Een autobiografie schrijven om ervaringen te delen

Veel mensen beginnen hun schrijversreis met het opschrijven van hun levenservaringen. Om een taboe te breken, een eigen beleving te delen met gelijkgestemden, of om de kinderen te kunnen vertellen wat jarenlang te moeilijk was om ter sprake te brengen. In tegenstelling tot therapeutisch schrijven worden deze autobiografische verhalen dus wel door anderen gelezen. Deze blogpost gaat in op hoe je de balans vindt tussen eigen ervaringen met anderen delen en zomaar je ziel en zaligheid aan iedereen te laten lezen.

Een autobiografie is niet alles delen — de kluis

Zoals je misschien al weet is het schrijven van een autobiografie niet helemaal vrijblijvend. Je hebt niet alleen rekening te houden met de privacy van anderen, maar ook met die van jezelf. Grenzen stellen is erg belangrijk.
Sociale wetenschapper Brene Brown doet veel onderzoek naar zaken als kwetsbaarheid en vertrouwen. Als het gaat om het bewaken van grenzen, noemt zij regelmatig het principe van de kluis.
Als ik jou over iets persoonlijks in vertrouwen neem en ik zeg dat het in de kluis moet, mag je het onder geen beding doorvertellen, aan niemand. Ook niet om te ‘overleggen’ hoe je dit probleem samen met mij op kan lossen. En als je mijn kluisinhoud gebruikt om te roddelen, is dat een reden voor mij om je niet meer te vertrouwen. Maar jij iets uit de kluis van een gezamenlijke vriend aan mij vertelt, vertrouw ik je ook niet meer. Als je zijn kluis kraakt, hoe weet ik dan dat je dat niet met de mijne zal doen?

Bedenk bij het schrijven van een autobiografie om te beginnen wat je in je kluis wil houden of wat voor informatie van een ander bestaand persoon ethisch gezien of gewoon fatsoenshalve in de kluis moet blijven. Wat is zodanig persoonlijk dat het niet nodig of aan jou is om te delen?

Als delen en stilhouden samen moeten gaan

Als je ervaringen wil delen, dan is het laatste wat je wil doen, zaken stilhouden. Maar er zullen momenten zijn waarop dat toch moet. Dit kan de ethische kluis betreffen, maar ook de hevigheid van bepaalde zaken.
Als jou iets gruwelijks is overkomen, zal je daar misschien alle misselijkmakende details nog van weten, omdat je er nog altijd van wakker ligt. Als je die heel minutieus beschrijft, kan dat twee grote nadelen hebben.
* Het is niet meer zozeer delen om te verwerken, als wel ‘delen om het eruit te gooien’
* De gruwelijke details kunnen overkomen als dramatisch, in de literaire zin van het woord (“Je dikt dit aan voor het romanelement dat een audiobiografie moet hebben.”), terwijl ze echt gebeurd zijn.

Soms gaan die twee nadelen ook hand in hand.

Delen om het eruit te gooien

Als je merkt dat je bepaalde dingen opschrijft om het maar eruit te gooien, bedenk dan of je deze feiten, dit detail of zelfs deze hele scène niet uit je boek moet laten. Autobiografisch schrijven kan het complete tegenovergestelde zijn van therapeutisch schrijven. Een klein experimentje om dit te bewijzen:
Bedenk waar je je het allerergst voor schaamt. Dat komt in een boek dat iedereen kan lezen, verspreiden en waar iedereen over kan praten. En dan heeft ook nog eens iedereen daar een uitgesproken mening over èn je komt je continu op straat tegen. Die opsomming is wat extreem, als informatie echt te persoonlijk of heftig is, wil je niet dat Jan en alleman daarvan weet. En die mogelijkheid bestaat zodra je het opschrijft. Misschien krijg je niet meteen duizenden lezers, maar je zal net zien dat net tante Bep die normaalgesproken nooit leest en je toch al graag zwartmaakt jouw boek wel van voor tot achteren kent… Straks weet het hele dorp waarvan jij door de grond zakt.
Ook als je je schaamt voor iets waar je zelf niets aan kan doen, gaat dit op. Je hebt niet in de hand wie of wat voor mensen je boek lezen. Bespaar jezelf pijn, schaamte, boosheid en verdriet en filter wat uiterst pijnlijk is gewoon weg uit je boek. Al is het maar omdat lezers doorgaans een onverwacht goede neus hebben voor wat ‘opschrijven’ is en ‘eruit gooien’ is. En dat laatste vinden ze nooit interessant…

Gruwelijke details

Ook als je iets al echt verwerkt hebt, kan het verstandig zijn bij gruwelijke zaken niet al te veel in detail te treden. Het gekke van een autobiografie is dat een lezer er meestal het volgende verwacht:
* Het leest als een boek/roman
* Weinig of niets is verzonnen
* Het is authentiek en daarom niet dramatisch(er dan het hoeft te zijn)

Maar dit spreekt elkaar tegen. Want ‘echte boeken’ zijn per definitie dramatisch (of groter dan ‘in het echt’, zo je wil.) omdat die verzonnen zijn en een goede schrijver weet dat er bij een goede spanningsboog een zekere mate van ‘groot’ en ‘drama’ komt kijken die je in het echt zelden tot nooit tegenkomt. Hoe vaak is er iets als een complete fanfare betrokken bij een huwelijksaanzoek, bijvoorbeeld? In romantische comedy zowat altijd. In het echt… een op de miljard keer? Het gekke is dat de lezer dat ook weet, al is dat onbewuster. Als jou iets is overkomen dat zo ‘groot’ of gruwelijk is dat je onwillekeurig laat denken: toen leek mijn leven oprecht een horrorfilm of ‘dat zou je niet verzonnen krijgen’, dan kan je die details het beste:
* weglaten. Dat ene detail, of drie van de vijf, om niet ‘te veel van het slechte’ te krijgen.
* uitdunnen, dus van een schaal van een op tien de tien terugbrengen naar de acht. Een andere sfeeromschrijving bij hetzelfde feit kan dan soms al het verschil maken.
* geen detail meer maken. Ook al zou je schrijven over het leven in een letterlijke martelkamer, zorg er dan voor dat ieder element daarvan uitgebreid worden beschreven, ook al zijn het er tien. Omschrijf de sfeer, de omstandigheden, de zintuigen… Dan moet je mikken op het ‘zo bizar dat het wel waargebeurd moet zijn’-effect.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Kelly Sikkema op Unsplash.

De observerende schrijver: Ik zie… opluchting

Observeren is een belangrijke vaardigheid van schrijvers. Maar met alleen iets opmerken ben je er nog niet. Je moet ook weet hebben van associaties die bij je waarnemingen opkomen en hoe je daar een mooie verhaalopzet mee kan maken of clichés kan voorkomen. Deze week in de serie: ‘De observerende schrijver’: opluchting.

De aard van opluchting

Om bij het begin te beginnen: opluchting is het moment waarop je de spanning loslaat die hebt vastgehouden. De reden van die spanning kan erg uiteenlopend zijn. Denk aan leuke spanning, zoals bij het uitpakken van een cadeautje, in bed duiken na een lange dag en eindelijk kunnen rusten, of te horen krijgen dat de buurman die je het leven zuur maakt, eindelijk gaat verhuizen. Gedaan is de dagelijkse buikpijn van de spanning in de ochtend als je naar buiten kijkt om te zien of hij alweer je stoep heeft vies gemaakt.

De mate van opluchting

De opluchting na een kort moment van spanning als je voordeur klemt en je even denkt buitengesloten te zijn is natuurlijk niet te vergelijken met te horen krijgen dat je stalker achter de tralies verdwijnt. Hoe groter de opluchting, hoe meer spanning je hebt vastgehouden. Die spanning slaat zich altijd in meer of mindere mate op in je lijf. Als die hoeveelheid echt heel groot is, kan je lichaam zomaar ‘even alles schoonmaken’ of ‘herstarten’ waardoor je ziek wordt en het herstel dus wat langer duurt. Opluchting is dus zeker niet altijd van korte duur. Neem dat mee bij het bepalen van de mate en de uitwerking van de opluchting die je beschrijft.

Observeren van opluchting

Met het bovenstaande in het achterhoofd, kan je je waarschijnlijk wel bedenken dat opluchting zich niet altijd uit in het welkbekende vreugdesprongetje of de langgerekte zucht. Perioden van boosheid, verdriet en zelfs een stille meditatieve staat kunnen tekenen van opluchting zijn.
Als je het wil observeren, moet je dat doen op het moment dat je weet welk verhaal erachter zit, anders loop je het risico dat je een verkeerde vertaalslag bij de emoties maakt. De vreemdeling in de bus gaat je hierbij niet helpen met zijn voorkomen of lichaamstaal.

Dat is een goed geheugensteuntje voor observeren bij creatief schrijven: het is niet zozeer kijken op het moment dat je naar iets op zoek bent om over te schrijven, maar zodra je iets opvalt dat bruikbaar is, het in je opschrijfboekje noteren voor later. Nieuwsgierig blijven is hierbij het devies.

Opmerken van opluchting

Als je iemand – zelfs jezelf! – kent en opluchting opmerkt, ga dan eens de lichaamstaal en de mate van (zichtbare) opluchting na. Hoe strookt dit met wat je weet dat deze persoon aan spanning of stress los kan laten? En ook: waarom is hier sprake van spanning? Wat zit er achter deze reactie die dat heeft veroorzaakt? Ging het over het verschil tussen wel of niet op vakantie kunnen gaan en daarmee een droom verwezenlijken? (Yes, mijn banksaldo blijkt bij het controleren hoog genoeg om te kunnen boeken!) Ging het om iets waar veel van af hangt? (Ik heb de trein gehaald die me op tijd naar mijn belangrijke sollicitatie brengt.) Of is er gewoon iets fijns gebeurd, waar je misschien een (kleine) teleurstelling had verwacht? (Ja, ik heb het cadeau gekregen wat ik graag wilde, niet zomaar een goedbedoelde cadeaubon!)

Met andere woorden: kijk of er ook mogelijke verwachtingen in het spel zijn geweest. Daar kan je op een later moment gebruik van maken voor je omschrijvingen. Vergeet ook niet dat niet iedereen hetzelfde op situaties reageert: gebruik die verschillen in je voordeel om de situatie van opluchting die je wil opschrijven zowel uniek als passend te maken.

Dit artikel verscheen eerder op Schrijven Online.
Foto door Thomas Le via Unsplash.

Het beste halen uit therapeutisch schrijven

Het ‘van je af schrijven’, welke schrijver heeft het niet gedaan? Voor veel mensen is het zelfs de reden om aan schrijven te beginnen. Dus dan begin je met je autobiografische roman. Of toch met therapeutisch schrijven? In de komende blogposts leer je over de verschillen en waar je rekening mee moet houden. Deze week het hoe en wat van therapeutisch schrijven.

Starten met verwerken als je iets van je af wil schrijven

Ik schreef vorige week dat je soms moet stoppen met schrijven als de emoties te veel worden. Eerst verwerken en dan schrijven is het devies, ook als je schrijven als middel voor verwerken gebruikt. Daar bedoel ik mee: probeer eerst in zekere mate te bepalen wat je precies wil of moet verwerken. Iets van je afschrijven gaat vaak beter met een doel voor ogen dat (enigszins) concreet is.

Vaag doel(meer) concreet doel
Ik wil van de emotionele pijn afIk wil niet meer geloven dat ik waardeloos ben nadat mijn emotioneel mishandelende partner me dat heeft wijsgemaakt gedurende tien jaar huwelijk.
Ik wil het achter me latenOver zes maanden – als mijn eerste versie hopelijk af is- is mijn eerste gedachte ’s ochtends niet meer wat er is gebeurd, maar wat de volgende mooie dag gaat brengen.
Ik wil vrede sluiten met mijn verledenIk wil de boosdoeners uit mijn verleden niet meer de hel toewensen, maar voor mezelf inzien waar ik ondanks alles kracht uit heb kunnen putten.

De reden dat je hiermee moet beginnen is omdat als je écht nog niets verwerkt hebt, er hoogstwaarschijnlijk niets anders uit je pen komt dan losse zinnen als “IK BEN ZO GRUWELIJK BOOS!” of een waterval aan scheldwoorden. Dat is niet erg, soms zelfs nodig, maar niet wat (in deze blogpost) onder therapeutisch schrijven wordt verstaan.
Bovendien is het zo dat je met een concreter doel al voorzichtig begint met verwerken, omdat je door de specificaties ervan al dingen gaat herbeleven. Dan kan je met een soort van show don’t tell die je dan voor je geestesoog afspeelt, sowieso makkelijker woorden vinden. Je bent niet langer alleen heel boos, maar voelt ook hoe je tanden knarsten, je hoofd pijn begon te doen, enzovoorts. Dat is ook praktisch gezien handiger voor het schrijfproces.
Zie je ook hoe je een tijdsdoel kan stellen? Hoewel dat niet hoeft, kan het wel een stok achter de deur zijn om dagelijks achter je bureau te kruipen of om die anders onmogelijke opdracht al wat minder eng te laten lijken. Gek genoeg kan ‘Ik wil ooit een boek schrijven’ soms onmogelijker klinken dan: ‘Ik wil over zes maanden mijn eerste schets klaar hebben.’

Therapeutisch schrijven

Therapeutisch schrijven is eigenlijk heel simpel in zijn definitie. Het is van je af schrijven, zonder dat je ook maar ergens rekening mee hoeft te houden. Er is geen enkele regel voor, want niemand behalve jij gaat het resultaat ooit lezen. Dat is misschien wel de enige echte regel: schrijf met het idee dat het nooit door iemand anders wordt gelezen. Schrijf zoals een kind een dagboek behandelt, met hangslot en al. Als je later wil, kan je altijd nog iemand in vertrouwen nemen. Maar de mogelijkheid dat je dat ooit gaat doen, is al taboe als idee om tijdens het schrijven in je achterhoofd te houden – ‘nooit’ staat hierboven niet voor niks dikgedrukt.
Dat betekent dus ook dat je mag schrijven:

als dit nou es niet gebert was dan weet ik zekurs dat al dat anderen in me leven zo gigantish anders was gelopen dat ik veelste veel meer gelukkig zou zijn geweest

Geen hoofdletters, te veel spaties, geen komma’s of punten en veel en overduidelijke spellings- en grammaticafouten? Geen probleem! Als het zo uit je pen komt, laat je het zo staan. Zoals gezegd leest niemand het ooit na. Mocht je alles later zelf wel teruglezen, dan kan je slordige manier van schrijven een handige weerspiegeling zijn van wat je op je hart had. (Als ik zelfs zekurs schreef, dan was het wel echt erg met me gesteld... gebert?? d/t-fouten zijn tot daar aan toe, maar de ‘u’ vergeten...)

Het gaat erom dat je werkelijk ongeremd mag schrijven als je dat therapeutisch doet.

Starten met therapeutisch schrijven

Als je daadwerkelijk gaat starten met therapeutisch schrijven, kijk dan eens naar je eerder gestelde doelen. Mocht je die niet hebben en niet verder gekomen zijn dan: “IK BEN ZO GRUWELIJK BOOS!”, kijk dan eens of het lukt om die boosheid in een woordenweb te zetten. Welke herinnering komt er naar boven die je zo boos maakt? Waar doet het misschien pijn als je deze boosheid voelt?

Als je merkt dat je in enkele woorden(webben) blijft hangen, kijk dan eens of je ze op volgorde kan zetten. Dan wel in het opzicht van de herinnering -op die betreffende dag werd ik om 12.00 geslagen, om 12.01 voelde ik pijn, om 12.02 voelde ik verdriet- dan wel in het hier en nu: ik voelde eerst boosheid opkomen bij die herinnering, toen begon ik te schelden, nu trilt mijn hand.

Zoals gezegd is er geen verkeerde manier van therapeutisch schrijven, omdat niemand het te lezen krijgt en je het dus nooit fout kan doen. Maar als het een onoverzichtelijke boel blijft in je hoofd, kan het helpen om op deze manier verbanden te leggen of structuur aan je verhaal te geven. Waarschijnlijk is dat ook je doel: een verhaal aan het papier toevertrouwen, dat nog enigszins leesbaar is. Niet in de betekenis van ‘een goed verhaal’ maar wel dat het enigszins een begin, midden en eind heeft, al is het maar in de eindeloze opsomming van ‘en toen en toen en toen en toen’. Dan heb je in ieder geval dit is er gebeurd opgeschreven. Zo voel(de) ik me daarbij of zelfs Zo ben ik ervan gegroeid komt dan later wel. In een volgend stadium of in de vorm van een autobiografische roman.

Over de aandachtspunten van een autobiografische roman dat het doel heeft om iets te verwerken volgt volgende week meer.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Afbeelding van 👀 Mabel Amber, who will one day via Pixabay

Op deze momenten moet je een schrijfpauze nemen

Schrijven is fantastisch, daar zijn wij schrijvers het over eens. Maar je moet er af en toe een pauze van nemen. En dat heeft verschillende redenen. Soms moet je stoppen met schrijven voor je goed en wel begonnen bent, soms als je midden in een schrijversflow zit en soms omdat schrijven nu eenmaal niet altijd makkelijk is. In deze blogpost zet ik de verschillende redenen op een rij waarom een pauze nemen van schrijven in je voordeel kan werken.

De eerste sprint van enthousiasme

Als je inspiratie hebt voor een nieuw verhaal, is de goede zin meestal niet ver weg. Voor je het weet, ben je honderden woorden verder. Maar er zit een keerzijde aan die eerste sprint van enthousiasme. In je hoofd klinkt het waarschijnlijk ongeveer iets als:
“O wauw, ik heb echt een fantastisch idee! Ik ga schrijven over de kunst in het Louvre waar ik zo van onder de indruk was tijdens ons weekendje Parijs. Ik heb goed opgelet, ik weet de details van de mooiste werken nog en ik ga zorgen dat de lezer net zo’n sensationeel gevoel krijg als ik had”
En hop, daar ga je, tikkend met topsnelheid. Niet veel later heb je zeshonderd woorden aan sfeeromschrijving. Maar als je het een week later terugleest, blijkt het een grote infodump te zijn: het verhaal gaat nergens heen, je komt niets over je personages te weten… Met honderdvijftig woorden had deze scène ook volstaan. En de mooie Mona Lisa is in plaats van indrukwekkend eerder slaapverwekkend, omdat je maar blijft doorgaan en doorgaan over ieder spatje verf waaruit ze bestaat.

Bij de eerste sprint van enthousiasme moet je ervoor zorgen dat je bijna meteen even op de rem trapt. Schrijf net genoeg op wat de kern van je inspiratie weerspiegelt en welke toon dat in de tekst moet krijgen.
Stop dan even om op te schrijven wat behalve dat enthousiasme nog meer de basis van het verhaal moet vormen. Denk aan dingen als een verhaalthema, plottwists, specifieke scènes die je misschien al voor je ziet. Schrijf dat puntsgewijs op in je opschrijfboekje of zelfs op een kladblaadje.
Het lijkt verleidelijk om in turbostand te beginnen, maar tenzij je een kort verhaal schrijft, betekent dat vaak alleen maar dat je later duizenden woorden moet schrappen. Al stel je de schrijversflow maar tien minuten uit om de basis vast te stellen, dat kan al voldoende zijn. Maar maak geen valse, te snelle start.

De emotionele lading

Veel mensen schrijven om iets van zich af te schrijven, voor het therapeutische aspect. Dat is een prima manier om iets te verwerken, maar weet wanneer je even een pauze moet nemen. De kans is het grootst dat je even door je emoties wordt ingehaald als je autobiografisch schrijft, maar ook in fictie komen er vervelende scènes voorbij, waar de vervelende momenten van je personages ongemakkelijk veel gemeen hebben met iets wat je zelf hebt meegemaakt.
Het is prima om dóór te schrijven als je voelt dat er nu echt even iets uit moet. De grens is bereikt op het moment dat je lijf op de alarmknop drukt (denk aan buikpijn, trillende handen enzovoorts ) en zegt dat je moet stoppen. Als je tranen voelt opkomen, stop dan om die te laten lopen. Iets verwerken en ècht laten loskomen, is belangrijker dan die ene mooie zin die je hoopt te vinden. Echt waar. Wees lief voor jezelf. En de kans is bovendien groter dat die mooie zin alsnog komt als je de emotionele blokkades hebt opgeruimd door even flink te huilen, of te gaan wandelen, te douchen… Wat ook maar voor jou werkt als je lijf in opstand lijkt te komen.

De innerlijke voorlezer staat aan het roer

De innerlijke voorlezer kan een geweldig gevoel van een schrijversflow met zich meebrengen en oprecht mooie teksten opleveren. Een voorwaarde is wel dat jouw voorlezer ook echt een voorlezer blijft, niet een persoon die de tekst letterlijk voor je gaat dicteren en op de zaken vooruitloopt. Stel dat je hebt geschreven:

Het bloemenveld stond er kleurrijk bij en de geuren kondigden de lente aan. En je innerlijke voorlezer maakt daarvan:
Het bloemenveld schitterde in alle kleuren van de regenboog en de zoete geuren beloofden een prachtige lente.

Daar is vooralsnog niets mis mee, maar dan moet de volgende zin worden geschreven. Meestal ga je als vanzelf verder met de toon – of intensiteit, zo je wil- van de tekst waarmee je al bezig bent of bij die de al bestaande tekst past. Als je innerlijke voorlezer zodanig sterk is dat die niet alleen aanwezig is bij het teruglezen van een tekst, maar ook tijdens het schrijven, dan is een pauze noodzakelijk. Lees de betreffende blogpost voor wat tips over hoe het aandeel van de innerlijke voorlezer op je tekst kan verminderen. Je kan dan nog wel verdergaan met schrijven, maar zorg dan wel dat het een stuk tekst is waarbij je innerlijke voorlezer de mond dicht kan houden.

Als je gaat opsturen

Of het nu gaat om een manuscript opsturen naar een uitgever, een scène voor je proeflezers of een inzending voor een schrijfwedstrijd, laat je tekst altijd een paar dagen liggen zonder ernaar te kijken. Dan merk je niet alleen eventuele spelfouten op die in je blinde vlek zitten op het moment van typen. Met frisse blik zie je vaak ook welke zinnen of scènes wegkunnen of nog missen. Het is jammer om iets op te sturen en daarna slechte feedback of soms zelfs geen antwoord te krijgen vanwege opvallend veel (spellings)fouten of gaten in je verhaal die je had kunnen vermijden als je de tekst later nog een keer had gecontroleerd. Voor het beste resultaat laat je een tekst minstens twee volle dagen rusten.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto door Ashley Kirk verkregen via Unsplash.

Nog meer manieren om met je verhaal te starten

Zoals je vorige week kon lezen kan je je verhaal starten vanuit een idee voor een plot, personage, sfeer of de toon. Maar daarmee zijn de mogelijkheden nog niet uitgeput. Deze week kijken we naar nog meer inspiraties voor het starten van een interessant boek.

Schrijven vanuit een moraal

“Vertrouwen in mensen is goed.” “Liefde wint altijd.” “Geld maakt niet gelukkig.” “Denk eerst aan anderen, dan pas aan jezelf.” Een enkele leus kan zomaar het begin zijn van een compleet verhaal dat dit standpunt moet benadrukken.

Als je een moraal als uitgangspunt neemt voor je boek, let dan heel goed op het verschil tussen verhaalthema en moraal. Helaas is de moraal de radicaalste van de twee, omdat die het sterkst aanwezig is als dat je uitgangspunt vormt en ook omdat het radicaal mis kan gaan als je het moraal te dik erbovenop legt. Dat heeft twee redenen.

“Wat is de moraal van het verhaal?” Dat klinkt als een clichéuitspraak, nietwaar? Als je hele boek leunt op een uitgangspunt dat uitgaat van iets dat clichégevoelig is of zelfs helemaal een cliché is, dan is de kans groot dat het erg geforceerd overkomt en niet fijn meer leest. In tegenstelling tot een verhaalthema, waar je boodschap of uitgangspunt meer geleidelijk in het verhaal verweven is.
Als je uitgaat van een moraal, moet je extra alert zijn op de clichés die dat met zich meebrengt. Zowel in het plot, als de verhaallijn, als wie de hoofdpersonen zijn en nog veel meer.

Een moraal is bovendien ook gevoelig voor normen en waarden. Stel dat je verhaal is: “Mensen met macht zijn niet te vertrouwen.” Dan is de kans groot dat je mensen met macht bijna als vanzelf als lezerspubliek verliest. Dat hoeft niet erg te zijn: ieder boek heeft zo zijn doelgroep, en dus ook mensen die daar buiten vallen. Maar het is wel vervelend als je een doelgroep om de verkeerde redenen (onbedoeld) uitsluit. Je zou met bovenstaand moraal maar uitgaan van het idee dat macht hebben en macht willen hetzelfde is… Dan mis je belangrijke nuances, waar je verhaal inhoudelijk niet beter op wordt. Vergeet niet dat normen en waarden nooit feitelijk vastliggen. Iemand kan andere, zelfs gestoorde normen en waarden hebben, maar mensen zijn nu eenmaal zeer verschillend.
Als je een moraal als uitgangspunt neemt, vergeet dan niet dat jouw persoonlijke waarheid van die van anderen kan verschillen. Je zal hier en daar het moraal iets meer moeten nuanceren of verschillende invalshoeken ervan moeten geven om te voorkomen dat je verhaal eentonig, cliché of het pleidooi van een moraalridder wordt.

Doel van informeren of introduceren

Of het nu om het introduceren van geschiedkundige feiten gaat, of om het verlangen om te willen schrijven hoe het is om met een minderheidskenmerk te leven, soms heeft het verhaal als voornaamste doel of inspiratie om een kijkje in de keuken te geven. “Ik ben gek op Brazilië, dus daar laat ik mijn verhaal afspelen, zodat mijn lezers met dat land kennis kunnen maken.” “Ik wil mijn lezer meer vertellen over de Tweede Wereldoorlog, dus speelt mijn verhaal zich daar af.”
“Er is weinig kennis van een bipolaire stoornis bij het grote publiek, dus mijn hoofdpersonage heeft daarmee te maken. Dan kan ik bewustzijn kweken.”

In dit geval heb je twee sleutelwoorden: afbakenen en onderzoeken.

Als eerst moet je afbakenen wat je de lezer wil vertellen. Stel jezelf de vraag: als de lezer iets moet onthouden of moet leren, wat is dat ene iets dan?
* Dit is de mooiste plek van Brazilië en wel hierom
* Wat de gruwelen van de concentratiekampen tijdens WOII waren en hoe grootschalig dat was
* Hoe iemand met een bipolaire stoornis in het dagelijks leven daar (geen) hinder van ondervindt.

Doe hier vervolgens serieus onderzoek naar en ook vooralsnog alleen hiernaar. Voor je het weet, ga je ook onderzoek doen naar bepaalde belangrijke veldslagen, de Lonely Planet Brazilië top 10 en de statistieken voor geslaagde Tinderdates van bipolaire mensen. Maar vergeet je basis niet. Je kan later altijd nog andere dingen toevoegen, maar als je in de eerste fase al eindeloos gaat vertellen en onderzoeken krijg je een infodump van informatie en mogelijkheden en wordt je boek te breed voordat de eerste letter op papier staat.
Als dat ene element wat je lezer mee moet nemen, stevig staat, volgt de rest vanzelf. Maar in de beginfase is het handig om bij dat ene te blijven, zodat je ook de voeling houdt bij wat de essentie van je verhaal vormt. Dat maakt schrappen in een later stadium namelijk vele malen makkelijker. Zo weet je bijvoorbeeld dat je als je moet kiezen tussen een scène waarin je een concentratiekamp omschrijft, of waarin een relatief willekeurige Nazi burgers mishandelt, je moet kiezen voor de eerste.

Herinneringen verwerken / veranderen

Deze inspiratie uit zich vaak in een autobiografie of met een roman met elementen daarvan. Je wil immers iets wat je zelf hebt meegemaakt op papier zetten. Misschien wil je een nare gebeurtenis uit je leven een goede afloop geven, al is het maar op papier. Het belangrijkste startpunt bij dit soort verhalen is om te bedenken in hoeverre je waarheidsgetrouw wil of zelfs kan blijven. Behandel je idee als een fantasyverhaal waar je de worldbuilding nog voor moet beginnen. Oftewel, bepaal de wetten van wat er kan of mag in je boek: wat zijn geheimen van mezelf of anderen die ik in dit verhaal prijs ga geven? Is dat wel oké, of tot op welk punt? Moet de lezer geloven dat alles echt gebeurd is of mag er gerust een fictief tintje aan het verhaal zitten? Vergeet hierbij ook niet de regels rondom het schrijven van een persona. Als je een bestaand persoon ook op papier in je verhaal terug laat komen, dan dien je die ook aan te passen. Dat kan ervoor zorgen dat er ook dingen inhoudelijk anders verlopen. Bedenk ook hier wat een lezer absoluut mee moet krijgen en schrijf alles daar verder omheen, met de bijbehorende ethische beslissingen rondom (auto)biografisch schrijven in het achterhoofd.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto van Yoann Siloine via Unsplash.

De rol en kernmerken van een personage combineren

Het idee dat je kan raden wat iemand is door alleen naar diegene te kijken is zowel een belangrijke show don’t tell als de grootste onzin die er is. Gebruik die paradox om een personage te ontwerpen dat in je verhaal past.

Raadselspel: Wie is de…?

In een raadselspelletje op Youtube raden deelnemers wie wat is (of voor beroep doet, hoe slim diegene is…) Soms moeten ze dat raden op basis van uiterlijk, soms mogen ze vragen stellen. Daar komt bijna altijd de paradox van eerste aannames bij kijken. De deelnemers gaan uit van aannames als:
* Die jongeman met trendy kleren kan geen pastoor zijn.
* De vrouw met de keurige trui, platte schoenen en strenge bril moet wel de bibliothecaresse zijn.
* Een vrouw met piercings en fel geverfde haren vol gel is vast niet de basisschoollerares
* Die jongeman is geen homo: hij draagt stoere kleren, is gespierd en straalt op allerlei andere manieren mannelijkheid uit.
Om er dan vervolgens achter te komen dat de helft van de beweringen klopt en de andere helft juist absoluut niet: jawel, er zijn wel degelijk jonge pastoors die zich hip willen kleden. En nee, niet alle homoseksuele mannen hebben vrouwelijke trekjes.

De basis van een personage

Als je een personage schrijft dat een bepaalde groep of eigenschap vertegenwoordigt, kijk je eerst wat onomwonden waar is over deze groep. Denk aan:

* Advocaten zijn hoogopgeleid: je moet studeren om je bul te halen.
* Brandweerkrachten zijn fysiek sterk.
* Hoveniers hebben groene vingers.

Wees voorzichtig met logische aannames als:
* Zorgmedewerkers zijn zorgzaam en lief (gelukkig meestal wel, maar niet per definitie)
* Schrijvers hebben een bodemloze put van inspiratie (vaak wel, maar een writersblock is desondanks geen verzinsel)

Deze zaken moet je meenemen om je personage realistisch te portretteren. Daarna moet je beslissen in hoeverre je van aannames uitgaat en wanneer je daar juist van afwijkt. De volgende stap is kijken naar welke archetype je personage belichaamt.
Als je het archetype verzorger bekijkt, zie je dat die structuur kan brengen en ‘service’ verleent’. Neem een receptionist. Die moét beleefd, behulpzaam en geduldig zijn. (Wees onbeleefd en je raakt je baan kwijt, maar als een klant onbeleefd is tegen jou, dan moet je intern tot tien kunnen tellen).
Als je verder gaat met de logische aannames, krijg je: ziet er netjes uit en praat formeel tijdens zijn werk. Voilà, hier is een foto van ons personage: Michael.

Afbeelding van Rodrigo Salomón Cañas via Pixabay

Ziet Michael eruit als een stockfotopersonage? Precies. Dit is een receptionist en een hotel waar niet veel fantasie bij komt kijken. Als je je personage wat ronder wil maken, kun je andere aannames of invullingen uitproberen. Kijk eens naar de verschillen tussen Michael en zijn collega Samuel.

ReceptionistMichaelSamuel
Werkt ineen zakenhoteleen backpackershostel
Vindt het werk voornamelijk leuk omdathij het mensen gemakkelijk kan makenhij veel met mensen in contact komt
Groet het klant het liefst met“Hoe kan ik uw verblijf nog aangenamer maken?”“Hoe was je dag vandaag?”
Denkt bij een confrontatie met Karengewoon lachen en zwaaien….Wát doe jij hier?! Effe dimmen, dame!
is het archetypezorgerontdekkingsreiziger

Hoe zit Samuel eruit, denk je, na deze tabel te hebben gelezen? Zo misschien?

Foto door Stephanie Cook on Unsplash

Als je Samuel zo ziet, zal je waarschijnlijk niet meteen denken dat hij een receptionist is. Dat brengt ons weer bij de hamvraag van het begin: wanneer kan alleen een beeld van iemand écht bepalen wat of hoe iemand is? En hoe beantwoord je als schrijver die vraag?

Hoe groter de rol, hoe anders het beeld

Hoe groter de rol van een personage is, hoe meer je van het stereotype beeld moet afwijken en andersom. Een personage met een klein aandeel mag -of moet!- je uitwerken met kant-en-klare kenmerken. Michael zal nooit een grote rol spelen in een verhaal: daar is hij te oppervlakkig voor. Samuel zou de held, de beste vriend of een anderszins grotere rol kunnen spelen in het verhaal. Laten we beide heren en hun nut voor een verhaal op een rijtje zetten aan de hand van een casus.

Michael

Michael is een ideale show don’t tell en sfeeromschrijver voor een belangrijke scène. Als je held een lange, vermoeide reis achter de rug heeft, zorgt Michael voor een warm ontvangst en een comfortabel bed. Wat een opluchting voor Held die net een tien uur lange vlucht met een Karen aan boord heeft gehad…
Dan komt Held tenminste tot rust, met het complementaire drankje van de roomservice dat Michael regelt. Als er dan een chagrijnige collega aan de balie zou zitten, zou dat de druppel kunnen zijn waardoor Held een zenuwinzinking krijgt en alles van kwaad tot erger leidt. Michael voorkomt dat het verhaal overgecompliceerd wordt, of bol staat van de infodumps. Dat is ook de reden dat je hem oppervlakkig moet houden.

Samuel zou ongetwijfeld ook voor een goed ontvangst kunnen zorgen, maar als Held alleen maar even tot rust hoeft te komen na een rampvlucht, is het onnodig om hem achter de balie te zetten: het is een verspilling van woorden om kennis te maken met iemand die slechts in een enkele scène een bijdrage hoeft te leveren.

Samuel

Held komt bij Samuel in het hostel en het verhaal moet ernaar leiden dat Held van Samuel een andere blik op het leven krijgt. Dan is het belangrijk dat Samuel een uitgewerkt personage is, omdat het feit dat hij een receptionist is, op de lange duur niet meer het belangrijkste is. Aan het eind van het verhaal herinnert de lezer hem als Samuel de Wijze, niet als Samuel de (willekeurige) Receptionist. En dus moet hij zich ook vooral gaan gedragen als een mens met allerlei unieke trekjes.
Michael is niet meteen te stom als personage om advies te kunnen geven of een luisterend oor te bieden, maar iemand die een leven(svisie) verandert, kan je niet afschilderen als iemand die een bijrol speelt in het leven. Dat zou hetzelfde zijn als een levensveranderende ontmoeting afdoen als iets dat niet uitmaakt.

Kortom: als een personage een belangrijke rol vervult, moet die uniek genoeg zijn om je lezer in het verhaal mee te kunnen nemen. Als je personage een scèneondersteunende functie heeft, moet die wat algemener blijven, zodat de lezer een makkelijk beeld van de situatie kan vormen.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Schrijfprompts: omschrijf eens…

Omschrijven klinkt makkelijk, maar is een hele kunst. Als je iets omschrijft, moet je dat doen met voorbeelden die duidelijk genoeg zijn om een goed beeld bij te krijgen. Houd je de beschrijvingen echter te algemeen, dan komt er niets voor het geestesoog van je lezer. Specifieke details kunnen zowel dat ene zetje geven om iets algemeens tot iets unieks te maken, als wel details blijven.
Daarom kan omschrijven heel erg lastig zijn. Hoewel er geen formule bestaat voor succesvol omschrijven, kunnen een aantal uitgangspunten wel een opzetje vormen. Ik heb er een aantal schrijfprompts bij bedacht, waarbij ik gebruik van iets wat je moet gebruiken en moet vermijden. Zo hoop ik dat je je bewust wordt wat meer algemene beeldvormingen zijn en welke details een omschrijving meer kunnen verrijken. Schrijf zoveel meer als je wil, maar houd je aan de restricties en voorwaarden in de tabel. Veel plezier en succes!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Personageprompts

Omschrijf eens een personage.

Dit beeld moet duidelijk wordenDit mag je niet omschrijvenWaarom werkt dit meestal niet beeldend?Dit moet je omschrijvenWaarom werkt dit meestal  beeldend?
 het algemene uiterlijk haar en ogen Het is cliché, en zegt weinig: zelfs bij rood haar en blauwe ogen. Dat is vrij uniek, zeker, maar heb je nu echt een compleet beeld van het uiterlijk? Nee.  houding, in de brede zin van het woord.  het straalt een (gebrek aan) zelfvertrouwen uit. Dat zegt veel meer over de uitstraling en indruk van je personage als geheel dan (wanneer het al dan niet aantrekkelijk is door) bepaalde fysieke kenmerken.
 kledingstijl welke specifieke kledingstukken het personage draagtals je personage een rok draagt, is dat een minirok of een rok tot op de grond. Het is een te breed begrip.  kleur van de kledingstukken en de staat waarin ze verkeren.  gebruik van kleur kan een symboliek zijn van karaktertrekken of een show don’t tell van de mate waarin je personage expressief is.
De staat waarin de kleren verkeren, vertelt je hoe verzorgd je personage is, of (misschien) hoe vaak het nieuwe kleren kan kopen.
 het personage is aantrekkelijkalles wat met de ogen en mond te maken heeft: kleur, vorm, de uitstraling ervan. Alles aan een lichaam dat ‘traditioneel gezien’ aantrekkelijk gevonden wordt (van ogen tot lippen, van borsten en billen tot een mooi sixpack…) ‘De ogen zijn de spiegel van de ziel’. ‘De liefste lach die ik ooit zag. ‘Wat een mooi lijf!’ Dat hebben we nog nooit gehoord… Wat kan er er nog meer aantrekkelijk zijn aan iemand? unieke uiterlijkheden opvallendheden of maniertjes
en/of iets wat het personage doet, in plaats van hoe het er fysiek uitziet.
als je personage een (bijvoorbeeld) opvallend mooie neus heeft, is dat nog steeds mooi, maar komt die omschrijving oprechter over, omdat er normaalgesproken vaker over ogen, billen etc. worden geschreven als het over attractieve uiterlijkheden gaat.

Beschrijf je maniertjes of iets wat het personage doet als aantrekkelijk, dan is het logischer als een ander personage daadwerkelijk verliefd op de held wordt. Dan is het geen lust, maar echt liefde.
 het personage heeft macht  de kledingstijl en het taalgebruik dure kleren en formeel en/ of indrukwekkend lijken. Maar inhoudelijk leeg taalgebruik is redelijk cliché om te laten zien dat je met een hoge pief te maken hebt die gewend is anderen naar de mond te praten.hoe het omgaat met iemand die een lagere status heeft. Is het personage oprecht aardig, of overdreven amicaal? Keurt het de ander geen blik waardig, of is het zich nauwelijks tot niet bewust van het machtsverschil? je kan macht gebruiken en je kan macht misbruiken. Het hebben van macht op zichzelf is nietszeggend. Hoe je ermee omgaat zegt echter heel veel.

Omgevingprompts

Schrijf eens op hoe de omgeving eruit ziet

Dit beeld moet duidelijk wordenDit mag je niet omschrijvenWaarom werkt dit meestal niet beeldend?Dit moet je omschrijvenWaarom werkt dit meestal  beeldend?
Een toeristische attractiede (naam van de) eigenlijke attractie het omschrijft de attractie alleen  de sfeer eromheen: waarom de mensen de moeite nemen het te bezoeken dan snap je waarom de attractie de moeite waard is. Waarom zou je er anders heen gaan? Times Square is een plein met een reclamebord. De Notre Dame is een mooie kathedraal, maar is echt niet de enige op de wereld: dat idee.
een drukke markt  de hoeveelheid mensen die er zijn  dat kan ook een winkelcentrum, concertzaal, voetbalstadion… betreffen de geuren en kleuren, de gesprekken die worden gevoerd de ouderwetse markt is een feest voor de zintuigen! Ook heeft het vaak een sociale functie: mensen komen ernaartoe om te kletsen en de kooplui kennen hun vaste klanten.
Als je een omgeving omschrijft, bedenk dan ook wat die omgeving anders maakt dan iets soortgelijks (zoals bijvoorbeeld een markt versus een winkelcentrum)
 een huis de grootte als een gigantisch huis in verval is, is het niet zo luxe: dan is een kleine woning veel huiselijker en prettiger om in te wonen.
Bedenk goed of de algemene aanname bij een woord ook altijd opgaat (een groot huis is luxe, duur eten is lekkerder, enzovoort)
 de inrichting  dit geeft sfeer en persoonlijke smaak weer
  een natuurgebied de algemene bewoordingen ‘bergen’ ‘strand’ ‘bos’je doet het begrip ‘natuur’ tekort als je het breed omschrijft. Dan wordt het eerder een clichésetting voor de clichéhippie die een wil zijn met de natuur hoe je de natuurkrachten aan het werk ziet. Hoe voelt of klinkt de wind? Waar hoor je beekjes kabbelen? Waar zie je tekenen van leven? Op wat voor manier?de natuur heeft (meestal) aantrekkingskracht vanwege het feit dat het ‘leeft’, niet gemaakt of niet ‘zielloos’ is. Niet omdat mensen of dingen die door mensen is gemaakt afwezig zijn.

Sfeerprompts

Beschrijf een sfeer van een situatie

Dit beeld moet duidelijk wordenDit mag je niet omschrijvenWaarom werkt dit meestal niet beeldend?Dit moet je omschrijvenWaarom werkt dit meestal  beeldend?
er is hier iets niet pluisde eigenlijke angst voor het onbekende  het ligt er te dik bovenop wat er anders is dan het vertrouwde dan kan de lezer meepuzzelen en het is als vanzelf spannend
er is rust hoe stil het is rust is niet alleen stilte, het kan ook andere dingen betekenen de afwezigheid van stress of drukte zo leer je je personage beter kennen. Krijgt het rust door stilte? Door te gaan hardlopen? Koken? Dansen met het volume op tien?
 je personage is ongewenst prikkende blikken, geroddeldit is een show don’t tell met een tell effect hoe dat negeren voor het personage zelf voelt dat is een show, don’t tell met de waarheid van je personage
er gaat iets langverwachts gebeuren iedereen staat te kwebbelen en te stralen van opwinding het is oppervlakkig en het kan ook op iets anders wijzen: een gezellig feestje, bijvoorbeeld waarom is dit moment zo langverwacht? Wat staat er op het spel? Laat de personages het moment beleven.  dan krijgt de scene inhoud en blijft het niet alleen bij een sfeeromschrijving.

Foto door Sigmund op Unsplash.

Hoe kan een lezer je boek interpreteren?

Als schrijver wil je graag dat je verhaal met plezier gelezen wordt. Maar je hebt geen invloed op hoe iedere individuele lezer iets interpreteert. Je kan echter wel onderzoeken wanneer, of en waarom je het al dan niet oké vindt dat je lezer je anders kan begrijpen dan je bedoelt. Zo kan je iets bewuster omgaan met wat je expliciet uitschrijft in je boek.

Interpretaties van de lezer over je boek

Als schrijver weet je wat er tussen de regels door gebeurt, of hoe het verhaal verdergaat na de laatste bladzijde, maar leg je niet alles vast. Daardoor kan een lezer eigen conclusies trekken. Soms komen die overeen met wat je zelf altijd hebt bedacht, soms ook niet. Een voorbeeld:

Een stelletje neemt voorgoed afscheid. Het is al dagenlang ongemakkelijk tussen hen: ze weten niet wat ze nog moeten zeggen. De lezer weet dat Bart iets geheim houdt voor Sandra.
Dan stapt Sandra op de trein. Bart doet zijn mond open, alsof hij nog iets wil zeggen, maar dat doet hij niet. Dan blijft de brandende vraag: ‘Wat had Bart bijna gezegd?’ Wat speelde daar de hele tijd? In de aantekeningen van de schrijver staat: Bart heeft herhaaldelijk, met kleine beetjes tegelijk, geld van Sandra gestolen. En dan lezen de lezers het verhaal:

Lezerdenkt datomdat
1Bart is vreemdgegaanhij altijd zo schrikachtig was als Sandra de slaapkamer binnenkwam: hij zal in bed wel met zijn minnares hebben geappt als Sandra even in de badkamer was (Maar Sandra’s spaarpotje stond op haar nachtkastje…)
2Bart hij zich altijd onbekwaam voelde in bed en daarom vooraf altijd zenuwachtig werd.als Sandra in de badkamer was hij vaak mompelde: heb ik er vandaag de moed voor? Dan wel om zich te bewijzen, of om te zeggen dat hij vandaag geen zin heeft
(maar het betekende: durf ik vandaag weer te stelen?)
3Bart af en toe van Sandra stalhij altijd zenuwachtig werd aan het einde van de maand, en alleen zenuwachtig werd als Sandra in de badkamer was, niet wanneer ze naast hem zat op de bank.

In dit voorbeeld zouden de conclusies van lezer 1 en 2 logisch kunnen zijn. Dus trek je alles uit de kast trekken om ervoor te zorgen dat de lezer zeker weet dat het hele probleem niets met seks, romantiek of intimiteit te maken heeft. Zo, opgelost. Nu moet het toch wel duidelijk zijn. Maar dan zegt lezer 4: Bart heeft eerder een mysterieus telefoontje gehad en hij vreest dat iemand hem wil neerschieten. Er zit een sluipschutter op het balkon van de overburen, die de trekker overhaalt als Bart alleen in de slaapkamer is. Kortom: met geen mogelijkheid kan je voorkomen dat een lezer het soms ‘mis’ heeft of iets niet oppikt.

De mate van zeggenschap van een schrijver

Er zijn twee termen waar je van moet weten: ‘dood van de auteur’ en ‘autoritaire intentie’ als je wil weten hoe een lezer jouw intenties als schrijver kan interpreteren.

Autoritaire intentie: hier gaat de lezer uit van het principe: een schrijver schrijft een boek en laat bepaalde zaken open. Als je later een interview met de schrijver hebt en over die open zaken opheldering vraagt, is dat antwoord het enige juiste, omdat de schrijver het zo bedoelde, ook al staat het niet expliciet zo opgeschreven. Bart stal dus van Sandra, punt. En daarom is het boek geen romantisch verhaal.

Dood van de auteur: hier doet de lezer als het ware alsof de auteur meteen na het schrijven van het boek dood is neergevallen. Je kan de schrijver niet meer vragen naar hoe iets was bedoeld, dus blijven alle opties open. En als het de bedoeling was geweest dat de lezers zeker wisten dat Bart van Sandra stal, dan had dat uitgeschreven moeten worden. Als achteraf in oude aantekeningen wordt gevonden wordt dat Bart van Sandra stal is dat nog steeds waar, maar niet meer waard dan de mening of de interpretatie van de lezer die iets anders las in de tekst.

Dit zijn uitgangspunten, dus geen feiten die goed of fout zijn. Je lezers kunnen tekst anders lezen en het dus niet altijd met je eens zullen zijn als je -achteraf- verklaart wat en waarom je iets niet expliciet opschrijft in je verhaal, zonder dat ze ‘fout’ zitten. En er zullen mensen zijn die je woord altijd voor de waarheid aannemen.

Hoe ga je als schrijver met deze zeer verschillende standpunten om?

Dode schrijver, vrije lezer

Om het in een zin samen te vatten:

Lees teksten met alle vrijheid voor verschillende interpretaties, maar schrijf ze alsof je elk moment dood kan neervallen.

Dit is een uitganspunt waarmee ik hoop je een aanrijking te geven, maar -net bij als de discussie over interpretaties zelf- is dit echt niet dé manier. Hopelijk wordt je je in ieder geval meer bewust van je eigen hoe en waarom.

Je moet als schrijver aan teksten -zowel die van anderen als je eigen- verschillende interpretaties kunnen geven. Zo leer je over verschillende schrijftechnieken en hoe bepaalde teksten (überhaupt) geïnterpreteerd kunnen worden. Maar als je dichttimmert, kan je complete verhaalthema, of centrale conflict daaronder lijden. Of je boek wordt een ‘snap je wat ik bedoel’-uiteenzetting van een mening, waar geen fatsoenlijk verhaal meer van overblijft, zoals bij de doorgeslagen trope. Dus moet jezelf afvragen of, wanneer en in welke mate je het erg vindt als je verkeerd begrepen wordt. Op zulke momenten moet je gaan schrijven alsof ‘dood van de auteur’ de enige geldige regel is. Waarover wil je absoluut geen misverstanden laten ontstaan? Denk verder dan alleen eigenlijke gebeurtenissen, maar ook hoe je bepaalde tropes uitschrijft, intenties van personages neerzet en wat je al dan niet expliciet(!) over hun dingen als uiterlijk of seksuele identiteit vertelt.

Een aantal dingen om op te letten:
* heb je het doel van je verhaal voor jezelf duidelijk?
* Schrijf je ‘grijs‘? Is er niet iets wat erg eenzijdig wordt neergezet?
* Wijk je niet te ver af van je verhaalthema?
* Ben je je bewust van de associaties van bepaalde tropes? Onderzoek die goed, voor je iets gemeens lijkt te zeggen dat je niet zo bedoelt!
* Is een diversiteit het thema of een aanvulling?
* Heb je weet van het ‘meerderheidsprincipe’?

Het meerderheidsprincipe noem ik het verschijnsel dat je soms, zonder het te beseffen, van een meerderheid uitgaat.
Stel: mijn personage werkt bij het leger, heeft een hoge positie en is verloofd. Wat is mijn personage voor iemand?
De kans is groot dat je een witte, heteroseksuele man voor je ziet. Omdat er naar verhouding meer mannen dan vrouwen in het leger dienen, er meer mannen in een hoge positie werken en hetero’s in de seksuele meerderheid zijn. En er wonen meer witte mensen in Nederland dan gekleurde mensen. Maar er stond niets dat uit kon sluiten dat het om een biseksuele latina ging die met een vrouw verloofd is. Maar helaas komt dat door het ‘meerderheidsprincipe’ niet zo snel bij je op.
Als je zeker wil weten dat er iets over je personage duidelijk is, bedenk dan of er misschien een meerderheid is die je personage kan ‘overschaduwen’, waardoor het niet meteen waarschijnlijk is dat het analfabeet, moslima, vrouw, transgender, lichamelijk of financieel beperkt… wat voor minderheid dan ook is.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.

Foto by Houcine Ncib op Unsplash.

Personage en plot: wat zou het nóóit doen?

Een personage groeit gedurende een verhaal, dus kan het ook dingen leren. Toch zal het een aantal dingen nooit kunnen of willen. Niet zozeer omdat het dom of zwak is, maar omdat iets niet in het karakter van je personage zit. Dat kan op verschillende manieren grote gevolgen hebben voor je plot. Let daarom heel goed op welke karaktereigenschappen je een personage toebedeelt en van welke zaken je het plot laat afhangen.

Een geloofwaardig karakter van een personage schrijven

Het is een open deur intrappen, maar het karakter van je personage is ontzettend belangrijk. Als je van een goedzak de antagonist maakt, rammelt er iets aan de basisstructuur van het verhaal. Maar een goed geschreven personage is niet zwart-wit. Het moet dus zowel goede als slechte dingen in zich hebben. Daar wordt je personage geloofwaardig van. Sla je echter door in je streven om je personage grijs te maken, dan is het om andere redenen ongeloofwaardig. Zelfs personages die er prat op gaan altijd ‘beide kanten van het verhaal’ te willen weten voor ze een oordeel vellen, hebben ergens een uitgesproken mening over, of bepaalde principes waar ze naar leven.

‘Dat zou ik echt nóóit doen!’

Het is iets dat zo vaak wordt gezegd, dat het soms niet meer geloofwaardig lijkt: ‘Dat zou ik echt nóóit doen!’ Misschien omdat je het meestal hoort in de context van: ‘Liegen dat ik ziek ben om een dagje stiekem de bloemetjes buiten te zetten? Dat zou ik *ahum* nooit doen!’ Maar toch zijn er dingen die je personage echt nooit zou doen. Denk aan een dierenrechtenactivist die op vakantie in Spanje echt nooit naar het stierenvechten zou gaan kijken. Dit is een oppervlakkig en duidelijk voorbeeld, maar als je je meer in je personage verdiept, zal je zien dat als je personage om wat voor reden dan ook iets nooit zou doen, dat ook grote gevolgen heeft voor het plot. Denk aan:
* een Duitse jongeman ten tijde van het Derde Rijk, zal die met een Jodin trouwen? (nóóit!)
* als ik moest kiezen tussen het redden van het leven van mijn ene kind en het andere (dan schieten ze mij maar dood!)

Om te zien hoeveel en waarom dat gevolgen heeft voor het plot, kan je jezelf twee vragen stellen:
* Waarom gebeurt het alsnog? Het leven is nooit volledig te sturen. Waar heeft je personage gewoon geen invloed op?
* Waarom gebeurt het inderdaad nooit? Welke (karakter)eigenschap van je personage is zo sterk dat het plot er zich naar vormt, in plaats van andersom?

Als het toch gebeurt

Het is makkelijk om te zeggen dat je iets nooit zou doen als de kans dat het gebeurt maar tweehonderd-nullen-achter-de-komma-punt-een-procent is. En dan gebeurt het toch. Schrijvers denken dat ze creatief zijn, maar het leven zullen ze op dat gebied nooit verslaan. Onthoud dat jij als nederige schrijver nooit zo groots, onvoorspelbaar, slim en onwaarschijnlijk zal kunnen schrijven als het leven soms is: waak voor Deus, Pixie en te grote butterfly-effects.
Maar als je een poging wil wagen, kijk dan goed naar hoe je een bepaalde creatieve vrijheid invult en waarom.
Dan weet je als het goed is ook hoe je personage gaat reageren. Het wordt met een omstandigheid geconfronteerd die het nooit had verwacht en waar het zich doorheen moet slaan. Schrijf op in je opschrijfboekje wat er dan gebeurt. Het kan zomaar gebeuren dat je personage razendsnel wegrent, terwijl je dacht dat hij zich vol in de strijd zou storten. Of andersom, natuurlijk. Het spreekt voor zich dat een verhaal heel anders loopt wanneer een laf personage de held is dan wanneer een dapper personage dat is. Maar zo zijn er nog talloze andere factoren waarbij het karakter van de held het verhaal kan bepalen.

Het gebeurt niet dankzij het personage

Het kan ook zo zijn dat iets inderdaad nooit plaatsvindt, juist omdat een personage iets weigert te doen. Ik blijf het voorbeeld van soldaat Pleva prachtig vinden, dus ik gebruik het nog eens. Je kan in de clip zien wat voor gevolgen het heeft dat hij als SS-soldaat een Joods kindje weigert de doden. Zestig jaar later vertelt Ruth haar verhaal aan een documentairemaker en inspireert het talloze mensen. Zo je wil is dit een omgekeerd butterfly effect: omdat er een schakeltje niet wordt voortgezet, komt er niets terecht van het verhaal wat had kunnen zijn. Maar daarvoor moet je het karakter van je personage wel erg goed doorgronden en beslissen welke eigenschap onverwoestbaar is. In het verhaal van soldaat Pleva zegt Ruth nog iets heel moois: “Hoe kun je vooraf weten of je op zo’n belangrijk, alleszeggend moment de moed hebt om te doen wat juist is? Dat kan niet, daar zijn die momenten te heftig voor. Het is ook een vraag die niemand voor een ander beantwoorden kan. Maar die vraag moet wel worden gesteld.”
Precies die vraag moet je als schrijver stellen: hoe kan het dat mijn personage iets weigert dat zo belangrijk is dat mijn verhaal erdoor verandert? Is het moed, een ijzersterk principe, een moment waarop hij door God wordt gedragen? – de daadwerkelijk hogere macht, niet de god die jij als schrijver soms kan zijn!-

Het moge duidelijk zijn: dit is een lastige opgave. Kijk daarom eens goed in je personagebiografie wat je allemaal hebt opgeschreven. Zijn er zaken die elkaar aanvullen? Misschien vind je wel wat tegenstrijdigheden. Een goed moment om daar nog eens goed naar te kijken. Vergeet ook niet dat je personage een archetype(rol) heeft. Pak dat schema er ook nog eens bij, het kan een zetje geven. Zo zal je zien dat het – in ieder geval op papier- makkelijker is voor een ‘wijze’ om zich op te offeren, omdat die staat voor empathie. Een magiër, die naar macht streeft, zal dat minder snel kunnen.

Tenzij je heel erg cliché schrijft, zal het niet vaak voorkomen dat de karaktereigenschappen van je personages het plot bepalen. Maar als dat wel zo is: weet wat je doet en neem je tijd om alles goed uit te werken. Dan krijg je een verhaal dat heel stevig staat!

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.


Afbeelding van S K via Pixabay.



Schrijfonderzoek in de praktijk brengen

Hoe zorg je ervoor dat je voldoende informatie meegeeft voor je verhaal, zonder van je boek een rapport te maken? Dit is waar je rekening mee moet houden als je schrijfonderzoek gaat doen of hebt gedaan.

Doelgroep: een belangrijke factor bij schrijfonderzoek

Je gaat met schrijfonderzoek beginnerscursussen volgen, meerdere boeken lezen en experts of ervaringsdeskundigen interviewen. Maar welke kennis deel je ook in je verhaal? Bedenk eerst wat je doelgroep is. Als je weet dat jouw verhaal over een specifieke uitvinding gaat, moet je meer uitleggen als Jan en alleman het gaat lezen. Weet je bijna zeker dat je aanstaande fans allemaal een goede kennis hebben van natuurkunde, dan moet je misschien nog meer onderzoek doen om hen geprikkeld te houden. Basisinformatie moet je dan juist achterwege laten.

Uitgangspunt: lijk een professor

Ongeacht voor wie je schrijft, het moet lijken alsof je een professor bent in het vakgebied, onderwerp of verhaalthema waar je over schrijft. Lijken is hier het toverwoord: je hoeft het niet te zijn. Dat ‘lijken’, houdt in dat je:

* Zelf een globaal tot redelijk gedetailleerd beeld moet hebben van waar je over schrijft.
Je hoeft niet als een daadwerkelijke expert allerlei details te weten. Als in je verhaal geleedpotige dieren belangrijk zijn, moet je weten wat de kenmerken, verschillen en overeenkomsten van zulke dieren zijn. Maar je hoeft dan niet te weten in welk opzicht de spijsvertering van een garnaal verschilt met die van een hommel.
* Zelf ook niet méér hoeft te weten dan nodig is om je verhaal tot een mooi geheel te maken.
Stop met informatie delen -of opzoeken- zodra dat narratief geen meerwaarde heeft. Ook al weet je meer dan je deelt. Zorg er wel voor dat je altijd net iets meer weet dan je deelt met je lezer. Zoals een professor ook altijd (net iets) slimmer moet zijn dan de student.

De professor voor de collegezaal

Wil een professor diens studenten goed kunnen opleiden, dan moet de informatieoverdracht prettig verlopen. Anders wordt er alsnog niets geleerd in de collegezaal.

Dat betekent dat:
* Datgene wat je personages zeggen, of wat in het verhaal gebeurt, in de basis moet kloppen.
Als je een nieuwe taal verzint voor je fictieve volk, kan je daar alle kanten mee op. Zo heeft de ene taal geen lidwoorden en de andere wel. Maar maak van je eigen taaltje geen ingewikkeld bolwerk van iets zonder lidwoorden, persoonsaanduidingen of werkwoorden, maar mèt een zelfverzonnen grammaticale constructie die het ‘samengevoegde passantwoord’ heet. Dat klinkt interessant, maar is op den duur niet meer te volgen, omdat de basis van deze taal helemaal rammelt.
* Je iets logisch en normaal moet kunnen uitleggen.
Ik kan als voormalig logopediste vertellen dat: ‘De taalontwikkeling van een jong kind een ingewikkelde samenhang is van onder andere syntax, morfologie, pragmatiek, grammatica, fonologie, en fonetiek.’
Dat is helemaal waar, toch? Ja, maar ik zou het je niet kwalijk nemen als je zou denken dat ik mezelf belangrijk wil laten klinken door allerlei ingewikkelde termen op een hoop te gooien. Wie weet, misschien verzin ik er zelfs een paar…
Oftewel: streef niet na om ingelezen over te komen. Met veel of ingewikkelde informatie staat de kennis niet in dienst van het verhaal, maar wordt het een infodump die alleen maar verwarrend werkt.

Ik kon ook gewoon schrijven dat de manier van uitspreken articulatie wordt genoemd, en dat twee belangrijke takken daarvan fonetiek en fonologie zijn. Om dan vervolgens een kindje met een spraakgebrek te laten voorkomen in het verhaal. Dan leg ik alsnog uit of en waarom dit een fonologische spraakstoornis is. Als dit de lezer überhaupt al interesseert… Misschien is het voor de lezer wel genoeg om te weten dat dit kind wordt gepest omdat het slist.

Voorkom expertpersonages

Probeer het expertpersonage te voorkomen: dat ene personage dat alles over dat ene onderwerp weet en ook continu daarover uitlegt. Als ik als logopediste in jouw verhaal over het slissende kind zou voorkomen, dan zou ik liever niet willen lezen dat mijn persona:
* naast logopediste zijn geen leven, verlangens, of personagebiografie heeft
* het slissende cliëntje aanspreekt met ‘sigmatismus interdentalis casus maandag 10.00 uur.’
(Sla deze praktijk over als de logopedist zo over cliënten praat…) Of in narratieve termen: dat leest niet als verhaal, maar als lompe, droge feiten. Feiten die de lezer misschien niet eens begrijpt.
Schrijf dan liever hoe:
* Nadine Sjakie probeert aan te leren hoe hij de stoute slang moet wegjagen en met een lieve slang moet praten.
* Nadine zo’n harde smak maakt dat haar voortanden eruit vallen en dan grapt dat ze maandag met de beste wil van de wereld geen goede slang voor Sjakie meer kan voordoen. Nogal lastig om een klank goed uit te spreken als je tong door het verlies van je tanden ineens onwillekeurig allerlei kanten opschiet als je praat…

Benodigde informatie in een scène

Soms heb je wel een ‘infodump’ nodig: een scène waarin relatief veel feitelijke informatie ineens moet worden gegeven om het verhaal lopende te houden. Probeer dan met show don’t tell ook nog iets over de onderlinge relaties, personages of het plotverloop te laten zien:
“Hoi Sjakie, ik ga even met mama praten, dan mag jij ondertussen even kleuren, goed? Mevrouw Jansen, het blijkt dat Sjakie interdentaal spreekt: met de tong tussen de tanden. Gelukkig is dat snel en goed op te lossen.”
“Dat is fijn om te horen. Sjakie, op het papier kleuren, verdorie!”
“O jee, ik was vergeten een boekje onder de kleurplaat te leggen. Wat ben je aan het tekenen, Sjakie?”
“Mijn fiets. Die kreeg ik voor mijn verjaardag.”
“Hoe lang duurt de therapie?”
“Ongeveer drie maanden, als Sjakie alles goed oppikt en zijn huiswerk goed maakt.”

Dat leest al heel wat natuurlijker en vlotter dan:
“Zo, mevrouw Jansen. Er is sprake van verschillende interdentale klanken, maar gezien de afwezigheid van addentale klanken of een fonologische stoornis, zal de therapie waarschijnlijk maar drie maanden duren.” Al is het maar omdat je niet nog geforceerd een extra scène uit hoeft te schrijven om te laten zien dat Sjakie ondeugend kan zijn, of dat het verhaal over de therapie drie maanden gaat duren.

Foto door UX Indonesia on Unsplash.

Heb je hulp nodig bij het schrijven van je verhaal? Kijk eens in mijn webshop voor de mogelijkheden van mijn schrijfcoaching.