hoofdstuk een seksscène toevoegen als het al overduidelijk is dat de vonken er van afspatten? Waarschijnlijk zou je verder gaan met het plot.
Als je als schrijver nadruk gaat leggen op iets in de tekst is er een van deze drie dingen gaande:
* De innerlijke voorlezers van jezelf en de lezer komen niet overeen.
* Je hebt gelijk: je lezer weet nog te weinig van je verhaal of personage om op het puntje van de stoel te zitten.
* Dit is het spannendste moment in het boek, wat extra context nodig heeft om die spanning écht te kunnen bevatten.

Over de innerlijke voorlezer schreef ik vorige week al uitgebreid, nu ga ik op de twee andere punten in.

Over wie gaat dit eigenlijk?

Voordat een lezer echt in het verhaal gezogen kan worden, moet die weten over wie het verhaal gaat. “Jantje de groenteboer’ is dan niet genoeg. Je moet weten wie Jantje als volwaardig persoon/ personage is. Anders gezegd: tenzij je lezer een redelijk beeld heeft van de personagebiografie van de held, kan het je lezer niet tot nauwelijks iets schelen wat die overkomt. Het is moeilijk meeleven met iemands problemen als je weet dat er honderden, zo niet duizenden anderen met soortgelijke problemen rondlopen. Daar zou je hoofd overvol van raken.
Maar zodra je een beeld of een gevoel hebt bij iemand, speelt het andere uiterste vrij snel mee. Denk aan je moeder die vroeger op de camping zei dat je dat lieve katje op de camping géén naam mocht geven, omdat je het anders niet meer zou kunnen ‘achterlaten’ in Zuid-Frankrijk. We nemen geen afscheid van een katje, maar van Blanche! Hetzelfde idee gaat op voor een personage, alleen is het proces van ‘een naam geven’ uitgebreider.

Het gaat over Blanche!

Als je het dan voor elkaar hebt gekregen dat je lezer met het campingkatje Blanche meeleeft, moet je goed inschatten (en ook zeker niet onderschatten!) hoe gehecht de lezer aan een personage raakt.
Lieve Blanche is niet zomaar een leuk katje, maar eentje die het verschil maakte tussen een vervelende en een fantastische vakantie. Want de trip was compleet verregend, maar Blanche kwam iedere dag naar de tent getrippeld om kopjes te geven en op schoot te komen zitten. Zo ongelooflijk schattig!

Dan breekt Blanche een poot en schrijf je: Het arme beest had een poot gebroken. Het liep er zielig bij. Echt heel zielig. Langzaam, langzaam kwijnde Blanche weg. Zoals dat pootje…

Dan gaat de lezer je onderbreken:
* Denk je dat ik geen empathie heb of zo?
* Het gaat over Blanche, de kopjeskampioenkat! Túúrlijk is dit zielig! In de tijd dat je benadrukte, had je de dierenarts moeten bellen!

Als je goed schrijft over een personage, is de empathie van een lezer onderschatten een manier om die snel en onherroepelijk te verliezen. Empathie opwekken doe je in de loop van (de) scène(s), niet met nadruk met behulp van een aantal losse woorden of leestekens.

Nadruk op een groot moment

Hoewel je het zeker niet overdadig moet gebruiken, kan je nadruk gebruiken om te laten zien waarom er onder de oppervlakte nog meer speelde dan de lezer vermoedde. Dat doe je op een belangrijk moment. Zo gebruik je nadruk niet om de lezer iets door de strot te duwen, maar juist meer te ontdekken over iets waar niets meer te ontdekken leek.

De campingbaas vertelt dat Blanche ooit aan kwam lopen als verwaarloosd en gewond katje. Nu, een paar jaar later, laat ze zich graag knuffelen. Maar soms schrikt Blanche uit het niets als iemand op haar toe loopt. Wijd dan eens een scène waarin Blanche terugblikt op haar slechte ervaringen met mensen. Vertel dat ze bijzonder alert is op mensen die ze als boeren inschat. Ze woonde vroeger op een boerderij. Het is verstandig om die informatie prijs te geven in bijvoorbeeld hoofdstuk 3 (en nog een keertje terug te laten komen in hoofdstuk 6) op het moment dat het ‘grote moment’ in hoofdstuk 10 komt. Zo je informatie geven en spreiden geeft de lezer voldoende houvast, zonder dat je het risico loopt dat de nadruk erg geforceerd overkomt.

Blanche ontmoet een campinggast bij wie ze graag komt knuffelen. Maar dan draagt die ineens klompen. Stapje voor stapje komt de kat alsnog naar de campinggast toe:

Ik weet dat dit mens te vertrouwen is, maar toch sta ik te trillen op mijn poten. Dat typische geluid van dat vreselijke schoeisel blijft gewoon doodeng. Langzaam strekt de hand zich naar me uit en aait me voorzichtig en liefdevol over mijn rug. Het doet geen pijn. De gast droeg klompen. Klompen. En toch durfde ik mezelf te laten aaien.

De lezer wist nog niet dat het geluid van klompen Blanche op scherp zet. Wat blijkt nu? Niet het ‘bredere begrip’ boeren, maar ‘klompen’ associeerde Blanche met gevaar. Nu weet de lezer een belangrijk detail dat de basis vormt van de ellende die al duidelijk was, maar gruwelijker wordt omdat die daar nu een heel specifiek beeld bij heeft. Met een nadruk die als vanzelf ook een show don’t tell heeft dat er nu eindelijk een vervelend hoofdstuk in Blanches leven is afgesloten.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Max Sandelin verkregen via Unsplash.

Het masker en het conflict: de persona van je personage

Ieder personage heeft een confict: zelfvertrouwen krijgen, roem vergaren… Maar een personage dat vooral moet leren om zijn masker af te zetten, garandeert een mooie diepgang.

Een masker dragen

Iedereen, mens of personage, draagt in meer of mindere mate maskers. Dat bepaalt de manier waarop je je gedraagt omdat je denkt dat anderen en/of de maatschappij dat van je verwacht. Vaak, zo niet altijd, gebeurt dat omdat je wordt gegijzeld door het bedriegerssyndroom, of de angst dat het laten zien van de ware ik de grootste angst bewaarheid laat worden. Voor het schrijven van een personage is het erg interessant om te bedenken hoe hardnekkig dat masker is. Een heldenreis is nu eenmaal veel interessanter als die leest: Held moet zijn ketenen verbreken om zo in zijn eigen kracht te staan in plaats van het meer algemene en het minder sprekende Held moet uitgroeien tot een beter mens.

De beperkingen van een groot masker

Als je doet alsof je sinaasappelsap lekkerder vindt dan mangosap, omdat je niet degene wil zijn die ‘moeilijk doet’ door naar iets specifiekers te vragen op een sapjeskaart van een terras, is dat niet zo spannend. Dat is anders wanneer je dat soort maskers vrijwel altijd opzet om maar in de gratie van anderen te blijven. Als dat zo is, kan je jezelf af gaan vragen in hoeverre het naar verhouding nog spannend of zelfs belangrijk is of je personage wordt aangenomen op de universiteit of niet. Want wil je personage eigenlijk wel naar de universiteit, of wil dat masker dat? En als dat zo is, wat is dan nog meer schijn? Daar kan je een heel boek mee vullen, terwijl je beschrijft hoe je je personage - al dan niet uit ‘vrije wil’ – zich aanmeldt voor de universiteit. Daarmee sla je twee vliegen in een klap. Je hebt een centraal conflict, zoals altijd, maar je biedt ook een continue pageturner als het gaat om kennismaking met je personage. Dat is heel wat interessanter dan feitelijke informatie delen. Voor je personage biedt een goot masker een hoop beperkingen, voor jou als schrijver is het een goudmijntje!

De persona van je personage

Als je personage van maskers aan elkaar lijkt te hangen, dan kan je stellen dat het een persona heeft. Vrijwel niemand krijgt het authentieke karakter van je personage ooit te zien, omdat het persona stukken veiliger, leuker of gewenster is om aan de wereld te presenteren. Dan krijg je een personage als dit:

Cynthia komt uit welgestelde kringen, maar de poeha van het rijkeluiswereldje heeft ze nooit begrepen en ze voelt zich er ook erg ongemakkelijk bij. Ze heeft echter wel in de gaten dat goed voor de dag komen er een belangrijk onderdeel van is. Dus zet ze het masker op van ‘uiterlijk’: ze loopt in de duurste kleren, heeft de meest exclusieve tassen en natúúrlijk zijn haar, make-up en nagels te allen tijden onberispelijk verzorgd en onderhouden. De persona van Cynthia, Cindy, bepaalt daarmee haar hele leven. Soms kan het zover gaan dat zelfs Cynthia niet meer weet of bepaalde gedachten van haarzelf zijn, of dat ze Cindy hoort in haar hoofd. Of, iets wat minder klinkt als een psychologische stoornis en waarschijnlijk wat meer herkenbaar is: “Is mijn intuïtie (Cynthia) of mijn ego (Cindy) aan het woord?”

In theorie is Cynthia’s centrale conflict relatief eenvoudig en kan je dat ook zo laten: laat haar het spreekwoordelijke licht zien, vrienden maken buiten de rijkeluiswereld die niets om uiterlijk vertoon geven en voilà: Cynthia overwint haar heldenreis. Misschien zie je het eerste probleem al: dit verhaal is flinterdun en cliché. Maar heb je het tweede probleem al gespot? Als het zo simpel was, waarom heeft Cynthia dan niet eerder de stap gezet om de wereld van uiterlijk vertoon te verlaten? Natuurlijk, je moet een comfortzone durven te verlaten en obstakels uit de weg ruimen. En dat is niet zomaar gebeurd. Maar dan staat wel steeds Cynthia aan het roer. Als Cynthia zo bang is dat als ze Cindy uit haar leven verliest, omdat ze dan oprecht denkt dat ze geen leven meer hééft, dan is dat een gevalletje van: het risico van de comfortzone verlaten is gewoonweg te eng voor je personage: “Groeien? Ammehoela! Als ik er dood van ga…”

Oftewel: een masker dat zo groot is dat er een persona uit voortkomt is veel interessanter – en schrijftechnisch gezien ook handiger en overzichtelijker- als het niet een déél van het centrale conflict vormt, maar het dat ís.

Starten maar….?

Of je nu besluit om er uitgebreid over te schrijven of niet, het feit blijft dat de eerdergenoemde comfortzone voor Cynthia hoe dan ook (te) lastig is om te verlaten. En omdat dat essentieel is én die stap ver vooraan in de drie-aktenstructuur zit, blijft de vraag: hoe start je Cynthia’s verhaal dan?
Het simpele antwoord is: zoals altijd, alleen gaat het tempo van de heldenreis (let wel, je heldenreis, niet meteen je schrijfstijl of het verhaal zelf!) een stuk lager liggen.

Om een besef te krijgen van hoe hardnekkig de maskers zijn en hoe hard Cindy in Cynthia’s oor tettert, moet je lezer eerst weten wat Cynthia’s wereld is en erachter komen dan wel hints krijgen dat Cindy een (groot) deel van Cynthia’s leven bepaalt. Vervolgens moet ook nog duidelijk worden wat authentiek Cynthia is en wat de façade van Cindy en hoe zich dat tot elkaar verhoudt. Dat is nogal wat, toch? Nu hoeft dat niet allemaal vóór het verlaten van de comfortzone te gebeuren: Cynthia’s verhaal is wat dat betreft minder aan de vaste structuur onderhevig. Je zal vast begrijpen dat een obstakel overwinnen niet echt een overwinning is voor Cynthia als Cindy haar twee tellen later wijsmaakt dat dat geen overwonnen obstakel was, maar een sluwe val. Maar alsnog blijft Cynthia’s conflict er een van vallen en opstaan, zoals ze dat allemaal zijn.Dat gegeven kan je aanhouden als leidraad in een verder chaotisch lijkende structuur.

Volgende week gaan we de opzet van Cynthia’s verhalenstructuur wat van dichterbij bestuderen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Hush Naidoo Jade Photography verkregen via Unsplash.


Zo wordt een regieaanwijzing een show don’t tell

Regieaanwijzingen zijn de manieren waarop je beschrijft hoe een personage praat, loopt, eet… Meestal zijn die niet zo veelzeggend en dienen ze vooral om te voorkomen dat je tig keer ‘zei ze’ ‘zei ze’ opschrijft. Maar soms, als de context een handje helpt, kan een goede regieaanwijzing een hele scène aanvullen of bepalen.

De meerwaarde van een regieaanwijzing

Een regieaanwijzing is net zo handig als hij riskant is. Overdaad schaadt, maar gebruik je hem goed, dan kan hij het verschil maken tussen een droge en heel erg levende tekst. De regieaanwijzing heeft hoe dan ook als voornaamste functie om een tekst levendig te maken. Van eindeloos lezen hoe een personage iets zegt, wordt een lezer niet blij. En als die ook eens een keer kan schrokken of knagen in plaats van ‘gewoon’ eten of een hap nemen, is dat wel zo fijn voor de beleving. Dat scheelt namelijk ook in het woordenaantal: ‘Hij schrokte zijn eten op.’ scheelt op den duur nogal met het uitgebreidere: ‘Hij viel hongerig op de boterham aan en at die met grote happen op.’

Show don’t tell in omschrijvingen en regieaanwijzingen

Zoals je hierboven misschien al opgemerkt hebt, heeft een regieaanwijzing van zichzelf ook een bepaalde mate van show don’t tell in zich. Je eten opschrokken gaat met meer intensiteit dan gewoon een hap nemen. Daarom werken ze heel goed om snel iets te verduidelijken. Gebruik je een regieaanwijzing zowat om iedere andere zin, dan wordt het erg vermoeiend om nog door te lezen: als je moet toekijken hoe iemand continu schreeuwt of sprint, is dat geen pretje. Daarom kan je maar beter de vuistregel aanhouden dat een regieaanwijzing geen goede manier is voor een show don’t tell. Tenzij je personage op een kruispunt staat wat betreft hetgeen er gebeurt en de reactie van de held bepalend is voor hoe die de scène of de sfeer ervan beleeft.

Karakter van het moment

Een personage heeft een heel eigen karakter. Zo zal het bijvoorbeeld makkelijk zijn mond opentrekken, of niet. Een meer vocaal personage zal dus niet aarzelen om “En wat dan nog?” te zeggen als het iets niet aanstaat. Die uitspraak getuigt van zichzelf ook al van lef. Toch?
Dat lijkt zo, maar dat hangt af van het moment. Want het kan inderdaad een antwoord zijn dat de held geeft op het moment dat het kritiek krijgt op het feit dat die zo vaak op de bank hangt.
Maar als het al een hoop ellende heeft doorstaan en er iemand naar de held toekomt met de boodschap: “Je moet in actie komen, anders ben je straks te laat voor de bus naar het personeelsuitje.”
Dan kan het personage ook iets denken als: wat kan mij het schelen? Een personeelsuitje dat niet doorgaat versus een geliefde die net ernstig ziek geworden is. Of: ik mag mijn collega’s toch niet.

Met andere woorden: waar iets op het ene moment overduidelijk naar iets lijkt te verwijzen als een show don’t tell, kan het op een ander moment, of in andere omstandigheden iets heel anders betekenen. Op zulke momenten kan een regieaanwijzing een goudmijntje zijn waarin je in een enkel woord een schat aan informatie bloot kan leggen.

Casus: indruk maken

Je schrijft over een verlegen jongen die al een hele tijd indruk wil maken op een meisje. Hij besluit daarom om zich heel anders te kleden dan normaal, in een stijl waarvan hij weet dat zij die mooi vindt, maar hij zich ongemakkelijk in voelt.  Het meisje merkt op dat de jongen zich op een dag in een veel stoerder vestje heeft gehesen:
“Hé, Ralf, wat heb jij ineens voor andere kleren aan?”
In Ralfs hoofd gaan nu tien alarmbellen tegelijk af. Vind ze het mooi? O help, ze praat nu ineens tegen me. Doet ze anders nooit. Is ze geïnteresseerd in mij of is dit toch een manier om mij proberen te jennen? Ze blijft populair, in films  zijn die meiden gemene types…
Wat eruit komt is: “Wat bedoel je daarmee?”
De lezer weet al wat er door Ralfs hoofd gaat, dat heb je net beschreven. Maar een enkele regieaanwijzing kan nu laten zien hoe Ralf daar uiteindelijk mee omgaat.
“Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij behoedzaam.
of: “Wat bedoel je daarmee?” vroeg hij uitdagend.
Maakt hier een heel groot verschil. Het verschil tussen Ralf die verlegen, doch kwetsbaar is, waardoor een voorzichtige gesprekopening kan ontstaan en een Ralf die snibbig wordt in de hoop maar niet door de mand te hoeven vallen. Dat zou het meisje zomaar eens kunnen afschrikken.

Maar nog buiten hoe het meisje reageert: dit leert je veel over Ralf: als hij een conflict aan moet gaan, durft hij dan zijn comfortzone te verlaten? Welke wapens pakt hij op om dat alsnog niet te hoeven doen?
Als hij het meisje inderdaad afsnauwt, wat zegt dat dan over de verlegen Ralf die de lezer dacht te kennen? Wat schuilt er nog meer achter? Waarschijnlijk genoeg om gedurende de rest van het boek nog veel meer over uit te wijden. En, minstens net zo belangrijk: deze ene regieaanwijzing is waarschijnlijk effectiever dan een scène van honderden woorden, waar je datzelfde misschien eerder dwangmatig met sfeeromschrijvingen duidelijk zou proberen te maken.

Wil je op deze manier het meeste uit je regieaanwijzing halen, kijk dan dus niet alleen naar de gebruikelijke tienpuntenschaal waarin fluisteren 1 is en bulderen 10, maar ook naar woorden die net iets anders betekenen iets vanuit een andere invalshoek benaderen. Wie weet wat jij en de lezer op deze manier te weten komen over een scène of een personage vanuit een onverwachte, maar hele mooie hoek.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Mel Lituañas op Unsplash

Woorden met een verborgen waardeoordeel- praktijk

Je hebt een personage met een (karakter)eigenschap waarmee die onrecht al op voorhand met 1-0 achter lijkt te staan. Hoe werk je dit personage uit zonder dat deze eigenschap al het andere wat er speelt compleet overschaduwd?

Niet slecht bedoeld, maar toch…

Vorige week schreef ik al een inleiding over dit principe: het idee dat als een personage arm, lelijk, dom of minder sociaal is, het in meer of mindere mate al afgeschreven is, zonder dat er gekeken wordt naar wat het nog méér is.
‘Afgeschreven’ betekent hier zowel ‘niet meer belangrijk’, maar ook: ‘niet de moeite om nog verder uit te werken’. En allebei de keren vanwege het idee dat die woorden zodanig taboe zijn, dat iedereen – inclusief je lezer- bewust of onbewust in meer of mindere mate denkt dat dat personage niet interessant meer kan zijn of iets belangrijks te vertellen heeft.

Harder knokken

Om dit interessante personage alsnog het welverdiende podium als hoofdpersoon of tijdelijke schijnwerpers als medepersonage in een hoofdstuk of scène mee te kunnen geven, moet het harder knokken. Daar komt het simpel gezegd op neer. Eenvoudig voorbeeld: er zijn twee sollicitanten die allebei even bekwaam zijn en evenveel relevante werkervaring hebben. De werkgever nodigt hen uit om allebei een week mee te draaien om zo de knoop door te hakken. De knappe sollicitant heeft dan toch een streepje voor. De lelijke moet net iets harder moeten werken om die baan te krijgen: net iets meer doorzettingsvermogen laten zien, meer werk gedaan krijgen…

Laat de held echt gewoon lelijk/dom/ sociaal onhandig of arm zijn. Kijk alleen goed wanneer je personage echt last van deze eigenschap heeft en hoe het zich daar alsnog ‘omheen weet te werken’. Dat is niet rechttoe rechtaan een strijd aangaan, maar wel eentje die minstens net zo zwaar is vanwege alle omwegen. Daardoor zal die strijd minstens net zo spannend zijn! De allereerste voorwaarde is dat je nooit gaat overromantiseren: dom of lelijk zijn is niet ineens wenselijk aan het einde van verhaal zodat je personage alsnog een soort medaille krijgt waar dat eerst nog iets ongemakkelijks of zelfs ronduit ongewenst was, dat zou krom zijn.
Kijk vervolgens waar je personage voor moet knokken.

Meer mens dan personage

Nog meer dan anders moet je naar dit personage kijken als een mens. Als schrijver kijk je vaak naar personages die een bepaalde archetype vertegenwoordigen en dus bepaalde dingen moeten vinden, doen of overwinnen. Wel zo overzichtelijk voor je save the cat schema en centraal conflict. Dus, heb je een zorgzaam personage nodig? Dan maak je daar gemakshalve een verpleegkundige van die meer voor zichzelf op moet leren komen. Bij een personage dat een waardeoordeel tegen zich heeft, mag je niet zo simpel denken. Denk nu meer in termen als ‘een mens zich zomaar niet laat kneden’ of ‘je mag niet in hokjes denken’. Dat betekent dat je die eigenschap dus ook niet ergens bovenaan de kenmerken van je personage mag zetten.

Als je een zorgzaam personage bedenkt, denk je waarschijnlijk iets als:
1) zorgzaam
2) geduldig
3) verpleegster

Bij een personage dat met een vervelend waardeoordeel te maken heeft, moet je eerder denken:
1) behulpzaam
2) enthousiast
3) stijve hark
4) gek op dieren
5) Ajaxsupporter
6) achtbaanfanaat
7) dom

Als een kenmerk in je verhaal niet de boventoon mag voeren, mag het dat ook niet doen in je aantekeningen.

Wanneer maakt het uit en waarom?

Een kenmerk met een waardeoordeel is pas belangrijk wanneer het personage er zelf ook daadwerkelijk last van heeft. Stel dat je een personage hebt met een IQ van 65. Het heeft dus moeite met leren, maar kan wel gewoon prima functioneren als ober in een restaurant; in het praktijkonderwijs is dit personage daarvoor is opgeleid en heeft het een certificaat voor oberen gekregen. Verder is het leven goed. Dan maakt het ‘dom zijn’ van dit personage niets uit en kan je het vanwege het waardeoordeel beter niet noemen. Voor je het weet is deze lieve ober of ‘te dom om te ertoe te doen’ of ‘moet die gered worden van het waardeoordeel van dom zijn’ terwijl er niets te redden valt in een verder gelukkig en goedlopend leven.

Heeft dit personage vanwege een lager IQ zodanig veel moeite met dingen onthouden of met hoofdrekenen dat het daardoor als ober in de knel komt met afrekenen of bestellingen rondbrengen, dan is het het noemen waard, omdat het personage er zelf last van heeft. Maar dan heb je dus ook een passend conflict om uit te werken.

Als het dan wel uitmaakt: het Riketeffect

Zodra je personage wel in de knel komt met een minder gewenst kenmerk, moet je als eerst kijken naar de 1-10 schaal waarop het kenmerk daadwerkelijk een hinder vormt. Controleer goed of die schaal nog past in je context. Iemand met een 3 op de schoonheidsschaal moet je geen model proberen te maken, dat komt enkel geforceerd over.
Maar stel dat onze Romeo merkt dat hij met zijn 4 niet mooi genoeg is om indruk te maken op Julia en dat ook echt zo is: Julia vindt hem lelijk en kan zich daar niet overheen zetten. Gelukkig kan je Julia zodanig goed en realistisch uitwerken (hint!) dat ze niet zo’n wicht is dat ze Romeo daardoor geen blik waardig keurt. Als Romeo dan de kans krijgt om te laten zien dat hij wel grappig, behulpzaam, empathisch is. Alles wat Julia’s ex Zacharias die haar zonder pardon dumpte om in New York een modellencarrière na te jagen niet was. Dan kan Julia alsnog op (deze) Romeo vallen. Lekker cliché, zo oud dat die premisse zelfs in een eeuwenoud sprookje voorkomt: dat van Riket met de kuif. Dit ‘Riketeffect’ is een belangrijke les voor je schrijftechniek als je met waardeoordelen gaat werken: als iets wat er echt toe doet en wat wenselijk is uiteindelijk op de voorgrond komt en dat goed uitwerkt, doet het minder wenselijke aspect er niet meer toe, zonder dat je je in allerlei gekke bochten hoeft te wringen, of geforceerd of politiek correct hoeft te schrijven.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jorge Zapata op Unsplash.

Woorden met een verborgen waardeoordeel- theorie

Er is een handjevol woorden die je voor het beschrijven van een persoon kan gebruiken, maar waarbij dat nooit gebeurt, omdat alleen de implicatie daarvan al ongewenst is, is mij opgevallen. Specifieker: je gebruikt hun antoniem met een extra toelichting om te benadrukken wat je zéker niet bedoelt. Daardoor krijgen deze woorden onbedoeld een waardeoordeel. Het is de moeite waard om daar eens naar te kijken, omdat het een accurate beschrijving van een personage en de leeservaring van je lezers in de weg kan zitten.

Wat ben je..!

De woorden waar ik op doel, betreffen allemaal (karakter)eigenschappen van een persoon. En wel van het soort waarvan we het er over eens lijken te zijn dat het ene – in meer of mindere mate- minder gewenst is dan de tegenhanger:

* Arm-rijk
* Dom-slim
* Lelijk- mooi
* Verlegen- sociaal

Om een belangrijk punt te verduidelijken: de eerste eigenschappen in de rijtjes zijn niet per se slecht. Vergelijk ze maar eens met: zachtaardig- kwaadaardig of onzelfzuchtig-egoïstisch. Dat is andere koek, toch? En toch… Als je zou zeggen:
“Zij is arm,” dan is dat een taboe, of erger: dan zou de mening van diegene niet meetellen. Terwijl je waarschijnlijk niet eens weet hoeveel geld diegene precies heeft, of wat de spreker misschien überhaupt onder ‘rijk zijn’ verstaat.
“Ik vind haar niet mooi.” Noemde je haar zonet lelijk? Wat lomp! (Op een schaal van 1-10 vind ik 10-8 mooi en 4-1 lelijk, zij is een 6.)
“Ik vind hem niet slim.” (Nee, ik zeg niet meteen dat hij een IQ van 60 heeft, ik bedoel dat hij niet snel met eigen ideeën komt en eerder vaak die van anderen overneemt.)
“Hij heeft moeite met sociale vaardigheden.” (Ja, dan heeft hij moeite met contact maken, maar dat wil hij dan misschien alsnog heel graag en kan hij dat ook – hetzij met meer moeite-. Hij is niet onmiddellijk een mensenschuwe kluizenaar.)

dan heb je een probleem, want o wee als je iemand niet noemt wat we grofweg allemaal na (moeten) streven te zijn. Natuurlijk zijn de waardeoordelende woorden zelf redelijk direct en kunnen ze dus kwetsend zijn. Maar toch, als men zelfs maar denkt dat je het woord uit het tweede rijtje bedoelt…’We gebruiken het antoniem, of we praten er helemaal niet meer over.’ En dat is het probleem waar ik naar ga kijken: het wel alsof er voor deze woorden niet zozeer een schaal van 1 tot 10 lijkt te zijn, als wel een schaal van 1 of 10. De nuance lijkt weg.

Wat is jouw vriend lelijk, zeg!

En bedankt… Laten we eerlijk zijn, als jouw geliefde inderdaad de eerder genoemde 4 is, zou je misschien willen dat hij een vijfje of misschien zelfs een 7 zou zijn, maar uiteindelijk is het wel je geliefde en dat is niet voor niets zo. Dan scoort hij wel mooi een 8 of 9 op dingen als doorzettingsvermogen, empathie en slimheid. Al met al lijkt me dat dan best een mooie vent ;).
En dat lijkt men bij de vier woorden met waardeoordeel (arm, dom, lelijk en sociaal onhandig) niet meer te beseffen. Dat andere mooie eigenschappen dat kunnen compenseren, of dat -bijvoorbeeld- lelijk zijn je niet meteen een slecht of minderwaardig mens maakt. Maar kijk eens naar Robert Hoge. Je zou hem uitgesproken lelijk kunnen noemen, maar hij heeft ook humor, zelfvertrouwen en iets heel interessants te vertellen. Zou je deze man uit een vriendenkring jagen, alleen vanwege zijn gezicht, als/nu je dat weet? Hopelijk niet…

Maar nu de lezer nog…

Het is maar goed dat je tijdens het schrijven van een verhaal niet zo’n preek af kan of mag steken zoals ik hierboven doe. Dat zou ten koste gaan van de verhaalbeleving in het algemeen: show verdwijnt, tell krijgt de overhand, en de comfortzone en/of het centraal conflict zou van hot naar her gaan:
“Nu moet je oké worden met lelijk zijn. Wat doet dat eigenlijk met je? O God sta je bij, daar komt de draak aan. Snel, pak je schild op, voordat je geroosterd wordt! Zo… nu die draak uit de weg is: hoe voelt het voor je om in de spiegel te kij… O help, daar komt het boze broertje van de draak aanzetten! Je schild, waar is je verdraaide schild ineens gebleven?!”
Maar wat als je je personage dan ‘gewoon’ lelijk, sociaal onhandig of niet zo slim wil maken, zonder dat dat het hele verhaal bepaalt of een eendimensionale trope in de hand werkt? Waarschijnlijk moet je de lezer dan alsnog eerst ervan overtuigen dat deze eigenschappen er ook onvoorwaardelijk mogen zijn, gezien de sterke aanwezigheid van de 1 of 10 schaal.

Om te beginnen werk je daarvoor met het principe van ‘kiezen voor de massa‘ zoals je dat ook gebruikt bij een personage met minderheidskenmerken. Maar in het geval van een kenmerk met een waardeoordeel heb je met nog wat meer mitsen en maren en afwegingen te maken. Volgende week ga ik daar uitgebreider op in, maar in het kort moet je letten op:
* Hoe sterk is het waardeoordeel (in deze setting?)
* In hoeverre heeft je personage er zelf hinder van?
* Laat het kenmerk aan bod komen op het moment dat er iets anders kan ‘afleiden’.
* Ga het kenmerk niet overromantiseren. Iemand die lelijk is, kan dan wel een mooie ziel zijn, maar ga dan niet zover dat je ook de nadruk legt op hoe de vreselijke littekens ineens een visueel prachtige (symbolische) weerspiegeling zijn van alles waar diegene in het leven voor gevochten heeft. Dan zou je vergeten dat lelijkheid, hoewel misschien niet gewenst, van zichzelf niets kwalijks of slechts is. En daar deed je het net voor…

In feite gaat deze theorie niet alleen op voor arm, lelijk, dom, of sociaal onhandig. Het geldt ook voor alles waar een zeker taboe op rust als iemand iets (aangeborens) is of heeft wat die liever niet zou zijn als de keuze aan hen lag. Iets wat je desondanks geen slechter mens maakt, of waar je niets aan kan doen. Ken jij nog zo’n eigenschap waarbij er een schaal van 1 of 10 lijkt te bestaan? Laat het me weten in de reacties!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Jane Almon verkregen via Unsplash.